Plan: | Laurenskwartier |
---|---|
Status: | onherroepelijk |
Plantype: | bestemmingsplan |
IMRO-idn: | NL.IMRO.0599.BP1022Laurenskwrt-oh01 |
Historische gelaagdheid
Ruim 70 jaar na het bombardement heeft de Rotterdamse binnenstad een verrassende historische gelaagdheid. Deze is dankzij de oorlogsschade onvergelijkbaar met andere Nederlandse binnensteden. De stad is ook heel anders dan de centra van naoorlogse New Towns, zoals Emmeloord, Lelystad en Almere. Rotterdam heeft een jonge binnenstad met een lange geschiedenis. De constante economische dynamiek in de afgelopen decennia ging samen met wisselende visies op de stedelijke ontwikkeling. Het gevolg was dat er versneld nieuwe historische lagen in het Laurenskwartier ontstonden. Elke laag heeft een kenmerkende stedenbouwkundige en architectonische uitdrukking: de vooroorlogse stad, de wederopbouwstad, het Rotterdam van de jaren zeventig en tachtig, en de recente stad.
De vooroorlogse binnenstad
Op luchtfoto's na het puinruimen in 1940 is de vooroorlogse laag van het tegenwoordige Laurenskwartier goed te zien. De belangrijkste erfenis uit de 'verdwenen' stad is de middeleeuwse stedelijke structuur, zoals die met aanpassingen na de oorlog opnieuw werd ingevuld en opgebouwd. De oude stadsdriehoek is in grote lijnen, inclusief dijken, wegen en waterwegen, herkenbaar gebleven. Met een vooroorlogse kaart is nog steeds redelijk de weg te vinden in de binnenstad. Wel werd een aantal straten en vaarwegen verbreed of verlegd. Tot de lange lijnen in de stadsgeschiedenis horen: Coolsingel, Hofplein, Goudsesingel, Oostplein, Hoogstraat, de gedempte Binnenrotte en de gedempte Botersloot, Delftse Vaart, Steigergracht en de Meent.
Het meest authentiek bewaard gebleven stuk vooroorlogs Rotterdam is de doorbraak van A.C. Burgdorffer uit het begin van de twintigste eeuw bij de Coolsingel en de Meent. Deze doorbraak heeft het bombardement overleefd, terwijl de stad waarin zij werd uitgevoerd verdween. Zelfs de meeste gebouwen uit dit ensemble bleven overeind: stadhuis, postkantoor, beurs en een deel van de Meent. In het vooroorlogse Rotterdam vormden de monumentale openbare gebouwen aan de Coolsingel een symbool van de modernisering van de stad. Na de oorlog werden het symbolen van het oude Rotterdam in de stad van de wederopbouw.
De drie belangrijkste historische monumenten in het vooroorlogse Rotterdam waren de Laurenskerk, het Schielandshuis en de Delftse Poort. Opmerkelijk is dat twee ervan het bombardement hebben overleefd. De Delftse Poort ging verloren, maar werd jaren later als metalen kunstwerk gereconstrueerd. In het naoorlogse Rotterdam kreeg de Laurenskerk een enorm symbolisch gewicht: de kerk houdt de herinnering aan zowel de oude stad als het bombardement en de wederopbouw levend. Bovendien bleef de toren en het silhouet van de kerk een groots en dominant element in de moderne skyline van Rotterdam - als middelpunt, centrum en gemankeerd hart van de stad.
De erfenis van het vooroorlogse Rotterdam bestaat uit de stedenbouwkundige structuur van het Laurenskwartier en twee bijzondere plekken: de doorbraak van Burgdorffer (Coolsingel, Meent) en de Laurenskerk.
De wederopbouwstad
Na het puinruimen in 1940 begon de reconstructie van de infrastructuur. Op foto's uit 1942 is te zien dat het Laurenskwartier beschikte over vernieuwde en verbrede grachten en vaarten. Bovendien was het tracé van de meeste oude en nieuwe wegen uitgezet en met puin opgehoogd. Deze 'onderlegger' voor de wederopbouw was ontworpen door stadsarchitect W.G. Witteveen. C. van Traa had in zijn naoorlogse Basisplan voor de Wederopbouw (1946) binnen de oude stadsdriehoek nauwelijks ruimte om af te wijken van de structuur die al was aangelegd. Alleen aan de randen, bij het Hofplein en de Blaak, veranderde de wegenstructuur alsnog. Wel maakte in de uitwerking de stadscompositie van Witteveen plaats voor een schema van functies en bouwregels bij Van Traa. Hierbij veranderde de structuur van een weefselstad met een kleine korrelgrootte in de structuur van een blokkenstad met grotere eenheden. Bijna 25 jaar lang vormde het Basisplan het kader voor bouwplannen.
Kenmerkend voor de wederopbouw van de binnenstad is dat de verschuiving van het centrum naar het westen werd doorgezet. Voor de oorlog was dit proces begonnen met de verplaatsing van de belangrijkste openbare gebouwen naar de Coolsingel en de transformatie van Station D.P. tot Centraal Station. Het zwaartepunt van de binnenstad lag toen evenwel nog bij de Binnenrotte en het oude Beursplein (bij het tegenwoordige station Blaak). Met de bouw van het Groothandelsgebouw, de Lijnbaan en later de Weenakantoren verschoof het zwaartepunt naar de Coolsingel en het Hofplein. Tussen de Coolsingel en de Binnenrotte werd de cityvorming doorgezet in de vorm van winkelstraten, kantoren en bedrijfsruimten.
Het naoorlogse Laurenskwartier combineert twee ruimtelijke concepten. De oude structuur van de stadsdriehoek werd in grote lijnen gereconstrueerd, maar tegelijk ging het gebied op in een groter centrum, met allerlei functionele zones. Het Laurenskwartier viel als het ware uiteen in verschillende gebieden, zoals kantoorboulevards (Coolsingel, Blaak) en winkelstraten (Meent en Hoogstraat). Het oude hart van de stad, in de omgeving van de Laurenskerk, kwam geïsoleerd tussen de stromen van de moderne stadsdynamiek te staan. Door deze ontwikkeling bleef de vooroorlogse stad herkenbaar, maar ontstonden er verschillende sferen voor wat betreft de schaal, de architectuur en de inrichting van de openbare ruimte.
De Binnenrotte (waar lange tijd het hoogspoor was) markeert de grens van het wooncentrum (oostelijk deel) en het werkcentrum (westelijk deel). In het oostelijk deel werd na de oorlog wonen de hoofdfunctie, aangevuld met bedrijven en commercie in de plinten en de binnenhoven. Er ontstonden als het ware twee 'centrumstedelijke neighbourhoodunits' rondom de Nieuwemarkt respectievelijk het Achterklooster. De zones worden van elkaar gescheiden door de in de wederopbouw verbrede Mariniersweg. Beide gebieden zijn opmerkelijk homogeen gebleven en bestaan nu voornamelijk uit wederopbouwarchitectuur. Ze kregen in 1995 het predikaat 'aandachtsgebied wederopbouw'. Alleen in de Hoogstraat zijn, aan weerszijden van de Binnenrotte, in de jaren tachtig en negentig nieuwbouw gerealiseert die afwijkt in de bouwhoogte, rooilijn en architectuur.
Het gedeelte van het Laurenskwartier ten westen van de Binnenrotte heeft minder ruimtelijke samenhang dan het oostelijk deel. Hier was de afgelopen decennia meer dynamiek, die ertoe leidde dat de bebouwing uiteen loopt in bouwhoogte, breedte en vorm. Het is een verzameling objecten van uiteenlopende kwaliteit. De ruimte is versnipperd en rondom de tunnelbak van de spoorlijn zelfs perifeer van karakter (Pompenburg). Hoe meer architectuur uit de wederopbouw wordt gesloopt, hoe minder er van het werk van Van Traa overblijft in de stad. Het werk van Witteveen, met de waterstructuur en de belangrijkste rooilijnen, behoudt wel zijn betekenis. In de wederopbouwlaag beginnen de structuren van Witteveen allengs dominanter te worden dan de vormen en functies van Van Traa. De doorgaande wegen (Hoogstraat, Coolsingel, Meent) werken structurerend temidden van de ruimtelijke fragmentatie. De waterwegen (Lombardkade, Delftse Vaart, Steiger) zouden ook structurerend kunnen werken, wanneer ze beter in het weefsel van de stad worden opgenomen. De historische lagen zijn in dit gebied beperkt tot de vooroorlogse doorbraak van Burgdorffer (Coolsingel en Meent) en de naoorlogse bebouwing rondom de kruising van Hoogstraat en Delftse Vaart (het gebied rondom de Vlasmarkt). Hier is een waardevol ensemble van de wederopbouw, met belangrijke gebouwen (Huf, Galeries Modernes, Steigerkerk, reeks kantoren Westewagenstraat) en een zeer verzorgde, ambachtelijk gemaakte kadestructuur.
De belangrijkste erfenis van de wederopbouw in het Laurenskwartier wordt gevormd door drie stedelijke ensembles, rondom respectievelijk de Nieuwemarkt, het Achterklooster en de Vlasmarkt (kruising Delftse Vaart en Hoogstraat).
Jaren zeventig en tachtig
Nog voor de wederopbouw gereed was, werden de uitgangspunten ervan opzij gezet. In de jaren zeventig werd gezocht naar menselijke en kleinschalige structuren, die evenwel in grootschalige complexen tot stand kwamen. De bouwvolumes zijn opgebouwd uit kleinere eenheden, waarin de individuele cel of woning tot uitdrukking kwam. De complexen zijn behoorlijk in zichzelf gekeerd. In deze periode verzwakte de stedenbouwkundige structuur van de binnenstad. Rooilijnen werden terug gelegd, er ontstonden gesloten plinten en de hiërarchie van openbare ruimtes kwam onder druk te staan. Op architectonisch niveau kwamen wel enkele bijzondere creaties tot stand, zoals de bibliotheek en de Blaakoverbouwing. In het noordelijk deel van het Laurenskwartier bouwden Hoogstad en Van Tilburg woningen aan het water, gedeeltelijk over de kades van Witteveen heen. Zo ontstond een haast suburbaan woonmilieu in het hart van de oude stad. De bebouwing uit deze periode staat op sommige punten op gespannen voet met de ruimtelijke structuur en de rooilijnen van de oudere stad. Dit speelt met name met de bibliotheek, die terugligt ten opzichte van de hoek van de Binnenrotte en de Hoogstraat.
Jaren negentig en nu
De recente bouwprojecten in het Laurenskwartier zijn geconcentreerd rondom het Beursplein (Koopgoot) en de Binnenrotte (Hofdame, Markthal). De schaalvergroting zet door, zowel in de hoogte als de breedte. Wel worden gebouwen strakker in de bestaande rooilijnen geplaatst en is de zorg voor de inrichting van de plinten toegenomen. In het oostelijk deel van het Laurenskwartier heeft het beleid met 'aandachtsgebieden wederopbouw' vruchten afgeworpen. De Nieuwemarkt en Pannekoekstraat staan model voor een nieuwe elan. Ten westen van de Binnenrotte is hier nog geen sprake van. Compositorische overwegingen ten aanzien van het stadsbeeld zijn ondergeschikt aan de individuele architectonische expressie en/of de omvang van de bouwvolumes. Het stadsbeeld wordt gevormd door solitaire objecten.
De structuur van middeleeuws Rotterdam is in een aangepaste versie bewaard en herkenbaar gebleven. In hoofdzaak gaat het om doorgaande routes (lijnen), een stelsel van plekken (vlakken) en losse iconen (punten). Met name in de afgelopen dertig jaar is op verschillende manieren de ruimtelijke structuur evenwel verwaterd, bijvoorbeeld door het loslaten van rooilijnen, het bebouwen van kades, veranderingen in de bouwhoogte, herinrichting van de openbare ruimte en het ontstaan van achterkanten aan de belangrijke ruimten (pleinen en vaarten). Daar staat tegenover dat de Koopgoot de verbinding van de Hoogstraat naar de metro en de Lijnbaan heeft versterkt.
Ruimtelijke kenmerken
De randen van de landstad
De oorspronkelijke begrenzing van de landstad bestond uit singels. Na demping (rond 1900) kwamen er boulevards, die sinds de wederopbouw elk een eigen karakter hebben. De Coolsingel wordt gedomineerd door openbare gebouwen, de Goudsesingel door woonbebouwing en de Blaak door kantoren. Bij elke functie hoort een kenmerkend architectonisch beeld: monumentale gebouwen aan de Coolsingel, boulevardwanden aan de Goudsesingel en grootschalige bouwblokken langs de Blaak. De Blaak is verschoven en gedraaid ten opzichte van de vooroorlogse situatie. De ambities van de wederopbouw (venster op de rivier) kwamen hier niet goed uit de verf. Het beeld van de Blaak is dynamisch en fragmentarisch, met een restant vooroorlogse stad (HBU-toren Dudok, Schielandshuis), een strook kantoren (zuidzijde), enkele gebouwen uit de late wederopbouw en recente toevoegingen (Maritiem museum, toren de Koopvaart).
Op de kruisingen van de boulevards zijn pleinen: Hofplein, Oostplein en Churchillplein (voor de oorlog lag iets noordelijker het Van Hogendorpplein). Ten opzichte van de vooroorlogse situatie zijn de pleinen vergroot en losser van het Laurenskwartier gelegd. De verkeersfunctie domineert, het vooroorlogse gebruik verdween (uitgaan op het Hofplein, winkelpassage en Café de Unie op het Van Hogendorpplein en een molen op het Oostplein). De differentiatie uit de wederopbouwtijd in de inrichting van de openbare ruimte is genivelleerd en verarmd (materialisatie, groen, bebouwing). De drie pleinen op de hoekpunten van het Laurenskwartier hebben geen verblijfskwaliteit meer.
Wegenstructuur
Kenmerkend voor het Laurenskwartier zijn de dominante oostwest verbindingen: Hoogstraat (middeleeuwse dijk) en Meent (doorbraak jaren dertig). Deze werken onverminderd als structurerende elementen, ondanks aantastingen ter hoogte van de Binnenrotte (teruggelegde rooilijnen, achterkanten). In de noordzuidrichting domineerden ooit de waterwegen: Delftse Vaart, Rotte, Botersloot, etc. Hier zijn nu wegen die enigszins verscholen liggen en weinig uitstraling hebben: Westewagenstraat, Oppert, Gedempte Botersloot, Kipstraat en Goudsewagenstraat. De brede Mariniersweg dateert uit de wederopbouw en was destijds om het verkeer vanaf de Maasbruggen op te vangen. De noordzuid-verbindingen hebben de potentie om de sferen van het Laurenskwartier te versterken, als complement van de verbindingen in de oostwest-richting.
Waterwegen
De waterwegen, volgens plan Witteveen aangelegd, zorgen voor samenhang in het westelijk deel van het Laurenskwartier. Het gaat om de Leuvekolk, Steigergracht, Delftse Vaart en het Stokviswater. Samen vormen deze grachten een verbinding tussen de Rotte en de Leuvehaven en de Nieuwe Maas. De kades, bruggen, brugwachtershuisjes en trappartijen dateren uit de oorlogsperiode en zijn zeer verzorgd. Een enkel vooroorlogs element is in deze structuur opgenomen, zoals de brug in de Meent. In de jaren zeventig zijn de kades aan de noordzijde van het Laurenskwartier gedeeltelijk bebouwd met woningen aan het water. Bij de kruising van Stokviswater en Delftse Vaart trad verrommeling op, door terrassen en woonboten. De doorgaande vaarroute is door de aanleg van de spoortunnel doorbroken.
Pleinen en openbare ruimte
Vergeleken met de continuïteit van de straten, valt de verandering in de structuur van de pleinen ten opzichte van het vooroorlogse Rotterdam op. Belangrijke vooroorlogse verblijfspleinen verdwenen in de wederopbouw of werden bestemd voor louter verkeer (Hofplein, Oostplein, Churchillplein, Grote Markt en Middensteiger). Wel ontstonden nieuwe pleinen, vaak pal voor belangrijke gebouwen. Zo kwamen de gebouwen vrijer en monumentaler in de stad te liggen. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het Beursplein (voorruimte Beurs, inmiddels opgenomen in de Koopgoot), het Raamplein (achterzijde stadhuis) en de Sint Laurensplaats (voor de Laurenskerk). Andere nieuwe pleinen in de wederopbouwstad waren de Vlasmarkt (kruising Hoogstraat en Delftse Vaart), de Sint-Jacobsplaats (evenemententerrein aan de noordzijde van de Binnenrotte) en het Achterklooster (woongebied oostzijde). De Nieuwemarkt (Schoolmuseum) werd uitgebreid met het binnengebied achter de Pannekoekstraat. De belangrijkste omslag was dat de ruimtelijke hiërarchie van de stedelijke ruimte na de oorlog verdween. De meeste verblijfsgebieden kwamen op zichzelf te staan. Zij vormden geen schakels op routes door de stad, maar fungeerden als solitaire ruimten in de buurten of voor de gebouwen. Vergeleken met de jaren vijftig is de wisselwerking tussen de bebouwing en de openbare ruimte verminderd. De verbijzondering van plekken in de stad is ten dele verdwenen (veranderingen straatmeubilair, verkleinen overgangszones tussen publiek en privaat) en de inrichting van de openbare ruimte is verschraald.
Door latere ontwikkelingen veranderde de pleinenstructuur opnieuw. Zonder het hoogspoor is de Binnenrotte een dominante openbare ruimte in de stad. De Sint-Jacobsplaats werd onbestemd, deels bebouwd en deels doorsneden door de tunnelbak van de treintunnel. Met de bouw van een nieuwe Markthal keert de Grote Markt in een andere gedaante terug in de stad. Het is de vraag hoe de pleinen in hun door de tijd wisselende positie en gedaanten de verhalen van de geschiedenis kunnen vasthouden.
Iconen en andere gebouwen
De Laurenskerk raakte in de oorlog zwaar beschadigd en werd ingrijpend gerestaureerd. Als monument is de betekenis voor de stad veel belangrijker dan de bouwkundige betekenis van het object op zich. De Laurenskerk is het symbool van de oude, verwoeste stad en markeert bovendien het historische hart van het moderne Rotterdam. In het straatbeeld en het stadsbeeld heeft de kerk opmerkelijk goed zijn dominante positie behouden (met name vanaf de rivier). Daarbij gaat het om drie aspecten: het zicht op de toren (icoon), het zicht op de contour van de kerk (kloek gebouw) en het zicht op het koor vanaf de Binnenrotte (pleinwand). Ook de gebouwen uit de tijd van Burgdorffer horen tot de beeldmerken in het huidige Rotterdam. In het stadsbeeld is de toren van het stadhuis goed zichtbaar. Aan de Coolsingel gaat het om de monumentale opeenvolging van stadhuis, postkantoor en beurs. Het belang van het Schielandshuis voor het stadsbeeld is afgenomen door latere bebouwing in de directe omgeving. Het monument is 'verdwergd' en verscholen, als zodanig heeft het grote betekenis op lokaal niveau: een historische verrassing in een modern centrumgebied.
Opvallend genoeg resteert van de wederopbouw eerder een gebouwde stadsstructuur (weg- en waterstructuur, bouwblokken) dan een verzameling potentiële topmonumenten. De bijzondere objecten concentreren zich rondom de Vlasmarkt en de Delftse Vaart (Steigerkerk, Huf, Galerie Modernes, bebouwing langs de Delftse Vaart, Gereformeerde Kerk). De kenmerkende stadsopbouw is vooral in het oostelijk deel van de stad te ervaren, in de eerder als 'aandachtsgebied wederopbouw' aangemerkte zones (rondom de Nieuwemarkt en het Achterklooster). De latere bebouwing heeft nieuwe bakens aan het stadsbeeld toegevoegd. De jaren zeventig: Blaakoverbouwing en bibliotheek. De jongste bebouwingslaag leverde torens op, die meer of minder opvallend in het stadsbeeld aanwezig zijn: Beurstoren, Schielandtoren, de Witte Keizer.
Immateriële stadsstructuur
De cultuurhistorische betekenis van het Laurenskwartier is niet los te zien van de lange stadsgeschiedenis en het bombardement in 1940. Op veel manieren zijn deze twee betekenissen zichtbaar en voelbaar in de stad van nu. Belangrijk voor de beleving van de oude stad zijn de duidelijke grenzen (Coolsingel, Goudsesingel en Blaak), een zichtbaar middelpunt (Laurenskerk), doorgaande structuren (Meent, Hoogstraat, Binnenrotte) en de relatie met de vooroorlogse stad in de vorm van straatnamen en enkele overgebleven gebouwen of objecten (zoals de fontein op de Nieuwemarkt of de brug in de Meent). Deze vooroorlogse fragmenten maken het mogelijk om de stad van nu te koppelen aan beelden van een verder verdwenen verleden. Het Laurenskwartier is een uniek symbool van historische gelaagdheid, van de middeleeuwen tot nu toe. Daarnaast vormt het gebied samen met het Lijnbaankwartier het hart van de wederopbouw, van het Rotterdamse antwoord op de totale verwoesting. De sporen van het bombardement liggen voornamelijk buiten het Laurenskwartier zelf, de brandgrens raakt alleen op het Oostplein aan de oude landstad. De pioniersmentaliteit van de naoorlogse periode is het best voelbaar rondom de Vlasmarkt (belangrijkste architectuur), bij de Nieuwemarkt (openbare ruimte, blokbebouwing) en ten oosten van de Mariniersweg (homogeen stadsbeeld).
Het Laurenskwartier heeft een geschiedenis van (drastische) verandering, maar hield wel sporen uit alle belangrijke historische fases van de stad vast. De uitdaging voor de toekomst is om ruimte te maken voor nieuwe veranderingen en tegelijk ruimte te laten voor de historische lagen. Het gaat erom het verhaal van de geschiedenis zichtbaar en beleefbaar te houden, alsmede om de bestaande structuur in te zetten bij het ontwikkelen van een vitaal en aantrekkelijk stadsdeel.
Kwaliteiten cultuurhistorie op stadsniveau
Knelpunten cultuurhistorie op stadsniveau
Kwaliteiten cultuurhistorie op het 'buurtniveau'
Herkenbare sferen met onderling scherpe contrasten:
Knelpunten cultuurhistorie op het buurtniveau
Kwaliteiten cultuurhistorie op gebouwniveau
Knelpunten cultuurhistorie op gebouwniveau
De gemeente Rotterdam heeft een groot aantal objecten en gebieden die vanwege cultuurhistorische waarden worden beschermd volgens de Monumentenwet 1988 en de Monumentenverordening Rotterdam 2010. De gemeente Rotterdam maakt onderscheid tussen de volgende gebieden en gebouwen:
Beschermde stadsgezichten (BS)
Rotterdam heeft alleen rijksbeschermde stadsgezichten. Een beschermd stadsgezicht is een groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens schoonheid, onderlinge ruimtelijke structurele samenhang of wetenschappelijke waarde. De bescherming richt zich op de stedenbouwkundige karakteristiek en op een samenhangend geheel van straten en bebouwing. Het gaat om gebieden die ouder zijn dan vijftig jaar. Na aanwijzing van een beschermd stadsgezicht door de minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap in overleg met de minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieu, dient er binnen twee jaar een bestemmingsplan beschikbaar te zijn waarin de historische kwaliteiten van het rijksbeschermd gezicht en de relatie tot eventuele toekomstige ontwikkelingen vastliggen.
De status van een beschermd stadsgezicht betekent voor toekomstige ontwikkelingen dat er in dit gebied niet gesloopt mag worden zonder een sloopvergunning op grond van artikel 37 van de Monumentenwet 1988 (vanaf 1 oktober 2010 onderdeel van de omgevingsvergunning, werkzaamheid monumenten). Voor alle bouwwerkzaamheden in een beschermd stadsgezicht is een bouwvergunning vereist.
Wederopbouwaandachtsgebieden
Naast de van rijkswege beschermde stadsgezichten heeft Rotterdam in de binnenstad een aantal wederopbouwaandachtsgebieden met een waardevolle samenhang tussen het stratenplan, de invulling van de bouwblokken en de architectuur. Bij nieuwe ontwikkelingen dient bekeken te worden hoe deze historische kwaliteiten kunnen worden behouden. Betreffende gebieden hebben geen juridische status op grond van de Monumentenwet 1988 of de Monumentenverordening Rotterdam 2010. Wel heeft B&W in 1998 vastgesteld dat de historische kwaliteiten van deze waardevolle ensembles onderdeel uitmaken van het stedenbouwkundig plan en het bestemmingsplan. Hiervoor kan het nodig zijn een Cultuurhistorische Verkenning (CV) te maken om de historische kwaliteiten in kaart te brengen.
Rijksmonumenten (RM) en Gemeentelijke monumenten (GM)
Rotterdam heeft zowel rijks- als gemeentelijke monumenten. Een rijks- of gemeentelijk monument kan zijn een gebouw, water, terrein of een ander object dat van nationaal belang is (rijksmonument), of van algemeen belang voor Rotterdam is (gemeentelijk monument), vanwege de schoonheid, betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Dit is vastgelegd in respectievelijk de Monumentenwet 1988 en de Monumentenverordening Rotterdam 2010. Bij een monument gaat het om een bouwwerk of complex, zowel buiten als van binnen. Als vanzelfsprekend is het verboden zonder vergunning wijzigingen aan te brengen aan een beschermd monument.
Beeldbepalende objecten (BO) en Beeldbepalende gevelwanden (BG)
In Rotterdam is een groot aantal objecten te vinden die geen status hebben als gemeentelijk monument, maar wel karakteristiek voor de stad of een wijk zijn, zogenaamde beeldbepalende objecten. Ook heeft Rotterdam monumentale karakteristieke gevelwanden. Beeldbepalende objecten en gevelwanden hebben geen juridische status op grond van de Monumentenwet 1988 en de Monumentenverordening Rotterdam 2010.
Cultuurhistorische Verkenningen (CV)
De inzet van cultuurhistorisch erfgoed en architectuur bij ontwikkelingen van de stad is één van de kernbeslissingen uit de Stadsvisie Rotterdam 2030. Hiermee is cultuurhistorie, het opsporen van bestaande kwaliteiten die de geschiedenis heeft voortgebracht en het voortbouwen erop bij de actuele opgaven van de stad, een structureel onderdeel van de Rotterdamse ruimtelijke planvorming.
Om dit in de praktijk tot uitvoering te brengen is sinds eind 2007 het B&W besluit van toepassing dat bij gebiedsontwikkeling een Cultuurhistorische Verkenning (CV) wordt opgesteld als blijkt dat er cultuurhistorische waarden in een gebied aanwezig zijn.
In een CV worden de cultuurhistorische waarden van een gebied benoemd, geanalyseerd en gewaardeerd. Opdrachtgever voor een CV is de gemeente (Stadsontwikkeling) of een combinatie van gemeente, corporatie/ontwikkelaar en deelgemeente. Een CV wordt vastgesteld door het college van B&W of het DB van de betreffende deelgemeente, samen met het (stedenbouwkundig of master-) plan waarvoor het is gemaakt. De keuzes in het plan over de cultuurhistorische waarden worden hierbij gemotiveerd afgewogen. Vervolgens worden de cultuurhistorische waarden die in het betreffende plan zijn opgenomen ook verankerd in het bestemmingsplan.
Het plangebied
Monumenten in het Laurenskwartier
ADRES | NAAM | ARCHITECT | BOUWJAAR | SOORT MONUMENT |
Hoogstraat 181-183 | Hufgebouw | J.H. van den Broek en J.B. Bakema | 1951-1953 | RM |
Grotekerkplein | Standbeeld van Erasmus | Hendrick de Keijser | 1622 | RM |
Grotekerkplein 15 | Grote- of st. Laurenskerk | -- | 1448-1647 | RM |
Goudsesingel 52-214 | Industriegebouw Goudsesingel02 | W. van Tijen en H.A. Maaskant | 1946-1951 | RM |
Botersloot 25 | Spaarbank Rotterdam | J.J.P. Oud en A.A. van Nieuwenhuyzen | 1942-1954 | GM |
Soetensteeg 1,2-61 | Galerijflat met winkels | E.H. & H.M. Kraaijvanger | 1951-1953 | GM |
Hoogstraat 196 | Winkelmagazijn Martens & Co | E.H. en H.M. Kraaijvanger in samenwerking met A.J.M. Buys | 1952-1953 | GM |
Hoogstraat 198 | Modemagazijn Lampe | E.H. & H.M. Kraaijvanger | 1951-1953 | GM |
Hoogstraat 200 | Modemagazijn Peek & Cloppenburg | E.H. & H.M. Kraaijvanger | 1951-1953 | GM |
Hang 17, 18 | Sint-Dominicuskerk of Steigerkerk | E.H. & H.M. Kraaijvanger | 1957-1960 | GM |
Meent (over Delftsevaart) | Meentbrug | -- | -- | GM |
Meent 88 | De Nederlanden van 1845 | W.M. Dudok | 1942-1952 | GM |
Meent 115-133 | voormalig Stadstimmerhuis | J.R.A. Koops | 1949-1953 | GM |
Grotekerkplein 5 | De Heuvel | architectenbureau Bos, Hoogeveen, Van der Ree en Van Setten, onder leiding van J.A. Kuiper | 1957-1959 | GM |
Nieuwemarkt 1 | Erasmus bibliotheek | D.B. Logeman met medewerkerking van N. Lansdorp en J.Poot | 1917-1923 | GM |
Pannekoekstraat 46-48 | Dubbel bedrijfspand met woningen | architectenbureau Meischke en Schmidt | 1951 | GM |
Mariniersweg 1-55 | Woningbouwcomplex met winkels | J.H. van den Broek en J.B. Bakema | 1954-1956 | GM |
Kipstraat 52-54 | Bouwwerkinrichting voor blinden | architectenbureau Vermeer en Van Herwaarden in samenwerking met de architect J.M. Bodt | 1949-1952 | GM |
Groenendaal 47-225 | Galerijflat met winkels | architectenbureau Van Tijen en Maaskant | 1953-1955 | GM |
Overblaak 22-110 | Kubuswoningen | Piet Blom | 1978-1984 | GM |
Aandachtsgebied wederopbouw in het Laurenskwartier
Beeldbepalende objecten binnen het wederopbouwaandachtsgebied
De boven getoonde beeldbepalende objecten vormen samen met de rijks- en gemeentelijke monumenten het beeldbepalende ensemble wederopbouwaandachtsgebied. De beeldbepalende objecten zijn in de regels met de dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorie beschermd tegen sloop.
Cultuurhistorische verkenning (CV) Laurenskwartier en Gebied Maagd van Holland
Het college heeft op 13 november 2007 het rapport 'Cultuurhistorische Verkenning Laurenskwartier' vastgesteld en besloten dat de uitkomsten van de cultuurhistorische verkenning als onderlegger dienen voor de visies, masterplannen, stedenbouwkundige plannen, buitenruimteplannen en bouwplannen, die voor het Laurenskwartier worden gemaakt. Hetzelfde geldt ten aanzien van de vastgestelde cultuurhistorische verkenning 'Gebied Maagd van Holland'.