direct naar inhoud van 3.3 Beleid gemeentelijk niveau
Plan: Buitengebied West
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0855.BSP2008023-e001

3.3 Beleid gemeentelijk niveau

Tilburg, Stad van Contrasten: Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020 (2004)

In de Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg wordt in relatie tot het buitengebied in algemene zin het volgende ruimtelijke thema gesteld: Tilburg stad in het landschap. Hierin staat de keuze voor behoud van het buitengebied voor natuur, recreatie en landbouw en het intensief bouwen in de bestaande stad centraal. Op de plankaart Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020 geldt voor het gebied Wijkevoort ten westen van de Hultensche Leij de aanduiding 'gemengd nieuw gebied'. Op grond van de lagenbenadering komt volgens de structuurvisie dit gebied in aanmerking voor verdere verstedelijking. De aanwezigheid van het vliegveld Gilze-Rijen vormt echter door de aanwezige geluidzonering een belemmering voor (woon)bebouwing in dit gebied. Het beekdal van de Hultensche Leij en (een deel van) de N260 zijn aangeduid als groenrelatie. Het bosgebied ten oosten van de Hultense weg is aangeduid als Groene Mal project. Het plangebied dat gelegen is ten oosten van de Hultensche Leij is aangeduid als AHS-landbouw.

Kadertoelichting Noordwesttangent (2001)

In de kadertoelichting Noordwesttangent (oktober 2001) staat het beleid voor de aanleg van de Noordwestelijke rondweg beschreven. De kadertoelichting is opgenomen in de 3 nieuwe bij de tangent benodigde bestemmingsplannen nl. voor gedeelte Bredaseweg-Dalem Zuid, gedeelte Vossenberg West - Spinder en Natuurcompensatie Vossenberg West - Spinder.

De gemeente Tilburg heeft het initiatief genomen tot de aanleg van de Noordwesttangent en het eventueel op termijn mogelijk maken van de spoorlijn Vossenberg-Spinder. De Noordwesttangent is een circa 13 kilometer lange tangentiële autoweg aan de noord- en westrand van de stad. Samen met de Noordoosttangent wordt een doorgaande ringstructuur rondom de stad Tilburg gevormd die aanhaakt op de A58 en A65. De Noordwesttangent beoogt de bereikbaarheid van de aan de noordzijde van Tilburg gelegen bedrijventerreinen te verbeteren en de druk op het bestaande ringbanenwegstelsel te verminderen. Daarnaast dient de Noordwesttangent voor de ontsluiting van de westelijke stadsuitbreiding Reeshof.

De aanleg van de Noordwesttangent heeft consequenties voor de natuur- en landschapswaarden rond de stad Tilburg. Eventuele aantasting van deze waarden is niet mogelijk, tenzij sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en na onderzoek van ruimtelijke alternatieven. Indien aantasting onvermijdelijk blijkt, dient deze te worden gemitigeerd en/of gecompenseerd.

De gemeente Tilburg acht het zwaarwegend maatschappelijk belang van de aanleg van de Noordwesttangent om diverse redenen aangetoond. Zo dienen beide infrastructurele werken onder meer ten behoeve van de leefbaarheid en economische ontwikkeling van Tilburg. In de Nut en Noodzaakstudie Noordwesttangent (oktober 2001) is met name de verkeerskundige noodzaak aangetoond. In het Milieu-effectrapport Noordwesttangent Tilburg en Spoorlijn Spinder 1999 zijn ruimtelijke alternatieven (tracé-alternatieven) onderzocht en op hun effecten voor natuur en landschap beoordeeld.

Daarbij is een indicatie gegeven van de bijbehorende compensatieverplichting, die nader uitgewerkt is (inclusief zoekgebieden voor compensatie) in het Masterplan Natuurcompensatie Noordwesttangent 1998. Voor het vastgestelde voorkeurstracé voor de Noordwesttangent zijn de effecten op natuur en landschap nauwkeuriger in beeld gebracht, evenals de wijze waarop en waar compensatie plaats zou moeten kunnen vinden (Natuurcompensatieplan Noordwesttangent, maart 2001), (Landschapsplan Noordwesttangent, maart 2001). Inmiddels zijn de bestemmingsplannen Noordwesttangent gedeelte Vossenberg West - Spinder en Noordwesttangent compensatie Vossenberg West - Spinder deel 1 onherroepelijk geworden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2008023-e001_0009.jpg"

Overzichtskaart plangrens in relatie tot Bestemmingsplan Noordwesttangent en Bestemmingsplan Noordwesttangent, Natuurcompensatie


Bestemmingsplan Noordwesttangent, A58-Bredaseweg

De hiervoor beschreven Kadertoelichting Noord-westtangent maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan Noordwesttangent, A58-Bredaseweg. De gemeente Tilburg is momenteel bezig met de realisatie van deze zogenaamde Noordwesttangent, tussen Rijksweg A58 (afslag Gilze) in het zuidwesten en de Midden Brabantweg in het noorden. Hier sluit de weg aan op de bestaande Noordoosttangent.

Het bestemmingsplan Noordwesttangent, A58-Bredaseweg biedt het planologisch-juridische kader voor de aanleg en landschappelijke inpassing van het meest zuidelijke gedeelte van de Noordwesttangent. Dit is het weggedeelte A58 - Bredaseweg. Het Bestemmingsplan Noordwesttangent, A58-Bredaseweg (plangebied is weergegeven in een grijze tint) maakt geen deel uit van dit bestemmingsplan Buitengebied West. Op bijgaande afbeelding is het vigerende Bestemmingsplan Noordwesttangent zichtbaar evenals de buitenste begrenzing van het plangebied van dit bestemmingsplan Buitengebied West.

Bestemmingsplan Noordwesttangent, natuurcompensatie

Dit bestemmingsplan biedt het planologisch-juridische kader voor de ontwikkeling van ruim 10 hectare nieuw natuurgebied (bos), voor ongeveer de helft als compensatie voor niet te vermijden schade aan bestaande natuur- en landschapswaarden door de aanleg van het gedeelte A58 - Bredaseweg van de Noordwesttangent. De compensatietaak voor dit gedeelte van de Noordwesttangent omvat in totaal 4,82 hectare, daarbij inbegrepen een herplantverplichting in het kader van de Boswet van 0,6 hectare. Het geheel past als stapsteen en verbindingszone in de Groene Mal rondom Tilburg. De extra hectares dienen te worden gezien in het kader van het reguliere Groene Mal - beleid. Het plangebied bestaat uit agrarische grond (bouwland) direct ten zuidoosten van de kruising van de Noordwesttangent met de Bredaseweg. Het plangebied van het bestemmingsplan Noordwesttangent, natuurcompensatie wordt opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied West. Dit plangebied is weergegeven op bijgaande afbeelding.

Kadernota Groene Mal

In de Kadernota Groene Mal (door de gemeente vastgesteld op 14 januari 2002) is het beleid ten behoeve van behoud en ontwikkeling van een duurzaam functionerende ecologische structuur in de gemeente Tilburg uiteengezet. De nota is een gezamenlijk product van de gemeente Tilburg, milieu- en natuurorganisaties (BMF, BL, NM en WNM), zuidelijke land- en tuinbouworganisatie, waterschappen en provincie onder het motto 'samen oplossingen zoeken' in het spanningsveld tussen groene ruimte en groeiende stad.

Doel is gezamenlijk een Groene Mal te ontwikkelen en afspraken te maken over het behoud en de ontwikkeling hiervan tot 2015. Onder de Groene Mal wordt verstaan: 'de ruimtelijke weergave van een robuuste duurzame samenhangende ecologische structuur rondom de stad Tilburg en de kernen Berkel-Enschot en Udenhout welke sturend is voor de (stedelijke) ruimtelijke plannen'.

Belangrijke delen van de Groene Mal behoren tot de provinciale EHS/GHS. Het is een casco waarin alle actuele en potentiële groengebieden in Tilburg zijn opgenomen. Met name de ecologische verbindingen tussen bestaande bos- en natuurgebieden worden sterk aangezet. Doel van de Groene Mal is de verstedelijking te sturen en aantasting van natuurgebieden zoveel mogelijk te voorkomen. Onvermijdbare incidentele ingrepen zullen gecompenseerd worden waartoe in de Groene Mal ruimte is opgenomen.

De kadernota bestaat uit 3 delen. Deel A beschrijft het waarom van de Groene Mal in relatie tot het geldende groenbeleid. Deel B handelt over de opbouw van de Groene Mal (zie kaart). Deel C is de intentieovereenkomst die op 23 januari 2002 door alle samenwerkende partners is ondertekend. Daarin zijn onder meer de volgende afspraken vastgelegd over het behoud en de ontwikkeling van de Groene Mal tot 2015.

De beschrijving van het beschermingsbeleid uit de intentieovereenkomst is gehandhaafd, maar is inmiddels aangepast (vanwege de interimstructuurvisie). De vervangende tekst is overeengekomen in het bestuurlijke evaluatie-overleg Groene Mal van 22 maart 2004. De tekst is als volgt:

  • Bescherming

Voor de Groene Mal binnen de GHS gelden de beschermingsformules van de GHS conform de interimstructuurvisie. Voor de Groene Mal buiten de GHS moet veilig gesteld zijn dat zij:

- sturend is voor (stedelijke) ruimtelijke plannen en

- benut wordt voor de uitvoering van gemeentelijke natuurprojecten en natuurcompensatie (het laatste bij incidentele onvermijdbare aantasting van waarden van de Groene Mal) en

- de bescherming mag niet leiden tot extra (planologische) beperkingen aan de agrarische bedrijven of bedrijfsvoering.

De interimstructuurvisie onderscheidt binnen de GHS en AHS (Agrarische Hoofdstructuur) een groot aantal categorieën en subcategorieën. Deze komen in belangrijke mate ook voor binnen de begrenzing van de gemeentelijke Groene Mal-projecten, op de Kaart Groene Mal aangeduid als 'maatregelen gemeentelijk beleid GSP (+)' en 'maatregelen aanvullend beleid Groene Mal/natuurcompensatie'. Hierbij zijn de projecten gebiedsdekkend aangegeven (volledige benutting van het terrein voor natuurmaatregelen) of voorzien van een 'ruime jas'-aanduiding (natuurontwikkeling nader te situeren in samenhang met de landbouwfunctie). Binnen de begrenzing van deze gebieden gelden de beschermingsregimes van de (sub)categorieën GHS en AHS. Hiernaast gelden de voorwaarden dat de Groene Mal sturend is voor (stedelijke) ruimtelijke plannen, de Groene Mal benut wordt voor de uitvoering van gemeentelijke natuurprojecten en natuurcompensatie en de bescherming niet mag leiden tot extra (planologische) beperkingen aan agrarische bedrijven en bedrijfsvoering.

  • Compensatie

Op de Groene Mal is de beleidsregel Natuurcompensatie (Provincie Noord-Brabant, vastgesteld op 22 november 2005) van toepassing. De compensatie heeft bij aantasting buiten de provinciale GHS alleen betrekking op de uitvoering van gemeentelijke natuurprojecten. Het compensatiebeleid met betrekking tot de Groene Mal omvat aanvullend op het provinciale beleid de instelling van een Natuurfonds en de mogelijkheid onder voorwaarden compensatie uit te voeren voorafgaand aan de aantasting van natuurwaarden (compensatie-vooraf).

  • Bestemmingsplan

Het bestemmingsplan vormt het juridisch kader voor de realisering van de Groene Mal. Gedurende de periode van vastlegging in de bestemmingsplannen wordt bij twijfel over aantasting door een ingreep, een zorgvuldige afweging gemaakt in de (ambtelijke) werkgroep Groene Mal. De uitvoering van natuurmaatregelen mag niet leiden tot bestemmingsaanpassing van agrarische gronden in de directe omgeving.


De volgende tekst is overeengekomen in het bestuurlijke evaluatie-overleg Groene Mal van 22 maart 2004:

'De planologische doorvertaling van de GHS- en AHS-aanduiding binnen de begrenzing van de gemeentelijke Groene Mal-projecten valt onder het provinciale regime. Voor het overige geldt voor de gebieden een specifieke bescherming. Zo wordt in de toelichting van bestemmingsplannen ingegaan op de achtergrond en het beleid van de Groene Mal (proces, inhoud en doel).

In het grootste deel van deze gebieden wordt natuurontwikkeling beoogd en/of is natuurcompensatie -bij incidentele onvermijdbare aantasting van de Groene Mal- mogelijk.

Indien er nog geen concrete uitvoeringsplannen zijn, zodat wijziging naar een natuurbestemming binnen de planperiode niet reëel is, wordt op het renvooi van de bestemmingsverbeelding de aanduiding 'Onderdeel van de Groene Mal' (of in andere benaming) opgenomen. In de toelichting wordt zonder afbreuk aan de huidige bestemming te doen genoemd dat de op de verbeelding aangeduide gebieden onderdeel uitmaken van de Groene Mal. Deze gronden behoren tot een grotere ecologische structuur. De feitelijke bestemming (b.v. Agrarisch gebied) regelt het huidige gebruik. Er zijn geen (extra) beperkingen voor agrarische bedrijven of de agrarische bedrijfsvoering.

Zijn er wel concrete uitvoeringsplannen waarvan de uitvoering (nagenoeg) zeker is dan wordt in het bestemmingsplan voor de betreffende gronden een wijzigingsbevoegdheid naar een natuurbestemming opgenomen waarbij voorwaarde voor toepassing van deze bevoegdheid is dat de gronden eigendom zijn van de gemeente of een natuurbeherende instantie. Indien de gemeente of een natuurbeherende instantie reeds eigenaar van de gronden is wordt direct een natuurbestemming aan de gronden gegeven.

Voor gebieden Groene Mal waarvoor niet voorzien is in natuurontwikkeling en/of -compensatie geldt dat bestaande natuur- en landschapswaarden die de aanleiding voor opname in de Groene Mal vormen in stand blijven. Ook hier regelt de feitelijke bestemming (bijv. Agrarisch gebied) het huidige gebruik.'

  • Financiën

De gemeente stelt in beginsel jaarlijks de middelen beschikbaar voor de uitvoering van de natuurprojecten Groene Mal. Daarnaast worden bijdragen van derden verwacht.

De bestemmingen en ontwikkelingsmogelijkheden in dit bestemmingsplan Buitengebied West zijn in overeenstemming met het hiervoor beschreven beleid zoals opgenomen in de Kadernota Groene Mal en maken realisatie via een wijzigingsbevoegdheid mogelijk. Voor de gebieden is een concreet uitvoeringsplan en derhalve een agrarische bestemming met wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Deze agrarische bestemming met wijzigingsbevoegdheid is in het plangebied van toepassing voor 'Noodzakelijke verbinding' met nummer 15, voor zo ver deze verbinding nog niet is gerealiseerd in het kader van de natuurcompensatie Noordwesttangent. Deze compensatie is recent als bos gerealiseerd ten zuiden van de Bredaseweg en ten oosten van de aan te leggen Noordwesttangent. Het bos krijgt in het bestemmingsplan de bestemming 'Bos'.


Nota 'Grond voor het verleden' (2007)

Op 1 september 2007 is de wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee is het Verdrag van Malta uit 1992 in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Dit betekent onder meer het volgende:

  • 1. De introductie van het veroorzakersprincipe, waardoor de kosten van archeologisch onderzoek verhaald kunnen worden op de verstoorder;
  • 2. De verankering van de archeologische monumentenzorg in de ruimtelijke ordening.

Met de komst van de wet wijzigt het archeologiebestel in Nederland met name voor de overheidsorganen sterk. De nota 'Grond voor het verleden' is een beleidsplan voor het toekomstig Tilburgs archeologiebeleid alsmede een formalisering van het huidige interim-beleid. De nota richt zich op het aanreiken van beleidsregels en intenties betreffende het archeologisch erfgoed in Tilburg. Met de implementatie van dit beleid worden de instrumenten voor de uitvoer van en het toezicht op de Monumentenwet en de kwaliteitsborging (KNA) wettelijk vastgelegd. De gemeente heeft onder andere als taak de advisering bij bestemmingsplan- en ontheffingsprocedures en de selectie en waardering van voor te dragen gemeentelijke archeologische monumenten.

Uitwerking van de nota zal onder meer nog plaatsvinden in een gemeentelijke archeologische beleidskaart. In de toekomst kunnen, na gemeentelijke vaststelling van deze kaart, archeologische gebieden van deze beleidskaart worden overgenomen in het bestemmingsplan.

Bomen

Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen.

Om deze reden is de boomwaarde zoneringskaart (bwz-kaart) opgesteld. Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare bomen in het stedelijk gebied van de gemeente Tilburg. Op de bwz-kaart worden de boomzones die belangrijk zijn voor de structuur van de stad weergegeven; zones met bomen met een hoofdwaarde, nevenwaarde, basiswaarde of stadsecologie. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot kapvergunningen, onderhoud en beheer en straatbeeld. Door middel van de bwz-kaart wordt duidelijk waar er kansen liggen voor openbare bomen; bomen die op de bwz-kaart staan krijgen extra bescherming, intensiever onderhoud/beheer, bescherming tegen kap, herplantplicht e.d..

De bwz-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen in de bestaande stad waar huidige openbare bomen mee gemoeid zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2008023-e001_0010.png"

Boomwaarde zoneringskaart.

Openbare bomen die in een zone met een hoofdwaarde staan hebben een structuurbepalend karakter voor heel Tilburg en/of de stadsdelen en nemen een belangrijke plaats in in het stedelijk netwerk (qua karakter, identiteit en herkenningspunt). Het zijn bomen van stedelijk belang waar meer waarde aan wordt toegekend dan aan een 'normale' stadsboom. De openbare bomen met een hoofdwaarde krijgen alle kans om uit te groeien tot een duurzame en kwalitatief hoge bomenstructuur (maximale grootte moet bereikt kunnen worden/volgroeid). Boombehoud is het uitgangspunt. Het beheer, behoud en stedenbouwkundige projecten dienen hierop te worden afgestemd. Tevens is het uitgangspunt dat de boom in principe belangrijker is dan kabels, leidingen en overige infrastructuren. Indien mogelijk dienen kabels en leidingen te worden verlegd als deze in de weg liggen (zowel in huidige als nieuwe situaties). Op deze manier kan de boom behouden blijven. Vanwege de hoge waarde die wordt toegekend aan bomen die een hoofdwaarde hebben, vallen deze bomen altijd onder de bomenverordening. Dit houdt in dat voor openbare bomen met een hoofdwaarde altijd (ongeacht hun stamomtrek) een kapvergunning dient te worden aangevraagd. Of een boom waarvoor een kapvergunning is aangevraagd ook daadwerkelijk gekapt mag worden, wordt vervolgens beoordeeld door de toetser van de kapaanvraag. Er moeten echter wel gegronde, zeer zwaarwegende, maatschappelijke redenen zijn om een boom met een hoofdwaarde te kappen. Andere oplossingen/alternatieven (zoals bijv. het omleggen van kabels en leidingen, het aanpassen van een ontwerp van een gebied, het direct onder de boom door boren van kabels en leidingen) dienen serieus in ogenschouw genomen te worden.

De lijnvormige (hoofd)structuur van bomen in een zone met een hoofdwaarde mag geen gaten vertonen. Indien bomen uit een structuur/laan uit een hoofdzone toch gerooid worden, dient er - indien mogelijk -een nieuwe gezonde boom van gelijke grootte en/of leeftijd op deze plek (of nabij deze plek) herplant te worden om de lijnvormige structuur te handhaven.

De bomen die in een hoofdzone staan zijn duurzame houtsoorten. Gestreefd wordt naar bomen van een 1e grootte (bijv. eik, beuk, linde of kastanje). Deze bomen moeten kunnen volgroeien zonder last en/of schade te ondervinden van zijn omgeving. Indien mogelijk dienen de bomen met een hoofdwaarde vrij dicht en op een regelmatige onderlinge afstand in de rij, 2-zijdig van de weg te worden geplant. Slechts bij onhaalbaarheid van voldoende ruimte (zowel boven- als ondergronds) wordt voor een minder zware boombeplanting of vorm (zuil) gekozen. Indien mogelijk staan bomen met een hoofdwaarde in gras of vakbeplanting (of onderbeplanting). Bij de keuze van het assortiment moet nadrukkelijk rekening worden gehouden met de grondsoort en de natuurlijke habitat. Per structuur wordt zoveel mogelijk één soort gebruikt.

In de praktijk blijkt dat de hierboven omschreven gewenste invulling van de hoofdzones niet altijd volledig te realiseren is. Toch moet bij het realiseren van (her)inrichtings-, herstructurerings- en herontwikkelingsplannen steeds de gewenste verschijningsvorm/eindbeeld als uitgangspunt worden genomen.

In de bestemmingsplannen worden, indien voorkomend, twee soorten bomen beschermd:

  • I. openbare en particuliere monumentale bomen van de "Gemeentelijke Lijst van Monumentale Bomen Tilburg" worden afzonderlijk aangeduid als "monumentale boom";
  • II. bomen met een hoofdwaarde, alsmede bomen van de 1e categorie met een andere waarde, worden tenslotte afzonderlijk aangeduid als "beeldbepalende boom".

De bescherming bestaat uit een bouwverbod en een aanlegvergunningstelsel binnen een straal van respectievelijk 15 en 8 m vanuit het hart van de betreffende boom.

Concept-Structuurvisie Zuidwest 2020

Op 16 december 2008 heeft het college de uitgangspunten en ambitieniveau voor de Structuurvisie Zuidwest 2020 vastgesteld. Op basis hiervan wordt samen met de betrokken partijen een (ontwerp-structuurvisie opgesteld voor het gebied dat in het noorden wordt begrensd door het spoor Eindhoven-Breda en de woonbebouwing van Witbrant en Koolhoven (samen 'De Wijk'). Het oostelijke gedeelte van het gebied wordt begrensd door de woonwwijken De Blaak en De Reit. Het zuiden en westen eindigen bij de gemeentegrens. Belangrijke componenten van de structuurvisie zijn bedrijventerrein Wijkevoort (in de zuidwesthoek van het plangebied), Landgoed de Groene Kamer, het agrarische gebied tussen de Groene Kamer en Wijkevoort, thema recreatie sport en de ontwikkeling van het bosgebied/waterwingebied. De mogelijkheden en randvoorwaarden voor deze ontwikkelingen zullen in het vervolg van het traject nader worden onderzocht.