Direct naar inhoud
Plan:Bestemmingsplan Slotjes /- Oud-West 2024
Status:ontwerp
Plantype:bestemmingsplan
IMRO-idn:NL.IMRO.0826.BSPSlotjesOudW2024-VA01

Regels

 

 
Inhoudsopgave

 

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

Artikel 2 Wijze van meten

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bedrijf

Artikel 4 Bedrijf - Betonwarenfabriek

Artikel 5 Bedrijf – Nutsvoorziening

Artikel 6 Centrum

Artikel 7 Gemengd

Artikel 8 Groen

Artikel 9 Horeca

Artikel 10 Kantoor

Artikel 11 Maatschappelijk

Artikel 12 Natuur

Artikel 13 Tuin

Artikel 14 Verkeer

Artikel 15 Water

Artikel 16 Wonen

Artikel 17 Leiding - Belemmeringenstrook

Artikel 18 Waarde - Archeologie

Artikel 19 Waarde - Monumentale bomen

Artikel 20 Waterstaat - Waterkering

Artikel 21 Waterstaat - Waterstaatkundige functie

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 22 Anti-dubbeltelregel

Artikel 23 Algemene bouwregels

Artikel 24 Algemene gebruiksregels

Artikel 25 Algemene aanduidingsregels

Artikel 26 Overige regels

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 27 Overgangsrecht

Artikel 28 Slotregel

 

 

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

 

Artikel 1 Begrippen

 

1.1 plan:

het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Slotjes /- Oud-West 2024' met identificatienummer NL.IMRO.0826.BSPSlotjesOudW2024-VA01 van de gemeente Oosterhout.

 

1.2 bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels (en de daarbij behorende bijlagen).

 

1.3 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels voorwaarden worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

 

1.4 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

 

1.5 aaneengebouwde woning:

een woning, die deel uitmaakt van een blok van meer dan twee woningen, waarvan het hoofdgebouw aan ten minste één zijde aan het op het aangrenzende bouwperceel gelegen hoofdgebouw is gebouwd.

 

1.6 aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijf:

de uitoefening van een beroep op zakelijk, administratief, juridisch, financieel, therapeutisch, (para-)medisch, cosmetisch, ontwerptechnisch of hieraan gelijk te stellen gebied, dan wel de uitoefening van ambachtelijke bedrijfsactiviteiten geheel of overwegend door middel van handwerk, voor zover deze behoren tot de milieucategorie 1 of 2, zoals bepaald in de Staat van bedrijfsactiviteiten, of een daarmee qua aard en invloed op de omgeving vergelijkbare activiteit, waarbij de activiteit in of bij een woning wordt uitgeoefend.

 

1.7 achtergevellijn:

de lijn waarin de achtergevel van een hoofdgebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan.

 

1.8 ADR-geclassificeerde stoffen:

Gevaarlijke stoffen zoals geclassificeerd in de Europese overeenkomst ADR (Accord Européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par route).

 

1.9 agrarisch bedrijf:

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van landbouwdieren; onder agrarische bedrijven worden tevens begrepen boomteeltbedrijven, sierteeltbedrijven en productiegerichte paardenhouderijen.

 

1.10 agrarisch gebruik:

(grond)gebruik dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van landbouwdieren.

 

1.11 ambulante detailhandel:

het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen, dan wel het aanbieden van diensten, op een openbare en in de open lucht gelegen locatie, al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

 

1.12 archeologische waarden:

waarden van een terrein in verband met de zich mogelijk daarin bevindende oudheidkundige zaken die van belang zijn vanwege hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap en/of hun cultuurhistorische waarde.

 

1.13 autodemontagebedrijf:

een bedrijf gericht op het demonteren / uit elkaar halen van gemotoriseerde voertuigen.

 

1.14 avondperiode:

de periode van 19.00 uur tot 24.00 uur.

 

1.15 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

 

1.16 bed & breakfast:

een voorziening in een (bedrijfs)woning, die als doel heeft het verstrekken van logies en ontbijt aan steeds wisselend publiek, dat voor een korte periode, namelijk één tot enkele nachten, ter plaatse met een recreatieve doelstelling verblijft; onder bed & breakfast wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke, seizoensgebonden of permanente werkzaamheden en/of arbeid.

 

1.17 bedrijf:

een inrichting gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren, herstellen en/of vervoeren van goederen.

 

1.18 bedrijfsgebouw:

een gebouw, dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten.

 

1.19 bedrijfsvloeroppervlak:

de totale vloeroppervlakte van kantoren, winkels of bedrijven, met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten.

 

1.20 bedrijfswoning:

een woning bij een (agrarisch) bedrijf of instelling, bestemd voor de huisvesting van één huishouden waarvan minimaal één persoon op dat bedrijf of die instelling werkzaam is en al dan niet toezicht houdt.

 

1.21 begane grond:

de bouwlaag van een gebouw, die rechtstreeks ontsloten wordt vanaf het peil.

 

1.22 beperkt kwetsbaar object:

een object als gedefinieerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

 

1.23 bestaand(e situatie):

  1. ten aanzien van bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig of legaal in uitvoering op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel bebouwing, die mag worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde vergunning.

  2. ten aanzien van gebruik: het gebruik van grond en/of opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

 

1.24 bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak.

 

1.25 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

 

1.26 bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

 

1.27 blinde gevel:

een gevel waarin geen ramen, deuren of balkons aanwezig zijn.

 

1.28 boringsvrije zone:

gebied rondom een waterwingebied waar zich tussen het maaiveld en het watervoerende pakket waaraan het grondwater wordt onttrokken, een aaneengesloten slecht doorlaatbare laag bevindt.

 

1.29 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

 

1.30 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak.

 

1.31 bouwlaag:

doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd.

 

1.32 bouwmarkt:

een al dan niet geheel overdekte verkoopplaats met een (overdekt) verkoopvloeroppervlak van minimaal 1.000 m2, waarop een volledig of nagenoeg volledig assortiment aan bouw- en doe-het-zelf-producten wordt aangeboden in de vorm van detailhandel.

 

1.33 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

 

1.34 bouwperceelgrens:

de grens van een bouwperceel.

 

1.35 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

 

1.36 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

 

1.37 cultuur en ontspanning:

voorzieningen gericht op kunst, ontspanning, vrijetijdsbesteding en vermaak, zoals (kook)ateliers, sauna’s, musea, galeries, creatieve en culinaire workshops en yogastudio’s. Hieronder worden niet verstaan speelautomatenhallen.

 

1.38 cultuurhistorische waarde:

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied, zoals dat ondermeer tot uitdrukking komt in de beplanting, het reliëf, de verkaveling, het sloten- of wegenpatroon en/of de architectuur.

 

1.39 dagperiode:

de periode van 09.00 uur tot 19.00 uur.

 

1.40 dagrecreatie:

activiteiten overdag ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie, waarbij overnachting niet is toegestaan.

 

1.41 dak:

iedere bovenbeëindiging van een gebouw.

 

1.42 dakopbouw:

een opbouw op een deel van een hellend dak, waarmee de goot- en/of bouwhoogte van het gebouw wordt verhoogd.

 

1.43 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (hieronder begrepen de uitstalling ten verkoop) het verkopen en/of leveren van goederen aan diegenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, met dien verstande dat postorderbedrijven, en daarmee te vergelijken internethandel, flitsbezorgdiensten of darkstores (al dan niet met een baliefunctie) niet worden aangemerkt als detailhandel, tenzij ter plaatse de goederen ten verkoop worden uitgestald, en er sprake is van fysiek klantcontact, en minimaal 50% van de totale oppervlakte in gebruik is als verkoopvloeroppervlak, geheel toegankelijk voor klanten.

 

1.44 detailhandel in meubelen en woninginrichting:

detailhandel in meubelen en artikelen ten behoeve van de inrichting van een woning en daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen.

 

1.45 detailhandel in volumineuze goederen:

detailhandel in goederen van volumineuze aard in een daarop afgestemde verkoopruimte, te weten auto’s en motoren, auto-onderdelen en banden, grootschalige kampeer- en recreatieartikelen (zoals caravans, tenten, campers en boten), inbouwkeukens, sanitair, wand- en vloertegels, grove bouwmaterialen zoals bestratingmateriaal, zand en dergelijke, zonweringen, tuinhuisjes, buitenspeeltoestellen, zwembaden, tuinbeelden, haarden en kachels, grafzerken, (paarden)trailers, aanhangwagens, goederen met brand- en explosiegevaar, alsmede goederen die een eerstegraads verwantschap hebben c.q. in rechtstreeks verband staan met deze goederen.

 

1.46 dienstverlening:

bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder zijn begrepen kapperszaak, schoonheidsinstituut, fotostudio, bank, postkantoor, reisbureau en naar aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en instellingen, met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting.

 

1.47 dove gevel:

een bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, waaronder begrepen het dak, die bestaat uit:

  1. een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A);

  2. een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.

 

1.48 erf:

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw.

 

1.49 escortbedrijf:

de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bij het bedrijf horende bedrijfsruimte wordt uitgeoefend (escortservices, bemiddelingsbureaus e.d.).

 

1.50 evenement:

een tijdelijke, of periodiek terugkerende, voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak op het gebied van sport, cultuur, kunst, folklore, handel, recreatie, liefdadigheid, religie, gezondheid, wetenschap, amusement.

 

Niet onder een evenement vallen:

 

Hierbij worden de volgende categorieën van evenementen onderscheiden:

 

1.51 extensief dagrecreatief medegebruik:

die vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals vogelobservatie, wandelen, fietsen, mountainbiken, picknicken, kanoën en survivaltochten, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van gemotoriseerde voertuigen (met uitzondering van e-bikes), en die niet bedrijfsmatig van aard zijn en qua omvang en ruimtelijke uitstraling, ondergeschikt zijn aan het overige, ingevolge de bestemmingsomschrijving toegestane gebruik en dientengevolge niet het primaire c.q. hoofdgebruik betreffen, al dan niet in combinatie met extensieve dagrecreatieve voorzieningen zoals paden, banken, picknicktafels, bewegwijzering.

 

1.52 functie:

doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan.

 

1.53 garagebedrijf:

een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor verkoop en/of onderhoud en reparatie van motorvoertuigen of onderdelen daarvan, met dien verstande dat de verkoop van motorbrandstoffen is uitgezonderd.

 

1.54 garagebox:

een gebouw dat gebruikt wordt voor het stallen van vervoermiddelen of als bergruimte.

 

1.55 gasontvangststation:

nutsvoorziening die de verbinding vormt tussen het hogedrukgasnet en het transportnet van een regionale netwerkbeheerder of het gasnet op een particulier (bedrijfs)terrein, waar de transportdruk wordt gereduceerd en de hoeveelheid geleverd aardgas wordt gemeten.

 

1.56 gastouderschap:

kinderopvang die plaatsvindt op het woonadres van een gastouder, met een ruimtelijke uitstraling die met de woonfunctie in overeenstemming is en waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt;

 

1.57 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

 

1.58 geluidgevoelig object:

een geluidgevoelig object als aangewezen bij en krachtens de Wet geluidhinder en Wet milieubeheer.

 

1.59 geluidgevoelige ruimte:

ruimte binnen een woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon- of eetkamer wordt gebruikt of voor een zodanig gebruik is bestemd, alsmede een keuken van tenminste 11 m2.

 

1.60 geluidzone van een industrieterrein:

een zone als bedoeld in art. 40 Wet geluidhinder.

 

1.61 geluidzoneringsplichtige inrichting:

een inrichting behorende tot een bij algemene maatregel van bestuur (in casu het Besluit omgevingsrecht) aan te wijzen categorie van inrichtingen, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken.

 

1.62 geschakelde woning:

een woning, waarvan het hoofdgebouw aan één zijde op de bouwperceelgrens is gebouwd en het hoofdgebouw door middel van bijbehorende bouwwerken verbonden is met het hoofdgebouw op het aangrenzende bouwperceel.

 

1.63 gestapelde woning:

een woning in een gebouw waarin zich meerdere boven elkaar gelegen woningen bevinden.

 

1.64 gevaarlijke stof bij buisleidingen:

gevaarlijke stof als bedoeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen.

 

1.65 gevaarlijke stof bij inrichtingen:

gevaarlijke stof als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

 

1.66 gevaarlijke stof bij transportroutes voor gevaarlijke stoffen:

gevaarlijke stof als bedoeld in het Besluit externe veiligheid transportroutes.

 

 

1.67 gevaarlijke stoffen:

gevaarlijke stoffen zoals geclassificeerd in de Europese overeenkomst ADR (Accord Européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par route).

 

1.68 gevel:

bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen het dak.

 

 

1.69 glastuinbouwbedrijf:

een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in kassen plaatsvindt.

 

1.70 groepsrisico:

de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicovolle inrichting, buisleiding voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en een ongewoon voorval binnen die inrichting of ter plaatse van de buisleiding of transportroute waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is.

 

1.71 grondgebonden veehouderij:

veehouderij, waarvan het voer en de mest voor het overgrote deel gewonnen respectievelijk aangewend worden op gronden die in gebruik zijn van de veehouderij en die in de directe omgeving liggen van de bedrijfslocatie; hieronder valt in ieder geval niet de intensieve veehouderij.

 

1.72 grondgebonden woning:

een woning die rechtstreeks toegankelijk is op het straatniveau en waarvan één van de woonlagen aansluit op het peil en/of contact heeft met het aangrenzende terrein.

 

1.73 grondwaterbeschermingsgebied:

gebied waarbinnen het grondwater, afhankelijk van de kwetsbaarheid van het gebied, een periode van 25 of 100 jaar nodig heeft om de pompputten voor waterwinning te bereiken.

 

1.74 groothandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan wederverkopers, instellingen dan wel aan personen ter aanwending in een ander bedrijf.

 

1.75 hogere waarde:

ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege een weg, spoorweg of industrieterrein, die op grond van de Wet geluidhinder of het Besluit geluidhinder van toepassing is.

 

1.76 hoofdfunctie:

de belangrijkste functie waarvoor een gebouw mag worden gebruikt.

 

1.77 hoofdgebouw:

een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel, en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkste is.

 

1.78 horeca(bedrijf):

het bedrijfsmatig verschaffen c.q. verstrekken van logies, dranken, maaltijden en kleine eetwaren, zoals een hotel, restaurant, café, cafetaria of een combinatie van twee of meer van deze bedrijven, waaronder eveneens wordt begrepen het exploiteren van zaalaccommodatie, doch met uitzondering van een seksinrichting.

 

1.79 horeca categorie 1:

een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren ten behoeve van consumptie ter plaatse, alsmede het daaraan ondergeschikt verstrekken van alcoholhoudende en niet-alcoholhoudende dranken, al dan niet in combinatie met het verstrekken van nachtverblijf en/of van zaalverhuur, zoals een (hotel)-restaurant, pannenkoekhuis, eetcafé en pizzeria, uitgezonderd een zelfstandig maaltijdafhaalcentrum.

 

1.80 horeca categorie 2:

een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide snacks, ijs en kleine maaltijden voor consumptie ter plaatse en/of elders, met daaraan ondergeschikt het verstrekken van dranken, zoals een snackbar, cafetaria, lunchroom en ijssalon.

 

1.81 horeca categorie 3:

een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van overwegend alcoholische dranken voor consumptie ter plaatse, al dan niet in combinatie met kleine etenswaren, zoals een café.

 

1.82 horeca categorie 4:

een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig bieden van gelegenheid tot dansen in combinatie met het verstrekken van alcoholhoudende en niet-alcoholhoudende dranken, zoals een dancing of discotheek.

 

1.83 houtgewas:

bomen, struiken, houtopstanden, boomgaarden, knotbomen, singels en houtwallen.

 

1.84 houtproductie:

het voortbrengen van hout op bedrijfsmatige wijze door een mede daarop afgestemd duurzaam beheer van bos.

 

1.85 huishouden:

de leefvorm of samenlevingsvorm van één of meer personen die in vast verband samenleven, en waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling.

 

1.86 huisvesting in verband met mantelzorg:

huisvesting in of bij een woning van één huishouden, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning.

 

1.87 industrieterrein:

terrein waaraan in hoofdzaak een bestemming is gegeven voor de vestiging van inrichtingen en waarvan de bestemming voor het gehele terrein of een gedeelte daarvan de mogelijkheid insluit van vestiging van geluidzoneringsplichtige inrichtingen.

 

1.88 internethandel:

het bedrijfsmatig via website's te koop aanbieden van goederen, alsmede het opslaan, verkopen en/of (af)leveren van deze goederen, waarbij de goederen niet ten verkoop worden uitgestald en er ter plaatse geen sprake is van fysiek klantcontact, en minder dan 50% van de totale oppervlakte in gebruik is als verkoopvloeroppervlak, geheel toegankelijk voor klanten.

 

1.89 intensieve veehouderij:

agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, konijnen-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, niet zijnde een slakkenkwekerij, viskwekerij of een insectenkwekerij (zoals een wormenkwekerij).

 

1.90 invloedsgebied:

gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.

 

1.91 kamerverhuur:

het bedrijfsmatig verhuren of het aanbieden van kamers voor bewoning, gericht op langdurige huisvesting van meer dan één huishouden in één woning, niet zijnde een niet-langdurige vorm zoals een hotel, bed & breakfast of een andersoortige logiesfunctie.

 

1.92 kantoor:

een gebouw of deel van een gebouw dat door aard en indeling kennelijk is bestemd om uitsluitend of in hoofdzaak dienstig te zijn tot het verrichten van administratieve en/of ontwerptechnische arbeid, met de daarbij behorende voorzieningen.

 

 

1.93 kas:

agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dak voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal en dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden, waaronder mede begrepen een schuurkas of een permanente tunnel- of boogkas hoger dan 1,5 meter.

 

1.94 kegelschip:

een schip dat gevaarlijke stoffen vervoert en conform wettelijk voorschrift één of meerdere blauwe kegels dient te voeren.

 

1.95 kinderdagverblijf:

een bedrijf of stichting gericht op de opvang van kinderen, niet zijnde gastouderschap.

 

 

1.96 kunstobject:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde dat wordt aangemerkt als uiting van beeldende kunst.

 

1.97 kunstwerk:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde van weg-, rail- en waterbouwkundige aard, waarondernbegrepen palen, masten, portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van verkeer, seinpalen, bakens, bruggen, viaducten, duikers, keerwanden, geluidwerende voorzieningen, beschoeiingen en kademuren.

 

1.98 kwetsbaar object:

een object als gedefinieerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

 

1.99 landschappelijke waarde:

de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur.

 

1.100 langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT):

het gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in een bepaalde periode en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai.

 

1.101 langzaam verkeer

weggebruikers die zich slechts met een geringe of beperkte snelheid plegen voort te bewegen, zoals voetgangers, geleiders-berijders van een dier, scootmobielbestuurders fietsers, e-bikebestuurders en bromfietsers.

 

1.102 lawaaisport:

een sportactiviteit waarbij motorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd dat zodanig is dat het achtergrondniveau wordt overschreden, waaronder in ieder geval begrepen de rallysport, motorsport, (model)vliegsport; de jachtsport wordt hier niet onder begrepen.

 

1.103 leisure voorziening:

veelal grootschalige en publieksaantrekkende stedelijke voorziening ten behoeve van enternainment (o.a. bioscoop), cultuur (o.a. poppodium), recreatie (indoorspeeltuin) of sport.

 

1.104 maatschappelijke voorzieningen:

voorzieningen inzake welzijn, openbare dienstverlening, volksgezondheid (medisch en paramedisch), zorginstellingen, cultuur, religie, verenigingsleven, onderwijs, openbare orde en veiligheid, kinderdagverblijven, buitenschoolse opvang en peuterspeelzalen en daarmee gelijk te stellen bedrijven of instellingen, al dan niet met ondergeschikte horeca en ondergeschikte detailhandel.

 

1.105 maatvoeringsvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels voor de toegestane bouwwerken eenzelfde maatvoering geldt.

 

1.106 manege:

een dagrecreatief bedrijf dat hoofdzakelijk op eigen terrein binnen of buiten een gebouw gelegenheid geeft tot het beoefenen van de paardensport en al dan niet mogelijkheden biedt voor het verblijf en de verzorging van paarden.

 

1.107 mantelzorg:

het bieden van zorg en ondersteuning aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychisch en/of sociaal vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband; en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere deskundige kan worden aangetoond.

 

1.108 maximaal geluidsniveau (LAmax):

maximaal geluidsniveau gemeten in de meterstand 'F' of 'fast', als vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai;

 

1.109 minder zelfredzame personen:

bijzonder kwetsbare personen, zoals zieken, ouderen, gehandicapten en minderjarigen, als bedoeld in het kader van de evacuatie van personen vanwege externe veiligheid.

 

1.110 nachtperiode:

de periode van 24.00 uur tot 09.00 uur

 

1.111 natura 2000 gebied:

het gebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van de Wet natuurbescherming.

 

1.112 natuurwaarde:

de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.

 

1.113 normaal onderhoud, gebruik en beheer:

een gebruik, gericht op het in zodanige conditie houden of brengen van objecten, dat het voortbestaan van deze objecten op ten minste het oorspronkelijke kwaliteitsniveau wordt bereikt.

 

1.114 nutsvoorzieningen:

gebouwde (ondergrondse) voorzieningen en kabels en leidingen van openbaar nut ten behoeve van water, elektriciteit, gas e.d., zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor (tele)communicatie.

 

1.115 omgevingsvergunning:

vergunning voor activiteiten als genoemd in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

 

 

1.116 ondergeschikte detailhandel:

detailhandelsactiviteiten welke qua omvang en ruimtelijke uitstraling passend zijn bij en ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie, ter ondersteuning dienen van de hoofdfunctie en niet zelfstandig worden uitgeoefend en/of toegankelijk zijn los van de hoofdfunctie.

 

1.117 ondergeschikte horeca:

horeca-activiteiten die qua omvang en ruimtelijke uitstraling passend zijn bij en ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie, ter ondersteuning dienen van de hoofdfunctie en niet zelfstandig worden uitgeoefend en/of toegankelijk zijn los van de hoofdfunctie.

 

 

1.118 ondergeschikte voorzieningen voor verkeer en verblijf:

voorzieningen voor verkeer en verblijf die ondergeschikt en gelieerd zijn aan de functies die ingevolge de geldende bestemming ter plaatse zijn toegestaan, zoals in- en uitritten, voorzieningen en paden voor calamiteitenverkeer en afvalafhandeling, langzaam verkeerspaden, onverharde paden, trottoirs en brandgangen. Hieronder worden in ieder geval geen wegen en parkeervoorzieningen voor gemotoriseerd verkeer begrepen.

 

1.119 onderkomens:

voor verblijf geschikte – al dan niet aan de bestemming onttrokken – voer- en vaartuigen, arken, caravans en stacaravans voor zover deze niet als bouwwerken zijn aan te merken, als ook tenten.

 

1.120 ontspannende voorzieningen:

voorzieningen ter ontspanning en vermaak van mensen, ten behoeve van entertainment (o.a. bioscoop), cultuur (o.a. theater, poppodium en dansschool), recreatie (o.a. indoorspeeltuin en sauna/wellnesscentrum) en sport.

 

1.121 overig niet-grondgebonden bedrijf:

agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt, niet zijnde een intensief veehouderijbedrijf of een glastuinbouwbedrijf, zoals champignonteeltbedrijven, witlofkwekerijen, maar ook slakkenkwekerijen, viskwekerijen en insectenkwekerijen (zoals een wormenkwekerij).

 

1.122 overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, bestaande uit een vrijstaande dakconstructie met

maximaal één wand.

 

1.123 paardenbak:

een buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, met een bodem van zand, boomschors of ander natuurlijk materiaal en al dan niet voorzien van een omheining.

 

1.124 parkeren:

het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen.

 

1.125 patiowoning:

een woning met een geheel of gedeeltelijk omsloten binnenplaats of binnenhof gevormd door de gevels van naburige dan wel op het eigen (bouw)perceel aanwezige gebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

 

1.126 parkeergarage:

al dan niet ondergrondse, gebouwde parkeervoorziening voor het parkeren van één of meerdere voertuigen.

 

1.127 peil:

  1. voor een op een perceel aanwezig bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

  2. voor een op een perceel aanwezig bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het aansluitende terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

  3. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein.

 

1.128 pickuppoint:

een locatie waar de consument via internet bestelde goederen kan afhalen of retourneren, waar uitsluitend logistiek en opslag van bestelde goederen gedurende een korte periode plaatsvindt en waarbij geen sprake is van uitstalling ten verkoop en/of overige activiteiten, of ter plaatse geen sprake is van fysiek klantcontact, of minder dan 50% van de totale oppervlakte in gebruik is als verkoopvloeroppervlak, geheel toegankelijk voor klanten.

 

1.129 plaatsgebonden risico:

risico op een plaats buiten een risicovolle inrichting of in de nabijheid van een buisleiding voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of een transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting of ter plaatse van de buisleiding of transportroute, waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is.

 

1.130 plasbrandaandachtsgebied:

Een gebied waar bij het realiseren van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten rekening dient te worden gehouden met de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen.

 

1.131 productiegebonden detailhandel:

detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie qua omvang en uitstraling ondergeschikt is aan de productiefunctie.

 

1.132 professioneel vuurwerk

vuurwerk dat is ingedeeld in categorie F4 alsmede vuurwerk dat is ingedeeld in categorie F2 of F3 en dat niet bij of krachtens dit besluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik als bedoeld in het Vuurwerkbesluit.

 

1.133 prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het tegen betaling verrichten van seksuele diensten aan anderen.

 

1.134 raamprostitutie:

een seksinrichting bestemd voor of in gebruik voor het zich vanaf het openbaar toegankelijke gebied zichtbaar ter beschikking stellen tot het tegen betaling verrichten van seksuele diensten aan anderen.

 

1.135 recreatief medegebruik:

een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan.

 

1.136 risicovolle inrichting:

een inrichting waarbij ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde, richtwaarde voor het risico c.q. risicoafstand moet worden aangehouden bij het in een bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.

 

1.137 ruimtelijke kwaliteit:

waardering van een gebied die bepaald wordt door de mate waarin sprake is van gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde.

 

1.138 scheidingslijn:

lijn die de grens dan wel scheiding tussen verschillende aanduidingen vormt.

 

1.139 seksinrichting:

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch /pornografische aard plaatsvinden, waaronder in elk geval worden verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet gecombineerd met elkaar.

 

1.140 schooldag:

lesdagen, toetsdagen en (proef)examendagen.

 

1.141 speelvoorziening:

openbaar toegankelijke voorziening in de open lucht bestemd voor sport, spel, vermaak of ontspanning, niet zijnde een sportvoorziening waar georganiseerde sportbeoefening plaatsvindt, waaronder in ieder geval speeltuinen en trapveldjes worden verstaan.

 

1.142 sportvoorziening:

voorziening ten behoeve van de uitoefening van binnen- en/of buitensport (met uitzondering van maneges).

 

1.143 standplaats:

gronden bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeente kunnen worden aangesloten.

 

1.144 stedenbouwkundig beeld:

het beeld dat wordt bepaald door de situering, de bouwmassa's, de dakvormen en de dakrichtingen van de bebouwing in relatie tot de omgeving.

 

 

1.145 straatprostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het tegen betaling verrichten van seksuele diensten aan anderen, één en ander door passanten hiertoe te bewegen of uit te nodigen door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze.

 

1.146 supermarkt:

detailhandel gericht op de dagelijkse artikelensector (levensmiddelen) met een verkoopvloeroppervlak van minimaal 600 m2.

 

1.147 teeltondersteunende kassen:

een agrarisch bedrijfsgebouw, waarvan de wanden en het dak voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal en dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden, ter ondersteuning van grondgebonden teelten. Schuurkassen en permanente tunnel- of boogkassen, welke gelijk of hoger zijn dan 1,5 meter, worden beschouwd als een kas.

 

1.148 teeltondersteunende voorziening:

een ondersteunende voorziening in, op of boven de grond die een onderdeel is van een overwegend grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, gericht op het telen van (sier)gewassen (zoals tuinbouw, boomteelt of sierteelt) en die wordt gebruikt om de productie onder meer gecontroleerde omstandigheden te laten plaatsvinden en/of de arbeidsomstandigheden te verbeteren. Teeltondersteunende voorzieningen kunnen zowel een gebouw als een bouwwerk, geen gebouw zijnde, zijn. Te onderscheiden zijn de volgende categorieën:

  1. laag / tijdelijk: teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte lager dan of gelijk aan 1,5 m, welke niet langer dan 6 maanden per jaar aanwezig zijn, hierbij inbegrepen de constructie die een dergelijke voorziening mogelijk maakt (bijvoorbeeld palen in de grond);

  2. hoog / tijdelijk: teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte hoger dan 1,5 m, welke niet langer dan 6 maanden per jaar aanwezig zijn, hierbij inbegrepen de constructie die een dergelijke voorziening mogelijk maakt (bijvoorbeeld palen in de grond);

  3. permanent: teeltondersteunende voorzieningen welke 6 maanden per jaar of langer aanwezig zijn, hierbij inbegrepen de constructie die een dergelijke voorziening mogelijk maakt (bijvoorbeeld palen in de grond);

Vraathekken (zoals boomteelthekken) en veekeringen worden niet gezien als teeltondersteunende voorzieningen.

 

1.149 tuincentrum:

detailhandel met een al dan niet geheel overdekt verkoopvloeroppervlak waarop artikelen voor de aanleg, inrichting en het onderhoud van en het verblijf in particuliere tuinen en daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen en diensten worden aangeboden, zoals tuinplanten en bomen, bloemen en planten, dieren, bloembollen en zaden, gereedschap, decoratiemateriaal buitenhuis en binnenhuis, materiaal ten behoeve van klein en groot tuinonderhoud, dierbenodigdheden, diervoeding, seizoensartikelen in geval van kerstmarkt, paasmarkt, kleinmeubelen, tuinzwembaden en tuinsauna's, tuin gerelateerd speelgoed, tuinartikelen(tuinmeubilair), koffiecorner, eventueel in combinatie met kweek.

 

1.150 tunnel- of boog(kas):

een werk of bouwwerk voorzien van een bedekking van lichtdoorlatend materiaal en dienend tot het kweken, trekken, vermeerderen, opkweken of verzorgen van vruchten, bloemen, groenten, planten of bomen, alsmede in voorkomende gevallen tot bescherming van de omgeving tegen milieubelastende stoffen.

 

1.151 twee-aaneengebouwde woning:

een woning, die deel uitmaakt van een blok van twee woningen, waarvan het hoofdgebouw aan één zijde aan het op het aangrenzende bouwperceel gelegen hoofdgebouw is gebouwd.

 

1.152 uitvoeren:

uitvoeren, het doen uitvoeren, het laten uitvoeren of in uitvoering geven.

 

1.153 veehouderij:

agrarisch bedrijf, gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee en/of tamme konijnen.

 

1.154 verblijfsrecreatie:

recreatie in ruimten welke zijn bestemd of opgericht voor recreatief dag- en nachtverblijf, zoals een recreatiewoning, groepsaccommodatie, logeergebouw, pension, bed & breakfast, kampeermiddel of trekkershut.

 

1.155 verkooppunt motorbrandstoffen:

een verkoopplaats voor het uitoefenen van detailhandel in motorbrandstoffen en voor serviceverlening aan motorvoertuigen, waarbij detailhandel in andere goederen als nevenactiviteit van ondergeschikt belang en ondergeschikte horeca in de categorie 1 en/of 2 is toegestaan.

 

1.156 verkoopvloeroppervlak:

de totale vloeroppervlakte van de voor het publiek zichtbare en/of toegankelijke winkelruimte ten behoeve van de detailhandel.

 

1.157 vloeroppervlak(te):

de totale oppervlakte van alle ruimten die voor een functie wordt gebruikt.

 

1.158 voorgevelrooilijn:

de naar de weg of naar het openbaar gebied gekeerde gevel van een gebouw of grens van het bouwvlak of, indien het een gebouw betreft van meer dan één naar de weg of het openbaar gebied gekeerde gevel, de gevel die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.

 

1.159 voorkeursgrenswaarde:

de standaard grenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig object of terrein bepaald bij of krachtens de Wet geluidhinder.

 

1.160 voorzieningen voor verkeer en verblijf:

voorzieningen die verband houden met de afwikkeling van het verkeer en/of met het verblijfskarakter van de openbare ruimte, zoals wegen, straten, pleinen, langzaam verkeerspaden, inclusief daarbij behorende inrichtingselementen.

 

1.161 vraathek:

een hek, bedoeld om wildvraat aan gewassen te voorkomen, in de regel gebruikt in de boom- en sierteelt.

 

1.162 vrijstaande woning:

een woning waarvan het hoofdgebouw losstaat van de zijdelingse bouwperceelgrenzen.

 

1.163 waterhuishoudkundige voorzieningen:

voorzieningen die het waterhuishoudingsbelang dienen, zoals watergangen, waterstaatkundige kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang, alsmede voorzieningen voor waterafvoer, waterinfiltratie en waterberging, inclusief bijbehorende voorzieningen zoals bermen, paden en beschoeiingen.

 

1.164 waterkering:

Een object om water tegen te houden, bijvoorbeeld een dijk, een dam, een sluis en een stormvloedkering.

 

1.165 waterwingebied:

gebied waar waterwinning plaatsvindt ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening door onttrekking van grondwater.

 

1.166 windturbine:

bouwwerk, bestaande uit een mast met bijbehorende fundering en de rotor, bedoeld voor het opwekken van electriciteit door middel van windenergie.

 

1.167 winkel:

een gebouw, dat een ruimte omvat, welke door zijn indeling kennelijk bedoeld is te worden gebruikt voor detailhandel en/of showroom.

 

1.168 wonen:

het bewonen van een woning, door niet meer dan één huishouden.

 

1.169 woning:

één of meerdere bij elkaar horende ruimten, geschikt en bestemd voor de zelfstandige bewoning door niet meer dan één huishouden.

 

1.170 woningsplitsing:

het opdelen van een woning in meerdere wooneenheden;

 

1.171 woonunit:

een te verplaatsen / verwijderen bouwwerk bestaande uit één bouwlaag, alsmede een stacaravan die gelet op de feitelijke omstandigheden als bouwwerk wordt aangemerkt, geschikt en ingericht ten dienste van woon-, dag- of nachtverblijf en ingericht ten behoeve van tijdelijke bewoning.

 

1.172 woonwagen:

voor bewoning bestemd gebouw, dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst en op een daartoe bestemd perceel is geplaatst.

 

1.173 zelfstandige bewoning:

bewoning van een zelfstandige woonruimte.

 

1.174 zelfstandige woonruimte:

een woning die een eigen toegang heeft, voorzien is van een keuken, badkamer en toilet en welke de bewoner kan bewonen zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten die woning, als bedoeld in art. 7:234 van het Burgerlijk Wetboek.

 

1.175 zijdelingse perceelsgrens:

de grens tussen twee percelen, die voor- en achterzijde van een perceel verbindt.

 

1.176 zijstrook:

de strook grond gelegen tussen de zijdelingse perceelsgrens en de denkbeeldige lijn op 3 meter afstand vanaf de zijdelingse perceelsgrens, over de volledige diepte van het bouwperceel.

 

1.177 zorgwonen:

het bewonen van zorgwoningen, al dan niet in combinatie met gemeenschappelijke (zorg)voorzieningen.

 

1.178 zorgwoning:

een woning of woonruimte bestemd voor verzorgd wonen, waarvan de bewoner(s) vanwege hun beperkte zelfredzaamheid vanaf aanvang van bewoning op basis van een ter zake van overheidswege gehanteerd systeem zijn geïndiceerd voor zorg, die beschikbaar is in (de directe nabijheid van) de woning of woonruimte.

 

Artikel 2 Wijze van meten

 

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

 

2.1 afstanden

van bouwwerken tot andere bouwwerken, bebouwingsgrenzen en perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.

 

2.2 bebouwingspercentage:

het oppervlak dat met bouwwerken mag worden bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming.

 

2.3 bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

 

2.4 bovenkant spoorstaaf:

de hoogte van de bovenkant van de hoogst gesitueerde spoorstaaf.

 

2.5 dakhelling:

de hoek gemeten langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

 

2.6 diepte van een gebouw:

 

2.7 goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

 

2.8 hoogte van een molen:

vanaf het peil tot aan de tiphoogte van de molen.

 

2.9 hoogte van een windturbine:

vanaf het peil tot aan de tiphoogte van de windturbine.

 

2.10 inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken. Ondergrondse bouwdelen en dakkapellen worden niet meegerekend voor het bepalen van de inhoud van een bouwwerk.

 

2.11 oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

 

2.12 langtijdgemiddelde:

het gemiddelde van de afwisselende niveau's van het ter plaatse optredende geluid, gemeten over een aaneengesloten periode van tenminste 10 minuten en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai, met dien verstande dat de bedrijfsduurcorrectie niet worden toegepast.

 

2.13 ondergeschikte bouwonderdelen:

 

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, luchtkokers, wolfseinden, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken, ook indien gelegen buiten het aangegeven bestemmingsvlak, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van de bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt en deze niet binnen de bestemming 'Natuur' en de aanduiding 'Overige zone - ecologische verbindingszone' is gelegen.

 

 

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

 

Artikel 3 Bedrijf

 

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 van de regels onder:

  1. de milieucategorie 1 en 2 ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf van categorie 2';

  2. de milieucategorieën 2 en 3.1 ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1';

  3. de milieucategorieën 2, 3.1 en 3.2 ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2';

  1. met uitzondering van:

  1. risicovolle inrichtingen;

  2. geluidzoneringsplichtige inrichtingen, tenzij ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – industrieterrein [naam]’;

  3. kwetsbare objecten;

  4. zelfstandige kantoren;

  5. detailhandelsbedrijven;

  6. autodemontagebedrijven;

  7. verkooppunt motorbrandstoffen;

  8. pickuppoints;

  9. sportscholen;

  10. dienstverlening;

  11. maatschappelijke voorzieningen;

  12. leisure voorzieningen;

  1. detailhandel in automaterialen, -accessoires en -gereedschappen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - detailhandel in automaterialen, -accessoires en -gereedschappen';

  2. detailhandel in volumineuze goederen ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel in volumineuze goederen';

  3. laad- en loskaden, daar waar de bestemming ‘Bedrijf’ direct grenst aan de bestemming ‘Water’;

  4. opslag van materialen ten behoeve van de bedrijfsuitoefening;

  5. reclamevoorzieningen;

  6. een bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning';

  7. aan de woonfunctie ondergeschikte activiteiten in de vorm van:

  1. aan huis verbonden beroepen of bedrijven;

  2. gastouderschap;

  1. tuinen, erven en verhardingen;

  2. groenvoorzieningen;

  3. nutsvoorzieningen (met uitzondering van risicovolle inrichtingen);

  4. voorzieningen voor verkeer en verblijf;

  5. ondergeschikte voorzieningen voor verkeer en verblijf;

  6. parkeervoorzieningen;

  7. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

  8. wonen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' en de aanduiding ‘woonwagenstandplaats’, voor zover dit de huisvesting betreft van (het huishouden van) een persoon die op dat bedrijf of die instelling werkzaam is, al dan niet toezicht houdt, en ter plaatse van de aanduiding ‘wonen’;

  9. aan de woonfunctie ondergeschikte activiteiten in de vorm van:

  1. aan huis verbonden beroepen of bedrijven;

  2. gastouderschap;

 

alsmede voor:

  1. de bescherming en instandhouding van de ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - rijksmonument’ / ‘specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument’ aangegeven gebouwen;

 

3.2 Bouwregels

 

3.2.1 Algemeen

Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd.

 

3.2.2 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en overkappingen ten dienste van de bedrijfsvoering geldt de volgende bepaling:

  1. De goothoogte respectievelijk bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding '‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)’, 'maximum bouwhoogte (m)', 'maximum bouwhoogte (m), maximum bebouwingspercentage (%)' of 'maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven.

 

3.2.3 (Bedrijfs)woningen en bijbehorende bouwwerken bij (bedrijfs)woningen

Voor (bedrijfs)woningen en bijbehorende bouwwerken bij (bedrijfs)woningen gelden de volgende bepalingen:

  1. (Bedrijfs)woningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning';

  2. Woningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'wonen' (w);

  3. Het aantal (bedrijfs)woningen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van het aanduidingsvlak 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven. Indien geen aanduiding is opgenomen, is ter plaatse slechts één (bedrijfs)woning toegestaan.

  4. De inhoud van een bedrijfswoning mag niet meer dan 750 m3 bedragen. De ondergrondse bebouwing wordt niet meegerekend voor het bepalen van de inhoud.

  5. Voor niet-inpandige bedrijfswoningen geldt dat de goot- en bouwhoogte niet meer mogen bedragen dan 6 m respectievelijk 10 m.

  6. Indien er sprake is van een plat dak, dan geldt dat de goothoogte niet meer mag bedragen dan 6,5 m.

  7. Bij een bedrijfswoning behorende bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' worden gebouwd.

  8. Voor de bouw van de onder f bedoelde bouwwerken gelden de volgende voorwaarden:

  1. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 70 m2;

  2. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 m;

  3. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m;

  4. de bouwwerken mogen uitsluitend vanaf 1 m achter de voorgevel van de bedrijfswoning en het verlengde daarvan worden opgericht;

  5. ingeval er sprake is van een overkapping, zijnde een bij de bedrijfswoning behorend bouwwerk, dan is een goot- en bouwhoogte van toepassing van 3,5 m.

 

 

3.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen:

  1. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat overkappingen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd;

  2. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van het bedrijfsproces mogen, indien gesitueerd binnen het aangegeven bouwvlak, niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)’ is aangegeven.

  3. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2,5 m.

  4. De bouwhoogte van bouwwerken ten behoeve van het opwekken van energie mag niet meer bedragen dan 5 m.

  5. De bouwhoogte van windturbines, ter plaatse van de aanduiding ‘windturbine' mag niet meer bedragen dan 100 m. (indien van toepassing)

  6. De bouwhoogte van silo’s, kranen, schoorstenen, voorzieningen ten behoeve van een laad- en loskade en daarmee gelijk te stellen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 30 m.

  7. De bouwhoogte van reclamemasten, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – reclamemast' (sba-rec), mag niet meer bedragen dan 40 m.

  8. De bouwhoogte van vlaggenmasten, antennes en reclamemasten mag niet meer dan bedragen dan 6 m.

  9. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 5 m.

 

 

 

3.3 Nadere eisen

  1. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bebouwing op het bouwperceel.

  2. De onder a genoemde nadere eisen mogen slechts worden gesteld voor:

  1. het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van de ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - rijksmonument’/‘specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument’ aangegeven bebouwing;

 

3.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van:

  1. het bepaalde in lid 3.2.3, sub e voor het toestaan van een hogere goothoogte voor de niet-inpandige bedrijfswoning, mits:

  1. de maximaal toegestane bouwhoogte niet wordt overschreden;

  2. dit passend is binnen de stedenbouwkundige structuur van de omgeving en het plaatselijk straatbeeld;

  1. het bepaalde in lid 3.2.5, sub i voor het bouwen van reclamemasten en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming tot een bouwhoogte van maximaal 30 m, mits:

  1. dit passend is binnen de stedenbouwkundige structuur van de omgeving en het plaatselijk straatbeeld.

 

3.5 Specifieke gebruiksregels

 

3.5.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:

  1. het gebruik van platte daken als dakterras;

  2. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een (bedrijfs)woning als zelfstandige woonruimte, al dan niet ten behoeve van mantelzorg;

  3. het gebruik van de (bedrijfs)woning of de vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een (bedrijfs)woning als bed & breakfast;

  4. geluidzoneringsplichtige inrichtingen conform de Wet geluidhinder;

  5. activiteiten uit kolom 1 van bijlagen C en D van het Besluit milieueffectrapportage 1994 in de gevallen, zoals genoemd in kolom 2 van de desbetreffende bijlage;

  6. een inrichting als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), behoudens de bevi-inrichtingen welke in de regels uitdrukkelijk zijn toegestaan;

  7. opslag van consumentenvuurwerk;

  8. wonen, met uitzondering ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning', en voor zover het wonen de huisvesting betreft van (het huishouden van) een persoon die op dat bedrijf of die instelling werkzaam is, al dan niet toezicht houdt.

 

3.5.2 Niet-zelfstandige kantoren

  1. Bij bedrijven zijn uitsluitend niet-zelfstandige kantoren toegestaan.

  2. De vloeroppervlakte van niet-zelfstandige kantoren mag per bedrijf niet meer bedragen dan 1.500 m2.

  3. Indien de bestaande vloeroppervlakte meer bedraagt dan 1.500 m2, geldt deze oppervlakte als maximale oppervlakte.

  4. Ter plaatse van de aanduiding 'kantoor uitgesloten' zijn (niet-zelfstandige) kantoren niet toegestaan.

 

3.5.3 Aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijf

Voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep of een aan huis verbonden bedrijf zijn de volgende bepalingen van toepassing:

  1. er moet sprake zijn van de aanduiding 'bedrijfswoning';

  2. de activiteit wordt uitsluitend uitgeoefend door een bewoner van de bedrijfswoning;

  3. de activiteit bedraagt niet meer dan 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning en de bij deze woning behorende bijbehorende bouwwerken, tot een maximum van 50 m2;

  4. buitenactiviteiten, waaronder opslag, ten dienste van het aan huis verbonden beroep of bedrijf zijn niet toegestaan;

  5. machinale productie en machinale reparatie- en herstelwerkzaamheden alsmede het verrichten van herstelwerkzaamheden aan gemotoriseerde voertuigen zijn niet toegestaan;

  6. horeca en detailhandel (w.o. showroom en/of afhaalpunt c.q. logistieke functie, al dan niet t.b.v. internethandel) zijn niet toegestaan;

  7. er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient voldaan te worden aan het bepaalde in artikel 26.2.

 

3.5.4 Buitenopslag

Buitenopslag is niet toegestaan vóór de voorgevel van het gebouw, dat het dichtste bij de weg is gesitueerd.

 

3.6 Afwijken van de gebruiksregels

 

3.6.1 Andere bedrijfsactiviteiten

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.1;

  1. voor bedrijven die niet voorkomen op de Staat van bedrijfsactiviteiten, maar die naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in de Staat van bedrijfsactiviteiten onder de categorieën zoals toegestaan op grond van het bepaalde onder 3.1;

  2. voor bedrijven in één milieucategorie hoger dan is toegestaan op grond van het bepaalde onder 3.1, mits deze bedrijven naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de ter plaatse toegestane bedrijven, met uitzondering van:

  1. geluidzoneringsplichtige inrichtingen;

  2. risicovolle inrichtingen.

  1. Voor het uitoefenen van detailhandel in:

  1. ter plaatse vervaardigde, bewerkte en herstelde goederen, als ondergeschikte en niet-zelfstandig onderdeel van de bedrijfsvoering;

  2. in goederen, die een eerstegraads verwantschap hebben c.q. in rechtstreeks verband staan met de hiervoor onder 1 bedoelde goederen, mits deze detailhandel als een ondergeschikt en niet-zelfstandig onderdeel van de onder 1 omschreven bedrijfsvoering plaatsvindt.

  1. Ten behoeve van een pickuppoint;

  2. Ten behoeve van dienstverlening of maatschappelijke functie;

  3. De omgevingsvergunning beoeld onder lid a tot en met e kan worden verleend, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient voldaan te worden aan het bepaalde in artikel 26.2;

  2. er zijn hiertegen geen bezwaren vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid.

 

3.6.2 Omgevingsvergunning huisvesting in verband met mantelzorg

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de gebruiksregels en toestaan dat een vrijstaand bijbehorend bouwwerk of een deel van de (bedrijfs)woning gebruikt wordt ten behoeve van huisvesting in verband met mantelzorg, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. ingeval van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is de woonruimte gelegen op een maximale afstand van 15 m van de (bedrijfs)woning;

  2. de totale toegestane oppervlakte, welke ten behoeve van de huisvesting mag worden ingezet, bedraagt maximaal 100 m2;

  3. de huisvesting moet ten dienste staan van het verlenen van mantelzorg;

  4. ten behoeve van de huisvesting van een zorgbehoevende mogen die voorzieningen worden aangebracht, die zelfstandige bewoning mogelijk maken;

  5. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonruimte;

  6. de situering van de woonruimte leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving;

  7. de omgevingsvergunning wordt ingetrokken, indien de noodzaak uit een oogpunt van mantelzorg vervalt. Daarbij dienen de voorzieningen, die zelfstandige bewoning mogelijk maakten, dusdanig verwijderd te worden, dat zelfstandige bewoning niet meer mogelijk is.

 

3.6.3 Omgevingsvergunning bed & breakfast

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de gebruiksregels en toestaan dat een (bedrijfs)woning gebruikt wordt ten behoeve van een bed & breakfast, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. de activiteit bedraagt niet meer dan 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de (bedrijfs)woning tot een maximum van 100 m2;

  2. de afstand van een nieuwe bed & breakfast tot een reeds bestaande bed & breakfast dient minimaal 100 m te bedragen;

  3. het aantal bedden mag niet meer bedragen dan 4;

  4. een bed & breakfast is alleen toegestaan in niet-zelfstandige woonruimte(n);

  5. de activiteit wordt uitsluitend uitgeoefend door een bewoner van de woning;

  6. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonruimte;

  7. de situering van de woonruimte leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving;

  8. er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient te worden voldaan aan het bepaalde in artikel 26.2.

 

3.6.4 Omgevingsvergunning meerdere huishoudens

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1 en toestaan dat één (bedrijfs)woning wordt gebruikt ten behoeve van meerdere huishoudens, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. huisvesting vindt plaats in de (bedrijfs)woning;

  2. het aantal personen waaraan woonruimte wordt geboden mag niet meer bedragen dan 4;

  3. de extra huishoudens mogen uitsluitend worden gehuisvest in niet-zelfstandige woonruimte(n);

  4. per bewoner dient minimaal 24 m2 gebruiksoppervlakte, zoals gedefinieerd in de bouwverordening en het bouwbesluit, aan gezamenlijke woonruimten en eigen woonruimten aanwezig te zijn;

  5. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonruimte;

  6. de situering van de woonruimte leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving;

  7. er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient te worden voldaan aan het bepaalde in artikel 26.2.

 

3.6.5 Omgevingsvergunning toevoegen woning

Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde binnen deze bestemming teneinde een woning toe te voegen, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. de toevoeging van de (bedrijfs)woning is uitsluitend toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  1. de extra (bedrijfs)woning komt in een pand met een monumentenstatus of in een langgevelboerderij. Over het aspect, of sprake is van een

anggevelboerderij wordt onafhankelijk deskundig advies ingewonnen;
  1. de extra (bedrijfs)woning is uitsluitend toegestaan, indien dit mede is gericht op het behoud of herstel van deze cultuurhistorische waardevolle bebouwing als bedoeld onder sub 1; hieromtrent wordt deskundig advies ingewonnen;

  2. het pand mag niet worden uitgebreid.

  1. de toevoeging van de (bedrijfs)woning is stedenbouwkundig, landschappelijk, verkeerskundig en milieukundig (w.o. woon- en leefmilieu) aanvaardbaar;

  2. de toevoeging van de (bedrijfs)woning leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving;

  3. er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient voldaan te worden aan het bepaalde in artikel 26.2.

 

3.6.6 Omgevingsvergunning dakterras (t.b.v. de woonfunctie)

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de gebruiksregels en toestaan dat een plat dak wordt gebruikt als dakterras, mits aan aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. het dakterras wordt uitsluitend gebruikt t.b.v. de woonfunctie;

  2. het dakterras mag niet binnen een afstand van 2 meter tot de grenslijn van het naburig erf zijn gelegen;

  3. het bepaalde onder b. is niet van toepassing indien:

  1. voorzieningen worden aangebracht die er toe leiden dat vanaf het dakterras geen uitzicht is op het naburige erf; of

  2. toestemming is gegeven door de eigenaren van de naburige erven.

 

 

Artikel 4 Bedrijf - Betonwarenfabriek

 

 

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Bedrijf - Betonwarenfabriek’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. een betonwarenfabriek (SBI-code 23611) in maximaal milieucategorie 5.2, zoals genoemd in bijlage 1 (Staat van bedrijfsactiviteiten);

  2. ten dienste van het bedrijf, als bedoeld onder a:

  3. ondergeschikte kantoren;

  4. ondergeschikte detailhandel in ter plaatse vervaardigde of bewerkte producten;

  5. opslag en uitstalling van materialen;

  6. erven en verhardingen;

  7. laden, lossen en parkeren;

  8. laad- en loskaden daar waar de bestemming ‘Bedrijf - Betonwarenfabriek’ direct grenst aan de bestemming ‘Water’, met uitzondering van het laden en lossen van gevaarlijke stoffen;

  9. groenvoorzieningen;

  10. nutsvoorzieningen;

  11. geluidwerende voorzieningen;

  12. ondergeschikte voorzieningen voor verkeer en verblijf;

  13. parkeervoorzieningen;

  14. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

  15. andere bijbehorende voorzieningen, waaronder reclamemasten, energievoorzieningen en installaties voor telecommunicatie.

 

4.2 Bouwregels

 

4.2.1 Algemeen

Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd.

 

4.2.2 Bedrijfsgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en overkappingen geldt de volgende bepaling:

  1. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)’ is aangegeven.

 

4.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  1. Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd;

  2. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, die ten dienste staan van het bedrijfsproces mag binnen het bouwvlak niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)’ is aangegeven.

  3. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, die ten dienste staan van het bedrijfsproces mag buiten het bouwvlak niet meer bedragen dan 5 m.

  4. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2,75 m.

  5. De bouwhoogte van keerwanden mag niet meer bedragen dan 4 m. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - hogere keerwand toegestaan' mag de bouwhoogte van keerwanden niet meer bedragen dan 10 m.

  6. De bouwhoogte van bouwwerken ten behoeve van het opwekken van energie mag niet meer bedragen dan 5 m.

  7. De bouwhoogte van silo’s, kranen, voorzieningen ten behoeve van een laad- en loskade en daarmee gelijk te stellen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 30 m.

  8. De bouwhoogte van bouwwerken ten behoeve van bedrijfs- en reclameuitingen mag niet meer bedragen dan 6 m.

  9. De bouwhoogte van vlaggenmasten, antennes en lichtmasten mag niet meer bedragen dan 25 m.

  10. De bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen mag niet meer bedragen dan 5 m;

  11. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 5 m.

 

4.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van:

  1. het bepaalde in lid 4.2.3, sub e voor het bouwen van keerwanden tot een bouwhoogte van maximaal 6 m, ter plaatse waar de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - hogere keerwand toegestaan' niet is opgenomen, mits:

  1. dit passend is binnen de stedenbouwkundige structuur van de omgeving en het plaatselijk straatbeeld;

  2. deze voorziening uit bedrijfstechnisch oogpunt noodzakelijk is.

  1. het bepaalde in lid 4.2.3, sub g ten behoeve van het bouwen van silo's, kranen en daarmee gelijk te stellen bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot een bouwhoogte van 30 m, mits

  1. de afwijking noodzakelijk is vanwege de bedrijfsuitoefening;

  2. dit passend is binnen de stedenbouwkundige structuur van de omgeving en het plaatselijk straatbeeld;

  1. het bepaalde in lid 4.2.3, sub h voor het bouwen van reclamemasten tot een bouwhoogte van maximaal 15 m, mits:

  1. dit passend is binnen de stedenbouwkundige structuur van de omgeving en het plaatselijk straatbeeld.

 

4.4 Specifieke gebruiksregels

 

4.4.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van de gronden en opstallen voor:

  1. een bedrijfswoning;

  2. zelfstandige kantoren;

  3. detailhandel, met uitzondering van detailhandel als bedoeld in lid 4.4.3;

  4. een standplaats van onderkomens en een standplaats van wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel ter plaatse;

 

4.4.2 Niet-zelfstandige kantoren

  1. Bij bedrijven zijn uitsluitend niet-zelfstandige kantoren toegestaan;

  2. De vloeroppervlakte van niet-zelfstandige kantoren mag per bedrijf niet meer bedragen dan 1.500 m2.

 

4.4.3 Ondergeschikte detailhandel

Detailhandel in ter plaatse vervaardigde of bewerkte producten is toegestaan als ondergeschikt onderdeel van de bedrijfsvoering van een bedrijf, onder de volgende voorwaarden:

  1. Het verkoopvloeroppervlak mag niet meer bedragen dan 25% van het bedrijfsvloeroppervlak;

  2. Detailhandel is niet toegestaan in een afzonderlijk gebouw.

 

Artikel 5 Bedrijf – Nutsvoorziening

 

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Bedrijf – Nutsvoorziening’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. nutsvoorzieningen (met uitzondering van risicovolle inrichtingen);

  2. antennemasten, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘antennemast' (am);

  3. erven en verhardingen;

  4. groenvoorzieningen;

  5. ondergeschikte voorzieningen voor verkeer en verblijf;

  6. parkeervoorzieningen;

  7. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

 

5.2 Bouwregels

 

5.2.1 Algemeen

Voor zover er een maximum oppervlakte is aangeduid, mag de bebouwing ter plaatse van de aanduiding ‘maximum oppervlakte (m2)’ niet meer bedragen dan de genoemde oppervlakte. Indien geen aanduiding is opgenomen, mag het bouwvlak volledig worden bebouwd.

 

5.2.2 Gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende bepalingen:

  1. Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd;

  2. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 m;

  3. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m;

  4. ingeval er sprake is van een overkapping, dan is een goot- en bouwhoogte van toepassing van 3,5 m.

 

5.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  1. Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd;

  2. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2,5 m;

  3. De bouwhoogte van bouwwerken ten behoeve van het opwekken van energie mag niet meer bedragen dan 5 m;

  4. De bouwhoogte van antennemasten, ter plaatse van de aanduiding ‘antennemast' mag tot 40 m bedragen;

  5. De bouwhoogte van windturbines, ter plaatse van de aanduiding ‘windturbine' (wt) mag niet meer bedragen dan 100 m;

  6. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3,5 m.

 

Artikel 6 Centrum

 

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Centrum’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. detailhandel m.u.v. supermarkten, uitsluitend op de begane grond;

  2. een supermarkt, uitsluitend op de begane grond en uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt';

  3. dienstverlening, op de begane grond;

  4. horeca in de horecacategorieën 1, 2 en 3, op de begane grond;

  5. maatschappelijke voorzieningen, op de begane grond;

  6. wonen, tenzij anders aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'wonen uitgesloten' of voor zover dat ter plaatse is toegestaan middels de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden', of voor zover deze activiteit op het moment van inwerkingtreding van onderhavige parapluherziening ter plaatse legaal werd ontplooid;

  7. aan de woonfunctie ondergeschikte activiteiten in de vorm van:

  1. aan huis verbonden beroepen of bedrijven;

  2. gastouderschap;

  1. tuinen, erven en verhardingen;

  2. groenvoorzieningen;

  3. nutsvoorzieningen (met uitzondering van risicovolle inrichtingen);

  4. ondergeschikte voorzieningen voor verkeer en verblijf;

  5. parkeervoorzieningen;

  6. een parkeergarage, ter plaatse van de aanduiding ‘parkeergarage’;

  7. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

  8. evenementen - I;

 

alsmede voor:

  1. de bescherming en instandhouding van de ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - rijksmonument’ /‘specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument’ aangegeven gebouwen.

 

6.2 Bouwregels

 

6.2.1 Algemeen

Voor het bouwen in het algemeen geldt de volgende bepaling:

  1. Per bouwvlak mag het aantal woningen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximaal aantal wooneenheden' is aangegeven. Indien geen aanduiding is opgenomen, is ter plaatse slechts één woning toegestaan;

  2. voor zover er een bebouwingspercentage is opgenomen, mag de bebouwing ter plaatse van die aanduiding niet meer bedragen dan het genoemde percentage. Indien geen aanduiding is opgenomen, mag het bouwvlak volledig worden bebouwd.

 

6.2.2 Gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende bepalingen:

  1. Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd;

  2. De goothoogte respectievelijk bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)’ is aangegeven;

  3. ingeval er sprake is van een overkapping, dan is de ter plaatse aangegeven maximum goothoogte tevens de maximum bouwhoogte.

 

6.2.3 Parkeergarage

Ter plaatse van de aanduiding ‘parkeergarage’ mogen (ondergrondse) parkeervoorzieningen worden gebouwd tot een verticale diepte van niet meer dan 4 m.

 

6.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde gelden de volgende bepalingen:

  1. Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd;

  2. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2,5 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw niet meer mag bedragen dan 1 m;

  3. De bouwhoogte van vlaggenmasten en antennes mag niet meer bedragen dan 6 m;

  4. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3,5 m.

 

6.3 Nadere eisen

  1. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bebouwing op het bouwperceel.

  2. De onder a genoemde nadere eisen mogen slechts worden gesteld voor het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van de ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - rijksmonument’/‘specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument’ aangegeven bebouwing.

 

6.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in:

  1. lid 6.2.4 onder b voor het toestaan van hogere erf- en terreinafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw, mits:

  1. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 2,5 m;

  2. dit uit veiligheidsoverwegingen noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering;

  3. dit passend is binnen de stedenbouwkundige structuur van de omgeving en het plaatselijk straatbeeld;

  4. hiertegen geen bezwaren zijn uit oogpunt van verkeersveiligheid.

 

6.5 Specifieke gebruiksregels

 

6.5.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:

  1. het bewonen of het laten bewonen van een woning door meerdere huishoudens;

  2. het verhuren of laten verhuren van een woning voor kamerverhuur;

  3. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning als zelfstandige woonruimte, al dan niet ten behoeve van mantelzorg;

  4. het gebruik van de woning of de vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning als bed & breakfast.

  5. het gebruik van platte daken als dakterras;

 

6.5.2 Aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijf

Voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep of een aan huis verbonden bedrijf zijn de volgende bepalingen van toepassing:

  1. de activiteit wordt uitsluitend uitgeoefend door een bewoner van de woning;

  2. de activiteit bedraagt niet meer dan 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning en de bij deze woning behorende bijbehorende bouwwerken, tot een maximum van 50 m2;

  3. buitenactiviteiten, waaronder opslag, ten dienste van het aan huis verbonden beroep of bedrijf zijn niet toegestaan;

  4. machinale productie en machinale reparatie- en herstelwerkzaamheden alsmede het verrichten van herstelwerkzaamheden aan gemotoriseerde voertuigen zijn niet toegestaan;

  5. horeca en detailhandel (w.o. showroom en/of afhaalpunt c.q. logistieke functie, al dan niet t.b.v. internethandel) zijn niet toegestaan;

  6. er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient voldaan te worden aan het bepaalde in artikel 26.2.

 

6.5.3 Evenementen

Voor het houden van evenementen – I zijn de volgende bepalingen van toepassing:

  1. het aantal evenementen bedraagt maximaal 6 per jaar per locatie;

  2. de duur per evenement mag (inclusief op- en afbouwdagen) maximaal 2 dagen bedragen;

  3. het evenement mag alleen plaatsvinden in de dag- en avondperiode;

  4. op- en afbouwactiviteiten mogen plaatsvinden direct voorafgaand of volgend op het evenement;

  5. het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) vanwege het evenement mag gemeten op de gevel van een geluidgevoelig object niet meer bedragen dan 60 dB(A) en 75 dB(C) (etmaalwaarde).

  6. het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) vanwege de op- en afbouwactiviteiten voor het evenement mag gemeten op de gevel van een geluidgevoelig object niet meer bedragen dan 50 dB(A) (etmaalwaarde).

 

6.5.4 Gastouderschap

Voor de uitoefening van gastouderschap zijn de volgende bepalingen van toepassing:

  1. er moet sprake zijn van een bestemmingsvlak, waarop minimaal één (bedrijfs)woning is toegestaan;

  2. de activiteit wordt uitsluitend uitgeoefend door één bewoner van de (bedrijfs)woning;

  3. er mogen, naast eigen kinderen van de gastouder, ten hoogste 6 kinderen gelijktijdig worden opgevangen.

 

6.6 Afwijken van de gebruiksregels

 

6.6.1 Omgevingsvergunning andere functies

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.1 en (één van) de voor de begane grond toegelaten functies ook op de verdieping(en) toestaan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. het volkshuisvestingsbelang wordt niet onevenredig geschaad;

  2. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast;

  3. er is geen onevenredige hinder voor de (woon)omgeving te verwachten;

  4. er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient voldaan te worden aan het bepaalde in artikel 26.2.

 

6.6.2 Omgevingsvergunning huisvesting in verband met mantelzorg

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de gebruiksregels en toestaan dat een vrijstaand bijbehorend bouwwerk of een deel van de woning gebruikt wordt ten behoeve van huisvesting in verband met mantelzorg, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. ingeval van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is de woonruimte gelegen op een maximale afstand van 15 m van de woning;

  2. de totale toegestane oppervlakte, welke ten behoeve van de huisvesting mag worden ingezet, bedraagt maximaal 100 m2;

  3. de huisvesting moet ten dienste staan van het verlenen van mantelzorg;

  4. ten behoeve van de huisvesting van een zorgbehoevende mogen die voorzieningen worden aangebracht, die zelfstandige bewoning mogelijk maken;

  5. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonruimte;

  6. de situering van de woonruimte leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving;

  7. de omgevingsvergunning wordt ingetrokken, indien de noodzaak uit een oogpunt van mantelzorg vervalt. Daarbij dienen de voorzieningen, die zelfstandige bewoning mogelijk maakten, dusdanig verwijderd te worden, dat zelfstandige bewoning niet meer mogelijk is.

 

6.6.3 Omgevingsvergunning bed & breakfast

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de gebruiksregels en toestaan dat een woning gebruikt wordt ten behoeve van een bed & breakfast, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. de activiteit bedraagt niet meer dan 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning tot een maximum van 100 m2;

  2. de afstand van een nieuwe bed & breakfast tot een reeds bestaande bed & breakfast dient minimaal 100 m te bedragen;

  3. het aantal bedden mag niet meer bedragen dan 4;

  4. een bed & breakfast is alleen toegestaan in niet-zelfstandige woonruimte(n);

  5. de activiteit wordt uitsluitend uitgeoefend door een bewoner van de woning;

  6. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonruimte;

  7. de situering van de woonruimte leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving;

  8. er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient te worden voldaan aan het bepaalde in artikel 26.2.

 

6.6.4 Omgevingsvergunning meerdere huishoudens

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.1 en toestaan dat één woning wordt gebruikt ten behoeve van meerdere huishoudens, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. huisvesting vindt plaats in de woning;

  2. het aantal personen waaraan woonruimte wordt geboden mag niet meer bedragen dan 4;

  3. de extra huishoudens mogen uitsluitend worden gehuisvest in niet-zelfstandige woonruimte(n);

  4. per bewoner dient minimaal 24 m2 gebruiksoppervlakte, zoals gedefinieerd in de bouwverordening en het bouwbesluit, aan gezamenlijke woonruimten en eigen woonruimten aanwezig te zijn;

  5. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonruimte;

  6. de situering van de woonruimte leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving;

  7. er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient te worden voldaan aan het bepaalde in artikel 26.2.

 

6.6.5 Omgevingsvergunning toevoegen woning

Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde binnen deze bestemming teneinde een woning toe te voegen, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. de toevoeging van de woning is uitsluitend toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  1. de extra woning komt in een pand met een monumentenstatus of in een langgevelboerderij. Over het aspect, of sprake is van een langgevelboerderij wordt onafhankelijk deskundig advies ingewonnen;

  2. de extra woning is uitsluitend toegestaan, indien dit mede is gericht op het behoud of herstel van deze cultuurhistorische waardevolle bebouwing als bedoeld onder sub 1; hieromtrent wordt deskundig advies ingewonnen;

  3. het pand mag (ten behoeve van de extra woning) niet worden uitgebreid;

  1. de toevoeging van de woning is stedenbouwkundig, landschappelijk, verkeerskundig en milieukundig (w.o. woon- en leefmilieu) aanvaardbaar;

  2. de toevoeging van de woning leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving;

  3. er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient voldaan te worden aan het bepaalde in artikel 26.2.

 

6.6.6 Omgevingsvergunning dakterras (t.b.v. de woonfunctie)

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de gebruiksregels en toestaan dat een plat dak wordt gebruikt als dakterras, mits aan aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. het dakterras wordt uitsluitend gebruikt t.b.v. de woonfunctie;

  2. het dakterras mag niet binnen een afstand van 2 meter tot de grenslijn van het naburig erf zijn gelegen;

  3. het bepaalde onder b. is niet van toepassing indien:

  1. voorzieningen worden aangebracht die er toe leiden dat vanaf het dakterras geen uitzicht is op het naburige erf, of;

  2. toestemming is gegeven door de eigenaren van de naburige erven.

 

Artikel 7 Gemengd

 

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Gemengd’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. wonen, tenzij anders aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'wonen uitgesloten' en voor zover dat ter plaatse is toegestaan middels de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' of voor zover deze activiteit op het moment van inwerkingtreding van onderhavig bestemmingsplan ter plaatse legaal werd ontplooid;

  2. zorgwonen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'zorgwonen';

  3. aan de woonfunctie ondergeschikte activiteiten in de vorm van:

  1. aan huis verbonden beroepen of bedrijven;

  2. gastouderschap;

  1. horeca in horecacategorieën 1 en 2, uitsluitend op de begane grond en uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'horeca';

  2. dienstverlening uitsluitend op de begane grond en uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'dienstverlening';

  3. detailhandel (m.u.v. supermarkten), uitsluitend op de begane grond en uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel';

  4. kantoor, uitsluitend op de begane grond en uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kantoor';

  5. logies, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - logies';

  6. culturele en ontspannende voorzieningen, uitsluitend op de begane grond;

  7. tuinen, erven en verhardingen;

  8. groenvoorzieningen;

  9. nutsvoorzieningen (met uitzondering van risicovolle inrichtingen);

  10. ondergeschikte voorzieningen voor verkeer en verblijf;

  11. parkeervoorzieningen;

  12. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

 

7.2 Bouwregels

 

7.2.1 Algemeen

Voor het bouwen in het algemeen gelden de volgende bepalingen:

  1. Ter plaatse van het aanduidingsvlak 'maximum aantal wooneenheden' mag het aantal woningen niet meer bedragen dan ter plaatse is aangegeven. Indien geen aanduiding is opgenomen, is ter plaatse slechts één woning toegestaan;

  2. Voor zover er een bebouwingspercentage is opgenomen, mag de bebouwing ter plaatse van die aanduiding niet meer bedragen dan het genoemde percentage. Indien geen aanduiding is opgenomen, mag het bouwvlak volledig worden bebouwd.

 

7.2.2 Gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen binnen het bouwvlak geldt de volgende

bepaling:

  1. De goothoogte respectievelijk bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)’ is aangegeven;

  2. Ingeval er sprake is van een overkapping, dan is de ter plaatse aangegeven maximum goothoogte tevens de maximum bouwhoogte.

 

7.2.3 Gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak gelden de

volgende bepalingen:

  1. Gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak zijn uitsluitend toegestaan ten behoeve van de de op het betreffende bouwperceel toegestane functies.

  2. Gebouwen en overkappingen dienen op een afstand van ten minste 1 m achter de voorgevelrooilijn te worden gebouwd.

  3. De goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 4 m.

  4. De gronden gelegen achter de achtergevellijn en het verlengde daarvan mogen voor maximaal 80% worden bebouwd.

 

7.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde gelden de

volgende bepalingen:

  1. Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak gebouwd worden.

  2. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2,5 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw niet meer mag bedragen dan 1 m.

  3. De bouwhoogte van vlaggenmasten en antennes mag niet meer bedragen dan 6 m.

  4. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3,5 m.

 

7.2.5 Brandtrap

Voor het bouwen van een brandtrap gelden de volgende bepalingen:

  1. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - brandtrap' is een brandtrap toegestaan.

  2. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m.

 

7.2.6 Parkeergarage

Ter plaatse van de aanduiding ‘parkeergarage’ mogen (ondergrondse) parkeervoorzieningen worden gebouwd tot een verticale diepte van niet meer dan 4 m.

 

7.3 Nadere eisen

  1. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bebouwing op het bouwperceel.

  2. De onder a genoemde nadere eisen mogen slechts worden gesteld voor het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van de ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - rijksmonument’/‘specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument’ aangegeven bebouwing.

 

7.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het

bepaalde in:

  1. Lid 7.2.4onder b voor het toestaan van hogere erf- en terreinafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw, mits:

  1. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 2,5 m;

  2. dit uit veiligheidsoverwegingen noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering;

  3. dit passend is binnen de stedenbouwkundige structuur van de omgeving en het plaatselijk straatbeeld;

  4. hiertegen geen bezwaren zijn uit oogpunt van verkeersveiligheid.

 

 

7.5 Specifieke gebruiksregels

 

7.5.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:

  1. het bewonen of het laten bewonen van een woning door meerdere huishoudens;

  2. het verhuren of laten verhuren van een woning voor kamerverhuur;

  3. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning als zelfstandige woonruimte, al dan niet ten behoeve van mantelzorg;

  4. het gebruik van de woning of de vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning als bed & breakfast.

  5. het gebruik van platte daken als dakterras;

 

7.5.2 Aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijf

Voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep of een aan huis verbonden bedrijf zijn de volgende bepalingen van toepassing:

  1. de activiteit wordt uitsluitend uitgeoefend door een bewoner van de woning;

  2. de activiteit bedraagt niet meer dan 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning en de bij deze woning behorende bijbehorende bouwwerken, tot een maximum van 50 m2;

  3. buitenactiviteiten, waaronder opslag, ten dienste van het aan huis verbonden beroep of bedrijf zijn niet toegestaan;

  4. machinale productie en machinale reparatie- en herstelwerkzaamheden alsmede het verrichten van herstelwerkzaamheden aan gemotoriseerde voertuigen zijn niet toegestaan;

  5. horeca en detailhandel (w.o. showroom en/of afhaalpunt c.q. logistieke functie, al dan niet t.b.v. internethandel) zijn niet toegestaan;

  6. er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient te worden voldaan aan het bepaalde in artikel 26.2.

 

7.5.3 Gastouderschap

Voor de uitoefening van gastouderschap zijn de volgende bepalingen van toepassing:

  1. er moet sprake zijn van een bestemmingsvlak, waarop minimaal één (bedrijfs)woning is toegestaan;

  2. de activiteit wordt uitsluitend uitgeoefend door één bewoner van de (bedrijfs)woning;

  3. er mogen, naast eigen kinderen van de gastouder, ten hoogste 6 kinderen gelijktijdig worden opgevangen.

 

7.6 Afwijken van de gebruiksregels

 

7.6.1 Omgevingsvergunning huisvesting in verband met mantelzorg

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de gebruiksregels en toestaan dat een vrijstaand bijbehorend bouwwerk of een deel van de woning gebruikt wordt ten behoeve van huisvesting in verband met mantelzorg, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. ingeval van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is de woonruimte gelegen op een maximale afstand van 15 m van de woning;

  2. de totale toegestane oppervlakte, welke ten behoeve van de huisvesting mag worden ingezet, bedraagt maximaal 100 m2;

  3. de huisvesting moet ten dienste staan van het verlenen van mantelzorg;

  4. ten behoeve van de huisvesting van een zorgbehoevende mogen die voorzieningen worden aangebracht, die zelfstandige bewoning mogelijk maken;

  5. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonruimte;

  6. de situering van de woonruimte leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving;

  7. de omgevingsvergunning wordt ingetrokken, indien de noodzaak uit een oogpunt van mantelzorg vervalt. Daarbij dienen de voorzieningen, die zelfstandige bewoning mogelijk maakten, dusdanig verwijderd te worden, dat zelfstandige bewoning niet meer mogelijk is.

 

7.6.2 Omgevingsvergunning bed & breakfast

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de gebruiksregels en toestaan dat een woning gebruikt wordt ten behoeve van een bed & breakfast, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. de activiteit bedraagt niet meer dan 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning tot een maximum van 100 m2;

  2. de afstand van een nieuwe bed & breakfast tot een reeds bestaande bed & breakfast dient minimaal 100 m te bedragen;

  3. het aantal bedden mag niet meer bedragen dan 4;

  4. een bed & breakfast is alleen toegestaan in niet-zelfstandige woonruimte(n);

  5. de activiteit wordt uitsluitend uitgeoefend door een bewoner van de woning;

  6. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonruimte;

  7. de situering van de woonruimte leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving;

  8. er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient te worden voldaan aan het bepaalde in artikel 26.2.

 

7.6.3 Omgevingsvergunning meerdere huishoudens

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.1 en toestaan dat één woning wordt gebruikt ten behoeve van meerdere huishoudens, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. huisvesting vindt plaats in de woning;

  2. het aantal personen waaraan woonruimte wordt geboden mag niet meer bedragen dan 4;

  3. de extra huishoudens mogen uitsluitend worden gehuisvest in niet-zelfstandige woonruimte(n);

  4. per bewoner dient minimaal 24 m2 gebruiksoppervlakte, zoals gedefinieerd in de bouwverordening en het bouwbesluit, aan gezamenlijke woonruimten en eigen woonruimten aanwezig te zijn;

  5. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonruimte;

  6. de situering van de woonruimte leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving;

  7. er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient te worden voldaan aan het bepaalde in artikel 26.2.

 

7.6.4 Omgevingsvergunning dakterras (t.b.v. de woonfunctie)

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de gebruiksregels en toestaan dat een plat dak wordt gebruikt als dakterras, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. het dakterras wordt uitsluitend gebruikt t.b.v. de woonfunctie;

  2. het dakterras mag niet binnen een afstand van 2 meter tot de grenslijn van het naburig erf zijn gelegen;

  3. het bepaalde onder b. is niet van toepassing indien:

  1. voorzieningen worden aangebracht die er toe leiden dat vanaf het dakterras geen uitzicht is op het naburige erf; of

  2. toestemming is gegeven door de eigenaren van de naburige erven.

 

 

7.6.5 Omgevingsvergunning toevoegen woning

Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde binnen deze bestemming teneinde een

woning toe te voegen, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. de toevoeging van de woning is uitsluitend toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  1. de extra woning komt in een pand met een monumentenstatus of in een langgevelboerderij. Over het aspect, of sprake is van een langgevelboerderij wordt onafhankelijk deskundig advies ingewonnen;

  2. de extra woning is uitsluitend toegestaan, indien dit mede is gericht op het behoud of herstel van deze cultuurhistorische waardevolle bebouwing als bedoeld onder sub 1; hieromtrent wordt deskundig advies ingewonnen;

  3. het pand mag (ten behoeve van de extra woning) niet worden uitgebreid;

  1. de toevoeging van de woning is stedenbouwkundig, landschappelijk, verkeerskundig en milieukundig (w.o. woon- en leefmilieu) aanvaardbaar;

  2. de toevoeging van de woning leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving;

  3. er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient voldaan te worden aan het bepaalde in artikel 27.2

 

7.6.6 Omgevingsvergunning andere functies

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het

bepaalde in lid 10.1 om (één van) de voor de begane grond toegelaten functies ook op de

verdieping(en) toe te staan, mits:

  1. realisering c.q. handhaving van de woonfunctie op de verdieping(en) redelijkerwijs van de belanghebbende niet kan worden gevergd;

  2. het volkshuisvestingsbelang niet onevenredig wordt geschaad;

  3. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast;

  4. geen onevenredige hinder voor de (woon)omgeving te verwachten is;

  5. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient voldaan te worden aan het bepaalde in artikel 27.2

 

7.7 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de onder 10.1

genoemde aanduidingen worden verwijderd dan wel worden vervangen door een andere

toegestane functies, mits:

  1. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast;

  2. geen onevenredige hinder voor de (woon)omgeving te verwachten is;

  3. de bestaande voorzieningenstructuur niet onevenredig wordt verstoord;

  4. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient voldaan te worden aan het bepaalde in artikel 27.2

 

Artikel 8 Groen

 

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. groenvoorzieningen;

  2. een hertenkamp ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen - hertenkamp’;

  3. bermen en beplantingen;

  4. inritten;

  5. voorzieningen voor langzaam verkeer;

  6. speelvoorzieningen;

  7. de instandhouding van geluidwerende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - geluidwerende voorzieningen';

  8. straatmeubilair;

  9. kunstobjecten;

  10. kunstwerken;

  11. vlonders, steigers en (voetgangers)bruggen;

  12. evenementen - I

  13. nutsvoorzieningen (met uitzondering van risicovolle inrichtingen);

  14. parkeren ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - parkeren';

  15. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

  16. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - overkraging uitgesloten' mag geen overkraging plaatsvinden tot een hoogte van 3 m boven peil.

 

alsmede voor:

  1. de bescherming en instandhouding van de ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - rijksmonument’ /‘specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument’ aangegeven gebouwen;

  2. de instandhouding en bescherming van de waardevolle groenvoorzieningen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen - historische groenstructuur';

  3. de instandhouding en bescherming van een waterberging ter plaatse van de aanduiding ‘waterberging';

  4. de instandhouding en bescherming van de ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding 'ecologische verbindingszone'.

 

8.2 Bouwregels

 

8.2.1 Gebouwen en overkappingen

Op deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

 

8.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  1. De bouwhoogte van kunstwerken mag niet meer bedragen dan 15 m;

  2. De bouwhoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 4 m;

  3. De bouwhoogte van vlaggenmasten en antennes mag niet meer bedragen dan 6 m;

  4. De bouwhoogte van speelvoorzieningen mag niet meer zijn dan 4,5 m;

  5. De bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3,5 m.

 

8.3 Nadere eisen

  1. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bebouwing.

  2. De onder a genoemde nadere eisen mogen slechts worden gesteld voor het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van de ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - rijksmonument’/‘specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument’ aangegeven bebouwing en ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen - historische groenstructuur’ aangegeven waardevolle groenvoorzieningen.

 

8.4 Specifieke gebruiksregels

 

8.4.1 Evenementen

Voor het houden van evenementen – I zijn de volgende bepalingen van toepassing:

  1. het aantal evenementen bedraagt maximaal 3 per jaar per locatie;

  2. de duur per evenement mag (inclusief op- en afbouwdagen) maximaal 2 dagen bedragen;

  3. het evenement mag alleen plaatsvinden in de dag- en avondperiode;

  4. op- en afbouwactiviteiten mogen plaatsvinden direct voorafgaand of volgend op het evenement;

  5. het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) vanwege het evenement mag gemeten op de gevel van een geluidgevoelig object niet meer bedragen dan 60 dB(A) en 75 dB(C) (etmaalwaarde);

  6. het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) vanwege de op- en afbouwactiviteiten voor het evenement mag gemeten op de gevel van een geluidgevoelig object niet meer bedragen dan 50 dB(A) (etmaalwaarde).

 

8.5 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 8.1 voor het aanleggen van parkeervoorzieningen en overige voorzieningen voor verkeer en verblijf, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. het stedenbouwkundig beeld wordt niet in onevenredige mate geschaad;

  2. het aanleggen van parkeervoorzieningen is noodzakelijk vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid en bereikbaarheid;

  3. de aanleg van de parkeervoorzieningen heeft geen zodanige invloed op de aanwezige groenvoorziening, dat deze groenstructuur daardoor onevenredige schade wordt toegebracht en de gebruiksmogelijkheden ervan in overwegende mate wordtbeperkt;

  4. er wordt rekening gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding (waterkwaliteit en -kwantiteit).

 

8.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

 

8.6.1 Omgevingsvergunning

  1. Het is verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, op of in de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen - historische groenstructuur’ en de aanduiding 'ecologische verbindingszone' de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en / of werkzaamheden uit te voeren:

  1. het aanbrengen van gesloten verhardingen;

  2. het aanbrengen, vellen en / of rooien van beplantingen en / of bomen;

  3. het uitvoeren van afgravings- en ontgrondingswerkzaamheden anders dan normaal spitwerk, dieper dan 0,50 m;

  4. het ophogen, egaliseren, bodemverlagen en / of afgraven van gronden;

  5. het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of waterbassins.

  1. Het is verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, op of in de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘waterberging’ de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en / of werkzaamheden uit te voeren:

  1. het wijzigen van de waterberging en van watergangen;

  2. het aanbrengen van gesloten verhardingen;

  3. het uitvoeren van afgravings- en ontgrondingswerkzaamheden anders dan normaal spitwerk, dieper dan 0,50 m;

  4. het ophogen, egaliseren, bodemverlagen en / of afgraven van gronden;

 

8.6.2 Toelaatbaarheid

De in sub 8.6.1 bedoelde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien noodzakelijk voor de in lid 9.1 genoemde doeleinden en indien een deskundige heeft geadviseerd, dat door de werkzaamheden geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waardevolle groenvoorziening of van de functie van de waterberging.

 

8.6.3 Uitzonderingen

Het bepaalde in lid 8.6.1 is niet van toepassing op:

  1. werken en werkzaamheden die het normaal onderhoud betreffen overeenkomstig de doeleinden van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en / of voortvloeien uit het normale gebruik;

  2. werken en werkzaamheden die op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkreeg, in uitvoering zijn.

 

Artikel 9 Horeca

 

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Horeca’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. horeca in de horecacategorieën 1, 2 en 3;

  2. tuinen, erven en verhardingen;

  3. groenvoorzieningen;

  4. nutsvoorzieningen (met uitzondering van risicovolle inrichtingen);

  5. ondergeschikte voorzieningen voor verkeer en verblijf;

  6. parkeervoorzieningen;

  7. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

 

alsmede voor:

  1. de bescherming en instandhouding van de ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - rijksmonument’ /‘specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument’ aangegeven gebouwen.

 

9.2 Bouwregels

 

9.2.1 Algemeen

Voor zover er een maximum oppervlakte is aangeduid, mag de bebouwing ter plaatse van de aanduiding ‘maximum oppervlakte (m2)’ niet meer bedragen dan de genoemde oppervlakte. Indien geen aanduiding is opgenomen, mag het bouwvlak volledig worden bebouwd.

 

9.2.2 Gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende bepalingen:

  1. Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd.

  2. De goothoogte respectievelijk bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)’ is aangegeven;

  3. Ingeval er sprake is van een overkapping, niet zijnde een bij de bedrijfswoning behorend bouwwerk, dan is de ter plaatse aangegeven maximum goothoogte tevens de maximum bouwhoogte.

 

9.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde gelden de volgende bepalingen:

  1. Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd.

  2. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2,5 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw niet meer mag bedragen dan 1 m.

  3. De bouwhoogte van vlaggenmasten en antennes mag niet meer bedragen dan 6 m.

  4. De bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen en overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3,5 m.

 

9.3 Nadere eisen

  1. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bebouwing op het bouwperceel.

  2. De onder a genoemde nadere eisen mogen slechts worden gesteld voor het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van de ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - rijksmonument’/‘specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument’ aangegeven bebouwing.

 

9.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in:

  1. Lid 9.2.4 onder b voor het toestaan van hogere erf- en terreinafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw, mits:

  1. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 2,5 m;

  2. dit uit veiligheidsoverwegingen noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering;

  3. dit passend is binnen de stedenbouwkundige structuur van de omgeving en het plaatselijk straatbeeld;

  4. hiertegen geen bezwaren zijn uit oogpunt van verkeersveiligheid.

 

9.5 Specifieke gebruiksregels

 

9.5.1 Strijdig gebruik

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, wordt in ieder geval begrepen:

  1. het gebruik van platte daken als dakterras;

  2. wonen.

Artikel 10 Kantoor

 

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Kantoor’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. kantoren;

  2. dienstverlening;

  3. erven en verhardingen;

  4. groenvoorzieningen;

  5. nutsvoorzieningen (met uitzondering van risicovolle inrichtingen);

  6. ondergeschikte voorzieningen voor verkeer en verblijf;

  7. parkeervoorzieningen;

  8. een parkeergarage, ter plaatse van de aanduiding ‘parkeergarage';

  9. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

 

alsmede voor:

  1. de bescherming en instandhouding van de ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - rijksmonument’ / ‘specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument’ aangegeven gebouwen;

  2. een representatieve zone ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - zone representatief front'.

 

10.2 Bouwregels

 

10.2.1 Algemeen

Voor zover er een maximum oppervlakte is aangeduid, mag de bebouwing ter plaatse van de aanduiding ‘maximum oppervlakte (m2)’ niet meer bedragen dan de genoemde oppervlakte. Indien geen aanduiding is opgenomen, mag het bouwvlak volledig worden bebouwd.

 

10.2.2 Gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende bepalingen:

  1. Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd;

  2. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)’ is aangegeven.

 

10.2.3 Parkeergarage

Ter plaatse van de aanduiding ‘parkeergarage’ mogen (ondergrondse) parkeervoorzieningen worden gebouwd tot een verticale diepte van niet meer dan 4 m.

 

10.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde gelden de volgende bepalingen:

  1. Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd.

  2. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2,5 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw niet meer mag bedragen dan 1 m.

  3. De bouwhoogte van vlaggenmasten en antennes mag niet meer bedragen dan 6 m.

  4. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3,5 m.

 

10.3 Nadere eisen

  1. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bebouwing op het bouwperceel.

  2. De onder a genoemde nadere eisen mogen slechts worden gesteld voor het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van de ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - rijksmonument’/‘specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument’ aangegeven bebouwing en voor de bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - zone representatief front (sba - zrf)'.

 

10.4 Afwijken van de bouwregels

het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in:

  1. Lid 10.2.4 onder b voor het toestaan van hogere erf- en terreinafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw, mits:

  1. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 2,5 m;

  2. dit uit veiligheidsoverwegingen noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering;

  3. dit passend is binnen de stedenbouwkundige structuur van de omgeving en het plaatselijk straatbeeld;

  4. hiertegen geen bezwaren zijn uit oogpunt van verkeersveiligheid.

 

10.5 Specifieke gebruiksregels

 

10.5.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van platte daken als dakterras.

 

10.6 Afwijken van de gebruiksregels

 

10.6.1 Omgevingsvergunning dakterras

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de gebruiksregels en toestaan dat een plat dak wordt gebruikt als dakterras, mits aan aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. het dakterras mag niet binnen een afstand van 2 meter tot de grenslijn van het naburig erf zijn gelegen;

  2. het bepaalde onder b. is niet van toepassing indien:

  1. voorzieningen worden aangebracht die er toe leiden dat vanaf het dakterras geen uitzicht is op het naburige erf, of;

  2. toestemming is gegeven door de eigenaren van de naburige erven.

 

Artikel 11 Maatschappelijk

 

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. maatschappelijke voorzieningen, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn;

  1. zorgwoningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'zorgwoning';

  2. wonen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' en voor zover dit in de bedrijfswoning plaatsvindt;

  1. aan de woonfunctie ondergeschikte activiteiten in de vorm van:

  1. aan huis verbonden beroepen of bedrijven;

  2. gastouderschap;

  1. tuinen, erven en verhardingen;

  2. groenvoorzieningen;

  3. nutsvoorzieningen (met uitzondering van risicovolle inrichtingen);

  4. ondergeschikte voorzieningen voor verkeer en verblijf;

  5. parkeervoorzieningen;

  6. een parkeergarage, ter plaatse van de aanduiding ‘parkeergarage';

  7. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

  8. speelvoorzieningen;

 

alsmede voor:

  1. de bescherming en instandhouding van de ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - rijksmonument’ (sba-rm) / ‘specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument’ (sba-gm) aangegeven gebouwen.

 

11.2 Bouwregels

 

11.2.1 Algemeen

Voor zover er een bebouwingspercentage is opgenomen, mag de bebouwing ter plaatse van die aanduiding niet meer bedragen dan het genoemde percentage. Indien geen aanduiding is opgenomen, mag het bouwvlak volledig worden bebouwd.

 

11.2.2 Gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende bepalingen:

  1. Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd.

  2. De goothoogte respectievelijk bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)’ is aangegeven;

  3. Ingeval er sprake is van een overkapping, niet zijnde een bij de bedrijfswoning behorend bouwwerk, dan is de ter plaatse aangegeven maximum goothoogte tevens de maximum bouwhoogte.

 

11.2.3 Bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken

Voor bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

  1. Bedrijfswoningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ (bw);

  2. Ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ (bw) is maximaal één bedrijfswoning toegestaan;

  3. De inhoud van een bedrijfswoning mag niet meer dan 750 m3 bedragen. De ondergrondse bebouwing wordt niet meegerekend voor het bepalen van de inhoud;

  4. Voor niet-inpandige bedrijfswoningen geldt dat de goot- en bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 6 m respectievelijk 10 m;

  5. Indien er sprake is van een plat dak, dan geldt dat de goothoogte niet meer mag bedragen dan 6,5 m;

  6. Bij een bedrijfswoning behorende bouwwerken mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' (bw) danwel direct aansluitend aan de aanduiding 'bedrijfswoning' worden gebouwd;

  7. Voor de bouw van de onder e bedoelde bouwwerken gelden de volgende voorwaarden:

  1. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 70 m2;

  2. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 m;

  3. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m;

  4. de bouwwerken mogen uitsluitend vanaf 1 m achter de voorgevel van de bedrijfswoning worden opgericht;

  5. ingeval er sprake is van een overkapping, zijnde een bij de bedrijfswoning behorend bouwwerk, dan is een goot- en bouwhoogte van toepassing van 3,5 m.

 

11.2.4 Parkeergarage

Ter plaatse van de aanduiding ‘parkeergarage’ mogen (ondergrondse) parkeervoorzieningen worden gebouwd tot een verticale diepte van niet meer dan 4 m.

 

11.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde gelden de volgende bepalingen:

  1. Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd;

  2. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2,5 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw niet meer mag bedragen dan 1 m;

  3. De bouwhoogte van vlaggenmasten en antennes mag niet meer bedragen dan 6 m;

  4. De bouwhoogte van speelvoorzieningen mag niet meer zijn dan 4,5 m;

  5. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3,5 m.

 

11.3 Nadere eisen

  1. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bebouwing op het bouwperceel.

  2. De onder a genoemde nadere eisen mogen slechts worden gesteld voor het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van de ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - rijksmonument’/‘specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument’ aangegeven bebouwing.

 

11.3.1 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in:

  1. Lid 11.2.5 onder b voor het toestaan van hogere erf- en terreinafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw, mits:

  1. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 2,5 m;

  2. dit uit veiligheidsoverwegingen noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering;

  3. dit passend is binnen de stedenbouwkundige structuur van de omgeving en het plaatselijk straatbeeld;

  4. hiertegen geen bezwaren zijn uit oogpunt van verkeersveiligheid.

 

11.4 Specifieke gebruiksregels

 

11.4.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:

  1. het gebruik van platte daken als dakterras;

  2. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning als zelfstandige woonruimte, al dan niet ten behoeve van mantelzorg;

  3. het gebruik van de bedrijfswoning of de vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning als bed & breakfast;

 

11.4.2 Aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijf

Voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep of een aan huis verbonden bedrijf zijn de volgende bepalingen van toepassing:

  1. de activiteit wordt uitsluitend uitgeoefend door een bewoner van de bedrijfswoning;

  2. de activiteit bedraagt niet meer dan 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning en de bij deze woning behorende bijbehorende bouwwerken, tot een maximum van 50 m2;

  3. buitenactiviteiten, waaronder opslag, ten dienste van het aan huis verbonden beroep of bedrijf zijn niet toegestaan;

  4. machinale productie en machinale reparatie- en herstelwerkzaamheden alsmede het verrichten van herstelwerkzaamheden aan gemotoriseerde voertuigen zijn niet toegestaan;

  5. horeca en detailhandel (w.o. showroom en/of afhaalpunt c.q. logistieke functie, al dan niet t.b.v. internethandel) zijn niet toegestaan;

  6. er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient voldaan te worden aan het bepaalde in artikel 26.2.

 

11.4.3 Gastouderschap

Voor de uitoefening van gastouderschap zijn de volgende bepalingen van toepassing:

  1. er moet sprake zijn van een bestemmingsvlak, waarop minimaal één (bedrijfs)woning is toegestaan;

  2. de activiteit wordt uitsluitend uitgeoefend door één bewoner van de (bedrijfs)woning;

  3. er mogen, naast eigen kinderen van de gastouder, ten hoogste 6 kinderen gelijktijdig worden opgevangen.

 

11.5 Afwijken van de gebruiksregels

 

11.5.1 Omgevingsvergunning huisvesting in verband met mantelzorg

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de gebruiksregels en toestaan dat een vrijstaand bijbehorend bouwwerk of een deel van de bedrijfswoning gebruikt wordt ten behoeve van huisvesting in verband met mantelzorg, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. ingeval van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is de woonruimte gelegen op een maximale afstand van 15 m van de bedrijfswoning;

  2. de totale toegestane oppervlakte, welke ten behoeve van de huisvesting mag worden ingezet, bedraagt maximaal 100 m2;

  3. de huisvesting moet ten dienste staan van het verlenen van mantelzorg;

  4. ten behoeve van de huisvesting van een zorgbehoevende mogen die voorzieningen worden aangebracht, die zelfstandige bewoning mogelijk maken;

  5. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonruimte;

  6. de situering van de woonruimte leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving;

  7. de omgevingsvergunning wordt ingetrokken, indien de noodzaak uit een oogpunt van mantelzorg vervalt. Daarbij dienen de voorzieningen, die zelfstandige bewoning mogelijk maakten, dusdanig verwijderd te worden, dat zelfstandige bewoning niet meer mogelijk is.

 

11.5.2 Omgevingsvergunning bed & breakfast

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de gebruiksregels en toestaan dat een bedrijfswoning gebruikt wordt ten behoeve van een bed & breakfast, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. de activiteit bedraagt niet meer dan 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bedrijfswoning tot een maximum van 100 m2;

  2. de afstand van een nieuwe bed & breakfast tot een reeds bestaande bed & breakfast dient minimaal 100 m te bedragen;

  3. het aantal bedden mag niet meer bedragen dan 4;

  4. een bed & breakfast is alleen toegestaan in niet-zelfstandige woonruimte(n);

  5. de activiteit wordt uitsluitend uitgeoefend door een bewoner van de woning;

  6. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonruimte;

  7. de situering van de woonruimte leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving;

  8. er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient te worden voldaan aan het bepaalde in artikel 26.2

 

11.5.3 Omgevingsvergunning meerdere huishoudens

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de gebruiksregelsen toestaan dat één bedrijfswoning wordt gebruikt ten behoeve van meerdere huishoudens, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. huisvesting vindt plaats in de bedrijfswoning;

  2. het aantal personen waaraan woonruimte wordt geboden mag niet meer bedragen dan 4;

  3. de extra huishoudens mogen uitsluitend worden gehuisvest in niet-zelfstandige woonruimte(n);

  4. per bewoner dient minimaal 24 m2 gebruiksoppervlakte, zoals gedefinieerd in de bouwverordening en het bouwbesluit, aan gezamenlijke woonruimten en eigen woonruimten aanwezig te zijn;

  5. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonruimte;

  6. de situering van de woonruimte leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving;

  7. er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient te worden voldaan aan het bepaalde in artikel 26.2.

 

11.5.4 Omgevingsvergunning toevoegen woning

Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde binnen deze bestemming teneinde een woning toe te voegen, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. de toevoeging van de woning is uitsluitend toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  1. de extra woning komt in een pand met een monumentenstatus of in een langgevelboerderij. Over het aspect, of sprake is van een langgevelboerderij wordt onafhankelijk deskundig advies ingewonnen;

  2. de extra woning is uitsluitend toegestaan, indien dit mede is gericht op het behoud of herstel van deze cultuurhistorische waardevolle bebouwing als bedoeld onder sub 1; hieromtrent wordt deskundig advies ingewonnen;

  3. het pand mag (ten behoeve van de extra woning) niet worden uitgebreid;

  1. de toevoeging van de woning is stedenbouwkundig, landschappelijk, verkeerskundig en milieukundig (w.o. woon- en leefmilieu) aanvaardbaar;

  2. de toevoeging van de woning leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving;

  3. er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient voldaan te worden aan het bepaalde in artikel 26.2.

 

11.5.5 Omgevingsvergunning dakterras (t.b.v. de woonfunctie)

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de gebruiksregels en toestaan dat een plat dak wordt gebruikt als dakterras, mits aan aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. het dakterras wordt uitsluitend gebruikt t.b.v. de woonfunctie;

  2. het dakterras mag niet binnen een afstand van 2 meter tot de grenslijn van het naburig erf zijn gelegen;

  3. het bepaalde onder b. is niet van toepassing indien:

  1. voorzieningen worden aangebracht die er toe leiden dat vanaf het dakterras geen uitzicht is op het naburige erf; of

  2. toestemming is gegeven door de eigenaren van de naburige erven.

 

Artikel 12 Natuur

 

12.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. instandhouding, herstel en/of ontwikkeling van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en abiotische waarden met een zo sterk mogelijk ecologische en ruimtelijk-structurele samenhang;

  2. houtproductie, mits ondergeschikt aan het behoud van landschappelijke en natuurwaarden;

  3. extensief dagrecreatief medegebruik;

  4. agrarisch gebruik gericht op natuurbeheer;

  5. ondergeschikte voorzieningen voor verkeer, parkeren en inritten;

  6. nutsvoorzieningen (met uitzondering van risicovolle inrichtingen);

  7. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

  8. speelvoorzieningen;

 

alsmede voor:

  1. de bescherming en instandhouding van het ter plaatse van de aanduiding 'archeologische waarden' (arc) aanwezige archeologisch monument;

  2. de instandhouding en bescherming van de ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding 'ecologische verbindingszone' (evz).

 

een en ander met bijbehorende voorzieningen.

 

12.2 Bouwregels

 

12.2.1 Algemeen

Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van deze bestemming.

 

12.2.2 Maatvoering

  1. De bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt niet meer dan 4,5 m.

  2. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 3,5 meter.

 

12.3 Specifieke gebruiksregels

 

12.3.1 Strijdig gebruik

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt in ieder geval begrepen het gebruik van gronden en opstallen:

  1. voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;

  2. voor lawaaisporten;

  3. voor verblijfsrecreatie;

  4. voor het aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen;

  5. het omzetten van grasland in bouwland / het scheuren van grasland;

  6. het aanleggen van drainage;

  7. het verlagen van de (grond)waterstand door de aanleg van beregeningsinstallaties;

  8. het plaatsen van een mestzak.

 

12.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

 

12.4.1 Omgevingsvergunningplicht

Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden) de in het schema onder 12.4.4 opgenomen omgevingsvergunningsplichtige werken en werkzaamheden uit te (doen) voeren.

 

12.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het onder 12.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:

  1. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden is verleend;

  2. welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan in uitvoering waren;

  3. welke betreffen het normale onderhoud en/of landschapsbeheer.

 

12.4.3 Toetsing aanwezige waarden

De in 12.4.1 bedoelde vergunning wordt slechts verleend, indien na een belangenafweging blijkt dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de aanwezige waarden als opgenomen in 12.1. De in het kader van de belangenafweging te hanteren toetsingscriteria zijn in het schema onder 12.4.4 weergegeven.

 

12.4.4 Schema omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden

Omgevingsvergunningsplichtige werken/werkzaamheden

Criteria voor verlening van de omgevingsvergunning

voor werken en werkzaamheden

het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 100 m2

het aanbrengen van verhardingen dient noodzakelijk te zijn in het kader van de agrarische bedrijfsvoering, het extensief dagrecreatief medegebruik dan wel het ecologisch, landschaps- en waterhuishoudkundig beheer;

de werkzaamheden mogen geen onevenredige aantasting tot gevolg hebben van de natuurwaarden;

de waterhuishoudkundige situatie mag niet onevenredig worden aangetast;

het aanbrengen van (infrastructurele) ondergrondse leidingen

er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de natuur- en landschappelijke waarden;

het diepwoelen, diepploegen, afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem met meer dan 50 cm

er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de natuur- en landschappelijke waarden;

het dempen van poelen, sloten en greppels, het aanleggen van drainage of het verlagen van de grondwaterstand door de aanleg van beregeningsinstallaties

er mag geen onevenredige aantasting zijn van de grondwaterafhankelijke natuur;

er mag geen onevenredige aantasting zijn van het belang van waterberging

vellen of rooien van houtgewas

er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de landschaps- en natuurwaarden;

 

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 13 Tuin

 

13.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. tuinen en groenvoorzieningen bij woningen;

  2. inritten;

  3. parkeren.

 

Met dien verstande dat:

  1. ter plaatse van de aanduiding 'parkeren uitgesloten' (-p), parkeren in de tuin is uitgesloten.

 

13.2 Bouwregels

 

13.2.1 Gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd, met uitzondering van het bepaalde onder 13.2.2.

 

13.2.2 Uitbreiding van een woning

Voor het bouwen van uitbreidingen aan een woning op de aangrenzende bestemming 'Wonen' gelden de volgende bepalingen:

  1. de uitbreiding vindt plaats in de voorgevel

  2. De diepte van de uitbreiding mag niet meer bedragen dan 1,5 m;

  3. De uitbreiding mag niet meer bedragen dan 0,3 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw;

  4. De breedte van de uitbreiding mag niet meer bedragen dan tweederde van de voorgevelbreedte van de woning;

  5. indien de uitbreiding wordt uitgevoerd in combinatie met een luifel, dan dient deze luifel een open constructie te zijn met een breedte van niet meer dan eenderde van de voorgevelbreedte en mag de uitbreiding inclusief luifel over de gehele breedte van de voorgevel worden gebouwd in verhouding tweederde - eenderde;

  6. in afwijking van lid a dient, indien sprake is meer dan één naar de weg of het openbaar gebied gekeerde gevel, de uitbreiding - al dan niet met luifel - van de woning plaats te vinden aan de gevelzijde die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt;

  7. uitbreidingen van de woningen en luifels, die sinds 28 december 2023 aanwezig zijn, mogen in de huidige omvang en situering worden gehandhaafd.

 

13.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  1. Ter plaatse mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde in de vorm van erf- en terreinafscheidingen, tuinmeubilair, vlaggenmasten en antennes worden gebouwd;

  2. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m;

  3. De bouwhoogte van tuinmeubilair, zoals pergola's, mag niet meer bedragen dan 2,5 m;

  4. De bouwhoogte van vlaggenmasten en antennes mag niet meer bedragen dan 5 m.

 

13.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 13.2.2, sub e, mits dit passend is binnen de stedenbouwkundige structuur van de omgeving en het plaatselijk straatbeeld.

 

13.4 Specifieke gebruiksregels

 

13.4.1 Strijdig gebruik

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, wordt in ieder geval begrepen:

  1. het gebruik ten behoeve van het parkeren van motorvoertuigen op de gronden gelegen vóór de voorgevel van het deel van een woning, dat gezien de bouwhoogte, als belangrijkste onderdeel van de woning kan worden aangemerkt.

  2. het gebruiken van gronden achter de achtergevellijn ten behoeve van parkeervoorzieningen, tenzij anders is aangeduid.

 

13.5 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 13.4 voor het parkeren van motorvoertuigen voor de voorgevel van een woning, mits:

  1. het stedenbouwkundig beeld niet wordt geschaad;

  2. geen onevenredige schade wordt toegebracht aan het woonmilieu en aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;

  3. het aantal parkeerplaatsen op de openbare weg niet wordt verminderd.

 

 

Artikel 14 Verkeer

 

14.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Verkeer aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. voorzieningen voor verkeer en verblijf;

  2. parkeervoorzieningen;

  3. garageboxen ter plaatse van de aanduiding ‘garagebox';

  4. een parkeergarage, ter plaatse van de aanduiding ‘parkeergarage';

  5. een (ondergrondse) waterberging ter plaatse van de aanduiding 'waterberging';

  6. kunstwerken;

  7. kunstobjecten

  8. de instandhouding van geluidwerende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - geluidwerende voorzieningen';

  9. uitsluitend een langzaamverkeersverbinding ter plaatse van de aanduiding ‘langzaam verkeer’

  10. speelvoorzieningen;

  11. straatmeubilair;

  12. (horeca)terrassen;

  13. (voorzieningen voor) ambulante detailhandel;

  14. tijdelijke bouwplaatsinrichting;

  15. groenvoorzieningen;

  16. nutsvoorzieningen (met uitzondering van risicovolle inrichtingen);

  17. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

  18. evenementen - I;

 

alsmede voor:

  1. de bescherming en instandhouding van de ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - rijksmonument’ /‘specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument’ aangegeven gebouwen.

 

14.2 Bouwregels

 

14.2.1 Gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd, met uitzondering van het bepaalde onder 14.2.2 en 14.2.3.

 

14.2.2 Parkeergarage

Ter plaatse van de aanduiding ‘parkeergarage’ mogen (ondergrondse) parkeervoorzieningen worden gebouwd tot een verticale diepte van niet meer dan 4 m.

 

14.2.3 Garageboxen

Voor het bouwen van garageboxen gelden de volgende bepalingen:

  1. Garageboxen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding ‘garagebox’;

  2. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3,50 m;

  3. De oppervlakte per garagebox mag niet meer bedragen dan 30 m2.

 

14.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen:

  1. De bouwhoogte van kunstwerken mag niet meer bedragen dan 15 m;

  2. De bouwhoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 4 m.

  3. De bouwhoogte van speelvoorzieningen mag niet meer zijn dan 4,5 m;

  4. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 3,5 m.

 

14.3 Nadere eisen

  1. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bebouwing op het bouwperceel.

  2. De onder a genoemde nadere eisen mogen slechts worden gesteld voor het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van de ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - rijksmonument’/‘specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument’ aangegeven bebouwing.

 

14.4 Specifieke gebruiksregels

 

14.4.1 Evenementen

Voor het houden van evenementen – I zijn de volgende bepalingen van toepassing:

  1. het aantal evenementen bedraagt maximaal 3 per jaar per locatie;

  2. de duur per evenement mag (inclusief op- en afbouwdagen) maximaal 2 dagen bedragen;

  3. het evenement mag alleen plaatsvinden in de dag- en avondperiode;

  4. op- en afbouwactiviteiten mogen plaatsvinden direct voorafgaand of volgend op het evenement;

  5. het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) vanwege het evenement mag gemeten op de gevel van een geluidgevoelig object niet meer bedragen dan 60 dB(A) en 75 dB(C) (etmaalwaarde);

  6. het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) vanwege de op- en afbouwactiviteiten voor het evenement mag gemeten op de gevel van een geluidgevoelig object niet meer bedragen dan 50 dB(A) (etmaalwaarde).

 

 

Artikel 15 Water

 

15.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder voorzieningen voor waterberging, -aanvoer en -afvoer, zoals watergangen, waterlopen en waterpartijen;

  2. een natte ecologische verbindingszone;

  3. oevervoorzieningen;

  4. steigers, aanlegplaatsen en gelijksoortige voorzieningen;

  5. laad- en loskaden daar waar de bestemming 'Water' direct grenst aan de bestemming ‘Bedrijf - Betonwarenfabriek’ ', met uitzondering van het laden en lossen van gevaarlijke stoffen;

  6. laad- en losfaciliteiten;

  7. nutsvoorzieningen (met uitzondering van risicovolle inrichtingen);

  8. voorzieningen voor verkeer en verblijf, waaronder bruggen, duikers, gelijksoortige voorzieningen en andere kunstwerken;

 

15.2 Bouwregels

 

15.2.1 Gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

 

15.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende bepaling:

  1. Ter plaatse van een aanwezige laad- en loskade mogen kranen en masten en andere bouwwerken ten behoeve van de laad- en loskade, een bouwhoogte hebben van niet meer dan 30 meter;

  2. De bouwhoogte van kunstwerken mag niet meer bedragen dan 15 m;

  3. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3,5 m.

 

 

 

Artikel 16 Wonen

 

16.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. wonen;

  2. aan de woonfunctie ondergeschikte activiteiten in de vorm van:

  1. aan huis verbonden beroepen of bedrijven;

  2. gastouderschap;

  1. tuinen, erven en verhardingen;

  2. groenvoorzieningen;

  3. nutsvoorzieningen (met uitzondering van risicovolle inrichtingen);

  4. ondergeschikte voorzieningen voor verkeer en verblijf;

  5. een parkeergarage, ter plaatse van de aanduiding ‘parkeergarage';

  6. maatschappelijke voorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘maatschappelijk’;

  7. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

 

alsmede voor:

  1. de bescherming en instandhouding van de ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - rijksmonument’ / ‘specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument’ aangegeven gebouwen.

  2. de bescherming en het behoud van een bomenrij ter plaatse van de aanduiding ‘bomenrij’.

 

16.2 Bouwregels

 

16.2.1 Algemeen

Voor het bouwen in het algemeen gelden de volgende bepalingen:

  1. ter plaatse van het aanduidingsvlak 'maximum aantal wooneenheden' mag het aantal woningen niet meer bedragen dan ter plaatse is aangegeven. Indien geen aanduiding is opgenomen, is ter plaatse slechts één woning toegestaan;

  2. Voor het bouwen van woonwagens is het bepaalde in lid 16.2.6 van toepassing.

 

16.2.2 Gebouwen en overkappingen binnen het bouwvlak

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen binnen het bouwvlak gelden de volgende bepalingen:

  1. De volgende bebouwingstypologie is van toepassing:

  1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd;

  2. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' mogen uitsluitend twee-aaneengebouwde en geschakelde woningen worden gebouwd;

  3. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' mogen uitsluitend aaneengebouwde woningen worden gebouwd;

  4. ter plaatse van de aanduiding ‘gestapeld’ mogen uitsluitend gestapelde woningen worden gebouwd;

  5. ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding ‘patiowoning’ mag de oppervlakte van de onbebouwde ruimte binnen het bouwvlak niet minder dan 15 m2 bedragen;

  1. De voorgevel van een woning moet worden gesitueerd in de voorgevelrooilijn dan wel op een afstand van niet meer dan 2 m daarachter;

  2. De goothoogte respectievelijk bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)’ is aangegeven;

  3. Indien er sprake is van een woning die wordt uitgevoerd met een plat dak, dan mag voornoemde maximum goothoogte (m) worden verhoogd met 0,5 m.;

  4. Ingeval er sprake is van een overkapping, dan is de ter plaatse aangegeven maximum goothoogte tevens de maximum bouwhoogte;

  5. In afwijking van het bepaalde onder b t/m e gelden bij 'vrijstaande' woningen binnen 3 meter van de zijdelingse perceelsgrenzen de volgende bepalingen:

  1. tenminste één zijde van de zijstroken dient vrij van gebouwen en overkappingen te blijven;

  2. gebouwen en overkappingen dienen op een afstand van tenminste 1 m achter de voorgevelrooilijn te worden gebouwd;

  3. de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3,50 m.

  1. In afwijking van het bepaalde onder b t/m e gelden bij 'twee-aaneengebouwde' en 'geschakelde' woningen binnen 3 meter van één van beide zijdelingse perceelsgrenzen de volgende bepalingen:

  1. gebouwen en overkappingen dienen op een afstand van tenminste 1 m achter de voorgevelrooilijn te worden gebouwd;

  2. de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3,50 m.

  1. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – onderdoorgang' dient een onderdoorgang behouden te blijven, waarbij tot minimaal de hoogte van de eerste bouwlaag geen bebouwing is toegestaan;

  2. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - dove gevel' dient de gevel aan de zijde van de aanduiding 'gevellijn' te worden gebouwd als dove gevel. De dove gevel dient in stand te worden gehouden;

  3. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - blinde gevel' dient de gevel aan de zijde van de aanduiding 'gevellijn' te worden gebouwd als blinde gevel. De blinde gevel dient in stand te worden gehouden;

  4. Indien in afwijking van het bepaalde onder c, f en g ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van het plan legaal een grotere goot- of bouwhoogte of oppervlakte aanwezig was, mag die bestaande goot- of bouwhoogte respectievelijk oppervlakte worden gehandhaafd c.q. bij uitbreiding worden aangehouden.

 

16.2.3 Gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak gelden de volgende bepalingen:

  1. Gebouwen en overkappingen dienen op een afstand van ten minste 1 m achter de voorgevelrooilijn te worden gebouwd;

  2. De goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3,50 m;

  3. Bij vrijstaande woningen dient een der zijstroken vrij van gebouwen en overkappingen te blijven;

  4. De gezamenlijke oppervlakte voor gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak mag, met inachtneming van het bepaalde onder e:

  1. voor bouwpercelen met een oppervlakte van maximaal 500 m2 niet meer bedragen dan 100 m2, met dien verstande dat maximaal 50 m2 als vrijstaand(e) gebouw(en) buiten het bouwvlak mag / mogen worden gebouwd;

  2. voor bouwpercelen met een oppervlakte van maximaal 2.000 m2 niet meer bedragen dan 150 m2, met dien verstande dat maximaal 100 m2 als vrijstaand(e) gebouw(en) buiten het bouwvlak mag / mogen worden gebouwd;

  3. voor bouwpercelen met een oppervlakte groter dan 2.000 m2 niet meer bedragen dan 200 m2, met dien verstande dat maximaal 150 m2 als vrijstaand(e) gebouw(en) buiten het bouwvlak mag / mogen worden gebouwd.

  1. De gronden gelegen achter de achtergevellijn en het verlengde daarvan mogen voor maximaal 50% worden bebouwd, met dien verstande dat in ieder geval 25 m2 aan gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak mag worden gebouwd;

  2. Indien in afwijking van het bepaalde onder a en c ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van het plan legaal een kleinere afstand aanwezig was, dan wel de betreffende zijstrook niet (geheel) vrij van gebouwen en overkappingen was, mag die afstand respectievelijk situatie worden gehandhaafd c.q. bij uitbreiding worden aangehouden;

  3. Indien in afwijking van het bepaalde onder b en d ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van het plan legaal een grotere goot- of bouwhoogte of oppervlakte aanwezig was, mag die bestaande goot- of bouwhoogte respectievelijk oppervlakte worden gehandhaafd c.q. bij uitbreiding worden aangehouden.

 

16.2.4 Parkeergarage

Ter plaatse van de aanduiding ‘parkeergarage’ mogen (ondergrondse) parkeervoorzieningen worden gebouwd tot een verticale diepte van niet meer dan 4 m.

 

16.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde gelden de volgende bepalingen:

  1. Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd;

  2. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2,5 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de lijn waarin de naar de weg gekeerde gevel van de woning staat niet meer mag bedragen dan 1 m;

  3. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3,5 m.

 

16.2.6 specifieke bouwaanduiding

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - ontsluiting en bergingen' zijn uitsluitend ontsluitingsruimten, zoals liftschachten en trappenhuizen, en bergingen toegestaan.

 

16.3 Nadere eisen

  1. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bebouwing op het bouwperceel.

  2. De onder a genoemde nadere eisen mogen slechts worden gesteld voor het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van de ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - rijksmonument’ / ‘specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument’ aangegeven bebouwing.

 

16.4 Afwijken van de bouwregels

  1. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 16.2.2 onder a voor het afwijken van de toegestane bebouwingstypologie en ter plaatse van de aanduiding:

  1. ‘patiowoning' ook aaneengebouwd, twee-aaneengebouwde, geschakelde of vrijstaande woningen toestaan;

  2. ‘aaneengebouwd’ ook twee-aaneengebouwde, geschakelde of vrijstaande woningen toestaan;

  3. ‘twee-aaneen’ ook vrijstaande woningen toestaan;

  4. ‘gestapeld’ ook grondgebonden woningen toestaan;

mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. de afwijking past binnen de stedenbouwkundige structuur van de omgeving en het plaatselijk straatbeeld;

  2. er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient te worden voldaan aan het bepaalde in artikel 26.2.

  1. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 16.2.2 onder c voor het bouwen van een dakopbouw met verhoogde nok, verhoogde gevel of dakkapel mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. de afwijking past binnen de stedenbouwkundige structuur van de omgeving en het plaatselijk straatbeeld;

  2. een dakopbouw is uitsluitend toegestaan op een gebouw binnen het bouwvlak;

  3. een dakopbouw is uitsluitend toegestaan op een kapconstructie;

  4. de maximaal toegestane bouwhoogte wordt niet overschreden;

  5. de breedte van de dakopbouw met verhoogde nok bedraagt niet meer dan de breedte van het dakvlak;

  6. de breedte van de dakopbouw met verhoogde gevel bedraagt niet meer dan 1/3 van de breedte van het dakvlak;

  1. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 16.2.3 onder b voor een grotere bouwhoogte van gebouwen buiten het bouwvlak ten behoeve van het oprichten van een kapconstructie, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 m;

  2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m;

  3. de afwijking past binnen de stedenbouwkundige structuur van de omgeving en het plaatselijk straatbeeld;

  4. de mogelijkheden van belendende bouwpercelen worden niet onevenredig aangetast en er wordt geen onevenredige hinder ondervonden.

  1. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 16.2.3 onder c voor het bouwen van een vrijstaand gebouw of een vrijstaande overkapping in de vrij van gebouwen en overkappingen te blijven zijstrook, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. de bebouwing wordt gerealiseerd op een afstand van 1 m of meer achter de achtergevellijn;

  2. de afwijking past binnen het stedenbouwkundige beeld van de omgeving en het plaatselijk straatbeeld;

  3. de mogelijkheden van belendende bouwpercelen worden niet onevenredig aangetast en er wordt geen onevenredige hinder ondervonden.

  1. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 16.2.5 onder b voor het toestaan van hogere erf- en terreinafscheidingen vóór de lijn waarin de naar de weg gekeerde gevel van een woning staat, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 2,5 m;

  2. de afwijking past binnen de stedenbouwkundige structuur van de omgeving en het plaatselijk straatbeeld;

  3. er zijn geen bezwaren vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid.

  1. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 16.2.2 onder c en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - hoogteaccenten toegestaan (sba-ht)' een maximum goot- en bouwhoogte van respectievelijk 11 en 11 meter toestaan voor:

  1. ten hoogste 1 woning voor bouwvlakken van minimaal 4 bouwpercelen en minder dan 9;

  2. ten hoogste 2 woningen voor bouwvlakken met 9 bouwpercelen of meer;

  3. mits dit passend is binnen de stedenbouwkundige structuur van de omgeving en het plaatselijk straatbeeld.

 

16.5 Specifieke gebruiksregels

 

16.5.1 Strijdig gebruik

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, wordt in ieder geval begrepen:

  1. het bewonen of het laten bewonen van een woning door meerdere huishoudens;

  2. het verhuren of laten verhuren van een woning voor kamerverhuur;

  3. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning als zelfstandige woonruimte, al dan niet ten behoeve van mantelzorg;

  4. het gebruik van de woning of de vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning als bed & breakfast;

  5. het gebruik van platte daken als dakterras;

  6. het gebruiken van gronden achter de achtergevellijn ten behoeve van parkeervoorzieningen, tenzij anders is aangeduid.

 

16.5.2 Aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijf

Voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep of een aan huis verbonden bedrijf zijn de volgende bepalingen van toepassing:

  1. de activiteit wordt uitsluitend uitgeoefend door een bewoner van de woning;

  2. de activiteit bedraagt niet meer dan 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning en de bij deze woning behorende bijbehorende bouwwerken, tot een maximum van 50 m2;

  3. buitenactiviteiten, waaronder opslag, ten dienste van het aan huis verbonden beroep of bedrijf zijn niet toegestaan;

  4. machinale productie en machinale reparatie- en herstelwerkzaamheden alsmede het verrichten van herstelwerkzaamheden aan gemotoriseerde voertuigen zijn niet toegestaan;

  5. horeca en detailhandel (w.o. showroom en/of afhaalpunt c.q. logistieke functie, al dan niet t.b.v. internethandel) zijn niet toegestaan;

  6. er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient voldaan te worden aan het bepaalde in artikel 26.2.

 

 

 

16.5.3 Gastouderschap

 

Voor de uitoefening van gastouderschap zijn de volgende bepalingen van toepassing:

  1. er moet sprake zijn van een bestemmingsvlak, waarop minimaal één (bedrijfs)woning is toegestaan;

  2. de activiteit wordt uitsluitend uitgeoefend door één bewoner van de (bedrijfs)woning;

  3. er mogen, naast eigen kinderen van de gastouder, ten hoogste 6 kinderen gelijktijdig worden opgevangen.

 

 

16.5.4 Voorwaardelijke verplichting inzake in gebruik name woningen deelgebied 7

  1. Een woning waarvoor, blijkens het geluidrapport zoals opgenomen in bijlage x, vanwege de Slotlaan de grenswaarde van 48 dB wordt overschreden, mag alleen worden gebruikt of uitgebreid indien de bronmaatregel bedoeld onder b is getroffen.

  2. De bronmaatregel bedoeld onder a houdt in dat de rijbanen van de Slotlaan, anders dan een busbaan, die zijn gelegen binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting Slotlaan' zijn voorzien van een wegdektype dunne deklagen type B.

  3. In afwijking van het bepaalde onder b is een andere bronmaatregel toegestaan indien daarmee de geluidbelasting op een woning als bedoeld onder a niet toeneemt.

  4. Voor het berekenen van de geluidbelasting vanwege een andere bronmaatregel moet worden uitgegaan van de uitgangspunten in het geluidrapport behorende bij dit bestemmingsplan.

  5. Daar waar in dit artikel wordt verwezen naar het geluidrapport wordt bedoeld het geluidrapport waarnaar wordt verwezen in het ontheffingsbesluit hogere waarde Wet geluidhinder en als zodanig als bijlage x bij deze regels is gevoegd.

 

16.6 Afwijken van de gebruiksregels

 

16.6.1 Omgevingsvergunning huisvesting in verband met mantelzorg

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de gebruiksregels en toestaan dat een vrijstaand bijbehorend bouwwerk of een deel van de woning gebruikt wordt ten behoeve van huisvesting in verband met mantelzorg, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. ingeval van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is de woonruimte gelegen op een maximale afstand van 15 m van de woning;

  2. de totale toegestane oppervlakte, welke ten behoeve van de huisvesting mag worden ingezet, bedraagt maximaal 100 m2;

  3. de huisvesting moet ten dienste staan van het verlenen van mantelzorg;

  4. ten behoeve van de huisvesting van een zorgbehoevende mogen die voorzieningen worden aangebracht, die zelfstandige bewoning mogelijk maken;

  5. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonruimte;

  6. de situering van de woonruimte leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving;

  7. de omgevingsvergunning wordt ingetrokken, indien de noodzaak uit een oogpunt van mantelzorg vervalt. Daarbij dienen de voorzieningen, die zelfstandige bewoning mogelijk maakten, dusdanig verwijderd te worden, dat zelfstandige bewoning niet meer mogelijk is.

 

16.6.2 Omgevingsvergunning bed & breakfast

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de gebruiksregels en toestaan dat een woning gebruikt wordt ten behoeve van een bed & breakfast, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. de activiteit bedraagt niet meer dan 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning tot een maximum van 100 m2;

  2. de afstand van een nieuwe bed & breakfast tot een reeds bestaande bed & breakfast dient minimaal 100 m te bedragen;

  3. het aantal bedden mag niet meer bedragen dan 4;

  4. een bed & breakfast is alleen toegestaan in niet-zelfstandige woonruimte(n);

  5. de activiteit wordt uitsluitend uitgeoefend door een bewoner van de woning;

  6. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonruimte;

  7. de situering van de woonruimte leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving;

  8. er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient te worden voldaan aan het bepaalde in artikel 26.2.

 

16.6.3 Omgevingsvergunning meerdere huishoudens

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 16.1 en toestaan dat één woning wordt gebruikt ten behoeve van meerdere huishoudens, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. huisvesting vindt plaats in de woning;

  2. het aantal personen waaraan woonruimte wordt geboden mag niet meer bedragen dan 4;

  3. de extra huishoudens mogen uitsluitend worden gehuisvest in niet-zelfstandige woonruimte(n);

  4. per bewoner dient minimaal 24 m2 gebruiksoppervlakte, zoals gedefinieerd in de bouwverordening en het bouwbesluit, aan gezamenlijke woonruimten en eigen woonruimten aanwezig te zijn;

  5. Binnen een straal van 100 meter, gemeten van bestemmingsgrens tot bestemmingsgrens, mag niet reeds sprake zijn van de huisvesting van meerdere huishoudens in een (bedrijfs)woning. In het geval van gestapelde woningen geldt dat er in een bouwblok, per etage, bij maximaal één woning sprake mag zijn van huisvesting van meerdere huishoudens in een (bedrijfs)woning.

  6. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonruimte;

  7. de situering van de woonruimte leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving;

  8. er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient te worden voldaan aan het bepaalde in artikel 26.2.

 

16.6.4 Omgevingsvergunning toevoegen woningen

Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde binnen deze bestemming teneinde woningen toe te voegen, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. de toevoeging van de woningen is uitsluitend toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  1. de extra woningen komen in een pand met een monumentenstatus of in een langgevelboerderij. Over het aspect, of sprake is van een langgevelboerderij wordt onafhankelijk deskundig advies ingewonnen;

  2. de extra woningen zijn uitsluitend toegestaan, indien dit mede is gericht op het behoud of herstel van deze cultuurhistorische waardevolle bebouwing als bedoeld onder 1; hieromtrent wordt deskundig advies ingewonnen;

  3. het pand mag (ten behoeve van de extra woningen) niet worden uitgebreid.

  1. de toevoeging van de woningen is stedenbouwkundig, landschappelijk, verkeerskundig en milieukundig (w.o. woon- en leefmilieu) aanvaardbaar;

  2. de toevoeging van de woningen leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving;

  3. er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient voldaan te worden aan het bepaalde in artikel 26.2.

 

16.6.5 Omgevingsvergunning dakterras (t.b.v. de woonfunctie)

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de gebruiksregels en toestaan dat een plat dak wordt gebruikt als dakterras, mits aan aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. het dakterras wordt uitsluitend gebruikt t.b.v. de woonfunctie;

  2. het dakterras mag niet binnen een afstand van 2 meter tot de grenslijn van het naburig erf zijn gelegen;

  3. het bepaalde onder b. is niet van toepassing indien:

  1. voorzieningen worden aangebracht die er toe leiden dat vanaf het dakterras geen uitzicht is op het naburige erf; of

  2. toestemming is gegeven door de eigenaren van de naburige erven.

 

 

 

Artikel 17 Leiding - Belemmeringenstrook

 

17.1 Bestemmingsomschrijving

  1. De voor 'leiding – belemmeringenstrook' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen of leidingen voor drinkwater, persleidingen voor afvalwater of rioolwater en hoogspanningslijnen ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding – A t/m U'.

  2. Een buisleiding met de aanduiding 'hartlijn leiding – A t/m U' als bedoeld onder a. moet voldoen aan de specificaties in tabel 1 zoals opgenomen in bijlage 2 bij de regels.

  3. De in dit artikel opgenomen regels gaan voor op de overige regels in dit bestemmingsplan, voor zover er strijdigheid is tussen die regels.

 

17.2 Bouwregels

  1. Op of in deze gronden mag geen bouwwerk worden opgericht, met uitzondering van een bouwwerk, ten dienste van de betreffende leiding die is gelegen binnen de daarbij behorende belemmeringenstrook.

  2. De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten dienste van de leiding mag niet meer bedragen dan 4 m.

 

17.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

 

17.3.1 Omgevingsvergunning

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op of in deze gronden werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren, die van invloed kunnen zijn op de integriteit of werking van de leiding. Daaronder worden in ieder geval de volgende werken en werkzaamheden verstaan:

  1. het aanbrengen of rooien van hoogopgaande of diepwortelende beplanting en bomen;

  2. het aanleggen, reconstrueren of verwijderen van wegen, paden en andere al dan niet gesloten oppervlakteverhardingen;

  3. het aanleggen, vervangen of verwijderen van rioleringen en daarbij behorende voorzieningen;

  4. het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals ten behoeve van lichtmasten, wegwijzers, ander straatmeubilair en reclamevoorzieningen;

  5. het uitvoeren van grondbewerkingen, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage of wijzigen van het maaiveldniveau door het afgraven of ophogen van gronden;

  6. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, watergangen, vijvers en andere oppervlaktewateren;

  7. het tijdelijk of permanent opslaan van goederen waardoor grondzetting kan ontstaan.

 

17.3.2 Toelaatbaarheid

De in sub 17.3.1 bedoelde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien de integriteit en werking van de leiding zijn gewaarborgd.

  1. Voordat een omgevingsvergunning als bedoeld in 17.3.1 wordt verleend, wordt de betreffende leidingexploitant in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na het verzoek daarover schriftelijk advies te geven.

 

17.3.3 Uitzonderingen

Het bepaalde in sub 17.3.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  1. die betrekking hebben op de leiding zelf;

  2. voor zover het graafwerkzaamheden betreft, waarop de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten van toepassing is;

  3. die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning of reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.

 

Artikel 18 Waarde - Archeologie

 

18.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Waarde – Archeologie’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

 

18.2 Bouwregels

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van:

  1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw in generlei opzicht wordt vergroot en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;

  2. de bouw van een gebouw of de uitbreiding van een bestaand gebouw met een oppervlakte tot ten hoogste 100 m2;

  3. de bouw van een bouwwerk, dat kan worden gebouwd met graafwerkzaamheden die niet dieper reiken dan 0,50 m en zonder heiwerkzaamheden.

 

18.3 Afwijken van de bouwregels

  1. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 18.2 voor de bouw van bouwwerken ten dienste van de andere geldende bestemming(en).

  2. De omgevingsvergunning wordt niet verleend, dan nadat de aanvrager aan de hand van een door de bevoegde overheid goedgekeurd rapport heeft aangetoond, dat door de oprichting van het gebouw het archeologische bodemarchief niet wordt verstoord;

  3. Voor zover het oprichten van het in lid 18.2 bedoelde gebouw kan leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning één van de volgende voorwaarden verbinden:

  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of

  2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of

  3. de verplichting de oprichting van het gebouw te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

 

18.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

 

18.4.1 Omgevingsvergunning

Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  1. het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, aanbrengen van heipalen, egaliseren en ontginnen van gronden;

  2. het wijzigen van de waterhuishouding, zoals draineren en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen;

  3. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

  4. het verlagen van het waterpeil.

 

18.4.2 Uitzonderingen

Het verbod, zoals bedoeld in lid 18.4.1 is niet van toepassing, indien:

  1. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen, waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte;

  2. het betreft werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden met een diepte van minder dan 0,50 m of, bij een grotere diepte, met een oppervlakte kleiner dan 100 m2;

  3. op basis van inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;

  4. de werken en werkzaamheden:

  1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;

  2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingsvergunning;

  3. de werken en werkzaamheden op inventariserend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht.

 

18.4.3 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

  1. Het is verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk, de aanwezige bouwwerken te slopen. Uitgezonderd van dit verbod zijn sloopwerkzaamheden met een diepte van minder dan 0,50 meter of, bij een

  2. grotere diepte, met een oppervlakte kleiner dan 100 m2;

  3. aan de sloopvergunning kan in ieder geval de voorwaarde worden gesteld, dat de sloop wordt begeleid door een gekwalificeerde deskundige (zijnde een archeologisch bedrijf met een opgravingsvergunning). Hiervoor is een door de door het bevoegd gezag schriftelijk goedgekeurd Programma van Eisen vereist, dat is opgesteld conform de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA);

  4. indien tijdens de begeleiding van de sloopwerken vondsten van zeer hoge waarden worden aangetroffen, wordt hiervan terstond melding gemaakt bij het bevoegd gezag, die in het belang van de archeologische monumentenzorg aanvullende voorschriften kunnen verbinden aan de sloopvergunning;

  5. de vergunning kan niet worden verleend, indien blijkt dat de sloop een onevenredige aantasting van de archeologische waarden van de gronden tot gevolg heeft.

 

18.4.4 Toelaatbaarheid

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 18.4.1 en 18.4.3 wordt slechts verleend indien:

  1. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of

  2. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad; of

  3. de volgende voorwaarden in acht genomen worden indien, op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord:

  1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of

  2. een verplichting tot het doen van opgravingen; of

  3. een verplichting de uitvoering van werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg conform de vigerende KNA.

 

18.5 Wijzigingsbevoegdheid

 

18.5.1 Wijziging op basis van archeologisch onderzoek

Burgemeester en wethouders kunnen, overeenkomstig artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen in die zin, dat de dubbelbestemming 'Waarde -Archeologie' voor een nader aangegeven gebied vervalt, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

 

18.5.2 Advies

Alvorens de in lid 18.5.1 bedoelde wijziging wordt toegepast, wordt deskundig advies gevraagd aan een door burgemeester en wethouders in te schakelen deskundige op het gebied van de archeologische Monumentenzorg conform de vigerende KNA.

 

 

 

 

 

Artikel 19 Waarde - Beschermd stads- en dorpsgezicht

 

 

 

19.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Waarde – Beschermd stads- en dorpsgezicht’ aangewezen gronden zijn, behalve

voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming

van het aan de gronden toegekende beschermd stads- en dorpsgezicht.

 

19.2 Bouwregels

In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald ten aanzien van het bouwen krachtens de andere daar voorkomende bestemmingen van deze gronden, mag aan de gronden en de bebouwing, voor zover gelegen binnen deze bestemming, geen verandering worden aangebracht in de bestaande situatie ten aanzien van de volgende karakteristieken en kenmerken:

  1. rooilijnen;

  2. (minimale en maximale) goothoogte van gebouwen, de bouwhoogte van gebouwen en de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

  3. bouwmassa van gebouwen;

  4. dakhelling van gebouwen.

 

19.3 Afwijken van de bouwregels

  1. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 21.2, mits de door de aanwijzing tot beschermd stads- en dorpsgezicht te waarborgen belangen niet onevenredig worden aangetast.

  2. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de monumentencommissie.

 

19.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

 

19.4.1 Omgevingsvergunning

Het is verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op of in deze

gronden gelegen bebouwing geheel of gedeeltelijk te slopen, verhardingen aan te leggen

en bestaande paden en wegen te verleggen.

 

19.4.2 Toelaatbaarheid

  1. De in sub 21.4.1 bedoelde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien noodzakelijk voor het in de andere daar voorkomende bestemmingen toegestane gebruik van de grond, en in geval van gedeeltelijke sloop, indien door de sloopwerkzaamheden en/of aanlegwerkzaamheden geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische waarde en het beeldbepalende karakter van de aanwezige bebouwing en de karakteristieke inrichting van het aangewezen gebied.

  2. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid wordt advies ingewonnen bij de monumentencommissie omtrent de mogelijke aantasting van de karakteristiek van het beschermd stadsgezicht.

 

Artikel 20 Waarde - Monumentale bomen

 

20.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Waarde - Monumentale bomen‘ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor monumentale bomen.

 

20.2 Bouwregels

In afwijking van het bepaalde bij andere bestemmingen mogen geen bouwwerken worden opgericht binnen de bestemming ‘Waarde - Monumentale bomen', tenzij er een velvergunning is verleend op basis van de APV.

 

20.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 19.2, mits uit een bomeneffectrapportage blijkt, dat de bouwactiviteiten geen onevenredige nadelige effecten hebben voor de levensverwachting en de ruimtelijke, monumentale of ecologische betekenis van de ter plaatse aanwezige boom.

 

20.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

 

20.4.1 Omgevingsvergunning

Het is verboden, tenzij er een velvergunning is verleend op basis van de APV, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning binnen deze bestemming de volgende werkzaamheden te verrichten:

  1. aanleggen en verharden van wegen, paden en aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

  2. verlagen van de bodem en afgraven, verlagen, ophogen en egaliseren van gronden;

  3. het slopen van bouwwerken;

  4. aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;

 

20.4.2 Toelaatbaarheid

  1. De in sub 19.4.1 bedoelde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien wordt aangetoond dat door het gebruik van de gronden als hiervoor aangegeven de conditie, levensverwachting, groeiplaats en (beeld)-kwaliteit van de ter plaatse aanwezige boom of bomen niet onevenredig worden aangetast.

  2. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in sub 21.4.1 kan het bevoegd gezag een rapportage verlangen, waaruit blijkt dat de werken en/of werkzaamheden geen onevenredige gevolgen hebben voor de levensvatbaarheid en de ruimtelijke, monumentale of ecologische betekenis van de ter plaatse aanwezige boom of bomen.

  3. Het bevoegd gezag is tevens bevoegd bij het verlenen van de omgevingsgvergunning nadere eisen te stellen ter bescherming van de levensvatbaarheid en de ruimtelijke, monumentale of ecologische betekenis van de ter plaatse aanwezige boom of bomen.

 

20.4.3 Uitzonderingen

Het bepaalde in sub 19.4.1 is niet van toepassing op:

  1. werken en werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de bestemming van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming;

  2. werken en werkzaamheden, die op het tijdstip, waarop het plan rechtskracht verkrijgt, legaal in uitvoering zijn.

  3. op monumentale bomen waarvoor er een velvergunning is verleend op basis van de APV.

 

Artikel 21 Waterstaat - Waterkering

 

21.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Waterstaat - Waterkering’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor:

  1. hoofdwaterkering en de daarbij behorende voorzieningen voor de kering van het water;

  2. aanleg, instandhouding en/of bescherming van de hoofdwaterkering;

  3. waterhuishouding en voorzieningen ten behoeve van het scheepvaartverkeer;

  4. verhardingen ten behoeve van de waterkering;

 

21.2 Bouwregels

  1. Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden opgericht, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de waterkering.

  2. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de waterkering mag niet meer bedragen dan 9,0 m.

  3. Er dient advies te worden verkregen van de waterbeheerder.

  4.  

21.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 20.2 sub a, voor het oprichten van een bouwwerk overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemmingen, mits:

  1. de werking van de waterkering niet wordt geschaad;

  2. vooraf schriftelijk toestemming is verleend door de beheerder van de waterkering.

 

21.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

 

21.4.1 Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in lid 22.1bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  1. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren en ophogen van gronden;

  2. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;

  3. het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen;

  4. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;

  5. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen.

 

 

21.4.2 Uitzonderingen

Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.4.1 is nodig voor:

  1. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;

  2. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende omgevingsvergunning.

  3. werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden genoemd onder a en e, welke door Rijkswaterstaat worden uitgevoerd;

21.4.3 Toelaatbaarheid

Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 20.4.1.

 

Artikel 22 Waterstaat - Waterstaatkundige functie

 

22.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Waterstaat - Waterstaatkundige functie’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor:

  1. water en waterstaatkundige voorzieningen;

  2. waterwegen;

  3. voorzieningen ten behoeve van het scheepvaartverkeer;

  4. verhardingen ten behoeve van de waterhuishoudkundige en/of waterstaatkundige voorziening;

  5. ligplaatsen voor schepen, steigers en vlonders.

 

22.2 Bouwregels

  1. Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden opgericht, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van het scheepvaartverkeer.

  2. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van het scheepvaartverkeer mag niet meer bedragen dan 4 m.

 

22.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 21.2 sub a, voor het oprichten van een bouwwerk overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemmingen, mits:

  1. de belangen van de waterweg niet worden geschaad;

  2. vooraf schriftelijk toestemming is verleend bij de beheerder van de waterweg.

 

 

Hoofdstuk 3 Algemene regels

 

 

Artikel 23 Anti-dubbeltelregel

 

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

 

Artikel 24 Algemene bouwregels

 

24.1 Algemeen

Indien de bestaande maatvoering afwijkt van hetgeen in deze planregels is bepaald, mag deze afwijkende maatvoering worden gehandhaafd, mits het desbetreffende gebouw, bouwwerk, voorziening of werk op het moment van ter visielegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan legaal aanwezig was.

 

24.2 Ondergronds bouwen

 

24.2.1 Algemeen

Voor ondergronds bouwen gelden de volgende bepalingen:

  1. Op plaatsen waar bestaande bovengrondse gebouwen zijn of nieuwe bovengrondse gebouwen worden gebouwd mag eveneens ondergronds gebouwd worden; eveneens en direct aansluitend mogen in- dan wel uitritten ten behoeve van de ondergrondse bouwwerken worden gebouwd;

  2. De verticale diepte mag bij ondergronds bouwen niet meer bedragen dan 4 m.

 

24.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde onder 23.2.1 voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken op andere locaties dan onder een gebouw, al dan niet op een grotere diepte dan bepaald onder 23.2.1 mits:

  1. de oorspronkelijk functie op maaiveldniveau gehandhaafd blijft;

  2. er geen bezwaren zijn uit milieutechnisch oogpunt;

  3. er geen bezwaren zijn uit oogpunt van waterhuishouding.

  4.  

24.4 Niet-overdekte zwembaden

Voor het bouwen/aanleggen van niet-overdekte zwembaden gelden de volgende bepalingen:

  1. Zwembaden mogen uitsluitend worden gebouwd/aangelegd bij woningen;

  2. Zwembaden dienen op minimaal 3 m achter de voorgevelrooilijn van een woning te worden gebouwd/aangelegd.

 

Artikel 25 Algemene gebruiksregels

 

25.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:

  1. het gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gericht gebruik en onderhoud;

  2. het gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer- vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;

  3. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie;

  4. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens voor de exploitatie van een smart-, grow- en headshop, alsmede voor de groothandel in smart-, grow- en/of headproducten;

  5. het gebruik van gronden en gebouwen voor een belwinkel;

  6. het gebruik van gronden en gebouwen als risicovolle inrichting, voor de opslag van propaan of een ander ontvlambaar gas in een ondergrondse of bovengrondse tank of voor het opslaan of bewerken van gevaarlijke stoffen, in die gevallen dat het plaatsgebonden risico op een perceel van derden 10-6/jaar of meer bedraagt, tenzij dit gebruik ingevolge de regels in hoofdstuk 2 van dit bestemmingsplan expliciet is toegestaan.

 

Artikel 26 Algemene aanduidingsregels

 

 

26.1 Geluidzone - 48,5 dB contour

  1. Het oprichten of veranderen van een woning binnen de gebiedsaanduiding 'Geluidzone - 48,5 dB contour' is niet toegestaan indien de geluidbelasting, vanwege de St. Paulusweg en de Van Oldeneellaan op een gevel, anders dan een dove gevel, van een geluidgevoelige ruimte 48,5 dB of meer bedraagt;

  2. voor het berekenen van de geluidbelasting als bedoeld in het vorige lid moet worden uitgegaan van de uitgangspunten in het geluidrapport bij het bestemmingsplan.

 

26.2 Geluidzone - industrieterrein Vijf Eiken

 

26.2.1 Aanduiding geluidzone

  1. Ter plaatse van de aanduiding 'Geluidzone - industrieterrein Vijf Eiken zijn de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede aangewezen voor de geluidzone van een industrieterrein.

  2. Ter plaatse van de aanduiding 'Geluidzone - industrieterrein Vijf Eiken' mogen, in aanvulling op het bepaalde in de afzonderlijke bestemmingen, geen nieuwe geluidgevoelige objecten worden gebouwd, worden uitgebreid of in gebruik worden genomen.

 

26.2.2 Afwijken

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 25.1.1 sub b voor het bouwen of in gebruik nemen van een nieuw geluidgevoelig object, mits:

  1. dit is toegestaan op grond van de geldende bestemming;

  2. de standaard grenswaarde niet wordt overschreden of voor de geluidbelasting op de gevel een hogere waarde Wet geluidhinder is vastgesteld.

 

26.3 Geluidzone - industrieterrein Weststad - Statendam

 

26.3.1 Aanduiding geluidzone

  1. Ter plaatse van de aanduiding 'Geluidzone - industrieterrein Weststad - Statendam' zijn de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede aangewezen voor de geluidzone van een industrieterrein.

  2. Ter plaatse van de aanduiding 'Geluidzone - industrieterrein Weststad - Statendam' mogen, in aanvulling op het bepaalde in de afzonderlijke bestemmingen, geen nieuwe geluidgevoelige objecten worden gebouwd, worden uitgebreid of in gebruik worden genomen.

 

26.3.2 Afwijken

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 25.2.1 sub b voor het bouwen of in gebruik nemen van een nieuw geluidgevoelig object, mits:

  1. dit is toegestaan op grond van de geldende bestemming;

  2. de standaard grenswaarde niet wordt overschreden of voor de geluidbelasting op de gevel een hogere waarde Wet geluidhinder is vastgesteld.

 

26.4 Geluidzone - industrieterrein Weststad III

 

26.4.1 Aanduiding geluidzone

  1. Ter plaatse van de aanduiding 'Geluidzone - industrieterrein Weststad III' zijn de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede aangewezen voor de geluidzone van een industrieterrein.

  2. Ter plaatse van de aanduiding 'Geluidzone - industrieterrein Weststad III' mogen, in aanvulling op het bepaalde in de afzonderlijke bestemmingen, geen nieuwe geluidgevoelige objecten worden gebouwd, worden uitgebreid of in gebruik worden genomen.

 

26.4.2 Afwijken

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 25.3.1 sub b voor het bouwen of in gebruik nemen van een nieuw geluidgevoelig object, mits:

  1. dit is toegestaan op grond van de geldende bestemming;

  2. de standaard grenswaarde niet wordt overschreden of voor de geluidbelasting op de gevel een hogere waarde Wet geluidhinder is vastgesteld.

 

26.5 Milieuzone - boringvrije zone

 

26.5.1 Aanduiding milieuzone

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone – boringvrije zone' zijn de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede aangewezen voor het behoud van de beschermende kleilaag in de bodem.

 

26.5.2 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om het bestemmingsplan te wijzigen en de ligging van de aanduiding 'milieuzone - boringvrije zone' te wijzigen of de aanduiding te verwijderen, teneinde de begrenzing van de aanduiding in overeenstemming te brengen met de gewijzigde begrenzing, zoals die volgt uit een provinciaal besluit.

 

26.6 Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied

 

26.6.1 Aanduiding milieuzone

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied' zijn de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede aangewezen voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening.

 

26.6.2 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om het bestemmingsplan te wijzigen en de ligging van de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' te wijzigen of de aanduiding te verwijderen, teneinde de begrenzing van de aanduiding in overeenstemming te brengen met de gewijzigde begrenzing, zoals die volgt uit een provinciaal besluit.

 

26.7 Milieuzone - waterwingebied

 

26.7.1 Aanduiding milieuzone

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone – waterwingebied' zijn de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede aangewezen voor een waterwingebied ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening.

 

26.7.2 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om het bestemmingsplan te wijzigen en de ligging van de aanduiding 'milieuzone - waterwingebied' te wijzigen of de aanduiding te verwijderen, teneinde de begrenzing van de aanduiding in overeenstemming te brengen met de gewijzigde begrenzing, zoals die volgt uit een provinciaal besluit.

 

26.8 Vrijwaringszone - waterkering

 

26.8.1 Algemeen

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - waterkering' gelden ter bescherming van het onderhoud, de instandhouding of de versterking van de naastgelegen primaire waterkering de hierna volgende bepalingen:

 

26.8.2 Bouwen

Er mag overeenkomstig het bepaalde in de andere daar voorkomende bestemmingen pas worden gebouwd na verkregen toestemming van het Waterschap.

 

26.8.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Er mogen overeenkomstig het bepaalde in de afzonderlijke bestemmingen pas werken of werkzaamheden worden uitgevoerd na verkregen vergunning van het Waterschap.

 

26.9 Vrijwaringszone - vaarweg

 

26.9.1 Algemeen

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - vaarweg' gelden ter bescherming en instandhouding van de belangen van de vaarweg de hierna volgende bepalingen.

 

26.9.2 Bouwen

Op de in 25.8.1 bedoelde gronden is het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet toegestaan.

 

26.9.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 25.8.2 teneinde het oprichten van gebouwen ten behoeve van de op deze gronden liggende bestemmingen toe te staan, mits dit niet in strijd is met het vaarwegbelang en het belang vann de gebruiker van diezelfde vaarweg. Hiertoe wordt een verklaring van geen bezwaar verkregen van de vaarwegbeheerder.

 

26.10 Vrijwaringszone - weg

 

26.10.1 Algemeen

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - weg' gelden ter bescherming en instandhouding van de belangen van de weg de hierna volgende bepalingen.

 

26.10.2 Bouwen

Op de in 25.9.1 bedoelde gronden is het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet toegestaan.

 

26.10.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 25.9.2, teneinde het oprichten van gebouwen ten behoeve van de op deze gronden liggende bestemmingen toe te staan, mits hierbij het belang van toekomstige wegverbredingen niet onmogelijk dan wel onnodig duur te maken. Hiertoe wordt een verklaring van geen bezwaar verkregen van de wegbeheerder.

 

 

26.11 Overige zone - ecologische verbindingszone

 

26.11.1 Aanduiding ecologische verbindingszone

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - ecologische verbindingszone' zijn mede bestemd voor verwezenlijking, behoud en beheer van een ecologische verbindingszone.

 

26.11.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

  1. Het is verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, op of in de gronden ter plaatse van de aanduiding 'ecologische verbindingszone' de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:

  1. kappen van bomen of houtopstanden;

  2. aanleggen en verharden van wegen en paden en aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

  3. verlagen van de bodem en afgraven, verlagen, ophogen en egaliseren van gronden.

  1. Het onder a vervatte verbod is niet van toepassing op:

  1. werken en werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de bestemming van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming;

  2. werken en werkzaamheden, die op het tijdstip, waarop het plan rechtskracht verkrijgt, in uitvoering zijn.

  1. De onder a bedoelde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien door de werken of werkzaamheden de mogelijkheden voor verwezenlijking, behoud en beheer van de ecologische verbindingszone niet onvenredig worden geschaad.

 

26.12 Overige zone - evenementen 4 (Lukwelpark)

 

26.12.1 Algemeen

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - evenementen 4 (Lukwelpark)' zijn, naast hetgeen in de overige regels is bepaald, evenementen toegestaan, waarbij voldaan dient te zijn aan de volgende voorwaarden:

  1. Alleen evenementen in de categorieën I, II, III en IV zijn toegestaan;

  2. Het totaal aantal evenementen mag niet meer bedragen dan 50 evenementen per kalenderjaar;

  3. Het evenement mag alleen plaatsvinden in de dag- en avondperiode;

  4. Op- en afbouwactiviteiten mogen plaatsvinden direct voorafgaand of volgend op het evenement.

 

Per categorie evenementen gelden daanaast de volgende voorwaarden:

  1. Voor evenementen in categorie I:

  1. maximaal 30 evenementen per kalenderjaar;

  2. de duur per evenement mag maximaal 2 dagen (excl. op- en afbouwdagen);

  3. het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) vanwege het evenement mag gemeten op de gevel van een geluidgevoelig object, zowel in de dag- als de avondperiode, niet meer bedragen dan 60 dB(A) en 75 dB(C) (etmaalwaarde)

  1. Voor evenementen in categorie II:

  1. maximaal 10 evenementen per kalenderjaar;

  2. de duur per evenement mag maximaal 3 dagen (excl. op- en afbouwdagen);

  3. het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) vanwege het evenement mag gemeten op de gevel van een geluidgevoelig object, zowel in de dag- als de avondperiode, niet meer bedragen dan 75 dB(A)en 90 dB(C) (etmaalwaarde)

 

  1. Voor evenementen in categorie III:

  1. maximaal 6 evenementen per kalenderjaar;

  2. de duur per evenement mag maximaal 3 dagen (excl. op- en afbouwdagen);

  3. het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) vanwege het evenement mag gemeten op de gevel van een geluidgevoelig object, zowel in de dag- als de avondperiode, niet meer bedragen dan 75 dB(A)en 90 dB(C) (etmaalwaarde)

 

  1. Voor evenementen in categorie IV:

  1. maximaal 4 evenementen per kalenderjaar;

  2. de duur per evenement mag maximaal 3 dagen (excl. op- en afbouwdagen);

  3. het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) vanwege het evenement mag gemeten op de gevel van een geluidgevoelig object, zowel in de dag- als de avondperiode, niet meer bedragen dan 75 dB(A) en 90 dB(C) (etmaalwaarde)

 

  1. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) vanwege evenementen I, II, III en IV mag gemeten op de gevel van een geluidgevoelig object, zowel in de dag- als de avondperiode, niet meer bedragen dan 75 dB(A) en 90 dB(C), mits maximaal 50 dB(A) en 65 dB(C) etmaalwaarde bij een geluidgevoelige ruimte van een onderwijsgebouw tijdens schooldagen tussen 07:00 uur en 19:00 uur.

 

26.12.2 Op- en afbouwdagen

  1. Op- en afbouwactiviteiten mogen plaatsvinden in de dag-, avond- en nachtperiode;

  2. Op- en afbouwactiviteiten mogen plaatsvinden direct voorafgaand of volgend op het evenement;

  3. het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) vanwege de op- en afbouwactiviteiten mag gemeten op de gevel van een geluidgevoelig object, niet meer bedragen dan maximaal 50 dB(A) etmaalwaarde;

  4. indien op- en afbouwactiviteiten plaatsvinden in de nachtperiode, geldt dat per evenement maximaal 2 opeenvolgende nachten mogen worden gebruikt voor opbouwactiviteiten en maximaal 2 nachten mogen worden gebruikt voor afbouwactiviteiten.

 

 

26.13 Overige zone - evenementen 10 (Slotjesveld)

 

26.13.1 Algemeen

 

Ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – evenementen ##’ zijn, naast hetgeen in de overige regels is bepaald, evenementen toegestaan, waarbij voldaan dient te zijn aan de volgende voorwaarden:

  1. alleen evenementen in de categorieën I, II, III en IV en de kermis zijn toegestaan;

  2. het totaal aantal evenementen mag niet meer bedragen dan 20 evenementen per kalenderjaar;

  3. het totaal aantal evenementendagen mag niet meer bedragen dan 30 dagen per kalenderjaar;

  4. een evenement mag alleen plaats vinden in de dag- en avondperiode, tenzij bij de categorie evenementen of kermis anders is aangegeven;

  5. tussen de afzonderlijk te houden evenementen dient een tijdsbestek van minimaal 10 dagen te zitten. De op- en afbouwdagen worden bij het bepalen van dit aantal dagen niet meegeteld;

  

Per categorie van evenementen gelden daarnaast de volgende voorwaarden:

  1. voor evenementen in categorie I:

  1. maximaal 10 evenementen per kalenderjaar;

  2. de duur per evenement mag maximaal 3 dagen (excl. op- en afbouwdagen) bedragen;

  1. voor evenementen in categorie II:

  1. maximaal 10 evenementen per kalenderjaar;

  2. de duur per evenement mag maximaal 3 dagen (excl. op- en afbouwdagen) bedragen;

  1. voor evenementen in categorie III:

  1. maximaal 6 evenementen per kalenderjaar;

  2. de duur per evenement mag maximaal 3 dagen (excl. op- en afbouwdagen) bedragen;

  1. voor evenementen in categorie IV:

  1. maximaal 2 evenementen per kalenderjaar;

  2. de duur per evenement mag maximaal 2 dagen (excl. op- en afbouwdagen) bedragen;

  1. voor evenementen bestaande uit de kermis:

  1. het aantal evenementendagen, exclusief de op- en afbouwdagen, bedraagt maximaal 6 dagen per jaar gedurende een aaneengesloten periode;

  2. een evenement mag plaats vinden in de dag-, avond- en nachtperiode;

  1. voor evenementen:

  1. van categorie I en op- en afbouwactiviteiten, mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) vanwege het evenement gemeten op de gevel van een geluidgevoelig object niet meer bedragen dan maximaal 60 dB(A) en 75 dB(C) (etmaalwaarde);

  2. van categorie II tot en met IV en de kermis, mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) vanwege het evenement gemeten op de gevel van een geluidgevoelig object niet meer bedragen dan maximaal 75 dB(A) en 90 dB(C) (etmaalwaarde).

 

26.13.2 Op- en afbouwdagen

 

  1. Op- en afbouwactiviteiten mogen plaatsvinden in de dag-, avond- en nachtperiode;

  2. Voor het op- en afbouwen ten behoeve van evenementen zijn maximaal 6 dagen toegestaan;

  3. Indien op- en afbouwactiviteiten plaatsvinden in de nachtperiode, geldt dat per evenement maximaal 2 opeenvolgende nachten mogen worden gebruikt voor opbouwactiviteiten en maximaal 2 nachten mogen worden gebruikt voor afbouwactiviteiten.

 

26.14 Overige zone - industrieterrein Vijf Eiken

 

26.14.1 Aanduiding industrieterrein Vijf Eiken

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - industrieterrein Vijf Eiken' zijn aangeduid als industrieterrein op basis van de Wet geluidhinder.

 

26.15 Overige zone - industrieterrein Weststad - Statendam

 

26.15.1 Aanduiding industrieterrein Weststad - Statendam

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - industrieterrein Vijf Eiken' zijn aangeduid als industrieterrein op basis van de Wet geluidhinder.

 

26.16 Overige zone - industrieterrein Weststad III

 

26.16.1 Aanduiding industrieterrein Weststad III

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - industrieterrein Vijf Eiken' zijn aangeduid als industrieterrein op basis van de Wet geluidhinder.

 

26.17 Overige zone - voorwaardelijke verplichting parkeren

  1. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting parkeren' mogen bouwwerken pas in gebruik genomen worden ten behoeve van wonen, nadat per woning op eigen terrein is voorzien in 2 parkeerplaatsen.

  2. De parkeerplaatsen als bedoeld onder a dienen in stand te worden gehouden.

 

26.18 Overige zone - voorwaardelijke verplichting Slotlaan

 

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting Slotlaan' dienen de rijbanen van de Slotlaan, anders dan een busbaan, voorzien te zijn van een wegdektype dunne deklagen type B.

 

26.19 Overige zone - voorwaardelijke verplichting Wilhelminakanaal Oost

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting Wilhelminakanaal Oost' is het gebruik van de weg voor gemotoriseerd verkeer uitsluitend toegestaan, indien deze weg is voorzien van een wegdektype SMA NL5, of van een ander wegdektype met ten minste dezelfde geluidreductie.

 

26.20 Veiligheidszone – minder zelfredzame personen

 

26.20.1 Aanduiding veiligheidszone

  1. Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone – minder zelfredzame personen' zijn de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede aangewezen voor de beperking van het externe veiligheidsrisico vanwege de aanwezigheid van een buisleiding (aardgas), de Rijksweg A27, de Rijksweg A59 en de spoorweg Breda-Tilburg.

  2. Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone – minder zelfredzame personen' mag, in aanvulling op het bepaalde in de afzonderlijke bestemmingen,

  1. geen nieuwe functie waar regelmatig minder zelfredzame personen kunnen verblijven worden opgericht, uitgebreid, of als zodanig worden gebruikt;

  2. een bestaand object gelegen buiten die veiligheidszone, niet zodanig worden gewijzigd of uitgebreid dat het gedeeltelijk komt te liggen in die veiligheidszone en het daarna een functie betreft waar regelmatig minder zelfredzame personen kunnen verblijven.

 

26.20.2 Afwijken

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 25.16.1 sub b, mits:

  1. dit is toegestaan op grond van de geldende bestemming, en;

  2. dit uit oogpunt van externe veiligheid aanvaardbaar is.

 

26.20.3 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om het bestemmingsplan te wijzigen en de ligging van de aanduiding 'veiligheidszone – minder zelfredzame personen' te wijzigen tot het dan geldende invloedsgebied vanwege de buisleiding (aardgas), de Rijksweg A27, de Rijksweg A59 of de spoorweg Breda-Tilburg óf de aanduiding te verwijderen voor zover er geen invloedsgebied vanwege de buisleiding (aardgas), de Rijksweg A27, de Rijksweg A59 of de spoorweg Breda-Tilburg meer aanwezig is.

 

26.21 Veiligheidszone - plaatsgebonden risico

 

26.21.1 Aanduiding veiligheidszone

  1. Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone – plaatsgebonden risico' zijn de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede aangewezen voor de beperking van het externe veiligheidsrisico vanwege de aanwezigheid van een plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar ten gevolge van het vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding.

  2. Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone – plaatsgebonden risico' mag, in aanvulling op het bepaalde in de afzonderlijke bestemmingen:

  1. geen (beperkt) kwetsbaar object worden opgericht of als zodanig worden gebruikt;

  2. een bestaand object gelegen buiten die veiligheidszone, niet zodanig worden gewijzigd of uitgebreid voor zover het gedeeltelijk komt te liggen in die veiligheidszone en het daarna een (beperkt) kwetsbare object betreft.

 

26.21.2 Afwijken

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 25.17.1 sub b, mits:

  1. dit is toegestaan op grond van de geldende bestemming, en;

  2. dit uit oogpunt van externe veiligheid aanvaardbaar is.

 

26.21.3 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om het bestemmingsplan te wijzigen en de ligging van de aanduiding 'veiligheidszone – plaatsgebonden risico' te wijzigen tot het dan geldende plaatsgebonden risicoafstand vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen óf de aanduiding te verwijderen voor zover er geen plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen meer aanwezig is.

 

26.22 Veiligheidszone - plasbrandaandachtsgebied

 

26.22.1 Aanduiding veiligheidszone

  1. Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - plasbrandaandachtsgebied' zijn de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede aangewezen voor de beperking van het externe veiligheidsrisico vanwege de aanwezigheid van een plasbrandaandachtsgebied ten gevolge van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A27 en de spoorweg Breda-Tilburg.

  2. Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - plasbrandaandachtsgebied' mag, in aanvulling op het bepaalde in de afzonderlijke bestemmingen:

  1. geen nieuw (beperkt) kwetsbaar object worden opgericht of als zodanig worden gebruikt;

  2. een bestaand object gelegen binnen of buiten die veiligheidszone, niet in de richting van de Rijksweg A27 of de spoorweg Breda-Tilburg worden gewijzigd of uitgebreid, voor zover het gedeeltelijk ligt of komt te liggen in die veiligheidszone en het daarna een (beperkt) kwetsbaar object betreft.

 

26.22.2 Afwijken

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 25.18.1 sub b, mits:

  1. dit is toegestaan op grond van de geldende bestemming, en;

  2. dit uit oogpunt van externe veiligheid aanvaardbaar is.

 

26.22.3 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om het bestemmingsplan te wijzigen en de ligging van de aanduiding 'veiligheidszone - plasbrandaandachtsgebied' langs de Rijksweg A27 en spoorweg Breda-Tilburg te wijzigen tot het dan geldende plasbrandaandachtsgebied vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen óf de aanduiding te verwijderen voor zover er geen plasbrandaandachtsgebied vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen meer aanwezig is.

 

26.23 Veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen

 

26.23.1 Aanduiding veiligheidszone

  1. Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone – magneetveldzone hoogspanningslijn' zijn de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede aangewezen voor de beperking van het externe veiligheidsrisico vanwege de aanwezigheid van een magneetveld ten gevolge van de hoogspanningslijn.

  2. Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone – magneetveldzone hoogspanningslijn' mag, in aanvulling op het bepaalde in de afzonderlijke bestemmingen:

  1. geen nieuwe gevoelige functie worden opgericht of als zodanig gebruikt;

  2. een bestaand object gelegen binnen of buiten die veiligheidszone, niet in de richting van de hoogspanningslijn worden gewijzigd of uitgebreid voor zover het gedeeltelijk ligt of komt te liggen in die veiligheidszone en het daarna een gevoelig object betreft.

 

26.23.2 Afwijken

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 25.19.1 sub b, mits:

  1. dit is toegestaan op grond van de geldende bestemming, en

  2. dit uit oogpunt van woon- en leefklimaat en gezondheid aanvaardbaar is.

 

26.23.3 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om het bestemmingsplan te wijzigen en de ligging van de aanduiding 'veiligheidszone - magneetveldzone hoogspanningslijn' te wijzigen tot het dan geldende magneetveldgebied van 0,4 μTesla vanwege de hoogspanningslijn óf de aanduiding te verwijderen voor zover er geen hoogspanningslijn meer aanwezig is.

 

26.24 overige zone - windhinderzone monumentale bomen

 

26.24.1 aanduiding overige zone

 

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - windhinderzone monumentale bomen', zijn de gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de aanwezige monumentale bomen.

 

26.24.2 Bouwregels

 

In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mogen ter plaatse van deze aanduiding geen nieuwe woningen en/of gebouwen worden gebouwd hoger dan 20 m.

 

26.24.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 26.24.2 voor het bouwen van nieuwe woningen en/of gebouwen, overeenkomstig de daar voorkomende bestemmingen, mits de onderzoeksresultaten van een windhinderonderzoek hebben aangetoond dat er voor de monumentale bomen geen onevenredige schade wordt veroorzaakt door de bouw van deze nieuwe woningen en/of gebouwen.

 

 

 

 

Artikel 27 Overige regels

 

27.1 Verwijzing naar andere wettelijke regelingen

Indien en voor zover in deze planregels wordt verwezen naar wetten, verordeningen of enige andere algemeen verbindende regeling, dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerp van dit plan.

 

27.2 Parkeren

  1. Een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels kan uitsluitend worden verleend indien wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor laden en lossen; indien niet in voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor laden en lossen wordt voorzien, wordt de omgevingsvergunning geweigerd.

  2. Het bevoegd gezag toetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor laden en lossen. Hiervoor gelden de volgende regels:

  1. In het geval van een omgevingsvergunning voor de oprichting of uitbreiding van een gebouw en in het geval van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels functiewijziging van een gebouw en/of van gronden dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid;

  2. Indien de aanvraag omgevingsvergunning voor het gebruik van een gebouw en/of gronden daar aanleiding toe geeft, dient te worden voorzien in voldoende ruimte voor laden en lossen;

  3. Bij een omgevingsvergunning wordt aan de hand van het geldende door de gemeenteraad op 22 mei 2019 vastgestelde gemeentelijke parkeerbeleid, als neergelegd in de 'Nota Parkeernormen 2019’, bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid en/of de ruimte voor laden en lossen. Indien dit parkeerbeleid gedurende de planperiode wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met deze wijziging;

  4. De parkeervoorzieningen als bedoeld onder 1 en de ruimte voor laad- en losvoorzieningen als bedoeld onder 2 dienen in stand te worden gehouden.

 

27.3 Waterberging

  1. Een omgevingsvergunning voor het bouwen kan uitsluitend worden verleend indien wordt voorzien in voldoende waterberging. Indien niet in voldoende waterberging wordt voorzien, wordt de omgevingsvergunning geweigerd;

  2. Het bevoegd gezag toetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning of wordt voorzien in een juiste en/of voldoende waterberging. Hiervoor gelden de volgende regels:

  1. bij een bui van 40 mm per uur (T=10) mag geen water op straat staan, berekend vanuit een leidingstelsel of ondergrondse voorziening;

  2. bij een bui van 70 mm per uur (T=100) mag geen inundatie ontstaan vanuit een open voorziening (bv wadi);

  3. de waterberging dient te worden berekend voor al het regenwater vallend op:

  4. al het op de voorziening aangesloten afvoerend verhard oppervlak, ongeacht de bestaande hoeveelheid verhard oppervlak;

  5. het oppervlak van de eventuele open voorziening i.v.m. daarin vallend regenwater;

  1. Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 26.3 lid b, als er een onderbouwing wordt gegeven van de (technische) onmogelijkheden.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

 

Artikel 28 Overgangsrecht

 

28.1 Overgangsrecht bouwen

  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan legaal aanwezig is of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouw- of omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

  2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

  1. Het bevoegd gezag kan eenmalig met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het bepaalde onder a met maximaal 10%.

  2. Het bepaalde onder a en b is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

 

28.2 Overgangsrecht gebruik

  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

  2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

  3. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan één jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

  4. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

 

28.3 Persoonsgebonden overgangsrecht

  1. De natuurlijke personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan de recreatiewoningen zoals opgenomen in onderstaande tabel, permanent bewonen mogen de permanente bewoning van deze recreatiewoningen voortzetten. Artikel 31.2 onder a is op dit gebruik niet van toepassing.

  2. Het gebruik van recreatiewoningen ten behoeve van permanente bewoning zoals bedoeld onder a mag niet mag worden vergroot.

  3. Op het moment dat de permanente bewoning van de desbetreffende recreatiewoningen zoals bedoeld onder a eindigt, is hierna permanente bewoning niet langer toegestaan.

 

 

Artikel 29 Slotregel

 

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan Bestemmingsplan Slotjes /- Oud-West 2024.