direct naar inhoud van Artikel 3 Bedrijf
Plan: Bedrijventerrein Enschotsebaan
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0855.BSP2009002-e001

Artikel 3 Bedrijf

3.1 Bestemmingsomschrijving
3.1.1 Functie

De voor ´Bedrijf´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten onder de categorieën 2 tot en met 3.2, met uitzondering van inrichtingen als bedoeld in art. 41 Wet Geluidhinder juncto artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer van de Wet Milieubeheer en inrichtingen vallende onder artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen, met dien verstande dat:
    • 1. de maximaal toegestane categorie op de verbeelding is opgenomen;
    • 2. de bedrijfspercelen een oppervlakte hebben van minimaal 1.000 m2 en maximaal 5.000 m2, tenzij anders aangeduid op de verbeelding met de maatvoeringsaanduiding "maximale oppervlakte bedrijfsperceel (m2)" aangegeven maximale oppervlakte.
  • b. opslagen en installaties uit het onderdeel ´Opslagen en Installaties´ van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan, voorzover de feitelijke afstand van de opslagen voor geur, stof, geluid en gevaar overeenkomt met die in de tabel ten opzichte van woningen van derden;
  • c. bouwwerken van algemeen nut;
  • d. gebiedsontsluitingswegen.
3.1.2 Bijbehorende voorzieningen

De voor ´Bedrijf´ aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor:

  • a. kantines en restauratieve voorzieningen;
  • b. kantoorruimten, zijnde maximaal 20 % van het bedrijfsvloeroppervlakte per bouwperceel;
  • c. productiegebonden detailhandel, met uitzondering van detailhandel in voedings- en genotmiddelen zijnde maximaal 20 % van de bedrijfsvloeroppervlakte per bouwperceel.
  • d. bouwwerken, geen gebouw zijnde;
  • e. parkeer-, stallings- en verkeersvoorzieningen;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. aan- en uitbouwen en bijgebouwen;
  • h. tuinen en erven;
  • i. objecten voor beeldende kunst;

voor zover deze behoren bij en ondergeschikt zijn aan de onder 3.1.1 en genoemde functies.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen

Bestaande bebouwing welke krachtens een bouwvergunning is opgericht en in overeenstemming is met de bestemming volgens dit plan, maar afwijkend van één of meer bebouwingsregels, wordt geacht aan het plan te voldoen. Hieronder wordt tevens vergunde bebouwing verstaan, die nog moet worden opgericht.

3.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. het bebouwingspercentage mag binnen het bouwperceel niet meer bedragen dan het op de verbeelding aangegeven maximum;
  • c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan het op de verbeelding met de maatvoeringsaanduiding aangegeven maximum;
  • d. de goothoogte mag niet meer bedragen dan het op de verbeelding met de maatvoeringsaanduiding aangegeven maximum;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'voorgevelrooilijn' dient de voorgevel van de hoofdbebouwing in deze lijn gesitueerd te worden;
  • f. de afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens dient aan één zijde minimaal 7 m te bedragen;
  • g. de afstand van gebouwen tot de achterste perceelsgrens dient minimaal 2 m te bedragen;
  • h. het bouwen van ondergrondse bouwwerken is toegestaan.
3.2.3 Bouwwerken van algemeen nut

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken van algemeen nut mogen binnen het gehele bestemmingsvlak worden opgericht;
  • b. de maximale hoogte van bouwwerken van algemeen nut bedraagt 3,5 m;
  • c. de maximale oppervlakte van bouwwerken van algemeen nut bedraagt 50 m².
3.2.4 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de aanduiding 'voorgevelrooilijn' niet meer dan 1 m mag bedragen;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer dan 10 m bedragen.
3.2.5 Parkeren
  • 1. Parkeren dient te geschieden op eigen terrein conform de regels van de gemeentelijke bouwverordening.
  • 2. Bij de realisering van een bedrijf dient te worden voorzien in de noodzakelijke parkeervoorzieningen met inachtneming van de normen zoals opgenomen in de geldende gemeentelijke bouwverordening.
3.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, met inachtneming van de procedureregels in 23.1nadere eisen te stellen ten aanzien van:

  • a. de situering, bouwtechnische inrichting en afmeting van gebouwen, bouwwerken van algemeen nut en bouwwerken geen gebouw zijnde ten behoeve van:
    • 1. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de verkeersveiligheid;
    • 3. de sociale veiligheid;
    • 4. de brandveiligheid in verband met ligging nabij spoor en/of hoogspanningsleiding;
    • 5. de milieusituatie;
    • 6. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
  • b. werken ten behoeve van nutsvoorzieningen (waaronder kabels en leidingen), verkeers- en vervoersvoorzieningen en groenvoorzieningen ten behoeve van:
    • 1. de brandveiligheid;
    • 2. de milieusituatie;
    • 3. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
3.4 Ontheffing van de bouwregels
3.4.1 Ontheffingsmogelijkheden

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met inachtneming van de procedureregels in artikel 23.1 en de ontheffingsvoorwaarden in 3.4.2 ontheffing te verlenen van:

  • a. het bepaalde in artikel 3.2.2 onder a voor bouwen buiten het bouwvlak ten behoeve van entrees, overstekende daken, draagconstructies van de gebouwen, luifels, (draagconstructies van) reclame en hieraan gelijk te stellen voorzieningen;
  • b. het bepaalde in 3.2.4 onder a voor de hoogte en situering van erfafscheidingen in het onbebouwd erf tot een hoogte van maximaal 3 m;
3.4.2 Ontheffingsvoorwaarden

De in artikel 3.4.1 genoemde ontheffingen kunnen slechts worden verleend, mits:

  • a. dit vanuit het oogpunt van de bedrijfsvoering, de bedrijfspresentatie, de constructie of verschijning van het gebouw of de aard van het bedrijf noodzakelijk is;
  • b. de bebouwingskarakteristiek van de straat niet onevenredig wordt geschaad;
  • c. gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden beperkt;
  • d. de brandveiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
  • e. de milieusituatie niet onevenredig wordt aangetast;
  • f. de sociale veiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
  • g. de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
  • h. de ruimtelijke inpasbaarheid is aangetoond.
3.5 Specifieke gebruiksregels
3.5.1 Strijdig gebruik

Tot een gebruik van gronden en bouwwerken strijdig met de bestemming ´Bedrijf´, wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van gronden en bouwwerken anders dan genoemd in artikel 3.1;
  • b. het gebruik van gronden en bouwwerken als geluidshinderlijke inrichting of risicovolle inrichting;
  • c. het gebruik van gronden en bouwwerken voor bewoning;
  • d. het gebruik van gronden en bouwwerken voor zelfstandige kantoren of zelfstandige kantoorruimten, anders dan bedoeld in 3.1.2 sub b;
  • e. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, anders dan bedoeld in artikel 3.1.2 sub c;
  • f. het storten van puin en afvalstoffen, tenzij deze ter realisering en/of handhaving van de bestemming is;
  • g. opslag van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten bouwmaterialen, werktuigen, machines en onderdelen hiervan, tenzij deze ter realisering en/of handhaving van de bestemming dient;
  • h. opslag van gebruiksklare of onklare voer- en vaartuigen of onderdelen daarvan, tenzij deze ter handhaving van de bestemming dient;
  • i. het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens.
3.5.2 Ontheffing milieucategorie

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met inachtneming van de procedureregels in artikel 23.1 ontheffing te verlenen van:

  • a. het bepaalde in 3.1.1 sub a voor het de uitoefening van een bedrijf of een activiteit die niet voorkomt in de tot het plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten, maar die naar aard en invloed op de omgeving overeenkomt met de toegelaten milieucategorieën;
  • b. het bepaalde in artikel 3.1.1 sub a voor de uitoefening van een bedrijf of activiteit die in de Staat van Bedrijfsactiviteiten is vermeld in een categorie die niet is toegestaan op het betreffende perceel, tot maximaal twee categorieën hoger en niet hoger dan categorie 4.1, mits door of namens de aanvrager of andere betrokkenen gemotiveerd wordt onderbouwd dat:
    • 1. de activiteit naar aard en omvang passend is in de omgeving;
    • 2. de activiteit uit milieutechnisch oogpunt inpasbaar is;
    • 3. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden beperkt.
3.5.3 Ontheffing nieuwvestiging autowasplaats

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met inachtneming van de procedureregels in artikel 23.1 ontheffing te verlenen van het bepaalde in artikel 3.1 voor de vestiging van een autowasplaats, mits:

  • a. de verkeersdoorstroming op de openbare weg niet gehinderd wordt;
  • b. de verkeersveiligheid niet wordt aangetast;
  • c. het stedenbouwkundige beeld niet onevenredig wordt aangetast.
3.5.4 Ontheffing voor meest doelmatig gebruik

Burgemeester en wethouders verlenen met inachtneming van de procedureregels in artikel 23.1ontheffing van het bepaalde in artikel 3.5.1 indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.