| Plan: | Triangel Plangebied J |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | uitwerkingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0627.UPTriangelPlanJ-0401 |
Aan de zuidzijde van Waddinxveen wordt de nieuwe woonwijk 'Park Triangel' gerealiseerd. Het voornemen is om in dit gebied, globaal gelegen tussen Beijerincklaan/Tweede Bloksweg, de spoorlijn Gouda/Alphen en de A12, circa 2.890 nieuwbouwwoningen te realiseren. Doel van Park Triangel is het opheffen van het bestaande lokale tekort aan nieuwbouwwoningen en voor een belangrijk deel van de woningbehoefte in de grotere regio te voorzien.
In 2003 heeft de provincie Zuid-Holland middels een wijziging van het streekplan het gebied aan de zuidzijde van Waddinxveen aangewezen als nieuwbouwlocatie voor de gemeente.
Ten behoeve van de ontwikkeling van Park Triangel heeft de gemeente Waddinxveen een masterplan opgesteld, waarin de stedenbouwkundige randvoorwaarden en uitgangspunten voor de ontwikkeling van de wijk zijn verwoord.
De gemeente Waddinxveen heeft op 24 september 2008 het uit te werken bestemmingsplan Triangel (het moederplan) vastgesteld, om de ontwikkeling van Park Triangel in lijn met dit masterplan juridisch-planologisch te borgen. Op grond van dit bestemmingsplan is door middel van meerdere uitwerkingsplannen (ex artikel 3.6 Wro) de ontwikkeling van de woonwijk gefaseerd mogelijk gemaakt. Inmiddels zijn al diverse uitwerkingsplannen vastgesteld in het gebied en zijn woningen gebouwd.
Afbeelding - overzicht deelgebieden Park Triangel met in rood aangeduid deelgebied J
(bron: steenbouwkundig plan)
Voor het deelplan J (Parktuin) is het stedenbouwkundig plan opgesteld voor 220 woningen. Volgens het moederplan hebben de gronden hier de bestemmingen uit te werken woongebied, groenvoorzieningen en voor een klein puntje uit te werken bedrijfsgebied met de aanduiding 'werken in het groen'. Het doel van het voorliggende uitwerkingsplan ' Triangel Plangebied J' is dan ook om de beoogde ontwikkeling planologisch-juridisch te borgen.
Het plangebied Triangel is gelegen aan de zuidzijde van de bestaande bebouwing van Waddinxveen en is gelegen tussen de Beijerincklaan/Tweede Bloksweg, de spoorlijn Alphen/Gouda en de Zuidelijke Rondweg. In het uiterste zuiden raakt de punt van het plangebied de rijksweg A12.
In de navolgende afbeelding zijn de ligging van Park Triangel en de contouren van het de nieuwe woonwijk weergegeven.
Afbeelding - globale ligging Park Triangel
Afbeelding - globale begrenzing Park Triangel (blauw)
Park Triangel is onderverdeeld in verschillende deelgebieden, die gefaseerd mogelijk worden gemaakt. Het plangebied van dit uitwerkingsplan Triangel Plangebied J, dat aan de oostgrens is gelegen aan de spoorlijn en aan de overige zijden ligt ingesloten tussen de deelgebieden B en Lint (zie afbeelding in 1.1)
Afbeelding - globale begrenzing plangebied J
Afbeelding - begrenzing plangebied J
Op het perceel Park Triangel, deelgebied J is het bestemmingsplan 'Park Triangel' van kracht, zoals vastgesteld op 24 september 2008.
Afbeelding - uitsnede vigerend bestemmingsplan
In dit bestemmingsplan ligt ter plaatse van het plangebied een uit te werken woongebied, een groenvoorziening en een uit te werken bedrijfsgebied. In de regels van het bestemmingsplan zijn allerlei uitwerkingsregels opgenomen. Deze dienen in acht te worden genomen bij het opstellen van het uitwerkingsplan.
Het uitwerkingsplan 'Triangel Plangebied J' met identificatienummer NL.IMRO.0627.UPTriangelPlanJ-0401 bestaat, naast deze toelichting, uit de volgende stukken:
De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende plan en kunnen enkel in samenhang met elkaar 'gelezen' worden.
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen.
De toelichting is niet juridisch bindend, maar is niettemin een belangrijk document bij het uitwerkingsplan. De toelichting geeft aan wat de beweegredenen en achtergronden zijn die aan het plan ten grondslag liggen en doet verslag van het onderzoek dat aan het uitwerkingsplan vooraf is gegaan.
Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het uitwerkingsplan.
De toelichting is als volgt opgebouwd:
In voorliggend hoofdstuk wordt de bestaande, feitelijk aanwezige situatie binnen het plangebied beschreven.
Waddinxveen is ontstaan als lintdorp op de kruising van wegen tussen Gouda, Alphen aan den Rijn, de poldergebieden aan de westzijde van Gouda en de brug over de Gouwe. Het plangebied, gelegen ten zuiden van de oude kern van Waddinxveen, is een diepgelegen polder waar in het verleden veen is gewonnen. Met de wegen als dragers, werden de omliggende polders via een typische slagenverkaveling drooggelegd. Deze slagen zijn ook vandaag nog terug te zien in het landschap. Door de deklaag van klei is inzijging van regenwater in de bodem moeilijk, hetgeen het noodzakelijk maakte een dicht stelsel van sloten en tochten aan te leggen om het gebied droog en bewerkbaar te houden.
Afbeelding - bestaande situatie (bron: stedenbouwkundig plan)
Het plangebied maakt deel uit van de Zuidplaspolder. De ontginning van dit gedeelte vond plaats vanaf de Noordelijke Plasweg. Als grote afwatering werd de Zuidelijke Dwarstocht aangelegd. Typisch genoeg staan de slagen haaks ten opzichte van de slagen in de omliggende polders. De Zuidelijke Dwarstocht is ook nog aanwezig in het plangebied. Vanaf de tijd van drooglegging is het plangebied gebruikt als agrarisch gebied, waarbij voornamelijk sprake is van gebruik als weiland. Dit gebruik heeft zich tot voor kort doorgezet.
Afbeelding - bestaande situatie (bron: stedenbouwkundig plan)
De Zuidplaspolder is thans doorsneden door grote infrastructurele elementen. De rijksweg A12 ligt aan de zuidzijde van het plangebied en de spoorlijn Gouda/Alphen aan de oostzijde van het plangebied. In de omgeving van het plangebied heeft daarnaast een zeer sterke verstedelijking plaatsgevonden, waarbij meest recentelijk de woonwijk Zuidplas aan de westzijde van het plangebied en het industrieterrein Coenecoop aan de oostzijde van het plangebied zijn opgeleverd.
Afbeelding - bovenaanzicht op het plangebied J (Parktuin), bron: stedenbouwkundig plan
Het projectgebied Park Triangel vormt een (voormalig) agrarisch groene driehoek in een verstedelijkt landschap, ingeklemd door spoorwegen, stedelijke bebouwing (het bedrijventerrein Coenecoop en de woonwijk Zuidplas) en een agrarisch gebied.
Het projectgebied ligt in de noordelijke punt van de droogmakerij Zuidplaspolder. Het verkavelingspatroon wordt gekenmerkt door een regelmatige verkaveling met smalle, langwerpige kavels gescheiden door smalle, ondiepe sloten.
Woningen
Er was, voordat het gebied als nieuwbouwlocatie werd aangewezen, sprake van veehouderij, akkerbouw en glasopstanden. Op dit moment wordt het gebied met name gekarakteriseerd door woningen, het centrale park en braakliggend terrein.
De afgelopen jaren is het gebied in snel tempo ontwikkeld: er zijn vele woningen gebouwd, de hoofdinfrastructuur en het centrale park zijn aangelegd. Ook is het treinstation Waddinxveen Triangel gerealiseerd.
Ontsluiting
Het plangebied wordt voor het autoverkeer via de N453 (Beijerincklaan) ontsloten vanaf de A12 (Den Haag-Utrecht) en via de N453 (Beijerincklaan) en de N456 (Bredeweg) vanaf de A20 (Gouda-Rotterdam). In oostelijke richting wordt Park Triangel via de Zuidelijke Rondweg, de N454 (Kanaaldijk), N207 (Coenecoopbrug) en N452 (Goudse Poort) eveneens ontsloten vanaf de A12. In noordelijke richting vindt de ontsluiting via de N454 (Kanaaldijk) en Kerkweg-oost plaats vanaf de N207.
Groen
De groenstructuur in het plangebied is sterk verweven met de waterstructuur. De brede taluds en groengebieden langs de verschillende waterpartijen dragen sterk bij aan het groene karakter van de wijk en de ecologische waarde van het gebied. Het brede, doorgaande groenelement dat tevens een belangrijke ecologische waarde heeft is de spoorzone.
Park Triangel dankt haar naam aan het grote park dat het groene hart vormt van de wijk. Op 28 mei 2016 is dit park geopend met onder andere een junglebos, speelveldjes voor diverse sporten en een vis- en aanlegsteiger.
Water
In de huidige situatie is er een belangrijke hoofdwatergang, de Zuidelijke Dwarstocht, die langs het plangebied loopt. Rondom het gebied lopen de bestaande watergangen langs het spoor en de Tweede Bloksweg. De verschillende waterlopen worden op verschillende plaatsen verbonden, waardoor een netwerk van water ontstaat en op bijna elk punt van de wijk het water ervaarbaar wordt. Deze dooradering met water legt een duidelijke relatie met het oorspronkelijke polderlandschap.
Het doel van voorliggend bestemmingsplan is het bieden van een juridisch-planologisch kader voor de ontwikkeling van de gronden in het plangebied. In deze paragraaf wordt ingegaan op de uitgangspunten die zijn gehanteerd voor het gebied en voor dit bestemmingsplan.
Bij de start van de totale wijk Park Triangel is een Integraal Ontwikkelingsplan (zie ook Bijlage 1 Integraal ontwikkelingsplan Triangel) opgesteld, bestaande uit vijf onderdelen:
Voor wat betreft de ruimtelijke kaders zijn het Stedenbouwkundig Plan en het Kwaliteitsinstrumentarium van belang. Het Stedenbouwkundig (zie Bijlage 2) plan richt zich met name op het planontwerp van de totale wijk op hoofdlijnen.
Het Kwaliteitsinstrumentarium richt zich hoofdzakelijk op de plan- en beeldkwaliteit van de beoogde woongebieden, voorzieningen, bedrijvigheid en openbare ruimte in Park Triangel.
Voor de woonbebouwing en de voorzieningen geldt dat de cottage-stijl, een Engelse landelijke stijl, het uitgangspunt is voor de beeldtaal van de bouwvolumes. Dat uit zich ook in de architectuur van de woningen die inmiddels opgeleverd, in aanbouw of in verkoop zijn.
Het belangrijkste uitgangspunt voor het plangebied is het behoud en de versterking van de ruimtelijke structuur en de herkenbaarheid van de verschillende woongebieden met hun eigen bebouwingskenmerken. Om dit te bereiken is de bebouwing, daar waar de woningen reeds zijn gerealiseerd, gedetailleerd bestemd. Ook de waterlopen, de belangrijkste groenelementen en de infrastructuur zijn volgens de huidige situatie bestemd.
Het plangebied betreft een woongebied. De karakters van de woongebieden in Park Triangel verschillen op basis van de eerder genoemde stedenbouwkundige uitgangspunten.
Deelplan J (hierna Parktuin) is onderdeel van de ontwikkeling Park Triangel. De locatie is ongeveer 5 hectare groot, heeft een driehoekige vorm en kent een duidelijke begrenzing door de spoordijk (oostzijde), de Hugo Poortmanstraat (zuidzijde), en de achterzijde van de bestaande woningen van de Tuinbouwweg (westzijde). Daarmee ligt deelgebied J tussen de gerealiseerde buurten Triangel plan 1 en 2 in het westen, Triangel plan 4 in het noorden, de spoorlijn in het oosten en het Stationspark Triangel in het zuiden. Voor dit deelplan J is een separaat stedenbouwkundig plan opgesteld (zie Bijlage 2).
Afbeelding - stedenbouwkundig opzet deelgebied J (bron; Stedenbouwkundig plan)
Afbeelding - Invulling woningbouwprogramma deelgebied J (bron; Stedenbouwkundig plan)
Visie en ruimtelijk concept
Het stedenbouwkundig plan voorziet in een heldere invulling van de randen van het deelgebied. Aan de oost- en zuidzijde richt de bebouwing zich met de representatieve (voor)zijde op deze begrenzing. Aan de westzijde zorgt het voor een zorgvuldige afronding van de rafelrand van de achterzijde van de kavels aan de Tuinbouwweg Een, bij de ligging passende, variatie aan woningtypen zorgt voor een diversiteit in korrel en dimensie op deze plekken. Hiermee wordt een zorgvuldige aansluiting gerealiseerd met de bestaande ruimtelijke structuren.
Naast de heldere begrenzing en invulling van de randen van het deelgebied kent het plangebied een binnenwereld welke wordt gekenmerkt door een netwerk van gebogen en meanderende straten. De doorgaande groene laan vormt hierbij de hoofdstructuur. De slingerende laan verbindt als groene hoofdas de diverse onderdelen en verenigt de diverse bouwvelden tot een geheel. Deze laan is het fundament van het ruimtelijke raamwerk voor de locatie.
Woningtypen
Op basis van de grondexploitatie zijn voor de deelgebieden woningbouwprogramma's gedefinieerd. Inspelend op de markt en rekening houdend met de positie (zowel ruimtelijk als in tijd) is het programma voor J opgesteld.
De verkaveling van dit stedenbouwkundig plan is met zorg ontwikkeld. In de verkaveling is een gedifferientieerd porgramma opgenomen; appartementen, 2^1 kap, vrijstaande woningen en rijwoningen in 3 beukmaten, 5,40, 6 en 7,2 meter. De parkeernorm sluit hier ook op aan.
Wij gaan ervan uit dat de ontwikkelaars een gedifferentieerd woningbouwprogramma ontwikkelen. Dit woningbouwprogramma dient natuurlijk wel passend te zijn in de totale parkeernorm. Minder parkeren is natuurlijk eenvoudig, indien er door bijvoorbeeld smallere beukmaten meer parkeerplaatsen benodigd zijn, dan dienen deze op uitgeefbaar gebied (kavel en mandelige parkeerhoven) gerealiseerd te worden.
De appartementen aan de zijde van Parkzoom zijn de gebruikelijke appartementen waarbij de galerij aan de binnenzijde zit met slaapkamer(s) aan die zijde en de woonkamer met balkons aan de zonzijde (ZW). De appartementen aan het spoor voorzien wij in appartementen waarbij de galerij met de buitenruimte/terras wordt gecombineerd. Het appartement kan een doorzon woning zijn waar de keuken aan het spoor ligt en de woonkamer aan de binnenzijde (West). De slaapkamer(s) liggen hier naast de keuken en/of woonkamer.
Voor de verdere uitwerking in het bestemmingsplan wordt uitgegaan van maximaal 220 woningen.
Afbeelding - woningtype (bron: stedenbouwkundig plan)
Beeldkwaliteit
In het (stedenbouwkundige plan) wordt in hoofdstuk 7 voor de deelgebieden J de stijl van de engelse landhuisarchitectuur voorgeschreven. Deze architectuurstijl is gebaseerd op de cottagestijl en heeft zijn oorsprong in Engeland. De engelse landhuisstijl is een geromantiseerde stijl, die wordt getypeerd door ambachtelijke en landschappelijke kenmerken. Met deze eigenschappen zal Parkrijk aansluiten op de rest van de woningen in Park Triangel.
De Parktuin is een stedelijk villapark met een groen karakter en zorgvuldige architectuur. Kenmerkend zijn de eenheid in schaal en samenhang in de architectuur, waarin invloeden van de cottagestijl te herkennen zijn. Het landschappelijke karakter van de wijk met gebogen straten en plantsoenen is zorgvuldig geënsceneerd. De kavels hebben een ruime voortuin. Lage erfafscheidingen zorgen voor een zorgvuldige overgang van openbaar naar privé.
De bebouwing ligt terug, maar vormt wel onmiskenbaar een eenheid met de openbare ruimte. De panden begeleiden de groene ruimte. Gevels en daken vormen zo een samenhangende eenheid met de buitenruimte. Verbijzonderingen in de stedenbouwkundige structuur worden benadrukt door accenten in de massa en vorm-geving van hoeken en kappen, waaronder hoogte accenten en nok-verdraaiingen.
De bebouwing bestaat uit vrijstaande woningen en geclusterde korte rijen. De woningen hebben een gedifferentieerde vorm met een onderbouw in één of twee lagen en een nadrukkelijke kap. Opbouw en gevels hebben in het algemeen een horizontale en verticale geleding.
Gevels zijn representatief en schuwen de expressie niet. Niettemin is het geen bont geheel. Metselwerk in zelfde steen, daken met gelijke pannen, gelijke kleur voor houten raam en deur-kozijnen en de zorgvuldige detaillering van de architectuur geven hier samenhang.
Een uitgebalanceerd spel van verticale en horizontale accenten in de architectonische elementen zoals raamstijlen, penanten, luifels, mastgoten, overstekende houten daklijsten en hemelwaterafvoeren. Dit alles wordt versterkt door de, incidenteel aanwezige, naar voren geschoven erkers, al dan niet meerlaags, afgedekt met kappen.
Sferen in Parktuin
In Parktuin zijn drie onderscheidende woonsferen te 'vinden'. Deze sferen zijn gebaseerd op de situatie. Het centrale gedeelte, het 'Hart Parktuin', belichaamt het beoogde voor Parktuin, het meest. De beide randen, het 'Met zicht op Oost' en de 'Hugo Poortmanstraat', reageren, elk op een andere manier, op de complementaire zijde.
Hart Parktuin
Met zicht op Oost:
Hugo Poortmanstraat:
Afbeelding - sferen (bron: stedenbouwkundig plan)
Elke woonsfeer zal enkele eigen kenmerken krijgen, zodat deze een herkenbare identiteit krijgen binnen het geheel. Vanuit de gemeenschappelijke architectuurstijl zijn voor elke karakteristieke ruimte hoofdregels opgesteld. Deze zijn in het stedenbouwkundig plan verder uitgeschreven.
Beeldkwaliteit Parktuin openbare ruimte
De eigenheid van Parktuin binnen Triangel typeert zich doordat de buitenruimte niet stopt bij de erfgrens. ook wel geduid als het gevel tot gevel principe. Privé en openbare buitenruimte zijn één. Openbare ruimte is integraal onderdeel van deze beeldkwaliteit. De structuur en sfeer van de openbare ruimte staan beschreven in de voorgaande hoofdstukken.
Parkeren
Het plan kent een aantal parkeerhoven, in deze verkaveling openbaar. Voor het geval er in de verdere uitwerking van het plan een parkeerhof uitgeefbaar is, is de beeldkwaliteit hier aangegeven.
Bijzondere accenten
Afbeelding - beeldkwaliteit Parktuin openbare ruimte (bron: stedenbouwkundig plan)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 of 2023 in werking treedt. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen we in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes. De vastgestelde NOVI is op 11 september naar eerste en tweede kamer verzonden.
Vier prioriteiten
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
Afwegingsprincipes
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro)
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen neemt het Rijk enkel nog de 'Ladder' voor duurzame verstedelijking op. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Dit betekent dat in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving wordt opgenomen van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.
Doel van de ladder is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder is als een procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening en ook in de provinciale omgevingsverordening (zie paragraaf 3.2.2). In paragraaf 5.1 wordt de planontwikkeling getoetst aan de Ladder.
Met deze planontwikkeling zijn geen rijksbelangen gemoeid. De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het rijksbeleid.
Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland is per 1 april 2019 in werking getreden en omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en –plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit.
Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hieraan geeft de provincie richting door het maken van samenhangende beleidskeuzes, die volgen uit de provinciale opgaven. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma’s en verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving.
Programma ruimte
Het Programma ruimte bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. In het programma Ruimte is Park Triangel als een van de nog te ontwikkelen woningbouwlocaties buiten het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) aangegeven met een bruto oppervlak van 100 hectare. Dat betekent dat de de provincie op hoofdlijnen geen ruimtelijk bezwaar heeft tegen de betreffende ontwikkeling.
Dit neemt niet weg dat de gemeente bij de verdere detaillering van de betreffende ontwikkeling (in het kader van het bestemmingsplan) nog wel rekening moet houden met specifieke onderdelen van het provinciaal beleid, bijvoorbeeld het beleid voor ruimtelijke kwaliteit.
Om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren heeft de provincie in het vervolg op het omgevingsbeleid de verordening vastgesteld. De Omgevingsverordening is per 1 april 2019 in werking getreden.
De omgevingsverordening bevat alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. De omgevingsvergunning vervangt bestaande verordeningen zoals de Verordening Ruimte, de milieuverordening en dergelijke.
Stedelijke ontwikkelingen (artikel 6.10)
Ten aanzien van stedelijke ontwikkelingen wordt in de verordening aangegeven dat:
Ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan Triangel (2008) worden geen nieuwe mogelijkheden geboden. In totaal is het woningbouwprogramma op sommige aspecten zelfs fors verkleind.
Ten aanzien van het gewijzigde woningbouwprogramma is voor geheel Triangel recentelijk een laddertoets uitgevoerd. In paragraaf 5.1 wordt verder ingegaan op de resultaten van dit onderzoek.
Het doel van de Regionale Agenda Wonen (RAW) is om gemeenten op regionaal niveau een kader te bieden waardoor er tijdig kan worden ingespeeld op kansen of ongewenste ontwikkelingen op het gebied van wonen. In de RAW staan drie onderwerpen centraal:
De ontwikkeling van Park Triangel zorgt voor kwalitatief goede huisvestingsmogelijkheden voor verschillende soorten huishoudens en draagt op deze manier bij aan de vitaliteit binnen de regio Midden-Holland.
Op 3 oktober 2012 is de Structuurvisie Waddinxveen 2030 vastgesteld door de gemeenteraad. De structuurvisie schetst de ruimtelijke koers van de gemeente tot en met 2030 en vormt een integrale visie en een toetsingskader voor nieuwe initiatieven. Op basis van trends en ontwikkelingen, het bestaande gemeentelijke beleid en de projecten die spelen binnen de planperiode zijn de belangrijkste opgaven in beeld gebracht, verdeeld over vijf thema’s.
In de structuurvisie zijn vier strategische keuzes gemaakt:
Op de integrale structuurvisiekaart is het plangebied van voorliggend bestemmingsplan aangeduid als 'wonen bestaand' en 'concentratiegebied winkels en voorzieningen centrumgebied'. De centrumzone van Waddinxveen vormt een strategisch project in de structuurvisie. Het nieuwe centrum geeft de kern een sterk en uitgebreid voorzieningenniveau voor de toekomst, terwijl het gebied rond de Kerkweg-Oost wordt versterkt door bestaande ontwikkellocaties op een hoogwaardige manier te benutten. Het doel is om van het historische hart van Waddinxveen weer een aantrekkelijk verblijfsgebied te maken.
Binnen het thema 'wonen en voorzieningen' is aangegeven dat ruimtelijke kwaliteit het belangrijkste uitgangspunt is voor het gemeentelijke woningbouwprogramma, dat uitgaat van de toevoeging van 4.250 woningen tot 2030. Ontwikkelingen moeten bijdragen aan de toekomstige woon-, leef- en werkkwaliteit van Waddinxveen, waarbij een goede balans tussen inbreiding en uitbreiding van groot belang is. Er wordt onder meer ingezet op het (her)ontwikkelen van bestaande locaties in de bebouwde kom.
De gemeenteraad heeft op 13 december 2017 de Woonvisie Waddinxveen 2018-20122 vastgesteld. Het doel van deze woonvisie is richting te geven aan het beleid rondom wonen en de woningmarkt in Waddinxveen. Die richting bestaat uit een hoofddoelstelling, vier pijlers en een woningbouwprogramma.
Hoofddoelstelling: prettig wonen voor iedereen
Waddinxveen ligt op het grensvlak van stad en platteland. Het voorzieningenniveau is goed, de sociale cohesie is sterk, er is werkgelegenheid en de gemeente heeft een rijk verenigingsleven. Waddinxveen is goed bereikbaar. Dat maakt Waddinxveen een aantrekkelijke woongemeente. Iedereen die dat wil moet op een prettige, geschikte manier kunnen wonen in Waddinxveen. Daarom moet de woningvoorraad zo goed mogelijk aansluiten bij de markt en moeten mensen die hulp nodig hebben bij het vinden van passende huisvesting worden ondersteund.
De vier pijlers
Woningbouwprogramma
Waddinxveen heeft veel ruimte om woningbouwplannen te realiseren. Naast de uitbreidingslocaties Park Triangel en 't Suyt zet de gemeente in op binnenstedelijke herontwikkeling en transformatie van vastgoed. Voor Park Triangel hanteren we als uitgangspunt dat 40% van Park Triangel gebouwd wordt voor de lokale en regionale behoefte en 60% voor de bovenregionale behoefte. Deze bovenregionale behoefte komt voornamelijk voort uit de verhuisrelatie die Waddinxveen heeft met Rotterdam en Den Haag.
Vanwege deze actualisatie van het bestemmingsplan heeft de gemeente Waddinxveen een onderbouwing van het woningbouwprogramma aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking opgesteld. Deze is opgenomen in paragraaf 5.1.
Het Mobiliteitsplan 2013-2020 is op 26 juni 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. Het mobiliteitsplan vervangt de verkeersvisie uit 2006. In het mobiliteitsplan staan ambities: een optimaal bereikbaar Waddinxveen, verkeersveiligheid voor alle verkeersdeelnemers, stimuleren van het fietsgebruik en het optimaal benutten van het openbaar vervoer. Het doel van het mobiliteitsplan is om deze vier ambities te realiseren. Hiervoor is een routeboek opgesteld. Dit routeboek bestaat uit beleidskaders die gebruikt worden bij diverse (integrale) ontwikkelingen en maatregelen waarmee de grootste knelpunten aangepakt kunnen worden. Tijdens het opstellen van het mobiliteitsplan is veelvuldig gebruik gemaakt van kennis en kunde van inwoners, het bedrijfsleven en diverse maatschappelijke organisaties van Waddinxveen. Het mobiliteitsplan is een sectorale uitwerking van de voornoemde “Structuurvisie Waddinxveen 2030”. In het mobiliteitsplan staan geen detailuitwerkingen. Hiervoor worden, waar relevant, aparte plannen gemaakt.
In het Mobiliteitsplan is rekening gehouden met de nieuwe woonwijk Park Triangel.
In het Masterplan zijn de ruimtelijke kaders voor de ontwikkeling van het gebied aangegeven. Na het Masterplan zijn diverse uitwerkingen opgesteld, zoals visies en ontwikkelingsprogramma's waaronder het Integraal OntwikkelingsPlan (IOP).
In februari 2010 heeft de gemeenteraad van Waddinxveen het IOP voor Park Triangel vastgesteld. Dit plan bestaat uit vijf onderdelen:
Op 22 januari 2014 heeft de gemeenteraad het IOP bevestigd.
Ten behoeve van de stedenbouwkundige kaders zijn voor verschillende delen van Triangel stedenbouwkundige visies en plannen opgesteld:
Het archeologiebeleid is gemeentebreed vertaald in het bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie en Parkeren. Een deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' gekregen.
Deze bestemming is in het voorliggende wijzigingsplan overgenomen.
Het gemeentelijk parkeerbeleid is eveneens vertaald in het parapluplan vertaald. De regels met betrekking tot parkeren zijn eveneens overgenomen.
De gemeente Waddinxveen heeft op 3 oktober 2012 de Beleidsnota externe veiligheid vastgesteld. In de beleidsnota zijn de volgende veiligheidsambities geformuleerd:
Voor de uitvoering van deze ambities zijn planologische kaders opgenomen, waaraan bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan worden getoetst. Om de uitvoering te borgen wordt deze beleidsnota externe veiligheid gekoppeld aan de nieuwe Structuurvisie Waddinxveen 2030 (zie paragraaf 3.3.1) en wordt bij het opstellen van dit bestemmingsplan rekening gehouden met de geformuleerde ambities.
Op 10 december 2015 is door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 (NWP) vastgesteld. Het NWP vervangt het Nationaal Waterplan 2009 - 2015 en geeft de hoofdlijnen, principes en richting weer van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016 - 2021, met een vooruitblik richting 2050.
Het NWP bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daarbij behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik richting 2050.
Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.
Het kabinet streeft naar een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen.
Onderdeel van het Nationaal Waterplan zijn:
Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerplan 2016-2021, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten en de leggers.
Het algemeen bestuur van het HHSK heeft op 29 juni 2016 het Waterbeheerplan 2016-2021 'Met mensen en water' (WBP) vastgesteld.
Het WBP geeft de visie en ambities weer op het waterbeheer voor de lange termijn. Het plan bepaalt de koers: het geeft richting aan het handelen van het HHSK en biedt burgers, bedrijven, partners en andere betrokkenen zicht op wat zij van het HHSK kunnen verwachten.
Het HHSK staat voor een doelmatig en duurzaam waterbeheer in directe verbinding met de omgeving. Het HHSK streeft er naar haar taken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten uit te voeren, bij te dragen aan de leefbaarheid van het gebied en de toekomstbestendigheid en duurzaamheid van het watersysteem te vergroten. Zo benoemt het waterbeheerplan concrete doelen om de impact van klimaatverandering (adaptatie) en de omvang van de klimaatverandering (mitigatie) te beperken. Een mogelijke aanscherping van doelen zal binnen de planperiode plaatsvinden.
Het HHSK gaat actief in gesprek met de omgeving en staat open voor initiatieven van burgers, bedrijven en partners.
Het streven is het watersysteem zo goed mogelijk geschikt te houden voor alle functies. Daarnaast is er aandacht voor de aantrekkelijkheid van het woon- en leefgebied voor alle gebruikers. Ambities zijn uitgewerkt binnen verschillende thema's:
Het gemeentelijke beleid is vastgelegd in het Waterplan Boskoop en Waddinxveen (februari 2010). Dit Waterplan is gezamenlijk door de gemeenten Waddinxveen en Boskoop, het hoogheemraadschap van Rijnland en het HHSK opgesteld om knelpunten in het watersysteem aan te pakken en kansen op verbeteringen te benutten. Een opgave voor het Waterplan is te voorzien in de lokale implementatie van het nieuwe waterbeleid (Kaderrichtlijn Water, Nationaal Bestuursakkoord Water). Ook willen de gemeenten en de hoogheemraadschappen zorgen voor een optimale, gezamenlijke aanpak van de wateropgaven. Het waterplan focust op de maatregelen in het bebouwde gebied.
Het waterplan heeft tot doel een integrale visie op te stellen over alle aspecten van het water (met uitzondering van drinkwater en zwembaden) en het implementeren van duurzaam waterbeleid in het bebouwd gebied van beide gemeenten. Het waterplan resulteert uiteindelijk in een maatregelenpakket om te komen tot:
In het kader van het bestemmingsplan Park Triangel is uitgebreid aandacht besteed aan water. Ook in de toelichting van het voorliggend uitwerkingsplan wordt aangegeven op welke wijze met de waterafspraken wordt omgegaan (zie navolgend paragraaf 4.2).
In het kader van het geldende (moeder-)bestemmingsplan Triangel is uitvoerig op het thema water ingegaan en zijn ook afspraken gemaakt met de waterbeheerders over de omgang met dit thema, zoals waterberging, veiligheid en waterkwaliteit. Tevens heeft uitvoerig onderzoek plaatsgevonden.
In navolgende is de omgang met dit thema uit het (moeder-)bestemmingsplan Triangel overgenomen. Dit bestemmingsplan zal voor toetsing aan de relevante waterpartners worden voorgelegd. Op basis van voorgaande uitwerkingsplannen voor Triangel zijn aandachtspunten naar voren gebracht door het HHSK, die in de navolgende tekst zijn verwerkt.
Veiligheid en voorkomen van wateroverlast
Door de aanleg van Park Triangel treedt functieverandering op in de Zuidplaspolder. Daardoor neemt mogelijke schade bij een dijkdoorbraak toe. De vraag is dan of de schadeklasse van de boezemkades moet worden verhoogd. Maatgevend hierbij is een doorbraak van de waterkering langs de Gouwe. De boezemkade langs de Gouwe heeft als normering schadeklasse V. Dit is de zwaarste klasse. Het verzwaren van de boezemkades is dan ook voor Park Triangel niet relevant.
In december 2005 is in opdracht van de provincie een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van een overstroming voor de Zuidplaspolder. Onder andere voor plangebied Park Triangel zijn de maximaal optredende waterstanden berekend.
Deze waterstand ligt 15 cm lager dan het beoogde vloerpeil van toekomstige woningen (dit was aanvankelijk NAP -5,05 m en voor nieuwe woningen recentelijk verhoogd naar NAP -4,85 m). Deze waterstand treedt op bij een dijkdoorbraak langs de Gouwe tussen Waddinxveen en de A12. Door provincie en het Hoogheemraadschap is geconcludeerd dat gezien de geringe waterdiepte, de verwaarloosbare stroomsnelheden van het water en de beschikbare evacuatietijd geen aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.
Het bruto oppervlak van de ontwikkeling bedraagt 106 hectare. Wanneer er vanuit wordt gegaan dat 50% van het gebied verhard wordt dan moet voor 53 hectare waterberging gecompenseerd worden. Binnen het gebied is al 15 hectare verhard, waardoor de waterbergingsopgave geldt voor 53-15 = 38 hectare. Voor dit oppervlak geldt dat conform de eisen van het HHSK waterberging gerealiseerd moet worden.
De te realiseren waterberging bedraagt dan 19.400 m3. Deze bergingshoeveelheid dient gevonden te worden tussen het peil van -5.92 m. NAP en -6.25 m. NAP (toetshoogte voor grasland). Het benodigde wateroppervlak voor waterberging bedraagt dan 5,9 hectare. Wanneer de hoeveelheid vermeerderd wordt met de hoeveelheid bestaand open water dan bedraagt het te realiseren wateroppervlak in totaal 14,5 hectare.
Waterkwantiteit
Het bestemmingsplan maakt (parkeer)kelders mogelijk. Om overlast te voorkomen moeten de (parkeer)kelders waterdicht zijn, zodat geen grondwater kan binnentreden. Daarnaast moet bij het ontwerp rekening worden gehouden met mogelijk peilstijgingen van het oppervlaktewater. Geadviseerd wordt de inrit, eventuele ramen en ventilatieopeningen van de parkeerkelders ruim boven het maximale waterpeil aan te leggen zodat geen wateroverlast optreedt bij forse peilstijgingen.
Voorkomen van grondwateroverlast
Het toekomstige wegpeil in het plangebied wordt dusdanig gekozen dat de minimale drooglegging is gewaarborgd. De drooglegging, het verschil tussen het wegpeil en het waterpeil, voor het waterrijke plangebied met zettingsgevoelige bodem die is overeengekomen met HHSK en gemeente bedraagt 0,9 meter. Hiermee wordt de nodige veiligheid geboden tegen grondwateroverlast.
Tegengaan bodemdaling veengebied
Voorafgaand aan de bouw en bewoning (gebruiksfase) zal het plangebied bouwrijp gemaakt worden. Hierbij zal gedurende 8 maanden tot 3 jaar de bodemdaling (zetting) kunstmatig worden versneld (door bijvoorbeeld de toepassing van verticale drainage, eventueel in combinatie met een extra bovenbelasting bestaande uit een grondlichaam en/of het afgraven van zettingsgevoelige bodemlagen zoals klei en veen en het terugbrengen van zand) teneinde gedurende de gebruiksfase de bodemdaling te beperken tot acceptabele waarden (norm). De norm die hiervoor gehanteerd wordt is dat een restzetting van 10 cm wordt geaccepteerd ter plaatse van wegen en riolering. Ter plaatse van tuinen wordt voorzien in een restzetting van 20 cm per 30 jaar.
De nadere uitwerking hiervan, zoals de systeemkeuze van de versnelde consolidatie, dient in overleg met het HHSK tot stand te komen. Het HHSK heeft wel de toename van kwel als aandachtspunt benoemd.
Riolering en waterkwaliteit
In het gebied wordt een verbeterd gescheiden stelsel aangelegd waarbij, waar mogelijk, afstromend hemelwater van schone oppervlakken direct wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het afkoppelen geschiedt met inachtneming van de daarvoor bij het HHSK geldende richtlijnen. Voorbeelden van oppervlakken die relatief schoon zijn, zijn onder andere daken en verkeersluwe wegen. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater afgevoerd wordt naar de afvalwaterrioolzuiveringsinstallatie. Verder zal het Nationaal Pakket Duurzaam Bouwen toegepast worden, alsmede niet-uitlogende en milieuvriendelijke beschoeiing en betuining.
Hiermee wordt verontreiniging van het afstromende hemelwater beperkt. Omwille van de waterkwaliteit, worden in het plangebied geen doodlopende watergangen aangelegd, hetgeen de doorspoelbaarheid gunstig beïnvloedt.
Inrichting en ecologie
In het plangebied zullen de oevers ter plaatse van de openbare ruimte natuurvriendelijk worden ingericht. Het HHSK stelt dat minimaal 50% van de totale oeverlengte op deze wijze wordt ingericht. Een natuurvriendelijke oeverinrichting bestaat uit oevers met een flauw talud, zodat de waterdiepte geleidelijk afneemt. Hiermee wordt een variatie aan vegetatietypen gestimuleerd. Door een inrichting van het watersysteem met een waterdiepte van minimaal
1 m wordt een robuust watersysteem gerealiseerd. De natuurvriendelijke oevers dragen bij aan de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water (KRW).
Het plangebied is gesitueerd in een gebied met wateraanvoer waardoor de doorspoeling goed is. In combinatie met de aanstaande sanering van lozingen van de glastuinbouw zal de waterkwaliteit naar verwachting verbeteren.
Beheer en onderhoud
Alle hoofdwatergangen zijn in beheer en onderhoud bij HHSK (met uitzondering van de hoofdwatergang langs de spoorlijn, die conform de Legger wordt onderhouden door Prorail). De gemeente is verantwoordelijk voor het onderhoud van de overige watergangen en bijbehorende kunstwerken (duikers, bruggen etc). ook het beheer en onderhoud van de riolering en hemelwaterafvoer ligt bij de gemeente. De kosten worden door elk van de partijen voor zijn deel gedragen. Er vindt nauwe samenwerking plaats tussen de gemeente en het hoogheemraadschap om het beheer en onderhoud van het watersysteem zo efficiënt en effectief mogelijk te laten plaatsvinden (bijvoorbeeld door gebruik te maken van een gezamenlijk onderhoudsbestek). Alle watergangen dienen vanaf de kant bereikbaar te zijn voor onderhoud. Daartoe moet een obstakelvrije onderhoudsstrook (breedte 5 m gerekend vanaf boveninsteek van het talud) aanwezig zijn over de volle lengte van de watergangen. De brede tochten dienen eveneens varend onderhouden te kunnen worden (voor o.a. baggerwerkzaamheden). Daartoe dienen de kruisingen met wegen doorvaarbaar te zijn voor varend onderhoudsmaterieel.
De bewoners dienen op de hoogte te worden gesteld van de plichten, geboden en verboden met betrekking tot het onderhoud en activiteiten ter plaatse van het aangrenzende open water. Het gaat daarbij onder andere over het toepassen van geschikte bouwmaterialen, de eisen ten aanzien van bebouwing en steigers. De aanwezigheid van bomen en grote struiken langs de oevers is in algemene zin niet gewenst omdat dit leidt tot te veel beschaduwing en overmatige bladval in het water.
Bouwen langs of in de hoofdwatergang is niet toegestaan omdat dan de bereikbaarheid voor het onderhoud wordt belemmerd. Daarnaast zal de benodigde transportcapaciteit van de hoofdwatergang ontoelaatbaar worden beperkt indien bebouwing plaatsvindt. Deze bouwbepalingen zijn in de planregels van het voorliggende uitwerkingsplan vastgelegd .
Opgemerkt wordt dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem vergunning zal worden aangevraagd bij het HHSK op grond van de "Keur" (ex artikel 77 en 80 van de Waterschapswet). Vooroverleg hierover is gestart.
In de keur is ook geregeld dat "beschermingszone" voor watergangen in acht dienen te worden genomen. Het komt erop neer dat binnen de beschermingszone vanaf de insteek van de watergang (bovenkant talud) enkele meters niets gebouwd en opgeslagen mag worden. De laatst genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. De beschermingszone is door middel van een dubbelbestemming in dit bestemmingsplan vastgelegd.
Voor het afkoppelen en direct lozen op het oppervlaktewater dient bij het HHSK vergunning te worden aangevraagd in het kader van de Waterwet.
Advies HHSK
De waterparagraaf van dit uitwerkingsplan wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg voor advies voorgelegd aan het HHSK.
Het milieubeleid is primair bedoeld om een optimale leefomgeving te realiseren. Dit kan er soms toe leiden dat planologische of milieutechnische beperkingen dienen te worden opgelegd aan gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. In onderstaande worden de conclusies voor de verschillende aspecten beschreven.
Een groot deel van het voorliggende hoofdstuk (paragrafen 5.3 t/m 5.11) is opgesteld door de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH). Het betreffende document is voor de volledigheid als Bijlage 3 in de toelichting opgenomen.
In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De treden van de ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:
De gemeenten moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken motiveren volgens de nieuwe laddersystematiek. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten.
Nieuwe stedelijke ontwikkeling
De voorliggende ontwikkeling wordt in het kader van het voorliggende uitwerkingsplan beschouwd als een nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Uit jurisprudentie blijkt dat bij het vaststellen van een uitwerkingsplan artikel 3.1.6, tweede lid, Bro in acht genomen zal moeten worden als het uitwerkingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, Bro (uitspraak van 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1295 (Zevenaar)).
Onderbouwing Ladder voor duurzame Verstedelijking Park Triangel
De gemeente Waddinxveen heeft vanwege een actualisatie van het bestemmingsplan een onderbouwing van het woningbouwprogramma aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking opgesteld. Er dient aangetoond te zijn dat er een regionale behoefte is aan woningen, kantoren en bedrijvigheid. De actualisatie van het betreffende bestemmingsplan is uiteindelijk niet doorgezet. Het rapport wordt dan mede gebruikt voor de onderbouwing van het voorliggende uitwerkingsplan.
Het rapport 'Onderbouwing ladder voor duurzame verstedelijking Park Triangel' is bijgevoegd in Bijlage 5. In het rapport wordt met betrekking tot de behoefte aan woningen het volgende geconcludeerd:
Geconcludeerd wordt dat de in Park Triangel J geplande woningen ruimschoots passen in de actuele behoefte.
Bestaand stedelijk gebied
In het rapport is aangegeven dat zowel Rijk als provincie de locatie Park Triangel als bestaand stedelijk gebied beschouwen. Op grond van de provinciale omgevingsvisie valt voorliggende deelgebied echter net buiten de het BSD (bestaand stads- en dorpsgebied).
In onderhavig geval is sprake van een geplande uitbreiding in aansluiting op bestaand stads- en dorpgebied (BSD). Het betreft een woongebied dat al in afronding is met een goede fiets- en verkeersontsluiting voor omliggende voorzieningen en doorgaande snelwegen. Ook is op zeer korte afstand de treinhalte Waddinxveen Triangel (sprinters) aanwezig.
Door de provincie is Park Triangel dan ook als een van de woningbouwlocaties aangegeven op de zogeheten '3 ha kaart' en de bijbehorende tabel (zie paragraaf 3.1.1). Dit betekent dat de provincie op hoofdlijnen geen ruimtelijk bezwaar heeft tegen de betreffende ontwikkeling. In het voorliggende geval staat de voorliggende locatie niet meer ter discussie.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling past binnen de kaders van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplichtingen opgenomen. In Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is. Globaal zijn er 3 soorten m.e.r.
Bij een plan-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 3 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r.
Bij een project- of besluit-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage C of D van het Besluit m.e.r. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan dat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een m.e.r.-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een bedrijf (met aanzienlijke milieugevolgen).
Voor de beoordeling of een project m.e.r plichtig is kijk je of de activiteit is opgenomen in Bijlage II van het besluit m.e.r. De ontwikkeling van De Triangel valt onder onderdeel D11.2.
De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Het oorspronkelijke plan maakt via een uitwerkingsplicht de bouw van 3000 woningen met voorzieningen mogelijk. Dat ligt boven de drempelwaarde van 2000 woningen. Het is een kaderstellend plan, daarom is in 2005 een plan-m.e.r. opgesteld, zie bijlagen bestemmingsplan Triangel 12 december 2008.
Het huidige bestemmingsplan Triangel is kaderstellend voor de latere uitwerkingsplannen. Voor deze plannen wordt per geval bekeken of een project-m.e.r. nodig is. Hiervoor wordt een m.e.r.-beoordeling gedaan. Intussen is een groot deel van het bestemmingsplan Triangel uitgewerkt en gerealiseerd (ongeveer 2000 woningen). Dit uitwerkingsplan Plan J heeft alleen een woonbestemming en betreft een uitwerking van het vigerende bestemmingsplan. Er is een m.e.r beoordeling uitgevoerd waarbij wordt nagegaan of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. In de m.e.r. beoordeling is getoetst aan de selectiecriteria uit de Europese richtlijn, Bijlage III (Richtlijn 2001/42/EG):
Tabel - Vormvrije mer beoordeling
Voor alle milieuaspecten wordt gemotiveerd aangegeven dat er geen nadelige gevolgen voor het milieu optreden ten gevolge van de ontwikkeling van plan Triangel deel J, er is geen m.e.r. plicht.
Onderzoekplicht
Wanneer dient vanuit de Wet geluidhinder een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden?
Wegverkeerslawaai
Een weg heeft in de zin van de Wet geluidhinder een zone wanneer de maximaal toegestane rijsnelheid hoger is dan 30 km/u. Zogenaamde 30 km/u wegen vallen buiten het regime van de Wet geluidhinder. Een weg heeft aan beide zijden een zone die zich uitstrekt vanaf de uiterste rand van de weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg in buitenstedelijk of binnenstedelijk gebied, zie artikel 74 van de Wgh.
Op grond van artikel 82 lid 1 Wgh bedraagt de voorkeursgrenswaarde op de gevels van geluidsgevoelige bestemmingen 48 dB. Als de berekende geluidsbelasting van de weg(en) op de nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, dan moet onderzocht worden of maatregelen getroffen kunnen worden om de geluidsbelasting te reduceren. Als maatregelen niet mogelijk zijn of stuiten op zwaarwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiele aard, dan is het college van burgemeester en wethouders bevoegd tot het vaststellen van een hogere grenswaarde conform artikel 83 van de Wgh.
De ten hoogste vast te stellen hogere waarde bedraagt voor deze ontwikkeling 63 dB. In artikel 110g Wgh jo artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 staat dat het berekende geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeerslawaai moet worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. De correctie is afhankelijk van de rijsnelheid en bedraagt:
Spoorweglawaai De zonebreedten van spoorwegen zijn vastgesteld op basis van de hoogte van de GPPfs (Geluid Productie Plafonds) uit het Geluidregister Spoor. Uit artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder valt de breedte van de zones van spoorwegen af te leiden.
Op grond van artikel 105 van de Wet geluidhinder zijn in het Besluit geluidhinder (Bgh) normen opgenomen. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 55 dB op grond van artikel 4.9 van het Bgh. De maximale waarde bedraagt 68 dB op grond van artikel 4.10 van het Bgh.
Cumulatie
Bij wijziging of vaststelling van een bestemmingsplan binnen zones van meerdere geluidsbronnen dient, op grond van het gestelde in artikel 110f van de Wet geluidhinder, onderzoek te worden gedaan naar de cumulatieve geluidsbelasting vanwege de verschillende geluidsbronnen. De berekening van de cumulatieve geluidsbelasting staat in hoofdstuk 2 van bijlage I van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. De gecumuleerde geluidsbelasting moet worden bepaald wanneer er sprake is van blootstelling aan meerdere gezoneerde geluidsbronnen en/of lawaaisoorten waarvan de afzonderlijke geluidsbelasting de voor de betreffende bron geldende voorkeursgrenswaarde overschrijdt.
Op 5 maart 2019 heeft de gemeente Waddinxveen de Beleidsregel Hogere waarden 2018, regio Midden-Holland vastgesteld. In deze Beleidsregel staan voorwaarden weergegeven waaronder burgemeester en wethouders een hogere waarde verlenen. In de onderstaande tabel is het toetsingskader van het gemeentelijk hogere waarden beleid opgenomen (voor weg- en spoorweg).
Tabel - Toetsingskader gemeentelijk Hogere waarden beleid (t.g.v. wegverkeer en spoorweg)
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is inzicht vereist in de geluidsbelasting ter plaatse van het plangebied. De cumulatieve geluidsbelasting geeft een indicatie voor de te verwachten geluidshinder. De cumulatieve geluidsbelasting is bepaald volgens de methode "Miedema". De te verwachten hinder als cumulatieve geluidsbelasting is gekwantificeerd volgens onderstaande tabel.
Tabel - Milieukwaliteitsmaat (Miedema)
1 Maximale grenswaarde voor Rijkswegen is 53 dB. Hoger is niet mogelijk zonder bijvoorbeeld toepassen van dove gevel.
De berekeningen zijn uitgevoerd met Geomilieu versie 5.10. De gevolgde rekenmethode voor het bepalen van de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai is conform de Standaard Rekenmethode 2 van bijlage III van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012.
De voorkeursgrenswaarde ten gevolge van de spoorbaan Gouda . Alphen aan den Rijn wordt volgens het akoestisch onderzoek (kenmerk: 2020116470, ODMH 19-05-2020) overschreden. Omdat de maximale grenswaarde niet wordt overschreden en maatregelen stuiten op bezwaren van financiele en landschappelijke aard kunnen, onder voorwaarden, hogere waarden worden vastgesteld via een hogere waarde procedure. Voor de woningen/appartementen in onderstaande tabel worden hogere waarden vastgesteld op basis van het hogere waarden beleid van de gemeente Waddinxveen.
Tabel - Vast te stellen hogere waarden
De meeste woningen in het plangebied hebben tenminste een geluidluwe zijde. Dat geldt niet voor een aantal appartementen zoals met rood omcirkeld in onderstaande figuur. Om te kunnen voldoen aan de beleidsregel, dienen deze voorzien te worden van maatregelen waardoor er sprake is van een geluidsluwe gevel en buitenruimte. Dit is als voorwaarde in het besluit hogere waarden vastgelegd en opgenomen als regel in dit bestemmingsplan.
Figuur - Woningen met minstens een geluidsluwe zijde in rood.
Cumulatie:
De voorkeursgrenswaarde ten gevolge van het wegverkeerslawaai (te weten 48 dB) wordt niet overschreden. Derhalve is de beoordeling van de gecumuleerde geluidsbelasting in het kader van de Wet geluidhinder niet aan de orde. De voorkeursgrenswaarde ten gevolge van het spoorweglawaai van 55 dB wordt overschreden. De gecumuleerde geluidsbelasting dient in het kader van de Wet geluidhinder te worden beoordeeld. De gecumuleerde geluidsbelasting wordt geheel bepaald door spoorweglawaai en bedraagt ten hoogste 65 dB. De gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt niet meer dan de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 68 dB volgens artikel 4.10 van het Bgh en wordt acceptabel geacht.
Naast de cumulatie in het kader van de Wet geluidhinder dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening de cumulatie van alle bronnen, ook bronnen die niet onder de Wgh vallen, te worden beschouwd. Het geluidsniveau van alle geluidsbronnen samen geeft een indicatie van de te verwachten geluidshinder. De milieukwaliteit ter hoogte van de geprojecteerde woningen/appartementen is bepaald met de gangbare rekenmethode "Miedema".
Bij deze methode wordt de geluidsbelasting geclassificeerd en beoordeeld op basis van klassen van 5 dB. Omdat de Wgh niet van toepassing is wordt bij de toetsing van de geluidsbelasting vanwege het wegverkeerslawaai de aftrek conform artikel 3.4 van het Rekenen meetvoorschrift geluid 2012 niet in rekening gebracht. Voor de voorgenomen woningbouw zijn de zoneplichtige wegen, de omliggende wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur en de zoneringsplichtige spoorwegen meegenomen. Onderstaande figuur geeft een overzicht van het woon- en leefklimaat binnen deelplan J.
Figuur - Overzicht woon en leefklimaat volgens methode Miedema Deelplan J
Uit deze figuur blijkt dat het woon- en leefklimaat binnen deelplan J varieert van goed (aan de westzijde) tot tamelijk slecht aan een zijde van de woningen direct aan het spoor. Doordat de andere zijde van deze woningen de milieukwaliteitsmaat wel goed is, is er een goed woon- en leefklimaat voor de eerste lijnsbebouwing direct lang het spoor.
Met het vaststellen van het hogere waarden besluit wordt voldaan aan de wet geluidhinder. Daarnaast is het woon en leefklimaat acceptabel volgens de methode Miedema waardoor er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Als mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en met de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in onderstaande tabel.
Tabel - Grenswaarden Wet luchtkwaliteit
Wet luchtkwaliteit
De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijk plan of project doorgang kan vinden als:
Regeling NIBM
De Ministeriele Regeling NIBM geeft een uitwerking aan het Besluit NIBM en een getalsmatige invulling van de NIBM-grens. Voor een aantal categorieen van projecten kan met zekerheid worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een luchtkwaliteitsonderzoek niet meer nodig is:
De NIBM-regels gelden niet voor PM2,5. Aan de grenswaarde voor PM2,5 moet dus wel worden getoetst. PM2,5 is een fractie van PM10. Als aan de normen voor PM10 wordt voldaan wordt ook aan de norm voor PM2,5 voldaan.
Het plan maakt onderdeel uit van het IBM-project "Woonwijk Triangel" dat onder nummer 1489 in het NSL is opgenomen. De NSL-melding betreft de realisatie van in totaal 3000 woningen in de periode van nu tot 2030. In de Monitoringstool (de rekenkundige onderbouwing van het NSL) is in de voor de luchtkwaliteit berekeningen gebruikte verkeersgegevens eveneens rekening gehouden met de realisatie van deze woningen. Het betreft hierbij gegevens uit het Regionaal Verkeers- en Milieumodel Midden-Holland (RVMH), versie 2.5 voor de prognose over 2020 en 2030 en van versie 2.2 voor de concentratieberekening in 2015. Dit plan maakt onderdeel uit van het IBM-project en is ten opzichte van de NSL-melding niet gewijzigd. Hiermee kan gesteld worden dat op grond van artikel 5.16, eerste lid, onder d, Wm ("grondslag NSL") voldaan wordt aan de eisen van de Wet Luchtkwaliteit. Nader onderzoek naar de bijdrage aan de luchtverontreiniging ten gevolge van de planontwikkeling is om deze reden niet noodzakelijk.
PM2,5 en PM10
Per 1 januari 2015 is de grenswaarde voor PM2,5 inwerking getreden. In het globale bestemmingsplan Triangel uit 2008 was onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit concentraties voor NO2 en PM10. Uit de luchtonderzoeken in het bestemmingsplan Triangel 2008 blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling in het bestemmingsplan Triangel voldoet aan de grenswaarden voor NO2 en PM10. Als voldaan wordt aan de grenswaarden voor PM10 dan wordt ook voldaan aan de grenswaarden voor PM2,5. Ondanks dat het rapport van 2008 is kan deze regel nog steeds worden gehanteerd. Er is van het plangebied een uitsnede gemaakt uit de NSL-monitoringstool. In onderstaande figuur zijn de rekenpunten voor luchtkwaliteit in de omgeving van het plangebied opgenomen. Op alle meetpunten in de omgeving is de concentratie N02 en PM10 < 35 µg/m3 en de PM 2,5 < 20 µg/m3. Deze luchtkwaliteit concentraties zijn lager dan de grenswaarden zoals in voorgaande tabel.
Figuur - meetpunten uit de NSL-monitoringstool
In navolgende tabel is een rekenpunt langs de Kanaaldijk genomen. Dit rekenpunt is met rode pijl aangegeven op de figuur op de vorige pagina. De berekende concentraties liggen ruim onder de grenswaarden en hiermee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Tabel - Concentratie van NO2 , PM10 en PM 2,5 in µg/m3.
De gemeenteraad heeft een onderzoek laten uitvoeren waarin inzichtelijk is gemaakt wat de bijdrage is van wegverkeer, intensieve veehouderij, huishoudens, geplande biomassacentrales, tuinbouwbedrijven, industrie en scheepvaart op de luchtkwaliteit. Alle bronnen worden op afzonderlijke kaartlagen in beeld gebracht en ook de totale concentratie. In de raadsvergadering van 27 november 2019 zijn de onderzoeksresultaten van het rapport "Inzicht in de lokale luchtkwaliteit van Waddinxveen, Huidige situatie en doorkijk naar 2030" projectnummer 1267924, TAUW d.d. 26 november 2019 met de gemeenteraad gedeeld. De onderzoeksresultaten uit het rapport komen overeen met de resultaten uit het NSL.
Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voldoet uit het oogpunt van luchtkwaliteit aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.
Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Door aanwezigheid van bedrijven kan mogelijk hinder voor de omgeving ontstaan met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Activiteitenbesluit milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten. Bij de beoordeling worden ook normen uit de Wet milieubeheer en Activiteitenbesluit milieubeheer betrokken.
De richtafstanden in de richtlijn Bedrijven en Milieuzonering 2009 van de VNG gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype "gemengd gebied" kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. Dit omgevingstype en bijbehorende systematiek zullen dan wel in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd. In de onderstaande tabel zijn de richtafstanden uit de VNG richtlijn opgenomen voor een rustige woonwijk en gemengd gebied.
Tabel - richtafstanden volgens VNG richtlijn
In onderstaand onderzoek is alleen de bedrijvigheid buiten het plangebied onderzocht, omdat dit plan geen bedrijvigheid mogelijk maakt. Daarbij hoort volgens de VNG handreiking Bedrijven en Milieuzonering de volgende aanpak:
In deze situatie dient primair te worden beoordeeld of hinder te verwachten is van de specifieke bestaande bedrijven. Deze beoordeling is met name gebaseerd op de Wet Milieubeheer en het Activiteitenbesluit. Daarnaast zal moeten worden meegewogen of ter plaatse van de nieuwe milieugevoelige functies bij eventuele vestiging van een nieuw bedrijf op het bestaande bedrijfsperceel een probleemsituatie ontstaat. Deze afweging vindt met name plaats op basis van de richtafstanden van Bedrijven en Milieuzonering.
Deelgebied J ligt aan de rand van de woonwijk Triangel langs de spoorlijn Alphen aan den Rijn en Gouda. In de directe omgeving van het plangebied, aan de oostelijke zijde van de spoorlijn is het bedrijventerrein "Coenecoop" gevestigd. Tussen de spoorlijn en het te ontwikkelen gebied is een groenstrook voorzien. Deze groenstrook vormt een ruimtelijke barriere tussen het bedrijventerrein Coenecoop en de woningbouwlocatie. Dit neemt niet weg dat de woningen in de onmiddellijke nabijheid liggen van bedrijventerrein Coenecoop en de spoorlijn. Het gebied langs de spoorlijn wordt aangemerkt als gemengd gebied ondanks dat in de woonwijk geen bedrijvigheid is toegestaan. Dit omdat er in de directe omgeving sprake is van verschillende bestemmingen: naast Wonen en Groen ook de bestemmingen Bedrijventerrein, Verkeer, Water en Spoorwegdoeleinden.
Rondom het plangebied zijn de volgende bedrijfsmatige activiteiten aanwezig:
Bedrijventerrein Coenecoop
Op bedrijventerrein Coenecoop is de vestiging van bedrijven met een milieucategorie 3.1, 3.2 en 4.1 mogelijk, Bevi bedrijven zijn niet toegestaan. Langs de rand van bedrijventerrein Coenecoop nabij deelgebied J zijn alleen bedrijven in milieucategorie 3.1 en 3.2 toegestaan.
Aan beide zijde van spoorlijn Alphen aan den Rijn-Gouda is een groenbestemming opgenomen i.v.m. de aanwezigheid van een ondergrondse gasleiding. Deze groenstroken zorgen samen met de spoorlijn voor een buffer tussen bedrijventerrein Coenecoop en deelgebied J. Ter hoogte van deelgebied J zijn in Coenecoop maximaal milieucategorie 3.1 bedrijven toegestaan met een zone van 30 meter. De groenstrook aan beide zijde van de spoorlijn zorgt ervoor dat de minimale afstand tussen het bestemmingsvlak bedrijven op Coenecoop en de woonbestemming in deelgebied J 36 meter is.
Hiermee wordt ruim voldaan aan de richtafstand voor een gemengd gebied. Ten noorden en ten zuiden van het bestemmingsvlak waar 3.1 bedrijven zijn toegestaan zijn 3.2 bedrijven toegestaan met een zone van 50 meter. Deze bedrijven liggen echter op een afstand van ruim 60 meter. Ook hiermee wordt ruim voldaan aan de richtafstand voor een gemengd gebied.
Er wordt voldaan aan de richtafstand van de VNGrichtlijn. Hierdoor kan ervan uit worden gegaan dat de woningen niet gehinderd worden door de bedrijven in Coenecoop. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening en een goed woon- en leefklimaat. Verder kan gesteld worden dat de bedrijven die ruimtelijk mogelijk zijn op het bedrijventerrein Coenecoop niet worden gehinderd in hun bedrijfsactiviteiten door het realiseren van de woningbouw op deelgebied J omdat in ieder geval aan de richtafstanden uit de VNG-richtlijn wordt voldaan.
Figuur - schematische weergave van de zones in het kader van bedrijven en milieuzonering.
Gasdrukmeet- en regelstations
Achter de Tuinbouwweg ligt een gasdrukmeet- en regelstations (met huisnummer 6)). De afstand van deze stations valt niet onder het Bevi. Wel zijn de veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing. Er wordt voldaan aan de afstanden van het Activiteitenbesluit.
Ten aanzien van het aspect geluid is een nader akoestisch onderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is berekend wat de geluidsbelasting is van dit gasdrukmeet- en regelstation op te realiseren woningen. De conclusie van dit onderzoek was dat de geluidsbelasting op de meest nabij gelegen woonbestemming 16 dB lager is dan de normstelling van 50 dB(A). Het goede woon- en leefklimaat is derhalve gewaarborgd en het gasdrukmeet- en regelstation wordt niet in haar werking belemmerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 4.
Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico's op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vormen op dit moment het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico's. Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden vastgelegd. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, etc.) worden de eventuele gevolgen van deze risico's zoveel mogelijk beperkt.
Plaatsgebonden risico (PR)
Als "harde afstandseis" voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd.
Groepsrisico (GR)
Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron. De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht.
In 2011 is er voor het gehele plangebied Triangel een verantwoording groepsrisico opgesteld ('Verantwoording groepsrisico Triangel gemeente Waddinxveen, 23 december 2011', versie 8 juli 2014). Deze verantwoording is als basis gebruikt voor dit externe veiligheid advies.
Inrichtingen
Aan de Tweede Bloksweg 54 ligt het bedrijf Vis Waddinxveen B.V. Binnen deze inrichting is een propaantank met een maximale inhoud van 13 m3 toegestaan. Omdat de tank niet groter is dan 13 m3 valt deze inrichting niet onder het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi). Het invloedsgebied reikt ook niet tot het plangebied. Deze inrichting vormt dus geen belemmering voor het plangebied.
Ten zuiden van de A12 bevinden zich 4 windturbines. Gezien de afstand tot het plangebied (minimaal 1200 meter) vormen deze met het oog op de externe veiligheid geen belemmering voor het plangebied.
Direct ten noorden van deelplan J ligt een gasontvangststation (GOS) van de Gasunie. Voor dit GOS geldt conform het activiteitenbesluit Milieubeheer een veiligheidsafstand van 25 meter. In het plan is hier rekening mee gehouden en zijn binnen deze afstand geen nieuwe woningen voorzien.
Transport over de weg
Ten zuiden van deelplan J is de snelweg A12 gelegen op meer dan 880 meter afstand. In verband met ruimtelijke ontwikkelingen is een zone van 200 meter langs de weg belangrijk. Het plangebied ligt daar ruim buiten. Op deze afstand is alleen het toxisch scenario relevant. In de volgende paragraaf staan de maatregelen voor dit scenario beschreven.
Daarnaast is de Beijerincklaan de aanvoerroute voor het lpg-tankstation aan de Dreef in Waddinxveen. De te bouwen woningen komen op meer dan 200 meter afstand van deze route. Hiermee is de afstand voor externe veiligheid voldoende om geen verdere maatregelen te nemen.
Figuur - Situatie externe veiligheid Triangel deelgebied J
Transport over het spoor
Ten oosten van het plangebied is de spoorlijn Gouda . Alphen aan den Rijn gelegen. Over deze spoorlijn worden geen relevante hoeveelheden gevaarlijke stoffen vervoerd. Deze spoorlijn vormt dus geen belemmering voor het plangebied.
Transport per buisleiding
Ten noordoosten van het plangebied is een hogedruk aardgasleiding gelegen. Het invloedsgebied valt voor een deel over het plangebied (zie bovenstaande figuur). In 2011 zijn voor het plan 'Triangel Noordpunt' risicoberekeningen uitgevoerd voor deze gasleiding. Uit deze berekeningen blijkt dat er geen sprake is van een plaatsgebonden risicocontour 10-6 ter hoogte van het plangebied. Het groepsrisico is, rekening houdend met volledige invulling van Triangel, ruim kleiner dan 0,1 maal de orientatiewaarde.
Conform de "Beleidsnota externe veiligheid Waddinxveen" moeten 'zeer kwetsbare objecten' (bijvoorbeeld basisscholen, kinderdagverblijven, enz.) worden uitgesloten binnen de 100% letaalzone van hogedruk aardgasleidingen. Dergelijke functies zijn binnen deelplan J niet toegestaan (alleen woningen).
Transport over het water
In de nabijheid van het plangebied zijn geen vaarwegen gelegen die relevant zijn in het kader van externe veiligheid
In de verantwoording groepsrisico uit 2011 (herziene versie 8 juli 2014) is opgenomen dat de onderstaande maatregelen genomen moeten worden bij de uitwerking van verschillende delen van de woonwijk.
Alle deelgebieden
Zelfredzaamheid
Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijk hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en vluchten.
De mogelijkheden van zelfredzaamheid zijn afhankelijk van het scenario dat zich voordoet. Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van de gebouwen en de omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Het gaat om goede schuilmogelijkheden en vluchtmogelijkheden.
Schuilmogelijkheden -> uitschakelbare ventilatie
Voor alle gebieden geldt dat het toxisch scenario relevant is, omdat bij een incident giftige stoffen zich over grote afstand kunnen verspreiden. Gebouwen waar mensen verblijven moeten worden voorzien van de mogelijkheid om de mechanische ventilatie met een druk op de knop uit te schakelen.
Hiermee wordt voorkomen dat bij een incident toxische (rook)gassen naar binnen worden gezogen. Deze maatregel zal in de omgevingsvergunningen (activiteit bouwen) worden opgenomen. Deze maatregel is ook als verplichting opgenomen in het 'Besluit bouwwerken leefomgeving' onder de Omgevingswet (art. 4.124, lid 4).
Vluchtmogelijkheden
Bij de inrichting van het plangebied moet rekening worden gehouden met voldoende vluchtwegen van de risicobronnen af. Dit kan gerealiseerd worden door de infrastructuur loodrecht op de risicobronnen te projecteren en zorg te dragen voor meerdere vluchtwegen.
Bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid
Bluswatervoorzieningen moeten aangelegd worden conform de adviezen van de Veiligheidsregio. Wat betreft bereikbaarheid zijn in het 'Besluit Veiligheidsregio's' opkomsttijden aangegeven voor verschillende functies. Voor de Triangel wordt niet voldaan aan deze wettelijke opkomsttijden. Het gemeentebestuur moet op het punt van het niet voldoen aan de opkomsttijden een afweging maken. Hierbij moeten ook eventueel te nemen maatregelen worden overwogen (bijvoorbeeld snellere toegang voor de hulpdiensten tot het plangebied, woningsprinklers, enz.). Het is uiteindelijk aan het bestuur van de Veiligheidsregio om voor bepaalde locaties afwijkende opkomsttijden vast te stellen (art. 3.2.1 lid 2, Besluit Veiligheidsregio's).
Deelplan J ligt deels binnen het invloedsgebied van een hogedruk aardgasleiding. Het plaatsgebonden risico en groepsrisico vormen geen belemmering. "Zeer kwetsbare gebouwen" zijn niet toegestaan in deelplan J.
Wel moet in het kader van de te verlenen omgevingsvergunning bouwen, in overleg met de Veiligheidsregio, nader worden ingegaan op de bereikbaarheid van het plangebied (niet voldoen aan de wettelijke opkomsttijden). Daarnaast moeten de woningen worden uitgevoerd met de mogelijkheid om de mechanische ventilatie met een druk op de knop uit te schakelen.
In opdracht van de gemeente heeft Fugro NL Land B.V. op 13 december 2018 de rapportage 'Trillingsonderzoek Park De Triangel' uitgevoerd ten behoeve van de uitwerkingsplannen Park Triangel J en G1+G2. Binnen deze plannen zijn woningen op een kortere afstand van het spoor gelegen dan de woningen uit het voorliggend plan. In het rapport worden de onderstaande conclusies getroffen:
De kortste afstand van de meest nabij het spoor gelegen woningen in onderhavig plangebied tot het spoor is circa 40 meter. Gelet op de afstanden van de woningen uit dit plan tot het spoor wordt voor dit plan ook niet verwacht dat noch risico op schade nog hinderbeleving zal optreden.
Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen.
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen.
Als bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging en de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft (Wbb):
Een onderzoeks- en saneringstraject heeft soms grote financiele consequenties voor de beoogde plannen. Enerzijds omdat de kosten van sanering hoog kunnen zijn, anderzijds omdat deze trajecten van grote invloed kunnen zijn op de planning. In het kader van de Grondexploitatiewet dienen deze kosten tijdig in kaart te worden gebracht. Het is daarom aan te bevelen reeds in een vroeg stadium van de planvorming een (historisch) bodemonderzoek voor het hele plangebied uit te voeren. Deze bodemonderzoeken zijn ook noodzakelijk bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen.
Bij de realisatie van ruimtelijke plannen is vaak grondverzet noodzakelijk. Dit grondverzet is door het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. De gemeente Waddinxveen beschikt over een vastgestelde bodemkwaliteitskaart en bijbehorende Nota Bodembeheer. Uitgangspunt is dat bij hergebruik van grond de kwaliteit moet aansluiten bij de functie ter plaatse. Nagenoeg alle grondverzet dient te worden gemeld bij het Meldpunt Bodemkwaliteit (www.meldpuntbodemkwaliteit.nl). Daarnaast dient te worden aangesloten aan de vigerende wetgeving ten aanzien van PFAS.
Van het plangebied is aan de hand van een recent uitgevoerd historisch bodemonderzoek alle relevante bodeminformatie verzameld. In de volgende paragraaf wordt de bekende bodeminformatie besproken. In de onderstaande afbeeldingen zijn de bekende bodeminformatie van het plangebied op tekening weergegeven.
Afbeelding - Bodeminformatiekaart
Toelichting op bodeminformatiekaart
Omdat de voorgaande uitgevoerde bodemonderzoeken ouder zijn dan 5 jaar is voor het huidige plangebied een actualiserend historisch bodemonderzoek uitgevoerd door Ingenieursbureau Land (kenmerk R01-77878.11-TST, d.d. 19 juni 2020).
Tanks
Uit het onderzoek blijkt dat er binnen het plangebied ter plaatse van Tuinbouwweg 10 een bovengrondse tank aanwezig is geweest. Deze tank heeft een verontreiniging met minerale olie veroorzaakt. Echter de omvang van de sterke verontreiniging met minerale olie is niet groter dan 25 m3 grond en/of 100 m3 grondwater waardoor er geen verplichting bestaat om de verontreiniging te saneren.
Voormalige bedrijven
Uit het onderzoek blijkt dat er in het verleden binnen het plangebied een aantal bedrijven aanwezig zijn geweest waar potentieel bodembedreigende activiteiten zijn uitgevoerd. Het betreft de volgende locaties:
Naast genoemde activiteiten zijn er een aantal activiteiten die niet bodembedreigend zijn of die reeds voldoende zijn onderzocht. Deze worden daarom hier verder niet beschreven.
Huidige bedrijven
Uit het onderzoek blijkt dat er binnen het plangebied geen bedrijven meer gevestigd zijn.
Bodemonderzoekslocaties
Uit het onderzoek blijkt dat binnen of overlappend met het plangebied meerdere bodemonderzoekslocaties aanwezig zijn. Alleen de onderzoekslocaties waar nog een vervolgonderzoek noodzakelijk is worden besproken:
Grondverzet
De gemiddelde bodemkwaliteit op onverdachte percelen binnen het plangebied is vastgelegd in de bodemkwaliteitskaart. Het plangebied is gelegen in zone 7 (Recente uitbreidingen) en zone 15 (Kantoren, bedrijven na 1990 en kassen). De gemiddelde kwaliteit van de bovengrond (0,0 - 0,5 m -mv) en ondergrond (0,5 . 2,0 m -mv) voldoet aan de klasse Landbouw/natuur. Dit betekent dat vrijkomende grond van onverdachte locaties zonder keuring in de gehele regio Midden- Holland kan worden hergebruikt op basis van de Nota bodembeheer Midden-Holland. Daarnaast dient te worden voldaan aan de vigerende wetgeving ten aanzien van PFAS.
Voor het toepassen van grond van buiten het plangebied moet worden aangesloten bij de functie die het gebied heeft. Deze functies zijn aangegeven op de kaart met toepassingswaarden. Raadpleeg hiervoor de Atlas Omgevingsdienst Midden-Holland.
Ten aanzien van de geplande bestemmingswijziging en herinrichting is de bodem van de locatie momenteel voldoende onderzocht. Op basis van de huidige gegevens kan worden geconcludeerd dat er binnen het plangebied geen grootschalige bodemverontreinigingen zijn te verwachten die een mogelijke belemmering zijn voor de herontwikkeling van het gebied. Er zijn wel lokale verontreinigingen die in het bouwfase moeten worden gesaneerd. Die locaties zijn geschikt mits die verontreinigingen zijn opgelost.
Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd: archeologisch erfgoed betreft onvervangbaar onderdeel van ons cultureel erfgoed. De Erfgoedwet legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. De taken in het kader van de Erfgoedwet behelzen o.a. het meewegen van archeologie in de besluiten op het gebied van de Ruimtelijke Ordening (zoals omgevingsvergunning) en de koppeling tussen bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen.
De Erfgoedwet verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De feitelijke bescherming daarvan krijgt gestalte door het opnemen van voorschriften in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van een omgevingsvergunning voor bodem verstorende activiteiten in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Deze voorschriften kunnen betrekking hebben op archeologisch vooronderzoek dat de aanvrager van de vergunning moet laten uitvoeren. Aan de vergunning zelf kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden, met als uiterste de verplichting tot planaanpassing of het laten verrichten van een opgraving.
De gemeente Waddinxveen heeft een eigen vastgesteld archeologiebeleid (november 2012). Er is een beleidsadvieskaart gemaakt waar per gebied is aangegeven of en wanneer archeologisch (voor)onderzoek verplicht is. Wanneer een archeologisch onderzoek niet verplicht is, zijn er geen belemmeringen van archeologische aard voor de voorgenomen ontwikkelingen. Wanneer een archeologisch onderzoek verplicht is, dienen verschillende stappen van onderzoek en besluitvorming gevolgd te worden. Deze stappen worden beschreven in de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg.
In 2018 is de archeologische beleidsadvieskaart geactualiseerd en opgenomen in het bestemmingsplan Parapluplan Archeologie en Parkeren (vastgesteld op 19 september 2018). Op basis van archeologisch onderzoek en nieuwe informatie over de ondergrond zijn zones met een archeologische verwachting opnieuw vastgesteld.
In het kader van het bestemmingsplan Triangel, deelgebied J, wordt inzicht gegeven in de verwachtingswaarden en bijbehorend beleid in het bestemmingsplangebied. Hiervoor zijn de volgende bronnen geraadpleegd:
In de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Waddinxveen. In het plangebied zijn twee zones met een archeologische verwachting aanwezig:
Afbeelding - Uitsnede uit beleidsadvieskaart: rodecontour: plangebieden J; oranje: dubbelbestemming Waarde Archeologie 3 (WA3); gele ondergrond: gebied vrijgesteld van archeologisch onderzoek, geen dubbelbestemming.
In het kader van het moederplan Triangel is in 2004 een grootschalig archeologisch booronderzoek uitgevoerd (adviesbureau RAAP, rapport 1031) naar de dieper gelegen stroomgordel. Er zijn in totaal 140 diepe grondboringen gezet. In 2012 is een grootschalig bureauonderzoek uitgevoerd naar eventuele resten van een Duitse tankgracht (adviesbureau RAAP, rapport 4330). Uit beide onderzoeken blijkt dat binnen het plangebied de kans zeer gering is op de aanwezigheid van intacte waardevolle archeologische resten. Voor het plangebied geldt nu een lage archeologische verwachting en daarom kan de dubbelbescherming waarde Archeologie 3 (uit het bestemmingsplan) vervallen.
Het plangebied is voldoende archeologisch onderzocht en daarom is een archeologische dubbelbestemming en/of een onderzoek niet meer nodig.
Om natuurwaarden in Nederland te beschermen gelden de landelijke wetten: de Wet natuurbescherming (Wnb), en de WRO (Natuurnetwerk Nederland, voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Deze wetgeving is voor een deel verwerkt in provinciaal beleid, te weten: Verordening uitvoering Wet natuurbescherming (2016) en Beleidsregel Wet natuurbescherming (2016), Omgevingsverordening Provincie Zuid-Holland (2021); natuurbeheerplan 2021 en Provinciaal Compensatiebeginsel 2013.
Wet natuurbescherming (Wnb)
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) van kracht. De wet maakt onderscheid tussen gebieds-, soorten- en houtopstandenbescherming.
Het beschermingsregime gaat uit van het “nee, tenzij-principe“. Dit betekent dat de genoemde bepalingen in de Wnb verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming wordt verleend door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. Onder de Wnb zijn gedeputeerde staten van provincies bevoegd gezag voor ontheffing- of vergunningverlening. In de provincie Zuid-Holland is de Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) belast met de vergunningverlening, terwijl Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) de toezichts- en handhavingstaken uitvoert voor de Wnb.
Gebiedsbescherming
Het onderdeel gebiedsbescherming bevat instrumenten om op basis van effectstudies activiteiten in en rondom Natura 2000-gebieden af te wijzen, dan wel toe te staan op basis van een melding of een vergunning. In artikel 2.7 staat dat het verboden is zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. De wet schrijft verder voor dat onder voorwaarden een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelen van dat gebied. voor het voornemen noodzakelijk is (artikel 2.8). In een eventueel verkregen vergunning zijn aan handelingen die een negatief effect hebben op een Natura 2000-gebied voorwaarden verbonden om schade aan natuurwaarden te voorkomen en te compenseren. Het uitvoeren van een passende beoordeling kan ook leiden tot het opstellen van een Plan-mer bij het doorlopen van een planologische procedure.
Soortenbescherming
In de wet zijn verbodsbepalingen opgenomen ten aanzien van beschermde flora en fauna. Activiteiten waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, dienen voorkomen te worden, bijvoorbeeld door het treffen van mitigerende maatregelen of het werken met een goedgekeurde gedragscode. Als dit niet mogelijk is, dan is het uitvoeren van een dergelijke activiteit alléén toegestaan met een ontheffing van het bevoegd gezag, de gedeputeerde staten van de provincies. Een mitigatieplan of ontheffing moet verkregen zijn, voorafgaand aan de start van de uitvoeringsfase. Bij de plantoets voor een bestemmingsplan dient aannemelijk te worden gemaakt met ecologisch onderzoek, dat een eventuele ontheffingsaanvraag voldoende onderbouwd kan worden en verwacht mag worden dat de ontheffing wordt verleend door het bevoegd gezag.
Voor enkele soorten is een vrijstelling verleend bij de uitvoering van handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud. Deze soorten staan opgenomen in de provinciale Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland (vastgesteld op 9 november 2016).
Zorgplicht
In aanvulling op bovenstaande bevat de Wnb de zorgplicht, die stelt dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen voor beschermde gebieden, flora of fauna veroorzaakt, verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken.
Stikstofregelgeving
Externe effecten op Natura 2000-gebieden zijn aanleiding geweest voor het Rijk om nadere regels in te stellen. Na de uitspraak van de Raad van State waarin de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) onderuit ging, zijn de Spoedwet aanpak stikstof (SAS) in 2020 en de Wet stikstofreductie en natuurverbetering per 1 juli 2021 ingevoerd. De nieuwe werkwijze is vertaald naar de nieuwe beleidsregels van de Provincie Zuid-Holland in juli 2021 die de procedure voor de vergunningverlening beschrijft. Aanlegwerkzaamheden zijn nu niet langer vergunningplichtig. Daarvoor is een vrijstelling van vergunningplicht in gevoerd.
Er zijn diverse onderzoeken in het plangebied uitgevoerd. Bij vaststelling van het moederplan zijn onderzoeken van Van der Helm gebruikt (v/d Helm 2012a, QS en aanvullende inventarisatie vissen en ongewervelden, v/d Helm 2012b aanvullend vleermuisonderzoek en v/d Helm 2016 QS Linten 7/Tuinbouwweg 22). Later zijn actualisaties door ODMH d.d. 12 december 2016 (kenmerk 2016284410) en Laneco d.d. 15 maart 2021 (kenmerk 06.20.26, zie Bijlage 6 met daarbij behorende Bijlage 7, Bijlage 8 en Bijlage 9) opgeleverd. Deze quickscans concludeerden dat in de uitwerking van de deelfases nader onderzoek nodig was bij sloop, kap van bomen en dempen van watergangen. Daarom zijn voor de uitwerking/vaststelling van deelgebied J nadere onderzoeken verricht naar vleermuizen en vogels met jaarrond beschermde nesten, te weten ransuil, steenuil, torenvalk (categorie 5) en buizerd.
In aanvullende onderzoeken (zie Bijlage 10 en Bijlage 11) van Habitus naar ransuil (21 augustus 2019 met kenmerk TRIA2019-1-NOT) en Laneco naar vleermuizen, buizerd en steenuil (23 september 2021 met kenmerk 06.20.26) is nader onderzocht of uit de beoogde activiteiten een ontheffingsplicht volgt.
Gebiedsbescherming
In de onderzoeken van ODMH is beoordeeld hoe het bebouwen van Triangel de natuurdoelsoorten van het Vogelrichtlijngebied ‘Broekvelden, Vettenbroek en Polder Stein’ beïnvloedt.
Als we naar externe effecten door stikstofuitstoot kijken zijn twee ontwikkelingen van belang. De nieuwe wet- en regelgeving en de aangekondigde aanwijzing van Polder Stein als stikstofgevoelig gebied. Polder Stein wordt als stikstofgevoelig aangewezen tijdens de geldigheidsduur van het bestemmingsplan.
Op dit moment, oktober 2021, kan geen representatieve berekening worden uitgevoerd voor de stikstofeffecten die de nieuwbouw van deelfase J tot gevolg heeft. Wel kan ruwweg worden ingeschat dat geen negatief effect onder de huidige stikstofregels optreedt, op basis van de Aeriusberekeningen die voor deelfase H en I zijn uitgevoerd (zie bijlagen bij ODMH Triangel milieuhoofdstuk uitwerkingsplan H en I, d.d. 7 februari met kenmerk 2019553963). Deze deelgebieden liggen op vergelijkbare afstand van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Belangrijk is dat bij die berekening de aanlegfase, die verreweg veel meer stikstofuitstoot veroorzaakt, is meegerekend. Dit is voor deelfase J niet langer het geval, omdat alle aanlegactiviteiten sinds 1 juli 2021 vrijgesteld zijn van vergunningplicht onder de Wsn.
Als het gaat om aanwijzing van Polder Stein dan is dat eerder in de risicoanalyse voor Triangelfasen H en I meegenomen. Uit die berekening blijkt dat de activiteiten in locatie Triangel geen vergunningplicht op basis van stikstof hebben. Desondanks willen we meegeven, dat het altijd verplicht is bij de omgevingsvergunningaanvraag te toetsen aan het dan geldende kader. Het kan nodig blijken om dan opnieuw met het geüpdatete rekenmodel Aerius een berekening op te stellen.
Het plangebied maakt voorts geen onderdeel uit van Natuurnetwerk Nederland en/of belangrijk weidevogelgebied. Compensatie voor deze beschermde gebieden is niet aan de orde.
Soortenbescherming
Uit de geactualiseerde quickscan van Laneco uit 2021 (Bijlage 13) blijkt dat ontheffingsplicht voor vissen, amfibieën, reptielen, ongewervelden en planten niet aan de orde is.
Uit de nadere onderzoeken van Laneco is gebleken dat schade aan verblijfplaatsen van vleermuizen en nesten van buizerd en steenuil binnen het plangebied uitgesloten kunnen worden. De beperkte aanwezigheid van vleermuizen duidt op een bescheiden functie van de groene tuinen langs de Tuinbouwweg als foerageergebied. Deze tuinen blijven behouden. De resultaten laten verder zien dat geen sprake is van een essentiële trekroute van vleermuizen door het plangebied. Verblijfplaatsen zijn uitgesloten in de quickscan. De te kappen bomen en de te slopen schuur zijn hiervoor ongeschikt. De aangetroffen nest(kast)en waren niet in gebruik door steenuil en buizerd. In het onderzoek is wel gezien dat een torenvalk broedde binnen het plangebied. Deze zal een alternatieve plek buiten het plangebied krijgen (opgenomen in correspondentie van Laneco namens Park Triangel met ODH 2021).
Het areaal weiland wat als foerageergebied voor smient fungeert, neemt licht af. Uit de GIS-analyse blijkt dat de beoogde woningbouw in de Triangel zorgt voor een kleine afname in het foerageergebied voor de kleine zwaan en smient, te weten circa 0,1%. De GIS analyse (ODMH 2011, kenmerk 201134490) is in de Bijlage 12 opgenomen. Een klein deel van de gevonden afname betreft deelplan J. Verder blijkt dat de ontwikkelingen in Triangel, los van omringende ruimtelijke ontwikkelingen, geen significant effect veroorzaken door een afname van foerageergebied van smienten uit Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein. Voor de kleine zwaan geldt dit ook. De afname van het foerageergebied is voor beide soorten nagenoeg gelijk. Een vergunningsplicht is niet aan de orde (zie Bijlage 12).
De ransuil heeft een nest in het plangebied van Deelgebied J; de nestboom kan enkel gekapt worden wanneer hiervoor een ontheffing is verkregen. De ontheffing is aangevraagd bij het bevoegd gezag, Omgevingsdienst Midden-Holland. Bij de uitvoering zal rekening worden gehouden met de voorwaarden in de ontheffing.
Aanbevelingen in het kader van de zorgplicht:
Het onderzoek naar gebiedsbescherming concludeert dat volgens de huidige toetskaders geen belemmeringen optreden. Voor soortenbescherming moet rekening worden gehouden met de ransuil en de zorgplicht. De aanbevelingen voor soorten zonder ontheffingplicht zijn hierboven, bij Resultaten - soortenbescherming, opgenoemd.
Voor de ransuil moet nog een ontheffing verkregen worden. Een ontheffing wordt afgegeven door het bevoegd gezag Wnb. In een ontheffing zitten voorwaarden die van toepassing zijn op de uitvoeringsfase van het plan.
De soortenbescherming en gebiedsbescherming staan de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg. De ontheffing en zorgplicht geven randvoorwaarden waarbinnen de ontwikkeling juridisch haalbaar is.
Provincie Zuid-Holland heeft in de Provinciale Structuurvisie en in de Provinciale Milieuverordening het provinciaal milieubelang beschreven. Ruimtelijke plannen worden doorgaans na publicatie van het ontwerpbesluit aan de Provincie toegestuurd. De Provincie toetst dan of het provinciaal belang in het geding is en of er mogelijk in strijd met het provinciaal belang wordt gehandeld.
In dit hoofdstuk wordt reeds een voortoets voor het provinciaal milieubelang uitgevoerd. Daarmee wordt tijdig zicht gekregen op strijdigheden en waar mogelijk worden oplossingsrichtingen benoemd.
Het provinciaal milieubelang heeft betrekking op vier thema's:
Getoetst wordt of bij het voorgenomen bestemmingsplan het provinciaal belang in het geding is. Zo ja, dan wordt bekeken of er mogelijk sprake is van strijdigheid met het provinciaal belang. Het plangebied ligt niet in een stiltegebied of zoeklocatie voor windenergie. Eveneens zijn er geen bedrijventerreinen in de buurt met HMC-bedrijven of is het beschermen van grote groepen mensen in het geding.
Er is geen provinciaal milieubelang in het geding.
Voor het plan Triangel deelgebied J wordt voor wat betreft het parkeervraagstuk uitgegaan van een informeel rustig, dorps woonmilieu. Dat betekent dat in de woonstraten slechts aan één zijde wordt geparkeerd in de daartoe aangegeven vakken langs de weg.
Afbeelding - geplande openbare en privé parkeerplaatsen (bron: stedenbouwkundig plan)
Bewoners parkeren op eigen terrein, in de parkeerhoven binnen de bouwblokken of langs de straat. Bezoekers parkeren langs de straat. In de parkeerhoven is minimaal één toegewezen plek per woning.
In het stedenbouwkundig plan wordt met de parkeerbalans voldaan aan de gemeentelijk vastgestelde normen, in de vorm van het Parapluplan Archeologie en Parkeren (vastgesteld op 19 september 2019).
Op basis van de gemeentelijke parkeernormen wordt een parkeerbehoefte van bijna 313 parkeerplaatsen berekend. Op grond van de voorliggende verkaveling zijn 314 parkeerplaatsen aanwezig.
Conclusie
Het plan voldoet aan het parkeerbeleid en daarmee vormt het aspect parkeren geen belemmingering voor het bestemmingsplan.
In dit hoofdstuk worden, voor zover dit nodig en wenselijk wordt geacht, de van het uitwerkingsplan deel uitmakende regels van een nadere toelichting voorzien. De regels behorende bij dit uitwerkingsplan geven inhoud aan de aangegeven bestemming. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen gebruikt mogen worden en wat en hoe er gebouwd mag worden.
Gestreefd is naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en planregels. Het plan sluit daarom aan bij de vormvereisten van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) en het recent vastgestelde bestemmingsplan voor de bebouwde kom van Waddinxveen.
De regels van het onderhavige uitwerkingsplan zijn ingedeeld in vier hoofdstukken, conform de systematiek in de SVBP2012, versie 1.3.1 (Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen 2012), te weten:
In deze paragraaf wordt per bestemming een korte toelichting gegeven op de bestemmingsregeling. In voorliggend bestemmingsplan komende volgende bestemmingen voor:
De groenstroken langs de hoofdinfrastructuur van de wijk hebben de bestemming 'Groen' gekregen. Binnen deze bestemming zijn groenvoorzieningen wegen, voetpaden, fietspaden en watergangen, speelvoorzieningen enz. toegestaan.
De gronden met de bestemming Verkeer - fietspad zijn bestemd voor verkeersvoorzieningen voor fietsers en voetgangers. Deze bestemming is opgenomen om te waarborgen dat, zoals in het stedenbouwkundig ontwerp ook opgenomen is, er geen autoverbinding tussen Deelgebied J en de Tuinbouwweg aangelegd kan worden. Hier kunnen op deze wijzen enkel fiets- en voetgangerverbindingen (inclusief bijbehorende voorzieningen) worden gerealiseerd.
De gronden met de bestemming ‘Wonen’ zijn bestemd voor wonen.
Deze bestemming is opgenomen om het feitelijk gebruik van betreffend perceel planologisch te borgen. Hierbij hebben de regels een conserverend functie.
Bij de woonfunctie zijn aan huis- verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten onder voorwaarden toegestaan. In de gebruiksregels zijn voorwaarden opgenomen voor de aan-huis-verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten. Er is onder andere bepaald dat maximaal 30% van de woning en de bijbehorende bouwwerken mag worden gebruik voor aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven, tot een maximum van 50 m2.
De bestemming 'Wonen' regelt niet het type woning (aaneengebouwd, half-vrijstaand of vrijstaand), met uitzondering van gestapelde woningen. Gestapelde woningen zijn alleen toegestaan indien specifiek aangeduid op de verbeelding. Uitsluitend het bestaande aantal woningen is binnen de bestemming toegestaan.
Op de verbeelding zijn binnen deze bestemming bouwvlakken aangegeven waarbinnen de hoofdgebouwen dienen te worden gesitueerd. De bouwvlakken zijn gebaseerd op de geldende en feitelijke situatie. Op de verbeelding zijn de maximale goot- en bouwhoogten aangegeven.
Buiten het bouwvlak zijn bijbehorende bouwwerken (aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) toegestaan. Hierbij geldt dat de gronden buiten het bouwvlak voor maximaal 50% mogen worden bebouwd, tot een maximum van 50 m2. Op basis van het Besluit omgevingsrecht kan vergunningvrij meer worden gebouwd in het achtererf. Op percelen groter dan 500 m2 mogen, afhankelijk van de perceelsgrootte, meer bijbehorende bouwwerken worden gebouwd.
In de regels zijn nadere voorwaarden gegeven voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Het grootste deel van de gronden binnen het plangebied heeft de bestemming 'Woongebied' gekregen. Op de verbeelding is middels een bestemmingsvlak aangegeven binnen welk gebied gebouwd mag worden. Binnen deze bestemming toegestaan:
De gronden met de bestemming Leiding - Gas zijn mede bestemd voor de belemmeringenstrook van de in de nabijheid gelegen aardgastransportleiding. Dit om de belangen van de gasleiding te borgen.
In dit artikel zijn de parkeerregels opgenomen. Deze komen er op neer dat het parkeerbeleid van de gemeente dient te worden toegepast bij nieuwe bouwplannen en functiewijzigingen.
Daarnaast is in dit artikel een gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - bedrijf' opgenomen, ten behoeve van de bescherming van het nabijgelegen gasstation. Dit gasstation heeft een veiligheidszone waarbinnen geen kwetsbare objecten zijn toegestaan. Deze zone ligt aan de noordelijke zijde in een beperkt deel van het plangebied.
De gemeente heeft samen met BPD (voorheen Bouwfonds) een gemeenschappelijke exploitatie maatschappij (GEM) opgericht voor de ontwikkeling van Park Triangel. Voor deze ontwikkeling is een gezamenlijke grondexploitatie opgesteld conform de samenwerkingsovereenkomst van maart 2010 tussen de gemeente Waddinxveen en BPD. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd.
In een vroegtijdig stadium heeft C.V. Park Triangel de omgeving bij de planvorming voor de gehele ontwikkeling van De Triangel betrokken. Geregeld worden informatiebijeenkomsten georganiseerd door Triangel of ontwikkelaars in verband met verkoop van panden. De bekendmaking gebeurt op gebruikelijke wijze door een publicatie in de Staatscourant, het weekblad Hart van Holland en op de gemeentelijke website.Via de website www.parktriangel.nl wordt regelmatig informatie gepost over de stand van zaken van bouwplannen.
Ter inzage legging en vooroverleg
Het ontwerp van dit uitwerkingsplan heeft vanaf 23 februari 2022 tot en met 6 april 2022 ter inzage gelegen. Tijdens de ter inzage legging van het ontwerp zijn acht zienswijzen ontvangen. Evenuteel ingediende zienswijzen en de reactie daarop zijn in de Nota van beantwoording zienswijzen verwerkt.
Gelijktijdig met de terinzagelegging is het uitwerkingsplan voor advies voorgelegd aan de wettelijk verplichte relevante overlegpartners. Ook deze inbreng is inclusief reactie hierop in de Nota van beantwoording zienswijzen verwerkt.
De Nota van beantwoording zienswijzen is opgenomen als Bijlage 14.