direct naar inhoud van Artikel 10 Wonen
Plan: Bedrijventerrein Enschotsebaan
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0855.BSP2009002-e001

Artikel 10 Wonen

10.1 Bestemmingsomschrijving
10.1.1 Functie

De voor ´Wonen´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen, met dien verstande dat de bouwpercelen minimaal 750 m2 en maximaal 3.500 m2 bedragen;
  • b. bouwwerken van algemeen nut;
  • c. parkeer-, stallings- en verkeersvoorzieningen;
  • d. groen-, water- en speelvoorzieningen.
10.1.2 Bijbehorende voorzieningen

De voor ´Wonen´ aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor:

  • a. aan- en uitbouwen en bijgebouwen;
  • b. tuinen en erven;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • d. kantines / restauratieve voorzieningen;
  • e. objecten voor beeldende kunst;
10.1.3 Aanduidingen

Ter plaatse van de aanduiding:

  • a. erf (e) zijn de voor ´Wonen´ aangewezen gronden mede bestemd voor erf;
  • b. specifieke vorm van wonen - voorzieningen (sw-vo) zijn de voor ´Wonen´ aangewezen gronden mede bestemd voor:
    • 1. de uitoefening van beroepsmatige activiteiten
    • 2. bedrijvigheid die is genoemd is in Bijlage 3 'Staat van Bedrijfsactiviteiten' tot maximaal milieucategorie 2 tenzij anders op de verbeelding aangegeven, met uitzondering van inrichtingen als bedoeld in artikel 41 Wet Geluidhinder juncto artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer van de Wet milieubeheer, met dien stande dat er sprake is van grondgebonden gebouwen;
    • 3. kantoren tot maximaal 250 m2 b.v.o.;
    • 4. recreatie en sport;
    • 5. zorg- en dienstverlening (zakelijk en persoonlijk);

voor zover deze behoren bij en ondergeschikt zijn aan de onder 10.1.1 onder a genoemde functie.

10.2 Bouwregels
10.2.1 Algemeen

Bestaande bebouwing welke krachtens een bouwvergunning is opgericht en in overeenstemming is met de bestemming volgens dit plan, maar afwijkend van één of meer bebouwingsregels, wordt geacht aan het plan te voldoen. Hieronder wordt tevens vergunde bebouwing verstaan, die nog moet worden opgericht.

10.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende algemene regels:

  • a. hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woningen worden gebouwd;
  • c. woningen mogen een inhoud hebben van maximaal 1.000 m3;
  • d. in afwijking van het bepaalde onder a. mogen ondergeschikte delen van een bouwwerk, voor zover gelegen binnen het bestemmingsvlak, het bouwvlak overschrijden;
  • e. ten minste 40% van de voorgevel van het hoofdgebouw moet in de voorgevelrooilijn worden gebouwd;
  • f. de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens dient minimaal 5 m te bedragen;
  • g. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan het op de verbeelding aangegeven maximum;
  • h. het bouwen van ondergrondse bouwwerken is toegestaan.
10.2.3 Bijgebouwen ten behoeve van specifieke vorm van wonen - voorzieningen (sw-vo)

Voor bijgebouwen ten behoeve van voorzieningen gelden de volgende regels:

  • a. bijgebouwen ten behoeve van voorzieningen mogen uitsluitend worden opgericht in het erf en achter de achtergevelrooilijn;
  • b. maximaal 50% van de perceelsbreedte mag worden bebouwd voor bijgebouwen ten behoeve van bedrijvigheid tot een maximum van 750 m2;
  • c. de afstand van bijgebouwen ten behoeve van bedrijvigheid tot de zijdelingse perceelsgrens dient minimaal 5 m aan één zijde te bedragen, met dien verstande dat de zijde die grenst aan het openbaar gebied vrij dient te blijven van bebouwing;
  • d. de afstand van bijgebouwen ten behoeve van bedrijvigheid tot de achterste perceelsgrens dient minimaal 2 m te bedragen;
  • e. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m, met dien verstande dat vanaf 3 meter in de perceelsgrens een afschuiningshoek van 45º in acht moet worden genomen.
10.2.4 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen van wonen

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. aan- en uitbouwen ten behoeve van wonen mogen uitsluitend in het erf en in het bouwvlak worden opgericht, met dien verstande dat wanneer deze bouwwerken binnen het bouwvlak worden gebouwd, de afstand tot de (verlengde) voorgevel van het hoofdgebouw minimaal 3 m moet bedragen;
  • b. aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten behoeve van wonen mogen uit maximaal 1 bouwlaag bestaan;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen op het bouwperceel mag niet meer bedragen dan 40% van de oppervlakte van het onbebouwde gedeelte van het bouwperceel, dat is gelegen 3 m achter de voorgevel van de woning, tot een maximum van 60 m2;
  • d. ten aanzien van de hoogte:
    • 1. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen met een platte afdekking mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van de hoofdbebouwing vermeerderd met een dakconstructie van maximaal 0,50 m, met een maximale totale hoogte van 4,5 m;
    • 2. de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen met een platte afdekking mag ten hoogste 3 m bedragen, tenzij anders op de verbeelding aangegeven;
    • 3. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen met een schuine kap mag ten hoogste 3 m bedragen en de en de bouwhoogte ten hoogste 6 m waarbij de afschuiningshoek maximaal 45 ° mag bedragen, tenzij anders op de verbeelding is aangegeven. Deze afschuining geldt niet in die gevallen waarbij op het naastgelegen perceel in de perceelsscheiding al een gebouw met een zelfde of hogere hoogte aanwezig is dan wel gelijktijdig wordt opgericht.
10.2.5 Bouwwerken van algemeen nut

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken van algemeen nut mogen binnen het gehele bestemmingsvlak worden opgericht met uitzondering van de gronden gelegen voor de (verlengde) voorgevelrooilijn;
  • b. de maximale hoogte van bouwwerken van algemeen nut bedraagt 3,5 m;
  • c. de maximale oppervlakte van bouwwerken van algemeen nut bedraagt 50 m².
10.2.6 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien overstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn niet meer dan 1 m mag bedragen;
  • b. (openlucht) zwembaden, vijvers en daarmee gelijk te stellen bij een tuin behorende voorzieningen mogen worden opgericht, met dien verstande dat de totale oppervlakte niet meer mag bedragen dan 40% van het bouwperceel en de hoogte niet meer mag bedragen dan 0,5 m;
  • c. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde mag niet meer dan 3 m bedragen met dien verstande dat de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde vóór de voorgevelrooilijn niet meer dan 1 m mag bedragen.
10.2.7 Parkeren
  • 1. Parkeren dient te geschieden op eigen terrein.
  • 2. Bij de realisering van een woning dient te worden voorzien in de noodzakelijke parkeerplaatsen, met inachtneming van de normen zoals opgenomen in de geldende gemeentelijke bouwverordening.
  • 3. Bij de realisering van een werkkavel dient te worden voorzien in de noodzakelijke parkeervoorzieningen op eigen terrein achter de voorgevelrooilijn, met inachtneming van de normen zoals opgenomen in de geldende gemeentelijke bouwverordening.
10.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, met inachtneming van de procedureregels in 23.1nadere eisen te stellen ten aanzien van:

  • a. de situering en afmeting van gebouwen, bouwwerken van algemeen nut en bouwwerken geen gebouw zijnde ten behoeve van:
    • 1. een samenhangende straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de verkeersveiligheid;
    • 3. de sociale veiligheid;
    • 4. de brandveiligheid;
    • 5. de milieusituatie;
    • 6. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
  • b. werken ten behoeve van nutsvoorzieningen (waaronder kabels en leidingen), verkeers- en vervoersvoorzieningen en groenvoorzieningen ten behoeve van:
    • 1. de brandveiligheid;
    • 2. de milieusituatie;
    • 3. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
10.4 Ontheffing van de bouwregels
10.4.1 Ontheffing t.b.v. bouwen in het bouwvlak

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met inachtneming van de procedureregels in artikel 23.1 en de ontheffingsvoorwaarden in 10.4.3 ontheffing te verlenen van:

  • a. het bepaalde in 10.2.2 onder f ten behoeve van:
    • 1. de met de maatvoeringsaanduiding aangegeven goothoogte van hoofdgebouwen in de achtergevelrooilijn, onder voorwaarde dat de goothoogte niet meer mag bedragen dan eenmaal de helft van de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, vermeerderd met 1 m, met een maximum van 11 m. Bij het ontbreken van een tegenoverliggende achtergevelrooilijn geldt een maximum van 11 m;
    • 2. de met de maatvoeringsaanduiding aangegeven goothoogte van hoofdgebouwen in de voorgevelrooilijn, onder voorwaarde dat de goothoogte niet meer mag bedragen dan eenmaal de afstand tot de tegenoverliggende voorgevelrooilijn, vermeerderd met 1 m, met een maximum van 11 m. Bij het ontbreken van een tegenoverliggende voorgevelrooilijn geldt een maximum van 11 m.
10.4.2 Ontheffing t.b.v. bouwen in het erf

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, met inachtneming van de procedureregels in 23.1 en met de ontheffingsvoorwaarden in 10.4.3, voor bouwen in het erf ontheffing te verlenen van:

  • a. het bepaalde in 10.2.4 onder c voor het bouwen van afhankelijke woonruimte ten behoeve van mantelzorg met inachtneming van het bepaalde in 10.5.2,met dien verstande dat 15 m2aaneengesloten onbebouwd terrein op het bouwperceel aanwezig blijft met een maximum van:
    • 1. 80 m2 mits de oppervlakte van het erf kleiner is dan 500 m2;
    • 2. 100 m2 mits de oppervlakte van het erf groter is dan 500 m2 en indien de volledige woonfunctie (woon-/eetkamer, keuken, badkamer, slaapkamer) op de begane grond wordt gesitueerd;
  • b. van het bepaalde in 10.2.6 voor de opgenomen maximum hoogte voor andere bouwwerken geen gebouw zijnde tot een maximum hoogte van 5 m, voor antennes die van de voet af gemeten een hoogte hebben van meer dan 5 m, respectievelijk antennes, voor zover gelegen achter een woning of een ander gebouw, met een doorsnede groter dan 2 m en een hoogte van meer dan 3 m, gemeten vanaf het aansluitend terrein;
  • c. het bepaalde in 10.2.6 onder b, voor vlaggenmasten in het erf tot een hoogte van maximaal 10 m;
  • d. het bepaalde in 10.2.6 onder a, voor bouwwerken ten behoeve van gevelrenovatie met een maximum van 0,10 m;
  • e. het bepaalde in 10.2.2 onder a, voor erkers met dien verstande dat:
    • 1. op de begane grond:
      • de breedte maximaal 2/3 deel van de breedte van de voorgevel bedraagt,
      • de diepte maximaal 1,5 m bedraagt,
      • de hoogte één bouwlaag betreft of maximaal 3 m;
    • 2. op de eerste verdieping al dan niet in combinatie met bebouwing op de begane grond:
      • de breedte bedraagt maximaal 2/3 deel van de breedte van de voorgevel,
      • de diepte bedraagt maximaal 0,90 m en
      • de hoogte bedraagt -inclusief begane grond- maximaal 2 bouwlagen;
    • 3. de uitbouw transparant moet worden uitgevoerd;
    • 4. op de perceelsscheiding dan wel op maximaal 2 m uit de perceelsscheiding sprake kan zijn van een ondoorzichtige wand;
  • f. het bepaalde in 10.2.2 onder a, voor balkons en galerijen van maximaal 1,5 m diepte;
  • g. het bepaalde in 10.2.2 onder a, voor trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten en hijsinrichtingen;
  • h. het bepaalde in 10.2.2 onder d sub tot een afstand van minimaal 5 meter van de achterste perceelsgrens;
  • i. het bepaalde in 10.2.2 onder e tot een afstand van minimaal 3 meter van de zijdelingse perceelsgrens.
10.4.3 Ontheffingsvoorwaarden

Ontheffing als bedoel onder lid 10.4 sub 1 t/m 3 van dit artikel wordt slechts verleend indien:

  • a. de bebouwingskarakteristiek niet onevenredig wordt aangetast;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden beperkt;
  • c. de brandveiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
  • d. de milieusituatie niet onevenredig wordt aangetast;
  • e. de sociale veiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
  • f. de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
  • g. de ruimtelijke inpasbaarheid is aangetoond;
  • h. vanuit stedenbouwkundig oogpunt in beginsel rekening wordt gehouden met eventuele zichthoeken vanuit belendende percelen.
10.5 Specifieke gebruiksregels
10.5.1 Strijdig gebruik

Tot een gebruik van gronden en bouwwerken strijdig met de bestemming ´Wonen´, wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;
  • b. het gebruik van gronden en bouwwerken anders dan genoemd in artikel 10.1;
  • c. het storten van puin en afvalstoffen, tenzij deze ter realisering en/of handhaving van de bestemming is;
  • d. opslag van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten bouwmaterialen, werktuigen, machines en onderdelen hiervan, tenzij deze ter realisering en/of handhaving van de bestemming is;
  • e. opslag van gebruiksklare of onklare voer- en vaartuigen of onderdelen daarvan;
  • f. het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens.
10.5.2 Ontheffing van het gebruik ten behoeve van mantelzorg

Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van de procedureregels in 23.1 , ontheffing verlenen van het bepaalde in 10.5.1 ten behoeve van het tijdelijk in gebruik nemen van een (vrijstaand) bijgebouw als afhankelijke woonruimte, mits:

    • 1. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg;
    • 2. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonende en bedrijven;
    • 3. de maximale oppervlakte welke in aanmerking komt voor afhankelijke woonruimte 80 m² bedraagt. In uitzonderlijke gevallen kan deze worden vergroot tot 100 m2 mits de oppervlakte van het erf groter is dan 500 m2 en indien de volledige woonfunctie (woon-/eetkamer, keuken, badkamer, slaapkamer) op de begane grond wordt gesitueerd;
  • g. Burgemeester en wethouders trekken de ontheffing, verleend op grond van 10.5.1 in, indien de bij het verlenen van de ontheffing bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is.
10.5.3 Ontheffing van het gebruik ten behoeve van maatschappelijke instellingen

Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van de procedureregels in 23.1ontheffing verlenen van het bepaalde in 10.5.1 ten behoeve van maatschappelijke instellingen, mits:

  • 1. gemotiveerd kan worden aangetoond dat er vanuit externe veiligheid geen belemmeringen zijn en;
  • 2. het gebouw voor maatschappelijke instellingen voldoet aan de bouwregels zoals genoemd in artikel 10.2.3.
10.5.4 Ontheffing voor meest doelmatig gebruik

Burgemeester en wethouders verlenen ontheffing van het bepaalde in artikel 10.1.1 onder f indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.