Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Kernen Zederik
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0707.BPKernenZederik-VA01

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. de uitoefening van een volwaardig grondgebonden agrarisch bedrijf met dien verstande dat:
    1. fruitteelt uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'fruitteelt';
  2. maximaal één bedrijfswoning per bouwvlak dan wel het grotere bestaande aantal bedrijfswoningen met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten', bedrijfswoningen niet zijn toegestaan;
  3. nevenactiviteiten in de vorm van detailhandel ten behoeve van ter plaatse geproduceerde of streekeigen geproduceerde agrarische producten met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte ten behoeve van het detailhandel maximaal 200 m² mag bedragen;
  4. nevenactiviteiten in de vorm van verblijfsrecreatie bestaande uit:
      1. kleinschalig kamperen uitsluitend binnen het bouwvlak is toegestaan;
      2. buiten de periode van 1 maart tot en met 31 oktober geen kampeermiddelen aanwezig mogen zijn;
      3. sanitaire voorzieningen zijn toegestaan tot een maximale oppervlakte van 50 m²;
    1. bed & breakfast voorzieningen, met dien verstande dat maximaal 90 m2 van de oppervlakte van de bebouwing hiervoor mag worden gebruikt met inbegrip van maximaal 3 slaapverblijven van elk maximaal 30 m2 voor in totaal maximaal 6 personen;
  5. nevenactiviteiten in de vorm van educatieve activiteiten met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte ten behoeve van educatieve activiteiten maximaal 200 m² mag bedragen;
  6. nevenactiviteiten in de vorm van kleinschalige zorg met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte ten behoeve van zorg maximaal 200 m² mag bedragen;
  7. de gezamenlijke bebouwde oppervlakte ten behoeve van nevenactiviteiten bedraagt maximaal 500 m²;
  8. behoud, herstel en ontwikkeling van:
    1. de aan het open landschap gebonden natuurwaarden, onder meer in de vorm van weidevogels, lepelaars en overwinterende eenden, ganzen en zwanen, vissen, amfibieën en oever- en waterplanten;
    2. de aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische patronen, onder meer in de vorm van openheid, kenmerkende kavelpatronen, watergangen, wielen, eendenkooien en dijken;
  9. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, verkeers-, parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen.
 
3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen
Agrarische bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen mogen uitsluitend worden gebouwd, indien de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering is aangetoond en de bouw plaatsvindt ten behoeve van een reëel of volwaardig agrarisch bedrijf (dan wel een bedrijf dat naar verwachting binnen redelijke termijn zal uitgroeien tot een reëel of volwaardig bedrijf); het bevoegd gezag wint daaromtrent het advies van een agrarisch deskundige.
3.2.2 Bedrijfsgebouwen
Voor het bouwen van agrarische bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen:
  1. agrarische bedrijfsgebouwen worden uitsluitend gebouwd binnen het bouwvlak;
  2. de afstand van gebouwen tot de zijerfgrens bedraagt ten minste 1 m indien niet in de zijerfgrens wordt gebouwd;
  3.  de afstand van bedrijfsgebouwen tot gronden met de bestemming Wonen bedraagt ten minste 6 m;
  4. de goothoogte bedraagt maximaal 6 m;
  5. de bouwhoogte bedraagt maximaal 10 m.
 
3.2.4 Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
  1. bijbehorende bouwwerken worden gebouwd binnen het bouwvlak;
  2. bijbehorende bouwwerken worden minimaal 3 m achter de voorgevel (of het verlengde daarvan) van de bedrijfswoning gebouwd;
  3. de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 3 m respectievelijk 4,5 m;
  4. het gezamenlijk grondoppervlak aan bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 50% van het achtererfgebied met een maximum van 75 m².
3.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen:
  1. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 2 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen voor zover gelegen voor de voorgevellijn maximaal 1 m mag bedragen;
  2. de bouwhoogte van toegangspoorten mag maximaal 2 m bedragen;
  3. maximaal één mestsilo mag worden gebouwd met een oppervlakte van maximaal 750 m², een inhoud van maximaal 2.500 m³ en een bouwhoogte van maximaal 6 m;
  4. de bouwhoogte van een torensilo mag maximaal 12 m bedragen; 
  5. de bouwhoogte van een hooitas -of hooiberg mag maximaal 12 m bedragen;
  6. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder sleufsilo's, mag maximaal 3 m bedragen.
3.3 Afwijken van de bouwregels
3.3.1 Ten behoeve van het bouwen buiten het agrarisch bouwvlak
Het bevoegd gezag kan, ten behoeve van volwaardige agrarische bedrijven, bij een omgevingsvergunning afwijken van de op de verbeelding aangegeven begrenzing van een bouwvlak en het bepaalde in artikel 3 lid 2.2 sub a  voor het bouwen buiten een agrarisch bouwvlak, met inachtneming van het volgende:
  1. de noodzaak voor het oprichten van het gebouw dient te worden aangetoond;
  2. aangetoond moet worden dat binnen het bouwvlak het gebouw niet kan worden opgericht;
  3. buiten het bouwvlak mag ten hoogste 50 m2 aan gebouwen worden gebouwd;
  4. de bestaande doorzichten mogen niet onevenredig worden aangetast;
  5. de gebruiksmogelijkheden overeenkomstig de bestemming op de naastgelegen percelen mogen niet onevenredig worden aangetast;
  6. een verzoek wordt ter toetsing voorgelegd aan de agrarisch deskundige, omtrent de vraag of aan de in dit lid  genoemde voorwaarden is voldaan.
 
3.3.2 Ten behoeve van het toestaan van meer bijbehorende bouwwerken
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 2.4 sub d voor het toestaan van maximaal 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken, met inachtneming van het volgende:
  1. het stedenbouwkundig beeld hierdoor niet onevenredig wordt aangetast;
  2. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  3. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad.
3.3.3 Ten behoeve van het toestaan van ruimere bouwhoogten
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 2.2 voor het verhogen van de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen tot maximaal 8 respectievelijk 11 m, met dien verstande dat:
  1. de afwijking noodzakelijk is in verband met een doelmatige uitoefening van het agrarisch bedrijf;
  2. de eventueel aanwezige cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast;
  3. de aanvraag getoetst is door een agrarisch deskundige;
  4. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.
3.4 Specifieke gebruiksregels
Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:
  1. het gebruik van bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning of afhankelijke woonruimte is niet toegestaan;
  2. de vloeroppervlakte ten behoeve van aan-huis-verbonden beroepen bedraagt ten hoogste 30% van de vloeroppervlakte van de betrokken woning inclusief bijbehorende bouwwerken met een maximum van 100 m²;
  3. opslag van goederen op onbebouwde gronden met een stapelhoogte van meer dan 2 m is niet toegestaan;
  4. de agrarische bebouwing mag slechts in één bouwlaag worden gebruikt ten behoeve van het houden van dieren.
 
3.5 Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1 Afwijken gebruik als fruitteelt of sierteeltgrond
Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde artikel 3 lid 1 voor het toestaan van het gebruik van de grond als sierteelt of fruitteelt met dien verstande, dat:
  1. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
  2. geen onevenredige aantasting van de openheid plaatsvindt.
3.5.2 Huisvesting arbeidsmigranten
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 4 en toestaan dat een bestaand gebouw gebruikt wordt voor een bedrijfsmatig nachtverblijf ten behoeve van logies van arbeidsmigranten, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1. het gaat om huisvesting van arbeidsmigranten die aantoonbaar werkzaam zijn op het betreffende perceel;
  2. huisvesting plaatsvindt in het hoofdgebouw of bijgebouw;
  3. het aantal arbeidsmigranten niet meer bedraagt dan 20;
  4. per acht bewoners wordt minimaal een douche en keukenvoorziening gerealiseerd;
  5. de huisvesting geen onevenredig nadelige effecten heeft op de verkeerssituatie;
  6. er voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  7. de logiesruimte voldoet aan de regels die gesteld zijn in het bouwbesluit en de bouwverordening;
  8. de logiesruimte dient veilig te zijn gelegen (per geval beoordelen);
  9. de logiesruimte is een agrarische bijgebouw of agrarische bedrijfswoning;
  10. de logiesruimte voldoet aan de brandveiligheidsvoorschriften.
3.5.3 Recreatieve nevenactiviteiten
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 1 sub d ten einde:
  1. kleinschalig kamperen toe te staan tot maximaal 25 kampeermiddelen;
  2. bed & breakfast toe te staan tot maximaal 10 personen;
  3. indien voorgaande landschappelijk inpasbaar is;
  4. indien voorgaande milieutechnisch inpasbaar is.
3.5.4 Paardenbakken
Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de regels ten behoeve van het toestaan van paardenbakken, met dien verstande dat:
  1. de paardenbak binnen het bouwvlak dan wel indien niet mogelijk direct aansluitend aan het bouwvlak dient te worden gerealiseerd;
  2. de paardenbak wordt achter het verlengde van de voorgevel van de voorste bebouwing gesitueerd;
  3. in het geval van een slagenverkaveling wordt de lange kant van de paardenbak parallel aan de dichtstbijzijnde verkavelingssloot gesitueerd;
  4. de paardenbak wordt niet over sloten gesitueerd;
  5. de oppervlakte van de paardenbak bedraagt maximaal 1.200 m2;
  6. de afstand van de paardenbak tot woningen van derden dient minimaal 25 m te bedragen;
  7. lichtmasten bij paardenbakken niet zijn toegestaan;
  8. de aanwezige natuurlijke, cultuurhistorische en landschappelijke waarden en de bestaande doorzichten mogen niet onevenredig worden aangetast;
  9. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.
3.5.5 Jaarrond
Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3 lid 1 sub d onder 1  voor een jaarrond exploitatie van een kampeerterrein waarbij in elk geval het kampeerterrein in de periode van 1 november tot 1 maart omsloten te zijn door een groenhoudend natuurlijk kader, zonder afbreuk te doen aan de landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden.
3.6 Wijzigingsbevoegdheid
3.6.1 Woningsplitsing
Het bevoegd gezag is bevoegd de in artikel 3 lid 1 bedoelde gronden te wijzigen voor zover het betreft de gronden gelegen binnen een bouwvlak ten behoeve van meerdere wooneenheden, met inachtneming van tenminste de volgende voorwaarden:
  1. de bedrijfswoning met aangebouwde bedrijfsbebouwing mag geheel worden gebruikt voor bewoning;
  2. de wooneenheden worden gerealiseerd binnen de bestaande karakteristieke bebouwing;
  3. het aantal wooneenheden bedraagt maximaal 3 met een minimale inhoud van 250m3;
  4. bijgebouwen en overkappingen zijn toegestaan tot een maximum van 75 m2 per woning met dien verstande dat het meerdere aan bijgebouwen en overkappingen wordt gesloopt, tenzij het een monument betreft;
  5. er dient sprake te zijn van een goede respectievelijk aantoonbare verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied;
  6. de aanwezige cultuurhistorische karakteristiek niet wordt aangetast;
  7. omliggende (agrarische-) bedrijven mogen niet in hun bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt;
  8. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.
  9. de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan is gewaarborgd, in verband waarmee in elk geval aangetoond moet worden dat:
    1. de bevoegdheid in het geval van een monument niet eerder wordt toegepast dan dat advies is verkregen van de monumentencommissie.
3.6.2 Wijzigingsbevoegdheid naar Wonen
Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de in artikel 3 lid 1 bedoelde gronden te wijzigen, voor zover het betreft de gronden gelegen binnen een bouwvlak, in de bestemming Wonen, met inachtneming van het volgende:
  1. voor bewoning mag worden gebruikt de ten tijde van bedrijfsbeëindiging bestaande bedrijfswoning(en) met dien verstande dat ter plaatse van een monument, de bestaande bebouwing voor bewoning aangewend mag worden indien dit noodzakelijk is voor de instandhouding van het pand;
  2. het aantal woningen dient beperkt te blijven tot het bestaande aantal woningen;
  3. de bestaande oppervlakte bijgebouwen/bedrijfsbebouwing mag blijven bestaan; in geval van nieuwbouw bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen 70% van de gezamenlijke oppervlakte van gesloopte bijgebouwen met een minimum van 75 m²;
  4. de inhoud van de woning mag maximaal de inhoud bedragen van het huidige hoofdgebouw inclusief het aangebouwde bedrijfsdeel;
  5. buitenopslag niet is toegestaan;
  6. de aanwezige cultuurhistorische karakteristiek niet wordt aangetast;
  7. de omliggende agrarische bedrijven mogen niet in hun bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
  8. de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan is gewaarborgd, in verband waarmee in elk geval aangetoond moet worden dat:
    1. de bodemkwaliteit ter plaatse geschikt is voor de beoogde bestemming(en);
    2. de voorkeursgrenswaarde als bedoeld in de Wet geluidhinder, danwel een vóór vaststelling van het wijzigingsplan vastgestelde hogere grenswaarde, niet wordt overschreden;
    3. het wijzigingsplan niet in betekenende mate leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
    4. voldaan wordt aan het bepaalde in de Flora- en faunawet;
    5. geen onevenredige aantasting van aan de grond eigen zijnde archeologische waarden zal plaatsvinden;
    6. het wijzigingsplan financieel uitvoerbaar is.
  9. de bevoegdheid in het geval van een monument niet eerder wordt toegepast dan dat advies is verkregen van de monumentencommissie
3.6.3 Wijziging naar meerdere woningen (ruimte voor ruimte)
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in artikel 3 lid 1  bedoelde gronden te wijzigen voor het na bedrijfsbeëindiging wijzigen van de bestemming, voor zover het betreft de gronden gelegen binnen een bouwvlak, in de bestemming Wonen ten behoeve van meerdere wooneenheden, met inachtneming van tenminste de volgende voorwaarden:
  1. de bedrijfswoning, inclusief aangebouwd bedrijfsgedeelte, mag geheel worden gebruikt voor bewoning;
  2. de wooneenheden worden gerealiseerd binnen de bestaande karakteristieke bebouwing, binnen de voormalige bedrijfswoning of binnen nieuw te bouwen gebouwen;
  3. in het geval van een monument mogen tevens bijgebouwen worden bewoond indien dat voor de instandhouding van het monument noodzakelijk is;
  4. het aantal wooneenheden bedraagt maximaal 3 met een minimale inhoud van 250m3 en een maximale inhoud van 750 m3;
  5. alle voormalige bedrijfsgebouwen alsmede kassen worden gesloopt, tenzij het monumentale of karakteristieke bebouwing betreft;
  6. voor zover de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft op het realiseren van woningen in nieuw te bouwen gebouwen, geldt dat per woning minimaal 1.000 m² aan bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, dan wel 5.000 m² aan kassen moeten worden gesloopt;
  7. bijgebouwen en overkappingen zijn toegestaan tot een maximum van 75 m2 per woning met dien verstande dat het meerdere aan bijgebouwen en overkappingen wordt gesloopt, tenzij het een monument betreft;
  8. indien aantoonbare ruimtelijke verbetering plaatsvindt en vooraf een landschapsdeskundige om advies is gevraagd, mag volledige vervangende nieuwbouw van een of meerdere bestaande bijgebouwen plaatsvinden;
  9. buitenopslag niet is toegestaan;
  10. er dient sprake te zijn van een goede respectievelijk aantoonbare verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied;
  11. de aanwezige cultuurhistorische karakteristiek niet wordt aangetast;
  12. de omliggende agrarische bedrijven mogen niet in hun bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt;
  13. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.
  14. de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan is gewaarborgd, in verband waarmee in elk geval aangetoond moet worden dat:
    1. de bodemkwaliteit ter plaatse geschikt is voor de beoogde bestemming(en);
    2. de voorkeursgrenswaarde als bedoeld in de Wet geluidhinder, danwel een vóór vaststelling van het wijzigingsplan vastgestelde hogere grenswaarde, niet wordt overschreden;
    3. het wijzigingsplan niet in betekenende mate leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
    4. voldaan wordt aan het bepaalde in de Flora- en faunawet;
    5. geen onevenredige aantasting van aan de grond eigen zijnde archeologische waarden zal plaatsvinden;
    6. het wijzigingsplan financieel uitvoerbaar is.
    7. de bevoegdheid in het geval van een monument niet eerder wordt toegepast dan dat advies is verkregen van de monumentencommissie.