| Plan: | De Stelhoeve Zuid |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0678.stelhoeve-VAST |
De exploitant/eigenaar van Recreatiebedrijf De Stelhoeve is voornemens het bedrijf op de gronden ten zuiden van het huidige recreatiebedrijf uit te breiden.
In 2009 is voor deze gronden een planologische procedure (vrijstelling artikel 19.1 Wet op de Ruimtelijke Ordening) doorlopen voor het realiseren van een kampeerterrein. De daadwerkelijke uitvoering van het plan, het realiseren van een kampeerterrein, heeft nooit doorgang gevonden.
Reden hiervoor is de veranderende recreatiemarkt. Het bekende kampeerproduct staat onder druk en de recreanten vragen steeds meer luxe. Recreatiebedrijf De Stelhoeve wil hierop inspelen door op de gronden geen kampeerterrein te realiseren maar een luxe vakantiepark.
De gemeente Kapelle staat positief tegenover deze ontwikkeling en wil met dit bestemmingsplan hieraan meewerken. Het plangebied omvat de gronden van het toekomstige recreatieterrein. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een regeling, afgestemd op de genoemde uitbreiding en op actuele wet en regelgeving.
Dit bestemmingsplan vervangt het voor het plangebied geldende bestemmingsplan Buitengebied (1989).
De opbouw van de toelichting op dit bestemmingsplan is als volgt:
Recreatiebedrijf de Stelhoeve
Recreatiebedrijf De Stelhoeve ligt nabij de Oosterschelde op de grens van het polderlandschap aan de westzijde en het fruitteeltlandschap aan de oostzijde. Het ligt daarmee op de overgang van het open naar het gesloten landschap. Het maakt deel uit van een recreatieconcentratie nabij Wemeldinge.
Recreatiebedrijf De Stelhoeve vindt haar ontstaan in de Hofstede Stelhoeve. Het heeft een rijke geschiedenis die nauw verbonden is met Maria Coomans, ambachtsvrouwe van Wemeldinge, die de hofstede gebruikte als buitenverblijf.
De hofstede is ruim 5 jaar geleden getroffen door een brand. Herontwikkeling van het terrein zou plaatsvinden door fase 1, waaronder herbouw van de hofstede, en fase 2, uitbreiding van het terrein met een kampeerterrein.
Fase 1 is daadwerkelijk uitgevoerd. De hofstede is herbouwd tot luxe groepsaccommodatie met 14 slaapkamers. Verder zijn op het terrein 18 luxe recreatiewoningen gebouwd.
Het terrein is gelegen nabij de Oosterschelde en is door de ligging geliefd door fietsers, wandelaars en duikers. Aansluitend aan het huidige recreatiebedrijf is toekomstige natuur beoogd.
Fase 2 heeft zoals eerder aangegeven nooit doorgang gevonden.
Uitbreidingsgronden
De gronden waar de beoogde uitbreiding is voorzien liggen ten zuiden van het huidige recreatiebedrijf aan de Ruisweg. Aan de noordzijde grenst het gebied aan een waterkerende dijk, aan de oostzijde aan bos (Staatsbosbeheer) en aan de westzijde aan agrarische gronden. Ten zuiden van het plangebied ligt een agrarische bedrijfswoning (Ruisweg 3) en een agrarische loods. Rond de noord- en westzijde van de woning is een strook van de gronden op dit moment in gebruik als paardenwei.
Figuur 2.1 Ligging bestaand bedrijf en huidig plangebied
Voor fase 1 en 2 is in 2009 een vrijstellingsprocedures doorlopen ex artikel 19 lid 1 Wet op de Ruimtelijke ordening. Voor het plangebied is in 2009 vrijstelling verleend voor een kampeerterrein met het volgende programma:
| aantal | maximum oppervlak | maximale goothoogte | maximale bouwhoogte | ||||
| vaste standplaatsen | 180 m² | ||||||
| toeristische standplaatsen | gezamenlijk ten hoogste 250 | 150 m² | |||||
| toeristische standplaatsen | 120 m² | ||||||
| camperplaatsen | |||||||
| privé sanitair bij standplaatsen groter dan 100 m² | 6 m² | 3,5 m | 4 m | ||||
| was- en toiletgebouw | 100 m² | 4 m | 7 m | ||||
| overige voorzieningen | 1.500 m² | 4 m | 7 m | ||||
| dienstgebouw | 100 m² | 4 m | 7 m | ||||
Doelgroep
De recreatiemarkt is sterk in ontwikkeling. De recreant vraagt steeds meer om luxe en wil dan ook de traditionele kampeermarkt, kamperen in tenten en caravans, verlaten en zich richten op een vakantiepark. Om inzicht te krijgen in de recreatiewoningenmarkt heeft de initiatiefnemer een marktonderzoek uit laten voeren (Kapelhoff, Consultancy & Management B.V.). Een samenvatting hiervan is opgenomen in bijlage 1. Volgend de conclusies uit het onderzoek.
De ontwikkeling van het park met 120 recreatiewoningen past uitstekend bij de trends in de vakantiebesteding, bij de locatie en de huidige bedrijfsvoering. De initiatiefnemer zal wel uitdrukkelijk rekening moeten houden met twee markten: de markt van vakantiegangers en de markt van aspirant-kopers van recreatiewoningen.
Uit het onderzoek blijkt dat er nog vraag is naar recreatiewoningen in Zeeland en ook in het achterland zoals Wemeldinge. De Stelhoeve speelt dan ook in op deze behoefte.
De 'Match' tussen project én locatie (lees Oosterschelde) en de geografisch aangeduide doelgroepen (Nederlanders, Duitsers (Nordrhein-Westfalen), Belgen (Antwerpen)) en duikliefhebbers heeft, op grond van vakantie- en recreatiebehoeften en hetgeen de locatie biedt, grote kansen.
De recreatieve voorzieningen kunnen beperkt zijn. De omgeving met al haar kenmerken en mogelijkheden dient in de marketing centraal te staan.
Uitvoerbaarheid en eigendommen
De recreatiewoningen kunnen als volgt worden gebruikt door de koper:
De woningen worden met grond verkocht aan particuliere eigenaren. Om de kwaliteit te kunnen blijven garanderen wordt een beheersovereenkomst afgesloten. In deze beheersovereenkomst worden afspraken gemaakt over onder andere gebruik van de gronden, toezicht op het park, afvalverwerking, uitstraling van de recreatiewoning en de inrichting van de tuinen.
Bij eventuele verhuur zal Recreatiebedrijf de Stelhoeve zorg dragen voor een bedrijfsmatige exploitatie.
De infrastructuur, het openbaar groen en andere voorzieningen zijn eigendom van De Stelhoeve.
Recreatiewoningen alleen bestemd voor recreatief gebruik
De recreatiewoningen zijn alleen bedoeld om in te recreëren. Een deel van de woningen op het recreatiepark is in gebruik als zogenaamde 'tweede woning'. Dat betekent dat de eigenaren van deze woningen hier (een deel van) hun vrije tijd doorbrengen en elders hun hoofdverblijf (dienen te) hebben. Het hoofdverblijf is de plek waar feitelijk wordt gewoond en wat fungeert als centrum van sociale en/of maatschappelijke activiteiten.
Het permanent bewonen van een recreatiewoning is niet toegestaan. Als iemand naast zijn hoofdverblijf een 'tweede woning' op het recreatiepark heeft aangekocht, betekent dit dat deze ook alleen mag worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf en niet om permanent te wonen. Er mag niet door een persoon of één (gezamenlijk) huishouden onafgebroken permanent gerecreëerd worden op het recreatiepark. Dan is er geen sprake meer van recreatie maar van permanente bewoning.
Het permanent bewonen van een recreatiewoning betekent dat een persoon of één (gezamenlijk) huishouden – al dan niet tijdelijk – het hoofdverblijf heeft in de recreatiewoning. Op basis van de Wet basisregistratie personen dient een persoon zich in te schrijven op een adres wanneer deze persoon gedurende een periode van zes maanden tenminste vier maanden daadwerkelijk op dit adres verblijft.
Programma
Het volgende programma wordt beoogd op de locatie:
| aantal | maximum oppervlak | maximale goothoogte | maximale bouwhoogte | ||||
| recreatiewoningen | 120 | 80 m² | 3,5 m | 6 m | |||
| centrale voorzieningen* | 1.500 m² | 4 m | 7 m/10 m (1/4 van de oppervlakte) |
||||
| centraal parkeerterrein | ten minste 37 parkeerplaatsen | ||||||
* Voorzieningen zoals een receptie, kantoor, beheersloodsen, horeca, overdekte sport- en speelvoorzieningen.
Voor de oppervlakte voor de voorzieningen is aangesloten bij de oppervlakte zoals eerder opgenomen in de verleende vrijstelling.
De Stelhoeve heeft meerdere type woningen laten ontwerpen. Deze ontwerpen zijn gebaseerd op 4, 6 of 8 personen per woning. De toekomstige eigenaar is vrij om te bepalen welke type woning hij wil realiseren en voor hoeveel personen.
Fasering
Het terrein zal in vier fases worden gerealiseerd. In fase 1 wordt uitgegaan van de verkoop van 36 woningen, het realiseren van infrastructuur, de aanleg van streekeigen beplanting en het realiseren van de noord-zuidroute en de speeltuin. Vervolgens zal de rest van het terrein worden gerealiseerd.
Ruimtelijke opzet
De entree van het park bevindt zich aan de Ruisweg. Vanaf hier loopt de hoofdontsluitingsweg slingerend richting het noorden. Hieraan zijn verschillende doodlopende straten gesitueerd. Nabij de entree bevinden zich de centrale voorzieningen zoals de receptie, een horecagelegenheid, gezamenlijke parkeerplaatsen en sport- en speelvoorzieningen.
Figuur 2.2 Impressie stedenbouwkundige opzet (Bron: Buro Ruimte en Groen)
In figuur 2.2 is het stedenbouwkundig plan voor de ontwikkeling weergegeven. Voor de ruimtelijke opzet van het plan is aangesloten op het landschap waarbij verschillende landschapstypen samenkomen. Aan de oostzijde zal het terrein voorzien worden van groen. Hierdoor ontstaat een bosachtig karakter dat aansluit op het aangrenzende bos van Staatbosbeheer. De recreatiewoningen zullen hier speels in het groen worden geprojecteerd.
Aan de noordzijde (dijkzijde) zijn de woningen geörienteerd op de watergangen zodat de ligging nabij water wordt beleefd.
De westzijde en het middengebied vormen de overgangszone. Hier wordt het landschap naar binnen gehaald door zichtlijnen en openheid, maar zorgen groene afscheidingen in streekeigen beplanting tussen kavels voor een groene beleving. De woningen in het middengebied grenzen aan een groenzone waar een speeltuin gerealiseerd zal worden.
De recreatiewoningen bestaan uit één bouwlaag met kap en de goot- en bouwhoogte bedragen ten hoogste respectievelijk 3,5 en 6 m en ten hoogste 80 m². Door deze eenvoudige hoofdvorm wordt aangesloten bij de omgeving. Een berging is toegestaan. Bij de woningen zal afhankelijk van voor hoeveel personen de woning is bedoeld 1 à 2 parkeerplaatsen worden gerealiseerd.
Het aan de oostzijde gelegen bos is bereikbaar door middel van een langzaamverkeersverbinding vanaf het park. Aan de noordzijde zal een verbindingsweg worden gerealiseerd die zorgt voor een verbinding met het bestaande recreatiebedrijf.
Om privacyredenen zal voor de bewoners die wonen aan de Ruisweg 3 een groenstrook en indien gewenst een grondwal worden aangelegd grenzend tussen beide percelen. Daarnaast zullen de gronden aan de noord- en westzijde van deze woning in gebruik blijven als weide.
Landschappelijke inpassing
Het inrichtingsplan gaat uit van verschillende sferen op het terrein. De combinatie bos en polder worden bij de terreinindeling ingezet waarbij thema's van open en gesloten worden gecombineerd.
Aan de oostzijde grenst het terrein aan bestaand bos. De terreinindeling aan deze zijde kenmerkt zich door kavels met een grote hoeveelheid opgaand groen rondom de recreatiewoningen. Afwisselend zijn er openingen met zicht op het bestaande bos. Het bestaande bos dient als landschappelijke inpassing aan deze zijde van het bos.
De noordzijde van het park grenst aan een de bestaande dijk. Dit gedeelte van het terrein is het meest open. De recreatiewoningen liggen aan enkele watergangen die haaks op de bestaande dijk zijn geprojecteerd. Vanaf de dijk is er zicht op het terrein.
De westelijke rand van het terrein heeft het meest invloed op het landschap. Het is aan deze zijde gewenst om in te spelen op de overgang van het open naar het gesloten landschap. Aan deze zijde grenst het terrein ook aan agrarische gronden die vanuit milieuoogpunt nadere eisen vragen vanuit de emissie van bestrijdingsmiddelen (voor een nadere toelichting zie paragraaf 3.8). Dit betekent dat vanuit dit oogpunt hoogopgaand groen is gewenst.
Aan deze zijde is een zone van 9 m breed ingericht voor landschappelijke inpassing (zie figuur 2.3). De rand wordt zodanig vormgegeven dat eerst een sloot/greppel van circa 4 m breed wordt gerealiseerd en vervolgens twee opgaande hagen (beide 1 m breed) van ten minste 3 m hoog met hiertussen een onderhoudsstrook van 3 m breed. Aan de binnenzijde van het terrein zal ook nog rekening worden gehouden met een onderhoudsstrook van 3 m breed. Deze zone kan echter ook op de te realiseren kavels liggen. Op het terrein zal met de beplanting ingespeeld worden op de overgang van bos naar het polderlandschap.
Figuur 2.3 Profiel westrand (4 m sloot/greppel, 1 m haag, 3 m onderhoudsstrook, 1 m haag, 3 m onderhoudsstrook)
Beeldkwaliteit
Parallel aan de ontwikkeling van dit bestemmingsplan is een beeldkwaliteitsplan voor het terrein opgesteld. In deze nota is onder andere aandacht besteed aan de sfeer van het gebied, de inrichting van het gebied en de beeldkwaliteit van de nieuw te bouwen recreatiewoningen en voorzieningen.
Het beeldkwaliteitsplan is toegevoegd in bijlage 2 van de regels.
Het inrichtingsplan – en daarmee het aspect beeldkwaliteit – moet in dit bestemmingsplan worden verankerd. Dat is gebeurd door het opnemen van een aanlegverbod waarvan alleen met een omgevingsvergunning voor het aanleggen van werken kan worden afgeweken. Voorwaarde voor het kunnen verlenen van deze omgevingsvergunning is het goedkeuren van het inrichtingsplan door het gemeentebestuur, mede in het licht van het beeldkwaliteitsplan. De hoofdelementen worden vastgelegd in de regels. Dit is nader uitgewerkt in de planregeling, zie hoofdstuk 4 van deze toelichting.
Uitbreiding vindt plaats in een ontwikkelingslocatie voor recreatie. Met de uitbreiding wordt ingespeeld op versterking van het recreatieve product specifiek voor de gemeente Kapelle en 'het achterland' van de provincie Zeeland.
Door het realiseren van een vakantiepark is sprake van een jaarrond bezetting. Dit in tegenstelling tot de eerder beoogde seizoensgebonden camping. Bij de camping werd echter uitgegaan van 250 standplaatsen terwijl voor de beoogde ontwikkeling wordt uitgegaan van 120 recreatiewoningen. Dit betekent een afname van het aantal recreanten/eenheden.
De beoogde ontwikkeling zal gemiddeld genomen niet leiden tot meer effect op de omgeving.
Bij de ontwikkeling wordt rekening gehouden met gebiedsspecifieke kenmerken. Uitbreiding van het recreatiebedrijf is vanuit het ruimtelijk beeld van de omgeving dan ook aanvaardbaar. Wijziging van ontwikkeling van camping naar woningen geeft uitvoering aan de gewenste kwaliteitsverbetering.
Toetsing
Voorliggende ontwikkeling is beoordeeld op basis van:
en de volgende sectorale aspecten:
Er gelden geen beleidsmatige, milieuhygiënische en andere belemmeringen voor de locatie (zie hiervoor en de paragrafen 3.2 tot en met 3.13).
Conclusie
Uit de toetsing aan het beleid en de andere aspecten blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling.
Beleid
De algemene doelstelling van het Rijk is dat in 2030 alle ernstige verontreinigingen van de (water)bodem zijn gesaneerd en/of onder controle zijn. Om kansen te benutten en problemen te voorkomen, is het van belang dat er bij (ver)bouw en ontwikkelingen tijdig kennis is van de bodemkwaliteit. Hiervoor wordt een bodemonderzoek uitgevoerd. De uitkomsten hiervan worden getoetst aan de regels die gesteld zijn in de Wet bodembescherming (Wbb). Op basis van deze wet en circulaires aangaande milieukwaliteitsnormen voor (water)bodems, wordt bepaald of maatregelen (in de vorm van beheer of bodemsanering) noodzakelijk zijn. De uiteindelijke bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de beoogde functie.
Toetsing
Algemeen
In opdracht van de initiatiefnemer is door Mitec Advies een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het toekomstige recreatieterrein. De uitvoering en resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het rapport 'verkennend bodemonderzoek toekomstige camping Stelhoekweg 3 Wemeldinge' (projectnummer 07MDL097.10), Mitec Advies, 7 januari 2008) en is bijgevoegd in bijlage 3.
Het bodemonderzoek is 5 jaar geleden uitgevoerd. De bodemactiviteiten zijn sindsdien voor het plangebied niet veranderd. Het bodemonderzoek is daarom nog steeds actueel.
Doel van het verkennend onderzoek is het verkrijgen in de actuele bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie en op basis hiervan na te gaan of de bodemkwaliteit een belemmering kan opleveren voor de voorgenomen aanleg van het recreatieterrein.
Op basis van de verkregen informatie is de hypothese gesteld dat ter plaatse van de onderzoekslocatie geen bodemverontreiniging is te verwachten.
Resultaten verkennend onderzoek
In het grondwater ter plaatse van de stalling (peilbuis 58) overschrijdt het gehalte aan chroom de streefwaarde. In het grondwater ter plaatse van de peilbuizen 3 en 43 zijn geen overschrijdingen aangetoond voor de bepaalde parameters. In het grondwater ter plaatse van de peilbuis 17 overschrijden de gehaltes aan arseen, chroom en kwik de streefwaarden. In het grondwater uit de peilbuizen 12, 22 en 30 overschrijdt het gehalte aan chroom de streefwaarde. Ter plaatse van de peilbuizen 35 en 40 overschrijden in het grondwater de gehaltes aan arseen en chroom de streefwaarden. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 49 overschrijdt het gehalte aan arseen de interventiewaarde en het gehalte aan chroom de streefwaarde. Ter plaatse van peilbuis 55 overschrijdt in het grondwater het gehalte aan chroom de tussenwaarde en het gehalte aan arseen de streefwaarde.
De licht verhoogde gehaltes aan DDT/DDD/DDE zijn vergelijkbaar met de resultaten van de bodemkwaliteit voor het buitengebied van de gemeente Kapelle. Het licht verhoogde gehalte aan gamma-HCH in het grondwater ter plaatse van de werkplaats in de schuur kan verklaard worden door de bestrijdingsmiddelenkast.
Aangenomen mag worden dat de aangetroffen licht verhoogde gehalten in de grond en het grondwater geen risico's opleveren voor de volksgezondheid en/of het milieu. De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering om het vakantiepark te realiseren.
Conclusie
Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grondmonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan gesteld worden dat geen gebruiksbeperkingen hoeven te worden gesteld aan de onderzoekslocatie.
De verkregen resultaten geven formeel aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De aangetoonde verhoogde gehaltes aan arseen en chroom zijn vermoedelijk van natuurlijke oorsprong. In de kleigrond zijn geen verhoogde gehaltes aan arseen en chroom aangetoond. In bijna alle peilbuizen is chroom en arseen aangetoond in verschillende gehaltes. Verder is tijdens het laboratoriumonderzoek gebleken dat in het grondwater een hoog ijzergehalte is aangetoond, dat volgens het onderzoek van TNO (dat in opdracht van de gemeente Zeeland is uitgevoerd) altijd verhoogd aanwezig is als arseen ook van nature verhoogd aanwezig is. Naar de aanwezigheid van natuurlijk chroom is door TNO geen onderzoek gedaan, maar aangenomen wordt dat dit op hetzelfde principe berust als natuurlijk verhoogd arseen. Een nader onderzoek wordt derhalve niet geadviseerd.
Dit onderzoek kan niet gebruikt worden voor afvoer van grond, die afkomstig is van de onderzoekslocatie. Hiervoor dienen de toepassingseisen van het Bouwstoffenbesluit in acht genomen te worden, tenzij de gemeente met het voorliggende onderzoek akkoord gaat.
Beleid
Provinciaal beleid
Het provinciaal beleid ten aanzien van archeologie is vastgelegd in de Nota Archeologie 2006-2012. Het toetsingskader is overgenomen in het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018. Het toetsingskader wordt verder bepaald door het volgende:
Gemeentelijk beleid
Op 20 december 2011 heeft de gemeenteraad van Kapelle de 'beleidsnota archeologie gemeente Kapelle' vastgesteld. De aanleiding van deze beleidsnota is de invoering van de Wet op de archeologische monumentenzorg (opgenomen in de Monumentenwet 1988).
Op basis van deze wet moet de gemeente bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. In de praktijk betekent dit dat voor bodemverstorende activiteiten, zoals bouwen of slopen, in sommige gevallen er archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd.
Toetsing
De beleidskaart archeologie van de gemeente Kapelle (2011) geeft aan dat voor de gronden een hoge verwachtingswaarde is toegekend. Wanneer het te verstoren gebied groter is dan 250 m² geldt een onderzoeksplicht. Archeologisch onderzoek is dan ook noodzakelijk.
Door Artefact is archeologisch bureau- en veldonderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 3.3.
Binnen het plangebied werd in het uiterste noordwesten van het plangebied een diepe geul vastgesteld die het onderliggend bodemarchief heeft geërodeerd. Deze geul is later opgevuld geraakt met een zandig sediment.
In het overige deel van het plangebied werden kleiige en zandige afzettingen van het Laagpakket van Walcheren aangeboord, met daaronder Scheldeafzettingen uit het Midden-Holoceen (Kreekrak Formatie). Onder deze komafzettingen werd nog een pakket Hollandveen vastgesteld. Onder het veen werden mariene afzettingen van het Laagpakket van Wormer aangetroffen. In boringen 5, 17 en 19 werd in de toplaag of in de verstoorde laag eronder fragmentjes baksteenpuin en aardewerk aangetroffen. Deze indicatoren zijn te verbinden met de aanwezigheid van de veldweg die hier tot laat in de 20e eeuw heeft gelopen. Ook de uitgevoerde veldkartering gaf geen indicatie voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats binnen het plangebied.
Op basis van de resultaten van dit veldonderzoek moet het verwachtingsmodel wel enigszins worden bijgesteld. De middelhoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de IJzertijd en de Romeinse tijd, op het niveau van het Hollandveen, moet bijgesteld worden naar laag. Al de reeds aangetroffen bewoning uit de IJzertijd en Romeinse Tijd is vastgesteld in het hoger gelegen, beter ontwaterde veengebied, langsheen de oevers van de Oosterschelde. Het plangebied lag in die periode in het overstromingsgebied van de rivier. Het is dus niet waarschijnlijk dat er zich binnen het plangebied archeologische vindplaatsen bevinden. Hierdoor blijft enkel nog de middelhoge verwachting op het niveau van het laagpakket van Wormer over. De overige archeologische verwachting is laag.
Conclusie
Samenvattend kan gesteld worden dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht wanneer bij de planvorming rekening wordt gehouden met de mogelijk aanwezige archeologische waarden. Dit betekent dat binnen het gehele plangebied geen graafwerkzaamheden plaatsvinden die dieper reiken dan 2,26 m -NAP (circa 2,45 m beneden maaiveld), met uitzondering van heiwerkzaamheden.
Voor de bescherming van de waarden onder deze diepte is de bestemming Waarde - Archeologie 4 opgenomen.
Beleid
Per 1 juli 2011 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van MoMo is het Bro gewijzigd (artikel 3.6.1 lid 2). De volgende regel is dan van kracht:
In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Dit betekent dat voor gemeenten er de verantwoordelijkheid komt om cultuurhistorische waarden te betrekken bij de bestemmingsplannen en hierover verantwoording af te leggen in het bestemmingsplan. Dat kan op verschillende manieren en kan van het wettelijk verplichte minimum tot en met uitgebreid eigen beleid.
Toetsing
Het plangebied ligt circa 1 km ten noordwesten van de oude kern van Wemeldinge, één van de oudste dorpen van Zuid-Beveland. Het gebied ligt in de polder De Breede Watering Bewesten Yerseke. De bedijking en bewoning van dit gebied gaat terug tot de 11e en 12e eeuw. Binnen het plangebied zelf komen geen cultuurhistorische waarden voor. Direct ten noorden van het plangebied, aan de Stelhoekweg 3 te Wemeldinge, ligt het rijksmonument De Stelhoeve (monumentnummer 23513). Dit monumentale boerderijcomplex hoort bij het recreatiebedrijf. Het rijksmonument bestaat uit een oorspronkelijke boerderijwoning en varkensstal. De oorspronkelijke schuur van de boerderij is medio 2008 verloren gegaan door brand en herbouwd in 2011. In de herbouwde schuur is een groepsaccommodatie gevestigd. Daarnaast zijn op het terrein rondom de boerderij 18 stuks recreatiewoningen en een bijeenkomstgebouw gerealiseerd voor het recreatiebedrijf.
Het plangebied en de monumentale boerderij worden gescheiden door de eind 19e eeuw aangelegde binnendijk. Deze binnendijk vormt een fysieke scheiding tussen het plangebied en het monumentale boerderijcomplex. De cultuurhistorische waarden van de boerderij worden niet bedreigd door de ontwikkeling van het plan voor een recreatiepark. Onderdeel van het totale plan voor het recreatiebedrijf is het herstel van een deel van de inlage, gelegen tussen de binnendijk en de Steldijk. Dit maakt echter geen deel uit van dit bestemmingsplan.
Conclusie
Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. De waarden direct grenzend aan het plangebied worden niet bedreigd door de ontwikkeling. Fysiek is het plangebied gescheiden van de monumentale boerderij door de (beschermde) binnendijk. Er is ten aanzien van het aspect cultuurhistorie geen specifieke regeling nodig in het voorliggende bestemmingsplan.
Beleid
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:
Toetsing en conclusie
In de paragraaf externe veiligheid zal worden ingegaan op de eventueel in de omgeving aanwezige risicorelevante leiding(en). In het plangebied zijn naast deze mogelijke leidingen geen andere planologisch relevante leidingen gelegen. Er wordt geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
Beleid
Ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling dient een watertoets met het waterschap overlegd te worden. Bij de watertoets gaat het om allerlei waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Bij het tot stand komen van deze paragraaf is overleg gevoerd met de waterbeheerder. De opmerkingen van de waterbeheerder zijn vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.
Bij het Waterschap Scheldestromen wordt hiervoor een watertoetstabel gebruikt. In deze tabel zijn de hiervoor genoemde aspecten verwerkt. Onderstaande watertoetstabel is ingevuld voor de ontwikkeling van De Stelhoeve Zuid. Deze is ook kortgesloten met het waterschap. Reacties van het waterschap zijn verwerkt in deze tabel. De reactie van het waterschap is toegevoegd in bijlage 7.
Toetsing
| thema en water(beheer)doelstelling | uitwerking | |||
|
Waterveiligheid
Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte. |
De noordzijde van het plangebied ligt voor een paar meter binnen de kernzone en volledig in de beschermingszone A en B. Bouwen in een waterstaatswerk is in principe niet toegestaan. In het plan is hier rekening mee gehouden. Voor het bouwen in de beschermingszones is een vergunning vereist op grond van de Waterwet. Hierin zal aangegeven worden onder welke voorwaarden bouwen mogelijk is. De vergunning wordt aangevraagd. |
|||
|
Wateroverlast (vanuit oppervlaktewater)
Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende hoog bouwpeil om inundatie vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties. |
De ontwikkeling voorziet in de realisatie van circa 120 recreatiewoningen en centrale voorzieningen. Ten gevolge van de ontwikkeling wordt circa 19.620 m² extra verharding gerealiseerd. Ten gevolge daarvan dient er 1.472 m³ extra water gerealiseerd te worden om aan de eisen van het Waterschap te voldoen. Bij de toegestane 1 m peilstijging (T100; voor de bergingsberekening) is dan 1.472 m² wateroppervlak noodzakelijk. Er wordt circa 4.000 m² aan extra wateroppervlak mogelijk gemaakt. Dit zal door middel van ondiepe sloten worden gerealiseerd. Het water is gedeeltelijk planologisch vastgelegd in de bestemming Water. |
|||
|
Grondwaterkwantiteit en verdroging
Tegengaan/verhelpen van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en benutten van infiltratiemogelijkheden. |
De ontwikkeling voorziet niet in het oppompen van grondwater. Tevens beschikt de ontwikkellocatie niet tot beperkt over infiltratiemogelijkheden. Daarom is infiltratie ook niet mogelijk. Ten opzichte van de huidige situatie zal er geen (negatief) effect optreden. | |||
|
Hemel- en afvalwater
(inclusief water op straat/overlast) Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten. |
Het afvalwater ten gevolge van de ontwikkeling zal afgevoerd worden op de aanwezige gemeentelijke riolering. | |||
|
Volksgezondheid
(water gerelateerd) Minimaliseren risico water gerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via onder andere de daarvoor benodigde ruimte. |
De ontwikkeling heeft geen invloed op de water gerelateerde volksgezondheid. De realisatie van de sloot kan mogelijk een verhoging van het verdrinkingsrisico met zich meebrengen. Door middel van afscherming wordt de kans hierop geminimaliseerd. | |||
|
Bodemdaling
Voorkomen van maatregelen die (extra) maaivelddalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken. |
De ontwikkellocatie is sterk zettingsgevoelig. Hiermee dient rekening gehouden te worden in de bouwfase. | |||
|
Oppervlaktewaterkwaliteit
Behoud/realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden en zuiveren. |
Om te voorkomen dat hemelwater verontreinigd raakt dient het gebruik van uitlogende materialen zoals zink en lood te worden voorkomen en dient het gebruik van duurzame bouwmaterialen te worden bevorderd. Het plan voorziet niet in de realisatie van bebouwing op 5 m of minder van oppervlaktewater. Beplanting wordt op minimaal 1 m van het oppervlaktewater gerealiseerd. |
|||
|
Grondwaterkwaliteit
Behoud/realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden. |
De grondwaterkwaliteit wordt door het plan niet negatief beïnvloed. | |||
|
Natte natuur
Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. |
De ontwikkeling zorgt niet voor (negatieve) effecten op de in de nabije omgeving aanwezige natte natuur. | |||
|
Onderhoud oppervlaktewater
Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting. |
De ontwikkeling vormt geen belemmering voor de onderhoudsstroken ten gevolge van het onderhouden van het oppervlaktewater. Met eventueel naastgelegen buren zullen afspraken worden gemaakt over het onderhoud van de sloten. |
|||
| Andere belangen waterbeheerder(s) | ||||
|
Relatie met eigendom waterbeheerder
Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren. |
De ontwikkeling vormt geen belemmering voor eigendommen van de waterbeheerder. | |||
|
Scheepvaart en/of wegbeheer
Goede bereikbaarheid en in stand houden van veilige vaarwegen en wegen in beheer en onderhoud bij Rijkswaterstaat, de provincie en/of het waterschap. |
Dit aspect is opgenomen in de verkeersparagraaf. | |||
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Deze paragraaf betreft een samenvatting van het uitgebreide bureauonderzoek zoals opgenomen in bijlage 5.
Huidige situatie
Het plangebied bestaat uit landbouwgronden met name bestemd voor akkerbouw. Het gehele plangebied wordt omringd door sloten.
Beoogde ontwikkelingen
De ruimtelijke ontwikkeling voorziet in de realisatie van circa 120 recreatiewoningen inclusief bijbehorende voorzieningen. Deze ontwikkeling wordt gerealiseerd als uitbreiding van het reeds bestaande recreatiebedrijf de Stelhoeve.
Hiervoor moeten de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd:
Beleid
Het rijksbeleid ten aanzien van de bescherming van soorten (flora en fauna) en de bescherming van de leefgebieden van soorten (habitats) is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De uitwerking van dit nationale belang ligt bij de provincies. De begrenzing van de EHS is in Zeeland door Gedeputeerde Staten vastgesteld in het Omgevingsplan. In het Omgevingsplan staan ook de spelregels hoe om te gaan met de EHS. De wijzigingen van de EHS-begrenzing worden door Gedeputeerde Staten vastgesteld in het Natuurbeheerplan Zeeland. Het plan wordt jaarlijks geactualiseerd.
Toetsing
Gebiedsbescherming
Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Ten noorden van de ontwikkeling op circa 225 m is het Natura 2000-gebied 'Oosterschelde' gelegen. Ten zuiden van Wemeldinge, circa 3 km van het plangebied, ligt het Natura 2000-gebied Yerseke & Kapelse Moer. De realisatie van de recreatiewoningen zal tijdens de bouwfase in zeer beperkte mate leiden tot extra verstoring van de rand van de Oosterschelde. Er blijft echter voldoende onverstoord Natura 2000-gebied beschikbaar. Het toevoegen van 120 recreatiewoningen bij de bestaande recreatieve voorzieningen welk op kortere afstand zijn gelegen van de Oosterschelde leidt niet tot een merkbare toename van de verstoring. De ontwikkeling zou vanwege de verkeersgeneratie kunnen leiden tot verontreiniging als gevolg van stikstofdepositie. Op basis van berekeningen is bepaald dat de toename van de stikstofdepositie maximaal 0,14 mol N/ha/jr. bedraagt (zie bijlage 6). De provincie Zeeland spreekt pas van een toename vanaf 0,5 mol N/ha/jr. Hier blijft de plantoename ruim onder. Significant negatieve effecten op de Oosterschelde en Yerseke & Kapelse Moer worden dan ook uitgesloten.
Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Direct naast de ontwikkeling is echter wel EHS gelegen. Dit betreft zowel bestaande als nieuw te realiseren natuur. In onderstaande afbeelding is de EHS ten opzichte van de ontwikkeling weergegeven. De ontwikkeling vormt geen belemmering voor deze EHS, aangezien de structuur en de bomen niet worden aangetast.
Figuur 3.1 EHS omgeving plangebied
De Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.
Soortenbescherming
De ruimtelijke onderbouwing voorziet in de realisatie van recreatiewoningen. De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling kunnen leiden tot aantasting van te beschermen natuurwaarden. In het plangebied komen mogelijk de volgende beschermde soorten voor.
| Vrijstellingsregeling Ffw | tabel 1 | zwanenbloem en dotterbloem mol, egel, veldmuis, hermelijn, wezel, haas en konijn bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en de middelste groene kikker |
|||
| tabel 2 | geen | ||||
| tabel 3 | bijlage 1 AMvB | geen | |||
| bijlage IV HR | geen | ||||
| vogels | cat. 1 t/m 4 | geen | |||
Conclusie
In het plangebied komen verder geen matig of zwaar beschermde soorten voor. De Flora- en faunawet vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Als gevolg van de ontwikkelingen treedt geen verstoring of vermesting/verzuring als gevolg van stikstofdepositie op in de Natura 2000-gebieden. De ontwikkeling is ook niet van invloed op de EHS. Zowel de Natuurbeschermingswet 1998 als het EHS-beleid van de provincie vormen geen beletsel voor de beoogde ontwikkeling.
De ontwikkeling betreft zowel een milieuhinderlijke als een milieugevoelige functie. Ten gevolge van de ten zuiden van de ontwikkeling aanwezige agrariër kan de ontwikkeling hinder ondervinden. Ten opzichte van omliggende woningen van derden kan de ontwikkeling hinder veroorzaken. Om deze reden worden beide vormen getoetst.
Beleid
Agrarisch
Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wet geurhinder en Veehouderijen, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelasting geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee).
Niet-agrarisch
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de realisatie van woningen nabij bedrijven of visa versa:
Om de belangenafweging tussen een goed woon- en leefklimaat en de bedrijfsvoering goed mee te nemen wordt voor de beoogde ontwikkeling gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze uitgave is een lijst opgenomen met allerhande activiteiten en bijbehorende richtafstanden die gehanteerd worden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Naarmate de milieubelasting van de activiteiten groter is, wordt uitgegaan van een grotere richtafstand. Ingeval van een omgevingstype 'gemengd gebied' mag worden uitgegaan van een kleinere richtafstand. De richtafstanden vormen een eerste indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende activiteiten worden gesitueerd. Bouwen binnen de richtafstanden is eveneens aanvaardbaar, indien uit onderzoek blijkt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening waarbij milieuhinder voorkomen wordt.
Emissie bestrijdingsmiddelen (spuitzones)
Algemeen
Emissie van bestrijdingsmiddelen, zoals toegepast in de akkerbouw, fruitteelt en de glastuinbouw kan milieuproblemen veroorzaken (diffuse verspreiding via lucht, bodem en water). Ook speelt de aanwezigheid van gevoelige functies een rol. Op grond van het Omgevingsplan Zeeland dient daarom rekening te worden gehouden met een aan te houden afstand van minimaal 50 m van glastuinbouwbedrijven, fruitteeltpercelen en akkerbouwgronden tot woon- en verblijfsrecreatiegebieden.
Onderzoek Universiteit Wageningen
Door de Universiteit van Wageningen is in opdracht van de gemeente Tholen eerder onderzoek uitgevoerd naar de veiligheidszones en verantwoorde afstanden rondom akkerbouw- en fruitteeltpercelen als gevolg van bespuitingen met toxische stoffen en de blootstelling hiervan op onder andere verblijfsrecreatiegebieden.
In het onderzoek naar bespuitingen van boomgaarden en akkerbouwgronden is gekeken naar het effect van toegelaten driftarme toedieningstechnieken volgens het Lozingenbesluit Open Teelt en Veehouderij op de driftdepositie naast het perceel op de grond en de drift naar de lucht bij de bespuiting van een boomgaard.
Berekeningen zijn uitgevoerd om de drift naar de lucht op 10, 20, 30, 40 en 50 m afstand van de perceelsrand op een hoogte van 0-3 m (hoogte relevant voor omstanders) en 3-6 m (hoogte relevant voor bebouwing) te kwantificeren. Deze gegevens zijn gecombineerd met blootstellingscriteria AEL (Acceptable Exposure Level) voor dermaal (opname van schadelijke stoffen in de menselijke huid), inhalator (opname van schadelijke stoffen door inademing) en secundair dermaal contact van verschillende veel gebruikte gewasbeschermingsmiddelen in de fruitteelt. Dit om een inschatting van het risico voor omwonenden en omstanders te kunnen maken.
Uit deze berekeningen blijkt dat bij neerwaartse bespuitingen van veldgewassen, waarbij gebruikgemaakt wordt van de minimaal vereiste driftarme spuittechniek volgens het Lozingenbesluit Open Teelt en Veehouderij (DRT50), dat een afstand van minimaal 50 m tussen bebouwing en perceelrand nodig is om overschrijding van de AEL-dermaal te voorkomen. Als er op de perceelgrens een windhaag aanwezig is, dan kan voor deze spuittechniek de afstand tot 40 m verkleind worden voor omstanders (0-3 m hoogte) maar blijft voor bebouwing minimaal 50 m (3-6 m hoogte).
Afhankelijk van de praktijksituaties die voorkomen: een sloot rondom de akkerbouwgronden en wel of niet verplichte driftbeperkende maatregelen zullen de benodigde afstanden van de perceelgrens tot bebouwing tussen de 5 m en meer dan 50 m moeten liggen. De benodigde afstand kan verder verkleind worden of zeker gesteld worden door het gebruik van een dubbele windhaag of een constructie met een vergelijkbare filterende werking op de perceelgrens. Hierdoor wordt berekend dat de benodigde veiligheidszone voor een standaard spuittechniek, als er geen sloot langs het landbouwperceel ligt, 30 m is vanaf de perceelgrens. Als er wel een sloot langs het landbouwperceel ligt en de minimaal vereiste driftreducerende techniek volgens LOTV (DRT50) gebruikt wordt, is een afstand van 10 m vanaf de perceelgrens nodig om onder de dermale blootstellingsgrens voor isoproturon voor omstanders (0-3 m hoogte) en voor bebouwing (3-6 m hoogte) te komen.
Toetsing
Agrarisch
Aan de zuidrand van de beoogde ontwikkeling ligt het agrarische bedrijfsperceel van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Op dit bedrijf zijn de algemene regels van het Activiteitenbesluit van toepassing. Bedrijven die vallen binnen de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit moeten voldoen aan bepaalde afstanden tot aan gevoelige objecten. Voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, buiten de bebouwde kom, bedraagt deze afstand 50 m (artikel 3.116). Recreatieterreinen zijn aan te merken als een gevoelig object.
Bij het opstellen van het inrichtingsplan is rekening gehouden met de afstanden uit het Activiteitenbesluit. De terreinen in een straal van 50 m rondom het erf zijn bestemd voor parkeerplaatsen, waarop geen recreatiewoningen (gevoelige objecten) zijn toegestaan. De aanwezigheid van het agrarische bedrijf vormt zodoende geen belemmering voor de ontwikkeling van het vakantiepark. Nu met de afstanden uit het besluit rekening is gehouden, vormt de aanwezigheid van het vakantiepark evenmin een beperking voor eventuele toekomstige mogelijkheden van het grondgebonden agrarische bedrijf.
Niet-agrarisch
Conform de VNG-brochure geldt een richtafstand van 50 m. Het maatgevende aspect betreft hierbij geluid. De dichtstbijzijnde woning van derden betreft de woning aan de Ruisweg 3. Gezien de reeds aanwezige afstand van 50 m voor de agrarische activiteiten wordt eveneens aan de richtafstand voldaan van 50 m ten gevolge van de VNG-brochure. Binnen 50 m van de woning zijn mogelijkheden voor groenvoorziening en parkeerplaatsen (met uitzondering van de westzijde) mogelijk.
Voor de tennisbanen geldt een richtafstand van 50 m ten opzichte van een rustige woonwijk. De beoogde tennisbanen maken onderdeel uit van het terrein en zijn ondergeschikt. Het gebruik en de intensiteit hiervan is niet vergelijkbaar met het gebruik door een reguliere tennisvereniging.
De beoogde tennisbanen op het terrein liggen op circa 45 m vanaf de woning. Gezien deze afstand, de tussenliggende groenzone, de aanwezige loods en het ondergeschikte gebruik vormt deze richtafstand geen belemmering.
Emissie bestrijdingsmiddelen (spuitzones)
De beoogde ontwikkeling grenst aan de westzijde direct aan agrarische gronden waar zowel akkerbouw als fruitteelt is toegestaan. Er dient dus rekening te worden gehouden met de aangegeven afstand van 50 m tussen de gronden en het toekomstige recreatiebedrijf.
Tussen de akkerbouwpercelen en de nieuw te realiseren recreatiewoningen wordt een sloot en vervolgens 2 opgaande hagen met hiertussen een onderhoudsstrook gerealiseerd. Daarmee is het acceptabel om de recreatiewoningen te realiseren zonder dat dit leidt tot onacceptabele blootstelling.
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering voor zowel agrarische als niet-agrarische bedrijvigheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
De bewoners van de woning aan de Ruisweg 3 hebben echter richting de initiatiefnemer aangegeven dat zij zich zorgen maken over mogelijke overlast vanaf het terrein, ondanks dat voldaan wordt aan de normen. Indien gewenst zal de initiatiefnemer op de grens een grondwal aanleggen.
Tussen de akkerbouwpercelen en de nieuw te realiseren recreatiewoningen wordt een sloot en vervolgens 2 opgaande hagen met hiertussen een onderhoudsstrook gerealiseerd. Daarmee is het acceptabel om de recreatiewoningen te realiseren zonder dat dit leidt tot onacceptabele blootstelling.
Beleid
Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk:
In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Risicorelevante inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van dit bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.
Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
In de circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen is het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, wegen en spoorwegen opgenomen. Op basis van de circulaire geldt voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als een richtwaarde. Op basis van de circulaire geldt bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR of een toename van het GR een verantwoordingsplicht. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. De circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
Vooruitlopend op de vaststelling van het Besluit Transportroutes Externe Veiligheid is de circulaire RVGS per 1 januari 2010 gewijzigd. Met deze wijziging zijn de veiligheidsafstanden uit het Basisnet Weg en het Basisnet Water opgenomen in de circulaire. In het BTEV worden tevens plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Vooruitlopend op de vaststelling van het BTEV wordt, aan de hand van de Basisnetten, al geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.
Buisleidingen
Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Toetsing
In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig en rondom het plangebied vindt tevens geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor of door buisleidingen. De afstand tot de hoofdvaarroute Rotterdam-Antwerpen waar vervoer van gevaarlijke stoffen over plaatsvindt bedraagt 2,5 km en vormt tevens geen probleem.
Op de inrichting zelf is een propaantank aanwezig met een inhoud van 13.000 liter. Deze propaantank is aanwezig in verband met het huidige recreatiebedrijf. De te realiseren recreatiewoningen behoren tot dezelfde inrichting. Formeel gezien is toetsing derhalve niet noodzakelijk.
De ontwikkeling wordt daarnaast gerealiseerd op meer dan 130 m afstand van het vulpunt. De PR 10-6-contour bedraagt 25 m en de propaantank beschikt niet over een invloedsgebied voor het GR. Derhalve is er sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.
De veiligheidsregio adviseert daarnaast het volgende over (preventieve) brandbestrijding:
Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de nieuwe Handeiking bluswatervoorzieningen van de Veiligheidsregio (26 juni 2013).
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Verkeer
Verkeersontsluiting
Het recreatieterrein wordt primair ontsloten op de Ruisweg. In oostelijke richting wordt verder ontsloten naar de Hoogeweg en in westelijke richting leidt de weg verder het buitengebied in richting de kern Kattendijke. De Hoogeweg loopt in zuidoostelijke richting naar de nabijgelegen kern Wemeldinge. In zuidelijke richting sluit de Hoogeweg aan op de Blauwhuisweg, welke ten zuiden van de ontwikkeling aansluit op de N671 richting Kapelle.
De Ruisweg, Hoogeweg (tot aan de kern Wemeldinge) en Blauwhuisweg zijn gecategoriseerd als erftoegangswegen buiten de bebouwde kom. Deze wegen zijn uitgevoerd als een enkele rijloper, zonder as- en kantmarkering. Op deze wegen geldt een maximumsnelheid van 60 km/h . De N671 betreft een provinciale gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom. Deze weg is ingericht met twee rijstroken, gescheiden door een dubbele onderbroken asmarkering. Op de N671 geldt een maximumsnelheid van 80 km/h.
Ook voor fietsers vindt de ontsluiting van de ontwikkeling primair plaats via de Ruisweg. De verdere ontsluiting naar de kern Wemeldinge vindt plaats via de Hoogeweg en naar Kapelle via de Blauwhuisweg en de N671. Op de Ruisweg, Hoogeweg en de Blauwhuisweg zijn geen fietsvoorzieningen aanwezig. Langzaam verkeer en gemotoriseerd verkeer maken hier gebruik van dezelfde rijloper. De wegen zijn ingericht conform de richtlijnen uit Duurzaam Veilig. Langs de N671 zijn wel fietsvoorzieningen aanwezig.
Verkeersgeneratie
De ontwikkeling betreft de bouw van 120 recreatiebungalows. De verkeersgeneratie van deze ontwikkeling is bepaald op basis van CROW-publicatie 317 ('Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie', 2012). Volgens het CBS geldt voor de gemeente Kapelle de stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk'. Tevens is de ontwikkeling gelegen in het buitengebied. Voor ontwikkelingen die vallen binnen dit gebiedstype geldt een verkeersgeneratie van circa 2,6 mvt/etmaal tot 2,8 mvt/etmaal per bungalow. De totale verkeersgeneratie voor de 120 recreatiebungalows bedraagt zodoende maximaal 340 mvt/etmaal. Dit verkeer ontsluit op de Ruisweg. Uitgangspunt is dat 80% afwikkelt richting de Hoogeweg en Blauwhuisweg (richting Kapelle, 60%). De overige 20% wikkelt af in westelijke richting.
Verkeersafwikkeling
De gemeente Kapelle beschikt over verkeersintensiteiten op de Hoogeweg (2005). De verkeersintensiteiten op de Ruisweg en de Blauwhuisweg zijn niet bekend. Voor de huidige verkeersintensiteiten op deze wegen is op basis van de functie van de weg binnen de verkeersstructuur en het aantal aanliggende functies een aanname gedaan. De verkeersintensiteiten zijn opgehoogd naar het planjaar 2024 op basis van een autonome groei van 1,5% per jaar. Vervolgens is de verkeersgeneratie van de ontwikkeling hierbij opgeteld. De intensiteitgegevens zijn opgenomen in tabel 3.1.
Tabel 3.1 Verkeersintensiteiten omliggend wegennet (mvt/etmaal)
| weg | intensiteit 2005 | intensiteit 2013 | intensiteit 2024 excl. ontwikkeling | intensiteit 2024 incl. ontwikkeling | |||
| Ruisweg west | - | 100 | 120 | 190 | |||
| Ruisweg oost | - | 100 | 120 | 390 | |||
| Hoogeweg | 333 | 380 | 440 | 770 | |||
| Blauwhuisweg | - | 250 | 290 | 490 | |||
De genoemde wegen betreffen allen relatief smalle plattelandswegen en zijn in het beheer van het Waterschap Scheldestromen. Indien op dit type wegen voertuigen elkaar tegenkomen, zal deels door de berm worden gereden. Door intensief gebruik van de berm ontstaat ernstige bermschade, wat leidt tot hoge onderhoudskosten. Het Waterschap Scheldestromen stelt dat als capaciteit voor dit type wegen geldt de maximale verkeersintensiteit die van deze wegen gebruik kan maken zonder dat de berm kapot gereden wordt. Hierbij speelt de breedte van de weg een belangrijke rol. Als uitgangspunt hanteert het waterschap de maximale intensiteiten zoals opgesteld door het CROW in CROW-publicatie 164d ('Handboek wegontwerp erftoegangswegen', 2002). Omdat in deze specifieke situatie de wegen voornamelijk in de zomermaanden maximaal worden belast, worden de waarden uit deze tabel met 25% opgehoogd. Dat is mogelijk omdat er dan voornamelijk onder goede omstandigheden door de berm wordt gereden. In tabel 3.2 is de basiscapaciteit, de capaciteit in de zomermaanden, de verkeersintensiteit en de intensiteit/capaciteit verhouding opgenomen. De intensiteit/capaciteit verhouding geeft een indruk van de mate waarin door de berm moet worden gereden. Bij een verhouding van groter of gelijk aan 1 is kans op bermschade aanwezig.
Tabel 3.2 Intensiteitcapaciteit verhouding omliggend wegennet
| weg | wegbreedte | basiscapaciteit | capaciteit zomermaanden | intensiteit | intensiteit/ capaciteit | ||||
| Ruisweg west | 3,5 m | 400 | 500 | 190 | 0,38 | ||||
| Ruisweg oost | 3,5 m | 400 | 500 | 390 | 0,78 | ||||
| Hoogeweg | 4,5 m | 1.000 | 1.250 | 770 | 0,62 | ||||
| Blauwhuisweg | 4,0 m | 575 | 720 | 490 | 0,68 | ||||
Conclusie
Uit de berekening van de intensiteit/capaciteit verhoudingen blijkt dat de waarde op geen van de wegen groter of gelijk is aan 1. De wegen bieden voldoende capaciteit om de verkeerstoename te kunnen verwerken.
Parkeren
Het parkeren wordt volledig op het recreatieterrein opgevangen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in parkeerplaatsen die alleen bedoeld zijn voor gebruikers van de recreatiewoningen en parkeerplaatsen die bedoeld zijn voor personeel en bezoekers van de gebruikers.
Gebruikers recreatiewoningen
Niet alle recreatiewoningen zijn qua capaciteit gelijk. Een deel van de woningen biedt aantal voor twee/vier personen en een aantal voor zes en acht personen. Een exacte verdeling van het type bungalows is nog niet bekend. Uitgangspunt is een verdeling van respectievelijk 15%, 30% en 55%. Voor de tweepersoonswoningen wordt uitgegaan van één auto per woning. Bij elke woning is daarom één parkeerplaats voorzien. Voor de zes- en acht-persoonswoningen is als uitgangspunt gehanteerd dat gebruikers de beschikking hebben over twee auto's. Voor de gebruikers van deze woningen zijn bij de recreatiewoningen twee parkeerplaatsen voorzien of 1 in de nabijheid hiervan (op de straat bij de woningen). Bij de vierpersoonswoningen zal een deel van de gebruikers met één auto komen en een deel met twee auto's. Voor deze woningen is uitgegaan van 1,5 parkeerplaatsen per woning, hiervan wordt één parkeerplaats bij de woning voorzien. De overige parkeerplaatsen worden gerealiseerd op een centraal parkeerterrein. Tabel 3.3 geeft een overzicht van het totaal te realiseren parkeerplaatsen.
Tabel 3.3 Parkeerplaatsen huurders
| woningtype | aantal woningen | benodigd aantal parkeerplaatsen | |
| 2/4-persoonsrecreatiewoning | 18 | 18 parkeerplaatsen bij recreatiewoningen | |
| 4-persoonsrecreatiewoning | 36 | 36 parkeerplaatsen bij recreatiewoningen | |
| 18 parkeerplaatsen op parkeerterrein | |||
| 6/8-persoonsrecreatiewoning | 66 | 132 parkeerplaatsen bij recreatiewoningen | |
Personeel en bezoekers
Ten behoeve van het parkeren van personeel en bezoekers zal een aantal parkeerplaatsen op het centrale parkeerterrein gerealiseerd moeten worden. In parkeerkentallen voor bungalowparken van het CROW is opgenomen dat binnen het parkeerkental 9% van de parkeerplaatsen is opgenomen voor bezoekers. Omdat de parkeerplaatsen bij de woningen zijn gereserveerd voor de gebruikers, zal dit aantal parkeerplaatsen beschikbaar moeten zijn op het parkeerterrein. Zodoende zullen op het parkeerterrein nog 19 parkeerplaatsen extra gerealiseerd worden.
Conclusie
Het totaal aantal parkeerplaatsen exclusief voor gebruikers dat gerealiseerd wordt bij de recreatiewoningen bedraagt op basis van bovenstaande uitgangspunten 186. De parkeercapaciteit van het centrale parkeerterrein dient op basis hiervan 37 parkeerplaatsen te bedragen.
Binnen de ontwikkeling wordt de bouw van 120 recreatiebungalows juridisch-planologisch mogelijk gemaakt. Recreatiewoningen zijn volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geen geluidsgevoelige functies. Echter is binnen het provinciaal beleid van de provincie Zeeland vastgelegd ('Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 - Beleid voor ruimte, milieu, water en natuur', vastgesteld door Provinciale Staten van Zeeland op 28 september 2012) dat nieuwe recreatieve functies dienen te voldoen aan bepaalde geluidseisen. Hiervoor wordt aangesloten bij de benaderingswijze en normstelling die de Wgh voor geluidsgevoelige functies hanteert. In het akoestisch onderzoek is uitgegaan van de geluidsbelasting die optreedt 10 jaar na vaststelling van een plan (2024). De ontwikkeling ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Ruisweg, Hoogeweg, Stelhoekweg en Steldijk. Binnen het akoestisch onderzoek is onderzocht of de in de plankaart opgenomen bestemming ten behoeve van de recreatiewoningen buiten de 48 dB-contour van deze gezoneerde wegen ligt.
Beleid
Op basis van provinciaal beleid van de provincie Zeeland dient voor de toetsing van recreatieve functies (met uitzondering van hotels en motels) aangesloten te worden bij de normstelling uit de Wgh.
De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Deze voorkeursgrenswaarde mag in principe niet worden overschreden. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat deze voorkeursgrenswaarde wel wordt overschreden, zijn maatregelen noodzakelijk, gericht op het verminderen van de geluidsbelasting aan de gevel. Onderscheid wordt gemaakt in maatregelen aan de bron (bijvoorbeeld geluidsreducerend asfalt), maatregelen in het overdrachtsgebied (bijvoorbeeld geluidsschermen), maatregelen aan de geluidsontvanger (bijvoorbeeld geluidsdove gevels) of het vergroten van de afstand tussen de geluidsbron en de ontvanger. Zijn deze maatregelen niet mogelijk, niet gewenst of niet doeltreffend, dan kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek tot een hogere grenswaarde worden ingediend. Deze hogere grenswaarde mag in deze situatie de uiterst grenswaarde niet te boven gaan. Voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen die buiten de kom liggen geldt een uiterste grenswaarde van 53 dB.
Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een maximumsnelheid tot 70 km/h geldt een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een hogere maximumsnelheid geldt een aftrek van 2 dB. Op alle relevante wegen geldt een maximumsnelheid van 60 km/h. Voor deze wegen is zodoende een correctie van 5 dB toegepast.
Toetsing
Met behulp van de Standaard Rekenmethode I (SRM I) uit het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 zijn de 48 dB-contouren van de verschillende relevante gezoneerde wegen voor het prognosejaar 2024 bepaald.
Uitgangspunten
De gebruikte verkeersintensiteiten op de te toetsen wegen in het prognosejaar 2024 is weergegeven in tabel 3.4. De verantwoording en bronnen van de berekende verkeersintensiteiten op de Ruisweg en de Hoogeweg zijn weergegeven in de verkeers- en vervoersparagraaf. Voor de verkeersintensiteit op de Steldijk en de Stelhoekweg is aangesloten bij de bekende verkeersintensiteiten op respectievelijk de Hoogeweg en de Ruisweg west. Voor de voertuig- en etmaalverdeling is aangesloten bij de standaardverdeling voor plattelandswegen (zie tabel 3.5).
Tabel 3.4 Verkeersintensiteiten (mvt/etmaal)
| weg | intensiteit prognosejaar 2024 incl. ontwikkeling |
| Ruisweg (maximaal) | 390 |
| Hoogeweg | 770 |
| Steldijk | 770 |
| Stelhoekweg | 190 |
Tabel 3.5 Voertuig- en etmaalverdeling
| plattelandswegen | dag | avond | nacht | ||
| lichte motorvoertuigen | 91,44% | 91,44% | 91,44% | ||
| middelzware motorvoertuigen | 6,74% | 6,74% | 6,74% | ||
| zware motorvoertuigen | 1,82% | 1,82% | 1,82% | ||
| etmaalverdeling | 7,00% | 2,60% | 0,70% | ||
Binnen het onderzoek is verder voor alle relevante wegen rekening gehouden met een maximumsnelheid van 60 km/h en het verhardingstype dicht asfaltbeton (referentiewegdek). Verder is voor de Steldijk de verhoogde ligging ten opzichte van het maaiveld (3 m) meegenomen. Het onderzoek heeft plaatsgevonden op de waarneemhoogten 1,5 m en 4,5 m.
Resultaten
Tabel 3.6 geeft per relevante gezoneerde weg en per waarneemhoogte de berekende 48 dB-contour. Het betreft de afstand van de contour ten opzicht van de as van de weg. Daarnaast is voor elke weg de kortste afstand weergegeven tussen de as van de weg en de in het plan bestemde ruimte voor de recreatiewoningen.
Tabel 3.6 48 dB-contouren gezoneerde wegen
| weg | 48 dB-contour bij 1,5 m | 48 dB-contour bij 4,5 m | afstand wegas - bestemming t.b.v. recreatiewoningen | ||
| Ruisweg (maximaal) | 7,8 m | 7,6 m | 21,9 m | ||
| Hoogeweg | 12,8 m | 14,0 m | 100,0 m | ||
| Steldijk | 14,8 m | 16,4 m | 198,0 m | ||
| Stelhoekweg | 4,7 m | 3,7 m | 156,4 m | ||
Het overzicht in tabel 3.6 toont aan dat de bestemming ten behoeven van de recreatiewoningen geheel buiten de 48 dB-contouren van de relevante gezoneerde wegen ligt.
Conclusie
De geluidsbelasting zal ter plaatse van de geluidsgevoelige recreatiewoningen in 2024 minder bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Er wordt voldaan aan de wettelijke normstelling. Een verdere procedure in het kader van de Wgh is daarom niet nodig.
Voor de bestaande woningen aan de Ruisweg en de Hoogeweg geldt dat de voorkeurswaarde niet wordt overschreden. Deze woningen liggen buiten de 48 dB-contour.
Beleid
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Dit onderdeel van de Wm bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 3.7 weergegeven.
Tabel 3.7 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
| stof | toetsing van | grenswaarde | geldig | ||
| stikstofdioxide (NO2) 1) | jaargemiddelde concentratie | 60 µg/m³ | 2010 tot en met 2014 | ||
| jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | vanaf 2015 | |||
| fijn stof (PM10) 2) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | vanaf 11 juni 2011 | ||
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ | vanaf 11 juni 2011 | |||
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden, die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan), uitoefenen indien:
Besluit niet in betekenende mate (nibm)
In het Besluit nibm is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
Toetsing
Wet milieubeheer
In de verkeersparagraaf is de extra verkeersgeneratie berekend. Ten gevolge van de nieuwe functies zal de verkeersgeneratie 340 mvt/etmaal bedragen. Hierbij is uitgegaan van een worstcase vrachtverkeerpercentage van 5%. Met behulp van de nibm-tool is onderzoek gedaan of de verkeersgeneratie mogelijk een in betekende mate bijdrage levert aan de luchtkwaliteit. Uit dit onderzoek blijkt dat het extra verkeer niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Derhalve is nader onderzoek niet noodzakelijk. In figuur 3.2 is de nibm-tool weergegeven.
Figuur 3.2 Nibm-tool
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat zowel in 2011 als in 2020 voldaan wordt aan de voor dit jaar geldende normen uit de Wet Milieubeheer zoals weergegeven in figuur 3.3. Conform de resultaten van de monitoringstool blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse minder dan 35 µg/m³ bedraagt. Dit geldt zowel voor stikstofdioxide als voor het gehalte fijnstof. In de volgende afbeelding zijn de rekenpunten voor het plangebied in 2011 en 2020 weergegeven.
Figuur 3.3 Luchtkwaliteit op basis van NSL-monitoringstool
Direct langs deze wegen wordt aan de grenswaarden voldaan, dit zal ook ter plaatse van de beoogde recreatiewoningen het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van recreatiewoningen.
Beleid
Voor nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied geldt dat zij aansluiten bij het bestaande karakter van het landschap. Als algemeen uitgangspunt geldt daarom dat een nieuwe ontwikkeling zodanig in het landschap moet worden ingebed dat het als een logisch onderdeel deel uitmaakt van het landschap. Hiervoor wordt uitgegaan van een 10 m brede afschermende groengordel.
Maatwerk behoort hierdoor tot de mogelijkheden. Wanneer alternatieve maatregelen worden getroffen, dient uit de ruimtelijke onderbouwing te blijken dat de maatregelen die worden getroffen qua investering gelijkwaardig zijn aan het realiseren van een 10 m brede afschermende groengordel.
Toetsing en conclusie
Er wordt voldaan aan een goede landschappelijke inpassing. Er zijn tussen de gemeente en de initiatiefnemer afspraken gemaakt om op deze locatie maatwerk toe te passen. Deze afspraken worden, evenals de afspraken over de verevening, door middel van een overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer vastgelegd.
Voor de landschappelijke inpassing wordt verwezen naar paragraaf 2.3.
Beleid
Algemeen
Met het omgevingsplan 2006-2012 heeft de provincie een ontwikkelingsgerichte benadering geïntroduceerd, waarbij meer ontwikkelingsruimte wordt geboden in het landelijk gebied.
Hieraan is als voorwaarde verbonden dat wanneer initiatiefnemers gebruikmaken van deze ontwikkelingsruimte er tevens een investering in de omgevingskwaliteit dient plaats te vinden ter compensatie van het verlies aan ecologisch kapitaal, oftewel het principe van verevening.
Meer concreet wil het principe van verevening zeggen dat een 'rode' ontwikkeling, ter verevening van het verlies aan ecologisch kapitaal, gepaard dient te gaan met een gelijktijdige investering in de omgevingskwaliteiten, publieke voorzieningen of de ruimtelijke kwaliteit.
Met het nieuwe omgevingsplan 2012-2018 wil de provincie meer sturen op hoofdlijnen en minder op details. Daarbij zijn bovendien de geboden ontwikkelingsmogelijkheden in het landelijk gebied opnieuw bezien. Het principe van verevening is daarbij als algemeen uitgangspunt gehandhaafd. Wel dienen de spelregels aangepast te worden aan het nieuwe beleidskader. Het resultaat hiervan is verwoord in deze handreiking verevening 2012.
Recreatiewoningen
Voor verblijfsrecreatieve activiteiten geldt als uitgangspunt dat voor de uitbreiding van 1 ha verblijfsrecreatie 2 ha recreatienatuur of een gelijkwaardige investering (€ 12,80 per m² uitbreiding) in de omgevingskwaliteit wordt gerealiseerd.
Binnen een verblijfsrecreatieve bestemming kan echter een breed scala aan activiteiten worden gerealiseerd, die niet allemaal op eenzelfde wijze kunnen worden benaderd. Bovendien vormt de economische uitvoerbaarheid bij verblijfsrecreatieve initiatieven een belangrijk aspect bij het geleverde maatwerk en kan er onderscheid gemaakt worden tussen initiatieven die zijn gesitueerd in de kustzone of in het achterland.
Voor het realiseren van recreatiewoningen in het achterland wordt daarom een bedrag van € 1.000,- per recreatiewoning gerekend.
De vereveningsbijdrage dient aangewend te worden ten behoeve van een investering in de omgevingskwaliteit. Daarbij moet het in alle gevallen gaan om een fysiekruimtelijke ontwikkeling die zoveel mogelijk een directe relatie heeft met het initiatief of project. Deze relatie kan gelegd worden op individueel initiatiefniveau, op projectniveau of op gebiedsniveau. Op basis van kengetallen kan berekend worden of een initiatief kan voldoen aan het vereveningsprincipe.
Toetsing
Artikel 19-procedure
Vereveningsopgave
Zoals eerder aangegeven is in 2009 een ruimtelijke procedure doorlopen voor het realiseren van een kampeerterrein op de gronden. De vereveningsopgave was ook hier een van de toetsingsaspecten. Op basis van de Handreiking Verevening (versie 30 oktober 2007) is uitgekomen op de volgende vereveningsopgave.
Tabel. 3.8 Vereveningsopgave artikel 19-procedure (Handreiking Verevening, versie 30 oktober 2007)
| omvang: | totaal 13 ha, waarvan camping circa 8 ha | totaal | ||||||
| aantal plaatsen: | 250 standplaatsen groepsaccommodatie (verblijf 60 personen) afzonderlijke ruimte groepsaccommodatie 18 cottages |
|||||||
| standplaatsgrootte: | vaste 180 m² netto toeristisch 150/120 m² netto |
|||||||
| wettelijke vereisten: | Het is een nieuwe camping. | |||||||
| investeringen in omgevingskwaliteit: | Er worden diverse investeringen in de omgevingskwaliteit voorgesteld waaronder: renovatie schuur en varkenshok, aanleg hoogstam boomgaard en struweel op dijkpercelen. | |||||||
| vereveningsopgave |
Toeristische standplaats € 4.000,- per ha (dichtheid 33 per ha): Toeristische standplaatsen (dichtheid 33 per ha): 131 standplaatsen = 4,06 ha x € 4.000* Stacaravan € 17.000,- per ha. 119 standplaatsen = 3,06 ha x € 17.000* Cottages 18 cottages = 0,54 x 17.000 Groepsaccommodatie (verblijf 60 personen) afzonderlijke ruimte groepsaccommodatie |
€ 16.200,- € 52.020,- € 9.300,- € 8.000,- € 8.000,- € 93.520,- |
||||||
* Vereveningsbijdrage, bijlage 1 toelichting Handreiking Verevening, provincie Zeeland 15 januari 2008.
Vereveningsmaatregel
Bij de toenmalige ontwikkeling is rekening gehouden met een vereveningsbijdrage die gebaseerd is op het reeds gerealiseerd recreatiebedrijf en de huidige uitbreiding maar dan als kampeerterrein. De vereveningsbijdrage kan vorm worden gegeven door de investeringen in de omgevingskwaliteit en het realiseren van publieke voorzieningen. Voor het recreatiebedrijf zijn de volgende vereveningsmaatregelen van toepassing.
In het overzicht (tabel 3.9) zijn de vereveningsmaatregelen die De Stelhoeve betreffen, weergegeven. De vereveningsmaatregelen zijn in een overeenkomst met de initiatiefnemer en de gemeente Kapelle vastgelegd.
Tabel 3.9 Vereveningsmaatregelen
| mogelijke vereveningsmaatregel | vereveningsbijdrage | ||
| per hectare | totaal | ||
| hoogstam boomgaard en struweel (4 ha) | € 30.000,- | € 120.000,- | |
| grondkosten Hoogstam boomgaard en struweel (4 ha) | € 34.000,- | € 132.000,- | |
| groepsaccommodatie en varkensschuur | € 178.500,- | ||
| planvoorbereidingskosten | € 2.500,- | ||
| totaal | € 433.500,- | ||
Beoogde ontwikkeling
Vereveningsopgave
Tabel 3.10 Vereveningsopgave
| omvang | totaal circa 7 ha | totaal | |
| aantal recreatiewoningen | 120 recreatiewoningen met bijbehorende centrale voorzieningen | ||
| wettelijke vereisten | |||
| investering in omgevingskwaliteit | Er zijn bij de eerder doorlopen planologische procedure de volgende investeringen in de omgevingskwaliteit voorgesteld: - renovatie schuur en varkenshok - aanleg hoogstam boomgaard en struweel op dijkpercelen. * grotendeels zijn deze investering en al uitgevoerd |
||
| vereveningsopgave | € 1.000,- per recreatiewoning. | € 120.000,- | |
De vereveningsbijdrage is € 120.000,-. Dit is € 26.480,- meer dan de eerder aangegeven vereveningsbijdrage voor de artikel 19-procedure.
Vereveningsmaateregelen
De in tabel 3.9 aangegeven vereveningsmaatregelen bedraagt € 433.500,-. Dit bedrag is gebaseerd op het reeds gerealiseerde recreatiebedrijf en het huidige plangebied.
Conclusie
De verplichte vereveningsbijdrage op basis van de Handreiking Verevening bedraagt € 120.000,-. De totale vereveningsmaatregelen die worden geïnvesteerd bedraagt € 433.500,-. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de vereveningsopgave.
Algemeen
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken voor het bestemmingsplan. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de regels en het renvooi.
Digitaal
Op de gemeentelijke website of www.ruimtelijkeplannen.nl kunnen de digitale bestemmingsplannen worden bekeken. Bij raadpleging van het digitale bestemmingsplan wordt de gebruiker bij het aanklikken van de percelen op een beeldscherm vanzelf naar de relevante delen van het bestemmingsplan 'doorverwezen'.
Analoog
Ondergrond
Op de verbeelding is in de ondergrond de bestaande situatie (bebouwing en kadastrale eigendomsgrenzen) weergegeven. Daarbij is gebruikgemaakt van een zo actueel mogelijk digitaal bestand. Op deze ondergrond zijn vlakken getekend waarin door middel van hoofdletters (bijvoorbeeld R-VR) is aangegeven welke bestemming ter plaatse zal gaan gelden.
Bestemmingen
De bestemmingen zijn in dit bestemmingsplan met een hoofdletter (bijvoorbeeld R-VR) aangeduid. De 'bestemmingen' corresponderen met afzonderlijke artikelen in hoofdstuk 2 (Bestemmingsregels). In het renvooi is daarbij dezelfde volgorde aangehouden als in het betreffende hoofdstuk.
Aanduidingen en renvooi (analoog plan)
De beoogde goot- en bouwhoogte is op de verbeelding opgenomen en in de regels vertaald. De betekenis van alle aanduidingen (cijfers en letters) wordt verklaard in het renvooi, een overzicht met verklaring van de aanduidingen op de verbeelding. Dit renvooi is voor zover nodig en wat betreft de aanduidingen opgesplitst in bouwaanduidingen, bouwvlak en maatvoeringsaanduidingen.
Leeswijzer
Voor een beoordeling van alle bouw- en gebruiksmogelijkheden ter plaatse van een perceel dient derhalve de op de verbeelding aangebrachte aanduiding te worden bekeken, het renvooi te worden geraadpleegd voor het kiezen van het juiste bestemmingsartikel in de regels, waarna het bijbehorende artikel dient te worden gelezen. Deze volgorde is de meest doelmatige om inzicht te krijgen in de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt voor het gebruik van en bebouwing op een perceel.
De regels bevatten bepalingen omtrent het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of nog op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in hoofdstukken:
In het hoofdstuk Bestemmingsregels zijn regels opgenomen betreffende de bestemmingen en de aanduidingen. Bij de opzet van deze regels is een alfabetische volgorde gehanteerd alsmede een standaardvolgorde zoals opgenomen in SVBP2012.
In dit bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor:
Deze bestemming is opgenomen voor de agrarische gronden ten westen van de Ruisweg 3. Op deze gronden is het uitsluitend toegestaan om hier hobbymatig dieren te houden.
De gronden waarop de landschappelijke inpassing is beoogd zijn bestemd tot Groen. Door middel van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is de instandhouding van de landschappelijke inpassing gewaarborgd.
De aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing' is opgenomen om deze te waarborgen. Voor het realiseren van een grondwal is de aanduiding 'geluidswal' opgenomen.
Bebouwing, anders dan bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, zijn niet toegestaan.
Artikel 5 Recreatie - Verblijfsrecreatie
Functies
Voor het regelen van de beoogde uitbreiding van het recreatiebedrijf is de bestemming Recreatie - Verblijfsrecreatie opgenomen. In deze bestemming zijn recreatiewoningen toegestaan alsook gebouwen ten behoeve van beheer en onderhoud en centrale voorzieningen zoals een receptie.
Bouwregels
Zowel de recreatiewoningen als de gebouwen voor centrale voorzieningen zijn alleen toegestaan binnen het bouwvlak. Hierin is het aan de ondernemer om te bepalen waar deze gerealiseerd worden.
In een tabel zijn de aantal, hoogte- en inhoud/oppervlaktematen voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, weergegeven.
Specifieke gebruiksregels
In de specifieke gebruiksregels zijn een aantal aspecten specifiek geregeld. Waaronder het niet toestaan van:
De waterlopen zijn als zodanig bestemd.
Artikel 7 Waarde - Archeologie 4
Ter bescherming van de archeologische waarden is een dubbelbestemming Waarde - Archeologie 4 opgenomen.
Artikel 8 Waterstaat - Waterkering
De bestemming Waterstaat - Waterkering is opgenomen ter bescherming van de waterkerende functie.
Artikel 9 Anti-dubbeltelbepaling
Artikel 9 bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) bouwvlakken van eigenaar wisselen.
Artikel 10 Algemene bouwregels
Met de regels over bestaande maten wordt voorkomen dat bestaande situaties die afwijken van de maatvoering ingevolge hoofdstuk 2 – onbedoeld – geheel of gedeeltelijk onder het overgangsrecht vallen.
Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak (3 augustus 2005) blijkt dat deze algemene bepaling aanvaardbaar is. Een gedetailleerde inventarisatie en individuele beoordeling van afwijkingen zijn niet nodig. Het is ook onjuist ervan uit te gaan dat hiervoor separate bouwvoorschriften nodig zijn. Essentieel is dat het gaat om bevestiging van bestaande, afwijkende situaties, zodat bij beoordeling van bouwaanvragen direct duidelijk is welke maat bepalend is: namelijk de bestaande maat. Hiermee ligt objectief de strekking van de bepaling vast. Daar waar daadwerkelijk andere situaties worden nagestreefd, is dit door andere bestemmingen of bouwbepalingen vastgelegd. Dit komt overigens in dit bestemmingsplan niet voor. In de bepaling is nadrukkelijk vastgelegd dat op de bedoelde bestaande afwijkingen het overgangsrecht niet van toepassing is. Onder de oppervlaktematen valt ook het bebouwingspercentage.
Artikel 11 Algemene aanduidingsregels
Het terrein ligt gedeeltelijk in het gebied dat beschermd dient te worden als Vrijwaringszone - Dijk. Deze regeling volgt vanuit de beschermingsbepalingen uit het Barro (nationale regelgeving betreffende onder meer de bescherming van waterkeringen).
Artikel 12 Algemene afwijkingsregels
Voor een aantal, ondergeschikte, afwijkingen van bouwen en/of gebruik ten opzichte van de regels kunnen burgemeester en wethouders met dit artikel hiervan afwijken.
Artikel 13 Algemene wijzigingsregels
In het eerste lid is een algemene flexibiliteitsregel opgenomen om voor bepaalde onderdelen van bestemmingen of gebouwen dan wel bouwwerken af te wijken van de bestemmingsgrenzen. Overigens geldt ook hier dat deze regels als algemene regel gelden voor alle bestemmingen.
In lid 1 en 2 van dit artikel is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. Lid 1 onder a geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om desondanks af te wijken van de regels voor het strijdige gebruik of bouwwerk, mits de afwijking niet meer dan 10% bedraagt.
Dit bestemmingsplan wordt als genoemd in dit artikel aangehaald.
In de Wro is de Grondexploitatiewet opgenomen. In deze wet is het verplichte kostenverhaal van plankosten door de gemeente geregeld. De gemeente legt dit kostenverhaal vast in een exploitatieplan. Kostenverhaal is aan de orde en dient te worden verzekerd indien op grond van een bestemmingsplan rechtstreeks nieuwe bouwplannen (als genoemd in artikel 6.2.1 Bro) mogelijk worden gemaakt (artikel 6.2.3 t/m 6.2.5 Bro). Voor een wijzigingsbevoegdheid wordt kostenverhaal pas verplicht bij het vaststellen van het wijzigingsplan. Een exploitatieplan hoeft niet te worden vastgesteld indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld doordat met alle grondeigenaren hiertoe een overeenkomst is gesloten of als de gemeente volledig zelf het grondeigendom heeft.
De ontwikkeling van de locaties betreft een particulier initiatief. Voor de ontwikkeling is tussen de initiatiefnemer en de gemeente een exploitatieovereenkomst gesloten waarin de (financiële) afspraken over de ontwikkeling zijn vastgelegd.
De financieel-economische haalbaarheid is hiermee voldoende verzekerd en er kan worden afgezien van het opstellen van een exploitatieplan.
Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient inzicht te worden gegeven in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het gaat daarbij zowel om de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de planvoorbereiding zijn betrokken als om de resultaten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro. Het zienswijzen rapport is toegevoegd in bijlage 8.