direct naar inhoud van Artikel 16 Waarde - Archeologie
Plan: Bedrijventerrein Enschotsebaan
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0855.BSP2009002-e001

Artikel 16 Waarde - Archeologie

16.1 Bestemmingsomschrijving
16.1.1 Functie

De voor ´Waarde - Archeologie´ aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemming(en) (basisbestemmingen), tevens bestemd voor bescherming van en onderzoek naar aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.

16.2 Bouwregels
16.2.1 Bouwen ten behoeve van de bestemming

Op en in de tot ´Waarde - Archeologie´ aangewezen gronden mogen ten behoeve van de in 16.1.1bedoelde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn.

16.2.2 Bouwen ten behoeve van de andere bestemmingen

Op en in de tot 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden mag ten behoeve van de andere voor die gronden aangewezen bestemming(en) (basisbestemmingen), met inachtneming van de daarvoor geldende regels, uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betreft:

  • a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing op de bestaande plaats, waarbij de oppervlakte op of onder peil niet wordt vergroot;
  • b. een bouwwerk dat wordt gebouwd zonder graaf- en/of heiwerkzaamheden die dieper gaan dan 0,5 meter onder peil;
  • c. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 100 m²;
  • d. een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 100 m², mits:
  • 1. de aanvrager van de bouwvergunning een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgermeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, en;
  • 2. de aanwezige archeologische waarden, gelet op het onder 1 bedoelde rapport, door het bouwen niet wezenlijk worden geschaad, met dien verstande dat ter voorkoming van mogelijke schade aan de vergunning de volgende verplichtingen kunnen worden verbonden:
  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de aanwezige archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen, en/of;
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij vergunning te stellen kwalificaties.
16.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering, de inrichting en het gebruik van de gronden aangewezen voor 'Waarde - Archeologie', indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn.

16.4 Aanlegvergunning
16.4.1 Aanlegvergunningplicht

Behoudens het bepaalde in lid 16.4.2, is het verboden op of in bovengenoemde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, over een oppervlakte van 500 m² of meer, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemming(en):

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend het (af)graven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, heiwerkzaamheden en aanleggen van drainage, dieper dan 0,5 meter onder peil;
  • b. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, dieper dan 0,5 meter onder peil;
  • c. het aanleggen of rooien van diepwortelende beplanting of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • d. het aanleggen van ondergrondse transpoort-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, instalaties of apaaratuur;
16.4.2 Uitzonderingen

Het in 16.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan danwel krachtens een reeds verleende vergunning;
  • b. het normale onderhoud betreffen;
  • c. in het kader van het uitvoeren van een bouwplan als bedoeld in sublid 16.2.2;
  • d. in het kader van het uitvoeren van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige.
16.4.3 Voorwaarden verlenen aanlegvergunning

De in 16.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien:

  • 1. de aanvrager van de vergunning een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgermeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, en;
  • 2. de aanwezige archeologische waarden, gelet op het onder 1 bedoelde rapport, door het bouwen niet wezenlijk worden geschaad, met dien verstande dat ter voorkoming van mogelijke schade aan de vergunning de volgende verplichtingen kunnen worden verbonden:
  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de aanwezige archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen, en/of;
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij vergunning te stellen kwalificaties.
16.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd voor wat betreft de gronden met de bestemming ´Waarde-Archeologie´ het plan te wijzigen in die zin door de bestemming ´Waarde-Archeologie´ geheel of gedeeltelijk te verwijderen, indien:

  • a. uit nader onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;
  • b. het niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan voorziet in bescherming van deze waarden.