direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Snipperlocaties
Status: vastgesteld
Plantype: beheersverordening
IMRO-idn: NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

In Heerlen geldt voor een beperkt aantal gronden nog een oud bestemmingsplan. Met ‘oud’ worden bestemmingsplannen bedoeld die nog op grond van de Woningwet 1901 tot stand zijn gekomen. In de praktijk gaat het om plannen van eind jaren ’50 en begin jaren ’60 van de vorige eeuw. Deze staan ook wel bekend als uitbreidingsplannen in hoofdzaak of uitbreidingsplannen op onderdelen. Daarnaast bestaan er zogenaamde komvoorschriften voor de bebouwde kom.

Bij de overgang naar de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) in 1965 behielden deze oude plannen en voorschriften hun rechtskracht. Dit was geregeld in de Overgangswet ruimtelijke ordening en volkshuisvesting (Orov). Deze oude plannen werden met de komst van de WRO ook aangemerkt als bestemmingsplannen. Hoewel de uitbreidingsplannen en komvoorschriften niet voldeden aan de toenmalige eisen voor een WRO-bestemmingsplan, bleven ze daarmee een onderdeel van het actuele planologische kader.

Echter, door de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 nadert voor uitbreidingsplannen en komvoorschriften het einde. Met ingang van 1 juli 2013 vervallen alle uitbreidingsplannen en komvoorschriften van rechtswege. Dit heeft gevolgen voor een aantal grotere en kleinere gebieden en locaties in Heerlen. Het komt er kortweg op neer dat hier vanaf 1 juli 2013 geen planologisch regime meer geldt. Dergelijke gebieden en locaties worden in het spraakgebruik dan ook aangeduid als 'witte vlekken'.


Om ongewenste ontwikkelingen binnen deze gebieden te voorkomen is voorliggende beheersverordening opgesteld. Een beheersverordening kan worden toegepast bij gebieden waar geen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen worden voorzien of waarbij de ontwikkelingen nog te onzeker zijn om al te worden vastgelegd in een bestemmingsplan. In een beheersverordening wordt namelijk de


bestaande, feitelijke situatie óf worden de bestaande planologische gebruiks- en bouwmogelijkheden vastgelegd.


De gemeente heeft de plangebieden in deze beheersverordening aangewezen als gebieden waarvoor wel een nieuwe juridische regeling moet worden opgesteld, maar waarvoor geen ontwikkelingen voorzien zijn of mogelijke ontwikkelingen nog te onzeker zijn.

1.2 Situering plangebied

Voorliggende beheersverordening bestaat uit 9 plangebieden.

Op onderstaande afbeelding is zichtbaar waar de plangebieden liggen in de gemeente. In hoofdstuk 3 'Gebiedsbeschrijving' zijn uitsneden uit de luchtfoto met begrenzing en een beschrijving per plangebied opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0001.png"

Plangebied A Akerstraat-Noord

Plangebied B Heerenweg 234-240

Plangebied C Groeve Vrieheide

Plangebied D Groevegebied

Plangebied E Musschenbroek

Plangebied F Sporthal Ten Esschen

Plangebied G Corisbergweg

Plangebied H A76 (thv Daelsweg)

Plangebied I N281 afrit Kerkrade

1.3 Juridische status

In de verschillende plangebieden zijn diverse bestemmingsplannen van toepassing. Daarnaast is voor diverse percelen een separate (bouw)vergunning verleend.

Hierna zijn de vigerende bestemmingsplannen aangegeven:

Bestemmingsplan   Vastgesteld door gemeenteraad   Goedgekeurd door Gedeputeerde Staten Limburg  
Uitbreidingsplan in Hoofdzaken Hoensbroek *   7 november 1963   16 november 1964  
Uitbreidingsplan in Hoofdzaken Heerlen *   7 december 1964   21 maart 1966  
Meesenbroek-Gewan *   11 februari 1957   15 februari 1958  
Algemeen bestemmingsplan Voerendaal   22 november 1977   6 februari 1979  
Musschemig I   9 juni 1987   6 oktober 1987  
Prostitutie   19 september 2006   24 april 2007  

* Ingevolge artikel 9.3.2 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening zijn deze bestemmingsplannen per 1 juli 2013 vervallen, aangezien ze zijn vastgesteld vóór de eerste Wet op de Ruimtelijke Ordening (1965).

1.4 Planvorm

De regels en de illustratie vormen de juridische bindende onderdelen van de beheersverordening. De toelichting geeft een nadere uitleg van de gemaakte beleidskeuzen en invulling van de beheersverordening. De toelichting heeft geen juridische status.

Elke beheersverordening is te onderscheiden door een landelijk uniek identificatienummer. Onderhavige beheersverordening is geregistreerd en vindbaar op het landelijke portaal onder www.ruimtelijkeplannen.nl nummer NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401

1.4.1 Toelichting

In de toelichting wordt de opzet van het plan beschreven en zijn de aan het plan ten grondslag liggende gedachten vermeld. Ook wordt verslag gedaan van de resultaten van het over het plan gevoerde overleg en inspraak.

1.4.2 Regels

Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden aan de gronden, die in het plan zijn gelegen, besluitvlakken toegewezen met bijbehorende doeleinden of functies. Aan deze besluitvlakken zijn regels gekoppeld, die regelingen bevatten over het gebruik van deze gronden en van de opstallen die zich daarop bevinden.

1.4.3 Illustratie

De illustratie geeft een grafische weergave van de plangebieden. Op de illustratie zijn de plangrens, besluitvlakken en subbesluitvlakken weergegeven. De beheersverordening onderscheidt een digitale en een analoge illustratie. Beide illustraties zijn rechtsgeldig, echter bij interpretatieverschillen is de digitale illustratie beslissend.

De digitale illustratie is een interactieve raadpleegomgeving via het internet die de gehele inhoud van de beheersverordening (grafische weergave, regels en toelichting) toont. Door een muisklik op de kaart te geven verschijnen de bijbehorende regels voor die locatie in beeld. Tevens is het mogelijk om te meten op de kaart en door middel van coördinaten (het Rijksdriehoekscoördinatenstelsel) de exacte locatie te bepalen.

De analoge illustratie bestaan uit 9 bladen, 7 bladen hebben een schaal 1: 1000 en 2 bladen hebben een schaal van 1: 2.500. De legenda legt een verbinding tussen de besluitvlakken, subbesluitvlakken en de regels en geeft een verklaring van de maatvoering, symbolen en topografische ondergrond(en).

1.4.4 Ondergrond

De ondergrond is een samenstelling van de Grootschalige Basiskaart Nederland (landmeetkundig ingemeten topografie) en kadastrale begrenzingen.

Na vaststelling van de beheersverordening is de gehanteerde ondergrond onlosmakelijk met de beheersverordening verbonden. De ondergrond is zichtbaar op de analoge illustratie, echter deze wordt niet standaard getoond in combinatie met de digitale illustratie. De topografische kaarten en luchtfoto's die worden getoond op www.ruimtelijkeplannen.nl zijn niet altijd up to date en slechts bedoeld als oriëntatiemiddel. Bij interpretatieverschillen is de vastgestelde ondergrond bepalend.

1.5 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 is een opsomming van de planologische beleidskaders bestaande uit rijksbeleid, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 3 is het plangebied beschreven. Hoofdstuk 4 gaat in op de verschillende omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 beschrijft de verschillende hoofdgroepen van besluitvlakken en de verschillende juridische regelingen. In hoofdstuk 6 is de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van de beheersverordening beschreven en hoofdstuk 7 geeft een beeld van het gevoerde overleg en de doorlopen procedure.

Hoofdstuk 2 Planologisch beleidskader

In een beheersverordening wordt het planologisch gebruik voor een periode van maximaal 10 jaar vastgelegd. Logischerwijs zal de inhoud van de beheersverordening in overeenstemming moeten zijn met de geldende wet- en regelgeving. Het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente hebben in de loop der jaren diverse beleidsnota's opgesteld die mede het ruimtelijke beleid voor een regio bepalen.

De beheersverordening voorziet in het vastleggen van de bestaande situatie in een bebouwd gebied. Binnen het besluitgebied zijn geen (grootschalige) veranderingen dan wel nieuwe ontwikkelingen voorzien. De beleidsnota's leiden dus niet tot het toekennen van besluitvlakken met mogelijkheden tot andere functies dan de bestaande functies.

Hoofdstuk 3 Gebiedsbeschrijving

Voor het opstellen van een beheersverordening is het van belang dat de uitgangssituatie, de bestaande situatie in het plangebied, goed in beeld wordt gebracht. In dit hoofdstuk is een beschrijving opgenomen van de plangebieden in de 'Snipperlocaties' en hun directe omgeving. Zowel de huidige ruimtelijke structuur van het plangebied als de functionele structuur worden beschreven.

3.1 Locatie A - Akerstraat-Noord

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0002.jpg"

Luchtfoto met plangebied (bron Bing maps, 2013)

3.1.1 Ruimtelijke en functionele structuur

Ruimtelijk

Plangebied A - Akerstraat-Noord ligt in het noorden van de gemeente Heerlen, de voormalige gemeente Hoensbroek. De locatie wordt begrensd door de Akerstraat-Noord aan de oostzijde, door de Hommerterweg en achtertuinen van de woningen aan de Hommerterweg in het noorden, door de tuinen van de woningen aan Op de Acker aan de westzijde en door de achtertuinen van de woningen aan de Kastanjelaan aan de zuidzijde.

De Akerstraat-Noord is een ontsluitingsweg in noordzuid richting met een grote diversiteit aan functies en type bebouwing. Binnen het plangebied betreft het historische lintbebouwing met een grote afwisseling in hoogte en uitstraling. Aan de overzijde is grootschalige nieuwbouw gerealiseerd. De bebouwing aan de Akerstraat-Noord bestaat uit twee verdiepingen met een steile kap of drie verdiepingen waardoor de bebouwing een stedelijke uitstraling heeft.

De Hommerterweg is een kleinere wijkontsluitingsweg (30 km/uur) die doorloopt tot in het buitengebied. Ook de bebouwing aan deze straat is afwisselend qua uitstraling en stijl. Wel is ook hier de hoogte van de bebouwing binnen het plangebied 3 lagen.

Achter de woningen aan de Hommerterweg, toegankelijk via een pad tussen de woningen aan Op de Acker, zijn garageboxen gesitueerd. Tussen de garageboxen is een groot verschil qua uitstraling en bouwwijze. Deze garageboxen zijn ca. 3,5 meter hoog. Tussen de garageboxen zijn twee hoge bomen aanwezig.

Functioneel

Het plangebied herbergt een diversiteit aan functies. Op de begane grond van de aanwezige bebouwing is detailhandel (fotograaf, hengelsportzaak, kledingwinkel, 2 witgoedzaken en een tattooshop), horeca in de vorm van een snackbar, een kantoor een fitnesscentrum en een zaak waar erotische films worden vertoond. Niet alle panden zijn op dit moment in gebruik maar deze hebben op basis van vergunningen oorspronkelijk wel een winkelfunctie.

Op de verdiepingen wordt bij vrijwel alle panden gewoond in één of twee verdiepingen.

3.1.2 Wijze van toekennen besluitvlakken

Het oorspronkelijk karakter van de bebouwing is te kenmerken als winkelwoningen: op de begane grond ruimte voor detailhandel en op de bovenliggende verdiepingen woonruimte. Daarom is ervoor gekozen aan de bebouwing een besluitvlak 'Detailhandel' toe te kennen, tenzij de veldinventarisatie andere functies heeft uitgewezen. In dat geval zijn de besluitvlakken 'Cultuur en Ontspanning', 'Horeca', 'Kantoor', 'Sport' of 'Wonen' opgenomen. Tevens zijn besluitsubvlakken opgenomen ten behoeve van wonen op de verdieping. In het besluitvlak 'Wonen' zijn voor de garageboxen ook besluitsubvlakken opgenomen.

Voor de begrenzing van de diverse besluitvlakken zijn de kadastrale grenzen aangehouden. Omdat de bestaande situatie wordt vastgelegd zijn de bouwvlakken strak rond de bestaande bebouwing gelegd en is buiten de bouwvlakken geen nieuwe bebouwing mogelijk.

3.2 Locatie B - Heerenweg 234-240

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0003.png"

Luchtfoto met plangebied (bron Bing maps, 2013)

3.2.1 Ruimtelijke en functionele structuur

Dit kleine plangebied is gelegen aan de rotonde bij de doorgaande ontsluitingsweg Heerenweg in noord-zuidrichting en de Unolaan in westelijke richting.

Het plangebied is onbebouwd tussen twee vrijstaande woningen. Ten oosten van het plangebied is de Brunsummerheide gelegen. In de huidige situatie is er via het plangebied toegang tot de Brunsummerheide. De locatie is deels begroeid met opgaande beplanting.

Vanuit het vigerende bestemmingsplan is op het plangebied een woonbestemming aanwezig.

3.2.2 Wijze van toekennen besluitvlakken

Voor het kadastrale woonperceel is de planologische situatie opgenomen. Dit betekent dat er een besluitvlak 'Wonen' is opgenomen met aan de weg een besluitvlak 'Tuin'.

3.3 Locatie C - Groeve Vrieheide

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0004.jpg"

Luchtfoto met plangebied (bron Bing maps, 2013)

3.3.1 Ruimtelijke en functionele structuur

Het plangebied wordt aan de noordwestzijde omsloten door de Unolaan, aan de oostzijde door de achtertuinen en zijkanten van de woningen aan de Hindestraat en Elandstraat en aan de zuidzijde door de achtertuinen van de woningen aan de Roebroekweg.

Dit plangebied betreft voor het grootste deel een nog steeds in gebruik zijnde groeve. In deze groeve wordt zilverzand gewonnen via ontgronding. Op het groeveterrein is een grote ontgravingsplas ontstaan met daarom heen een landschappelijke inrichting. Bij de entree bij Jongmansweg 63 is bebouwing in de vorm van een aantal loodsen aanwezig. Naast Roebroekweg 29 ligt een tweede entree van de groeve.

Aan de zuidzijde is één woning op het perceel Roebroekweg 53 ook binnen het plangebied gelegen. Deze woning is op grotere afstand van de weg gelegen met een grote voortuin. De woning heeft een hoogte van één laag met een flauwe kap.

Aan de oostzijde van het plangebied zijn twee recreatieve functies gesitueerd. Een volkstuinencomplex met diverse gebouwde objecten en ten noorden daarvan een grote paardenwei.

De groeve en woning worden ontsloten vanaf de Roebroekweg, een wijkontsluitingsweg in oost-westrichting. De paardenwei wordt ontsloten vanaf de Vrijheerenberg en de volkstuinen via een onderdoorgang onder de woningen aan de Elandstraat.

3.3.2 Wijze van toekennen besluitvlakken

Voor het gehele plangebied is feitelijke situatie opgenomen. Dit betekent dat de groeve als besluitvlak 'Bedrijf - Groeve' is opgenomen, de woning binnen het besluitvlak 'Wonen' en 'Tuin', en de volkstuinen en paardenwei in een besluitvlak 'Recreatie' met besluitsubvlakken 'volkstuin' en 'paardenwei'.

3.4 Locatie D - Groevegebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0005.jpg"

Luchtfoto met plangebied (bron Bing maps, 2013)

3.4.1 Ruimtelijke en functionele structuur

Het groevegebied is een groot plangebied ten noorden van de Euregioweg. Het plangebied wordt aan de westkant doorsneden door de Heerenweg. De westelijke plangrens wordt gevormd door de achterkanten van de bebouwing aan de Schelsberg en Huyn van Rodenbroeckstraat. Het fietspad over de voormalige mijnspoorweg vormt de noordelijke plangrens ten westen van de Heerenweg. De noordelijke begrenzing ten oosten van de Heerenweg wordt gevormd door de Vinkenstraat, Heideveldweg, Kanariestraat, Zwaluwstraat, Leeuwerikstraat en de bossen ten noorden van de groeve. Aan oostzijde loopt de plangrens dwars door de bossen ten oosten van de groeve. De zuidoostgrens wordt gevormd door de Grote Heiweg die weer aansluit op de Euregioweg.

Op het terrein zijn een kantoorgebouw en bedrijfsgebouwen aanwezig van het winningsbedrijf. Binnen het terrein van het winningsbedrijf ligt aan de noordzijde de Mijnsteenberg terwijl ten zuiden van de Koolkoelenweg en Kapelweg de ontgraving nu grote ontgravingsplassen vormt.

Naast de gebouwen en ontgravingsplassen van het winningsbedrijf zijn binnen het groevegebied ook een aardgasleiding en een gasontvangstation (Koolkoelenweg 40/42) aanwezig.

Het gebied ten westen van de Heerenweg is alleen in het zuiden nog in gebruik als groeve. Het vroegere gebruik heeft in het noordelijke deel wel zijn sporen in het landschap achtergelaten in de vorm van drie ontgravingsplassen. Dit gebied is tegenwoordig een groengebied dat ook recreatief gebruikt kan worden als wandelgebied en één van de plassen wordt gebruikt als visvijver. Ten behoeve hiervan staat ook een verenigingsgebouw van de hengelsportvereniging aan de Bruinkoolweg 1.

In het noordwesten, tegen de grens van het plangebied, ligt nog een woning (Schelsberg 308). Tegen de noordgrens van het plangebied aan de Heerenweg is het woonwagenkamp Heerenweg gelegen. Op dit plangebied zijn 14 woonwagenstandplaatsen aanwezig. Het woonwagenkamp wordt ontsloten op de Heerenweg.

In de nabijheid van de rotonde Euregioweg/ Heerenweg zijn kampeerplaatsen gelegen. Deze behoren bij de ten zuiden van de Euregioweg gelegen camping In den Hof.

De noordoostzijde van het plangebied wordt gevormd door de bossen van de Brunsummerheide. Aan de Heihoven zijn twee agrarische bedrijven gesitueerd. Eén aan de Heihoven 10 met diverse bedrijfsgebouwen en omliggende agrarische gronden en één aan de Heihoven 2. Op dit perceel is een landbouw- en loonwerkbedrijf en boerderijwinkel gevestigd. Bij beide bedrijven zijn bedrijfswoningen aanwezig. Verder zijn aan de Heihoven 1 en 3 twee burgerwoningen gelegen.

Tot slot loopt langs de oostelijke en zuidelijke grens van het plangebied een hoogspanningsleiding.

3.4.2 Wijze van toekennen besluitvlakken

In dit plangebied wordt het grootste deel gebruikt voor de groeve met grote ontgrondingsgebieden ten behoeve van de winning van zilverzand en ontgravingsplassen.

Voor de mijnsteenberg (vigerende bestemming: mijnindustrie) is de planologische situatie overgenomen. Voor overig deel plangebied is de feitelijke situatie opgenomen. Binnen dit plangebied zijn dan ook diverse besluitvlakken en besluitsubvlakken opgenomen, zoals 'Bedrijf – Groeve', 'Bedrijf – Mijnindustrie', 'Bos', 'Verkeer- Wegverkeer', 'Verkeer-Verblijfsgebied', 'Groen', 'Recreatie' met besluitsubvlakken 'verblijfsrecreatie', 'horeca 1' en 'paardenwei', 'Wonen' met besluitsubvlakken 'woonwagenstandplaats' en 'maximum aantal wooneenheden', 'Tuin' en 'Agrarisch' met besluitsubvlak 'bedrijfswoning'.

3.5 Locatie E - Musschenbroek

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0006.jpg"

Luchtfoto met plangebied (bron Bing maps, 2013)

3.5.1 Ruimtelijke en functionele structuur

Dit plangebied bestaat uit twee deelgebieden, het gebied rond de Palemigerboord en het gebied rond de Musschenbroek. Het eerste gebied bestaat voor het grootste deel uit de weg Palemigerboord met vrijliggende fietspaden en de aanliggende berm en ten oosten daarvan de Overkluisde Caumerbeek. Aan de westzijde van de Palemigerboord is in de oksel met de Sittarderweg een garagebedrijf gevestigd met een grote showroom en werkplaats. Ten zuiden van het garagebedrijf is ook een tankstation gevestigd waar motorbrandstoffen worden verkocht inclusief lpg. Doordat ten zuiden van het gebied direct ook een groot flatgebouw is gelegen heeft de locatie een stedelijk karakter.

Het tweede gebied is heel divers. De Musschenbroek is een historische straat die in de loop van de jaren zo is gegroeid. Naast de (rijtjes) woningen is een agrarisch bedrijf gevestigd gebleven en achter de woningen aan de oostzijde van de Musschenbroek zijn tot aan de Oude Beek ook nog agrarische gronden aanwezig. Deze agrarische gronden betreffen allen weilanden. Op de gronden van Musschenbroek 46 is daarnaast een grote caravanstalling gevestigd tot aan de Oude Beek.

Ten westen van de Musschenbroek de camping en café 'In den Hof' en een stuk agrarische grond gelegen. De camping is door de komst van de Euregioweg in tweeën gesplitst.

Het gebied heeft een kleinschalig karakter ondanks de ligging tussen twee grote wegen. De historisch gegroeide opzet is gebleven. De bebouwing heeft de hoogte van twee lagen met een kap.

Dwars door het gebiedje lopen twee hoogspanningslijnen die, doordat er ook twee masten in het gebied staan, duidelijk aanwezig zijn.

3.5.2 Wijze van toekennen besluitvlakken

Voor het gehele plangebied is de feitelijke situatie opgenomen. Binnen dit plangebied zijn dan ook diverse besluitvlakken en besluitsubvlakken opgenomen, zoals 'Bedrijf – Garagebedrijf' met besluitsubvlak 'verkooppunt motorbrandstoffen met LPG' en 'bedrijfswoning', 'Verkeer – Wegverkeer', 'Verkeer – Verblijfsgebied', 'Wonen', 'Tuin', 'Agrarisch' met besluitsubvlakken 'bedrijfswoning' en 'caravanstalling', 'Natuur', 'Water', 'Recreatie' met besluitsubvlak 'horeca 2' en 'Groen' met besluitsubvlak 'vulpunt LPG'. Daaroverheen vallen daarnaast nog de besluitvlakken 'Hoogspanningsleiding' en 'Waterstaat – Waterlopen met een waterhuishoudkundige en/of waterstaatkundige functie'.

Binnen het plangebied zijn daarnaast diverse besluitsubvlakken ten behoeve van aanduiding van functies, type woningen en hoogtes.

3.6 Locatie F - Sporthal Ten Esschen

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0007.jpg"

Luchtfoto met plangebied (bron Bing maps, 2013)

3.6.1 Ruimtelijke en functionele structuur

Dit plangebied is gelegen in de oksel van de afslag Heerlen-Noord van de N281. De N281, Beersdalweg en Ten Esschen vormen de plangrenzen van dit gebiedje. De bestaande sporthal met parkeerterrein is gesitueerd tussen de N281 en het buurtschap Ten Esschen. Ten oosten van de sporthal is nog een woning met bijgebouwen aanwezig. De sporthal en woning worden beide ontsloten op de weg Ten Esschen die als een parallelweg langs de N281 loopt. Buiten het plangebied is ten westen van de sporthal ook nog een woning aanwezig.

3.6.2 Wijze van toekennen besluitvlakken

Voor het gehele plangebied is de feitelijke situatie opgenomen. Dit betekent dat de besluitvlakken 'Sport', 'Wonen' en 'Tuin' zijn opgenomen.

3.7 Locatie G - Corisbergweg

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0008.jpg"

Luchtfoto met plangebied (bron Bing maps, 2013)

3.7.1 Ruimtelijke en functionele structuur

Het plangebied betreft alleen het bestaande gebouw/boerderij. Het is een historische boerderij in een landelijke setting. In het gebouw is tegenwoordig een zorgboerderij gevestigd, waar ook eigen geproduceerde producten worden verkocht. Ten oosten van het plangebied zijn vier zorgunits gerealiseerd die samen met het hoofdgebouw een woonzorgcomplex vormen.

3.7.2 Wijze van toekennen besluitvlakken

Voor het gehele plangebied is de feitelijke situatie opgenomen. Voor het gehele plangebied is een besluitvlak 'Maatschappelijk' met besluitsubvlakken voor de 'zorgboerderij' en de 'detailhandel'.

3.8 Locatie H - A76 (thv Daelsweg)

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0009.jpg"

Luchtfoto met plangebied (bron Bing maps, 2013)

3.8.1 Ruimtelijke en functionele structuur

Dit plangebied betreft een deel van de snelweg A76 ter hoogte van de Daelsweg en de aansluitende bermen.

3.8.2 Wijze van toekennen besluitvlakken

Voor het gehele plangebied is de feitelijke situatie opgenomen. Het centrale deel van het plangebied is opgenomen in het besluitvlak 'Verkeer – Wegverkeer' en de bermen in het besluitvlak 'Groen'.

3.9 Locatie I - N281 afrit Kerkrade

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0010.jpg"

Luchtfoto met plangebied (bron Bing maps, 2013)

3.9.1 Ruimtelijke en functionele structuur

Het plangebied bestaat uit twee delen: het gebiedje in de oksel van de N281 en Euregioweg en het perceel van het tankstation aan de Euregioweg. Binnen het oostelijk plangebiedje is op dit moment een tankstation zonder verkoop van lpg aanwezig. In het westelijke plangebiedje is een nutsvoorziening met twee gebouwtjes aanwezig. Daarnaast is een tippelzone met faciliteiten aanwezig, die inmiddels naar aanleiding van het besluit van de gemeenteraad d.d. 4 december 2012 gesloten is. Beide plangebiedjes worden ontsloten op de Euregioweg.

3.9.2 Wijze van toekennen besluitvlakken

Voor het gehele plangebied is de feitelijke situatie opgenomen. Binnen dit plangebied zijn dan ook de besluitvlakken 'Bedrijf – Nutsvoorziening', 'Bedrijf' met besluitsubvlak 'verkooppunt motorbrandstoffen' en 'Verkeer – Wegverkeer' met besluitsubvlak 'tippelzone' opgenomen.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

In deze beheersverordening wordt uitsluitend de bestaande situatie qua gebruik en bouwen vastgelegd. Binnen het besluitgebied zijn geen verandering dan wel nieuwe ontwikkelingen voorzien.

4.1 Akoestiek

De Wet geluidhinder bepaalt dat bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek moet plaatsvinden naar de geluidsbelasting van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen vanwege de invloed van wegverkeerslawaai. Tevens dient daarbij onderzoek te worden gedaan naar de doeltreffendheid van verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat eventueel optredende geluidsbelasting vanwege het wegverkeerslawaai de wettelijke waarden te boven gaat. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten immers de ten hoogst toelaatbare waarden voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen vanwege het wegverkeerslawaai in acht worden genomen (artikel 76, eerste lid, Wet geluidhinder).

Railverkeerslawaai en industrielawaai als bedoeld in de Wet geluidhinder zijn niet aan de orde.

Deze beheersverordening biedt geen mogelijkheden voor het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Uitsluitend de bestaande situatie wordt vastgelegd en geregeld. Derhalve is een akoestisch onderzoek naar rail-, industrie en wegverkeerslawaai voor deze beheersverordening dan ook niet aan de orde. De Wet geluidhinder is voor dit aspect niet van toepassing op deze beheersverordening.

4.2 Water

In het kader van de Watertoets moet elke beheersverordening een waterparagraaf bevatten, waarin wordt aangegeven hoe in de beheersverordening wordt omgegaan met water. In deze paragraaf is dit beschreven.

4.2.1 Europees en Rijksbeleid

Kaderrichtlijn Water

De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de kwaliteit van de Europese wateren te verbeteren ("goede toestand") en die kwaliteit goed te houden. Het belangrijkste middel om dit doel te bereiken is het stroomgebiedbeheersplan (SGBP). In een dergelijk plan worden de waterkwaliteitsdoelen en de daarvoor benodigde maatregelen beschreven om deze goede toestand te bereiken. Nederland maakt deel uit van vier internationale stroomgebieden, waarbij de gemeente Heerlen in het stroomgebied van de Maas is gelegen.

Het stroomgebiedbeheersplan Maas is op 27 november 2009 vastgesteld en heeft een looptijd tot eind 2015. Een belangrijk onderdeel van het SGBP is een maatregelenprogramma. Het maatregelenprogramma bestaat enerzijds uit maatregelen die worden genomen in het kader van reeds bestaande nationale en/of Europese wetgeving (bijv. Europese Nitraatrichtlijn) en anderzijds een groot aantal regionale en locatiegebonden maatregelen.


Waterwet

De Waterwet (december 2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteem-benadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening.

Met de Waterwet is de gemeente beter uitgerust om onder andere wateroverlast tegen te gaan.


Wet ruimtelijke ordening en de Watertoets

De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening). De watertoets betekent dat ruimtelijke plannen die vanaf deze datum ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer worden overlegd met de waterbeheerder.

In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant. In geval van locatiekeuzes en bij herinrichting van bestaand bebouwd gebied geeft de initiatiefnemer expliciet aan welke rol de kosten en risico's van verdroging, verzilting, overstroming en overlast hebben gespeeld bij de besluitvorming. De waterparagraaf grijpt zichtbaar terug op de afsprakennotitie en het wateradvies van de waterbeheerder.


Nationaal Waterplan 2009-2015

Onderdeel van de bovengenoemde Waterwet is het zesjaarlijkse Nationaal Waterplan. Dit plan is de opvolger van de 4e Nota Waterhuishouding (1998) en heeft de status van structuurvisie binnen de Wet ruimtelijke ordening. Tevens maken de (vier) stroomgebiedsbeheersplannen (SGBP's) onderdeel uit van het Nationaal Waterplan. Op deze wijze ontstaat er een heldere koppeling tussen Europees beleid (KRW) en Rijksbeleid.

Duurzaam waterbeheer is het devies van het Nationaal Waterplan. Gemeenten hebben hierin specifieke taken op het gebied van omgaan met afvalwater, hemelwater en grondwater. Daarnaast kunnen gemeenten faciliterend optreden bij het nemen van bepaalde ruimtelijke maatregelen. Gemeenten en waterschappen informeren de provincies over voortgang van het uitvoeringsbeleid en knelpunten bij de uitvoering. Het Beleidsplan Stedelijk Watermanagement van de gemeente Heerlen speelt daar een belangrijke rol in (zie paragraaf 4.2.2).


Waterbeleid 21e eeuw: anders omgaan met water

Door de opgetreden wateroverlast heeft de regering de commissie Waterbeheer 21e eeuw in het leven geroepen. De commissie geeft advies over de problemen en hoe die in de toekomst te voorkómen zijn. Op 31 augustus 2000 bracht de commissie het advies Waterbeleid voor de 21e eeuw "Geef water de ruimte en de aandacht die het verdient" uit. De commissie concludeerde dat de manier waarop wij nu met water omgaan niet voldoende is voor de verwachte klimaatsveranderingen. De bevindingen van de commissie zijn verwoord in de hedendaagse wetgeving en beleidsnota's. In grote lijnen ligt de nadruk op de kwantiteitstrits vasthouden-bergen-afvoeren en de kwaliteitstrits schoonhouden-scheiden-schoonmaken.


Nationaal Bestuursakkoord Water  

Met het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) (2008) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord.

Het NBW is een uitwerking van het waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de KRW. De belangrijkste doelen en taken zijn:

  • het teveel (overlast) of tekort (onderlast) aan water aanpakken;
  • verbetering van de waterkwaliteit.
4.2.2 Regionaal en gemeentelijk beleid

Provinciaal Waterplan Limburg 2010-2015

Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2010-2015 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. De operationele uitwerking vindt plaats via POL-aanvullingen en beleidsregels. Samen met deze uitwerkingen vormt het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2010-2015 het nieuwe provinciale waterhuishoudingsplan.


Waterbeheersplan Waterschap Roer en Overmaas 2010-2015

Het Waterbeheersplan Waterschap Roer en Overmaas 2010-2015 is het centrale beleidsplan van het waterschap. Het bevat de beleidsvoornemens voor de periode 2010-2015. Daarnaast wordt een globale doorkijk geboden naar de verdere toekomst.

Het watersysteem moet op de toekomst worden voorbereid. In het Nationaal Bestuursakkoord Water is afgesproken dat het watersysteem in 2015 op orde moet zijn. Daarvoor moet het waterschap nog aanzienlijke inspanningen leveren. Voor een belangrijk deel gebeurt dit in de planperiode van dit beheersplan. Bij de waterkeringszorg staat veiligheid voorop. De waterkeringen langs de Maas blijven daarvoor op de afgesproken hoogte en sterkte. Tevens zorgt het waterschap voor een goede bescherming van de bebouwde omgeving tegen wateroverlast. Een omvangrijke stedelijke wateropgave maakt hier deel vanuit.

Water is ook een belangrijke drager van het landschap en het ecologisch functioneren. Het waterschap realiseert zich ook ten volle dat een gezond ecosysteem een absolute randvoorwaarde is voor de leefbaarheid maar ook het economisch belangrijke recreatie en toerisme. Met onder andere een verdere verbetering van de waterkwaliteit (zuiveren) en een natuurlijke inrichting van beken wordt getracht om de doelstellingen vanuit de Kaderrichtlijn Water zoveel mogelijk te realiseren.


Beleidsplan Stedelijk Watermanagement gemeente Heerlen 2011-2015

Vanuit de Wet milieubeheer zijn gemeenten wettelijk verplicht een vigerend rioleringsplan te hebben. Het Beleidsplan Stedelijk Watermanagement van de gemeente Heerlen is daar het gevolg van en heeft een looptijd van 2011 tot en met 2015. Het BSW is de opvolger van het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2006-2010.

Het BSW heeft een strategisch en beleidsmatig karakter, en vormt de basis voor het bestuur bij besluiten over de aanpak van aanleg en beheer van het stedelijk watermanagement binnen de planperiode.

Hoofddoelstelling van het BSW is invulling geven aan de gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, overtollig hemel water en overtollig grondwater. Het BSW geeft inzicht in:

  • de mate waarin de doelen uit het GRP 2006-2010 zijn behaald;
  • belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van beleid en plannen;
  • de stand van zaken van de uitvoering;
  • de nog uit te voeren maatregelen met tijdsplanning;
  • de gekozen strategie om het resultaat (uitvoeren maatregelen) te behalen;
  • middelen en de kostendekking.
4.2.3 Plangebied

In onderhavige beheersverordening wordt de bestaande situatie vastgelegd. Bij eventuele vernieuwing of herinrichting van de openbare ruimte wordt rekening gehouden met voornoemd beleid. Ook bij wijziging van de afwatering dan wel vernieuwing van de riolering wordt hiermee rekening gehouden.

4.3 Bodem

4.3.1 Algemeen

Bij een beheersverordeningsprocedure moet het bevoegd gezag Wet bodembescherming voldoende inzicht hebben om de vraag te kunnen beantwoorden of de bodem geschikt is voor de in de beheersverordening toe te kennen functie.

4.3.2 Beleidskader

Besluit Bodemkwaliteit

Op 5 juli 2011 is de nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart gemeente Heerlen vastgesteld. Hierin staan de kwaliteitseisen waaraan bouwstoffen, grond en baggerspecie voor het toepassen en hergebruiken moeten voldoen. De nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart beschrijft op welke wijze de gemeente Heerlen invulling geeft aan het besluit Bodemkwaliteit zoals dat met ingang van 1 juli 2008 van kracht geworden is. Het Besluit zet een kwalitatieve stap in de richting van duurzaam bodembeheer. Het Besluit komt ook tegemoet aan de wens om maatwerk op gebiedsniveau beter mogelijk te maken. Heerlen heeft gekozen voor een zogenaamd gebiedsspecifiek beleid. Op basis van dit beleid zijn Lokale maximale waarden opgesteld. De gemiddelde kwaliteit van de bodem is ingedeeld in drie algemene categorieën te weten; industrie, wonen en achtergrondwaarde. Voor gebieden waar lokale maximale waarden zijn opgesteld gelden de benamingen uit de algemene categorieën niet meer. En het Besluit geeft de mogelijkheid om gericht toezicht te houden op de hele keten van bouwstoffen, grond en baggerspecie.


Bodembeleidsplan

Voor de gemeente Heerlen is sinds 1 januari 2011 het bodembeleidsplan Heerlen van toepassing. In dit bodembeleidsplan wordt het gemeentelijk bodembeleid beschreven en het beleidsplan is derhalve het richtinggevend kader (uiteraard naast de wettelijke regelingen) voor zowel bodembescherming als bodemsanering.


Toekomstige ontwikkelingen plangebieden A t/m I

Indien in de toekomst op locatie A t/m I ontwikkelingen (zoals wijzigen functie, bebouwing locatie, etc.) plaatsvinden zal de kwaliteit van de bodem voor dat deel onderzocht moeten worden. Voor locatie A gelden gebruiksbeperkingen die voortvloeien uit de Wet bodembescherming (ook bij graafwerkzaamheden dient vooraf bodemonderzoek te verrichten).

Hierna is per locatie een overzicht van de uitgevoerde onderzoeken en de gemiddelde bodemkwaliteit vermeld, waarna een conclusie is getroffen ten aanzien van de beheersverordening.

4.3.3 Locatie A - Akerstraat-Noord

Uitgevoerde onderzoeken

Ter plaatse van delen van deze locatie is in 1991 en 2005 bodemonderzoek verricht. Naar aanleiding hiervan is in 1996 een beschikking Ernst en Urgentie en goedkeuring sanerings-plan opgesteld. Op een deel van de locatie (tuinen van Akerstraat-Noord 132 t/m 144 en tuinen van Akerstraat Noord 150-152) is de bodem gesaneerd, waarbij verontreinigingen met zware metalen, PAK (10 VROM), EOX en minerale olie zijn verwijderd. Uit controle-bemonstering na sanering blijkt dat plaatselijk nog licht verhoogde gehaltes aan kwik aanwezig zijn.

Op het overige deel van de locatie heeft geen bodemsanering plaatsgevonden. Dit betekent dat voor de niet-gesaneerde locatie een gebruiksbeperking van toepassing is, omdat hier het vermoeden bestaat dat sterk verhoogde gehaltes aan zware metalen, PAK (10 VROM) en minerale olie in de bodem aanwezig zijn.


Gemiddelde bodemkwaliteit

De gemiddelde kwaliteit van de bodem in het plangebied kan op basis van de bodemkwaliteitskaart als volgt beschreven worden:

De bovengrond (0,0-0,5 m-mv) en de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) van het plangebied hebben de gemiddelde kwaliteit "wonen".

Conclusie

Uitgaande van de functie en gebruik van locatie A - Akerstraat-Noord, zoals aangegeven op de illustratie, en met inachtneming van de gebruiksbeperkingen die voor deze locatie gelden bestaan op dit moment geen belemmeringen voor het toepassen van de beheersverordening voor deze locatie.

4.3.4 Locatie B - Heerenweg 234-240

Uitgevoerde onderzoeken

Ter plaatse van deze locatie is in 2009 een vooronderzoek opgesteld. Voor zover bekend is ter plaatse geen verkennend bodemonderzoek verricht. Op basis van het verrichte vooronderzoek wordt deze locatie als verdacht voor het voorkomen van bodemverontreiniging en asbest beschouwd.

Gemiddelde bodemkwaliteit

De gemiddelde kwaliteit van de bodem in het plangebied kan op basis van de bodemkwaliteitskaart als volgt beschreven worden:

De bovengrond (0,0-0,5 m-mv) en de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) van het plangebied hebben de gemiddelde kwaliteit “wonen”.

Conclusie

Uitgaande van de functie en gebruik van locatie B – Heerenweg 234-240, zoals aangegeven op de illustratie, bestaan op dit moment geen belemmeringen voor het toepassen van de beheersverordening voor deze locatie.

4.3.5 Locatie C - Groeve Vrieheide

Uitgevoerde onderzoeken

Ter plaatse van delen van deze locatie zijn in 1996 en 1998 diverse bodemonderzoeken verricht. Uit de resultaten van deze bodemonderzoeken blijkt dat de bodem tot ter plaatse licht verhoogde gehaltes aan zware metalen, PAK (10 VROM), EOX en minerale olie bevat.


Gemiddelde bodemkwaliteit

De gemiddelde kwaliteit van de bodem in het plangebied kan op basis van de bodemkwaliteitskaart als volgt beschreven worden:

De bovengrond (0,0-0,5 m-mv) van het plangebied heeft de gemiddelde kwaliteit "wonen"; de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) van het plangebied heeft de gemiddelde kwaliteit "achter-grondwaarde". Binnen de locatie is tevens oppervlaktewater aanwezig.


Conclusie

Uitgaande van de functie en gebruik van locatie C - Groeve Vrieheide, zoals aangegeven op de illustratie, bestaan op dit moment geen belemmeringen voor het toepassen van de beheersverordening voor deze locatie.

4.3.6 Locatie D - Groevegebied

Uitgevoerde onderzoeken

Ter plaatse van deze locatie zijn in de periode van 1989 tot 2010 diverse bodemonderzoeken verricht. Uit de resultaten van deze bodemonderzoeken blijkt dat de bodem licht verontreinigd is met zware metalen, minerale olie en PAK (10 VROM). Ter plaatse van voormalige tankstations wordt de interventiewaarde voor minerale olie en vluchtige aromaten overschreden. Bij het groenspoor wordt voor zware metalen en minerale olie de interventiewaarde overschreden. Op het bedrijfsterrein van Sigrano is in 2004 asbest uit de bodem verwijderd.

Gemiddelde bodemkwaliteit

De gemiddelde kwaliteit van de bodem in het plangebied kan op basis van de bodemkwaliteitskaart als volgt beschreven worden:

De bovengrond (0,0-0,5 m-mv) en de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) van het plangebied hebben de gemiddelde kwaliteit “wonen”, “industrie” en “achtergrondwaarde”. Binnen de locatie is tevens oppervlaktewater aanwezig.

Conclusie

Uitgaande van de functie en gebruik van locatie Locatie D – Groevegebied, zoals aangegeven op de illustratie, bestaan op dit moment geen belemmeringen voor het toepassen van de beheersverordening voor deze locatie.

4.3.7 Locatie E - Musschenbroek

Uitgevoerde onderzoeken

Ter plaatse van de locatie Palemigerboord 401 is in 1997 de bodem gesaneerd, waarbij grond verontreinigd met minerale olie en vluchtige aromaten is verwijderd. In 2006 zijn aanvullende bodemgegevens aangeleverd waaruit blijkt dat geen sprake meer is van een restverontreiniging op dit adres.

Op het overige deel van de locatie is in 2000 en 2007 plaatselijk onderzoek verricht. Hieruit blijkt dat tegenover Palemigerboord 401 sterk verhoogde gehaltes aan minerale olie en vluchtige aromaten in de bodem aanwezig zijn. Op een ander deel van de locatie zijn licht verhoogde gehaltes aan cadmium aangetroffen.

Gemiddelde bodemkwaliteit

De gemiddelde kwaliteit van de bodem in het plangebied kan op basis van de bodemkwaliteitskaart als volgt beschreven worden:

De bovengrond (0,0-0,5 m-mv) van het plangebied heeft de gemiddelde kwaliteit “wonen” en “industrie”; de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) van het plangebied heeft de gemiddelde kwaliteit “wonen”.

Conclusie

Uitgaande van de functie en gebruik van locatie E –Musschenbroek, zoals aangegeven op de illustratie, bestaan op dit moment geen belemmeringen voor het toepassen van de beheersverordening voor deze locatie.

4.3.8 Locatie F - Sporthal Ten Esschen

Uitgevoerde onderzoeken

Ter plaatse van delen van het plangebied zijn in 1996 een bodemonderzoek en in 2006 een historisch onderzoek verricht. Binnen het plangebied zijn een ondergrondse tank en 2 bovengrondse tanks aangemeld. Ter plaatse van de ondergrondse tank is de bodem onderzocht en zijn geen sterk verhoogde gehaltes aan minerale olie aangetroffen. Uit het historisch onderzoek blijkt dat 2 verdachte locaties zijn aan te wijzen: de ondergrondse tank en de opslag van zoutzuur en chloorbleekloog.

Gemiddelde bodemkwaliteit

De gemiddelde kwaliteit van de bodem in het plangebied kan op basis van de bodemkwaliteitskaart als volgt beschreven worden:

De bovengrond (0,0-0,5 m-mv) en de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) van het plangebied hebben de gemiddelde kwaliteit “wonen”.

Conclusie

Uitgaande van de functie en gebruik van locatie F – Sporthal Ten Esschen, zoals aangegeven op de illustratie, bestaan op dit moment geen belemmeringen voor het toepassen van de beheersverordening voor deze locatie.

4.3.9 Locatie G - Corisbergweg

Uitgevoerde onderzoeken

Ter plaatse van delen van deze locatie is in 1997 en 2001 bodemonderzoek verricht. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het zuidwestelijke deel van de locatie in de bovenste meter resten puin (licht tot sterk aangetroffen). Tegen de hoeve (noordoostelijk) ligt een bovengrondse tank in een lekbak; hier is ook onderzoek verricht.


De bodem ter plaatse van het plangebied bevat plaatselijk een sterk verhoogd gehalte aan lood. Ter plaatse van de tank, in een boring die direct grenst aan het plangebied is een sterk verhoogd gehalte aan minerale olie aangetroffen. Voor zover bekend is de bodem ter plaatse niet gesaneerd. Indien in de toekomst ter plaatse van het plangebied ontwikkelingen plaatsvinden, zal de bodem onderzocht moeten worden op het voorkomen van verontreinigingen en asbest.


Gemiddelde bodemkwaliteit

De gemiddelde kwaliteit van de bodem in het plangebied kan op basis van de bodemkwaliteitskaart als volgt beschreven worden:

De bovengrond (0,0-0,5 m-mv) en de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) van het plangebied hebben de gemiddelde kwaliteit "wonen".


Conclusie

Uitgaande van de functie en gebruik van locatie G - Corisbergweg, zoals aangegeven op de illustratie, bestaan op dit moment geen belemmeringen voor het toepassen van de beheersverordening voor deze locatie.

4.3.10 Locatie H - A76 (thv Daelsweg)

Uitgevoerde onderzoeken

Ter plaatse van deze locatie zijn voor zover bekend geen bodemonderzoeken verricht.

Gemiddelde bodemkwaliteit

De gemiddelde kwaliteit van de bodem in het plangebied kan op basis van de bodemkwaliteitskaart als volgt beschreven worden:

De bovengrond (0,0-0,5 m-mv) van het plangebied heeft de gemiddelde kwaliteit “achtergrondwaarde”; de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) van het plangebied heeft de gemiddelde kwaliteit “wonen”.

Conclusie

Uitgaande van de functie en gebruik van locatie H - A76 (thv Daelsweg), zoals aangegeven op de illustratie, bestaan op dit moment geen belemmeringen voor het toepassen van de beheersverordening voor deze locatie.

4.3.11 Locatie I - N281 afrit Kerkrade

Uitgevoerde onderzoeken

Deze locatie is te verdelen in 2 deellocaties: tippelzone en verkooppunt motorbrandstoffen.

Ter plaatse van de tippelzone is in 1999 de bodem onderzocht, waarbij licht verhoogde gehaltes aan zware metalen en EOX zijn aangetroffen.

Ter plaatse van het verkooppunt motorbrandstoffen zijn in de periode van 1992 tot 1998 bodemonderzoeken verricht. In 1999 is de bodem ter plaatse gesaneerd, omdat sterk verhoogde gehaltes aan minerale olie, PAK (10 VROM) en vluchtige aromaten aanwezig waren. In februari 2001 is middels een beschikking op het evaluatierapport dat ter plaatse nog licht verhoogde gehaltes aan vluchtige aromaten aanwezig zijn.

Gemiddelde bodemkwaliteit

De gemiddelde kwaliteit van de bodem voor deellocatie Tippelzone kan op basis van de bodemkwaliteitskaart als volgt beschreven worden:

De bovengrond (0,0-0,5 m-mv) van het plangebied heeft de gemiddelde kwaliteit “wonen”; de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) van het plangebied heeft de gemiddelde kwaliteit “achtergrondwaarde”.

Voor het verkooppunt motorbrandstoffen kan de gemiddelde kwaliteit als volgt worden beschreven:

De bovengrond (0,0-0,5 m-mv) van het plangebied heeft de gemiddelde kwaliteit “achtergrondwaarde”; de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) van het plangebied heeft de gemiddelde kwaliteit “wonen”.

Conclusie

Uitgaande van de functie en het gebruik van locatie I - N281 Afrit Kerkrade, zoals aangegeven op de illustratie, bestaan op dit moment geen belemmeringen voor het toepassen van de beheersverordening voor deze locatie.

4.4 Ecologie, flora en fauna

4.4.1 Gebiedsbescherming: Natura 2000 en de Natuurbeschermingswet 1998

De Europese Unie (EU) wil de biodiversiteit in Europa beschermen met Natura 2000. Dat is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland zijn meer dan 160 natuurgebieden aangemeld. Deze liggen allemaal binnen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Oorspronkelijk zijn deze gebieden aangewezen als Habitat- of Vogelrichtlijngebied. Al deze gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van planten- en diersoorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben.


In Nederland zijn de Europese regels voor gebiedsbescherming vertaald in de Natuurbeschermingswet. De Minister van Economie, Landbouw & Innovatie (EL&I) wijst de gebieden aan. In dat traject kunnen provincies, gemeenten, eigenaren en gebruikers van het aan te wijzen gebied hun zienswijze kenbaar maken. In het aanwijzingsbesluit van het betreffende Natura 2000-gebied wordt de exacte ligging aangegeven, evenals de soorten en habitattypen die in het gebied moeten worden beschermd.

4.4.2 Soortenbescherming: Flora- en Faunawet

Het soortenbeleid uit de Vogel- en Habitatrichtlijn is in Nederland vertaald in de Flora- en Faunawet. Deze wet kent een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. Dat betekent dat iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn (nalaten tot) handelen nadelige gevolgen heeft voor de aanwezige natuurwaarden, verplicht is dit achterwege te laten. Men dient alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem/haar kunnen worden verwacht om nadelige gevolgen te voorkomen, zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.


Verder dient in geval van een voorgenomen ingreep tijdig vooraf te worden nagegaan of zich (mogelijk) strenger beschermde soorten in het gebied bevinden, of en welk effect de ingreep heeft op deze soorten, of mitigerende danwel compenserende maatregelen moeten worden genomen en of bij het Ministerie van EL&I ontheffing in het kader van de Flora- en Faunawet moet worden aangevraagd.

4.4.3 Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en Provinciale Ontwikkelingszone Groen (POG)

De EHS en de POG vormen samen de ecologische structuur van Limburg. De EHS is het strengste beschermingsregime. Hier geldt het 'nee, tenzij-principe'. Dat betekent dat ruimtelijke ontwikkelingen niet zijn toegestaan, tenzij geen alternatieve locatie voorhanden is of sprake is van groot maatschappelijk belang. Hierover dient nauw overleg plaats te vinden met de provincie Limburg. Binnen de POG geldt het beschermingsregime 'ja, mits', wat betekent dat ruimtelijke ingrepen zijn toegestaan mits in afdoende mate mitigatie en/of compensatie van natuurwaarden plaatsvindt. Ook hierover dienen afspraken te worden gemaakt met de provincie.

4.4.4 Plangebied

Bovenstaande beschermende beleidsdocumenten zijn van toepassing op nieuwe ontwikkelingen. In voorliggende beheersverordening wordt de bestaande situatie vastgelegd en beschermd. Nader onderzoek naar beschermde soorten in de vorm van een quickscan is niet aan de orde.

4.5 Luchtkwaliteit

De Wet milieubeheer bepaalt dat bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan luchtkwaliteitsonderzoek moet plaatsvinden naar de kwaliteit van de omgeving.

In voorliggende beheersverordening wordt echter uitsluitend de bestaande situatie vastgelegd en geregeld. Er zijn geen nieuwe verkeersaantrekkende functies binnen het besluitgebied voorzien. Ook zijn er geen verkeerskundige wijzigingen binnen het besluitgebied voorzien die gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit. Door het vastleggen van de bestaande situatie blijft het aandeel verkeer ongewijzigd. Derhalve is onderzoek naar luchtkwaliteit voor deze beheersverordening dan ook niet aan de orde.

4.6 Externe veiligheid

4.6.1 Beleid

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing.

  • De regelgeving voor inrichtingen (bedrijven) is afkomstig uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi).
  • Het beleid voor transportmodaliteiten (weg, spoor, water) staat beschreven in de circulaire 'Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen' (cRnvgs). De overheid en het bedrijfsleven hebben daarom samen een systeem ontwikkeld om de balans tussen vervoer en veiligheid in evenwicht te houden. Dat systeem heet het Basisnet en bestaat uit de onderdelen spoor, weg en water. Momenteel wordt hard gewerkt om het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen af te ronden. Het Basisnet stelt grenzen aan het risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, vaarwegen en spoorlijnen alsmede aan ruimtelijke ontwikkelingen langs die wegen. Waarschijnlijk wordt het Basisnet 1 januari 2014 van kracht.
  • Voor transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het per 1 januari 2011 in werking getreden 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb).

In de Besluiten (Bevi, Btev en Bevb) zijn kwaliteitseisen/normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, door activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en transportroutes, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze normen zijn gekwantificeerd in de vorm van het zogenaamde plaatsgebonden en groepsrisico.

Plaatsgebonden risico (PR)

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu tengevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen.

Het PR kan op de kaart van een gebied worden weergeven met zogeheten risico-contouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.

Groepsrisico (GR)

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

Voor het GR geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze waarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Ook bij veranderingen van de hoogte van het GR geldt een verantwoordingsplicht.

Verantwoordingsplicht groepsrisico

In het externe veiligheidsbeleid is voor bepaalde situaties een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Deze verantwoordingsplicht houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht.

De verantwoording van het groepsrisico is één van de onderdelen van een goede ruimtelijke ordening.

Bereikbaarheid

De brandweer beoordeelt de bereikbaarheid van plangebieden en daaraan verbonden objecten cq inrichtingen aan de hand van de Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid.

Er wordt speciale aandacht gevraagd voor de hoofdaanrijroutes en de wijkontsluitingswegen van de brandweer.

De basis kan gevonden worden in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Er kunnen regels opgenomen worden die aanvullende eisen stellen aan de bluswatervoorziening en/of bereikbaarheid, teneinde ervoor te zorgen dat de beheersverordening uitvoerbaar is.

4.6.2 Locatie A - Akerstraat-Noord

Plaatsgebonden risico (PR)

Aan de hand van de risicokaart (zie: www.risicokaart.nl) zijn de plaatsgebonden externe veiligheidsrisico's beoordeeld. Deze toets heeft uitgewezen dat binnen het plangebied en de directe omgeving geen risicobronnen aanwezig zijn. Wel zijn op ruim 500 meter van het plangebied de volgende bronnen aangetroffen:

  • Route gevaarlijke stoffen Heerlen-Valkenburg, afrit 5, PR is nihil;
  • Aardgasleiding en gasregelstation Gasunie, PR bedraagt 15 meter.


Gezien de afstand en de gehanteerde plaatsgebonden risicocontouren zijn de genoemde risicobronnen niet relevant voor de onderhavige beheersverordening.


Groepsrisico (GR)

Gezien de bestaande afstanden van meer dan 500 meter tot omliggende risicobronnen valt dit deel van het plangebied niet binnen het invloedsgebied van een risicobron. Van enige invloed op het groepsrisico van de betreffende risicobronnen is daarom geen sprake. Een verantwoording van het groepsrisico blijft dan ook achterwege.

4.6.3 Locatie B - Heerenweg 234-240

Plaatsgebonden risico (PR)

Aan de hand van de risicokaart (zie: www.risicokaart.nl) zijn de plaatsgebonden externe veiligheidsrisico's beoordeeld. Deze toets heeft uitgewezen dat binnen de omgeving de volgende risicobron aanwezig is.

  • Aardgasleiding en gasregelstation Gasunie, 200 meter ten noorden van plangebied.


De reikwijdte van het plaatsgebonden risico bedraagt 15 meter. Het plangebied bevindt zich daarmee ruimschoots buiten de plaatsgebonden risicocontour. Het plaatsgebonden risico voor externe veiligheid staat dan ook niet in de weg aan de vaststelling van dit deel van de beheersverordening.

Groepsrisico (GR)

Gezien de bestaande afstand van meer dan 200 meter tot de meest nabij gelegen risicobron valt dit deel van het plangebied niet binnen het invloedsgebied van een risicobron. Van enige invloed op het groepsrisico van de betreffende risicobron is daarom geen sprake. Een verantwoording van het groepsrisico blijft dan ook achterwege.

4.6.4 Locatie C - Groeve Vrieheide

Plaatsgebonden risico (PR)

Aan de hand van de risicokaart (zie: www.risicokaart.nl) zijn de plaatsgebonden externe veiligheidsrisico's beoordeeld. Deze toets heeft uitgewezen dat binnen het plangebied en binnen de directe omgeving geen risicobronnen aanwezig zijn. Wel zijn op ruim 500 meter van het plangebied de volgende bronnen aangetroffen:

  • Gasdrukregel- en meetstation, Schaapskooiweg ong., PR is 25 meter.
  • Aardgasleiding Gasunie, PR is nihil of beperkt tot enkele meters.


Gezien de afstand en de gehanteerde plaatsgebonden risicocontouren zijn de genoemde risicobronnen niet relevant voor de onderhavige beheersverordening. Daarmee staan zij ook niet in de weg aan vaststelling van dit deel van de beheersverordening.

Groepsrisico (GR)

Gezien de bestaande afstand van meer dan 500 meter tot de meest nabij gelegen risicobron valt dit deel van het plangebied niet binnen het invloedsgebied van een risicobron. Van enige invloed op het groepsrisico van de betreffende risicobron is daarom geen sprake. Een verantwoording van het groepsrisico blijft dan ook achterwege.

4.6.5 Locatie D - Groevegebied

Plaatsgebonden risico (PR)

Aan de hand van de risicokaart (zie: www.risicokaart.nl) zijn de plaatsgebonden externe veiligheidsrisico's beoordeeld. Deze toets heeft uitgewezen dat binnen het plangebied de volgende risicobronnen aanwezig zijn:

  • Gasdrukregel- en meetstation, Koolkoelenweg 40;
  • Aardgasleiding van Gasunie, sluit aan op Gasdrukregel- en meetstation, Koolkoelenweg 40.


Binnen de plaatsgebonden risicocontour van het gasdrukregel- en meetstation, namelijk 15 meter, is geen sprake van (beperkt) kwetsbare objecten. Bij de aardgasleiding ligt de plaatsgebonden contour op de leiding of heeft een reikwijdte van enkele meters. Ook hier zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig of beoogd. De plaatsgebonden risicocontouren voor externe veiligheid staan dan ook niet in de weg aan de vaststelling van dit deel van de beheersverordening.

Groepsrisico (GR)

De vaststelling van onderhavig deel van de beheersverordening leidt niet tot een toename van het aantal aanwezige personen. Van een wijziging ten opzichte van het bestaande groepsrisico is daarom geen sprake. Het groepsrisico wordt dan ook niet vergroot. Daarom wordt het niet noodzakelijk geacht een berekening van het groepsrisico uit te voeren. Een verantwoording van het groepsrisico, zoals inzicht in de omvang van het groepsrisico, de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en de zelfredzaamheid van de aldaar aanwezige personen is daarmee ook niet aan de orde.

4.6.6 Locatie E - Musschenbroek

Plaatsgebonden risico (PR)

Aan de hand van de risicokaart (zie: www.risicokaart.nl) zijn de plaatsgebonden externe veiligheidsrisico's beoordeeld. Deze toets heeft uitgewezen dat binnen het plangebied de volgende risicobron gesitueerd is:

  • Texaco Heerlen VOF, Palemerigboord 399, LPG vulpunt, afleverinstallatie en reservoir.


Het vulpunt, de afleverinstallatie en het reservoir kennen allen een eigen plaatsgebonden risicocontour. De contour van het vulpunt is het grootst met 45 meter. De contour van het reservoir is 25 meter. Voor de afleverinstallatie wordt een contour gehanteerd van 15 meter. Als gevolg van de ligging van de genoemde onderdelen vallen de contouren niet volledig over elkaar heen.


Binnen de plaatsgebonden risicocontouren is geen sprake van (beperkt) kwetsbare objecten. De plaatsgebonden risicocontouren voor externe veiligheid staan dan ook niet in de weg aan de vaststelling van dit deel van de beheersverordening.

Groepsrisico (GR)

De vaststelling van onderhavig deel van de beheersverordening leidt niet tot een toename van het aantal aanwezige personen. Van een wijziging ten opzichte van het bestaande groepsrisico van het LPG-tankstation is daarom geen sprake. Het groepsrisico wordt dan ook niet vergroot. Daarom wordt het niet noodzakelijk geacht een berekening van het groepsrisico uit te voeren. Een verantwoording van het groepsrisico, zoals inzicht in de omvang van het groepsrisico, de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en de zelfredzaamheid van de aldaar aanwezige personen is daarmee ook niet aan de orde.

4.6.7 Locatie F - Sporthal Ten Esschen

Plaatsgebonden risico (PR)

Aan de hand van de risicokaart (zie: www.risicokaart.nl) zijn de plaatsgebonden externe veiligheidsrisico's beoordeeld. Deze toets heeft uitgewezen dat in de omgeving de volgende risicobronnen gelegen zijn:

  • N281, route vervoer gevaarlijke stoffen, knooppunt Ten Eschen, afstand tot plangebied nihil;
  • Spoorlijn Heerlen-Sittard, vervoer gevaarlijke stoffen, afstand minder dan 400 meter.


De plaatsgebonden risicocontour van de N281 beperkt zich tot het wegtracé. Hetzelfde geldt voor de spoorlijn. De plaatsgebonden risicocontouren voor externe veiligheid staan dan ook niet in de weg aan de vaststelling van het onderhavige deel van de beheersverordening.

Groepsrisico (GR)

De vaststelling van onderhavig deel van de beheersverordening leidt niet tot een toename van het aantal aanwezige personen. Van een wijziging ten opzichte van het bestaande groepsrisico is daarom geen sprake. Het groepsrisico wordt dan ook niet vergroot. Daarom wordt het niet noodzakelijk geacht een berekening van het groepsrisico uit te voeren. Een verantwoording van het groepsrisico, zoals inzicht in de omvang van het groepsrisico, de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en de zelfredzaamheid van de aldaar aanwezige personen is daarmee ook niet aan de orde.

4.6.8 Locatie G - Corisbergweg

Plaatsgebonden risico (PR)

Aan de hand van de risicokaart (zie: www.risicokaart.nl) zijn de plaatsgebonden externe veiligheidsrisico's beoordeeld. Deze toets heeft uitgewezen dat binnen het plangebied en in de directe omgeving geen risicobronnen aanwezig zijn. Het plaatsgebonden risico voor externe veiligheid staat dan ook niet in de weg aan de vaststelling van dit deel van de beheersverordening.

Groepsrisico (GR)

Onderhavig deel van de beheersverordening valt niet binnen het invloedsgebied van een risicobron. Van enige invloed op het groepsrisico is daarom geen sprake. Voor een verantwoording van enig groepsrisico bestaat geen aanleiding.

4.6.9 Locatie H - A76 (thv Daelsweg)

Plaatsgebonden risico (PR)

Aan de hand van de risicokaart (zie: www.risicokaart.nl) zijn de plaatsgebonden externe veiligheidsrisico's beoordeeld. Deze toets heeft uitgewezen dat in de omgeving de volgende risicobronnen gelegen zijn:

  • N281, route vervoer gevaarlijke stoffen, binnen het plangebied;
  • Buisleidingen Gasunie, in gemeente Voerendaal direct langs westzijde plangebied.


De plaatsgebonden risicocontour van de N281 beperkt zich tot het wegtracé. Het plaatsgebonden risico van de buisleidingen ligt niet binnen het plangebied. De plaatsgebonden risicocontouren voor externe veiligheid staan dan ook niet in de weg aan de vaststelling van het onderhavige deel van de beheersverordening.

Groepsrisico (GR)

De vaststelling van onderhavig deel van de beheersverordening leidt niet tot een toename van het aantal aanwezige personen. Van een wijziging ten opzichte van het bestaande groepsrisico is daarom geen sprake. Het groepsrisico wordt dan ook niet vergroot. Daarom wordt het niet noodzakelijk geacht een berekening van het groepsrisico uit te voeren. Een verantwoording van het groepsrisico, zoals de omvang van het groepsrisico, de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en de zelfredzaamheid van de aldaar aanwezige personen is daarmee ook niet aan de orde.

4.6.10 Locatie I - N281 afrit Kerkrade

Plaatsgebonden risico (PR)

Aan de hand van de risicokaart (zie: www.risicokaart.nl) zijn de plaatsgebonden externe veiligheidsrisico's beoordeeld. Deze toets heeft uitgewezen dat in het plangebied en in de omgeving verschillende risicobronnen gelegen zijn.


Binnen plangebied, deel Tippelzone

  • Gasdrukregel- en meetstation Gasunie, Spoorsingel 1, PR-contour 15 meter;
  • Aardgasleiding, sluit aan op gasdrukregel- en meetstation, PR-contour op de buisleiding.


Binnen beide contouren worden geen (beperkt) kwetsbare objecten toegestaan.


Binnen plangebied, deel BP tankstation

  • BP tankstation De Beitel, Euregioweg 1, LPG-afleverinstallatie, LPG-vulpunt, LPG-reservoir, grootste PR-contour 45 meter.


Binnen de genoemde plaatsgebonden risicocontour van 45 meter zal geen sprake zijn van (beperkt) kwetsbare objecten.


In omgeving plangebied, deel Tippelzone

  • Agro-de Jonge, Oude Roderweg 4, opslag bestrijdingsmiddelen en nitraathoudende kunstmest, grootste PR-contour 200 meter.


Het plangebied valt buiten de beschreven risicocontour.


In omgeving plangebied, deel Tippelzone en deel tankstation

  • N281, route vervoer gevaarlijke stoffen, knooppunt Ten Eschen.


De plaatsgebonden risicocontour van de N281 beperkt zich tot het wegtracé. Het wegtracé valt buiten het plangebied.

Afsluitend

De plaatsgebonden risicocontouren vormen geen belemmering voor de vaststelling van dit deel van de beheersverordening.


Groepsrisico (GR)

Een LPG-tankstation kent een vast invloedsgebied met een straal van 150 meter. Dit geldt vanaf het vulpunt voor LPG en vanaf het LPG-reservoir. Omdat beide onderdelen niet op dezelfde plaats gevestigd zijn, is feitelijk sprake van twee invloedsgebieden. Deze overlappen elkaar wel grotendeels. Binnen deze invloedsgebieden vinden geen wijzigingen plaats welke relevant kunnen zijn voor het groepsrisico. Kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten worden niet toegestaan. Ook biedt de beheersverordening geen grondslag voor een toename van de personendichtheid binnen beide invloedsgebieden.

Binnen de invloedsgebieden van de overige, hiervoor beschreven, risicobronnen zal ook geen sprake zijn van een toename van het aantal aanwezige personen. Binnen het volledige plangebied zal de personendichtheid namelijk niet wijzigen als gevolg van onderhavige beheersverordening.

Gezien vorenstaande wordt het niet noodzakelijk geacht een berekening van het groepsrisico uit te voeren. Een verantwoording van het groepsrisico, zoals de omvang van het groepsrisico, de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en de zelfredzaamheid van de aldaar aanwezige personen is daarmee ook niet aan de orde.

4.7 Technische infrastructuur

In voorliggende beheersverordening wordt uitsluitend de bestaande situatie vastgelegd en geregeld.

De hoogspanningsleiding ten zuiden en noorden van de Euregioweg (locatie D - Groevegebied en locatie E - Musschenbroek) is hiervan de meest in het oogspringende. Er worden geen ontwikkeling voorzien die binnen de veiligheidszones van de bestaande kabels en leidingen. Op de illustratie zijn de hoogspanningsleidingen opgenomen binnen de besluitvlakken 'Leiding - Hoogspanning'.

De aardgasleiding binnen de locatie D - Groevegebied is tevens een belangrijke leiding. Deze leiding is op de illustratie opgenomen binnen het besluitvlak 'Leiding - Gas'.

Beide besluitvlakken bieden een beschermende regeling aan de leidingen. Binnen deze besluitvlakken zijn beperkingen ten aanzien van het gebruik van de gronden opgenomen.

Door de gemeente lopen meerdere straalpaden van Defensie en KPN. Deze straalpaden zijn opgenomen in een besluitvlak 'Vrijwaringszone - straalpad' binnen het plangebied van de locatie C- Groeve Vrieheide, locatie D - Groevegebied en locatie F - sporthal Ten Esschen.

4.8 Bedrijfshinder

In deze beheersverordening worden de bestaande functies gerespecteerd en vastgelegd in hun huidige omvang en aard. Er worden geen nieuwe hinderveroorzakende ontwikkelingen mogelijke gemaakt.

4.9 Archeologie

Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. De Wet op de archeologische monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta. De wet regelt hoe het Rijk, provincies en gemeenten bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. De gemeenten zijn in deze wet tot bevoegd gezag aangewezen en dienen de archeologische belangen op een goede manier te verweven in het ruimtelijk beleid.

4.9.1 Gemeentelijk beleid

In dit kader heeft een archeologisch onderzoeksbureau voor heel Parkstad Limburg een archeologi-sche verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart opgesteld, die door de gemeenteraad op 23 september 2008 is vastgesteld. In 2013 is deze kaart geactualiseerd en zijn hierin tevens de onderzoekbevindingen van de afgelopen jaren verwerkt. Op 1 oktober 2013 heeft de gemeenteraad de geactualiseerde 'archeologische verwachtings- en beleidskaart Heerlen' en de daarbij behorende nieuwe ondergrenzen voor de archeologische onderzoeksplicht vastgesteld.


Het doel van de archeologische verwachtings- en beleidskaart is het zichtbaar maken waar archeologische waarden aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, en het daaraan koppelen van een onderzoeksplicht. Hiermee wordt tevens duidelijk bij welke werkzaamheden wel en bij welke geen archeologisch onderzoek noodzakelijk zal zijn.


In de kaart worden de volgende zes categorieën onderscheiden.

Categorie 1: beschermde Rijksmonumenten

Voor werkzaamheden is hier altijd een vergunning volgens de Monumentenwet 1988 vereist.


Categorie 2: gebieden van zeer hoge waarde en de historische dorpskernen

Voor deze gebieden is voor de oppervlakte het wettelijk minimum van 100 m2 genomen. Projecten die over een groter oppervlak de bodem verstoren zijn onderzoeksplichtig. De monumentenwet geeft geen minimum voor de diepte van verstoring. Voor de gemeente Heerlen is voorgesteld geen onderzoeksplicht op te leggen voor werkzaamheden minder dan 40 cm diep.


Categorie 3 en 4: gebieden met een hoge en middelhoge verwachtingswaarde

Voor deze gebieden zijn de ondergrenzen nog verder verruimd (respectievelijk 250 m2 en 2.500 m2 oppervlakte, bij meer dan 40 cm diepte). Hierdoor zijn alleen de grotere projecten onderzoeksplichtig en geldt voor de meeste kleinere (particuliere) vergunningaanvragen geen onderzoeksplicht.


Categorie 5: gebieden met een lage verwachtingswaarde

In gebieden met een lage trefkans, geldt alleen voor grotere projecten (10.000 m2 en meer dan 40 cm diepte) een onderzoeksplicht.


Categorie 6: gebieden zonder verwachtingswaarde

In deze gebieden geldt geen onderzoeksplicht.

In het algemeen geldt dat een ontheffing van de onderzoeksplicht mogelijk is wanneer blijkt (na archeologisch advies van een gekwalificeerde archeoloog) dat het project een gering risico vormt voor het "bodemarchief".

4.9.2 Plangebied
4.9.2.1 Locatie A - Akerstraat-Noord

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0011.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0012.png"

Op de archeologische verwachtings- en beleidskaart zijn voor het plangebied drie verschillende archeologische verwachtingswaarden opgenomen, geen verwachtingswaarde, lage verwachtingswaarde en middelhoge verwachtingswaarde.

In het gebied zonder verwachtingswaarde is geen noodzaak tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek. Er kan vanuit worden gegaan dat bij de realisatie van een initiatief geen archeologische waarden verloren gaan.

Voor het gebied lage verwachtingswaarde is de dubbelbestemming (besluitvlak) 'Waarde - Archeologie 5 (lage waarde)' opgenomen. In deze dubbelbestemming (besluitvlak) is voor werkzaamheden waarbij de verstoringsdiepte dieper is dan 40 cm én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 10.000 m2 een onderzoeksplicht opgenomen.

Voor het gebied middelhoge verwachtingswaarde is de dubbelbestemming (besluitvlak) 'Waarde - Archeologie 4 (middelhoge waarde)' opgenomen. In deze dubbelbestemming (besluitvlak) is voor werkzaamheden waarbij de verstoringsdiepte dieper is dan 40 cm én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 2.500 m2 een onderzoeksplicht opgenomen.

Mochten tijdens graafwerkzaamheden archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet hiervan volgens artikel 53 en 54 van de Monumentenwet 1988 terstond melding worden gemaakt bij de gemeente Heerlen of de regioarcheoloog.

4.9.2.2 Locatie B - Heerenweg 234-240

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0013.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0014.png"

Op de archeologische verwachtings- en beleidskaart zijn voor het plangebied vier verschillende archeologische verwachtingswaarden opgenomen, geen verwachtingswaarde, lage verwachtingswaarde, middelhoge verwachtingswaarde en overige monumenten / hoge verwachtingswaarde.

In het gebied zonder verwachtingswaarde is geen noodzaak tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek. Er kan vanuit worden gegaan dat bij de realisatie van een initiatief geen archeologische waarden verloren gaan.

Voor het gebied lage verwachtingswaarde is de dubbelbestemming (besluitvlak) 'Waarde - Archeologie 5 (lage waarde)' opgenomen. In deze dubbelbestemming (besluitvlak) is voor werkzaamheden waarbij de verstoringsdiepte dieper is dan 40 cm én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 10.000 m2 een onderzoeksplicht opgenomen.

Voor het gebied middelhoge verwachtingswaarde is de dubbelbestemming (besluitvlak) 'Waarde - Archeologie 4 (middelhoge waarde)' opgenomen. In deze dubbelbestemming (besluitvlak) is voor werkzaamheden waarbij de verstoringsdiepte dieper is dan 40 cm én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 2.500 m2 een onderzoeksplicht opgenomen.

Voor het gebied overige monumenten en hoge verwachtingswaarde is de dubbelbestemming (besluitvlak) 'Waarde - Archeologie 3 (hoge waarde)' opgenomen. In deze dubbelbestemming (besluitvlak) is voor werkzaamheden waarbij de verstoringsdiepte dieper is dan 40 cm én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 250 m2 een onderzoeksplicht opgenomen.

Mochten tijdens graafwerkzaamheden archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet hiervan volgens artikel 53 en 54 van de Monumentenwet 1988 terstond melding worden gemaakt bij de gemeente Heerlen of de regioarcheoloog.

4.9.2.3 Locatie C - Groeve Vrieheide

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0015.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0016.png"

Op de archeologische verwachtings- en beleidskaart zijn voor het plangebied vier verschillende archeologische verwachtingswaarden opgenomen, geen verwachtingswaarde, lage verwachtingswaarde en overige monumenten / hoge verwachtingswaarde.

In het gebied zonder verwachtingswaarde is geen noodzaak tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek. Er kan vanuit worden gegaan dat bij de realisatie van een initiatief geen archeologische waarden verloren gaan.

Voor het gebied lage verwachtingswaarde is de dubbelbestemming (besluitvlak) 'Waarde - Archeologie 5 (lage waarde)' opgenomen. In deze dubbelbestemming (besluitvlak) is voor werkzaamheden waarbij de verstoringsdiepte dieper is dan 40 cm én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 10.000 m2 een onderzoeksplicht opgenomen.

Voor het gebied overige monumenten en hoge verwachtingswaarde is de dubbelbestemming (besluitvlak) 'Waarde - Archeologie 3 (hoge waarde)' opgenomen. In deze dubbelbestemming (besluitvlak) is voor werkzaamheden waarbij de verstoringsdiepte dieper is dan 40 cm én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 250 m2 een onderzoeksplicht opgenomen.

Mochten tijdens graafwerkzaamheden archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet hiervan volgens artikel 53 en 54 van de Monumentenwet 1988 terstond melding worden gemaakt bij de gemeente Heerlen of de regioarcheoloog.

4.9.2.4 Locatie D - Groevegebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0017.png"

lafbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0018.png"

Op de archeologische verwachtings- en beleidskaart zijn voor het plangebied vijf verschillende archeologische verwachtingswaarden opgenomen, geen verwachtingswaarde, lage verwachtingswaarde, middelhoge verwachtingswaarde, overige monumenten / hoge verwachtingswaarde en monumententerreinen van zeer hoge waarde.

In het gebied zonder verwachtingswaarde is geen noodzaak tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek. Er kan vanuit worden gegaan dat bij de realisatie van een initiatief geen archeologische waarden verloren gaan.

Voor het gebied lage verwachtingswaarde is de dubbelbestemming (besluitvlak) 'Waarde - Archeologie 5 (lage waarde)' opgenomen. In deze dubbelbestemming (besluitvlak) is voor werkzaamheden waarbij de verstoringsdiepte dieper is dan 40 cm én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 10.000 m2 een onderzoeksplicht opgenomen.

Voor het gebied middelhoge verwachtingswaarde is de dubbelbestemming (besluitvlak) 'Waarde - Archeologie 4 (middelhoge waarde)' opgenomen. In deze dubbelbestemming (besluitvlak) is voor werkzaamheden waarbij de verstoringsdiepte dieper is dan 40 cm én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 2.500 m2 een onderzoeksplicht opgenomen.

Voor het gebied overige monumenten en hoge verwachtingswaarde is de dubbelbestemming (besluitvlak) 'Waarde - Archeologie 3 (hoge waarde)' opgenomen. In deze dubbelbestemming (besluitvlak) is voor werkzaamheden waarbij de verstoringsdiepte dieper is dan 40 cm én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 250 m2 een onderzoeksplicht opgenomen.

Voor het gebied monumenten zeer hoge verwachtingswaarde is de dubbelbestemming (besluitvlak) 'Waarde - Archeologie 2 (zeer hoge waarde)' opgenomen. In deze dubbelbestemming (besluitvlak) is voor werkzaamheden waarbij de verstoringsdiepte dieper is dan 40 cm én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 100 m2 een onderzoeksplicht opgenomen.

Mochten tijdens graafwerkzaamheden archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet hiervan volgens artikel 53 en 54 van de Monumentenwet 1988 terstond melding worden gemaakt bij de gemeente Heerlen of de regioarcheoloog.

4.9.2.5 Locatie E - Musschenbroek

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0019.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0020.png"

Op de archeologische verwachtings- en beleidskaart zijn voor het plangebied drie verschillende archeologische verwachtingswaarden opgenomen, lage verwachtingswaarde, middelhoge verwachtingswaarde en overige monumenten / hoge verwachtingswaarde.

Voor het gebied middelhoge verwachtingswaarde is de dubbelbestemming (besluitvlak) 'Waarde - Archeologie 4 (middelhoge waarde)' opgenomen. In deze dubbelbestemming (besluitvlak) is voor werkzaamheden waarbij de verstoringsdiepte dieper is dan 40 cm én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 2.500 m2 een onderzoeksplicht opgenomen.

Voor het gebied overige monumenten en hoge verwachtingswaarde is de dubbelbestemming (besluitvlak) 'Waarde - Archeologie 3 (hoge waarde)' opgenomen. In deze dubbelbestemming (besluitvlak) is voor werkzaamheden waarbij de verstoringsdiepte dieper is dan 40 cm én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 250 m2 een onderzoeksplicht opgenomen.

Mochten tijdens graafwerkzaamheden archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet hiervan volgens artikel 53 en 54 van de Monumentenwet 1988 terstond melding worden gemaakt bij de gemeente Heerlen of de regioarcheoloog.

4.9.2.6 Locatie F - Sporthal Ten Esschen

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0021.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0022.png"

Op de archeologische verwachtings- en beleidskaart zijn voor het plangebied twee verschillende archeologische verwachtingswaarden opgenomen, overige monumenten / hoge verwachtingswaarde en monumententerreinen van zeer hoge waarde (heel klein puntje van het parkeerterrein).

Voor het gebied overige monumenten en hoge verwachtingswaarde is de dubbelbestemming (besluitvlak) 'Waarde - Archeologie 3 (hoge waarde)' opgenomen. In deze dubbelbestemming (besluitvlak) is voor werkzaamheden waarbij de verstoringsdiepte dieper is dan 40 cm én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 250 m2 een onderzoeksplicht opgenomen.

Voor het gebied monumenten zeer hoge verwachtingswaarde is de dubbelbestemming (besluitvlak) 'Waarde - Archeologie 2 (zeer hoge waarde)' opgenomen. In deze dubbelbestemming (besluitvlak) is voor werkzaamheden waarbij de verstoringsdiepte dieper is dan 40 cm én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 100 m2 een onderzoeksplicht opgenomen.

Mochten tijdens graafwerkzaamheden archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet hiervan volgens artikel 53 en 54 van de Monumentenwet 1988 terstond melding worden gemaakt bij de gemeente Heerlen of de regioarcheoloog.

l

4.9.2.7 Locatie G - Corisbergweg

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0023.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0024.png"

Op de archeologische verwachtings- en beleidskaart zijn voor het plangebied twee verschillende archeologische verwachtingswaarden opgenomen, geen verwachtingswaarde en overige monumenten / hoge verwachtingswaarde (een heel klein stukje).

In het gebied zonder verwachtingswaarde is geen noodzaak tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek. Er kan vanuit worden gegaan dat bij de realisatie van een initiatief geen archeologische waarden verloren gaan.

Voor het gebied overige monumenten en hoge verwachtingswaarde is de dubbelbestemming (besluitvlak) 'Waarde - Archeologie 3 (hoge waarde)' opgenomen. In deze dubbelbestemming (besluitvlak) is voor werkzaamheden waarbij de verstoringsdiepte dieper is dan 40 cm én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 250 m2 een onderzoeksplicht opgenomen.

Mochten tijdens graafwerkzaamheden archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet hiervan volgens artikel 53 en 54 van de Monumentenwet 1988 terstond melding worden gemaakt bij de gemeente Heerlen of de regioarcheoloog.

4.9.2.8 Locatie H - A76 (thv Daelsweg)

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0025.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0026.png"

Op de archeologische verwachtings- en beleidskaart is voor het plangebied één archeologische verwachtingswaarde opgenomen, geen verwachtingswaarde.

In het gebied zonder verwachtingswaarde is geen noodzaak tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek. Er kan vanuit worden gegaan dat bij de realisatie van een initiatief geen archeologische waarden verloren gaan.

Mochten tijdens graafwerkzaamheden archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet hiervan volgens artikel 53 en 54 van de Monumentenwet 1988 terstond melding worden gemaakt bij de gemeente Heerlen of de regioarcheoloog.

4.9.2.9 Locatie I - N281 afrit Kerkrade

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0027.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0917.BH050800W000001-0401_0028.png"

Op de archeologische verwachtings- en beleidskaart zijn voor het plangebied drie verschillende archeologische verwachtingswaarden opgenomen, lage verwachtingswaarde, middelhoge verwachtingswaarde en overige monumenten / hoge verwachtingswaarde.

Voor het gebied lage verwachtingswaarde is de dubbelbestemming (besluitvlak) 'Waarde - Archeologie 5 (lage waarde)' opgenomen. In deze dubbelbestemming (besluitvlak) is voor werkzaamheden waarbij de verstoringsdiepte dieper is dan 40 cm én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 10.000 m2 een onderzoeksplicht opgenomen.

Voor het gebied middelhoge verwachtingswaarde is de dubbelbestemming (besluitvlak) 'Waarde - Archeologie 4 (middelhoge waarde)' opgenomen. In deze dubbelbestemming (besluitvlak) is voor werkzaamheden waarbij de verstoringsdiepte dieper is dan 40 cm én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 2.500 m2 een onderzoeksplicht opgenomen.

Voor het gebied overige monumenten en hoge verwachtingswaarde is de dubbelbestemming (besluitvlak) 'Waarde - Archeologie 3 (hoge waarde)' opgenomen. In deze dubbelbestemming (besluitvlak) is voor werkzaamheden waarbij de verstoringsdiepte dieper is dan 40 cm én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 250 m2 een onderzoeksplicht opgenomen.

Mochten tijdens graafwerkzaamheden archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet hiervan volgens artikel 53 en 54 van de Monumentenwet 1988 terstond melding worden gemaakt bij de gemeente Heerlen of de regioarcheoloog.

4.10 Cultuurhistorie

Hoeve Corisberg aan de Corisbergweg 1 is een rijksmonument. Deze wordt al beschermd met de monumentenwet. In de beheersverordening wordt het huidige gebruik van de hoeve vastgelegd.

Hoofdstuk 5 Structuur beheersverordening

Dit hoofdstuk beschrijft de uitgangspunten en randvoorwaarden die de basis vormen voor de voorliggende beheersverordening Snipperlocaties.

5.1 Inleiding

Een van de uitgangspunten van dit plan is dat het een actualiserend plan is, waarbij de bestaande planologische situatie wordt vastgelegd. In het kader van deze beheersverordening is dan ook een veldinventarisatie verricht naar de bestaande functies in het besluitgebied.
De beheersverordening bestaat uit een kaart van het besluitgebied met als onderlegger illustraties en regels, vergezeld van een toelichting. De illustratie en regels vormen het voor de burgers juridisch bindende deel van de beheersverordening. De illustraties hebben de rol van visualisering van de besluitvlakken (bestemmingen). De illustraties zijn getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond.


De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van de beheersverordening en bij de uitleg van de illustraties en regels.


Bij het opstellen van de beheersverordening is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening, het Besluit ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geformuleerde uitgangspunten. De beheersverordening vol-doet aan de Praktijkrichtlijn Gebiedsgerichte Besluiten (PRGB2012).

Voor de opzet en inhoud van de regels is aansluiting gezocht bij het Handboek ruimtelijke plannen (versie april 2013) van de gemeente Heerlen. De regels van deze beheersverordening bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de besluitvlakregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.2 Systematiek van de regels

5.2.1 Hoofdstuk 1 Inleidende regels

In de begrippen worden omschrijvingen gegeven van de in de beheersverordening gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven over hoe gemeten moet worden.

5.2.2 Hoofdstuk 2 Besluitvlakregels

De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is.


Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het bouwen heeft verleend welke dient te voldoen aan onder meer de regels van de beheersverordening, het Bouwbesluit en de Bouwverordening.


De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • nadere eisen;
  • afwijken van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijken van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en van werkzaamheden.


Hieronder volgt per bestemmingsonderdeel een korte toelichting.

Bestemmingsomschrijving

De bestemmingsomschrijving bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals wonen, bedrijven, detailhandel, recreatie, horeca etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies.

De hoofdfuncties worden als eerste genoemd. Indien van toepassing worden ook de aan de hoofdfuncties ondergeschikte functies mogelijk gemaakt. De ondergeschiktheid wordt weergegeven door de zin 'met daaraan ondergeschikt'. Tevens wordt aangegeven welke functies bij de bestemming behoren door middel van de zin 'met daarbij behorende'. Het betreft hier meestal functies als paden, groen, erven, etc. De bestemmingsomschrijving is niet alleen functioneel, maar bevat ook inrichtingsaspecten.


Bouwregels

In de bouwregels wordt aangegeven welke bebouwingsmogelijkheden er op een per-ceel bestaan. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.


Nadere eisen

Nadere eisen kunnen worden gesteld ten behoeve van bepaalde doorgaans kwalitatief omschreven criteria, zoals een goede woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

De nadere eisenregeling biedt de mogelijkheid om in concrete situaties in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen sturend op te treden door het opnemen van nadere eisen in de omgevingsvergunning. Nadere eisen kunnen alleen worden gesteld als er in de regels ook een primaire eis wordt gesteld.


De nadere eisen moeten verband houden met deze eis. De nadere eisenregeling hoeft niet in alle bestemmingen te worden geregeld.


Afwijken van de bouwregels

Door het opnemen van een afwijkingsregeling bestaat de mogelijkheid af te wijken van de algemeen toegestane bouwregelingen. Deze afwijkingen zijn niet bedoeld voor afwijkingen van de bouwregels, waarvan de verwachting is, dat ze in (bijna) alle gevallen worden verleend. In dat geval zijn de bouwregels hierop aangepast. Voor elke afwijking wordt aangegeven waarvan afgeweken wordt, de maximale afwijking die met de afwijking kan worden toegestaan en eventueel de situaties of voorwaarden waaronder vrijstelling wordt verleend.


Het gaat hier om afwijkingbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Als afwijkingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben, zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 (de algemene regels).


Specifieke gebruiksregels

In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Hierin worden niet alle mogelijke strijdig gebruiksvormen genoemd, maar alleen die waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de be-stemmingsomschrijving.


Afwijken van de gebruiksregels

Een afwijking van een gebruiksregel mag niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Dat wil zeggen dat wel afwijking kan worden verleend ten behoeve van functies, die inherent zijn aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies. Via afwijking kunnen geen 'nieuwe' functies worden toegestaan. Met andere woorden: de afwijkingsregeling kan worden opgenomen voor kleinere, planologisch minder ingrijpende, onderwerpen.


Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en van werkzaamheden

Specifieke inrichtingsactiviteiten, niet bestaande uit bouwen, dienen soms aan een omgevingsvergunning gebonden te worden.

5.2.3 Hoofdstuk 3 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat wanneer bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.


Algemene bouwregels

Bestaande afstanden en andere maten

Er kunnen zich situaties voordoen, waarbij bestaande bebouwing in strijd is met de re-gels. Zo kan de specifieke bouwhoogte van een woning hoger zijn dan de toegestane hoogte van bebouwing (een algemene maat). Deze strijdigheid is niet gewenst. Het is immers niet de bedoeling dat deze woning moet worden aangepast aan de nieuwe maatvoering.


Daarom is de algemene bepaling opgenomen, dat bij afwijkingen de maatvoering mag worden aangehouden, zoals die fysiek bestond op het moment van inwerkingtreding van de beheersverordening.


Algemene gebruiksregels

In deze bepaling wordt aangegeven wat in ieder geval onder strijdig gebruik wordt verstaan. De specifieke gebruiksregel, zoals deze kan worden opgenomen in de afzonderlijke bestemmingen, is aanvullend op de algemene gebruiksregel van de beheersverordening.


Algemene afwijkingsregels

In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om met een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde in de beheersverordening geregelde onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsbepalingen die gelden voor meerdere dan wel alle bestemmingen in het plan.

Specifieke, op de bestemmingen gerichte, afwijkingen zijn reeds opgenomen onder de betreffende bestemming.

De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, worden aangegeven.

5.2.4 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Overgangsbepalingen

In deze bepalingen wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht.


Slotregel

Als laatste wordt de slotregel opgenomen. Deze bepaling bevat de titel van de verordening.

5.3 Toelichting van de bestemmingsregels

In hoofdstuk 3 'Gebiedsbeschrijving' is per locatie aangegeven welke besluitvlakken zijn toegekend en waarom. Voor de begrenzing van de besluitvlakken zijn kadastrale perceelsgrenzen aangehouden.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid en Handhaving

De beheersverordening heeft verscheidene functies. De belangrijkste functie betreft wellicht de normerende functie.
De beheersverordening geeft bindende regels voor het gebruik van de in het betreffende plan opgenomen gronden. Dit betreft gebruik in ruime zin. Niet enkel het feitelijke gebruik, maar ook de bebouwing van deze gronden en het gebruik van opstallen worden door de beheersverordening gereguleerd.
Om recht te doen aan deze functie, is tijdens het opstellen van het onderhavige beheersverordening ruime aandacht te besteed aan de handhaafbaarheid van de opgestelde regels.

Er is sprake van een inzichtelijke en realistische juridische regeling. Dat wil zeggen, dat het plan niet onnodig beperkend of inflexibel is. De regels dienen niet meer, maar ook niet minder te regelen dan noodzakelijk is. Daarnaast is er sprake van een ondubbelzinnige en juridisch juiste regeling, die voor eenieder duidelijk is en weinig procesrisico kent.

6.1 Handhavingsbeleid

Binnen de gemeente Heerlen vormt de handhaving van bestemmingsplannen/ beheersverordeningen expliciet onderdeel van het handhavingsbeleid en is opgenomen in de beleidsnota
"Handhaving bouw- en ruimtelijke regelgeving". In deze nota wordt onder meer aandacht besteed aan de wijze, waarop handhaving zal plaatsvinden. Uitgangspunt is dat tegen iedere overtreding wordt opgetreden. Verder wordt in deze nota de wijze van prioritering weergegeven. Op basis van jaarlijks vast te stellen uitvoeringsprogramma's vindt vervolgens het uitvoeren van toezicht en daadwerkelijke handhaving plaats.

Bij het overtreden van de regels van het bestemmingsplan/beheersverordening kan het college de volgende sanctionerende maatregelen toepassen: bestuursrechtelijke handhaven (bestuursdwang of dwangsom) of strafrechtelijk handhaven (economisch delict).

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Ingevolge het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting van een beheersverordening inzicht te worden gegeven over de uitvoerbaarheid van het plan. Hiermee wordt mede de financieel economisch uitvoerbaarheid bedoeld."


Deze beheersverordening betreft zoals de naam al zegt een beheerplan, waarin enkel de bestaande situatie en het geldende recht is overgenomen. Er zijn geen nieuwe ontwikkelingen in dit plan opgenomen. De beheersverordening heeft derhalve geen financiële gevolgen. Het is daarom ook niet nodig een exploitatieplan vast te stellen.

Hoofdstuk 7 Overleg en Procedure

7.1 Gevoerd overleg

De beheersverordening wordt in verband met het vooroverleg naar diverse instanties gestuurd.

7.2 Procedurestappen

De beheersverordening kent de volgende procedurestappen:

7.2.1 Ontwerp

Een beheersverordening kan wettelijk direct door de gemeenteraad worden vastgesteld. De gemeente Heerlen hanteert echter de gemeentelijke inspraakverordening waardoor aan eenieder de mogelijkheid wordt geboden een inspraakreactie in te dienen.

De opgestelde ontwerp-beheersverordening is aangeboden aan de vooroverleg instanties. Tegelijkertijd heeft de ontwerp-beheersverordening met ingang van 12 september gedurende zes weken ter inzage gelegen met de mogelijkheid tot inspraak bij de gemeenteraad. Binnen de termijn zijn zeven inspraakreacties binnengekomen.

Een samenvatting van de reacties en de beantwoording daarvan zijn opgenomen in het 'Verslag van de inspraak inzake het ontwerp van de beheersverordening “Snipperlocaties”'. Deze is als bijlage bij deze beheersverordening gevoegd.

Naast de aanpassingen naar aanleiding van de inspraakreacties hebben enkele ambtshalve aanpassingen plaatsgevonden waaronder de inpassing van het geactualiseerde archeologiebeleid. In het 'Verslag van de inspraak inzake het ontwerp van de beheersverordening “Snipperlocaties”' zijn ook de ambtshalve aanpassingen aan de beheersverordening aangegeven.

7.2.2 Vastgesteld

De gemeenteraad stelt de beheersverordening vast. De ingediende inspraakreacties kunnen leiden tot een gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp.

Bijlagen bij de toelichting