Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Kernen Zederik
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0707.BPKernenZederik-VA01

Artikel 7 Bedrijventerrein - Meerkerk 4

7.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Bedrijventerrein - Meerkerk 4' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2': bedrijven uit ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein';
  2. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1': bedrijven uit ten hoogste categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein';
  3. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2': bedrijven uit ten hoogste categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein';
  4. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.1': bedrijven uit ten hoogste categorie 4.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein';
  5. zelfstandige kantoren, met dien verstande dat:
    1. het brutovloeroppervlak ten hoogste 750 m2 per vestiging mag bedragen;
    2. het aantal vestigingen in het gehele plangebied ten hoogste 6 mag bedragen;
  6. bedrijfswoningen zijn niet toegestaan;
  7. detailhandelsbedrijven niet zijn toegestaan, met uitzondering van detailhandel die een normaal en ondergeschikt bestanddeel uitmaakt van de totale bedrijfsuitoefening;
  8. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - tuin en parkeren' is uitsluitend gebruik ten behoeve van een tuin en parkeren met een groene uitstraling toegestaan met dien verstande dat ten hoogste 50% van de desbetreffende gronden voor parkeren mag worden gebruikt en per bedrijf maximaal 2 in- of uitritten zijn toegestaan; 
  9. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, verkeersvoorzieningen (waaronder (ontsluitings)wegen), parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen.
 
7.2 Bouwregels
7.2.1 Bedrijfsgebouwen
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen:
  1. bedrijfsgebouwen worden uitsluitend gebouwd binnen het bouwvlak;
  2. het bebouwingspercentage mag niet minder bedragen dan ter plaatse van de aanduiding "minimum bebouwingspercentage (%)’ is aangegeven;
  3. de afstand van bedrijfsgebouwen tot de zijdelingse en achterste perceelsgrenzen dient aan de zijden waar de gebouwen niet aaneengebouwd zijn ten minste 3 m te bedragen
  4. de afstand van overkappingen tot perceelsgrenzen dient ten minste 3 m te bedragen;
  5. de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen bedraagt minimaal de bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'minimale - maximale bouwhoogte (m)' aangegeven minimale bouwhoogte;
  6. de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen bedraagt maximaal de bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'minimale - maximale bouwhoogte (m)' aangegeven maximale bouwhoogte;
  7. ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding - overkluizing dienen de gronden tot 3 m boven peil onbebouwd te blijven;
  8. ter plaatse van de op de verbeelding opgenomen gevellijn dienen gebouwen over ten minste 50% van de op het bouwperceel aangegeven gevellijn met een representatieve gevel dan wel de verticale projectie daarvan in de voorgevellijn te worden gebouwd;
  9. ter plaatse van de op de verbeelding opgenomen flexibele gevellijn dienen gebouwen over ten minste 50% van de op het bouwperceel aangegeven flexibele gevellijn met een representatieve gevel dan wel de verticale projectie daarvan in of ten hoogste 5 m achter en evenwijdig aan de flexibele gevellijn te worden gebouwd;
  10. bij hoekpercelen geldt het bepaalde in artikel 7 lid 2.1 sub g en artikel 7 lid 2.1 sub h voor beide gevellijnen afzonderlijk dan wel voor gevellijn(en) en flexibele gevellijn afzonderlijk
 
7.2.1.1 Aanvullende bepalingen voor deelgebied A
  1. Op de gronden met de specifieke bouwaanduiding overkluizing mogen uitsluitend horizontaal uitkragende onderdelen van gebouwen worden gebouwd, met dien verstande dat:
    1. de bouwhoogte ten minste 3 m lager dient te zijn dan de bouwhoogte van de aangrenzende gebouwdelen;
    2. de op de kaart aangegeven voorgevellijn mag worden overschreden over een breedte van ten hoogste 50% van het in de voorgevellijn gebouwde deel van het gebouw;
    3. er geen bebouwing ten behoeve van de uitkraging mag worden opgericht tot een hoogte van ten minste 3 m boven peil;
  2. De bedrijfsgebouwen dienen plat of met een eenzijdig hellend dakvlak te worden afgedekt, met dien verstande dat:
    1. indien een hellend dakvlak wordt toegepast, de hoogste gevel aan de straatzijde dient te worden gerealiseerd;
    2. op hoekpercelen een hellend dakvlak bovendien uitsluitend mag worden toegepast, indien de schuine zijde niet langs de op de kaart aangegeven "Buitenlaan" (sv-bul) en "Binnenlaan" (sv-bil) van verkeer - binnelaan, is gelegen;
    3. in afwijking van het bepaalde in artikel 7 lid 2.1.1 sub b onder 2  op hoekpercelen ook een hellend dakvlak mag worden toegepast met de schuine zijde langs de "Buitenlaan" (sv-bul) of de "Binnenlaan" (sv-bil), mits de schuine zijde door bouwwerken is onttrokken aan het zicht vanaf de "Buitenlaan" en de "Binnenlaan";
7.2.1.2 Aanvullende bepalingen voor deelgebied B
  1. Bedrijfsgebouwen dienen plat of met een eenzijdig hellend dakvlak te worden afgedekt, met dien verstande dat:
    1. indien een hellend dakvlak wordt toegepast, de hoogste gevel aan de straatzijde dient te worden gerealiseerd;
    2. op hoekpercelen een hellend dakvlak bovendien uitsluitend mag worden toegepast, indien de schuine zijde niet langs de op de kaart aangegeven "Buitenlaan" (sv-bul) en "Binnenlaan"(sv-bil) is gelegen;
    3. in afwijking van het bepaalde onder artikel 7 lid 2.1.2 sub a onder 2 op hoekpercelen ook een hellend dakvlak mag worden toegepast met de schuine zijde langs de "Buitenlaan"(sv-bul) of de "Binnenlaan"(sv-bil), mits de schuine zijde door bouwwerken is onttrokken aan het zicht vanaf de "Buitenlaan"(sv-bul) en de "Binnenlaan"(sv-bil).
7.2.1.3 Aanvullende bepalingen voor deelgebied C
  1. Op de gronden met de specifieke bouwaanduiding overkluizing mogen uitsluitend horizontaal uitkragende onderdelen van bedrijfsgebouwen worden gebouwd, met dien verstande dat:
    1. de gronden tot een hoogte van 3 m boven peil uitsluitend zijn bestemd voor water;
    2. de bouwhoogte ten minste 3 m lager dient te zijn dan de bouwhoogte van de aangrenzende gebouwdelen;
    3. er geen bebouwing ten behoeve van de uitkraging mag worden opgericht tot een hoogte van ten minste 3 m boven peil;
  2. ten minste 30% van het oppervlak van de gebouwen dient een bouwhoogte van ten minste 15 m te hebben;
  3. de bedrijfsgebouwen dienen plat of met een eenzijdig hellend dakvlak te worden afgedekt;
7.2.1.4 Aanvullende bepalingen voor deelgebied D
  1. indien bedrijfsgebouwen worden gebouwd op een bouwperceel met een gevellijn van 30 m of meer, dienen bedrijfsgebouwen over ten minste 80% van de op het bouwperceel aangegeven gevellijn met een representatieve gevel dan wel de verticale projectie daarvan in de gevellijn te worden gebouwd;
  2. indien bedrijfsgebouwen worden gebouwd op een bouwperceel met een gevellijn van minder dan 30 m, dienen bedrijfsgebouwen over de gehele voorgevellijn, verminderd met 6 m, met een representatieve gevel dan wel de verticale projectie daarvan in de voorgevellijn te worden gebouwd;
  3. bij hoekpercelen geldt het bepaalde in artikel 7 lid 2.1.4 sub a en artikel 7 lid 2.1.4 sub b voor alle voorgevellijnen afzonderlijk;
  4. de bedrijfsgebouwen dienen plat of met een eenzijdig hellend dakvlak te worden afgedekt, met dien verstande dat:
    1. indien een hellend dakvlak wordt toegepast, de hoogste gevel aan de straatzijde dient te worden gerealiseerd;
    2. op hoekpercelen een hellend dakvlak bovendien uitsluitend mag worden toegepast, indien de schuine zijde niet langs de op de kaart aangegeven "Buitenlaan"(sv-bul) en "Binnenlaan"(sv-bil) is gelegen;
    3. in afwijking van het bepaalde in artikel 7 lid 2.1.4 sub d onder 2 op hoekpercelen ook een hellend dakvlak mag worden toegepast met de schuine zijde langs de "Buitenlaan"(sv-bul) of de "Binnenlaan"(sv-bil), mits de schuine zijde door bouwwerken is onttrokken aan het zicht vanaf de "Buitenlaan" en de "Binnenlaan";
7.2.1.5 Aanvullende bepalingen voor deelgebied E
  1. bedrijfsgebouwen dienen plat of met een eenzijdig hellend dakvlak te worden afgedekt, met dien verstande dat:
    1. indien een hellend dakvlak wordt toegepast, de hoogste gevel aan de straatzijde dient te worden gerealiseerd;
    2. op hoekpercelen een hellend dakvlak bovendien uitsluitend mag worden toegepast, indien de schuine zijde niet langs de op de kaart aangegeven "Buitenlaan"(sv-bul) en "Binnenlaan"(sv-bil) is gelegen;
    3. in afwijking van het bepaalde in artikel 7 lid 2.1.5 sub a onder 2 op hoekpercelen ook een hellend dakvlak mag worden toegepast met de schuine zijde langs de "Buitenlaan"(sv-bul) of de "Binnenlaan"(sv-bil), mits de schuine zijde door bouwwerken is onttrokken aan het zicht vanaf de "Buitenlaan" en de "Binnenlaan".
7.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen:
  1. de afstand van laad- en losperrons tot de bestemmingsgrens dient ten minste 5 m te bedragen;
  2. bouwwerken ten behoeve van reclame zijn niet toegestaan boven de feitelijke goot- of boeibordhoogte van een gebouw;
  3. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 2 m bedragen;
  4. de maximale bouwhoogte van een overkapping bedraagt 3 m, met dien verstande dat de maximale oppervlakte 30 m² bedraagt en de overkapping niet voor de voorgevellijn is toegestaan;
  5. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 12 m bedragen.
7.3 Afwijken van de bouwregels
7.3.1 Afwijken van de gevellijn
  1. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van de regels ten aanzien van het bouwen van een representatieve gevel in de gevellijn dan wel in of achter de flexibele gevellijn in gevallen waarin aan drie of vier zijden van het bouwperceel een voorgevellijn of flexibele voorgevellijn is aangegeven.
  2. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7 lid 3.1 sub a wordt ten behoeve van ten hoogste één zijde van het bouwperceel verleend.
7.3.2 Afwijken breedte representatieve gevel
  1. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van de regels teneinde in deelgebied D een kleinere breedte van de representatieve gevel toe te staan, met dien verstande dat:
    1. de minimumbreedte van de in de gevellijn gebouwde representatieve gevel, die wordt gebouwd op een bouwperceel met een breedte van 30 m of meer, 65% van de aangegeven gevellijn bedraagt;
    2. de minimumbreedte van de in de gevellijn gebouwde representatieve gevel, die wordt gebouwd op een bouwperceel met een breedte van minder dan 30 m, 85% van de minimaal vereiste breedte zoals bedoeld in artikel 7 lid 2.1.4 sub b bedraagt.
  2. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7 lid 3.2 sub a wordt uitsluitend verleend, indien en voor zover de afwijking noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of voor het creëren van extra ruimte voor verkeersbewegingen ten behoeve van het laden en lossen van goederen.
7.3.3 Afwijken van het bebouwingspercentage
Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in artikel 7 lid 2.1 sub b ten einde af te wijken van het minimale bebouwingspercentage onder voorwaarde dat:
  1. de afwijking noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering;
  2. er geen onevenredige afbeuk wordt gedaan aan de oorspronkelijke stedenbouwkundige opzet van het plan.
 
7.4 Specifieke gebruiksregels
Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels:
  1. activiteiten uit kolom 1 van bijlagen C en D van het Besluit milieueffectrapportage 1994 zijn niet toegestaan in de gevallen, zoals genoemd in kolom 2 van de desbetreffende bijlage;
  2. opslag en uitstalling van goederen en materlalen op onbebouwde gronden is niet toegestaan, tenzij dit door bouwwerken is onttrokken aan het zicht vanaf de openbare weg;
  3. geluidshinderlijke inrichtingen niet zijn toegestaan;
  4. risicovolle inrichtingen niet zijn toegestaan;
  5. opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk niet is toegestaan;
  6. per bedrijf mag het brutovloeroppervlak van de bij het bedrijf behorende niet-zelfstandige kantoorruimten niet meer bedragen dan 50% van het totale bedrijfsvloeroppervlak, met een maximum van 3.000 m²;
  7. het gebruik van bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning of afhankelijke woonruimte is niet toegestaan;
  8. dienstverlenende bedrijven zoals een schoonheidsspecialiste of kapper zijn niet toegestaan.
 
7.5 Afwijken van de gebruiksregels
7.5.1 Afwijken van de Staat van Bedrijfsactiviteiten
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7 lid 1 :
  1. om bedrijven toe te laten in één categorie hoger dan in artikel 7 lid 1 ,voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) geacht kan worden te behoren tot de categorieën, zoals in artikel 7 lid 1  genoemd;
  2. om bedrijven toe te laten die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein' zijn genoemd, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de categorieën, zoals in artikel 7 lid 1  genoemd;
met dien verstande dat:
  1. alvorens omtrent het verlenen van omgevingsvergunning te beslissen, schriftelijk advies ingewonnen wordt bij de milieudeskundige omtrent de aard van het bedrijf, de invloed daarvan op de omgeving, gelet op de specifieke werkwijze en verschijningsvorm en, voor zover vereist, getoetst aan de maatgevende milieuaspecten.
 
7.5.2 Afwijken ten behoeve van zelfstandige kantoren
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artiket 6 lid 1 sub e teneinde zelfstandige kantoren met een bruto vloeroppervlak van meer dan 750m2 per vestiging toe te staan, met dien verstande dat:
  1. Het brutovloeroppervlak niet meer dan 1.500 m2 mag bedragen.
7.5.3 Afwijken ten behoeve van meerdere inritten
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7 lid 1 :
  1. om meer dan 2 inritten per bedrijf toe te staan, mits:
  2. de verkeerskundig inpasbaar is;
  3. noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. 
7.6 Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan ter plaatse van de gronden met de bestemming Bedrijventerrein - Meerkerk 4  te wijzigen om een risicovolle inrichting toe te staan, met inachtneming van de volgende bepalingen:
  1. de inrichting dient te passen in de ter plaatse toegelaten categorieën van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  2. de 10-6-contour voor het plaatsgebonden risico of − indien van toepassing − de afstand zoals bedoeld in artikel 5 lid 3 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen jo. artikel 2 lid 1 van de Regeling externe veiligheid inrichtingen, mag niet buiten het bouwperceel van de risicovolle inrichting zijn gelegen;
  3. in verband hiermee mag het bebouwingspercentage op de betreffende gronden voor zover nodig worden verlaagd, indien het een bedrijf betreft dat reeds elders in de gemeente is gevestigd en waarvan verplaatsing wegens nadelige milieueffecten noodzakelijk is;
  4. bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid dient een verantwoording te worden gegeven van het groepsrisico in het invloedsgebied van de inrichting.