direct naar inhoud van 4.4 Ecologie
Plan: Dorpsgebied Dirksland 2011
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0504.DLDdorpdirksland-BP30

4.4 Ecologie

In de ecologieparagraaf is de bestaande situatie vanuit ecologisch oogpunt beschreven en is vermeld welke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Vervolgens is aangegeven waaraan deze ontwikkelingen – wat ecologie betreft – moeten worden getoetst. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen het toetsingskader dat door wettelijke regelingen wordt bepaald en het toetsingskader dat wordt gevormd door het beleid van Rijk, provincie en gemeente. Voor de toetsing aan de Flora- en faunawet is het uitgebreide onderzoek beschreven in bijlage 1.

Huidige situatie

Het plangebied bestaat uit het dorpsgebied van Dirksland, daarin is onder andere bebouwing, verharding, tuinen, watergangen en openbaar groen aanwezig.

Beoogde ontwikkelingen

Het bestemmingsplan is hoofdzakelijk consoliderend van aard, daarbij worden er binnen de vigerende bestemmingen wel mogelijkheden geboden tot kleinschalige ontwikkelingen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het bouwen van aan- of bijgebouwen (al dan niet bouwvergunningplichtig) of het aanleggen van paden of verhardingen.

Daarnaast kent het plan één concrete ontwikkelingsmogelijkheid, die betreft de bouw van 2 woningen aan de Tuinstraat. Sloop- of kapwerkzaamheden zijn hiertoe niet nodig, de grond dient ter plaatse wel bouwrijp te worden gemaakt.

Resultaten onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het Natura 2000-gebied Grevelingen ligt 2 km ten westen van het plangebied. De bestaande ecologische verbindingszone 'Kreken Goeree-Overflakkee', in het noordoosten van het plangebied, ligt voor een klein deel in het plangebied. Aan de westkant van het plangebied liggen twee bospercelen die onderdeel zijn van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur (PEHS). Aangezien het in overwegende mate een consoliderend plan betreft en omdat ook de ontwikkeling aan de Tuinstraat geen effecten met zich meebrengt ten aanzien van de gebiedsbescherming, worden de natuurgebieden niet negatief beïnvloed.

Soortenbescherming

Het bestemmingsplan is het besluit dat ingrepen mogelijk maakt en een aantasting van beschermde dier- of plantensoorten kan betekenen. Uiterlijk bij het nemen van een besluit dat ruimtelijke veranderingen mogelijk maakt, zal daarom zekerheid moeten zijn verkregen of verlening van ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig zal zijn en of het reëel is te verwachten dat deze zal worden verleend. In het bestemmingsplangebied komen de volgende beschermde soorten voor:

Vrijstellingsregeling Flora- en faunawet   Tabel 1     brede wespenorchis, kleine maagdenpalm en gewone vogelmelk

mol, egel, haas, konijn, hermelijn, wezel, huisspitsmuis, dwergspitsmuis, veldmuis, dwergmuis

bruine kikker, groene kikker, kleine watersalamander en gewone pad
 
Ontheffingsregeling Flora- en faunawet   Tabel 2     kleine modderkruiper  
  Tabel 3   Bijlage 1 AMvB   geen
 
    Bijlage IV HR   alle vleermuizen
 
  Vogels   Cat. 1 t/m 4   steenuil, gierzwaluw, huismus
 
    Cat. 5   boerenzwaluw, koolmees, pimpelmees, spreeuw, ekster en zwarte kraai
 

Het bestemmingsplan is overwegend consoliderend van aard: binnen de vigerende bestemmingen bestaat de mogelijkheid tot kleinschalige ontwikkelingen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het bouwen van aan- of bijgebouwen (al dan niet bouwvergunningplichtig) of het aanleggen van paden of verhardingen. Daarnaast biedt het plan de mogelijkheid tot de bouw van 2 nieuwe woningen aan de Tuinstraat. De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze toekomstige ontwikkelingen kunnen leiden tot aantasting van te beschermen natuurwaarden.

  • Er zal geen ontheffing nodig zijn voor de tabel 1 soorten van de Flora- en faunawet waarvoor een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet geldt.
  • De aantasting en verstoring van vogels dient te worden voorkomen door werkzaamheden buiten het broedseizoen (broedseizoen is globaal van 15 maart tot en met 15 juli) te laten starten.
  • In de watergangen komt mogelijk de kleine modderkruiper (categorie 2) voor. Indien aan de hand van nader onderzoek blijkt dat de soort aanwezig is, dient voor de werkzaamheden aan de watergangen een ontheffing aangevraagd te worden bij het Ministerie van LNV. Verwacht mag worden dat door het treffen van mitigerende maatregelen de ontheffing zal worden verleend. Aangezien de locatie aan de Tuinstraat niet in de buurt van water ligt, wordt de aanwezigheid van de kleine modderkruiper ter plaatse niet verwacht.
  • Mogelijk zijn zwaar beschermde vleermuizen (tabel 3, bijlage IV HR), dan wel vogels met een vaste nestplaats binnen het plangebied aanwezig. Op de locatie aan de Tuinstraat worden deze in ieder geval niet verwacht, gezien de kenmerken van de locatie. Indien elders vaste rust-, verblijf- of voortplantingsplaatsen en/of primaire vliegroutes of primaire foerageergebieden van deze soorten aanwezig blijken (hetgeen aan de hand van veldonderzoek moet worden vastgesteld) en aangetast worden door toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen, dan dient overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen. Indien de vereiste maatregelen worden genomen zal de Flora- en faunawet de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staan. Indien de vereiste maatregelen niet mogelijk zijn, dient in nader overleg met de Dienst Regelingen van het ministerie van LNV bepaald te worden of het plan in zijn huidige vorm uitvoerbaar is.