direct naar inhoud van Artikel 19 Leiding - Brandstof
Plan: Buitengebied 2010, bestuurlijke lus
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0823.BPBGfase12010-VG03

Artikel 19 Leiding - Brandstof

19.1 Bestemmingsomschrijving
19.1.1

De voor leiding - brandstof aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

  • a. een ondergrondse brandstofleiding ter plaatse van de aanduiding hartlijn leiding - brandstof';
  • b. het beheer en onderhoud van de leiding;
  • c. de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de leiding;

met de bij a tot en met c behorende:

  • d. beschermingszones met een breedte van 5 m aan weerszijden van de aanduiding hartlijn leiding -brandstof;;
  • e. voorzieningen als bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • f. (on)bebouwde gronden.
19.2 Bouwregels

19.2.1 In afwijking van het bepaalde in dit hoofdstuk van deze regels mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming.

19.3 Ontheffing van de bouwregels

19.3.1 Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van de procedureregels in artikel 37, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding, ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 19.2.1 en toestaan dat bouwwerken overeenkomstig dit hoofdstuk van deze regels worden gebouwd, mits vooraf advies wordt ingewonnen van de betreffende leidingbeheerder.

19.4 Aanlegvergunning

19.4.1 Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het vergraven, afgraven en egaliseren van gronden;
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
  • c. het indrijven van voorwerpen;
  • d. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen.


19.4.2 Het in artikel 19.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  • a. welke het normale onderhoud betreffen;
  • b. waarvoor op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan reeds aanlegvergunning is verleend;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.


19.4.3 De in artikel 19.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig functioneren van de leiding.


19.4.4 Een aanlegvergunning wordt niet eerder verleend dan nadat burgemeester en wethouders daarover een advies hebben ingewonnen bij de beheerder van de ondergrondse leiding.