direct naar inhoud van 4.2 Landbouw
Plan: Buitengebied Giessenlanden
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0689.BP8001-vast

4.2 Landbouw

De huidige landbouw kan onderverdeeld worden in drie ontwikkelingsrichtingen:

  • 1. agrarische bedrijven die zich volledig richten op hun agrarische productietak, waarbij schaalvergroting, intensivering, modernisering en specialisatie belangrijke mogelijkheden bieden het bedrijf duurzaam voort te zetten;
  • 2. andere agrarische bedrijven richten zich naast hun agrarische bedrijfstak op verbreding; de motieven hiervoor zijn divers; aanvulling op het inkomen, burgers kennis laten maken met het agrarische bedrijf, uitvoering geven aan persoonlijke hobby's/liefhebberijen en anderen daarvan mee te laten genieten, mensen de mogelijkheid bieden om het platteland te ervaren etc.;
  • 3. tot slot zijn er agrariërs die om verschillende redenen hun bedrijf beëindigen, bijvoorbeeld vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd en het ontbreken van een opvolger, het onvoldoende perspectief zien in de voortzetting van het bedrijf en dergelijke.

In deze paragraaf wordt op alle drie ontwikkelingsrichtingen ingegaan. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde:

  • productietakken;
  • nieuwvestiging en omschakeling;
  • bouwvlakken;
  • bouwmogelijkheden algemeen;
  • verbetering van de productieomstandigheden;
  • nevenfuncties bij agrarische bedrijven;
  • vervolgfuncties bij voormalige agrarische bedrijven.

4.2.1 Productietakken

De ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw zijn in hoofdzaak gericht op de grondgebonden veehouderij. Mede gelet op het van toepassing zijnde beleidskader en de gevolgen voor natuur, landschap en cultuurhistorie, wordt aan de ontwikkelingsmogelijkheden voor bepaalde agrarische activiteiten nadrukkelijk sturing gegeven en worden waar nodig beperkingen gesteld.

In deze paragraaf wordt een beeld gegeven van de verschillende productietakken en hun impact op het landschap. In de paragrafen 3.2.2 t/m 3.2.7 wordt ingegaan op de ontwikkelingsmogelijkheden voor de agrarische bedrijven.

Grondgebonden veehouderij

De grondgebonden veehouderij is het houden van melk- en ander vee op open grond. Dit beperkt zich niet tot de melkrundveehouderij, ook paardenfokkerij maakt hier deel vanuit. De grondgebonden veehouderij is een belangrijke drager van het landschap. Het bij deze productietak behorende grasland is zelfs het na te streven grondgebruik.

Akkerbouw en vollegrondstuinbouw

De akker- en vollegrondstuinbouw is gericht op het voortbrengen van gewassen, bedoeld voor consumptie. Hieronder valt niet de teelt van gewassen zoals fruit. De akker- en vollegrondstuinbouw kenmerkt zich door een grote mate van grondgebondenheid. In het plangebied komen geen akker- en vollegrondstuinbouwbedrijven voor.

Fruit- en sierteelt

Fruit- en sierteelt komen in het plangebied in beperkte mate voor. Uitsluitend ten zuiden en ten oosten van Arkel, op de stroomrug van de Linge en ten noorden van Noordeloos komen hoogstamfruitboomgaarden voor. Sierteelt is de teelt van siergewassen al dan niet met behulp van kassen of containervelden en gecombineerd met de handel in boomkwekerijgewassen en vaste planten. Fruitteelt is de teelt van fruit, veelal ondersteund door permanente teeltondersteunende voorzieningen als teeltstellingen of regenkappen. De teelten behorend tot deze productietak worden als storend ervaren in het waardevolle open veenweidelandschap.

Intensieve veehouderij

Intensieve veehouderijbedrijven zijn gericht op het voortbrengen van (pluim)vee, veelal in hoge dichtheden en niet-grondgebonden. Intensieve veehouderijen dragen door hun niet-grondgebondenheid bij aan de verstening van het landschap, zonder dat zij een bijdrage leveren aan het beheer van het landschap. Vanuit landschappelijk oogpunt is deze productietak ongewenst. Ook het provinciale beleid staat een verdere intensivering van de veeteelt niet toe.

4.2.2 Nieuwvestiging en omschakeling

Nieuwvestiging of bedrijfsverplaatsing

Onder nieuwvestiging wordt de oprichting van een nieuw of de verplaatsing van een bestaand agrarisch bedrijf verstaan, waarvoor een nieuw bouwvlak wordt gerealiseerd. Om verplaatsing van agrarische bedrijven in de bebouwingslinten met grootschalige uitbreidingsplannen naar de ruilverkavelingslinten te stimuleren, wordt nieuwvestiging van grondgebonden veehouderijen in de zone Agrarisch gebied door middel van een wijzigingsbevoegdheid mogelijk gemaakt. Om een verdere verdichting van de bebouwingslinten te voorkomen, kiest de gemeente ervoor om in de bebouwingslinten nieuwvestiging van agrarische bouwvlakken niet mogelijk te maken.

Omschakeling naar nieuwe agrarische hoofdtak

Uitgangspunt in de gebiedsvisie is het behoud van de kenmerkende ruimtelijke kwaliteiten van het landschap. De grondgebonden veehouderij is de beheerder van dit landschap en dient daarom behouden te blijven. Omschakeling naar grondgebonden veehouderij is dan ook in alle zones mogelijk. Het stelsel voor omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden zal zorg dragen voor het behoud van het areaal grasland en daardoor ook het weidevogelgebied.

Omwille van de impact op het waardevolle veenweidelandschap, die verder reikt dan alleen het bouwvlak, is omschakeling naar akker- en vollegrondstuinbouw, fruitteelt, sierteelt en boomkwekerijen niet toelaatbaar. Bestaande niet-grondgebonden veehouderijbedrijven worden overigens conform het huidige gebruik bestemd.

Ten aanzien van de omschakeling naar intensieve veehouderij wordt aangesloten bij het provinciale beleid, inhoudende dat: nieuwvestiging van en omschakeling naar intensieve veehouderij in geen geval toelaatbaar is.

Omschakeling naar de productietak glastuinbouw is in geen enkele zone toegestaan, omdat deze agrarische productietak een te grote nadelige invloed op de beleving van het landschap heeft. Hiernaast geldt provinciebreed een concentratiebeleid van de glastuinbouw. Binnen het plangebied is niet voorzien in een concentratiegebied voor de glastuinbouw. Overigens komen binnen het plangebied ook geen glastuinbouwbedrijven voor.

4.2.3 Bouwblokken

Aan alle in het plangebied aanwezige agrarische bedrijven wordt een bouwvlak toegekend. De agrarische bouwvlakken worden op de verbeelding van het bestemmingsplan zorgvuldig begrensd. De oppervlakte en de vorm van de bouwvlakken worden individueel bepaald (maatwerk). Daarbij wordt met het volgende rekening gehouden:

  • het bouwvlak in het vigerende bestemmingsplan;
  • de actuele situatie in het veld, gebaseerd op inventarisaties, recente luchtfoto's en informatie verkregen tijdens het tafeltjesoverleg;
  • de mate van volwaardigheid van het agrarisch bedrijf;
  • bestaande (eigendoms)rechten.

Binnen het toegekende bouwvlak dienen de bedrijfsgebouwen, de bedrijfswoning, mestbassins en overige bijgebouwen alsmede sleufsilo's, kuilplaten en buitenrijbanen (paardenbakken) te worden gesitueerd. Voor de aanleg van verhardingen buiten het bouwvlak wordt verwezen naar 'Verbetering van de productieomstandigheden' (zie paragraaf 4.2.5).

In het vigerende bestemmingsplan is een regeling voor bouwstedes van 1 ha opgenomen. Om de huidige bedrijven meer flexibiliteit te bieden omtrent de inrichting van het bedrijfsperceel, worden in het nieuwe bestemmingsplan bouwvlakken opgenomen van 1,5 ha met een maximaal bebouwingspercentage van 67%. Hetgeen neerkomt op 1 ha bebouwing. Met een afwijkingsbevoegdheid kan het bebouwingspercentage binnen het bouwvlak vergroot worden tot 100%. Indien er volwaardige en duurzame agrarische bedrijven zijn in de zone Agrarisch gebied die behoefte hebben aan een groter bouwvlak dan 1,5 ha, dan is de gemeente in principe bereid hieraan medewerking te verlenen. De vergroting van bouwvlakken gebeurt via een wijzigingsbevoegdheid, waarin nadere voorwaarden worden gesteld (onder andere ten aanzien van de bedrijfsmatige noodzaak en milieuhygiënische inpasbaarheid).

Het komt in de praktijk regelmatig voor dat nieuwe bebouwing of kuilvoerplaten net niet binnen het bouwvlak passen. Het bouwvlak vergroten via een wijzigingsbevoegdheid is dan een zware procedure. Om die reden wordt in het bestemmingsplan een afwijkingsbevoegdheid voor het in beperkte mate overschrijden van het agrarische bouwvlak opgenomen. Eenmalig mag het bouwvlak aan één zijde met maximaal 25 m worden overschreden.

Zowel voor vergroting als overschrijding van het bouwvlak wordt goede landschappelijke inpassing als voorwaarde gesteld. Daarbij kan gedacht worden aan een efficiënte relatief compacte inrichting en een groene inpassing. Gestreefd wordt naar zoveel mogelijk clustering van bebouwing met bestaande bebouwing.

4.2.4 Bouwmogelijkheden algemeen

Eerste agrarische bedrijfswoning

De maximale inhoudsmaat voor een agrarische bedrijfswoning bedraagt 850 m³ (inclusief erfbebouwing, exclusief ondergrondse bouwlagen). Er wordt in dit plan van uitgegaan dat alle agrarische bedrijven reeds over een eerste agrarische bedrijfswoning beschikken. Indien dit niet het geval is, kan deze via een omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt. Daar waar bedrijfswoningen niet gewenst worden geacht, wordt dit op de verbeelding tot uitdrukking gebracht.

De voorwaarden voor een eerste agrarische bedrijfswoning betreffen de volgende:

  • het bedrijf een dusdanige omvang heeft dat permanent toezicht noodzakelijk is;
  • er nog niet eerder een eerste agrarische bedrijfswoning voor het bedrijf aanwezig was.

Over de bovengenoemde noodzaak dient de initiatiefnemer een schriftelijk advies van een agrarisch deskundige aan te leveren.

Tweede agrarische bedrijfswoning

De noodzaak om op agrarische bedrijven een 2e bedrijfswoning te realiseren kan op basis van bedrijfseconomische en bedrijfstechnische motieven steeds minder onderbouwd worden. Gelijktijdig worden aanwezige 2e agrarische bedrijfswoningen meer en meer onttrokken aan het huidige gebruik en in gebruik genomen voor burgerbewoning. Om die redenen wordt een tweede agrarische bedrijfswoning niet mogelijk gemaakt. Dit sluit tevens aan bij het provinciale beleid (provinciale Verordening Ruimte) dat uitgaat van maximaal één agrarische bedrijfswoning per volwaardig agrarisch bedrijf.

Plattelandswoning

Op 1 januari 2013 is de Wet Plattelandswoning (Wpl) van kracht geworden. De regeling voor de plattelandswoning maakt het mogelijk om een bewoning van een agrarische bedrijfswoning door derden planologisch te legaliseren, zonder dat het betreffende agrarische bedrijf daardoor wordt belemmerd in de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. Het gaat daarbij alleen om het bedrijf waar de woning bij hoorde. Voor de toetsing van ontwikkelingen van andere inrichtingen blijft een plattelandswoning een woning van derden. De plattelandswoning is, ten opzichte van het bijbehorende bedrijf, niet beschermd tegen hinder van geur, geluid of luchtkwaliteit. De Wpl vult daartoe de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aan met een artikel 1.1a, waarin de volgende criteria worden gehanteerd:

  • een bestaande of een voormalige agrarische bedrijfswoning;
  • die deel uitmaakt, of voorheen onderdeel uitmaakte van de betreffende landbouwinrichting;
  • waarvoor in het bestemmingsplan, de beheersverordening, het inpassingsplan of een omgevingsvergunning voor afwijken, bewoning door derden is toegestaan.

Het gaat dus om situaties waarbij het agrarisch bedrijf blijft functioneren en de bedrijfswoning door een derde wordt bewoond. De Wpl heeft geen betrekking op voormalige agrarische bedrijven of ingeval van functieverandering. In deze gevallen is immers geen sprake meer van een agrarisch bedrijf.

Voorwaarde voor toepassing van het regime van de plattelandswoning is dat wordt gemotiveerd dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. In dit bestemmingsplan wordt het gebruik van een agrarische bedrijfswoningen als plattelandswoning daarom mogelijk gemaakt door middel van een afwijkingsbevoegdheid.

Op de volgende percelen is reeds sprake van een plattelandswoning:

  • Hoogbloklandseweg 4a;
  • Rietveld 13;
  • Molenweg 8a;
  • A.M.A. van Langeraadweg 8b;
  • C.M. van Houwelingenweg 5;
  • C.M. van Houwelingenweg 1a.

De milieusituatie in het buitengebied van de gemeente Giessenlanden (in het algemeen en op de betreffende percelen in het bijzonder) is gunstig. Grondgebonden veehouderijen leiden (in tegenstelling tot bepaalde vormen van grootschalige intensieve veehouderij) over het algemeen niet tot onacceptabele geurbelastingen, hoge concentraties luchtverontreinigende stoffen of relevante gezondheidseffecten. Ook de geluidbelasting rond dit type agrarische bedrijven is beperkt. Dat geldt ook voor de agrarische bedrijven nabij de voorgenoemde plattelandswoningen. Er is geen sprake van knelpunten op het gebied geurhinder en de concentraties luchtverontreinigende stoffen liggen ruimschoots onder de wettelijke grenswaarden. Ter plaatse van deze woningen kan dan ook worden gesproken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Agrarische bedrijfsgebouwen

Agrarische bouwvlakken mogen, met inachtneming van de van toepassing zijnde bebouwingsregels, in principe volledig worden bebouwd. De goot- en bouwhoogte van de gebouwen mag respectievelijk ten hoogste 6 m en 10 m bedragen. De hoogte voor silo's mag maximaal 25 m bedragen.

4.2.5 Verbetering van de productieomstandigheden

Aanleg van verhardingen

De aanleg van verhardingen betreft bijvoorbeeld de aanleg van kavelpaden. Om de grondgebonden veehouderij optimale ontwikkelingsmogelijkheden te bieden, zijn op dit punt zo min mogelijk beperkingen opgenomen. Uiteraard geldt wel dat de aanleg van verhardingen noodzakelijk moet zijn voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. Er is in het bestemmingsplan echter geen nadere regeling opgenomen voor kavelpaden en andere verhardingen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering.

Onderbemaling

Het aanleggen van dammen en onderbemaling is met het oog op duurzaam waterbeheer niet gewenst. Ook kan dit leiden tot aantasting van ter plaatse aanwezige natuurwaarden. Toch kan dit vanuit agrarische overwegingen plaatselijk gewenst zijn. Omdat onderbemalingen in voldoende mate door de waterbeheerder worden geregeld, wordt dit in het ruimtelijk spoor niet nader geregeld.

Graven en dempen van sloten

Het karakteristieke slotenpatroon is beeldbepalend voor het slagenlandschap en dient behouden te worden. Het graven en dempen van sloten kan leiden tot aantasting van dit landschap. Het dempen van sloten voor zover deze vanuit historisch en landschappelijk oogpunt behoren tot of een bijdrage leveren aan het karakteristieke slotenpatroon (slagenlandschap) is daarom gekoppeld aan een omgevingsvergunning.

Overigens is voor dergelijke ingrepen in ieder geval tevens een vergunning van het Waterschap vereist. Daarnaast zal het Waterschap ingeval van demping van sloten compensatie van het waterbergend vermogen eisen.

Egaliseren, ophogen, afgraven en diepploegen

Deze werkzaamheden kunnen wenselijk zijn ter verbetering van de agrarische bedrijfsvoering. In gebieden met landschappelijke en archeologische waarden kunnen egaliseren, ophogen, afgraven, grondwerkzaamheden (zoals diepploegen), ontginnen en aanleggen van drainage dieper dan 80 cm schade toebrengen aan deze waarden. In het plangebied betreft dit het open veenweidegebied met de aanwezigheid van weidevogels, in verband met de afhankelijkheid van een hoge grondwaterstand en het archeologisch waardevol gebied. Ter bescherming van deze landschappelijke en archeologische waarden, worden in die gebieden genoemde activiteiten aan een omgevingsvergunning gekoppeld.

4.2.6 Niet-agrarische en agrarisch verwante nevenfuncties bij agrarische bedrijven

Niet-agrarische en agrarisch verwante nevenfuncties

Grondgebonden veehouderijbedrijven zijn van groot belang voor het behoud van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Het beleid is er daarom uitdrukkelijk op gericht om de bestaande grondgebonden veehouderijbedrijven zoveel mogelijk te behouden. In de eerste plaats worden hiertoe passende agrarische ontwikkelingsmogelijkheden geboden, rekening houdend met de aanwezige belangen van natuur, landschap en cultuurhistorie.

Om een duurzame ontwikkeling van agrarische bedrijven mogelijk te maken, biedt het beleid ook mogelijkheden om op agrarische bedrijven een niet-agrarische nevenfunctie te ontwikkelen. Niet-agrarische en agrarisch verwante nevenfuncties vormen steeds vaker een wezenlijk onderdeel van een duurzame en toekomstgerichte agrarische bedrijfsvoering. Ook bieden nevenfuncties mogelijkheden voor extra inkomensverwerving en daarmee tot het behoud van agrarische bedrijven. De afname van het aantal agrarische bedrijven kan hierdoor worden vertraagd en het agrarische karakter van de (cultuurhistorisch waardevolle) bedrijfsgebouwen blijft behouden.

Toelaatbaarheid agrarisch verwante en niet-agrarische nevenfuncties

In Bijlage 1 is in tabel B1.1. weergeven welke agrarisch verwante en niet-agrarische functies als nevenfunctie aanvaardbaar zijn. Het wel of niet toestaan van nevenfuncties is mede afhankelijk van het ruimtelijke beleid voor de zones. In de zone Natuur komen geen agrarische bouwvlakken voor. Om die reden is deze zone niet in de tabel opgenomen.

De gezamenlijke omvang van de niet-agrarische nevenfuncties moet een ondergeschikt deel (minder dan de helft) blijven vormen van de totale productieomvang van het betreffende agrarisch bedrijf. Om het begrip ondergeschiktheid toetsbaar te maken, zijn waar mogelijk per nevenfunctie maximale oppervlaktematen voor in gebruik te nemen bebouwing en in gebruik te nemen gronden opgenomen.

De toelaatbaarheid van nevenfuncties wordt in belangrijke mate bepaald door de effecten die nevenfuncties (kunnen) hebben op hun omgeving. Het begrip omgeving wordt hier breed opgevat.

Zo zijn in de afweging de effecten van nevenfuncties op de volgende aspecten meegewogen bij de toelaatbaarheid:

  • natuur en landschap;
  • het erf;
  • omliggende agrarische bedrijven;
  • de verkeersaantrekkende werking;
  • de woon- en leefomgeving.

Per aspect wordt dit nader toegelicht. Daarbij worden nevenfuncties, in de zin van verbrede landbouw, gezien als integraal onderdeel van het agrarisch bedrijf.

Natuur en landschap

Het ruimtebeslag van de nevenfuncties, zoals in Bijlage 1 genoemd, vindt over het algemeen plaats op het bouwvlak. Dat betekent dat effecten van nevenfuncties op hun omgeving in de regel niet groter zullen zijn, dan die van de agrarische bedrijfsvoering zelf. Indien verwacht mag worden dat de uitstraling van nevenfuncties een groot effect kan hebben op de omgeving, worden nevenfuncties niet rechtstreeks toelaatbaar gesteld. Via een afwijking kunnen de belangen die gemoeid zijn met het toestaan van de nevenfunctie, integraal worden afgewogen tegen de andere belangen. Dit geldt ook voor nevenfuncties die gedeeltelijk buiten het bouwvlak plaatsvinden.

Het erf

Om bovengenoemde reden is het effect op natuur en landschap voor de meeste nevenfuncties beperkt. Wel kan het effect van de nevenfunctie op het erf en de daar aanwezige bebouwing van betekenis zijn, met name als er ten behoeve van de nevenfunctie gebouwd wordt. Dit effect kan negatief zijn, als er zich bijvoorbeeld cultuurhistorisch waardevolle bebouwing op het erf bevindt. In het bestemmingsplan wordt een regeling opgenomen, waarin cultuurhistorisch waardevolle bebouwing wordt beschermd. Daarmee worden de mogelijke effecten van nevenfuncties op waardevolle cultuurhistorische bebouwing ondervangen.

Omliggende agrarische bedrijven

De invloed van nevenfuncties op omliggende agrarische bedrijven is over het algemeen beperkt. Zolang milieugevoelige functies als kleinschalig kamperen en recreatief nachtverblijf als nevenfunctie worden aangemerkt, zijn de milieuconsequenties beperkt tot een afstand van 50 m tot omliggende agrarische bedrijven. Omdat het beleid in de zone Agrarisch gebied primair op ontwikkelingsmogelijkheden van de grondgebonden veehouderij zijn gericht worden functies die deze ontwikkeling kunnen beperken hier niet toegelaten (denk bijvoorbeeld aan (verblijfs)recreatie).

De verkeersaantrekkende werking

Bepaalde nevenfuncties kunnen extra verkeer genereren. Indien verwacht mag worden dat de verkeersproductie in relatie tot de capaciteit van het wegennet problemen kan opleveren, worden nevenfuncties niet rechtstreeks toegelaten, maar met een omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning wordt dan alleen verleend indien de verkeersproductie van de nevenfunctie beperkt blijft. Daarbij zal de verkeersproductie van de nevenfunctie in relatie worden gezien met de verkeersproductie van het agrarisch bedrijf zelf. Overigens zal door het stellen van een maximaal oppervlak aan de nevenfunctie, de verkeersproductie sowieso al worden beperkt.

De woon- en leefomgeving

Ook effecten op de woon- en leefomgeving zullen beperkt zijn, gezien de locatie van nevenfuncties op het erf. Als er sprake is van effecten op de woon- en leefomgeving, zullen deze met name worden bepaald door de verkeersproductie en het mogelijk veroorzaken van andere hinder. Er zijn echter ook nevenfuncties, die bij voorkeur in de directe omgeving van de kernen of in een meer verstedelijkt gebied gesitueerd worden, zoals een kinderdagverblijf. Deze functies worden daarom, door middel van een afwijking, alleen in de bebouwingslinten toegestaan.

Toelichting op tabel B1.1 in Bijlage 1

Indien nevenfuncties via afwijking worden toegelaten (aangeduid met 'A' in de tabel) worden de volgende voorwaarden gesteld:

  • nevenfuncties dienen milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;
  • er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende, bestaande agrarische bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden);
  • bestaande landschappelijke, cultuurhistorische- en natuurwaarden in de directe omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast;
  • er mag geen sprake zijn van een onevenredige vergroting van de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking;
  • bij het inpassen van een niet-agrarische nevenfunctie dient, voor zover relevant, zorg te worden gedragen voor een goede landschappelijke inpassing;
  • parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden binnen het bouwvlak;
  • uitoefening van de nevenfunctie dient door de betreffende agrariër te worden uitgevoerd.

Het opnemen van een limitatieve lijst van nevenfuncties heeft als voordeel, dat direct duidelijk wordt welke nevenfuncties wel en niet toelaatbaar zijn en onder welke voorwaarden. Het nadeel is dat op dit moment niet voorzien kan worden of er in de toekomst nieuwe nevenfuncties ontstaan, die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met de functies in de tabel. Deze zouden dan uitgesloten worden. Om optimale flexibiliteit te bereiken en toekomstige functies niet bij voorbaat uit te sluiten, zal in de regels van het bestemmingsplan een algemene afwijking worden opgenomen. Hiermee kunnen nevenfuncties die niet in de tabel voorkomen, maar die naar aard en omvang en voor wat betreft effecten die deze nevenfuncties genereren, vergelijkbaar zijn met de nevenfuncties in de tabel, alsnog worden toegelaten.

Bouwmogelijkheden nevenfuncties

De activiteiten die in de tabel zijn genoemd, dienen zoveel mogelijk binnen het bouwvlak plaats te vinden. Voor zover relevant, is per nevenfunctie aangegeven wat de maximale toegestane oppervlakte is die hiervoor bebouwd c.q. gebruikt mag worden. Door deze maximum maat wordt bewerkstelligd dat de nevenfunctie ondergeschikt is en de ruimtelijke uitstraling beperkt blijft.

In het bestemmingsplan worden geen beperkingen opgenomen waar de nevenactiviteiten (bijvoorbeeld uitsluitend binnen hoofdgebouw) uitgeoefend mogen worden. Wel is geregeld dat bepaalde activiteiten vanwege hun ruimtelijke uitstraling uitsluitend binnen bebouwing mogen plaatsvinden. Voorwaarde blijft dat naast de nevenfunctie nog op een volwaardige en duurzame wijze agrarische activiteiten uitgeoefend dienen te worden.

Cumulatie van nevenfuncties

Het kan in de praktijk voorkomen dat agrariërs een combinatie van neventaken bij hun agrarisch bedrijf willen oprichten. Ook dit wordt aan een maximum oppervlak gekoppeld, om het ondergeschikte karakter te waarborgen. Bij een combinatie van nevenfuncties wordt maximaal 500 m² bebouwing toegestaan en mogen maximaal 4.000 m² aan gronden in gebruik worden genomen voor nevenfuncties.

4.2.7 Niet-agrarische vervolgfuncties bij voormalige agrarische bedrijven

Gezien de te verwachten ontwikkelingen in de agrarische sector, is het waarschijnlijk dat ook in de komende planperiode een aantal agrarische bedrijven wordt beëindigd. De vrijkomende bedrijfsgebouwen in het plangebied zijn onder andere gewild voor bewoning (woonboerderijen) en niet-agrarische bedrijfsactiviteiten. Deze aantrekkingskracht heeft verschillende oorzaken:

  • goedkope vestigingslocatie (vergeleken met bedrijventerreinen);
  • situering in een landschappelijke en cultuurhistorisch interessante omgeving met de mogelijkheid van landelijk wonen;
  • meer ruimte ('vrijheid') en minder milieubelemmeringen dan in stedelijke gebieden.

Wanneer adequaat beleid ontbreekt, kunnen veel functies die niet in het plangebied thuishoren, zich hier toch vestigen. Deze functies kunnen leiden tot aantasting van de landschaps- en natuurwaarden, het aantrekken van veel verkeer over wegen die daarvoor niet geschikt zijn en parkeer- en milieuproblemen. Het Rijk en de provincie voeren om die reden een terughoudend beleid ten aanzien van functies die niet thuishoren in het buitengebied.

Toelaatbaarheid vervolgfuncties

Om enerzijds ongewenste ontwikkelingen te voorkomen en anderzijds tegemoet te komen aan de behoefte om passende vervolgfuncties mogelijk te maken, zijn mogelijkheden opgenomen voor niet-agrarische vervolgfuncties na beëindiging van agrarische bedrijven. In Bijlage 2 is tabel B2.1 opgenomen, waarin staat aangegeven welke vervolgfuncties wenselijk zijn.

Deze vervolgfuncties worden alleen toegestaan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • het agrarische gebruik is beëindigd;
  • volledige sanering van de agrarische bedrijfsgebouwen kan in redelijkheid niet worden verlangd;
  • cultuurhistorisch waardevolle bebouwing mag niet worden gesloopt;
  • de locatie kan niet meer worden gebruikt voor een te verplaatsen agrarisch bedrijf;
  • er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende, bestaande (agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden);
  • bestaande landschappelijke-, cultuurhistorische en natuurwaarden in de omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast;
  • er mag geen sprake zijn van een onevenredige vergroting van de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking;
  • voor zover relevant, dient zorg te worden gedragen voor een goede landschappelijke inpassing;
  • buitenopslag is niet toegestaan, met uitzondering bij een hoveniersbedrijf, waar maximaal 100 m² aan buitenopslag mag plaatsvinden.

Op vergelijkbare wijze als bij nevenfuncties de effecten op de omgeving zijn bepaald en daarmee de toelaatbaarheid, is dit voor de vervolgfuncties ook gebeurd (zie paragraaf 4.2.6).

Bouwmogelijkheden ten behoeve van vervolgfuncties (met uitzondering van woningen)

Het centrale uitgangspunt van het VAB-beleid (vrijkomende agrarische bebouwing) is dat alleen gebruikgemaakt wordt van de bestaande agrarische gebouwen. Stapeling van vervolgfuncties is niet mogelijk. Nieuwbouw ten behoeve van vervolgfuncties is in beginsel niet aan de orde. Wel kan, in het geval dat de resterende bebouwing niet functioneel is in te zetten voor de vervolgfunctie, nieuw worden gebouwd, nadat sloop van bedrijfsbebouwing heeft plaatsgevonden. Er mag maximaal 50% van de gesloopte bebouwing worden teruggebouwd, met een maximum van 600 m². Op deze wijze wordt bijgedragen aan kwaliteitsverbetering van het buitengebied, ontstening en kunnen de vrijkomende agrarische bedrijven goed benut worden voor de nieuwe functie.

Na planwijziging kan van de (bouw)mogelijkheden die binnen de nieuwe bestemming worden geboden dus geen gebruik worden gemaakt. In het betreffende wijzigingsplan zal dit door middel van een specifieke aanduiding worden aangegeven. Het aantal te bebouwen m² wordt vastgelegd en het bouwvlak wordt aangepast aan de resterende bebouwing en de vervolgfunctie. Uitgangspunt bij de bepaling van het nieuwe bouwvlak is dat een concentratie van de bebouwing overblijft.

Ondernemers die zich in VAB vestigen, moeten zich realiseren dat er geen ruimte is voor uitbreiding van bebouwing. Indien men op termijn meer ruimte denkt nodig te hebben, dan dient men te kiezen voor een andere vestigingslocatie.

Hobbyboerachtige activiteiten

Na het beëindigen van het agrarisch bedrijf blijft de voormalige ondernemer vaak op de boerderij wonen, waarbij hobbymatig nog agrarische activiteiten worden uitgeoefend. Daarnaast combineert een toenemend aantal niet-agrariërs het 'buiten wonen' met het houden van paarden of ander vee voor hobbydoeleinden. Mede om die reden betrekken zij veelal vrijkomende agrarische bedrijfscomplexen. Deze ontwikkeling biedt kansen voor het noodzakelijke beheer van het buitengebied omdat 'hobbyboeren' hun gronden veelal extensief beheren.

Het hobbymatig houden van vee is volgens vaste jurisprudentie toegestaan binnen de bestemming Wonen. Hiervoor hoeft dus geen aparte bestemmingsregeling te worden opgenomen. Indien een bedrijf niet valt onder de werking van de Wet milieubeheer is er sprake van hobbymatig gehouden vee.

Schuilhutten/extra bebouwingsmogelijkheden hobbyboeren

Met het hobbymatig houden van vee ontstaat vaak de behoefte aan extra bebouwing. Dit kan in de vorm van schuilhutten op agrarische gronden of extra bijgebouwen op het bouwvlak. Vanuit de gedachte dat hobbyboeren een functie hebben voor het in stand houden van het landschap worden voor hobbyboeren ruimere mogelijkheden geboden voor bijgebouwen op het erf.

Uitgangspunt voor het buitengebied is tegengaan van verdere verstening en verrommeling. Indien er sprake is van een hobbyboer (op ten minste 1,5 ha grond aansluitend aan het woonperceel vinden hobbymatige agrarische activiteiten plaats met een omvang van ten minste 4 Nederlandse grootte eenheid (Nge)) mag de oppervlakte van bijgebouwen vergroot worden tot ten hoogste 150 m².

Bedrijf, voormalig agrarisch bedrijf

Algemeen uitgangspunt bij het toestaan van een vervolgfunctie is dat er geen extra gebouwen mogen worden gebouwd. Indien na beëindiging van het agrarisch bedrijf een bedrijfsbestemming wordt toegekend, moet worden voorkomen dat de het oppervlak aan bedrijfsgebouwen kan worden vergroot op basis van de bestemming Bedrijf (+10%). Om die reden zijn deze (voormalig agrarische) bedrijven aangegeven met een specifieke aanduiding. In de regels is bepaald dat het oppervlak aan bedrijfsgebouwen op gronden voorzien van deze aanduiding niet mag worden vergroot.