direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Woningbouw locatie Schuitweg 's-Gravenpolder
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0654.TAMOPGPSW2026-0001

Regels

Preambule

Dit TAM-IMRO omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de woningbouwontwikkeling op de percelen aan weerszijden van de Schuitweg, aan de westzijde van de kern 's-Gravenpolder en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22g) van het omgevingsplan van de gemeente Borsele. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

Het in deze wijziging uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22g van het omgevingsplan van de gemeente Borsele. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet, na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer, '22g' gelezen worden. De bijlage bij de in deze voorziening weergegeven hoofstukken moet gelezen worden als onderdeel van Bijlage 22g bij het omgevingsplan van de gemeente Borsele.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • e. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid;
  • f. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 en afdeling 22.3, zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk;
  • g. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de woningbouwlocatie “TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Woningbouw locatie Schuitweg 's-Gravenpolder”, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0654.TAMOPGPSW2026-0001, zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 Van toepassing verklaring

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22g (betreft dit plan), tenzij daarvan is afgeweken in artikel 2.

In aanvulling op het bepaalde in artikel 2.1 gelden voor hoofdstuk 22g aanvullende de volgende begripsbepalingen:

2.2 plan

het omgevingsplan van de gemeente Borsele;

2.3 TAM-omgevingsplan

het TAM-omgevingsplan “TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Woningbouw locatie Schuitweg 's-Gravenpolder” met identificatienummer NL.IMRO.0654.TAMOPGPSW2026-0001 van de gemeente Borsele;

2.4 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

2.5 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

2.6 aaneengebouwd

blok van meer dan twee aaneengebouwde hoofdgebouwen;

2.7 aan- of uitbouw

een uit de gevel springend, in architectonisch opzicht, ondergeschikt deel van een hoofdgebouw dat door haar indeling en inrichting hoofdzakelijk wordt gebruikt ten behoeve van het hoofdgebouw;

2.8 achtererf

gedeelte van het erf dat gelegen is achter de achtergevelrooilijn;

2.9 achtergevel

de meest van de wegzijde afgekeerde gevel van een gebouw;

2.10 achtergevellijn

denkbeeldige lijn die strak loopt langs de achtergevel van een gebouw tot aan de zijdelingse perceelsgrenzen;

2.11 achtergevelrooilijn

denkbeeldige lijn die gelegen is op de helft van de afstand tussen de voorgevel van een hoofdgebouw en de achtergrens van het bouwperceel met een maximum van 15 meter achter de voorgevel;

2.12 afgewerkt bouwterrein

de gemiddelde hoogte van de grond die gebouwen of bouwwerken geen gebouwen zijnde, omringt;

2.13 archeologisch deskundige

de gemeentelijke archeoloog dan wel een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige of commissie van deskundigen op het gebied van archeologie;

2.14 archeologisch onderzoek

onderzoek verricht door of namens de gemeente, door een dienst, bedrijf of instelling erkend door de Rijksdienst van het Cultureel Erfgoed (RCE) en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA);

2.15 archeologische verwachting

de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op in dat gebied voorkomende archeologische sporen en relicten;

2.16 archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied aanwezige archeologische sporen en relicten;

2.17 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

2.18 bebouwingspercentage

een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage dat de grootte van het deel van een maatvoeringsvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;

2.19 bedrijfsmatig gebruik van een woning

het gebruik van (een gedeelte van) een woning en/of een daarbij behorend(e) aanbouw, uitbouw of bijgebouw voor het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid. Dit bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid is, in tegenstelling tot een beroepsmatig gebruik van een woning, gericht op consumentenverzorging geheel of overwegend door middel van handwerk;

2.20 beroepsmatig gebruik van een woning

het gebruik van (een gedeelte van) een woning en/of een daarbij behorend(e) aanbouw, uitbouw of bijgebouw voor een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, lichaamsverzorgend, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied;

2.21 bijgebouw

een aan het hoofdgebouw gebouwd of daarvan vrijstaand gebouw dat ten dienste staat van het hoofdgebouw en door zijn ligging, constructie of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

2.22 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

2.23 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

2.24 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

2.25 bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel;

2.26 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan;

2.27 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

2.28 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, hieronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan diegenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

2.29 erf

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat hoofdgebouw;

2.30 gebouw

elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

2.31 gevellijn

zie voorgevellijn;

2.32 hoofdgebouw

een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de functie als belangrijkste gebouw valt aan te merken;

2.33 locatie

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde activiteiten, al dan niet onder voorwaarden, zijn toegelaten;

2.34 locatiegrens

de grens van een locatie;

2.35 logies met ontbijt

het verhuren van één of meerdere kamers in een woning en/of aangebouwd bijgebouw en het aanbieden van een ontbijt, waarbij de woonfunctie in overwegende mate in stand blijft;

2.36 maatvoeringsvlak

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar een bepaalde maatvoering geldt;

2.37 nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van openbaar nut;

2.38 peil
  • de kruin van de weg indien de afstand tussen het bouwwerk en de kant van de weg minder dan 5,00 meter bedraagt;
  • bij ligging in het water: het gemiddelde zomerpeil van het aangrenzende water;
  • in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte bouwterrein;
2.39 samenhangend straat- en bebouwingsbeeld
  • 1. een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte;
  • 2. een goede hoogte-/breedteverhouding tussen de bebouwing onderling;
  • 3. een samenhang in bouwvorm/architectonisch beeld tussen bebouwing die ruimtelijk op elkaar georiënteerd is;
  • 4. de cultuurhistorische samenhang van de omgeving;
2.40 tuin-/erfafscheiding

bouwwerk geen gebouw zijnde, ter afbakening van eigendommen;

2.41 voorerf

gedeelte van het erf dat aan de gelegen is voor de voorgevellijn;

2.42 voorgevel

gedeelte van het erf dat aan de gelegen is voor de voorgevellijn;

2.43 voorgevellijn

denkbeeldige of op de verbeelding aangegeven lijn die strak langs de voorgevel van een hoofdgebouw loopt tot aan de zijdelingse bouwperceelgrenzen;

2.44 vrijstaand

een gebouw zonder gemeenschappelijke wand met een andere gebouw;

2.45 woning

een gebouw dat dient voor de huisvesting van personen;

2.46 zijerf

gedeelte van het erf dat begrensd wordt door de zijgevellijn van het hoofdgebouw, de voorgevellijn en de achtergevelrooilijn;

2.47 zijgevel

een gevel van een gebouw die niet een voorgevel of een achtergevel is;

2.48 zijgevellijn

(denkbeeldige) lijn die strak loopt langs de zijgevel van een gebouw tot aan de voorste en achterste bouwperceelgrens.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

In aanvulling of afwijking van artikel 22.24 van het omgevingsplan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

3.1 afstanden

van bouwwerken onderling, alsmede afstanden van bouwwerken tot de bouwperceelgrens, worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn;

3.2 afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens

vanaf het dichtst bij de bouwperceelgrens gelegen punt van het gebouw en haaks op de bouwperceelgrens;

3.3 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.4 de breedte en diepte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of tot het hart van de scheidingsmuren, met dien verstande dat wanneer de betreffende gevelvlakken niet evenwijdig lopen of verspringen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste maat;

3.5 de dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

3.6 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

3.7 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

3.8 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

3.9 het bebouwde oppervlak

van een bouwperceel of een ander terrein wordt bepaald door de oppervlakten van alle op een terrein gelegen gebouwen bij elkaar op te tellen, tenzij in de regels anders is bepaald;

3.10 het bewoonbaar vloeroppervlak

binnen de afgewerkte omtrekwanden (in voorkomende gevallen binnen de balustrade) onder aftrek van de in de ruimte inspringende onderdelen van het gebouw als schoorsteenstoelen, kanalen en kasten, maar zonder aftrek van plinten en vast meubilair als aanrechten en verwarmingslichamen; vloeroppervlak waarboven minder dan 1,5 meter hoogte aanwezig is, wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.

Artikel 4 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, of diens rechtsopvolger in het definitieve omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Artikel 5 Doelen

De regels in hoofdstuk 22g zijn gericht op de volgende doelen:

  • a. het voorzien in voldoende woonruimte volgens het gemeentelijk woonbeleid;
  • b. het bereiken van een goede stedenbouwkundige en beeldkwaliteit;
  • c. het beschermen van landschappelijke en natuurlijke waarden;
  • d. een gezonde en veilige woon- en leefomgeving;
  • e. het beschermen tegen gevolgen van hevige neerslag, langdurige droogte, hittestress en overstroming;
  • f. het bereiken van een energiebewust gebouwde omgeving;
  • g. het benutten van locaties en bouwwerken.

Artikel 6 Oogmerk

De regels in hoofdstuk 22g van dit omgevingsplan zijn gesteld met het oog op de ontwikkeling en instandhouding van een stedenbouwkundig en qua beeldkwaliteit hoogwaardig woongebied met in totaal maximaal dertien grondgebonden woningen.

Artikel 7 Specifieke zorgplicht

Degene die een activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende titel, afdeling of paragraaf zijn gesteld, is verplicht:

  • a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
  • c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Hoofdstuk 2 Regels over functies en activiteiten

Artikel 8 Groen

8.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen voor 'Groen'.

8.2 Functieomschrijving

Gronden waar groen is toegestaan, mogen worden gebruikt en ingericht ten dienste van:

  • a. plantsoen, bermstroken, bermsloten, waterpartijen, paden, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, verhardingen, straatmeubilair, afvalverzamelvoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbaar nut, geluidwerende voorzieningen en andere tot de functie behorende groenvoorzieningen.

8.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
8.3.1 Toepassingsbereik

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 (binnenplanse omgevingsplan bouwactiviteit algemeen) of diens rechtsopvolger in het definitieve omgevingsplan gelden de in dit artikel opgenomen beoordelingsregels.

8.3.2 Algemene beoordelingsregels bouwactiviteiten

Op deze gronden mogen, met inachtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, uitsluitend ten dienste van de in lid 8.2 genoemde functie worden gebouwd:

  • a. gebouwen;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

8.3.3 Beoordelingsregels voor het bouwen van gebouwen

Voor het bouwen van een gebouw gelden de navolgende beoordelingsregels:

  • a. de oppervlakte van gebouwen bedraagt maximaal 15 m²;
  • b. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt maximaal 3,5 meter;
  • c. de afstand tot het locatiegrens bedraagt minimaal 5 meter.

8.3.4 Beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de navolgende beoordelingsregels: de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal:

  • a. antennes: 5 meter;
  • b. speeltoestellen: 4 meter;
  • c. openbare nutsvoorzieningen: 3,5 meter;
  • d. lichtmasten en overige masten: 8 meter;
  • e. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 2 meter.

8.4 Afwijken beoordelingsregels bouwactiviteiten
8.4.1 Afwijkende bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in afwijking van het bepaalde in artikel 8.3.4 sub a een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen tot een hoogte van maximaal 10 meter, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • 1. De samenhang in het straat- en bebouwingsbeeld;
  • 2. De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.

Artikel 9 Verkeer

9.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen voor 'Verkeer'.

9.2 Functieomschrijving

Gronden waar verkeer is toegestaan, mogen worden gebruikt en ingericht ten dienste van:

  • a. verhardingen, wegen, straten, voet- en fietspaden, rabatten, parkeerterreinen, speelvoorzieningen, straatmeubilair, afvalverzamelvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van het openbare nut.

9.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
9.3.1 Toepassingsbereik

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 (binnenplanse omgevingsplan bouwactiviteit algemeen) of diens rechtsopvolger in het definitieve omgevingsplan gelden de in dit artikel opgenomen beoordelingsregels.

9.3.2 Algemene beoordelingsregels bouwactiviteiten

Op deze gronden mogen, met inachtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, uitsluitend ten dienste van de in lid 9.2 genoemde functie worden gebouwd:

  • a. gebouwen;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

9.3.3 Beoordelingsregels voor het bouwen van gebouwen

Voor het bouwen van een gebouw gelden de navolgende beoordelingsregels:

  • a. de oppervlakte van gebouwen bedraagt maximaal 15 m²;
  • b. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt maximaal 3,5 meter. Indien een dakhelling wordt toegepast bedraagt de helling minimaal 30°;
  • c. de afstand tot de locatiegrens bedraagt minimaal 5 meter.

9.3.4 Beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de navolgende beoordelingsregels: de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal:

  • a. antennes: 5 meter;
  • b. speeltoestellen: 4 meter;
  • c. openbare nutsvoorzieningen: 3,5 meter;
  • d. lichtmasten en overige masten: 8 meter;
  • e. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 2 meter.

9.4 Afwijken beoordelingsregels bouwactiviteiten
9.4.1 Afwijkende bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in afwijking van het bepaalde in artikel 9.3.4 sub a een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen tot een hoogte van maximaal 10 meter, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • 1. De samenhang in het straat- en bebouwingsbeeld;
  • 2. De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.

Artikel 10 Wonen

10.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen voor 'Wonen'.

10.2 Functieomschrijving

Gronden waar wonen is toegestaan mogen worden gebruikt en ingericht ten dienste van:

  • a. de huisvesting van personen;
  • b. tuinen, erven, paden, verhardingen, parkeervoorzieningen en andere voorzieningen ten dienste van de functie.

10.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
10.3.1 Toepassingsbereik

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 (binnenplanse omgevingsplan bouwactiviteit algemeen) of diens rechtsopvolger in het definitieve omgevingsplan gelden de in dit artikel opgenomen beoordelingsregels.

10.3.2 Algemene beoordelingsregels bouwactiviteiten

Op deze gronden mogen, met inachtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, uitsluitend ten dienste van de in lid 10.2 genoemde functie worden gebouwd:

  • a. hoofdgebouwen;
  • b. aan- en uitbouwen en bijgebouwen;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

10.3.3 Beoordelingsregels voor het bouwen van hoofdgebouwen

Voor het bouwen van een hoofdgebouw gelden de navolgende beoordelingsregels:

  • a. de hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden opgericht;
  • b. ter plaatse van het bouwvlak met de aanduiding “vrijstaand” mogen uitsluitend maximaal vier vrijstaande woningen worden gebouwd;
  • c. ter plaatse van het bouwvlak met de aanduiding “aaneengebouwd” mogen uitsluitend maximaal negen aaneengebouwde woningen worden gebouwd;
  • d. hoofdgebouwen worden met de voorgevel gebouwd in de op de verbeelding aangegeven voorgevellijn;
  • e. de breedte van een hoofdgebouw – een aangebouwd bijgebouw, aan- en uitbouw als genoemd in artikel 10.3.2 sub b niet meegerekend – zal minimaal bedragen binnen de bouwvlakken met de bouwaanduiding:
  • “aaneengebouwd” 4,80 meter;
  • “vrijstaand” 6 meter.
  • f. de afstand tussen de hoofdgebouwen en de zijdelingse bouwperceelgrens zal minimaal bedragen binnen de bouwvlakken met de bouwaanduiding:
  • “aaneengebouwd” niet van toepassing;
  • “vrijstaand” 3 meter.
  • g. de goot- en bouwhoogte van de hoofdgebouwen bedraagt maximaal de op de verbeelding aangegeven maat;
  • h. hoofdgebouwen moeten met een dakhelling worden uitgevoerd, waarbij de dakhelling zal bedragen binnen de bouwvlakken met de bouwaanduiding:
  • “aaneengebouwd” minimaal 40° en maximaal 50°;
  • “vrijstaand” minimaal 45° en maximaal 55°.
  • i. de achtergevel mag de achtergevelrooilijn niet overschrijden;
  • j. in afwijking van het bepaalde in 10.3.3, sub i mag ter plaatse van de aanduiding “specifieke bouwaanduiding-bouwdiepte” de afstand tussen de voorgevellijn en de achtergevelrooilijn worden overschreden met dien verstande dat deze afstand nooit meer bedraagt dan 12 meter.

10.3.4 Beoordelingsregels voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen

Voor het bouwen van een aan-/uitbouw en bijgebouw bij een hoofdgebouw gelden de navolgende beoordelingsregels:

  • a. aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden opgericht;
  • b. in afwijking van het bepaalde in artikel 10.3.4 sub a mogen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' uitsluitend bijgebouwen worden opgericht;
  • c. de bebouwde oppervlakte van het achtererf mag maximaal 50% bedragen met een maximum van 40 m²;
  • d. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag maximaal 3,25 meter en de bouwhoogte maximaal 7 meter bedragen. Indien een dakhelling wordt toegepast bedraagt de helling minimaal 10°;
  • e. de afstand tussen aan- en uitbouwen en bijgebouwen en de zijdelingse bouwperceelgrens zal minimaal bedragen binnen de bouwvlakken met de bouwaanduiding:
  • “aaneengebouwd” niet van toepassing;
  • “vrijstaand” 1 meter.
  • f. aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend minimaal 3 meter achter de voorgevellijn worden gebouwd;
  • g. aan- en uitbouwen mogen bij vrijstaande woningen uitsluitend aan één zijgevel worden aangebouwd.

10.3.5 Beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bij hoofdgebouwen gelden de navolgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal:
  • voor leilindeframes 4 meter;
  • voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 2 meter.
  • b. in afwijking van sub a bedraagt de bouwhoogte van een tuin- of erfafscheiding, die gebouwd wordt voor (het verlengde van) de voorgevellijn, alsmede binnen 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevellijn, maximaal 1 meter.

10.4 Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten
10.4.1 Beoordeling uiterlijk van bouwwerken (welstand) c.q. locatiegebonden beeldkwaliteitsplan
  • a. In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29, lid 1, sub b, van de regels van dit omgevingsplan (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwwerken) of diens rechtsopvolger wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 (omgevingsplanactiviteit bouwwerk) alleen verleend, als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van het beeldkwaliteitsplan 'Woningbouw locatie Schuitweg 's-Gravenpolder', zoals vastgesteld door de gemeenteraad, dan wel diens rechtsopvolger;
  • b. Bij de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken onder a. gaat het zowel om het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan;
  • c. In geval van strijdigheid tussen de regels zoals bepaald in artikel 22.29, lid 1, sub b en het beeldkwaliteitsplan, prevaleren de regels uit het beeldkwaliteitsplan, dan wel diens rechtsopvolger;
  • d. De beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken onder a. is niet vereist voor een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is.

10.4.2 Parkeren
  • a. Per vrijstaande woning dient op eigen terrein in twee parkeerplaatsen te worden voorzien (een garage mag voor maximaal 0,4 parkeerplaats worden meegerekend);
  • b. Parkeergelegenheid die is gerealiseerd om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid dient in stand te worden gehouden.

10.5 Specifieke functieregels (specifieke beoordelingsregels gebruiksactiviteiten)
10.5.1 Verboden gebruiksactiviteiten

Tot verboden gebruiksactiviteiten wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor de huisvesting van personen;
  • b. het gebruik van gronden voor windturbines.

10.6 Afwijken beoordelingsregels bouwactiviteiten
10.6.1 Afwijken beoordelingsregels bouwactiviteiten

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van het bepaalde in:

  • a. artikel 10.3.3 sub d voor het oprichten van een deel van de voorgevel achter de op de kaart aangegeven voorgevellijn, mits tenminste 50% van de totale voorgevelbreedte van het hoofdgebouw wel in de op de kaart aangegeven voorgevellijn wordt gebouwd;
  • b. artikel 10.3.3 sub f voor een kortere afstand tot minimaal 1 meter van de zijdelingse perceelsgrens;
  • c. artikel 10.3.3 sub g mits deze maat met maximaal 1 meter wordt overschreden;
  • d. artikel 10.3.4 sub e voor een kortere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens;
  • e. artikel 10.3.5 sub a tot een hoogte van maximaal 10 meter;

mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • 1. De samenhang in het straat- en bebouwingsbeeld;
  • 2. De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.

10.7 Afwijken beoordelingsregels gebruiksactiviteiten
10.7.1 Detailhandelsactiviteiten, beroepsmatige en/of bedrijfsmatige activiteiten

Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het bepaalde in artikel 10.2 en een vergunning verlenen om:

  • a. een woning en/of bij de woning behorende bijgebouwen voor de uitoefening van detailhandel in beroepsmatig en/of bedrijfsmatig te gebruiken, met dien verstande dat bedoeld gebruik geen onevenredige hinder voor het woonmilieu mag opleveren en geen onevenredige afbreuk mag doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt;
  • b. De vergunning wordt verleend als:
    • 1. de woning blijft voldoen aan het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);
    • 2. het gebruik een kleinschalig karakter heeft en zal behouden en naar aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming is. Dat wil zeggen dat van de vloeroppervlakte van de woning en bijgebouwen gezamenlijk maximaal 40 m² ten behoeve van detailhandel, beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten in gebruik mag zijn;
    • 3. het geen vergunningplichtige (aspect milieu) of meldingsplichtige activiteiten op grond van de Omgevingswet of Wet milieubeheer betreft, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
    • 4. het gebruik de woonfunctie ondersteunt, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in de woning of bijgebouw uitvoert, tevens bewoner van de woning is;
    • 5. er geen verkeersaantrekkende activiteiten plaatsvinden die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte.

10.7.2 Logies en ontbijt

Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het bepaalde in artikel 10.2 en een vergunning verlenen om:

  • a. een woning en/of bij de woning behorende bijgebouwen voor het verstrekken van logies met ontbijt te gebruiken, met dien verstande dat bedoeld gebruik geen onevenredige hinder voor het woonmilieu mag opleveren en geen onevenredige afbreuk mag doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt;
  • b. De vergunning wordt verleend als:
    • 1. de woning blijft voldoen aan het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);
    • 2. het gebruik een kleinschalig karakter heeft en zal behouden en naar aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming is. Dat wil zeggen dat van de vloeroppervlakte van de woning en bijgebouwen gezamenlijk maximaal 40 m² ten behoeve van de logies met ontbijt in gebruik mag zijn;
    • 3. het geen vergunningplichtige (aspect milieu) of meldingsplichtige activiteiten op grond van de Omgevingswet of Wet milieubeheer betreft, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
    • 4. het gebruik de woonfunctie ondersteunt, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in de woning of bijgebouw uitvoert, tevens bewoner van de woning is;
    • 5. er geen verkeersaantrekkende activiteiten plaatsvinden die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte.

Artikel 11 Waarde – Archeologie – 1

11.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen voor 'Waarde - Archeologie - 1'.

11.2 Functieomschrijving

De voor “Waarde – Archeologie – 1” aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar geldende functies, mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van de ter plaatse in de grond aanwezige of verwachte archeologische waarden, waarbij geldt dat de functie “Waarde – Archeologie – 1” prevaleert boven de andere aldaar geldende functie(s).

11.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
11.3.1 Algemene beoordelingsregels bouwactiviteiten

Op deze gronden mogen worden gebouwd:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitsluitend ten dienste van de in lid 11.1 genoemde functie;
  • b. bouwwerken ten dienste van de andere aldaar geldende functie(s), uitsluitend onder voorwaarde van het bepaalde in lid 11.3.3 en 11.4.

11.3.2 Beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd met inachtneming van de volgende regel:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt maximaal 2 meter.

11.3.3 Beoordelingsregels voor bouwwerken ten dienste van de andere aldaar geldende functie(s)

Met betrekking tot het bouwen van bouwwerken ten dienste van de andere aldaar geldende functie(s) gelden, met inachtneming van de voor de betreffende functie(s) geldende beoordelingsregels bouwactiviteiten, de volgende regels:

  • a. reeds bestaande bouwwerken mogen worden vernieuwd of veranderd, mits de bestaande oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het maaiveld, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de locatie en maat van de bestaande fundering;
  • b. er mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd of uitgebreid, indien de oppervlakte van de bodemverstoring niet groter is dan 50 m² of de bodem tot maximaal 40 cm onder maaiveld wordt geroerd.

11.4 Afwijken beoordelingsregels bouwactiviteiten
11.4.1 Afwijken beoordelingsregels bouwactiviteiten

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van het bepaalde in:

  • a. lid 11.3.2, sub a tot een bouwhoogte van maximaal 10 meter;
  • b. lid 11.3.3, sub b tot voor het bouwen of uitbreiden van bouwwerken, waarbij de oppervlakte van de bodemverstoring groter is of de bodem dieper geroerd wordt dan de aangegeven maximale maat, indien:
    • 1. burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van een archeologisch deskundige, waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken gronden niet nodig is; of
    • 2. op basis van archeologisch onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport, is vastgesteld dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn of de aanwezige behoudenswaardige archeologische waarden hierdoor niet onevenredig worden geschaad; of
    • 3. het rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria, zoals verwoord in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).

11.4.2 Procedureregel

Burgemeester en wethouders winnen ter beoordeling van het rapport, zoals bedoeld in lid 11.4.1, sub b, onder 2 schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.

11.4.3 Verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen

Voor zover het oprichten van een bouwwerk, waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen nodig is als bedoeld in lid 11.4.1, sub b, kan leiden tot een onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin, kunnen burgemeester en wethouders aan de vergunning voor de activiteit bouwen één, of een combinatie, van de volgende voorschriften verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in de Erfgoedwet;
  • c. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

11.5 Specifieke functieregels (specifieke beoordelingsregels gebruiksactiviteiten)
11.5.1 Verboden gebruiksactiviteiten

Tot het verboden gebruiksactiviteiten als bedoeld in artikel 5.1, lid 1, onder a Omgevingswet wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van gronden als opslagplaats voor bagger en grondspecie.

11.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.6.1 Beoordelingsregels over het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ophogen, ontginnen, bodemverlagen, afgraven of egaliseren van gronden voor zover geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  • b. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 40 cm;
  • c. het omzetten van grasland in bouwland;
  • d. het planten of verwijderen van houtgewas;
  • e. het aanleggen, verbreden, of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • f. het aanbrengen van ondergrondse en bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • g. het aanleggen van drainage;
  • h. het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten.

11.6.2 Uitzonderingen

Het in lid 11.6.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van:

  • a. werken of werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het TAM- omgevingsplan
  • b. werken of werkzaamheden in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe erkende partij;
  • c. werken of werkzaamheden die betrekking hebben op locaties die niet groter zijn dan 50 m2 of werken en werkzaamheden waarbij de bodem tot maximaal 40 cm onder maaiveld wordt geroerd.

11.6.3 Voorwaarden

De in een omgevingsvergunning opgenomen werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden als bedoeld in lid 11.6.1 zijn slechts toelaatbaar indien:

  • er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
  • de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
  • de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad.
  • het rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria, zoals verwoord in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).

11.6.4 Procedureregel

Burgemeester en wethouders winnen met betrekking tot het bepaalde in lid 11.6.3 schriftelijk advies in bij een door hen aan te wijzen archeologisch deskundige.

11.6.5 Verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Voor zover de in artikel 11.6.1 genoemde werken en werkzaamheden kunnen leiden tot onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, kunnen burgemeester en wethouders aan de vergunning één, of een combinatie, van de volgende voorschriften verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in de Erfgoedwet;
  • c. de verplichting de uitvoering van de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies en activiteiten

Artikel 12 Toepassingsbereik

De regels van dit hoofdstuk gelden in aanvulling op hoofdstuk 2 en zijn van toepassing binnen het projectgebied zoals opgenomen in het GML-bestand NL.IMRO.0654.TAMOPGPSW2026-0001.

Artikel 13 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 14 Parkeeractiviteiten

  • a. De in dit TAM-omgevingsplan aanwezige gronden mogen slechts worden bebouwd en/of in gebruik worden genomen en/of het gebruik van deze gronden mag enkel worden gewijzigd onder de voorwaarde, dat voldoende parkeergelegenheid bij, op eigen terrein dan wel bij in de directe omgeving daarvan wordt aangelegd en in stand te wordt gehouden;
  • b. Per woning dienen de volgende gemiddelde parkeernormen te worden toegepast:
      • Vrijstaand: 2,2;
      • Aaneengebouwd: 2.
  • c. Een garage telt mee voor 0,4 parkeerplaats. Bij woningen met een garage en een oprit met een lengte van minimaal 5 meter is er sprake van 1,4 parkeerplaats. Bij woningen met een garage en een oprit met een breedte van minimaal 4,5 meter is er sprake van 1,8 parkeerplaats.

Artikel 15 Algemene functieregels (algemene beoordelingsregels gebruiksactiviteiten)

15.1 Algemene verbodsbepaling gebruik

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden om zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken strijdig met de aangegeven functies, activiteiten en/of gebiedsaanwijzingen.

Artikel 16 Algemene afwijkingsregels bouwactiviteiten

16.1 Afwijken beoordelingsregels bouwactiviteiten

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit af te wijken voor:

  • a. niet voor bewoning aangewezen gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde van geringe afmetingen ten dienste van het openbaar nut met een oppervlakte van maximaal 15 m² en een bouwhoogte van maximaal 3,5 meter te bouwen;
  • b. de van de naar de weg gekeerde bebouwingsgrens door:
      • erkers, balkons en bordessen tot maximaal 1 meter;
      • ingangspartijen tot maximaal 2 meter;

te overschrijden, mits de bebouwde oppervlakte maximaal 6 m² en de bouwhoogte maximaal 3 meter zal bedragen;

  • c. antennes en masten tot een bouwhoogte van 15 meter op te richten.

mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • 1. De samenhang in het straat- en bebouwingsbeeld;
  • 2. De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.