direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Binnenhaven
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0453.BP0705BINNENHAVEN1-R001

Toelichting

De toelichting dient een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten te geven. Met name een goede afstemming tussen de toelichting en de beide juridische onderdelen van het bestemmingsplan is van groot belang. De plantoelichting geeft een toelichting op het bestemmingsplan, maar maakt geen deel uit van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

In nauwe samenwerking met de eigenaar van de grond is in 2006 het bestemmingsplan Zeeweg terrein e.o. opgesteld en de bijbehorende realisatie/-exploitatie overeenkomst gesloten, om de ontwikkeling van het project 'De Binnenhaven' mogelijk te maken. In 2012 is het laatste deel van de eerste fase opgeleverd en sindsdien ligt de ontwikkeling stil. De situatie voor bouwontwikkeling is sinds het opstellen van het oorspronkelijk programma sterk veranderd. De eigenaar van de grond heeft aangegeven dat het oorspronkelijke programma financieel niet haalbaar is en stelt voor om de beoogde hoogbouw aan de Appelboomstraat te vervangen door 50 grondgebonden woningen. Het voorgestelde bouwprogramma past bijna geheel binnen het bouwblok en voldoet aan de maximale bouwhoogte uit het vigerende bestemmingsplan. De aanpassing van hoogbouw naar laagbouw kan echter tot een onwenselijke planologische situatie kan leiden. Om deze reden dient het bestemmingsplan te worden aangepast.

1.2 Plangebied

Het plangebied is omsloten door het park aan de Zeeweg, de Velserduinweg, de Appelboomstraat en het Appelboompad.

afbeelding "i_NL.IMRO.0453.BP0705BINNENHAVEN1-R001_0001.jpg"

Afbeelding 1 Plangebied

1.3 Doel

Het doel van het nieuwe bestemmingsplan is het opstellen van een planologisch kader waarbinnen de nieuwe ontwikkelingen kunnen plaatsvinden, en het voorkomen van ruimtelijk ongewenste situaties.

1.4 Vigerend bestemmingsplan

Het bestemmingsplan valt volledig binnen het plangebied van het vigerende bestemmingsplan Zeeweg terrein e.o. (nummer 5.11).

afbeelding "i_NL.IMRO.0453.BP0705BINNENHAVEN1-R001_0002.jpg"

Afbeelding 2 Vigerend bestemmingsplan

Hoofdstuk 2 Ontstaansgeschiedenis

De initiatieven met betrekking tot het oprichten van een ziekenhuis gebouw gaan terug tot het begin van de 20e eeuw. Omstreeks het begin van de 20e eeuw koopt de orde der paters Capucijnen, die een klooster en een kerk in het oostelijk gedeelte van IJmuiden bezit, heidegrond aan voor de bouw van een onderkomen voor zieken. Na verloop van tijd wordt aan de gemeente Velsen toestemming gevraagd voor het stichten van een ziekenhuis alsmede een lening om dit te kunnen realiseren. Er gaan protesten op onder de bevolking omdat men vreest dat het ziekenhuis een puur roomse signatuur zou krijgen.

In 1924 geeft de gemeenteraad uiteindelijk toestemming voor de bouwplannen. Voor nieuwbouw is er in de begintijd geen geld zodat het oog al snel valt op de leegstaande Tuchtschool aan de Zeeweg. Het bestuur van de Mariastichting koopt het pand en de bijbehorende tuingronden aan, waarna in 1927, na een grondige renovatie, het Antoniusziekenhuis inclusief polikliniek zijn deuren kan openen. Na een eerste uitbreiding met vijftig extra bedden volgt in 1951 de opening van het Liduina-paviljoen voor besmettelijke ziekten en zes jaar later de opening van het Jozefpaviljoen. In 1961 neemt de gemeenteraad het principebesluit voor de bouw van een nieuw algemeen ziekenhuis. Het beheer over het nieuwe ziekenhuis zal gevoerd gaan worden door de pas opgerichte Stichting Medisch Centrum Velsen (SMCV) waarin rooms-katholieken, protestanten en humanisten zijn verenigd. Het Zeeweg Ziekenhuis wordt in twee fasen gebouwd. In 1967 worden de gebouwen in gebruik genomen waarin een verpleegstersschool met bijbehorende les- en praktijkruimten, een internaat voor leerling-verpleegsters en een woongebouw voor de personeelsleden van de technische dienst gehuisvest worden. Het twaalf verdiepingen tellende hoofdgebouw met 345 bedden wordt in 1971 in gebruik genomen. Het nieuwe algemene ziekenhuis wordt in de achterliggende tuin van het Antoniusziekenhuis gerealiseerd. Hiermee is de terug liggende locatie van de gebouwen van het Zeeweg Ziekenhuis ten opzichte van de Zeeweg te verklaren. Het Antoniusziekenhuis wordt kort na de opening van het Zeeweg Ziekenhuis gesloopt.

In 1971, hetzelfde jaar van opening van het Hoofdgebouw aan de Zeeweg, stelt het College voor Ziekenhuisvoorzieningen voor het Zeeweg Ziekenhuis te sluiten. Dit vanwege een te verwachten beddenoverschot halverwege de jaren ’80. Na een storm van protesten van bewoners, politiek en ziekenhuispersoneel zijn de plannen voorlopig van de baan.

In 1979 komen het Zeeweg Ziekenhuis en het Haarlemse St. Joannes de Deo tot een intentieverklaring waarin beide partijen aangeven samen te willen werken. Het Zeeweg Ziekenhuis wordt gedwongen tot het zoeken van dit soort samenwerkingsverbanden vanwege bezuinigingsmaatregelen vanuit Den Haag die vooral de kleinere ziekenhuizen treffen.

In 1986 sluiten het Zeeweg Ziekenhuis en de Haarlemse ziekenhuizen Elisabeth Gasthuis en St. Joannes de Deo een intentieovereenkomst om tot een fusie te komen. In 1991 is de fusie rond en gaan de ziekenhuizen gezamenlijk op in het Kennemer Gasthuis. In 1996 wordt, ondanks felle protesten van de bevolking, de 24-uurszorg in het KG locatie Zeeweg stopgezet. De directie van het KG en het Ministerie van VWS spreken tegelijkertijd af dat de bouw van een ziekenhuis met 188 bedden op de grens van Haarlem en Velsen wél doorgang kan vinden. Datzelfde jaar opent, in overleg met de directie van het KG, een huisartsenkliniek in het Zeeweg Ziekenhuis haar deuren en levert met dit samenwerkingsverband een primeur voor de Nederlandse gezondheidszorg.

De directie van het KG maakt na onderzoek in 2000 bekend dat bij het Delftplein, op de rand van Velsen en Haarlem, een groot poliklinisch en diagnostisch behandelcentrum komt. In november 2000 gaan de minister van volksgezondheid, zorgverzekeraars, provincie Noord-Holland en de betrokken gemeenten met de plannen akkoord. Het behandelcentrum is inmiddels gerealiseerd aan het Delftplein.

Op de plek waar het Kennemer Gasthuis in IJmuiden (Zeeweg ziekenhuis) stond is inmiddels gedeeltelijk een woonwijkje gerealiseerd. Op de locatie, omsloten door de Zeeweg, Velserduinweg, Acaciastraat en Tuinderstraat, zijn inmiddels de eerste 131 eengezinswoningen en 68 appartementen gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0453.BP0705BINNENHAVEN1-R001_0003.jpg"

Afbeelding 3 Luchtfoto plangebied

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

Synchroon B.V. is voornemens om op het voormalige Kennemer Gasthuisterrein in IJmuiden (Zeeweg Ziekenhuis) het woongebied “De Binnenhaven” te realiseren. Het beoogde woongebied is gelegen ten zuiden van het centrum van IJmuiden en wordt omsloten door de Zeeweg, Velserduinweg en de Appelboomstraat.

In deze fase is het de bedoeling dat er 50 eengezinswoningen worden opgericht. De woningen zullen een carré vormen. Op het binnenterrein worden achtertuinen en parkeergelegenheid gerealiseerd. Aan de noord, zuid- en westzijde worden eveneens parkeerplaatsen aangelegd. Aan de oostzijde hebben de toekomstige bewoners uitzicht op het parkje dat zich aan de Zeeweg bevindt.

De ontsluiting voor autoverkeer van het plangebied zal plaatsvinden via de Velserduinweg en de Zeeweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0453.BP0705BINNENHAVEN1-R001_0004.png"

Afbeelding 4 nieuwe beoogde indicatieve situatie

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Inleiding

In het kader van het voorliggende bestemmingsplan Binnenhaven is het relevante ruimtelijke beleid geanalyseerd om vast te stellen of daaruit randvoorwaarden voor dit bestemmingsplan voortkomen. Hiertoe is een onderscheid gemaakt tussen het Europees beleid, het rijksbeleid, het provinciale beleid en het beleid van de gemeente Velsen. Naast het ruimtelijk beleid is ook de wetgeving, onder meer op het gebied van veiligheid, milieu en flora en fauna, relevant voor het bestemmingsplan. Hier wordt nader op ingegaan in hoofdstuk 5.

4.2 Europees beleid

Beslissingen over het grondgebruik in Nederland worden tot op zekere hoogte in Brussel genomen. Zoals alle andere lidstaten heeft Nederland immers beloofd de Europese wet- en regelgeving en richtlijnen volledig, nauwkeurig, bindend en tijdig te implementeren.

4.2.1 Milieubeleid

Het milieubeleid is één van de belangrijkste sectorale beleidsvelden die van invloed zijn op de ruimtelijke structuur en kwaliteit van de leefomgeving en inrichting van bestemmingsplannen. Diverse onderdelen van het Europees milieubeleid hebben een aanzienlijke ruimtelijke impact in Nederland. Voorbeelden zijn grenswaarden voor luchtkwaliteit (fijn stof en NO2), die gevolgen kunnen hebben voor woningbouw langs drukke wegen.

4.2.2 Natura 2000

De Europese Unie heeft zich ten doel gesteld in 2010 de achteruitgang van de biodiversiteit te stoppen. Een belangrijk instrument hiervoor is de uitvoering van de gebiedsgerichte onderdelen van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Dit betekent het realiseren van een netwerk van natuurgebieden van Europees belang: het Natura 2000 netwerk. Dit netwerk heeft als hoofddoelstelling het waarborgen van de biodiversiteit in Europa. In dit verband is de afspraak gemaakt dat de lidstaten van de Europese Unie alle maatregelen nemen die nodig zijn om een ‘gunstige staat van instandhouding’ van soorten en habitattypen van communautair belang te realiseren. In 2002 zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn opgenomen in de Flora- en faunawet. In Velsen ligt een deel van het Nationaal Park Zuid Kennemerland dat onderdeel uitmaakt van het Natura2000 netwerk.

4.2.3 De Kaderrichtlijn Water

De Europese Kaderrichtlijn Water heeft tot doel landoppervlaktewater, overgangswater, kustwateren en grondwater te beschermen om:

  • a. van water afhankelijke ecosystemen in stand te houden en te verbeteren;
  • b. de beschikbaarheid van water veilig te stellen en het duurzaam gebruik te bevorderen;
  • c. het aquatische milieu in stand te houden en te verbeteren door het voorkomen van verontreiniging;
  • d. de gevolgen van overstroming en droogte te beperken.

Deze Europese Kaderrichtlijn Water moet onderdeel zijn van het gemeentelijk beleid en derhalve ook van het ruimtelijk beleid. In dit verband wordt verwezen naar het Nationaal Bestuursakkoord Water, dat op 25 juni 2008 onder meer in verband met de implementatie van deze richtlijn is geactualiseerd. In dit akkoord zijn de inspanningen beschreven om de waterhuishouding tegen de achtergrond van de richtlijn en de nieuwe klimaatscenario's op orde te brengen en te houden. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Europese Kaderrichtlijn Water. In hoofdstuk 7 is de waterparagraaf opgenomen die op de verschillende wateraspecten ingaat.

4.2.4 Het Verdrag van Malta

Op basis van diverse Europese, rijks- en provinciale beleidsregels, met name het Europese Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta, bij wet 26 februari 1998) is onder andere bepaald dat het archeologisch belang wordt meegewogen bij de besluitvorming rond ruimtelijke ordeningsaspecten. Een belangrijk punt in het verdrag van Malta is dat vooraf aan iedere ingreep in het bodemarchief (door nieuwbouw, wegenaanleg etc.) archeologisch onderzoek plaats moet vinden. Daarmee kan worden bepaald hoe eventueel aangetroffen archeologische waarden in de plannen kunnen worden ingepast. Mocht dit niet kunnen en is een opgraving onvermijdelijk geworden om de archeologische informatie veilig te stellen, dan dienen de kosten daarvan in het ontwikkelingsproces meegenomen te worden. Er wordt in hoofdstuk 5 nader ingegaan op de cultuurhistorie en archeologie.

4.3 Rijksbeleid

4.3.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vormt de nieuwe, overkoepelende rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. In de SVIR ‘Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig’ is de inhoud van een groot aantal beleidsstukken, waaronder de Nota Ruimte en diverse planologische kernbeslissingen, opgenomen. De SVIR is op 13 maart 2012 vastgesteld. Het rijksbeleid richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen, zoals de hoofdnetwerken voor personen en goederenvervoer, energie, natuur, waterveiligheid, milieukwaliteit en bescherming van het werelderfgoed. Het beleid met betrekking tot verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk, onder het motto ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’, over aan provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen daarbij de ruimte voor natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Alleen in de stedelijke regio’s rond de mainports Amsterdam en Rotterdam maakt het Rijk afspraken met decentrale overheden over de programmering van verstedelijking. Overige sturing op verstedelijking, zoals afspraken over binnenstedelijk bouwen, rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering, laat het Rijk los. Er is enkel nog sprake van een ‘ladder’ voor duurzame verstedelijking (gebaseerd op de ‘SER-ladder’), die is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening.

Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd:

  • a. het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur;
  • b. het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat;
  • c. het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

In totaal zijn 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd, die bijdragen aan het realiseren van de drie hoofddoelen. In de realisatieparagraaf van de SVIR zijn per nationaal belang de instrumenten uitgewerkt die hiervoor worden ingezet. Eén van de belangrijkste instrumenten is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro zijn regels opgenomen ter bescherming van de nationale belangen. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden.

Geen van de in het Barro geregelde onderwerpen heeft invloed op het voorliggende bestemmingsplan. De betreffende onderwerpen zijn namelijk niet aan de orde in of nabij het plangebied.

4.3.2 Nationaal Waterplan

In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.

Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is.

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. In het Nationaal Waterplan is een eerste uitwerking gegeven aan het Deltaprogramma dat wordt opgesteld naar aanleiding van het advies van de Deltacommissie in 2008. Dit programma is gericht op duurzame waterveiligheid en zoetwatervoorziening. In hoofdstuk 7 is de waterparagraaf opgenomen.

4.3.3 Rijksbeleid met betrekking tot ecologie

In Europa zijn door de Europese Unie richtlijnen opgesteld voor de bescherming van de natuur, de Habitat- en Vogelrichtlijn. Hierin worden regels gesteld voor de bescherming van zowel natuurgebieden als voor bedreigde planten- en diersoorten. Eén van de doelstellingen is het creëren van een Europees netwerk van natuurgebieden, Natura 2000 genaamd. Een vertaling van dit EU-beleid voor soortbescherming naar Nederlands niveau is de Flora- en faunawet. Hierin worden bedreigde inheemse planten- en diersoorten als beschermd aangewezen. Gebiedsbescherming wordt in Nederland geregeld in de Natuurbeschermingswet. Hierin worden waardevolle natuurgebieden als beschermd aangewezen. Ruimtelijke plannen als bestemmings-, bouw- en sloopplannen moeten aan deze wet- en regelgeving voldoen. In Hoofdstuk 5 Milieuaspecten wordt hier nader op ingegaan.

4.4 Provinciaal beleid

4.4.1 Structuurvisie 2040 (2010)

Op 16 februari 2010 is de provinciale ruimtelijke verordening Structuurvisie 2040 van de provincie Noord-Holland door Gedeputeerde Staten vastgesteld. Provinciale Staten hebben op 21 juni 2010 de structuurvisie vastgesteld.

In de structuurvisie beschrijft de provincie hoe en op welke manier ze met verschillende ontwikkelingen en keuzes omgaat en schetst ze hoe de provincie er in 2040 moet komen uit te zien. De structuurvisie en de bijbehorende provinciale verordening zijn het inhoudelijke beleidskader van de provincie waaraan bestemmingsplannen van gemeenten moeten voldoen. Dit betekent dat de provincies regels voorschrijft over bestemmingen en het gebruik van gronden met een provinciaal belang. Voor Velsen zijn met name het bestaand bebouwd gebied (de voormalige rode contouren), de recreatiezone Amsterdam-Haarlem (voormalige rijksbufferzone) en de reservering voor nieuw haventerrein van belang.

De locatie ligt binnen het Bestaand Gebouwd Gebied (BBG) van de provinciale verordening.

4.4.2 Provinciaal verkeers- en vervoersplan

Op 1 oktober 2007 hebben provinciale staten het “Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan, Actualisatie van het PVVP 2007-2013 (PVVP)” vastgesteld. Hierin zet de provincie haar bijgewerkte visie op het verkeer en vervoer in de provincie en het verkeers- en vervoersbeleid voor de periode van 2007 tot 2013 uiteen. In hoofdlijnen is het beleid gericht op 'vlot en veilig door Noord-Holland'.

In de visie merkt de provincie op dat de ruimtelijke ordening belangrijke aanknopingspunten biedt voor het mobiliteitsvraagstuk. In bestaande situaties zijn er nauwelijks mogelijkheden voor wijzigingen. Bij herontwikkeling van bestaande situaties of nieuwe situaties zijn die mogelijkheden er wel. Mobiliteit is in deze situaties één van de sturende uitgangspunten. In het PVVP is bepaald dat bij de ontwikkeling van (ruimtelijke) plannen duidelijk moet worden gemaakt hoe de bereikbaarheid van het plangebied wordt gewaarborgd. Ook is in het PVVP bepaald dat 'oplossingen' moeten bijdragen aan de veiligheid, leefbaarheid en duurzaamheid van het gebied.

4.4.3 Leidraad landschap en cultuurhistorie

Provinciale Staten hebben in juni 2010 de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie vastgesteld. In dit beleidskader is door de provincie aangegeven welke landschappelijke en cultuurhistorische elementen overwogen moeten worden bij (ruimtelijke) ontwikkelingen en uitgangspunt kunnen zijn voor plannen. De ontwikkelingsgerichte benadering is het uitgangspunt van het beleid: behoud door ontwikkeling.

In de Leidraad wordt ingegaan op de kernkwaliteiten die gelden als basis voor de ruimtelijke kwaliteit van het landschap van Noord-Holland, waaronder Aardkundige waarden, Archeologische waarden en Cultuurhistorische objecten.

4.5 Gemeentelijk beleid

4.5.1 Visie op Velsen 2025

Het document 'Visie op Velsen 2025: Kennisrijk werken in Velsen' is op 31 maart 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. De visie geeft op de verschillende beleidsterreinen een toekomstbeeld van de ontwikkeling van de gemeente Velsen tot 2025. De visie positioneert zichzelf als volgt: "De visie zelf is geen blauwdruk, geen strategisch beleidsplan, maar een inspirerend toekomstbeeld, een bereikbare droom. Niet van de gemeente, maar van de gemeenschap Velsen". En de positie van de gemeente daarin: "De rol van de gemeente in deze visie is die van facilitator. Daarnaast schept de gemeente waar mogelijk de nodige randvoorwaarden, bijvoorbeeld op het gebied van ruimtelijke ordening en de inrichting van de openbare ruimte".

Voor IJmuiden is in de visie een aantal toekomstbeelden opgenomen die van invloed kunnen zijn op het bestemmingsplan. In deze visie ligt het accent op kennisrijke industrie: doorontwikkelde bestaande industrieën en initiatieven (kennisintensief worden van haven en staal, offshore-industrie), ontwikkeling van kenniscentra op deze terreinen en ontwikkeling van nieuwe werkgelegenheid op het gebied van duurzame energie (waterenergie) en samenwerking met wetenschappelijke instituten op deze terreinen. De ontwikkeling van IJmuiden tot een plaats met het karakter van een metropool, aantrekkelijk als dynamische haven en als avontuurlijke kustplaats, komt hier uit voort.

De rol van de gemeente

De rol van de gemeente in deze visie is die van facilitator. De gemeente brengt partijen bijeen, legt relaties en verbindingen, initieert overleggen en zet zich in voor nauwe regionale samenwerking. Daarnaast schept de gemeente waar mogelijk de nodige randvoorwaarden, bijvoorbeeld op het gebied van ruimtelijke ordening en de inrichting van de openbare ruimte. De gemeente voert een actief marketing- en promotiebeleid.

4.5.2 Structuurvisie (2005)

De structuurvisie Velsen 2015, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 december 2005, heeft als doel een actueel en samenhangend kader te scheppen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente tot aan 2015. Het is een ruimtelijke vertaling en een verdere uitwerking van de toekomstvisie 2010. Het programma dient te leiden tot een versterking van de ruimtelijke kwaliteit en de leef kwaliteit. De visie spitst zich toe op de vraag waar de verdere verstedelijking van Velsen plaats kan vinden en hoe dit moet gebeuren. Het plangebied is opgenomen als ontwikkellocatie. Zowel bij de uitleggebieden als bij de herstructurering van bestaande gebieden geldt dat de wezenlijke kwaliteiten en de leefbaarheid niet aangetast mogen worden. De belangrijkste ruimtevraag voor de gemeente Velsen ligt op het gebied van wonen.

4.5.3 Woonvisie 2025

De Woonvisie 2025 gaat in op de ambities van Velsen en de omstandigheid waarin die gerealiseerd moeten worden. Hoe komen we van 2013 naar de gewenste woonsituatie in 2025? Wat en wie is daarvoor nodig? Wat kunnen we op korte termijn doen en welke ontwikkelingen hebben meer tijd nodig? De nieuwe woonvisie helpt om afwegingen te maken over concrete initiatieven en bij het maken van afspraken met derden.

De uitdaging is om in een tijdsgewricht waarin veel verandert en veel onzekerheid bestaat nieuw woonbeleid te formuleren met Kennisrijk Werken als ambitie. De woonvisie kan misschien niet op alle punten snel worden gerealiseerd, het schetst de richting waar de gemeente heen wil en agendeert de thema’s die in dit kader extra aandacht verdienen in de beleidsvorming, de afspraken met derden en in het investeringsbeleid van de gemeente zelf. De veranderende tijdsgeest maakt dat deze woonvisie geregeld tegen het licht gehouden moet worden om te zien of de inzet nog past bij de dan geldende omstandigheid.

4.5.4 Archeologie en Monumentenbeleid

De beleidsnota Monumentenzorg Velsen is in 2005 vastgesteld en in 2008 geactualiseerd. In deze beleidsnota geeft de gemeente Velsen haar visie op de gemeentelijke monumentenzorg. Leidraad hierbij is een zorgvuldig beheer en weloverwogen behoud van het architectonische en cultuurhistorisch erfgoed van Velsen, in samenspel met rijk, provincie en particulieren.

Cultuurhistorie wordt als vast onderdeel betrokken bij planontwikkelingen en –uitvoering. In paragraaf 5.8 Cultuurhistorie wordt specifiek ingegaan op de cultuurhistorische aspecten van het plangebied.

4.5.5 Verkeersbeleid

In het Lokaal Verkeer- en Vervoersplan 2004 (LVVP) zijn de beleidshoofdlijnen op het gebied van verkeer en vervoer voor de gemeente Velsen vastgelegd. Knelpunten en mogelijke oplossingen worden besproken. Doelstelling van het LVVP is het vergroten van de verkeersveiligheid, de leefbaarheid en de bereikbaarheid.

4.5.6 Milieubeleid

De gemeente Velsen heeft in samenwerking met de Milieudienst IJmond een Meerjaren Milieubeleidsplan (MBP) opgesteld. In het MBP is het gemeentelijke milieubeleid opgesteld en vertaald in concrete doelstellingen. Aandachtspunten in het MBP zijn:

  • het waarborgen van de leefbaarheid;
  • optimaal gebruik van de regelgeving;
  • de voorbeeldfunctie van de gemeente;
  • het bevorderen van duurzame ontwikkeling;
  • het realiseren van klimaatbeleidsdoelstellingen.

Waar mogelijk wordt meervoudig ruimtegebruik toegepast, waarbij ondergronds bouwen, gestapeld bouwen en het combineren van functies belangrijke elementen zijn. Bij het herinrichten van terreinen dan wel bij uitbreidingswensen wordt uitgegaan van het mengen van functies als wonen, detailhandel, horeca en niet hinderlijke bedrijvigheid. Binnen de gemeente is in navolging van de milieuvisie een beleidsplan duurzaam bouwen vastgesteld. In dit beleidsplan worden de ambities beschreven op het gebied van duurzaam bouwen in relatie tot bouwprojecten en de openbare ruimte. Het toepassen van meervoudig ruimtegebruik is één van de ambities.

4.5.7 Groen en waterbeleid

De gemeenteraad heeft in 2009 het plan Ruimte voor Groen vastgesteld. Ruimte voor Groen geeft, in hoofdlijnen, een visie op aspecten die de toekomst van het openbaar groen in Velsen bepalen. Dit zijn: behoud en uitbreiding, ecologische structuur en een kwaliteitssysteem voor het groenbeheer. Het geeft voor de komende tien tot vijftien jaar richting aan de ontwikkeling en het beheer van het Velsense groenareaal met als doel Velsen de charmante plaats te laten blijven zijn die het tot nu toe is geweest. Een plek waar mensen graag willen wonen en die men graag bezoekt.

4.5.8 Prostitutie

Per 1 oktober 2000 is het algemene bordeelverbod (artikel 250bis Wetboek van Strafrecht) opgeheven. Dit betekent dat het exploiteren van prostitutie (in bordelen of anderszins) vanaf deze datum een legale beroepsuitoefening is. Door de gemeenteraad van Velsen is in september 2000 de nota Integraal prostitutiebeleid vastgesteld. In de nota wordt aangegeven dat er een vergunningplicht is voor seksinrichtingen en dat raam- en straatprostitutie niet is toegestaan. Ruimtelijk gezien is er door de raad aangegeven dat alleen in het havengebied van Velsen maximaal 2 seksinrichtingen gevestigd mogen zijn. In de rest van de gemeente is geen seksinrichting toegestaan.

Hoofdstuk 5 Milieuaspecten

In dit hoofdstuk worden de relevante milieuaspecten aan de orde gesteld. Hierbij dienen aan de orde te komen het wegverkeerslawaai, geluidszones, bedrijvigheid, bodem, vervoer gevaarlijke stoffen, archeologie, de flora en de veiligheid.

5.1 Bedrijven en milieuhinder

Een goede ruimtelijke ontwikkeling streeft naar het bevorderen van een duurzame ruimtelijke kwaliteit in een dynamische samenleving. Het is helder dat duurzame ruimtelijke kwaliteit mede richting en inhoud geeft aan het criterium “een goede ruimtelijke ordening”. Een goede ruimtelijke ordening houdt ook in het voorkomen van voorzienbare hinder door milieubelastende activiteiten. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten doet in de publicatie "Bedrijven en milieuzonering" (editie 2009), een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie ten opzichte van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand bedrijven gesitueerd worden. In de publicatie zijn adviesafstanden die gemotiveerd kunnen worden toegepast bij ruimtelijke ordening.

De adviesafstanden hangen samen met gebiedskenmerken. Het is mogelijk om door middel van maatregelen overlast te beperken en daardoor af te wijken van de afstanden. In dit geval zal aangetoond moeten worden welke maatregelen worden genomen om de overlast te beperken. Aan de hand hiervan kan dan gemotiveerd worden afgeweken van de standaard adviesafstanden. Voor de realisatie van nieuwe ontwikkelingen zal getoetst worden aan de richtafstand uit de publicatie Bedrijven en Milieuzonering.

Relatie tot het plan

Het projectgebied en haar omgeving kan getypeerd worden als rustige woonwijk. In het vigerende bestemmingsplan “Zeewegterrein e.o.” zijn geen bedrijfsbestemmingen aanwezig. Ten noorden van het projectgebied zijn de bestemmingen ‘Maatschappelijke doeleinden’ en ‘Gemengde doeleinden I’’ van toepassing. Uit de regels behorende bij deze bestemmingen valt op te maken dat de toegestane bedrijfsactiviteiten binnen deze bestemmingen maximaal tot milieucategorie twee behoren. Dergelijke bedrijfsactiviteiten hebben een maximale richtafstand van 30 meter. De afstand tussen de deze bestemmingen en dichtstbijzijnde gevel van de beoogde woningen bedraagt meer dan 100 meter.

Hiermee vormt het milieuaspect ‘bedrijfs- en milieuzonering’ geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.

5.2 Externe Veiligheid

Routering gevaarlijke stoffen

Op grond van artikel 18 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) heeft de gemeente Velsen op 5 november 2002 wegen aangewezen voor het transport van gevaarlijke stoffen. De vastgestelde route loopt onder ander over de Kanaalweg. Aan het transport van gevaarlijke stoffen is een risiconormering verbonden: de Plaatsgebonden- (PR) en de Groepsrisico-contour (GR). De routering kent in dit geval geen PR-contour. Als de afstand van het plangebied tot de weg 200 meter of meer bedraagt, kan gesteld worden dat de ontwikkeling geen invloed heeft op het Groepsrisico. Over de Kanaaldijk te IJmuiden loopt de aangewezen route gevaarlijke stoffen. De voorgenomen ontwikkeling van deze locatie ligt ruimschoots buiten het 200 meter gebied.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI)

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Door het inwerkingtreden van het BEVI zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Het besluit heeft als doel zowel individuele als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het doel wordt in het BEVI vertaald naar de begrippen Plaatsgebonden risico (PR) en Groepsrisico (GR). Om dit doel te bereiken verplicht het BEVI het bevoegd gezag via de Wet milieubeheer en Wet op de ruimtelijke ordening afstand te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven (deze afstand wordt benoemd als Plaatsgebonden risico). Deze afstanden zijn benoemd in de Regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI). Tevens beperkt het besluit het totale aantal aanwezige personen in de directe omgeving van een risicovol bedrijf (deze waarde wordt benoemd het Groepsrisico. De gemeente Velsen moet de normen uit het BEVI naleven bij het opstellen en wijzigen van bestemmingsplannen en bij het verlenen van milieuvergunningen.

Relatie tot het plan

Uit gegevens van de Omgevingsdienst IJmond en het vigerende bestemmingsplan blijkt dat het projectgebied niet binnen de 1 % letaliteit effectafstand van inrichtingen die gevaarlijke stoffen opslaan, gebruiken en/of produceren is gelegen. Het projectgebied is eveneens niet gelegen binnen de effectafstanden van nabij gelegen transportroutes gevaarlijke stoffen of buisleidingen.

Het milieuaspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.3 Luchtkwaliteit

Bij planvorming is de luchtkwaliteit één van de milieuaspecten waar onderzoek naar dient te worden verricht (Besluit luchtkwaliteit 2005, hierna “het besluit”). In het besluit zijn grenswaarden opgenomen die per 2005 (fijn stof) of 2010 gelden (overige stoffen). De normen van het besluit dienen in acht te worden genomen bij bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit. Nabij het plangebied bevinden zich verkeerswegen die de luchtkwaliteit in het plangebied kunnen beïnvloeden.

Relatie tot het plan

Het aantal te realiseren woningen binnen het woningbouwproject bedraagt aanzienlijk minder dan 1.500 woningen. Het project valt hiermee onder de ministeriële Regeling niet in betekenende mate bijdragen. Het project draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging, waarmee de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling.

Goed woon- en leefklimaat

Met behulp van Monitoringstoolviewer (bron: https://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) is op 28 mei 2015 vastgesteld wat de huidige achtergrondconcentraties zijn van de luchtkwaliteitsparameters ter plaatse van het projectgebied. Uit de resultaten van de monitoringstool blijkt dat de achtergrondconcentratie zowel voor NO2 als voor PM10 in 2015 onder de 25 ìg/m3 en daarmee ver onder de grenswaarde van 40 ìg/m3 (voor zowel NO2 als PM10) blijven.

Het milieuaspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied.

5.4 Geluid

De Wet geluidhinder legt in zijn algemeenheid de verplichting op om onderzoek te doen naar de waarde van de geluidsbelasting op geluidgevoelige bestemmingen, indien zij zijn gelegen binnen een geluidzone.

Industrielawaai

Het plangebied ligt in de geluidszone het in het kader van de Wet geluidhinder gezoneerde industrieterrein IJmond.

In het bestemmingsplan Zeewegterrein zijn voor deze locatie in het verleden hogere waarden tot maximaal 53 dB(A) op een hoogte van 25 meter vastgesteld. Deze vastgestelde hogere waarden voor de geluidbelasting blijven ook met dit nieuwe bestemmingsplan vigeren. Dit plan betreft echter laagbouw. Dit betekent dat de geluidbelasting door afscherming van de omliggende bebouwing aanmerkelijk lager zal zijn en de voorkeursgrenswaarde voor industrielawaai niet zal worden overschreden op de gevels van de nieuwe woningen.

Wegverkeerslawaai

Het plangebied ligt in de geluidszone van de Zeeweg. De overige omliggende wegen hebben een maximumsnelheid van 30 km/uur.

De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai is 48 dB. Bij een hogere geluidsbelasting is het in een binnenstedelijke situatie mogelijk tot en met 63 dB een hogere waarde in het kader van de Wet geluidhinder vast te stellen.

In bestemmingsplan Zeewegterrein is voor deze locatie in het verleden een hogere waarde voor de geluidbelasting van 57 dB(A) vanwege de Zeeweg vastgesteld. De uitgerekende geluidbelasting voor het voorliggende plan bedraagt 52 dB. Hiermee wordt de vastgestelde hogere waarde voor de geluidbelasting op deze locatie niet overschreden.

De Velserduinweg heeft een maximumsnelheid van 30 km/uur. Volgens geluidrapport Akoestisch onderzoek Wegverkeer Binnenhaven, Ijmuiden (BK, projectnummer 152048) van 3 juni 2015, bedraagt de geluidbelasting 57 dB. Hoewel de Velserduinweg geen gezoneerde weg betreft, veroorzaakt deze wel een relevante geluidbelasting op de nieuwe woningen.

Voor een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat het geluidniveau in de woningen niet hoger zal worden dan 33 dB etmaalwaarde. Voor de bouw van de woningen moet onderzocht worden welke maatregelen aan de gevels genomen moeten worden om deze waarde niet te overschrijden.

Luchtvaartlawaai

Voor wat betreft luchtvaartlawaai blijkt uit de geluidscontouren van het luchtvaartterrein Schiphol, dat het plan buiten de 26 LAeq nachtcontouren en buiten de 35 KE-contouren van dit luchtvaartterrein ligt.

5.5 Bodem

Het is wettelijk verboden om te bouwen op verontreinigde grond. Om te kunnen bepalen of de bodem in het plangebied geschikt is voor het beoogde gebruik dient bij voorgenomen bouwactiviteiten een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op de locatie is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd; “Historisch bodemonderzoek op het terrein aan de Appelboomstraat en de Zeeweg te IJmuiden” (Van der Helm Milieubeheer B.V., Projectcode: MEIJ150647 en datum 4 juni 2015) (opgenomen in de bijlagen).

Op basis van de resultaten uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat:

- zowel op de onderzoekslocatie zelf als in de nabije omgeving (binnen een straal van 50 meter) verscheidene potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten hebben plaatsgevonden;

- op de huidige onderzoekslocatie, die onderdeel uitmaakte van het voormalig ziekenhuis, een aantal bodemonderzoeken zijn uitgevoerd. Deze bodemonderzoeken zijn niet actueel (van voor 2010). In de onderzoeken zijn plaatselijk in de bodem (grond en/of grondwater) sterke verontreinigingen met zink, minerale olie, aromatische verbindingen en asbest aangetroffen. De sterke verontreinigingen met minerale olie, aromatische verbindingen en asbest zijn gesaneerd. Voor zover bekend is de sterke verontreiniging met zink niet gesaneerd. Deze verontreiniging bevindt zich niet binnen de grenzen van de huidige onderzoekslocatie;

- in de nabije omgeving (binnen een straal van 50 meter) een aantal bodemonderzoeken zijn uitgevoerd. Daarnaast zijn op enkele locaties saneringen uitgevoerd;

- ter plaatse van de Tuinderstraat 78 een sterke verontreiniging met PAK in de grond is aangetroffen. Deze sterke verontreiniging bevindt zich niet op de huidige onderzoekslocatie en heeft gezien de afstand geen invloed (gehad) op de bodemkwaliteit.

Derhalve is de onderzoekslocatie geschikt voor de voorgenomen functiewijziging naar wonen.

Wel dient voor de aanvraag van de omgevingsvergunning de bodemkwaliteit te worden geactualiseerd.

5.6 Ecologie

Wetgeving met betrekking tot de bescherming van de natuur richt zich op twee hoofdthema's. Het gaat hierbij om de bescherming van natuurgebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van planten diersoorten (soortbescherming).

Relatie tot het plan

Gebiedsbescherming

Binnen de Natuurbeschermingswet is een aantal gebieden als beschermd natuurgebied aangewezen. Eén van deze gebieden is het Natura 2000-gebied. Het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid is gelegen op circa 300 meter van de projectlocatie.

De onderzoekslocatie maakt geen onderdeel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (hierna EHS). De dichtstbijzijnde EHS bevindt zich eveneens op 300 meter afstand van de projectlocatie.

Daar de vervangende nieuwbouw (woningbouw i.p.v. ziekenhuis) niet zal leiden tot extra milieuhinder (zelfs eerder minder milieuhinder), heeft dit geen nadelige gevolgen voor deze natuurgebieden. Een procedure in het kader van de natuurbeschermingswet is hierdoor niet benodigd.

Soortbescherming

Door Van der Helm Milieubeheer B.V is op 27 mei 2015 een onderzoek (Ecologische quickscan project ‘Binnenhaven’ te IJmuiden zie de bijlagen) uitgevoerd naar mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten binnen het projectgebied. Hierbij is vastgesteld in hoeverre deze negatief worden beïnvloed door de voorgenomen ontwikkeling

Tijdens het onderzoek is in de bomen binnen het projectgebied één vaste rust- en verblijfplaats aangetroffen van een Zwarte kraai. Andere vogelnesten zijn niet aangetroffen maar kunnen wel worden verwacht. Hierbij wordt uitgegaan van de mogelijkheid van diverse jaarrond beschermde vogelnesten. Deze nesten kunnen verstoord of vernietigd worden wanneer er bomen worden gekapt in het projectgebied. Daarnaast is het mogelijk dat er, wanneer er tijdens de bouw een hek om het terrein wordt geplaatst (en het nu druk gebruikte gebied rustiger wordt) er vogels met een niet-jaarrond beschermd nest gaan broeden in de kleine struiken. Nu wordt het open terrein zo belopen met honden dat het ongeschikt is voor broedvogels.

Jaarrond beschermde nesten worden, middels Artikel 11 van de Flora- en faunawet, het gehele jaar beschermd, dus ook als het nest niet in gebruik is om te broeden. Voor jaarrond beschermde nesten uit categorie 5 geldt echter dat wanneer er in de omgeving voldoende alternatief aanwezig is, de nesten een gelijke beschermingsstatus hebben als niet jaarrond beschermde nesten. In dit geval is voor alle aanwezige en te verwachten soorten voldoende alternatief in de omgeving en geldt de bescherming alleen wanneer er een broedgeval aanwezig is.

De bomen in het projectgebied bevatten mogelijk kleine holten en spleten die kunnen dienen als vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen (zomer en paarverblijfplaats). Het omzagen of verlichten van bomen waarin vleermuizen verblijven betekent een overtreding van Artikel 11 van de Flora- en faunawet (vernietiging en/of verstoring van een vaste rust en verblijfplaats). Wanneer bomen worden gekapt of in de nieuwe situatie extra worden belicht, dient middels aanvullend onderzoek de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen te worden vastgesteld of uitgesloten. Hierbij dient te worden bepaald wat het effect van de werkzaamheden is op deze eventuele vaste- rust en verblijfplaatsen.

De mogelijk te kappen bomen bevinden zich echter uitsluitend in het gebied waar het park gerealiseerd gaat worden. Daar nog niet exact duidelijk is hoe het park exact vormgegeven gaat worden, is nog niet bekend welke bomen eventueel gekapt dienen te worden. Wanneer dit duidelijk is dient een aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen plaats te vinden. De locaties waar de bouwwerken beoogd worden kunnen zonder noodzaak tot kappen worden gerealiseerd.

Hiermee vormen vleermuizen geen belemmering voor de realisatie van de bouwwerken.

Diverse Tabel 1 soorten (licht beschermde soorten) worden in het plangebied verwacht binnen de soortgroepen planten, amfibieën en grondgebonden zoogdieren. Middels de vrijstellingsregeling (AMvB art. 75) wordt in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling vrijstelling verleend voor Tabel 1-soorten. Derhalve hoeven voor deze soorten geen aanvullende maatregelen te worden genomen in het kader van de Flora- en faunawet. Opgemerkt wordt dat de zorgplicht voor alle soorten van toepassing is, wat betekend licht beschermde dieren de tijd geven te vluchten en licht beschermde planten te verplaatsen naar nieuw leefgebied als deze dienen te wijken voor de werkzaamheden.

5.7 Duurzaamheid

Gemeente Velsen en Omgevingsdienst IJmond hebben ter ondersteuning en invulling van deze beleidsdoelstellingen een lokaal beleid geformuleerd in "Kwaliteit en duurzaam bouwen" en in het milieubeleidsplan. Bouwinitiatieven moeten voldoen aan deze ambities en doelstellingen. Buiten de bestaande normen vanuit het Bouwbesluit richt het beleid ten aanzien van duurzaam bouwen zich op een hoger ambitieniveau.

GPR Gebouw

GPR Gebouw is een programma voor het omzetten van ontwerpgegevens van een gebouw naar prestaties op het gebied van kwaliteit en duurzaamheid. GPR gebouw gaat over woonkwaliteit, de toekomstwaarde én de gebruikelijke thema's van duurzaam bouwen. Het is een hulpmiddel voor het maken van keuzes bij nieuwbouw en renovatie van woningen, scholen en andere gebouwen

Om inzicht te krijgen in de duurzaamheid van nieuwbouwprojecten stimuleert de gemeente Velsen het gebruik van GPR Gebouw. GPR Gebouw is een relatief eenvoudig instrument waarmee prestaties worden uitgedrukt in rapportcijfers van 1 tot 10. Keuzemodules geven aan hoe scores zijn te verhogen (tot maximaal een tien) voor de vijf verschillende onderdelen energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Binnen het ontwerp (of de renovatie) is men vrij om binnen de verschillende modules voorzieningen naar keuze te realiseren, zolang deze keuzes leiden tot het gewenste ambitieniveau.

De ambitie van de gemeente Velsen is minimaal een 7 te scoren op het thema energie en gemiddeld een 7 voor de thema's milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde.

5.8 Cultuurhistorie

Graafwerkzaamheden kunnen archeologische bodemschatten verstoren of vernietigen. De gemeente handhaaft de verplichtingen van de ontwikkelaar om bij aantasting van het
archeologisch bodemarchief adequaat zorg te gedragen voor behoud in situ (en indien
dit niet mogelijk is ex situ) van belangwekkende oudheidkundige waarden.

Hoofdstuk 6 Randvoorwaarden, onderzoek en verantwoording

6.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op diverse sectorale aspecten die mogelijk beperkingen kunnen opleveren voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

6.2 Groen & spelen

Aan de Zeeweg, direct aan de locatie, ligt een parkje. Het is de bedoeling dat dit park opnieuw wordt ingericht.

6.3 Stedenbouw

De Binnenhaven is geen onderdeel geweest van het wederopbouwplan van Dudok en heeft altijd 'achter' het centrum van IJmuiden gelegen zoals Dudok dit had ontworpen. Het gebied waar de hoogbouw zou komen is omringd door laagbouw. Vanuit de omgeving beredeneerd is het aantrekkelijker om aan te sluiten en eveneens voor laagbouw te kiezen. Het blijft daarbij belangrijk om een mooie omzoming van het park te realiseren met goed vormgegeven wanden.

6.4 Verkeer & vervoer

Parkeren

Parkeren voor reeds gerealiseerde woningen

Op basis van het bestemmingsplan 'Zeewegterrein e.o.' (2005) is op een deel van het Zeewegterrein reeds woningbouw ontwikkeld. Tot op heden zijn er 131 grondgebonden woningen en 68 appartementen gerealiseerd (zie tabel).

Parkeerbehoefte   Gerealiseerde parkeerplaatsen  
131 Grondgebonden woningen   197pp   166pp   Eigen terrein  
68 Appartementen   102pp   29pp   Openbare ruimte  
Totaal   299pp   195pp   Totaal  

Tabel: Overzicht van de parkeerbehoefte die wordt gegenereerd door de reeds gerealiseerde woningbouw en de reeds gerealiseerde parkeerplaatsen.

Voor beide woningtypen gold een norm van 1,5 parkeerplaats per woning, waarmee een parkeerbehoefte van 299 parkeerplaatsen is ontstaan. Er zijn tot op heden echter slechts 195 parkeerplaatsen gerealiseerd. Binnen het gebied van dit bestemmingsplan moeten dus nog 104 parkeerplaatsen worden gerealiseerd ten behoeve van de eerdere woningbouwontwikkeling op het Zeewegterrein. Dit wordt bereikt door de aanleg van haakse parkeervakken langs de Appelboomstraat (een manier van parkeren die in de huidige situatie ook al informeel wordt toegepast) , Appelboompad, Velserduinweg en op het binnenterrein van de nieuwe ontwikkeling.

Parkeren voor nieuwe functies

Voor de nieuw te realiseren functies geldt dat moet worden voldaan aan de op het moment van indiening van de omgevingsvergunning vigerende Parkeernormenbeleid. Een en ander is vastgelegd in artikelen behorend bij dit bestemmingsplan. Uit ruimtelijk vooronderzoek is gebleken dat er binnen het plangebied voldoende ruimte aanwezig is om het verwachte benodigde aantal parkeerplaatsen te kunnen realiseren.

Verkeersaantrekkende werking

De ontwikkelingen binnen het plangebied hebben een verkeersproducerende en verkeersaantrekkende werking. Om te bepalen of de ontsluitingen op de Velserduinweg en de Zeeweg voldoende capaciteit hebben om deze extra verkeersbewegingen te verwerken, wordt de belasting van deze kruispunten tijdens het drukste uur van de dag berekend. Hierbij wordt de aanname gedaan dat tijdens het drukste uur van de dag 10% van de totale etmaal intensiteit wordt verwerkt. De huidige intensiteit is vastgelegd in het verkeersmodel dat door de Regio IJmond is opgesteld (RVMK, 2011). Voor het drukste uur van de dag volgt hieruit:

- Zeeweg: 740 motorvoertuigen per uur;

- Velserduinweg: 220 motorvoertuigen per uur.

Wanneer wordt uitgegaan van een gelijkmatige verdeling van het aantal aankomsten en vertrekken over de twee aansluitingen neemt de intensiteit op de Zeeweg met ca. 35 motorvoertuigen per uur toe en neemt de intensiteit op de Velserduinweg met ca. 20 motorvoertuigen per uur toe. Deze toenames zijn dermate gering dat de capaciteit van de bestaande kruisingen niet in het geding komt.

Ook blijkt vanwege de relatief lage verkeersdruk op de nieuw te realiseren T-aansluitingen er geen links of rechtsaf vakken nodig zijn. Een rotonde is niet nodig en verkeerslichten zijn bij deze intensiteiten ongewenst.

Openbaar vervoer

Het plangebied is bereikbaar per bus. Op circa 500 meter vanuit het midden van het plangebied gerekend, bevindt zich een opstapplaats (Plein 1945) voor bussen in de richtingen Beverwijk, Amsterdam, Velserbroek, Santpoort Noord en Haarlem. Aan de Zeeweg ter hoogte van het plangebied bevind zich een bushalte waar de busdienst richting Haarlem/ Velserbroek/ Santpoort-Noord halteert. De locatie heeft hiermee een ruime mate van bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Fiets en voetgangersverkeer

Binnen het plangebied is ruimte aanwezig voor realisatie van een langzaam verkeersroute. Deze route zorgt voor een goede toegankelijkheid van de Boekanier en de Sint Franciscusschool. De langzaam verkeersroute loopt ter hoogte van de Boekanier in Noord Zuid richting en ter hoogte van de Sint Franciscusschool (Zeeweg) in Oost West richting.

6.5 Wonen

Voor het project 'De Binnenhaven' was een intensief programma voorzien met grofweg 130 grondgebonden woningen, een zorgprogramma met 300 zorgeenheden en ondergronds parkeren. Er zijn inmiddels 131 grondgebonden woningen gerealiseerd en 68 appartementen. De situatie voor bouwontwikkeling is sinds het opstellen van het oorspronkelijk programma sterk veranderd (kredietcrisis, economische recessie, hervorming van de AWBZ). Als alternatief ligt er nu een plan met 50 grondgebonden woningen, maaiveld parkeren en een toekomstig zorgprogramma. Het zorgprogramma is niet in dit bestemmingsplan opgenomen. De 50 grondgebonden woningen komen tegemoet aan het oorspronkelijk bedoelde aantal.

De grondgebonden woningen sluiten aan bij de Woonvisie 2025. Kwaliteit is belangrijk voor de doelgroep gezinnen. Ander doel van de Woonvisie 2025 is de verstedelijking van IJmuiden. Daar past de wijziging van het programma qua intensiteit niet in. De locatie is echter niet direct in het centrum van IJmuiden gelegen waardoor een lagere intensiteit te rechtvaardigen is.

Woningmarkt onderzoek

Het vigerende bestemmingsplan maakt het mogelijk om appartementen te realiseren op de locatie Binnenhaven. Het alternatieve plan, waarin dit bestemmingsplan voorziet, zet in op grond gebonden woningen in verband met de afzetbaarheid in de markt. De markt voor appartementen in IJmuiden is kritisch. De verhouding tussen aanbod en transacties is slecht en het aantal verkochte appartementen per jaar is gering (ruim 50). Het aantal transacties is bovendien sterk gedaald in de afgelopen jaren (bijna gehalveerd). De verkochte appartementen hebben lage opbrengsten, zowel in de bestaande markt (gemiddeld ca. € 130.000) als in de nieuwbouw (Oud IJmuiden m.n. onder de € 150.000). Recent gebouwde appartementen (ruim € 180.000) en nieuwbouwappartementen in o.a. de projecten Wonen in Zeewaarts en de gebouwen Hoogtij en Laagtij hebben weliswaar iets hogere opbrengsten, maar verkopen zeer moeizaam (lange looptijden bestaande markt en leegstand en prijsverlagingen in nieuwbouw).

De markt voor nieuwe rijwoningen biedt meer kansen. De meeste aangeboden en verkochte rijwoningen zijn verouderd. Kwalitatief goede, recent gebouwde woningen zijn schaars. Wanneer deze woningen wel worden aangeboden, worden deze relatief snel verkocht voor hoge prijsniveaus. Dit wijst erop dat er met name kansen liggen om kwalitatief goede, ruimere doorstroomproducten op de markt te brengen, ter aanvulling op de bestaande markt.

De afzetbaarheid van nieuwe rijwoningen in De Binnenhaven is kortom beter dan van nieuwe appartementen. Het afzetrisico is bovendien veel lager. Daar komt bij dat de opbrengstpotentie van appartementen (zowel absoluut als per m2) zo laag is dat de (financiële) haalbaarheid van het plan onder druk staat.

Bovenstaand marktonderzoek sluit aan op de uitkomsten van het Concept Woningmarktonderzoek Velsen 2014, opgesteld door ABF Research (oktober 2014). Hieruit blijkt dat, wanneer de woningvraag wordt afgezet tegen het vrijkomend aanbod, er met name een tekort is aan grondgebonden koopwoningen. De markt voor koopappartementen is een stuk kritischer; hier is vraag en aanbod in evenwicht (zelfs klein overschot aan koopappartementen). In de koopsector is er een tekort aan woningen in zowel het segment tot € 200.000 als in het segment vanaf € 200.000.

Zorgprogramma

Ten aanzien van het voorgestelde zorgprogramma geeft de eigenaar van de grond aan de Zeeweg aan de zorgaccommodatie niet voor 2018 te realiseren. Het uitstellen van de realisatie van het zorgprogramma is het gevolg van het overheidsbeleid voor het scheiden van wonen en zorg. Daarnaast vindt er een grote transitie plaats in de ouderenzorg in Nederland, ook in de gemeente Velsen. Bestaande voorzieningen worden gesloten of omgebouwd voor beschermd wonen (intramuraal) dan wel verzorgd wonen (extramuraal). De komende jaren blijven in het teken staan van deze transitie waarvan de opgave zich grotendeels concentreert in IJmuiden.

De gemeente Velsen vergrijst en de behoefte aan wonen met zorg neem toe. Het recente woningmarktonderzoek dat uitgevoerd is in opdracht van de gemeente Velsen, laat zien dat tot 2018 een daling wordt verwacht van de vraag naar intramurale voorzieningen en dat deze vraag daarna weer geleidelijk stijgt. Bovendien laat het onderzoek zien, dat als gevolg van de extramuralisering in de ouderenzorg, extra behoefte ontstaat aan verzorgd wonen. Het plan van voorziet in fasering van de ontwikkeling en maakt het mogelijk dat in plan deel 2 zowel beschermd als verzorgd wonen kunnen worden ontwikkeld.

De bestaande zorgvoorzieningen in IJmuiden zijn in beperkte mate geschikt voor beschermd wonen. Ook de ombouwmogelijkheden van deze voorzieningen hebben hun grenzen. Met de locatie Binnenhaven behouden we in IJmuiden perspectief op vernieuwing van het aanbod.

Het huidige bestemmingsplan voor dit plan deel kan worden gehandhaafd. Zowel de bestemming gemengde doeleinden als de bouwenveloppe met een maximale bouwhoogte van 25 meter maken het mogelijk dat het programma in de toekomst kan worden afgestemd op de dan geldende perspectieven voor wonen met zorg. Zowel de omvang van het programma als de mix tussen beschermd en verzorgd wonen kunnen binnen deze randvoorwaarden worden aangepast aan de dan geldende vraag.

Hoofdstuk 7 Waterparagraaf

In de toelichting van een bestemmingsplan dient volgens het Besluit ruimtelijke ordening een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening wordt gehouden met (gevolgen voor) de waterhuishouding. Doel daarvan is uitgangspunten en wensen van duurzame watersystemen te vertalen naar concrete gebiedsspecifieke ruimtelijke uitgangspunten en deze weer te geven in het bestemmingsplan. Als hoofdprincipe geldt hierbij dat afwenteling moet worden voorkomen. Voor het watersysteem wordt dan ook de drietrapsstrategie vasthouden-bergen-afvoeren gehanteerd.

Zowel in het landelijk beleid (Nationaal Waterplan, Bestuursakkoord Water), als in het beleid van de Provincie Noord-Holland en het hoogheemraadschap van Rijnland heeft water een belangrijke plaats gekregen binnen de ruimtelijke ordening.

In het rapport van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw is geconcludeerd dat Nederland zijn waterhuishouding niet op orde heeft. Water dient een mede-ordenend principe te zijn. Om dit te bereiken heeft de Commissie Waterbeheer 21e eeuw de term Watertoets geïntroduceerd. De Watertoets wordt beschreven als een proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel is dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij relevante ruimtelijke plannen en besluiten van zowel Rijk, provincie, hoogheemraadschap en gemeente.

Onderstaand wordt een beschrijving gegeven van de wateraspecten binnen het plangebied Binnenhaven te IJmuiden.

Omgevingsaspecten

Het plangebied Binnenhaven ligt op de voormalige duinen. De maaiveldhoogte in het openbare terrein ligt op circa NAP +6,00 m. De bodem bestaat uit matig fijn duinzand. Op ongeveer 23 meter minus maaiveld bevindt zich de eerste slecht doorlatende laag, bestaande uit klei. Hieronder bevindt zich het eerste watervoerende pakket.


Oppervlaktewater

In de nabijheid komt geen oppervlaktewater voor.


Grondwater

De grondwaterstand bevindt zich op redelijk grote afstand tot het maaiveld. De gemiddelde grondwaterstand is ca. +3,75 m NAP en de maximale grondwaterstand is ca. +4,10 m NAP. Het grondwater stroomt traag noordwestwaarts af richting het Pontplein. De dynamiek (de fluctuatie) van de grondwaterstand wordt hoofdzakelijk beïnvloed door neerslag en verdamping. Er zijn geen grondwateronttrekkingen bekend die invloed uitoefenen op de grondwatersituatie bij de Binnenhaven.


Riolering

Bij de realisatie van de Binnenhaven is een gescheiden rioolstelsel aangelegd, waarbij het regenwater, afkomstig van de openbare ruimte (wegen, parkeerplaatsen) en de daken van de woningen, is afgekoppeld van het vuilwaterriool en ter plaatse wordt geïnfiltreerd in de bodem. De ter plaatse aanwezige zandige bodem en de lage grondwaterstand zijn zeer geschikt voor infiltratie van regenwater.

Bij nieuwbouw wordt op grond van het Bouwbesluit verlangd dat het hemelwater op eigen terrein wordt verwerkt en alleen ingeval dat niet mogelijk of doelmatig is wordt aangeboden aan de gemeente. Hiermee wordt voldaan aan het principe dat afwenteling van water moet worden voorkomen.

Door af te koppelen wordt het gebied robuust gemaakt tegen het optreden van extreme hoeveelheden neerslag die op grond van de klimaatscenario's van het KNMI worden voorspeld.

De infiltratievoorziening dient minimaal een T=5 bui te kunnen bergen.

Het vuilwater wordt via een vuilwaterriool afgevoerd naar de Zeeweg en verder naar de rioolwaterzuivering. Op het terrein van de Binnenhaven treedt volgens het gemeentelijk rioleringsplan geen "water-op-straat" op.


Compensatie toegenomen verharding

Het te bebouwen perceel, gelegen in de Binnenhaven, is nu onbebouwd. Normaliter dient de toename van verhard oppervlak gecompenseerd te worden door het aanleggen van oppervlakte water.


Waterkeringen

Het te bebouwen perceel valt niet binnen het invloedsgebied van een waterkering.

Hoofdstuk 8 Juridisch bestuurlijke aspecten

8.1 Inleiding

De toelichting dient een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten te geven. Met name een goede afstemming tussen de toelichting en de beide juridische onderdelen (verbeelding en regels) van het bestemmingsplan is van groot belang. De plantoelichting geeft een toelichting op het bestemmingsplan, maar maakt geen deel uit van het bestemmingsplan.

8.2 Inleidende bepalingen

Wijze van meten

In de regels en op de verbeelding kunnen goot- en/of bouwhoogtes zijn opgenomen. Indien er alleen sprake is van een bouwhoogte, dan mag de maximale bouwhoogte niet meer bedragen dan op de verbeelding of in de regels staat opgenomen. Er kan hierbij zowel sprake zijn van een platte afdekking als van een andere kapvorm mits de kap niet hoger is dan de aangegeven maximale bouwhoogte.

Indien de maximale bouwhoogte in combinatie met de goothoogte wordt gehanteerd is de maximale bouwhoogte te beschouwen als de nokhoogte. Er is in dat geval afdekking toegestaan middels een plat dak of een kap. De kap bestaat uit hellende dakvlakken, waarbij de goot niet hoger is dan de maximale goothoogte. Een dakvlak zal hierbij in zijn geheel onder dezelfde hellingshoek vallen. De beide dakvlakken treffen elkaar in de nok, welke maximaal op de maximaal toegestane bouwhoogte is gelegen. Er dient dus sprake te zijn van een daadwerkelijke nok met evenwijdige dakvlakken.

Er kan ook sprake zijn van een platte afdekking, maar dan is er sprake van een boeibordhoogte. Deze platte afdekking mag dan niet hoger zijn dan de maximaal toegelaten goothoogte.

Indien in de regels een goothoogte en bouwhoogte is opgenomen maar op de verbeelding een andere goot- en bouwhoogte is opgenomen, dan gelden de op de verbeelding opgenomen hoogtes. Indien in de regels een goot en bouwhoogte is opgenomen maar op de verbeelding alleen een bouwhoogte, en geen goothoogte, is opgenomen dan is er sprake van alleen een bouwhoogte.

afbeelding "i_NL.IMRO.0453.BP0705BINNENHAVEN1-R001_0005.jpg"

8.3 Algemene bepalingen

8.3.1 Handhaving en toezicht

Het bestemmingsplan Binnenhaven is gemaakt op grond van het in de Wet ruimtelijke ordening en Besluit ruimtelijke ordening bepaalde. Deze wet is dan ook van toepassing op handhaving en toezicht op de uitvoering van dit bestemmingsplan evenals de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht met bijbehorende besluiten en ministeriële regelingen.

8.3.2 Algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels

Met de algemene afwijkingsregels kan middels de omgevingsvergunning een kleine afwijking van het plan toegestaan worden, tot maximaal 10% van de gegeven maten, afmetingen en percentages. Wanneer de afwijking groter is, maar niet meer dan 15%, is het wenselijk om de afweging te maken middels een wijzigingsprocedure. Hierbij kan het ook voorkomen dat een aanduiding of bestemming wordt gewijzigd, mits dit niet tot gevolg heeft dat het plan ingrijpend wordt veranderd.

8.4 Handhaving

Een overtreding als bedoeld in artikel 8 van de regels is een strafbaar feit zoals is ondergebracht in de Wet op de economische delicten. Het relevante artikel (1a) van deze wet luidt:

"Economische delicten zijn eveneens overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens de Wet ruimtelijke ordening, artikel 7.2".

8.5 Algemene bepalingen

Het bestemmingsplan Binnenhaven is gemaakt op grond van het in de Wet ruimtelijke ordening bepaalde. Deze wet bepaald samen met de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) het kader voor het kunnen bouwen en gebruiken van gronden en van toepassing op handhaving en toezicht op de uitvoering van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 9 Economische uitvoerbaarheid

Exploitatieplan of overeenkomst

Op grond van het bepaalde in artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop aangewezen bouwplannen zijn voorgenomen. De aangewezen bouwplannen zijn gedefinieerd in artikel 6.2.1. Besluit ruimtelijke ordening. Hieronder worden onder andere gerekend de bouw van één of meer woningen en de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen.

Dit bestemmingsplan maakt de bouw van aangewezen bouwplannen mogelijk (50 woningen). Omdat de kosten verhaald zullen worden via een exploitatie overeenkomst met Synchroon en omdat de locatie-eisen die de gemeente noodzakelijk acht, zijn vastgelegd in de exploitatie overeenkomst, is er geen exploitatieplan noodzakelijk.

Conclusie

Het bestemmingsplan is gezien vorenstaande economisch uitvoerbaar. De gemeentelijke kosten en de kosten van Synchroon zijn gedekt. In een overeenkomst tussen de gemeente en Synchroon worden alle afspraken over de uitvoering, beheer en de kostenvergoeding vastgelegd.

Hoofdstuk 10 Inspraak en vooroverleg

Het voorontwerpbestemmingsplan heeft voor een ieder met ingang van 18 december 2015 gedurende een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn konden er reacties worden ingediend bij burgemeester en wethouders. Tevens heeft op 12 januari 2016 een inloopavond over het voorontwerp bestemmingsplan Binnenhaven plaatsgevonden in de bibliotheek in IJmuiden.

Reacties

In de periode dat het voorontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen zijn 8 schriftelijke inspraakreacties ontvangen en 3 reacties van artikel 3.1.1 Bro instanties.

Conclusies

Naar aanleiding van de inspraak en 3.1.1 reacties is het bestemmingsplan op onderstaande punten aangepast:

Aanpassingen in de verbeelding

1. Verbeelding:

1.1 De doorgangen naar het binnenterrein zullen de verkeersbestemming krijgen.

1.2 De ontsluiting aan de Appelboomstraat zal richting de Velserduinweg worden verplaatst.

Aanpassingen in de toelichting

1. In de waterparagraaf wordt de zin op pagina 29 “dat er als gevolg van het ontbreken van oppervlaktewater in het gebied deze noodzaak vervalt” verwijderd.

Ambtelijke wijzigingen

1. Op de verbeelding is de beoogde nieuwe situatie opgenomen. Daarnaast is tevens de bestaande situatie in de ondergrond van de verbeelding opgenomen. Om de kaart beter leesbaar te maken zal alleen de bestaande situatie in de ondergrond worden opgenomen.

2. Afbeelding 4 van de toelichting zal vervangen worden door de nieuwe beoogde indicatieve situatie.