direct naar inhoud van 4.9 Archeologie
Plan: De Vesting
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0530.BPDeVesting2011-VG01

4.9 Archeologie

Beleidskader

De gemeente Hellevoetsluis heeft een archeologisch beleid en beleidsinstrumenten ontwikkeld (vastgesteld in 2007), waarmee een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen is gewaarborgd. Ook worden bestemmingsplannen voorzien van een archeologieparagraaf. Meer specifiek is het doel van het voorgenomen archeologisch beleid (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden.

Het bovenstaande sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese Verdrag van Malta is ontwikkeld en dat aansluit bij de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz 2007). Belangrijk gemeentelijk toetsinstrument is de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Hellevoetsluis.

Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen.

Bewoningsgeschiedenis

De oudste sporen van menselijke aanwezigheid in de wijdere omgeving van het plangebied worden gevormd door enkele honderden benen spitsen met weerhaken en enkele benen harpoenpunten; het waren onderdelen van jacht- en visgerei. Ze dateren uit het vroeg-mesolithicum (9000-7000 voor Chr.), en zijn gevonden in het opgespoten zand van de Maasvlakte en aan de kust van Westvoorne. De werktuigen moeten afkomstig zijn van rivierduinen die aan het eind van het pleistoceen zijn gevormd of uit vroeg holocene rivierafzettingen op een diepte van circa 20-22 m beneden NAP. De vondsten dateren uit een tijd dat de zeespiegel nog veel lager stond dan nu het geval is. Ook in het plangebied zouden, in theorie, dergelijke vindplaatsen op grote diepte (circa 20 m), aanwezig kunnen zijn.

Vanaf ruwweg 7000 voor Chr. kreeg de zee ten gevolge van de stijging van de zeespiegel greep op het gebied, en veranderde de riviervlakte in een waddengebied met mariene sedimentatie. Uit die periode stammen onder meer de afzettingen van het Hellevoeterzand, die in de ondergrond van het gebied aanwezig zijn. Op deze afzettingen zouden zich bewoningssporen uit het neolithicum kunnen bevinden. Ten noorden van het plangebied is in de wijk Ossenhoek een zandige kwelderrug in de ondergrond aanwezig, parallel aan de huidige Koninginnelaan. Op deze rug werd rond 3000 voor Chr. in het laat-neolithicum gewoond door mensen van de Vlaardingen-cultuur. Een klein deel van die prehistorische nederzetting is in 2006 opgegraven.

Vanaf circa 3100 voor Chr. ontstond een meer gesloten kust met strandwallen, waarachter zich veen ging vormen. Dit geldt ook voor het plangebied, waar het Hellevoeterzand uiteindelijk volledig onder het veen verdween.

Er wordt vanuit gegaan dat zich vanaf circa 400 jaar voor Chr. ten westen en ten noorden van het plangebied krekensystemen vormden die het veengebied ontwaterden. Hierdoor ontstonden er in de midden ijzertijd, de late ijzertijd en de Romeinse tijd (circa 400 voor Chr. tot 300 na Chr.) mogelijkheden voor bewoning van het veen in de omgeving van het plangebied en in het gebied zelf.

Noordelijker op Voorne werd er kort voor de Romeinse tijd een kleidek op het veen afgezet waarop ook werd gewoond in de Romeinse tijd. Binnen het plangebied zijn (nog) geen vindplaatsen uit de ijzertijd en de Romeinse tijd bekend, maar elders in Hellevoetsluis en op Voorne wel.

Na de Romeinse tijd wordt het gebied verlaten en treedt er (plaatselijk) weer veengroei op. De veengebieden van Voorne werden ruwweg vanaf circa 1000 ontgonnen. Het Haringvliet bestond toen nog niet. Over de precieze aard en omvang van de vroege ontginningen is weinig bekend. Voor het zuidelijke deel van Voorne was het ontstaan van het Haringvliet vanaf het begin van de 13e eeuw van groot belang. Een groot deel van Voorne was in de 13e eeuw waarschijnlijk nog onbedijkt en men woonde voornamelijk op veen. In het begin van de 14e eeuw breekt de bewoning af ten gevolge van overstromingen. Er vond sterke erosie plaats en er werd een in dikte wisselend pakket zandige klei afgezet.

In 1368 en 1395 kwamen achtereenvolgens de polders Nieuwenhoorn en Nieuw-Helvoet gereed, met direct daaropvolgend de geplande en gelijknamige nederzettingen. Hellevoetsluis ontstaat later en maakte een unieke ontwikkeling door van een 15e/16e-eeuws vluchthaventje bij een uitwateringsluis van de polder Nieuw-Helvoet tot een zwaar versterkte marinehaven, die vanaf omstreeks 1600 door de Staten van Holland en Westfriesland werd uitgebouwd tot havenplaats en later in 1628 werd aangewezen als basis voor de oorlogsvloot van de Admiraliteit op de Maze. Vanaf 1665 is definitief sprake van de vesting Hellevoetsluis, want dan is met zekerheid gestart met de aanleg van vestingwerken. De belangrijkste functie tot in de 20e eeuw was de bescherming van de marinehaven met dok en bijbehorende gebouwen. In de 19e eeuw ging de vesting bovendien een rol spelen in de kustverdediging, als onderdeel van de Stelling van de monden der Maas en van het Haringvliet. Van 1922 tot 1940 was Hellevoetsluis als steunpunt opgenomen in het zuidfront van de Vesting Holland.

Archeologische waarden in het plangebied

Op grote diepte (circa -20 m NAP) kunnen zich bewoningssporen uit het vroeg mesolithicum bevinden. Op het Hellevoeterzand kunnen archeologische waarden uit het neolithicum aanwezig zijn. In het gehele plangebied moet rekening gehouden worden met resten uit de periode van de midden ijzertijd tot en met de Romeinse tijd, al wordt de kans erop klein geacht; de sporen kunnen zich bevinden op of in de (soms kleiige) bovenkant van het veen. Hetzelfde geldt voor de ligging en de trefkans van bewoningssporen uit de periode circa 1000 -1300.

Voor de periode na de stelselmatige inpoldering van het zuidelijk deel van Voorne in de 14e en 15e eeuw geldt een zeer hoge archeologische verwachting. Vanuit het historische perspectief wordt de ontwikkeling tot de vesting Hellevoetsluis van belang geacht. Het bestemmingsplangebied valt vrijwel in zijn geheel samen met de historische vesting. Mogelijk kan de binnen delen van het plangebied gelegen onderwaterbodem nog (maritiem) archeologische elementen bevatten.

In het bestemmingsplangebied zijn zowel grote landschappelijke fenomenen (slootstructuren, akkercomplexen) te verwachten, als kleinere structuren die in een booronderzoek traceerbaar zijn, zoals huisplaatsen uit de prehistorie of de Romeinse tijd. Dergelijke structuren hebben een gemiddelde oppervlakte van 100-200 m². Archeologische indicatoren van dit type en/of uit deze periode, aangetroffen in een klein plangebied (kleiner dan 200 m²), leveren doorgaans een beperkte wetenschappelijke waarde op en de archeologische informatie is gefragmenteerd. De kosten en administratieve handelingen die een dergelijk onderzoek met zich meebrengen staan niet in verhouding tot de relatief kleine (en dus minder kostbare) bodemingreep, die vaak door een particulier wordt uitgevoerd en betaald. Het verlies aan archeologische informatie als in dergelijke gevallen geen onderzoek wordt uitgevoerd is relatief gering. Uiteindelijk is de diepte van de bodemverstoring (in combinatie met de specifieke bodemopbouw) belangrijker dan de oppervlakte; die bepaalt of archeologische waarden bedreigd worden of niet.

Het registreren van een enkel spoor of een enkele vondst die bij dergelijke bodemingrepen wordt aangetroffen kan wel zinvol zijn. Daarom wijst de gemeente, wanneer (nader) archeologisch onderzoek niet verplicht is, altijd op de meldingsplicht in geval van 'toevalsvondsten', zoals verwoord in artikel 53 van de Monumentenwet 1988.

Archeologische bescherming

Voor vrijwel het gehele plangebied geldt een zeer hoge verwachting voor het aantreffen van archeologische waarden voor de periode vanaf het ontstaan van de bescheiden nederzetting Hellevoetsluis in de 15e/16e eeuw.

afbeelding "i_NL.IMRO.0530.BPDeVesting2011-VG01_0014.png"

Figuur 4.4. Archeologische regimes

Waarde - Archeologie - 1

Voor de vesting Hellevoetsluis alsmede de Nieuwe Zeedijk aan de westzijde van de vesting (Waarde - Archeologie - 1) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 100 m² beslaan.

Waarde - Archeologie - 2

Voor de zone die buiten de vesting Hellevoetsluis is gelegen (Waarde - Archeologie - 2) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 80 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 200 m² beslaan.

Waarde - Archeologie - 3

Voor het binnen de bestemmingsplangrenzen gelegen water (Waarde - Archeologie - 3) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan de huidige onderwaterbodem en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 200 m² beslaan.

Hoofdwachtstraat

De ontwikkeling aan de Hoofdwachtstraat is apart onderbouwd. Door BOOR wordt geconcludeerd dat onderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk is in verband met de reeds geroerde grond door bouwwerkzaamheden en bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog.