| Plan: | Bedrijventerreinen 2015 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0617.bpbt-vg01 |
Voor alle bedrijventerreinen binnen de kern van Strijen is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. Doel hiervan is om tot een actuele en eenduidige bestemmingsregeling te komen ter vervanging van de vigerende bestemmingsplannen.
Voor de bedrijventerreinen in Strijen gelden momenteel drie bestemmingsplannen. Voor de meest recente uitbreiding van de bedrijventerreinen (gelegen tegenover het gemeentehuis aan de Industriestraat), geldt bestemmingsplan Bedrijventerrein VI dat op 21 december 2004 door de gemeenteraad is vastgesteld. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) schrijft voor dat bestemmingsplannen iedere 10 jaar geactualiseerd dienen te worden. Dit houdt in dat bestemmingsplan Bedrijventerrein VI in 2014 geactualiseerd moet worden.
Voor het grootste gedeelte van de bedrijventerreinen in Strijen geldt het bestemmingsplan Bedrijventerreinen dat door de gemeenteraad op 15 december 2009 is vastgesteld. Hoewel er gelet op de recente totstandkoming geen noodzaak is om voor dit deel een nieuw bestemmingsplan op te stellen, kiest de gemeente er voor om voor alle bedrijventerreinen één actueel bestemmingsplan op te stellen waarin de verschillende regelingen op elkaar zijn afgestemd. Bovendien kan het bestemmingsplan dan aangepast worden aan alle recente landelijke (digitale) vereisten.
Het laatste deel betreft de percelen Industriestraat 18 tot en met 26 en Oud Bonaventurasedijk 59. Voor dit gebied geldt het bestemmingsplan Dorp III 2012 dat op 23 april 2013 is vastgesteld door de gemeenteraad. Gebleken is dat de bestemmingslegging van dit gebied (Wonen en Tuinen) niet geheel juist is. Ter plaatse is ook een enkel bedrijf gevestigd. In het onderhavige bestemmingsplan is dit gebied daarom opgenomen en bestemd conform de feitelijke situatie.
De nu geldende bestemmingsplannen en de daarin opgenomen regelingen zijn hoofdzakelijk gericht op het beheer van de bestaande situatie. Uitsluitend op bedrijventerrein VI is nog sprake van uit te geven kavels. Het doel van het onderhavige bestemmingsplan is dan ook het samenvoegen, uniformeren en actualiseren van de nu geldende bestemmingsplannen. De nu vigerende bouw- en gebruiksmogelijkheden worden overgenomen, tenzij het huidige overheidsbeleid, de huidige wet- en regelgeving en/of specifieke omstandigheden om aanpassing vragen. Er is dan ook sprake van een in hoofdzaak consoliderend bestemmingsplan. Ondanks het consoliderende karakter biedt het bestemmingsplan kaders voor individuele ontwikkelingen op perceelsniveau. Het bestemmingsplan biedt voldoende ruimte voor bedrijven die passen op een gemengd terrein, maar bevat tevens randvoorwaarden om de ruimtelijke kwaliteit van het gehele bedrijventerrein te bewaken en waar mogelijk te versterken.
Het plangebied ligt aan de noord- en oostzijde van de kern Strijen en bestaat globaal uit de bedrijventerreinen in de kern Strijen. De plangrenzen worden gevormd door de Trambaan aan de westzijde, de grens met de golfbaan aan de noordzijde en de Oud Bonaventurasedijk aan de oost- en zuidzijde. Tot het plangebied behoren ook de gronden van het tankstation aan de westzijde van de Trambaan. De precieze ligging en begrenzing van het plangebied zijn weergegeven in figuur 1.1
In hoofdstuk 2 komt allereerst het beleidskader aan bod. In dit hoofdstuk wordt het relevante ruimtelijke beleid van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente beschreven. In hoofdstuk 3 is een ruimtelijke analyse van het plangebied opgenomen. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens aandacht besteed aan de ruimtelijke opbouw van het gehele plangebied, een beknopte beschrijving van de verschillende te onderscheiden deelgebieden in het plangebied en de functionele analyse. In hoofdstuk 4 komen de aspecten milieu, water, verkeer, archeologie en ecologie aan bod. De economische uitvoerbaarheid komt in hoofdstuk 5 aan de orde. In hoofdstuk 6 is tot slot de juridische planbeschrijving weergegeven. In dit hoofdstuk wordt de wijze van bestemmen uiteengezet. Tevens wordt artikelsgewijs een beschrijving gegeven van de planregels en de bestemmingen.
In dit hoofdstuk komt het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie, de regio Hoeksche Waard en de gemeente aan bod. Aangegeven is in hoeverre het beleid van invloed is op het bestemmingsplan en hoe hiermee rekening is gehouden in de juridische regeling van het bestemmingsplan.
In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Voorgaande (hoofd)doelstellingen zijn in de structuurvisie vertaald naar nationale belangen. Deze zijn –direct of indirect– ook opgenomen in het Barro, waarmee zij juridisch doorwerken in bestemmingsplannen. De volgende rijksbeleidspunten zijn van toepassing op het plangebied:
Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.
Overheden die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk willen maken, moeten standaard een aantal stappen zetten die borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling wordt gekomen. Bij de ladder moet de regionale behoefte aangetoond worden (trede 1), of deze behoefte in bestaand stedelijk gebied opgevangen kan worden (trede 2), en of de locatie multimodaal (op meerdere manieren) is of kan worden ontsloten(trede 3).
Toetsing
Trede 1
In regionaal verband is uitgegaan van een planningsopgave van 30-35 ha bedrijventerrein in de Hoeksche Waard tot 2020. In het plangebied is hiervoor circa 2,5 ha beschikbaar. Het betreft hier Bedrijventerrein VI dat voor een deel nog ingevuld dient te worden.
Trede 2
Het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursvolgorde voor verstedelijking.
Trede 3
De locatie is passend multimodaal (auto, fiets, openbaar vervoer) ontsloten, gericht op de lokale bedrijfsfunctie (dit is nader onderbouwd in paragraaf 4.9.).
Conclusie Ladder voor duurzame verstedelijking (Rijksbeleid)
De ontwikkelingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, passen binnen de beleidskeuzes en de leidende principes uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en het Barro. Het beleid is gericht op intensieve benutting van bedrijfsgronden op bestaande bedrijventerreinen.
De mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, voldoen aan de uitgangspunten van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. De Visie ruimte en mobiliteit (VRM), vastgesteld op 9 juli 2014, geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer.
Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:
Bij de VRM horen: de Visie ruimte en mobiliteit, de Verordening ruimte, het Programma ruimte en het Programma mobiliteit.
4 rode draden
In de VRM zijn 4 thema's te onderscheiden:
1. beter benutten en opwaarderen van wat er is,
2. vergroten van de agglomeratiekracht,
3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit,
4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.
1. Beter benutten en opwaarderen
De provincie vangt de groei van de bevolking, de mobiliteit en de economische activiteit vooral op in de bestaande netwerken en bebouwde gebieden. Beter benutten en opwaarderen leidt tot een intensiever, compact ruimtegebruik.
2. Versterken stedelijk gebied (agglomeratiekracht)
Meer concentratie en specialisatie van locaties die onderling goed verbonden zijn, leidt tot de versterking van de kennis- en bedrijvencentra op het Europese en wereldtoneel. De provincie wijst in de VRM de concentratielocaties met goede ontsluiting aan. Daarnaast werkt de provincie aan een goede aantakking van de Zuid-Hollandse economie op het nationale, Europese en wereldwijde netwerken van goederen- en personenvervoer.
Detailhandel is een belangrijke drager voor levendige centra. De VRM concentreert winkels zoveel mogelijk in bestaande winkelgebieden om leegstand in de binnenstad te voorkomen.
3. Versterken ruimtelijke kwaliteit
Het provinciale landschap valt onder te verdelen in drie typen, gekenmerkt door veenweiden, rivieren en kust. Het verstedelijkingspatroon, de natuurwaarden en het agrarisch gebruik sluiten daarop aan. De provincie stelt de versterking van de kwaliteiten van gebieden centraal in het provinciaal beleid. Per nieuwe ontwikkeling zal voortaan eerst worden bekeken of het nodig is om het buiten bestaand stads – en dorpsgebied te realiseren.
De voorwaarde hierbij is dat de maatschappelijke behoefte is aangetoond en de nieuwe ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Bij ruimtelijke kwaliteit gaat het om een integrale benadering waarbij de samenhang tussen bruikbaarheid, duurzaamheid én belevingswaarde in acht wordt genomen.
4. Bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving
In de VRM zet de provincie in op de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Door ruimtelijke reserveringen te maken voor de benodigde netwerken en via haar vergunningen- en concessiebeleid, draagt de provincie hieraan bij.
Bedrijventerreinen
Voor bedrijventerreinen wil de provincie de match tussen vraag en aanbod verbeteren. De huidige mismatch is kwalitatief en kwantitatief van aard, en er is te weinig ruimte voor functiemenging. Herstructurering van bestaande terreinen en aanleg van nieuwe terreinen blijft nodig. Enkele regio's hebben een overschot aan bedrijventerreinen.
De vraag naar functiemenging in stedelijke gebieden neemt toe. De provincie wil ook ruimte bieden aan organische ontwikkeling en functiemenging vanuit een oogpunt van betere benutting en kwaliteitsverbetering van het bestaand stads- en dorpsgebied. Met name bedrijventerreinen met milieucategorie 1 en 2 lenen zich voor functiemenging. In mindere mate is functiemenging ook mogelijk op bedrijventerreinen met milieucategorie 3, mits de belangen van bedrijven niet geschaad worden. Bedrijventerreinen met milieucategorie 4 en hoger verdragen zich niet met functiemenging, zeker niet met gevoelige functies zoals wonen.
Uitgangspunt voor bestemmingsplannen is het mogelijk maken van de hoogst mogelijke categorie op het bedrijventerrein.
Herstructurering van bestaande bedrijventerreinen blijft een belangrijke opgave voor gemeenten. De locatie Trambaan III, gelegen tussen het huidige bedrijventerrein en de Randweg is opgenomen in het programma ruimte als zachte plancapaciteit.
Detailhandel
De provincie streeft naar levendige, qua functies gemengde stads- en dorpsgebieden met een aantal krachtige en kwalitatief onderscheidende centra. Het provinciale detailhandelsbeleid is gericht op een gezonde detailhandelsstructuur, waarbij leegstand, afname van de ruimtelijke kwaliteit en aantasting woon- en leefklimaat worden voorkomen.
Veel locaties met perifere detailhandelsvestigingen (PDV-locaties) functioneren ondermaats. Op provinciaal niveau zal hun aantal vanuit ruimtelijke overwegingen verminderd moeten worden.
Buiten de centra van steden, dorpen en wijken wordt alleen ruimte geboden aan enkele specifieke branches die vanwege hun schaalgrootte of de aard van de goederen niet goed inpasbaar zijn in de centra zelf. Dit zijn de perifere branches die in het Programma ruimte nader worden omschreven.
Voor de concentratie van de detailhandel in winkelcentra werkt de provincie met een driedeling van detailhandelscentra. Deze driedeling in te ontwikkelen locaties, te optimaliseren locaties en overige locaties is uitgewerkt in het Programma ruimte. Voor de te optimaliseren locaties en de overige locaties zijn er beperkte ontwikkelingsmogelijkheden.
In samenhang met de structuurvisie is de Verordening Ruimte opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het plangebied ligt binnen de bebouwingscontouren en is aangemerkt als bedrijventerrein en deels als locatie voor perifere detailhandel.
|
|
| Figuur 2.1. Uitsnede kaart Beter benutten bebouwde ruimte | Figuur 2.2. Uitsnede kaart detailhandel |
De volgende regels uit de Verordening Ruimte zijn relevant voor het bestemmingsplan.
Artikel 2.1.1 Ladder voor duurzame verstedelijking
Lid 1 Ladder voor duurzame verstedelijking
Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:
Artikel 2.1.2 Kantoren
Buiten de concentratielocatie voor kantoren met of zonder treinhalte en scienceparken zijn geen zelfstandige kantoren mogelijk met uitzondering van :
Artikel 2.1.3 Bedrijven
Lid 1 Hoogst mogelijke milieucategorie
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein laat bedrijven toe uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten passend bij de omgeving van het bedrijventerrein, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen die zijn opgenomen in een onherroepelijk bestemmingsplan of het Programma ruimte.
Lid 2 Watergebonden bedrijven
nvt
Lid 3 Functiemenging
Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan in beperkte mate voorzien in nieuwe woningen, bedrijfswoningen en andere functies op delen van een bedrijventerrein, voor zover dit niet in strijd is met het eerste lid.
Lid 4 Transformatie
nvt
Lid 5 Achterwege blijven van compensatie
nvt
Artikel 2.1.4 Detailhandel
Lid 1 Detailhandel binnen de centra
nvt
Lid 2 Omvang van ontwikkelingen binnen de centra
nvt
Lid 3 Uitzonderingen buiten de centra
Het eerste lid is niet van toepassing op een bestemmingsplan dat voorziet in de volgende nieuwe detailhandel:
Lid 4 Ontwikkelingen groter dan 1.000 m2 buiten de centra
Voor zover de nieuwe detailhandel, bedoeld in het derde lid onder d, e en f, een omvang heeft van meer dan 1.000 m2 bruto vloeroppervlak, voorziet het bestemmingsplan hier uitsluitend in als is aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordr aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat. Mede met het oog hierop is advies gevraagd aan het Regionaal Economisch Overleg en is zo nodig een distributieplanologisch onderzoek uitgevoerd.
Lid 5 Nevenassortimenten
Een bestemmingsplan dat voorziet in detailhandel als bedoeld in het derde lid, onder a, d, en f, stelt de volgende voorwaarden aan de nevenassortimenten:
Artikel 2.2.1 Ruimtelijke kwaliteit
Lid 1 Ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen
Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:
Bedrijfsontwikkelingen op het bedrijventerrein passen in het beleid 'inpassen'.
Conclusie Verordening Ruimte 2014
In het bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de relevante regels van de Verordening Ruimte en Mobiliteit. Samengevat:
Met de structuurvisie laat de regio zien wat haar visie is op de toekomst. Een belangrijk motto is: 'behoud door ontwikkeling': het koesteren van Nationaal Landschap Hoeksche Waard met oog voor ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en de economische vitaliteit.
Het plangebied is in de structuurvisie grotendeels aangeduid als bestaand stads- en dorpsgebied. Bedrijventerrein Vl is aangeduid als 'geplande inbreiding werken (5 ha)'. Het gebied met de aanduiding nieuw werkgebied (4 ha, circa 6 ha bruto) valt buiten het plangebied.
|
|
Figuur 2.3. Ontwikkelingsbeeld Strijen
Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen kiest de regio voor concentratie van grotere regionale bedrijven op een nieuw regionaal bedrijventerrein in de noordrand (Bedrijvenpark Hoeksche Waard) en op stimulering van kleinschalige en gemengde bedrijvigheid op lokale bedrijventerreinen bij de kernen. Aangesloten wordt bij de maat en de schaal van de verschillende kernen en van het landschap. Op bestaande lokale bedrijventerreinen bij de kernen wordt primair ingezet op herstructurering en kwaliteitsverbetering. Gestreefd wordt naar een goede afronding en landschappelijke inpassing van de bestaande terreinen en naar stimulering van duurzame bedrijvigheid.
Grotere bedrijven die qua schaal niet meer passen op een lokaal bedrijventerrein, die teveel vervoersstromen met zich mee brengen of die qua milieucategorie niet inpasbaar zijn, krijgen ruimte op het nieuwe regionale bedrijventerrein.
Conclusie
Het bestemmingsplan past binnen het beleid van de regionale structuurvisie. In de (verdere) invulling van Bedrijventerrein VI is voorzien. De bedrijfskavels worden door de gemeente uitgegeven volgens het regionale uitgiftebeleid (zie hierna). Bij het ontwerp van Bedrijventerrein VI is veel aandacht besteed aan de beeldkwaliteit en de landschappelijke inpassing (zie ook hoofdstuk 3.)
Kern van de PDV-visie en het beleid is dat gekozen is om in de toekomst in te zetten op drie kansrijke, regionaal-functionerende PDV-clusters: Woonboulevard Sliedrecht (Nijverwaard), Woonboulevard Gorinchem en Woonboulevard Dordrecht. De vijf afgevallen locaties blijven wel bestaan.
Samenvattend wordt in de toekomst in het gebied van het REO ZHZ gestreefd naar de volgende structuur voor perifere detailhandel:
Op perifere locaties buiten de drie toekomstig gewenste bovenlokale clusters wordt in principe geen substantiële uitbreiding van detailhandel toegestaan. Gelet op de huidige marktomstandigheden (overaanbod, stagnerende bestedingen) en rekening houdend met de gewenste positie van de clusters in Sliedrecht, Dordrecht en Gorinchem, is versterking van overige locaties niet haalbaar en wenselijk. Vanwege een gebrek aan marktruimte zal substantiële uitbreiding van het aanbod op deze locaties direct ten koste gaan van de mogelijkheden om de drie aangewezen regio- en streekverzorgende centra hun beoogde positie te laten krijgen. Op basis van lokaal (gemeentelijk) detailhandelsbeleid voor volumineuze detailhandel kan ruimte worden geboden aan initiatieven met een overwegend lokale verzorgende functie. Het betreft hierbij alleen initiatieven in de volumineuze branches. Andere branches zijn uitgesloten.
Conclusie
De mogelijkheden voor perifere detailhandel op de bedrijventerreinen is afgestemd op de verordening Ruime en Mobiliteit van de provincie. Er worden daarbij - ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan Bedrijventerreinen- geen substantiële uitbreidingsmogelijkheden voor grootschalige meubelbedrijven geboden binnen de Woonstrada van Strijen. Dit sluit ook aan op de Regionale Structuurvisie en het beleidsplan PDV Zuid-Holland Zuid.
In 2013 is het uitgiftebeleid gewijzigd. Het doel van de wijziging is om de eigen Hoeksche Waardse bedrijvigheid voor de Hoeksche Waard te behouden en de economische aantrekkelijkheid van de Hoeksche Waard iets te verhogen zodat economische ontwikkelingen niet in zijn geheel aan de Hoeksche Waard voorbij zullen gaan.
Hoeksche Waardse bedrijven mogen zich op de daarvoor in de bestemmingsplannen bestemde locaties binnen de Hoeksche Waard (her)vestigen en uitbreiden.
Bedrijven van buiten de Hoeksche Waard die een kavelgrootte van 5.000 m² of meer wensen, moeten zich vestigen op het regionale bedrijventerrein 'Bedrijvenpark Hoeksche Waard'. Voor bedrijven met een kavelgrootte kleiner dan 5.000 m², is vestiging op alle daarvoor in de bestemmingsplannen bestemde locaties binnen de Hoeksche Waard mogelijk.
Gelet op het bovenstaande past het bestemmingsplan binnen het beleid van de provincie en de regio. Er is sprake van een in hoofdzaak consoliderend bedrijventerrein binnen bestaand bebouwd gebied. Uitsluitend op bedrijventerrein VI zijn er nog uit te geven kavels. De gemeente geeft deze kavels uit volgens het uitgiftebeleid van de regio Hoeksche Waard. Ten aanzien van de maximaal toegestane milieucategorie, het uitsluiten van nieuwe bedrijfswoningen, het uitsluiten van zelfstandige (grotere) kantoren en de mogelijkheden van perifere detailhandel wordt het provinciale en regionale beleid gevolgd.
Het plangebied is in de structuurvisie aangeduid als 'Bedrijven in de Bonaventura'. In de legenda zijn de vestigingseisen samengevat. Hierna is nader ingegaan op het relevante gemeentelijk economisch beleid.
|
|
Figuur 2.4. Uitsnede visiekaart
Economie en werken
Het accent van het gemeentelijk beleid ligt op het verbeteren van de kwaliteit van de bestaande bedrijvigheid en het (duurzaam) voortbestaan daarvan. Naar de toekomst toe moet er fysiek en juridisch-planologisch voldoende ruimte zijn om dit te kunnen accommoderen en faciliteren. De centrale thema's uit het rijks-, provinciaal én regionaal beleid zijn leidend: het creëren van een ´vitale economie´, duurzaamheid, aandacht voor kwaliteit en zorgvuldig omgaan met de bestaande ruimte door het gebruik van de SER-ladder.
Hoofdlijnen van beleid
Op het gebied van ´economie en werken´ zijn de hoofdlijnen van het gemeentelijk beleid:
Toekomstige uitbreiding bedrijventerrein
In de toekomst bestaat mogelijk behoefte aan een verdere uitbreiding van het bedrijventerrein. Met de komst van de Randweg kan de ruimte tussen de Randweg en het bedrijventerrein, Trambaan III genoemd, worden ingezet voor eventuele uitbreiding.
De toekomstige uitbreiding wordt met dit bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt. Uitsluitend het aangelegde, maar nog niet volledig uitgegeven bedrijventerrein VI maakt onderdeel uit van dit bestemmingsplan. Overigens moet in de toekomst herstructurering van het bestaande bedrijventerrein worden bezien.
Het bestemmingsplan past binnen de kaders van de gemeentelijke Structuurvisie. Met dit bestemmingsplan worden daar waar mogelijk uitbreidingsmogelijkheden geboden aan bestaande bedrijventerrein.
Zoals hiervoor bij de verschillende onderdelen is aangegeven, past het bestemmingsplan Bedrijventerreinen binnen het beleid van Rijk, provincie, regio en gemeente.
In dit hoofdstuk wordt een ruimtelijke analyse van het plangebied gegeven. De ruimtelijke opbouw wordt beschreven in paragraaf 3.2 aan de hand van de hoofdstructuur, de deelgebieden en de groenstructuur. Paragraaf 3.3 geeft een beschrijving van de beeldkwaliteit en de landschappelijke inpassing. Vervolgens komt in paragraaf 3.4 in het kort een beschrijving van de voorkomende functies zoals bedrijven en wonen aan bod.
Hoofdstructuur
De hoofdstructuur van het plangebied wordt bepaald door haar ligging in de polder Oud Bonaventura in het polderlandschap de Hoeksche Waard. Deze polder is een smalle en langgerekte polder die duidelijk wordt omsloten door verschillende dijken. In de lengterichting van de polder ligt de Trambaan, die (vanaf de A29/N217) de toegang tot de kern Strijen vormt. Het bedrijventerrein bepaalt hiermee mede het beeld van de dorpsentree van Strijen. Daarnaast wordt het plangebied aan de zuid- en oostzijde begrensd door de Oud Bonaventurasedijk. Aan de noordzijde vormt de golfbaan een overgang van het bedrijventerrein naar de aangrenzende landbouwgronden van de polder.
Bepalende hoofdstructuurlijnen worden gevormd door de omliggende ontsluitingsroutes. Dit zijn de Oud Bonaventurasedijk, Trambaan en de Edisonweg die aansluit op de Randweg. Ook de Industriestraat is zeer herkenbaar in de hoofdstructuur. Deze weg vormt een scheiding tussen het oude deel van het bedrijventerrein aan de zuidzijde en de latere uitbreiding hiervan aan de noordzijde. Aan de zuidzijde van de Industriestraat bestaat de ontsluitingsstructuur uit een lusstructuur. Aan de noordzijde wordt deze lus ontsloten op de Industriestraat en aan de zuidzijde is een extra ontsluiting op de Oud Bonaventurasedijk. Ten noorden van de Industriestraat is daarom geen sprake van een echte lusstructuur. De structuur wordt hoofdzakelijk bepaald door een doorgaande route van de Industriestraat naar de Trambaan, waaraan het merendeel van de bedrijven gelegen is.
De Oud Bonaventurasedijk vormt daarnaast een belangrijk landschappelijk kenmerk. Door haar hoogte, beplanting en kenmerkende bebouwing, vormt deze dijk een duidelijk herkenbare grens van de polder (en het plangebied). Een (zeer) beeldbepalend element aan de noordwestzijde van het plangebied is het distributiecentrum aan de Trambaan. Dit bijna 400 m lange gebouw met een hoogte variërend van 9 tot circa 14 m fungeert als een soort van poort voor zowel het bedrijventerrein als de gehele kern Strijen.
Figuur 3.1. Ruimtelijke structuur
Deelgebieden
Het plangebied bestaat uit vier verschillende zones. De verschillende zones hebben vele overeenkomsten, maar onderscheiden zich vooral (situering en vormgeving van de gebouwen) door de periode waarin ze ontwikkeld zijn. De deelgebieden worden voornamelijk van elkaar gescheiden door infrastructuur.
Zuidelijk deelgebied
Ten zuiden van de Industriestraat ligt het oorspronkelijke bedrijventerrein Oud Bonaventura uit de jaren '60. Dit gebied kenmerkt zich door de lusstructuur en het weinige openbaar groen.
Middengebied
Het middengebied ligt ten noorden van de Industriestraat en ten zuiden van de Edisonweg en bestaat uit een ouder deel uit de jaren '90 van de vorige eeuw en een nieuw deel Bedrijventerrein VI. Het oudere deel was, in de jaren '90, een eerste aanzet voor een meer omvangrijke uitbreiding van het bedrijventerrein, het noordelijke deelgebied.
De hoofd water- en groenstructuur van Bedrijventerrein VI, de meest recente uitbreiding van de bedrijventerreinen in Strijen, is aangelegd en er zijn reeds verschillende bedrijven aanwezig op het terrein. De rest van het terrein dient nog uitgegeven te worden. Bedrijventerrein VI is op te splitsen in 4 delen (zie ook figuur 3.2.):
figuur 3.2. ruimtelijke zonering Bedrijventerrein VI
Noordelijk deelgebied
Het gedeelte aan de noordzijde, ten noorden van de Edisonstraat, vormt het laatste deelgebied. Voor de aanleg van Bedrijventerrein VI was dit de laatste uitbreiding. Dit deelgebied grenst aan de noordzijde aan de golfbaan. Een groot deel wordt in beslag genomen door het distributiecentrum aan de Trambaan. Dit gebouw markeert de entree van Strijen.
Door de begrenzing door dijken en infrastructuur heeft het geheel een ingepolderd karakter.
Industriestraat 18 tot en met 26 en Oud Bonaventurasedijk 59
Deze percelen sluiten aan op het zuidelijk deelgebied. Ter plaatse zijn enkele woningen en een enkel bedrijf aanwezig. In het ter plaatse vigerende bestemmingsplan Dorp III 2012 is het bedrijf abusievelijk niet als zodanig bestemd. Derhalve zijn de percelen in dit bestemmingsplan opgenomen conform de bestaande situatie.
Groenstructuur
De groenstructuur van het plangebied wordt hoofdzakelijk gevormd door het groen om het bedrijventerrein. Aan de vier zijden van het plangebied ligt een groenstrook met een breedte, variërend van 7,5 tot 15 m, waarbij aan de zuid- en oostzijde bomen en lage beplanting de overgang vormen naar de dijken. Hierdoor behouden deze hun autonome ligging in het landschap. Aan de noordzijde vormt het golfterrein een groene buffer tussen de bedrijvigheid en het aangrenzende landschap.
Deze groenstroken dragen bij aan een landschappelijke inpassing van het bedrijventerrein en aan een aantrekkelijk beeld van de dorpsentree. Door de ruime opzet van met name het middengebied en het noordelijk deelgebied is behalve aan de randen ook op het bedrijventerrein ruimte voor openbaar groen in de vorm van groenstroken en bomen.
Ter plaatse van bedrijventerrein VI is bijzondere aandacht besteed aan de groen- en waterstructuur langs de Trambaan en in de vorm van een groene wig in het gebied (zie ook figuur 3.2.)
Beeldkwaliteit
Bedrijventerreinen worden doorgaans gekenmerkt door grootschalige bebouwing die vooral gericht is op functionaliteit. De bebouwing is vaak sober uitgevoerd en de gevels zijn meestal gesloten.
In het plangebied is een breed scala aan bebouwingsvolumes aanwezig. De bebouwingselementen op het bedrijventerrein zijn individueel vormgegeven en bestaan hoofdzakelijk uit platte volumes met gevels van damwandprofiel en baksteen. Door verspringingen in de meeste rooilijnen wordt deze individualiteit benadrukt, waarbij het distributiecentrum en het meubelfiliaal aan de Trambaan door hun vormgeving en situering de aandacht trekken. Het eerstgenoemde gebouw kenmerkt zich hoofdzakelijk door haar bouwvolume. Dit gebouw zorgt door haar hoogte en volume, in relatie met omliggende bedrijven, voor een representatieve noordelijke entree van het bedrijventerrein. Ook het meubelfiliaal draagt hier aan bij door haar markante vormgeving. Met de overhanging boven het water draagt dit gebouw bij aan de uitstraling en beeldkwaliteit van het bedrijventerrein.
Enkele andere gebouwen, zoals het gemeentehuis aan het Waleplein en de in het plangebied aanwezige bedrijfswoningen, trekken door hun vormgeving eveneens de aandacht. Het gemeentehuis is, behalve door haar maatschappelijke functie, ook opvallend door de vormgeving. De bijzondere kap op het gebouw en de kleurstelling zorgt voor een positieve uitstraling van het zuidelijk deel naar de Trambaan.
Voor de laatste uitbreiding is in het vorige bestemmingsplan Bedrijventerrein VI de na te streven beeldkwaliteit per zone beschreven, welke als kader voor de welstandstoets wordt gebruikt. Voor de representatieve zone, waarvoor mogelijk vanwege de hoge beeldkwaliteiteisen, weinig interesse is getoond, zijn de eisen nader bezien (zie hierna). Voor het overige blijven de beeldkwaliteiteisen uit het vorige bestemmingsplan Bedrijventerrein VI, zoals hierna beschreven, onverkort van kracht.
Landschappelijke inpassing
Vanuit het omringende landschap is het plangebied vanuit verschillende richtingen waarneembaar. Hierdoor ontstaan er verschillende beelden en zichtlijnen vanuit het landschap die van belang zijn voor een representatieve uitstraling op de randen van het bedrijventerrein.
Met de opening van de Randweg aan de oostzijde van Strijen is de belangrijkste entree niet alleen maar aan de noordwestzijde gelegen, maar is ook de noordoostzijde belangrijk geworden. Omdat veel verkeer echter via de noordkant vanaf de N217 komt blijft de noordwestelijke entree de meest representatieve entree. Hier vormen het distributiecentrum en het meubelfiliaal samen een representatieve entree. De combinatie van vormgeving en situering in het landschap zorgt ervoor dat het gehele bedrijventerrein een representatieve uitstraling naar het aangrenzende landschap heeft. Indien de representatieve zone langs de Trambaan van bedrijventerrein VI is ingevuld zal de representatieve entree worden versterkt.
Vanuit noordelijke richting is vanaf de Trambaan zicht op het distributiecentrum met in het verlengde van de Trambaan de kerktoren, die een oriëntatie- en herkenningspunt voor het dorpscentrum vormt. Op grote afstand wordt het harde profiel van het distributiecentrum afgeschermd en landschappelijk ingepast door het opgaande groen langs de golfbaan en de hoog opgaande beplanting langs de Trambaan. Dit geheel vormt een representatieve noordelijke rand voor het gehele bedrijventerrein.
Aan de zuidzijde grenst het bedrijventerrein aan het bebouwingslint van de Oud Bonaventurasedijk. Dit verhoogde lint wordt van het bedrijventerrein gescheiden door voornamelijk groen. Omdat de bedrijvigheid aan de zuidzijde verder van de aangrenzende dijk af ligt, ligt deze dijk relatief vrij in het land.
Aan de westzijde verschilt de aansluiting op het aangrenzende landschap per deelgebied. Ter plekke van het zuidelijke deelgebied vormt het 375 m lange bedrijfsgebouw tussen de Trambaan en de Nijverheidsstraat, samen met de Trambaan een barrière tussen het bedrijventerrein en de aangrenzende woonbebouwing van Strijen. In het eerdergenoemde middengebied ligt op de overgang van het bedrijventerrein naar bedrijventerrein VI, een groothandel in hout. Door de ontwikkeling van bedrijventerrein VI wordt het zicht op deze groothandel vanaf de Trambaan weggenomen. Op het bedrijventerrein VI is een 'groene wig' aangelegd in het verlengde van de Antonie van Leeuwenhoekstraat.
Aan de oostzijde vormt de Oud Bonaventurasedijk een landschappelijke barrière naar het aangrenzende polderlandschap. Dit landschappelijk karakteristieke element ligt, net als aan de zuidzijde van het plangebied, enigszins door een groenstrook los van het plangebied.
Binnen bedrijventerrein VI zijn meerdere zones ontworpen die zich ruimtelijk onderscheiden door hun eigen specifieke beeld en karakter (zie figuur 3.2.). Om de gewenste uitstraling voldoende te kunnen waarborgen, worden voor iedere zone eisen gesteld aan de beeldkwaliteit van de (toekomstige) bebouwing, de erven en de openbare ruimte. Hierbij zijn de volgende punten van belang:
Representatieve zone
Beeldvorming en stedenbouwkundige opzet
De presentatie van de bebouwing is een belangrijk uitgangspunt voor deze zone. Een groenzone met een relatief breed wateroppervlak aan de zijde van de Trambaan met aanliggende representatieve bebouwing en een groene terreininrichting past hierbij. Aanvankelijk werd er van uitgegaan dat per kavel slechts één gebouw wordt opgericht, aan alle zijden duidelijk vrijstaand ten opzichte van de bebouwing op aangrenzende kavels (afstand tot de gemeenschappelijke erfgrens bedraagt ten minste 7 m). Bovendien werd er van uitgegaan dat om (als beeld naar de Trambaan) een groene en open terreininrichting mogelijk te maken, parkeervoorzieningen niet aan de zijde van de ontsluitingsweg worden gesitueerd. De bebouwing hoeft daarbij niet persé met de voorgevel in de aan de zijde van de Trambaan aangegeven bebouwingsgrens te worden gesitueerd.
Zoals hiervoor aangegeven is er aanleiding om de beeldkwaliteiteisen van de representatieve zone nader te bezien. Vanuit de stedenbouwkundige opzet zullen de belangrijkste kwaliteiten echter overeind moeten blijven. Van belang is dat de rand langs de Trambaan het visitekaartje van het gehele terrein blijft/wordt:
Om voor geïnteresseerde bedrijven meer mogelijkheden te bieden kunnen de kavels op een andere manier worden ingevuld. De structuur met vijf losse paviljoens lijkt niet haalbaar. Ook grotere bedrijven moeten kunnen worden gehuisvest. De kleinschalige verkaveling wordt derhalve verlaten waardoor drie gebouwen langs de Trambaan mogelijk worden, al dan niet onderdeel van een groter bedrijf dat zich naar achteren in de andere zones uitstrekt.
Typologie bebouwing
Voor de gevels van bebouwing gelegen in de representatieve zone geldt een hogere beeldkwaliteit dan de rest van het gebouw of de overige bebouwing. Representatieve onderdelen met veel openheid in de gevel zoals kantoorruimten en showrooms dienen deze aan de zijde van de Trambaan te worden gerealiseerd. Het is goed mogelijk deze in functioneel opzicht te integreren met de bedrijfsruimte waarbij kantoor of showroom als apart object toch optisch los van de bedrijfshal wordt vormgegeven. Het kantoor of de showroom mag een hoogteaccent hebben hoger dan drie bouwlagen (tot 14 m zoals in bestaande plan) gericht op de Trambaan.
Bijzondere aandacht gaat uit naar de oriëntatie van de bebouwing op de hoeken. De bebouwing zal hier een sterke tweezijdige oriëntatie moeten krijgen met veel transparantie.
Figuur 3.3. Oriëntatie bebouwing representatieve zone
Openbaar gebied, onbebouwde gronden
Een samenhangend beeld van de openbare ruimte wordt gecreëerd door de realisering van gemeenschappelijk vormgegeven of anderszins verwante erfscheidingen aan de straatzijde, de keuze voor een beperkt aantal boom- en heestersoorten, het toepassen van eenduidige openbare en privé-verlichting en afstemming in verhardingsmaterialen.
Uitgangspunt is het gebruik van hoogwaardige verhardingsmaterialen, het gezamenlijk toepassen van een verwante beplantingstypologie (bijvoorbeeld overal hagen) en gemeenschappelijk ontworpen open erfafscheidingen en constructies aan de straatzijde, bijvoorbeeld lage muurtjes, transparante hekwerken (al dan niet voorzien van klimplanten) met een maximale hoogte van 1 m. Indien wordt gekozen voor hogere afscheidingen behoren deze afscheidingen niet vóór maar achter de naar de openbare weg toegekeerde gevels te worden geplaatst op een afstand van tenminste 5 m.
De expeditie en opslag van goederen vindt zoveel mogelijk plaats uit het zicht van de openbare ruimte.
Er dient op het eigen erf geparkeerd te worden.In het geval dat er losse gebouwen worden gemaakt zal het parkeren naast of achter het gebouw moeten plaatsvinden, zoveel mogelijk uit het zicht vanuit de openbare ruimte. Wanneer er in de representatieve zone een bouwdeel wordt gebouwd dat onderdeel is van een groter bedrijfspand, dan zal het parkeren in ieder geval niet aan de Trambaanzijde worden gelegd maar langs het gebouw langs de zijstraat, zo ver mogelijk van de Trambaan.
Kleurstelling bebouwing en reclame-uitingen
Grotere vlakken worden vormgegeven met behulp van materialen in een terughoudende kleurstelling én met een structuur (bv. baksteen, hout of gegolfde, geribbelde of gevouwen gevelplaten) dan wel een goed waarneembare textuur. Kleinere vlakken mogen worden uitgevoerd in meer sprekende of heldere kleuren al dan niet met structuur of textuur.
In het geval dat gebruik gemaakt wordt van grote glasvlakken dienen de kleinere vlakken en/of elementen echter een duidelijke textuur te bezitten.
Reclame-uitingen dienen een directe relatie te hebben met de aard en producten van het bedrijf ter plaatse en altijd gesitueerd te zijn aan de straatzijde. De reclame dient deel uit te maken van dan wel te passen in het ontwerp en de vormgeving van het gebouw. Het zicht op de groenzone langs de Trambaan of het zicht vanaf de openbare weg op de naastgelegen bedrijven mag niet worden belemmerd door reclame. Reclame-uitingen mogen niet vrij voor de voorgevel en niet volledig of gedeeltelijk boven de voorgevel worden geplaatst maar alleen evenwijdig en vast aan de voorgevel van de begane grondlaag of van de 1e verdiepingslaag. Kleine reclame-uitingen met een hoogte van maximaal 1 m boven maaiveld mogen echter vrij van de gevel op eigen terrein worden opgericht, mits afgestemd op/harmoniërend met het beeld en materiaalgebruik van onder meer de bedrijfsbebouwing en de erfafscheidingen.
Figuur 3.4 Referentiebeelden representatieve zone
Decor
Beeldvorming en stedenbouwkundige opzet
Een zekere rust en eenheid zijn belangrijke uitgangspunten voor deze zone om als decor te dienen voor het aan de overzijde van het water gelegen expressieve gebouw van Reedijk Wonen. Een architectonische verwantschap met het huidige pand van Reedijk Wonen behoort tot de mogelijkheden mits de uitstraling van de nieuwe bebouwing ondergeschikt blijft aan het reeds bestaande pand van Reedijk Wonen.
Typologie bebouwing
De bebouwing heeft een geleding die is afgestemd op het aan de overzijde van de waterpartij gelegen gebouw. Vanwege de gewenste decorfunctie is hier een horizontale geleding en een minder expressieve bouwstijl gewenst. De entrees bevinden zich bij voorkeur aan de zijde van de interne ontsluitingsweg. In verband met de ligging van de bebouwing aan meerdere openbare ruimten (straat en watergang) is niet alleen aan de straatzijde maar ook aan de waterzijde een zorgvuldige vormgeving gewenst.
Indien de meest noordwestelijk gelegen hoek (vallende binnen de representatieve zone) onbebouwd blijft dan is binnen de decorzone aan de zijde van de Trambaan eveneens een representatieve uitstraling nadrukkelijk gewenst.
De bouwhoogte in de decorzone mag maximaal 10 m bedragen. Ter plaatse van de versmalling in de noordelijk gelegen watergang dient de bebouwing opgericht te worden in de op de bestemmingsplankaart aangegeven rooilijn (gelegen aan de waterkant c.q. bestemmingsgrens met de bestemming water).
Openbaar gebied, onbebouwde gronden
Indien per kavel meerdere gebouwen worden opgericht staan zij bij voorkeur op korte afstand van elkaar. Aan de zijde van de Trambaan mag geen gebruik te worden gemaakt van erfafscheidingen. Hekwerken aan de straatzijde worden bij voorkeur achter de straatgevel geplaatst. Een samenhangend beeld van de openbare ruimte wordt gecreëerd door de realisering van een gezamenlijk vormgegeven inrichting aan de straatzijde, de keuze voor enkele boom- en heestersoorten, eenduidige openbare en privé-verlichting en afstemming in bestratingsmaterialen.
Het parkeren dient op het eigen terrein te gebeuren, bij voorkeur aan de oost- of westzijde van de bebouwing en voorzien van een goede groene inpassing.
Kleurstelling bebouwing en reclame-uitingen
Met het oog op de reeds aanwezige specifieke bebouwing aan de overzijde van het water (Reedijk Wonen) wordt aanbevolen de bebouwing onder meer vorm te geven met behulp van grotere gevelvlakken en materialen die in structuur en textuur zijn afgestemd op het complex van Reedijk Wonen, maar waarbij sprake is van een daaraan ondergeschikte kleurstelling en kleurintensiteit. Naar omvang bescheiden accenten mogen worden uitgevoerd in meer sprekende of heldere kleuren al dan niet met structuur of textuur.
Reclame-uitingen dienen een directe relatie te hebben met de aard en producten van het bedrijf ter plaatse en altijd gesitueerd te zijn aan de straatzijde. De reclame dient deel uit te maken van dan wel te passen in het ontwerp en de vormgeving van het gebouw. Het zicht op de groenzone langs de Trambaan of op de bestaande watergang aan de noordzijde mag niet worden belemmerd. Hiertoe mag reclame niet vrij voor de voorgevel en niet volledig of gedeeltelijk boven de voorgevel worden geplaatst maar alleen evenwijdig en vast aan de voorgevel van de begane grondlaag of de 1e verdiepingslaag. Kleine reclame-uitingen met een hoogte van maximaal 1 m boven maaiveld mogen echter op eigen terrein vrij van de gevel aan de zijde van de ontsluitingsweg of aan de oostzijde van bedrijfsbebouwing worden opgericht, mits afgestemd op/harmoniërend met het beeld en materiaalgebruik van onder meer de bedrijfsbebouwing en de erfafscheidingen.
Figuur 3.5 Referentiebeelden specifiek
Wand
Beeldvorming en stedenbouwkundige opzet
Deze zone langs de Industriestraat krijgt een zeker representatief beeld. Minimaal 75% van de kavelbreedte (gemeten aan de zijde van de voorgevel) dient te worden bebouwd opdat er in zeker zin sprake is van een doorgaande bebouwingswand. De afstand van de bebouwing tot de zijdelingse erfscheiding bedraagt maximaal 15 % van de voornoemde kavelbreedte.
Typologie bebouwing
Er moet sprake zijn van een duidelijke ruimtelijke verwantschap tussen de verschillende gebouwen. De bebouwing is relatief eenvoudig van vorm met een plat of licht hellend dakvlak. De bouwhoogte sluit aan op de bebouwing aan de andere zijde van de Industriestraat en wordt uitgevoerd in maximaal drie bouwlagen. De representatieve zijden met entrees worden gesitueerd aan de zijde van de ontsluitingsweg. Belangrijke ruimten (kantoorruimten, entrees en dergelijke) dienen herkenbaar te worden vormgegeven door middel van accenten. Indien deze ruimten meer als een zelfstandig element ten opzichte van de overige ruimten wordt vormgegeven dan dienen deze ruimten zich op een meer ingetogen wijze te onderscheiden. De bouwhoogte mag in deze zone maximaal 10 m bedragen.
Openbaar gebied, onbebouwde gronden
Een samenhangend beeld van de openbare ruimte wordt gecreëerd door te kiezen voor een beperkt aantal boom- en heestersoorten, de onderlinge afstemming van hoogwaardige bestratingsmaterialen, een eenduidige openbare en privé-verlichting en door te kiezen voor gezamenlijk vormgegeven erfafscheidingen aan de straatzijde. Gedacht moet worden aan lage muurtjes, hagen en transparante (verticale) spijlen hekwerken met een maximale hoogte van 1 m. Indien wordt gekozen voor hogere afscheidingen behoren deze afscheidingen niet vóór maar achter de naar de openbare weg toegekeerde gevels te worden geplaatst op een afstand van tenminste 5 m.
De aanliggende groenzone krijgt een singelachtige opzet met bomenrijen aan weerszijden van de watergang. Er dient op het eigen terrein te worden geparkeerd. Het parkeren moet, indien dit plaatsvindt aan de voorzijde van de bebouwing, zorgvuldig worden ingepast.
Kleurstelling bebouwing en reclame-uitingen
Met het oog op de aanwezige specifieke bebouwing aan de overzijde van de Industriestraat (gemeentehuis) wordt aanbevolen de bebouwing onder meer vorm te geven met behulp van grotere gevelvlakken en materialen die in structuur en textuur zijn afgestemd op het gemeentehuis. De materiaalkeuze en het kleurgebruik zijn relatief terughoudend. Naar omvang bescheiden accenten mogen worden uitgevoerd in meer sprekende of heldere kleuren al dan niet met structuur of textuur.
Reclame-uitingen dienen een directe relatie te hebben met de aard en producten van het bedrijf ter plaatse en altijd te zijn gesitueerd aan de straatzijde. De reclame dient deel uit te maken van dan wel te passen in het ontwerp en de vormgeving van het gebouw. Het zicht op en vanaf de openbare weg dan wel naar de naastgelegen bedrijven mag niet worden belemmerd door reclame. Reclame-uitingen mogen daarom niet vrij voor de voorgevel en niet volledig of gedeeltelijk boven de voorgevel worden geplaatst maar alleen evenwijdig en vast aan de voorgevel van de begane grondlaag of de 1e verdiepingslaag. Kleine reclame-uitingen met een hoogte van maximaal 1 m boven maaiveld mogen echter vrij van de gevel op eigen terrein worden opgericht, mits afgestemd op/harmoniërend met het beeld en materiaalgebruik van onder meer de bedrijfsbebouwing en de erfafscheidingen.
Middengebied
Beeldvorming en stedenbouwkundige opzet
De bebouwing in het middengebied is minder expressief en meer "doelmatig" van aard. De architectuur en de vormgeving van de bebouwing weerspiegelt de functie en aard van het daarin gehuisveste bedrijf. Onderlinge variatie in de bouwwijze, afstanden, bouwhoogte en rooilijnen is hier goed voorstelbaar. De inrichting van de openbare ruimte (de centraal binnen het plangebied geprojecteerde groene wig) is hier vooral bepalend voor de structuur.
Lange gesloten gevelwanden langs de openbare weg zijn niet gewenst. Wel is met name op de hoeken van het middengebied bebouwing gewenst. In die gevallen dient minimaal 60% van de breedte van de rooilijn bebouwd te worden. Daar waar het middengebied grenst aan de andere zones zal bij de architectuur van de gebouwen en de inrichting van de buitenterreinen rekening moeten worden gehouden met de beoogde uitstraling van de andere zones (rustige achtergrond zonder versnippering en geen doorzichten naar bijvoorbeeld terreinen voor opslag en afhandeling van goederen).
Typologie bebouwing
In dit gebied wordt een relatie tussen het "eigen product" en de bouwwijze en keuze voor materialen en kleuren gewaardeerd. Gelet op de sterk verschillende situaties in het gebied is een grote variëteit aan bebouwingsvormen inpasbaar.
Hoewel de bebouwing meer bescheiden wordt vormgegeven kunnen de entrees en kantoorruimten zich door middel van de gevelindeling of de toevoeging van accenten onderscheiden. De bouwhoogte mag in deze zone maximaal 7 m bedragen.
Openbaar gebied, onbebouwde gronden
Een samenhangend beeld van de openbare ruimte wordt gecreëerd door te kiezen voor een beperkt aantal boom- en heestersoorten, de onderlinge afstemming van hoogwaardige bestratingsmaterialen, een eenduidige openbare en privé-verlichting en door te kiezen voor gezamenlijk vormgegeven erfafscheidingen aan de straatzijde. Een keuze voor transparante hekwerken met verticale spijlen (eventueel op een gemetseld fundament) is over het algemeen wel een verantwoorde oplossing.
Het parkeren dient op het eigen terrein plaats te vinden. Grootschalige parkeervoorzieningen dienen achter de voorgevels tussen of achter de bebouwing te worden gesitueerd.
Kleurstelling bebouwing en reclame-uitingen
Gevelreclame dient als onderdeel van het ontwerp te worden vormgegeven Eén reclame-uiting per bedrijfspand is daarbij uitgangspunt. De reclame-uiting dient in relatie met de entree te staan en dient een "locale" uitstraling te hebben (geen reclame gericht op omliggende gebieden en/of andere wegen).
Reclame-uitingen dienen een directe relatie te hebben met de aard en producten van het bedrijf ter plaatse en altijd gesitueerd te zijn aan de straatzijde. De reclame dient deel uit te maken van dan wel te passen in het ontwerp en de vormgeving van het gebouw en ook op die wijze te worden gerealiseerd en gehandhaafd. De reclame-uitingen mogen vrij van de gevel op eigen terrein worden opgericht, mits afgestemd op/harmoniërend met het beeld en materiaalgebruik van onder meer de bedrijfsbebouwing en de erfafscheidingen. De maximale hoogte bedraagt niet meer dan de in de voorschriften en/of plankaart opgenomen bouwhoogte voor de binnen deze zone gelegen gebouwen en bouwwerken.
Kleurstelling en materiaalgebruik dienen een hedendaagse zij het overwegend terughoudende uitstraling te bezitten. Onderlinge verschillen in deze zone zijn zeker mogelijk mits sprake blijft van een zekere samenhang met naastgelegen bebouwing.
Groene zones
De belangrijkste groene zones zijn de groenzones langs de Trambaan, de centraal binnen het plangebied gelegen wigvormige groenzone en de singelachtige groenzone aan de noordzijde van de Industriestraat. De parkachtige groenzone langs de Trambaan vormt een ruimtelijke entree naar zowel de dorpskern van Strijen als het bedrijventerrein en laat anderzijds vanuit het dorp nog zicht open op het poldergebied en het stedenbouwkundig bebouwingsaccent van Reedijk Wonen. Voor deze zone is een zorgvuldige groeninrichting met een geleidelijke overgang van land naar water van belang evenals het garanderen van een aantal zichtrelaties vanuit het gebied naar gebouwen en ruimten in de nabije omgeving.
De groene wig zorgt voor een zekere ruimtelijke geleding binnen het bedrijventerrein en sluit direct aan op de langs de Trambaan gelegen groenzone. Hierdoor is sprake van een ruimtelijke continuïteit en functioneert de groene wig samen met de groenzone als uitloopgebied voor de binnen het bedrijventerrein aanwezige mens.
De singelachtige groenzone aan de zijde van de Industriestraat zorgt voor een zekere representatieve ruimtelijke entree naar het bedrijventerrein. Door de ruime afstand tussen de bestaande bebouwing aan de zuidzijde en de toekomstige bebouwing aan de noordzijde van de Industriestraat is er ondanks het bebouwen van het plangebied sprake van de vorming van een meer representatieve voorruimte ter plaatse van het gemeentehuis.
De direct bij de bedrijven aanliggende wegbermen bezitten een relatief smalle maatvoering en zijn primair bedoeld voor de aanleg van kabels en leidingen. Zij worden vrijgehouden van bomen om het in- en uitrijden van met name vrachtauto's niet te belemmeren en omdat een ruimtelijk beeld van noodzakelijk hoog opgekroonde bomen niet gewenst is. Deze bermen worden voorzien van een sierheesterbeplanting of gras.
Alleen de bij de paviljoens aanliggende wegberm heeft een bredere maatvoering, opdat hier meer ruimte is voor de aanplant van heesters en - eventueel - niet te groot uitgroeiende bomen (3e en 4e grootte).
Bedrijven
Het plangebied wordt gevormd door de gemengde bedrijventerreinen Trambaan, Oud-Bonaventurasedijk en Bedrijventerrein VI. In het plangebied komt een verscheidenheid aan bedrijven voor, variërend van een landelijk opererend distributiecentrum tot lokale ondernemers. Opvallend is dat in het zuidelijk deelgebied met name productiegerichte en industriële bedrijven zijn gevestigd, terwijl in het middengebied een grote concentratie van detailhandelgerelateerde bedrijven is waar te nemen rond de Christiaan Huygensstraat en de Antonie van Leeuwenhoekstraat. Het noordelijk deelgebied kenmerkt zich door de aanwezigheid van een groot distributiecentrum.
De werkgelegenheid op de bedrijventerreinen is voor een belangrijk deel gericht op reparatie en handel en industrie (diverse bedrijven, met name op het terrein Oud-Bonaventurasedijk).
In regionaal verband is afgesproken dat Hoeksche Waardse bedrijven op de daarvoor in de bestemmingsplannen bestemde locaties binnen de Hoeksche Waard mogen (her)vestigen en uitbreiden. Bedrijven tot een kavelgrootte van 5.000m² mogen zich vestigen op lokale bedrijventerreinen. Grotere bedrijven dienen zich vestigen op het regionale bedrijventerrein 'Bedrijvenpark Hoeksche Waard'.
De relevante milieuaspecten bij bedrijven komen aan bod in paragraaf 4.1.
Detailhandel
De op het bedrijventerrein gevestigde detailhandelbedrijven vormen gezamenlijk één van de grootste PDV-aankoopplaatsen van de regio. Vanaf de Trambaan loopt de strook detailhandelbedrijven in zuidoostelijke richting naar de Antonie van Leeuwenhoekstraat en de Christiaan Huygensstraat. Hier zijn diverse op de woonmarkt georiënteerde bedrijven gevestigd, zoals IMB meubelmakerij, Reedijk Wonen, de Bommel meubelen en Zonwering Hoekse Waard. Op het bedrijventerrein is beperkte uitbreiding van de meubelbranche voorgestaan. Voor het overige is perifere detailhandel uitsluitend toegestaan voor zover passend binnen de verordening Ruimte en Mobiliteit (zie hoofdstuk 2).
Kantoren
Naast de kantoren die een ondergeschikt onderdeel vormen van de aanwezige bedrijfsactiviteiten, komen verspreid over het plangebied enkele zelfstandige kantoorvestigingen voor. Evenals bij de meeste bedrijven, hebben de kantoren een lokaal gericht karakter. Aan de oostelijke zijde van de Trambaan op Bedrijventerrein VI worden zelfstandige kantoorlocaties mogelijk gemaakt (tot een maximum van 1000 m2) passend binnen de verordening Ruimte en Mobiliteit.
Wonen
De functie wonen komt verspreid in het plangebied voor in de vorm van bedrijfswoningen. Het gemeentelijk beleid is gericht op het weren van nieuwe woningen in het bedrijvengebied, aangezien dit belemmeringen kan opwerpen voor naburige bedrijven. Enkele burgerwoningen zijn aanwezig in het hiervoor beschreven gebied Industriestraat 20 tot en met 26 en Oud Bonaventurasedijk 59.
Maatschappelijke voorzieningen
De maatschappelijke voorzieningen in het plangebied worden gevormd door het gemeentehuis aan het Waleplein en de brandweerkazerne aan de Nijverheidsstraat. Daarnaast bevindt zich aan de Christiaan Huygensstraat een KPN-antenne-installatie van ruim 50 m hoog. Op deze mast zitten overigens meerdere providers.
Algemeen
Om milieuhinder als gevolg van de bedrijfsactiviteiten al in het ruimtelijk spoor te voorkomen, worden grenzen gesteld aan de toelaatbaarheid van de bedrijfsactiviteiten. Uitgaande van de afstand van de bedrijfspercelen tot milieugevoelige functies (bijvoorbeeld woningen), wordt in de planregels bepaald welke bedrijfsactiviteiten worden toegelaten (milieuzonering). In de planregels wordt voor dit doel gebruikgemaakt van een zogenaamde Staat van Bedrijfsactiviteiten (SvB) 'Bedrijventerrein'. Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar toenemende milieubelasting. Als belangrijkste bron bij het opstellen van deze Staat is gebruikgemaakt van de lijst van bedrijfstypen uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009. In deze lijst worden voor een groot aantal bedrijfstypen en -activiteiten richtafstanden ten opzichte van een 'rustige woonwijk' vermeld. Zoals ook in de VNG-publicatie is aangegeven en in vaste jurisprudentie is bevestigd, kan voor andere omgevingstypen worden afgeweken van deze richtafstanden. Voor een nadere toelichting op de SvB en de uitgangspunten van milieuzonering wordt verwezen naar 2.
Gevoelige bestemmingen en gebiedstypen
Voor de milieuzonering dient rekening te worden gehouden met diverse (bedrijfs)woningen binnen het plangebied en in de directe omgeving daarvan. Het gemeentehuis wordt in dit kader niet gezien als een gevoelige functie. Wel wordt rekening gehouden met de golfbaan ten noorden van het plangebied, aangezien daarop ook een bedrijfswoning aanwezig is. Ten aanzien van het bedrijventerrein is rekening gehouden met de volgende gebiedstypes:
ad a
Ten aanzien van woongebieden/woonwijken wordt uitgegaan van de richtafstanden zoals genoemd in de VNG-publicatie 'Bedrijven- en milieuzonering'. Dit gebiedstype wordt gekenmerkt door aaneengesloten woonbebouwing waarbij vrijwel geen andere functies voorkomen. Ter plaatse van dit gebiedstype wordt gestreefd naar minimalisering van de milieuhinder.
ad b
Dit gebiedstype wordt gekenmerkt door functiemenging. Dit betreft gebieden waarbij sprake is van de aanwezigheid van een hinderbron zoals (een) bedrijven(terrein) of een drukke weg. Doordat hier sprake is van een reeds aanwezig verhoogd achtergrondniveau, kan ten aanzien van woningen in een gemengd gebied met 1 afstandsstap afgeweken worden van de richtafstanden uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.
De bestemming Bedrijf bevindt zich op minimaal 30 m afstand tot deze woningen. Hier zijn volgens het bestemmingsplan bedrijven toegestaan die maximaal in milieucategorie 2 vallen, waarvoor een richtafstand geldt van 30 m. Er wordt hier dus reeds voldaan aan de richtafstand, zodat afwijken hiervan niet noodzakelijk is. Verder zijn er geen zwaarwegende redenen om voor hogere categorieën afwijkende richtafstanden te hanteren. Voor bedrijven in milieucategorieën hoger dan 2, is dus de volledige richtafstand aangehouden.
ad c
Dit betreft de aanwezige bedrijfswoningen op het bedrijventerrein. De betreffende bedrijfswoningen zullen worden gehandhaafd; het gaat om een beperkt aantal. Voor dit type woningen worden minder hoge eisen aan het woon- en leefklimaat gesteld door de aanwezigheid van het bedrijf en de hinder die dit veroorzaakt. Direct aangrenzend aan bedrijfswoningen zijn bedrijven uit maximaal categorie 3.1 van de SvB 'Bedrijventerrein' toegestaan. Bedrijven uit categorie 3.2 zijn op een afstand van 50 m toegestaan. Dit betekent dat er voor bedrijfswoningen met 2 afstandsstappen wordt afgeweken van de richtafstanden uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Hiermee is in de milieuzonering rekening gehouden.
Het afwijken van de richtafstanden ten opzichte van bedrijfswoningen met twee afstandsstappen wordt hier aanvaardbaar geacht, omdat de aanwezigheid van bedrijfswoningen binnen het plangebied een historisch gegroeide situatie betreft. De bedrijfswoningen waren bij oprichting toegestaan op basis van het op dat moment vigerende bestemmingsplan. Bovendien is wegbestemmen van de momenteel aanwezige bedrijfswoningen financieel niet haalbaar en gewenst.
ad d
Ten noorden van het plangebied is een golfbaan gelegen, met bijbehorende bedrijfswoning. Bij de zonering van het bedrijventerrein dient rekening te worden gehouden met de bedrijfswoning. Evenals voor de bedrijfswoningen op het terrein wordt ook voor deze bedrijfswoning afgeweken van de richtafstanden uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. De minimale afstand van de woning tot de rand van het bedrijventerrein bedraagt meer dan 150 m. Om deze reden zijn aan de noordzijde van het terrein bedrijven uit maximaal categorie 4.1 toelaatbaar.
Uitwerking milieuzonering
Op het bedrijventerrein wordt maximaal milieucategorie 4.1 toelaatbaar geacht en inrichtingen die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken - zoals bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder (A-categorieën volgens de Staat van Bedrijfsactiviteiten) - worden van vestiging in het plangebied uitgesloten. Op grond van de bovenstaande uitgangspunten is de milieuzonering nader uitgewerkt. Hierbij is uitgegaan van de richtafstanden zoals genoemd in bijlage 2 en de afwijkingen hiervan zoals hierboven beschreven. De direct afleesbare afstandslijnen zijn zoveel mogelijk in overeenstemming gebracht met de bestaande terreingrenzen van de aanwezige bedrijven en kavels. Dit is gedaan om een ingewikkelde opsplitsing van bestaande bedrijven in verschillende categorieën te voorkomen. Indien blijkt dat een bedrijf niet past binnen de toegelaten milieucategorie, wordt dit bedrijf specifiek bestemd. Indien een bedrijf valt binnen twee of meerdere categorieën, is aangesloten bij de hoogste milieucategorie van het betreffende bedrijf.
Algemene toelaatbaarheid
De bedrijven zijn geïnventariseerd en ingeschaald in de categorieën van de SvB. In het plangebied zijn voornamelijk bedrijven behorend tot en met categorie 3.2 aanwezig, enkele bedrijven moeten echter ingeschaald worden in een hogere categorie.
Bedrijven die ten tijde van het opstellen van dit plan aanwezig zijn, maar niet passen binnen de algemene toelaatbare categorieën van bedrijfsactiviteiten, krijgen een specifieke aanduiding, naar gelang de aard van de bedrijvigheid. Op basis hiervan kunnen bedrijven de activiteiten, die vallen onder deze specifieke aanduiding en waarvoor een (milieu)vergunning is afgegeven op grond van het bestemmingsplan, voortzetten. Omschakeling van het bedrijf naar een andere activiteit dan in de bestemming is vermeld, kan alleen plaatsvinden wanneer deze activiteit past binnen de algemeen toelaatbare categorieën van bedrijfsactiviteiten. Bij bedrijfsbeëindiging of -verplaatsing kan zich dan alleen nog een gelijksoortig bedrijf vestigen, of een bedrijf dat past binnen het algemene toelatingsbeleid. Een overzicht van bedrijven die niet passen binnen de algemene toelaatbaarheid is opgenomen in Bijlage 1.
Afwijking
De toelaatbaarheid zoals deze hierboven is beschreven, betekent niet dat de uitoefening van activiteiten uit een hogere categorie in alle gevallen onaanvaardbaar is. De SvB geeft namelijk een vrij grove indeling van de hinderlijkheid van bedrijven. De situatie bij een specifiek bedrijf kan daarvan afwijken. Met name komt het voor dat een bedrijf als gevolg van de geringe omvang van hinderlijke (deel)activiteiten of door een milieuvriendelijke werkwijze, minder hinder veroorzaakt dan in de SvB is verondersteld. In dat geval kan voor een dergelijk bedrijf voor de desbetreffende activiteit worden afgeweken van de maximale toegestane categorie. Dit geldt alleen voor bedrijven uit maximaal twee categorieën hoger dan de in het bestemmingsplan toegestane categorie.
Bedrijfswoningen
Nieuwe bedrijfswoningen worden niet toegelaten. De moderne bedrijfsvoering en beveiliging vereist in het algemeen niet meer dat er continu (toezichthoudend) personeel aanwezig is. Bovendien leidt de aanwezigheid van bedrijfswoningen tot onnodige beperkingen omtrent de toelaatbaarheid van bedrijven op het bedrijventerrein: de bouw van een bedrijfswoningen betekent dat er in de naaste omgeving alleen lichte bedrijven kunnen worden toegestaan. De momenteel aanwezige bedrijfswoningen worden uiteraard positief bestemd.
Beleid en Normstelling
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
Onderzoek en conclusie
In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.3). Het totale plangebied beslaat een oppervlak van circa 55 hectare en heeft in de huidige situatie reeds de functie bedrijventerrein. Daarvan is nog maar een beperkt deel van circa 2,5 hectare beschikbaar voor ontwikkelingen. De ontwikkelingsmogelijkheden blijven daarmee ruim onder de drempelwaarde.
Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het project zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de vorige paragrafen zijn opgenomen. Voor deze ruimtelijke onderbouwing is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
In het bestemmingsplan wordt geen functiewijziging mogelijk gemaakt of herinrichting voorzien, zodat geen bodemonderzoek vereist is.
Wanneer in de toekomst een functiewijziging of herinrichting plaatsvindt, dient voorafgaand daaraan ten minste een verkennend bodemonderzoek (conform NEN 5740) te worden verricht.
Normstelling en beleid
Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk:
In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Risicorelevante inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.
Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
In de circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen is het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, wegen en spoorwegen opgenomen. Op basis van de circulaire geldt voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als een richtwaarde. Op basis van de circulaire geldt bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR of een toename van het GR een verantwoordingsplicht. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als nieuwe situaties. De circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
Vooruitlopend op de vaststelling van het Besluit Transportroutes Externe Veiligheid is de circulaire RVGS per 31 juli 2012 gewijzigd. Met deze wijziging zijn de veiligheidsafstanden uit het Basisnet Weg en het Basisnet Water opgenomen in de circulaire. In het BTEV worden tevens plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Vooruitlopend op de vaststelling van het BTEV wordt, aan de hand van de Basisnetten, al geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.
Buisleidingen
Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Onderzoek
Risicovolle inrichtingen
Binnen het plangebied worden nieuwe bedrijven die vallen onder het Bevi uitgesloten. Uitzondering daarop is het bestaande lpg-station aan de Trambaan in het meest westelijke gedeelte van het plangebied. Voor het lpg-tankstation geldt een PR 10-6-contour van 45 m ten opzichte van het vulpunt. Binnen deze contour ter plaatse van het plangebied liggen geen (beperkt) kwetsbare objecten, kwetsbare objecten worden ook niet mogelijk gemaakt. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering.
Het invloedsgebied voor het groepsrisico strekt zich uit tot 150 m rondom het vulpunt. Binnen het plangebied valt ligt een gedeelte van het plangebied binnen het invloedsgebied. Het betreft een beperkt oppervlak van Reedijk Wonen aan de Edisonweg 2 (maximaal 200 m²) en een gedeelte van Bedrijventerrein VI. Ten opzichte van objecten binnen het invloedsgebied dient het groepsrisico te worden verantwoord (zie onderstaand).
Van andere risicovolle inrichtingen in of nabij het plangebied is geen sprake.
Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor en water
In de omgeving van het plangebied worden over de Trambaan (beperkt) gevaarlijke stoffen vervoerd. Het gaat hier om de aanvoer van lpg naar het lpg-station aan de Trambaan over een gemeentelijk vastgestelde route (Edisonweg, Christiaan Huygensstraat, Industriestraat, Trambaan). Het gaat slechts om het bevoorraden van een enkel lpg-tankstation, waardoor de frequentie en omvang van dit transport dusdanig beperkt is, dat zij geen gevolgen heeft voor de vaststelling van het bestemmingsplan. De PR 10-6-contour van deze route blijft binnen de breedte van de weg en omdat er geen sprake is van een relevante toename van de personendichtheid in het gebied heeft het plan voor dit onderdeel ook geen gevolgen voor de hoogte van het GR.
Van ander vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, rails of over het water in de omgeving van het plangebied is geen sprake.
Vervoer van gevaarlijke stoffen door transportleidingen
In (de omgeving van) het plangebied vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen door transportleidingen plaats.
Verantwoordingsplicht groepsrisico
Bij de verantwoording van het groepsrisico dient aandacht besteed te worden aan de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid binnen het plangebied. De verantwoordingsplicht is van toepassing op objecten die binnen het invloedsgebied van het lpg-tankstation zijn gelegen. Binnen de PR-contour en het invloedsgebied van het lpg-station worden beperkt kwetsbare objecten mogelijk gemaakt, namelijk bedrijfspercelen.
Zelfredzaamheid van personen binnen het invloedsgebied
Binnen het invloedsgebied van het lpg-station bevinden zich in het algemeen geen personen met een lage zelfredzaamheid (zoals ouderen, kinderen of fysiek beperkten). Er is sprake van laagbouw, welke gemakkelijker is te ontvluchten dan hoogbouw. Het lpg-station ligt langs de Trambaan, de bedrijfspercelen liggen voor een klein deel aan de Edisonweg en voor het overige aan een interne ontsluitingsweg. Deze wegen hebben voldoende capaciteit om het gebied te kunnen evacueren en bieden goede ontvluchtingmogelijkheden. Bovendien zijn de wegen van de risicobron af georiënteerd.
Bestrijdbaarheid van calamiteiten
De brandweerkazerne ligt aan de Nijverheidsstraat, zodat de brandweer ingeval van nood binnen 5 minuten aanwezig kan zijn. De locatie is vanaf verschillende richtingen bereikbaar en er is voldoende bluswater aanwezig (een vijver en sloten aan beide zijden van de Trambaan).
Conclusie
Binnen het plangebied wordt voldaan aan de normstelling voor het PR. Diverse bedrijfspercelen zijn binnen het invloedsgebied van een lpg-tankstation gelegen. Ten aanzien van dit object is het groepsrisico verantwoord. Er kan worden geconcludeerd dat de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid binnen het plangebied goed zijn te noemen.
Beleid en normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven.
Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
| stof | toetsing van | grenswaarde | geldig |
| stikstofdioxide (NO2) 1) | jaargemiddelde concentratie | 60 µg/m³ | 2010 tot en met 2014 |
| jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | vanaf 2015 | |
| fijn stof (PM10) 2) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | vanaf 11 juni 2011 |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ | vanaf 11 juni 2011 |
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden, die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan), uitoefenen indien:
NIBM
In het Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
Onderzoek en conclusie
Aangezien in het voorliggende bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt, draagt het plan niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit in de omgeving.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat ruimschoots voldaan wordt aan de geldende normen uit de Wet Milieubeheer zoals weergegeven in tabel 4.1. Het maximale gehalte stikstofdioxide bedraagt 25,4 µg/m³, voor fijnstof bedraagt dit maximaal 21,3 µg/m³ en het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24-uurs gemiddelde voor fijnstof bedraagt 10 dagen.
De Wm staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg. Het plan voldoet uit het oogpunt van luchtkwaliteit aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.
Nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen zones van wegen dienen getoetst te worden aan de normen van de Wet geluidhinder. Binnen het plangebied worden echter geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Ook zijn er geen bestaande geluidsgevoelige bestemmingen in of in de nabijheid van het plangebied waarlangs nieuwe wegen worden gerealiseerd. Dit betekent dat akoestische toetsing in de zin van de Wet geluidhinder ten aanzien van wegverkeerslawaai niet aan de orde is.
In of in de directe omgeving van het plangebied liggen geen planologisch relevante leidingen.
Watertoets
Het waterbeheer in het plangebied is in handen van het waterschap Hollandse Delta (voorheen Waterschap de Groote Waard en zuiveringsschap Hollandse Eilanden en Waarden). Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan, is overleg gevoerd over deze waterparagraaf, de verbeelding en de planregels. De opmerkingen van het waterschap Hollandse Delta zijn verwerkt in deze paragraaf.
Beleid
Beleid waterbeheerder
In het Waterbeheerplan 2009-2015 staat hoe Hollandse Delta het waterbeheer in het werkgebied in de komende jaren wil uitvoeren. Daarbij gaat het om betaalbaar waterbeheer met evenwichtige aandacht voor veiligheid, waterkwaliteit, waterkwantiteit, duurzaamheid en om het watersysteem als onderdeel van de ruimtelijke inrichting van ons land. Het Waterbeheerplan beschrijft de uitgangspunten voor het beheer, de ontwikkelingen die de komende jaren verwacht worden en de belangrijkste keuzen die het waterschap moet maken. Daarnaast geeft het Waterbeheerplan een overzicht van maatregelen en kosten. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan.
Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Voor een toename aan verhard oppervlak moet 10% van deze toename worden gecompenseerd in de vorm van open water binnen het peilgebied waarin de verharding toeneemt.
Beleid gemeente
Op 25 januari 2008 heeft de raad van de gemeente Strijen het Gemeentelijke Waterplan voor het gehele grondgebied vastgesteld. Hierin is een inventarisatie gemaakt van knelpunten, kansen, een waterstructuurvisie wordt uitgewerkt waarin een ideaal beeld wordt geschetst voor het jaar 2027 en maatregelen waren geselecteerd voor de periode 2008-2013. De maatregelen worden voorgesteld om het watersysteem op orde te brengen en duurzamer te maken. In 2015 wordt het waterplan geëvalueerd en worden de prioriteiten vastgesteld voor de komende jaren. Bij de beschrijving van de 'huidige situatie' zijn de bestaande knelpunten binnen het plangebied kort beschreven.
Huidige situatie watersysteem
Het plangebied bestaat uit lichte klei met homogeen profiel, met een maaiveldhoogte van circa 1,1 m -NAP. Het waterpeil wordt gehandhaafd op 2,5 m -NAP, daarmee bedraagt de drooglegging circa 1,4 m. Aan de oostkant grenst het plangebied aan de Oud-Bonaventurasedijk (een waterscheiding), aan de westkant aan de Trambaan.
De wegsloot langs de Trambaan is een hoofdwatergang. Via deze hoofdwatergang wordt het overtollige hemelwater uit het gebied in zuidelijke richting afgevoerd en via de Keen en de Strijense Haven uiteindelijke uitgeslagen op het Hollandsch Diep. In droge periode wordt via de binnenbedijkte Maas water aangevoerd.
Een stelsel van watergangen in het plangebied zorgt voor de opvang van hemelwater. Een speciaal daarvoor aangelegde waterberging ten zuiden van de Edisonweg maakt daar deel van uit.
Het bestemmingsplan is hoofdzakelijk consoliderend van aard, bij eventuele toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied dient in ieder geval te worden gestreefd naar duurzame maatregelen in de vorm van:
Veiligheid tegen inundatie
Aan de oostzijde van het plangebied ligt de Oud Bonaventurasedijk die een functie als binnenwaterkering vervult. De waterkering heeft een kernzone en een beschermingszone, waarbinnen vanuit de Keur verbodsbepalingen gelden met betrekking tot bouwen of graven. Binnen de kern- en beschermingszone kan alleen vergunning wordt verleend als het effect van de bebouwing op de waterkering en van de waterkering op de bebouwing zijn bepaald door grondmechanisch onderzoek.
Waterhuishoudkundige aandachtspunten bij toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen
Het bestemmingsplan is hoofdzakelijk consoliderend van aard. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Dit betekent dat geen grootschalige functieveranderingen en/of herinrichtingen zijn gepland. Binnen de vigerende bestemmingen bestaat wel de mogelijkheid tot kleinschalige ontwikkelingen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het bouwen van aan- of bijgebouwen (al of niet omgevingsvergunningplichtig) of het aanleggen van paden of verhardingen.
Vanwege de consoliderende aard biedt het bestemmingsplan weinig of geen mogelijkheden om het watersysteem en -beheer te verbeteren.
Als in de toekomst ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden, is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterhuishouding kan worden verbeterd door het afkoppelen van schoon verhard oppervlak, hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Dit betekent ook dat toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het gebied moeten worden gecompenseerd. Ook combinaties met andere functies zoals groen en recreatie liggen voor de hand. Door de aanleg van natuurvriendelijke en ecologische oevers wordt bijvoorbeeld meer waterberging gerealiseerd. Daarnaast is het van belang om bij eventuele ontwikkeling diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, niet-uitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen), zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.
Ontsluiting
Autoverkeer
Het plangebied wordt in noord-zuidrichting ontsloten via de gebiedsontsluitingsweg Trambaan met binnen de bebouwde kom een maximumsnelheid van 50 km/h. Het verkeer bereikt via deze provinciale weg in noordelijke richting en vervolgens de N217 in respectievelijk oostelijke richting de A16 (Rotterdam-Breda) en in westelijke richting de A29 (Rotterdam-Dinteloord). In zuidelijke richting verbindt de Trambaan het bedrijventerrein met Strijen. Naast de Trambaan bevinden zich binnen het plangebied twee gebiedsontsluitingswegen in oost-westrichting: de Industriestraat en de Edisonweg. Overeenkomend met de richtlijnen van Duurzaam Veilig, is voor de kruisingen van beide wegen met de Trambaan gekozen voor een rotonde met vrij liggende fietspaden. De overige wegen in het plangebied zijn gecategoriseerd als erftoegangsweg.
Oostelijke Randweg
Aan de oostzijde van het plangebied is de oostelijke Randweg gerealiseerd. Deze Randweg is bedoeld om doorgaand en ontsluitend verkeer uit de kern zoveel mogelijk om de kern te leiden. De Randweg is op de Trambaan aangesloten via de Edisonweg.
Langzaam verkeer
Volgens de richtlijnen van Duurzaam Veilig dient op gebiedsontsluitingswegen het langzaam verkeer fysiek gescheiden van snelverkeer te worden afgewikkeld. Het fietsverkeer beschikt daartoe bij voorkeur over vrijliggende fietspaden of parallelwegen (parallelwegen worden gecategoriseerd als erftoegangswegen). Op erftoegangswegen wordt het fietsverkeer gemengd met het autoverkeer afgewikkeld. In het plangebied beschikken de Trambaan en de Edisonweg over een vrijliggend fietspad. Op de Industriestraat is gedeeltelijk een vrijliggend fietspad aangelegd. Op het andere deel van de weg is een suggestiestrook aangelegd conform de richtlijnen van Duurzaam Veilig. Op de erftoegangswegen in het plangebied wordt fietsverkeer gemengd met het autoverkeer afgewikkeld.
Openbaar vervoer
Het bedrijventerrein is per openbaar vervoer ontsloten door lijndiensten tussen Strijen en Dordrecht, Rotterdam, Numansdorp en Oud-Beijerland. Deze diensten hebben een halte nabij de rotonde Trambaan/Industriestraat.
Parkeren
Het parkeren vindt zoveel mogelijk plaats op eigen terrein. Voor het parkeren van vrachtwagens is in de Kamerlingh Onnesstraat op openbaar terrein ruimte gereserveerd. In het kader van de revitalisering van het bedrijventerrein Oud Bonaventura is de (vrachtwagenparkeerplaats heringericht. De parkeerplaats is groter en efficiënter ingericht, waarbij tevens een (kleine) fietsenstalling is opgericht.
Regelgeving en beleid
Wet archeologische monumentenzorg
Op 1 september 2007 is de wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee worden de uitgangspunten van het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.
Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
Figuur 4.1 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart provincie Zuid-Holland
Onderzoek en conclusie
De archeologische waardenkaart van de provincie Zuid-Holland geeft aan dat het plangebied ligt in een gebied met een lage trefkans op archeologische sporen. Er is dan ook geen aanleiding om een nadere regeling ter bescherming van archeologische (verwachtings)waarden op te nemen.
In dit bureauonderzoek is de bestaande situatie vanuit ecologisch oogpunt beschreven en is vermeld welke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Vervolgens is aangegeven waaraan deze ontwikkelingen - wat ecologie betreft - moeten worden getoetst. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen het toetsingskader dat door wettelijke regelingen wordt bepaald en het toetsingskader dat wordt gevormd door het beleid van Rijk, provincie en gemeente.
Bestaande situatie
Het plangebied bestaat uit bestaande bedrijventerrein. In het gebied zijn bebouwing, verharding, waterpartijen en enkele onbebouwde graspercelen aanwezig.
Beoogde ontwikkelingen
Het bestemmingsplan neemt de vigerende planologische rechten over. Er worden geen concrete ontwikkelingen voorzien, maar in het plangebied is nog wel ruimte om de onbebouwde percelen in te vullen met bedrijvigheid. In deze paragraaf wordt aangegeven waar bij mogelijke toekomstige ontwikkelingen rekening mee moet worden gehouden.
Normstelling
Provinciale Verordening
Het rijksbeleid ten aanzien van de bescherming van soorten (flora en fauna) en de bescherming van de leefgebieden van soorten (habitats) is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De uitwerking van dit nationale belang ligt bij de provincies. De bescherming van gebieden die deel uitmaken van de EHS, alsmede de bescherming van belangrijke weidevogelgebieden, is geregeld via de Provinciale Verordening Ruimte. Wanneer er ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden plaatsvinden die onderdeel zijn van de EHS of in belangrijke weidevogelgebieden, geldt het nee, tenzij-principe. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet compensatie plaatsvinden, wanneer er effecten optreden.
Flora- en faunawet
Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische Zaken. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.
Met betrekking tot vogels hanteert het Ministerie van Economische Zaken de volgende interpretatie van artikel 11:
De verbodsbepalingen van artikel 11 beperken zich bij vogels tot alleen de plaatsen waar gebroed wordt, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, én slechts gedurende de periode dat er gebroed wordt. Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen, te weten:
Nesten die het hele jaar door zijn beschermd
Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Ffw het gehele seizoen.
Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd
In de 'aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.
De Ffw is voor dit bestemmingsplan van belang, omdat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
Natuurbeschermingswet 1998
Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:
De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de Minister van EZ). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het bestemmingsplan. De speciale beschermingszones (a) hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Natuurbeschermingswet 1998 de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 zal kunnen worden verkregen.
Onderzoek en toetsing
Gebiedbescherming
In onderstaand figuur is te zien dat het plangebied geen onderdeel vormt van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Circa 400 m ten westen van het plangebied ligt het Oudeland van Strijen, zowel Natura 2000, als EHS-gebied. Het Natura 2000-gebied Hollands Diep ligt circa 3,5 km ten zuiden van het plangebied en het Natura 2000-gebied Biesbosch ligt circa 5,5 km ten zuidoosten van het plangebied.
Ten oosten van het plangebied zijn de kreken in het buitengebied aangewezen als ecologische verbindingszones. In de omgeving van het plangebied liggen geen belangrijke weidevogelgebieden.
|
|
Figuur 4.2.Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: geo-loket provincie Zuid-Holland)
Het Oudeland van Strijen is een uitgestrekt poldergebied in de Hoeksche Waard, dat nog voor een belangrijk deel uit oude graslanden bestaat. Het is een van de belangrijkste gebieden in de provincie Zuid-Holland voor doortrekkende en overwinterende ganzen, eenden en plevieren, met in recente jaren als bijzondere soort de dwerggans. Het gebied is niet gevoelig voor stikstofdepositie.
Het Hollands Diep is het water tussen Biesbosch en Haringvliet, op de grens van Zuid-Holland en Noord-Brabant. Het gebied is in zijn geheel aangewezen onder de Vogelrichtlijn, terwijl enkele voormalige grienden en gorzen op de noordoever beschermd zijn onder de Habitatrichtlijn. Het hele gebied is van belang als rust- en foerageergebied voor ganzen en eenden. De oeverlanden zijn begroeid met wilgenbos, natte ruigten en overstromingsgraslanden en vormen een geschikt leefgebied voor de noordse woelmuis. Het open water is doortrekroute voor trekvissen.
De Biesbosch bestaat uit een groot aantal eilanden en kreken, die grotendeels zijn begroeid met wilgenbos, in afwisseling met struwelen, ruigten, rietlanden en graslanden. Het gebied stond bekend als het grootste zoetwater getijdengebied van Europa, maar veel van deze faam is teloorgegaan door de uitvoering van de Deltawerken. Wat zich sindsdien gevormd heeft, is een ondoordringbare wildernis die, vooral door haar uitgestrektheid, nog steeds van groot belang is voor een heel scala aan habitattypen en moerassoorten, waaronder bever, ijsvogel, blauwborst, noordse woelmuis, fint en grote modderkruiper. Ook is het gebied rijk aan bijzondere epifytische mossen. Aan de noordoostkant van het gebied ligt een polder- en uiterwaardenlandschap met enkele van de beste voorbeelden van stroomdalgrasland en Weidekervelhooiland in ons land.
Het bedrijventerrein ligt geheel buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten als areaalverlies en versnippering zijn dan ook uitgesloten. De ontwikkelingsruimte op het bedrijventerrein heeft ook geen invloed op het functioneren van de verbindingszones in het buitengebied. Het plangebied is al ingericht als bedrijventerrein, de invulling van enkele percelen heeft dan ook geen effect op de waterhuishouding in de Natura 2000-gebieden. De bouwwerkzaamheden leiden tot een beperkte, tijdelijke verstoring van het zuidoosten van het Oudeland van Strijen. Er blijft echter voldoende onverstoord gebied over, zodat deze tijdelijke verstoring nooit leidt tot significant negatieve effecten. Gezien de aard van de bedrijvigheid op het bedrijventerrein, de beperkte ontwikkelingsruimte en de afstand tot het Hollands Diep en Biesbosch wordt een toename van de stikstofdepositie in deze gebieden uitgesloten. Significant negatieve effecten treden niet op.
De Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.
Soortenbescherming
De huidige ecologische waarden van de nog onbebouwde percelen zijn vastgesteld aan de hand van foto's (google earth), algemene ecologische kennis en verspreidingsatlassen/gegevens (onder andere Ravon en www.waarneming.nl).
Vaatplanten
In en langs de waterpartijen zijn naar verwachting groeiplaatsen van de beschermde zwanenbloem en dotterbloem aanwezig. In het grasland worden geen beschermde soorten verwacht.
Vogels
De waterpartijen bieden leefgebied aan watervogels als meerkoet, wilde eend en waterhoen. Op de percelen zelf ontbreken bomen, struiken en bebouwing. Vaste verblijfplaatsen van vogels ontbreken dan ook. Door de relatieve beslotenheid en verstoring op de percelen wordt de aanwezigheid van weidevogels hier uitgesloten.
Zoogdieren
Het plangebied biedt geschikt leefgebied aan algemeen voorkomende, licht beschermde soorten als mol, veldmuis en konijn. Door het ontbreken van bomen en bebouwing ontbreken vaste verblijfplaatsen van vleermuizen. De percelen zijn hierdoor ook hoogstens marginaal foerageergebied. De waterpartijen vormen geen doorgaande structuren, zodat vlieg- en migratieroutes ontbreken.
Amfibieën
Algemene amfibieën als bruine kikker, bastaardkikker, kleine watersalamander en gewone pad zullen de waterpartijen als voortplantingsplaats gebruiken, waarbij de percelen onderdeel van het leefgebied zijn. Gezien de aanwezige biotopen komen hier geen zwaarder beschermde soorten voor.
Overige soorten
Er zijn, gezien de aanwezige biotopen, geen beschermde vissen, reptielen en/of bijzondere insecten of overige soorten te verwachten op de onbebouwde percelen. Deze soorten stellen hoge eisen aan hun leefgebied; het plangebied voldoet hier niet aan.
In tabel 4.2 staat aangegeven welke beschermde soorten er binnen het plangebied (naar verwachting) aanwezig zijn en onder welk beschermingsregime deze vallen.
Tabel 4.2: Naar verwachting aanwezige beschermde soorten binnen het plangebied en het beschermingsregime
| Nader onderzoek nodig bij toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen | ||||
| Vrijstellingsrege-ling Ffw | tabel 1 | zwanenbloem en dotterbloem mol, veldmuis en konijn bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en de bastaardkikker |
nee | |
| Ontheffingsrege-ling Ffw | tabel 2 | - | nee | |
| tabel 3 | bijlage 1 AMvB | - | nee | |
| bijlage IV HR | - | nee | ||
| vogels | cat. 1 t/m 4 | - | nee | |
Het bestemmingsplan is consoliderend van aard. Er worden geen concrete ontwikkelingen voorzien. De Flora- en faunawet staat de uitvoering van het bestemmingsplan dan ook niet in de weg.
In het plangebied zijn echter nog wel te ontwikkelen percelen aanwezig. Hierna is aangeven waar bij deze mogelijke toekomstige ontwikkelingen rekening moet worden gehouden.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Het bestemmingsplan voorziet in actualisatie en herziening van de bestaande regeling, waarbij het toetsingskader wordt aangepast aan de huidige wet- en regelgeving, nieuw beleid en historisch gegroeide situaties. Er wordt niet voorzien in (juridisch-planologisch) nieuwe ontwikkelingen.
Met betrekking tot de relatie met de grondexploitatieregeling in de Wro, wordt opgemerkt dat er geen sprake is van nieuwe bouwtitels zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro, er geen kosten voor de gemeente met de ontwikkeling gemoeid zijn en derhalve besloten is geen grondexploitatieplan zoals bedoeld in artikel 6.12 van de Wro vast te stellen.
In het kader van het bestemmingsplan bedrijventerrein VI is een exploitatieopzet opgesteld. Deze opzet wordt regelmatig geactualiseerd en toegepast bij de verdere uitgifte van gronden.
In dit hoofdstuk wordt de bestemmingsregeling bestaande uit de verbeelding (plankaart) en de planregels nader toegelicht. Het voorliggende bestemmingsplan heeft grotendeels een consoliderend karakter. Op welke wijze een en ander in de bestemmingsregeling concreet is verwerkt, wordt in de volgende paragraaf beschreven. Het plan kenmerkt zich door het gebruik van bestemmingen waarmee de huidige functies zijn vastgelegd. In paragraaf 6.2 en 6.3 is een beschrijving gegeven van de wijze van bestemmen.
De aard van het plangebied geeft in hoofdzaak aanleiding tot een bestemmingsplansystematiek, waar de bestaande ruimtelijke structuur het uitgangspunt vormt. De bestemmingen zijn op de verbeelding opgenomen in overeenstemming met de aanwezige functies. De meest voorkomende functie is bedrijvigheid. Op de plankaart zijn de bedrijven opgenomen binnen de bestemming Bedrijf, waarbij de grenzen van de bouwvlakken grotendeels zijn afgestemd op de bestaande bebouwing en de bestaande afstanden tot de weg(en). Nieuwe bedrijfsbebouwing dient binnen de grenzen van het bouwvlak opgericht te worden. Daar waar in het vigerende bestemmingsplan een maximaal bebouwingspercentage is opgenomen, is op de plankaart een maximaal bebouwingspercentage opgenomen. Tevens zijn op de kaart de maximale bouwhoogten aangegeven.
Naast de bestemming Bedrijf komen in het plangebied de functies maatschappelijk, verkeer, wonen, groen en water voor. De wegen, trottoirs, (openbare) parkeerplaatsen, niet-structurele groenstroken en overig straatmeubilair zijn opgenomen binnen de bestemming Verkeer. De structurele groenstroken zijn opgenomen binnen de bestemming Groen. De in het plangebied voorkomende watergangen en de gronden ten noorden van de nieuwe ontsluitingsweg zijn opgenomen binnen de bestemming Water. De nutsvoorzieningen en -gebouwen zijn eveneens opgenomen binnen de bestemming Bedrijf. Het gemeentehuis heeft de bestemming Maatschappelijk gekregen. De bijbehorende bouw- en gebruiksbepalingen van deze bestemmingen komen kort in paragraaf 6.3 aan bod.
Bij het opstellen van het bestemmingsplan Bedrijventerrein is gebruikgemaakt van de landelijke richtlijn Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Hierin zijn verplichtingen opgenomen ten aanzien van de opbouw en presentatie van het bestemmingsplan. De landelijke richtlijn SVBP is opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende voor het gehele plangebied geldende bepalingen. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het gebruik, waaronder de hierboven genoemde bestemmingen. Hoofdstuk 3 bevat de algemene bepalingen en hoofdstuk 4 bevat de overgangs- en slotbepalingen. In deze paragraaf worden alle planregels kort nader toegelicht.
Artikel 1 Begrippen
In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de planregels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.
Artikel 2 Wijze van meten
Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
Artikel 3 Bedrijf
Voor het grootste deel van het plangebied is de bestemming Bedrijf opgenomen. Bij deze bestemming is nader onderscheid gemaakt tussen toegestane bedrijven volgens de Staat van Bedrijfsactiviteiten.
Dit onderscheid is afhankelijk van de ligging ten opzichte van:
In hoofdstuk 4 is reeds uitvoerig ingegaan op de wijze waarop de zonering tot stand is gekomen. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen.
In de aangebrachte zonering worden bedrijven toegelaten, variërend van categorie 2 tot en met categorie 4.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'Bedrijventerrein'. Bedrijven die niet passen in de categorie van de desbetreffende zone, krijgen een specifieke functieaanduiding. De bestaande bedrijfsactiviteiten zijn ter plaatse toegestaan, maar na beëindiging zijn uitsluitend identieke bedrijfsactiviteiten of bedrijfsactiviteiten uit de toegelaten categorieën voor die zone toegestaan. De maatbestemming blijft dan wel bestaan, zodat altijd een soortgelijk bedrijf zich daar kan vestigen.
Voor de in het plangebied voorkomende detailhandelsvestigingen is de aanduiding 'detailhandel' op de plankaart opgenomen. Alleen ter plaatse van deze aanduiding is detailhandel toegestaan. Detailhandel in volumineuze goederen is eveneens overal toegestaan, maar dit geldt niet voor meubelbedrijven en detailhandel in keukens en badkamers, deze zijn uitsluitend ter plaatse van de aanduiding (dhv) toegestaan.
In het plangebied zijn de bestaande zelfstandige kantoren toegestaan. Op deze locaties hebben de gronden de aanduiding 'kantoor' gekregen. Voor het overige zijn zelfstandige kantoren, evenals in het vorige bestemmingsplan, uitsluitend toegestaan in de representatieve zone van Bedrijventerrein VI. In deze zone is hiertoe de aanduiding 'specifieke vorm van kantoor-1' opgenomen.
Op de verbeelding/plankaart is de begrenzing van de bebouwing vastgelegd evenals de bouwhoogten. Deze bouwhoogten zijn afgestemd op de bouwhoogten uit de geldende bestemmingsplannen. Voor de gebouwen die hoger zijn (en legaal tot stand zijn gekomen) wordt conform de feitelijke situatie een hogere hoogte toegestaan.
Op de plankaart is daarnaast voor enkele bouwvlakken een bebouwingspercentage aangegeven. Per bedrijf mag het (bouw)perceel voor niet meer worden bebouwd dan dit bebouwingspercentage. Indien meerdere bouwpercelen binnen één bouwvlak zijn gelegen, dan geldt dit bebouwingspercentage per bouwperceel. Indien geen percentage is opgenomen mag het bouwperceel volledig worden bebouwd. Op de gronden buiten de bouwvlakken zijn geen gebouwen toegestaan. Deze gronden zijn hoofdzakelijk bedoeld voor parkeervoorzieningen en transportbewegingen.
Tevens is de afstand van de bebouwing tot de zijdelingse perceelsgrenzen bepaald. In beginsel dient aan één zijde van een gebouw altijd een afstand van minimaal 3 m tot de zijdelingse perceelsgrens in acht te worden genomen. De andere zijde dient minimaal 1 m uit de zijdelingse perceelsgrens gebouwd te worden of samen met het naastgelegen gebouw in de zijdelingse perceelsgrens te worden gebouwd.
Tussen de bedrijfsgebouwen van Reedijk wonen, waarvan er één mogelijk op bedrijventerrein VI gepland is, is de mogelijkheid opgenomen om een luchtbrug te realiseren. Op de plankaart is de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding-4' opgenomen. In de planregels is opgenomen dat de luchtbrug uitsluitend op de 2e of 3e bouwlaag mag worden gerealiseerd en dat de maximale breedte niet meer mag bedragen dan 3 m.
Voor de aanwezige nutsvoorzieningen is de aanduiding 'nutsvoorziening' en voor voorzieningen ten behoeve van de (mobiele) telecommunicatie de aanduiding 'antennemast'. Ter plaatse van de aanduiding 'antennemast' is een antennedrager van maximaal 53,5 m toegestaan alsmede een bijbehorend apparatuurgebouw.
Het bestemmingsplan houdt geen rekening met de bouw van nieuwe bedrijfswoningen (zie paragraaf 4.1. onder Gevoelige bestemmingen en gebiedstypen), met uitzondering van de bestaande bedrijfswoningen. Deze zijn toegestaan tot een maximumgrootte van 600 m³, inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen.
Artikel 4 Groen
Voor de meer structurele groenelementen, hoofdzakelijk gelegen aan de randen van het plangebied, is de bestemming Groen opgenomen. Aan de oostzijde van de Trambaan, ten noorden van de Edisonweg is voor een strook grond de bestemming Groen toegekend. Binnen deze bestemming zijn bermen en bermsloten etc. toegestaan.
Artikel 5 Maatschappelijk
Voor de in het plangebied aanwezige maatschappelijke voorziening, namelijk het gemeentehuis, is de bestemming Maatschappelijk opgenomen. Hiervoor is een bouwvlak en een maximale bouwhoogte opgenomen.
Artikel 6 Verkeer
Aan de wegen met naastliggende bermen, groenstroken, parkeervoorzieningen en trottoirs is een ruime bestemming Verkeer (met inbegrip van groenvoorzieningen) gegeven. Binnen deze bestemming is uitwisselbaarheid van verschillende functies in het openbare gebied toegestaan, waardoor de inrichting van de openbare ruimte kan worden aangepast zonder dat daarvoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is.
Artikel 7 Water
Ondanks dat water binnen nagenoeg alle andere bestemmingen mogelijk is, wordt vanuit waterhuishoudingbeleid steeds vaker gekozen voor een eigen bestemming voor belangrijke watergangen. Binnen de bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan, zoals duikers, bruggen en steigers.
Artikel 8 Wonen
Hoofdgebouwen
De enkele vrijstaande burgerwoningen in het plangebied zijn als woning bestemd. Er zijn regels opgenomen met betrekking tot de situering en oriëntatie van gebouwen. De maximale goothoogte die aangehouden moet worden is aangegeven op de verbeelding. Voor wat betreft de bouwregels is een bevoegdheid tot afwijken opgenomen om, onder voorwaarden, de situering van het hoofdgebouw op het perceel te wijzigen.
Aan- en uitbouwen en bijgebouwen
Aan- en uitbouwen en bijgebouwen zijn toegestaan tot een oppervlak van ten hoogste 65 m². Hierbij moet ten minste een afstand worden aangehouden van 2,5 m tot de voorgevel van het hoofdgebouw. Voor garages geldt dat een afstand van ten minste 5 m tot aan de bestemming Verkeer aangehouden dient te worden. Hierbij is een bevoegdheid tot afwijken opgenomen om de afstand te verkleinen, mits het aantal parkeerplaatsen niet wordt beperkt.
Artikel 9 Waterstaat - Waterkering
Voor de waterkeringen (Oud Bonaventurasedijk) is de waterkerende functie tot uitdrukking gebracht in de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering. De betreffende gronden zijn tevens bestemd voor de bescherming van de waterkering (naast de andere toegekende bestemming. Het bebouwen van deze gronden ten behoeve van de andere bestemmingen is uitsluitend toegestaan na afwijking door burgemeester en wethouders. Afwijken is uitsluitend toegestaan als de waterkeringsbelangen hierdoor niet onevenredig worden geschaad. Burgemeester en wethouders winnen hiervoor, met het oog op een zorgvuldige voorbereiding van het besluit advies in bij de beheerder van de waterkering, voordat ze beslissen op het verzoek om afwijking.
Artikel 10 Antidubbeltelregel
Het doel van de dubbeltelbepaling is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Kortweg gezegd komt het erop neer, dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede maal mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren.
Artikel 11 Algemene bouwregels
Overschrijding bouwgrenzen
De op de plankaart aangegeven bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen worden overschreden met kleine bouwdelen. In dit artikel is geregeld hoe groot de overschrijding mag zijn en onder welke voorwaarden.
Bestaande afstanden en andere maten
In de planregels zijn diverse regelingen opgenomen die aangeven wat maximaal of minimaal toelaatbaar is. Deze regelingen kunnen betrekking hebben op hoogten, breedten, diepten, oppervlakten, afstanden of aantallen. Ruimtelijke overwegingen hebben bepaald welke maat als maximum of minimum is aangegeven. Het kan voorkomen dat bestaande situaties niet voldoen aan de betrokken maten.
Met betrekking tot de bestaande maten is als peildatum gekozen voor het moment waarop het bestemmingsplan in werking is getreden. Qua gebruik is dit het eerste moment waarop de gebruiksregels van het bestemmingsplan van toepassing zijn. Wat bouwen betreft is dit het eerste moment waarop nog uitsluitend conform het geldende bestemmingsplan, in casu de daarin vastgelegde maxima en minima, kan worden gebouwd.
Uiteraard geldt de betrokken regeling niet indien een bestaand bouwwerk wordt afgebroken en op een andere plek wordt herbouwd. In dat geval gelden de als maximaal of minimaal gestelde maten onverkort.
Het negeren van deze bestaande maten zou betekenen dat het betrokken gebouw of het betrokken gebruik onder het overgangsrecht valt, met alle gevolgen van dien (alleen gedeeltelijk vernieuwen of veranderen, geen herbouw na calamiteit etc.). Dit is uitdrukkelijk niet de bedoeling. Overgangsrecht is immers alleen aan de orde, wanneer te verwachten is dat het betrokken gebouw gedurende de looptijd van het bestemmingsplan zal worden geamoveerd of wanneer het betrokken gebruik gedurende deze periode zal worden beëindigd.
Het onder het overgangsrecht brengen zou ook tot praktische complicaties leiden, aangezien dan onduidelijk is of - bijvoorbeeld - het gehele gebouw onder het overgangsrecht valt of alleen dat gedeelte waarmee de betrokken maten worden overschreden.
Om dit soort verwikkelingen te voorkomen is in artikel 11 een regeling opgenomen die voorkomt dat overgangsrecht van toepassing is, indien de gestelde maxima of minima niet met de bestaande situaties in overeenstemming zijn.
Artikel 12 Algemene afwijkingsregels
Voor ondergeschikte afwijkingen van het bestemmingsplan is een algemene afwijkingsbevoegdheid opgenomen. De onderhavige regeling voorziet in verband met de gewenste duidelijkheid, in een objectieve begrenzing van het toepassingsbereik van de afwijking.
Artikel 13 Algemene wijzigingsregels
Voor het in geringe mate overschrijden van bestemmingsgrenzen is een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen.
Artikel 14 Overige regels
Voldoende parkeergelegenheid
In het voorontwerpplan werd voor de toetsing van de parkeerbehoefte in dit artikel 57 verwezen naar de gemeentelijke bouwverordening. Door de inwerkingtreding van de 'Reparatiewet BZK 2014' (Staatsblad 2014, 458) per 29 november 2014 is de bouwverordening voor dit bestemmingsplan niet meer van toepassing. De regeling van parkeerbepaling in de bouwverordening is daarom materieel overgenomen in dit bestemmingsplan. Een en ander leidt niet tot een inhoudelijke wijziging van de beoogde toetsing. Aan het Besluit ruimtelijke ordening is mede in verband met het intrekken van toetsing aan de bouwverordening de mogelijkheid opgenomen om voor de invulling van de eis van voldoende parkeren in concrete situaties gebruik te maken van beleidsregels (zie artikel 3.1.2 lid 2 onder a Bro), zoals dit ook onder de werking van de bouwverordening mogelijk was.
Artikel 15 Overgangsrecht
In dit artikel is het overgangsrecht zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening, opgenomen.
Artikel 16 Slotregel
Het laatste artikel van de planregels betreft de citeertitel van het onderliggende bestemmingsplan.
Het ontwerpbestemmingpIan heeft gedurende zes weken ter inzage worden gelegen. In die periode konden belanghebbenden een zienswijze op het plan indienen. In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening zal het ontwerpbestemmingsplan in dezelfde periode ook aan verschillende overleginstanties worden voorgelegd.
Op het ontwerpplan zijn acht zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in een Nota zienswijzen. De zienswijzen hebben op onderdelen aanleiding gegeven tot aanpassing van het bestemmingsplan. De wijzigingen zijn verwerkt in het bestemmingsplan, waarna het bestemmingsplan (gewijzigd) is vastgesteld.