direct naar inhoud van 5.1 Milieu
Plan: Partiële herziening buitengebied Wisch 2009
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1509.BP000028-DE01

5.1 Milieu

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals wonen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden.

5.1.1 Bodem

Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat de bodemkwaliteit geschikt moet zijn voor de beoogde functie. Het buitengebied is van oudsher in gebruik als agrarisch gebied, zodat er geen bodemverontreinigingen worden verwacht. Ook is de verwachting dat er er geen directe emissie van bodembedreigende stoffen plaatsvindt.

Ten aanzien van de bodem is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Onder het Besluit Bodemkwaliteit kunnen gemeenten kiezen om specifiek beleid toe te passen met het gebiedspecifieke kader. Dit houdt in dat normen zijn gesteld die strenger of soepeler zijn dan de landelijke generieke normen. Wanneer een lokale overheid geen gebiedsspecifiek beleid maakt, geldt automatisch het generieke kader. In het generieke kader moet worden getoetst aan de bodemkwaliteit en bodemfunctieklasse van de ontvangende bodem. Een bodemfunctiekaart is daarom verplicht.

De gemeente past generiek beleid toe en er is een bodemfunctiekaart vastgesteld. Als basis voor de bodemfunctiekaart is de 'Startnotitie Lokaal Bodembeleid', in samenwerking met de andere gemeenten binnen de regio, opgesteld. Bij het toekennen van de bodemfuncties wordt rekening gehouden met de toekomstige ontwikkeling van bepaalde gebieden. De gebieden die niet ingedeeld zijn in de functieklassen wonen en industrie, krijgen de saneringsklasse 'AW2000' toegekend. De gronden van het buitengebied waar dit bestemmingsplan betrekking op heeft worden om die reden voornamelijk ingedeeld bij 'AW2000'. Bij de woningen in het buitengebied geldt de bodemfunctieklasse 'wonen'.

5.1.2 Externe veiligheid

Het beleid op het gebied van de externe veiligheid heeft als doel zowel individuele als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Daarbij kan het gaan om ongevallen die te maken hebben met een stationaire bron (zoals propaanopslag) of bedrijven die gevaarlijke stoffen opslaan (zoals ammoniak) maar ook om een ongeval veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen.

Het externe veiligheidsbeleid voor inrichtingen heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Op grond van deze benadering worden in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) grenzen gesteld aan de risico’s, waarbij gelet wordt op de kwetsbaarheid van functies in de omgeving. De risico’s worden daarbij in twee maten gemeten: een plaatsgebonden risico (voor individuen) en een groepsrisico (voor groepen mensen).

Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt voor nieuwe situaties een harde grenswaarde van 10-6. Voor bestaande situaties geldt een tijdelijke grenswaarde van 10-5 (tot 3 jaar na het vaststellen van een bestemmingsplan). Voor sommige bedrijven - bijvoorbeeld LPG-stations - zijn in de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) vaste afstanden tot gevoelige functies vastgelegd. Ten aanzien van het groepsrisico zijn geen grenswaarden vastgesteld, maar gelden richtwaarden gekoppeld aan een verantwoordingsplicht.

Het bestemmingsplan dient bij de bestemmingskeuzen rekening te houden met de grenswaarden, richtwaarden en afstanden uit het Bevi. Concreet betekent dit dat nieuwvestiging van risicovolle inrichtingen wordt uitgesloten. Voor de bestaande risicovolle inrichtingen geldt als uitgangspunt dat deze planologisch worden vastgelegd in hun huidige omvang.

Een overzicht van de locaties van de inrichtingen in Oude IJsselstreek die onder de werking van het Bevi en de Revi vallen of waar gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen is weergegeven op de Risicokaart provincie Gelderland. In het plangebied ligt enkel een hoofdtransportleiding voor aardgas.

Er zijn in of in de nabijheid van het plangebied geen Bevi-inrichtingen gelegen die van invloed zijn op het plangebied.

5.1.2.1 Leiding - gas

Uit het oogpunt van externe veiligheid dient er in het onderhavige geval een bepaalde veiligheidsafstand in acht te worden genomen tussen de ter plaatse aanwezige gasleiding en toekomstige bebouwing en dient het aantal personen langs het leidingtracé tot een bepaalde afstand beperkt te zijn (de oriëntatiewaarde).

Vanaf Ulft naar Aalten loopt een hogedruk aardgastransportleiding. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bestaande leidingen is de circulaire "Zonering langs hogedruk aardgastransportleidingen" van 26 november 1984 van toepassing. In de privaatrechtelijk geregelde contractstrook aan weerszijden van de leidingen (= bebouwingsafstand volgens de circulaire) zijn geen bouwwerken toelaatbaar zonder toestemming van de beheerder. Deze contractstrook bedraagt 4 m tot het hart van de leiding. Een uitzondering hierop zijn bijzondere objecten categorie I en recreatieterreinen. Onder ‘bijzonder objecten categorie I en II’ worden verstaan de objecten genoemd in hoofdstuk 2, punt 5 van de richtlijn VROM.

5.1.3 Geur

Ten aanzien van agrarische bedrijvigheid geldt specifieke milieuregelgeving. Hierin worden regels gegeven voor de afstand van agrarische bedrijven tot gevoelige functies (wonen maar ook bos- en natuurgebieden) in verband met stankhinder en de invloed op de voor verzuring gevoelige gebieden. Beleid hiervoor is onder meer geformuleerd in de Wet Ammoniak en Veehouderij, de Wet geurhinder en veehouderij en de Natuurbeschermingswet 1998.

Op bedrijfsniveau dienen agrariërs een milieuvergunning op grond van de Wet milieubeheer te hebben ofwel vallen ze onder een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) in welk geval uitsluitend een meldingsplicht bestaat. In het kader van deze regelgeving worden de milieueffecten van de bedrijven concreet geregeld.

Ten aanzien van de niet-agrarische bedrijvigheid wordt uitgegaan van de aard van de bedrijvigheid en is (waar het gaat om de vaststelling van de milieubelasting van de bedrijven) aangesloten bij de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

5.1.4 Geluid

Ter beperking van geluidshinder worden in de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones gedefinieerd rondom belangrijke geluidsbronnen (gezoneerde industrieterreinen, verkeerswegen en spoorwegen). Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied, waar voor bouwplannen en bestemmingsplannen een akoestische toetsing dient te worden uitgevoerd. Dit bestemmingsplan betreft solitaire percelen in het buitengebied en heeft een grotendeels consoliderend karakter, waar enkel na planwijziging nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk worden gemaakt. Het betreft woningsplitsing (binnen de bestaande bebouwing) en het toelaten van nieuwe (gevoelige) functies in vrijkomende agrarische bebouwing.

5.1.4.1 Geluidszones wegverkeerslawaai

In de Wgh is bepaald dat elke weg van rechtswege een geluidszone heeft. Een uitzondering hierop zijn wegen die zijn gelegen in een 30 km/u-gebied of in een woonerf. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg. Binnen dit bestemmingsplan zijn geen gronden als weg bestemd, maar zijn er wel bedrijven die binnen deze zone liggen. Voor wegen bestaande uit één of twee rijstroken, is deze zone 250 meter; voor de rijkswegen A-18 geldt een zone van 400 meter.

5.1.4.2 Grenswaarde wegverkeer

Geluidsgevoelige objecten, die worden gerealiseerd binnen de geluidszones dienen te worden getoetst aan grenswaarden van de geluidsbelasting die zijn aangegeven in de Wgh. Hierbij geldt een voorkeursgrenswaarde. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai is 48 dB. Een aantal functies in dit bestemmingsplan liggen binnen de geluidszones van een weg. Het betreft echter geen woningen, of andere geluidgevoelige functie. Wel is het mogelijk om na planwijziging een (voormalig) agrarisch bedrijf te gebruiken ten behoeve van woondoeleinden. Daar waar binnen een geluidszone nieuwe woningen worden toegestaan, zal dan door middel van een akoestisch onderzoek aangetoond moeten worden dat aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh wordt voldaan. Wanneer niet aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan, kan het college van burgemeester en wethouders een hogere toelaatbare geluidsbelasting vaststellen. Dat zal zoals gezegd bij een bestemmingsplanwijziging in combinatie met een procedure 'hogere grenswaarde' moeten worden geregeld.

5.1.5 Lucht

Op 15 november 2007 is de 'Wet luchtkwaliteit' in werking getreden. Met de 'Wet luchtkwaliteit' wordt de wijziging van de 'Wet milieubeheer' op het gebied van luchtkwaliteitseisen bedoeld. De 'Wet luchtkwaliteit' vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005'. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het 'Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)'. Deze programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'Niet in betekenende mate' (besluit NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor een ruimtelijke ontwikkeling als:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;
  • een project 'Niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.

In de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3 % van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Het betreft de volgende categorieën:

  • kantoorlocaties groter dan 33.333 m2 bruto vloeroppervlak bij een ontsluitingsweg;
  • kantoorlocaties groter dan 66.667 m2 bruto vloeroppervlak met twee ontsluitingswegen;
  • woningbouwlocaties met meer dan 500 woningen met een ontsluitingsweg;
  • woningbouwlocaties met meer dan 1000 woningen met twee ontsluitingswegen;
  • voor projecten die combinaties hiervan vormen geldt een speciale formule, zie bijlage van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen';
  • projecten die gebruik maken van dezelfde ontsluitingsstructuur dienen bij elkaar te worden opgeteld.

Gelet op het bovenstaande en vanwege het feit dat het voorliggende plan voornamelijk conserverend is, waarbinnen geen ontwikkelingen worden toegestaan die in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit in het plangebied, kan worden gesteld dat er aan de grenswaarden van de 'Wet luchtkwaliteit' wordt voldaan en dat er ten gevolge van de vaststelling van dit bestemmingsplan geen significant negatief effect op de luchtkwaliteit te verwachten is.