direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Leembruggerweg 5 en 7
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0273.WPBGLeembruggerweg-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het voorliggend plan betreft een wijzigingsplan ex artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening van het bestemmingsplan 'Westelijk Buitengebied', zoals vastgesteld door de raad op 3 juli 2014.

Met dit wijzigingsplan wordt medewerking verleend aan het verzoek van de initiatiefnemer om de agrarische bestemming van het perceel Leembruggerweg 5 en 7 te wijzigen in een woonbestemming met de mogelijkheid voor een extra woonbestemming. Dit aangezien het agrarische gebruik is beëindigd en een voortzetting daarvan niet wordt voorzien.

1.2 Beschrijving van de situatie

Het perceel Leembruggerweg 5 en 7 is gelegen in het 'Westelijk Buitengebied' van de gemeente Putten en bevindt zich ten zuidwesten van de kern Putten. Op het perceel is een intensieve veehouderij gevestigd. De bebouwing op het perceel bestaat uit een bedrijfswoning, een plattelandswoning en diverse bedrijfsgebouwen. Dit is in figuur 1 weergegeven. Momenteel zijn de agrarische bedrijfsactiviteiten op het perceel beëindigd. Een voortzetting van het agrarische gebruik wordt niet voorzien. Daarom wordt de agrarische bestemming omgezet naar een woonbestemming zodat de percelen in gebruik kunnen worden genomen door de aanwezige woonfuncties.

afbeelding "i_NL.IMRO.0273.WPBGLeembruggerweg-VA01_0001.jpg"

Figuur 1: Huidige situatie Leembruggerweg 5 en 7 (Luchtfoto gemeente Putten 2015)

1.3 Planologische juridisch kader

Het perceel Leembruggerweg 5 en 7 ligt in het bestemmingsplan 'Westelijk Buitengebied'. In dit bestemmingsplan is voor het perceel de bestemming 'Agrarisch' met een bouwvlak van toepassing. Daarop aanvullend zijn ook de aanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - middelgroot agrarisch bedrijf' en 'intensieve veehouderij' opgenomen. Op het perceel is naast de huidige bedrijfswoning en plattelandswoning, circa 1.480 m² aan overige bebouwing aanwezig.

Op het perceel zijn ook de dubbelbestemmingen 'Leiding - Hoogspanningsverbinding', 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4' van toepassing. Daarnaast geldt de gebiedsaanduiding 'overige zone - intensief rood zwermgebied'. Figuur 2 geeft een uitsnede weer van het vigerende bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0273.WPBGLeembruggerweg-VA01_0002.jpg"

Figuur 2: Uitsnede vigerende bestemmingsplan Westelijk Buitengebied (www.ruimtelijkeplannen.nl)

Op dit moment mag het perceel alleen worden gebruikt voor een middelgroot agrarisch bedrijf en intensieve veehouderij.

In het bestemmingsplan 'Westelijk Buitengebied' is in artikel 34.16 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Met deze wijzigingsbevoegdheid kan het college om bij bedrijfsbeëindiging de agrarische bestemming te wijzigen in een woonbestemming met de mogelijkheid om een extra woonbestemming te creëren. Hieraan zijn een aantal voorwaarden verbonden. In hoofdstuk 2 wordt aangegeven hoe aan deze voorwaarden wordt voldaan.

Voor een aanvullende uiteenzetting van zowel het rijks, provinciaal als gemeentelijk beleid ten aanzien van de functieverandering van het agrarische perceel wordt kortheidshalve verwezen naar de toelichting van het bestemmingsplan 'Westelijk Buitengebied'.

Hoofdstuk 2 Toetsing aan voorwaarden wijzigingsbevoegdheid

De wijzigingsbevoegdheid om de bestemming 'Agrarisch' om te zetten naar de bestemming 'Wonen' is opgenomen in artikel 34.16 van de regels van het vigerende bestemmingsplan. Hieronder zijn de voorwaarden opgesomd en wordt aangegeven hoe aan de voorwaarde wordt voldaan.

De wijziging kan uitsluitend plaatsvinden indien er sprake is van bedrijfsbeëindiging.   Het agrarische bedrijf aan de Leembruggerweg 5 en 7 is beëindigd. Een voortzetting van het agrarische gebruik wordt niet voorzien.  
Indien het betreft een bedrijfslocatie gelegen binnen de op de verbeelding als ’reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied’ aangegeven gronden, zijn de woning en de wooneenheden uitsluitend toegestaan indien is aangetoond dat de woning of wooneenheden geen enkele belemmering oplevert voor de omliggende bedrijven.   De bedrijfslocatie is niet gelegen binnen het gebied ter plaatse van 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied'. Deze voorwaarde is niet van toepassing op dit plangebied.  
De bepalingen bij of krachtens de Wet geluidhinder dienen in acht te worden genomen.   Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid van hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die geluidhinder kunnen veroorzaken een geluidzone.
Het betreft een bestaande bedrijfswoning en plattelandswoning die (planologisch) worden omgezet naar een burgerwoning. De situatie van de woningen wordt niet gewijzigd. Ook worden er geen geluidsgevoelige functies toegevoegd.  
De wijziging is mogelijk indien alle aanwezige bebouwing wordt gesloopt overeenkomstig de tabel en onder de volgende voorwaarden:
Minimaal te slopen Maximale inhoud
fysiek legale bebouwing woongebouw
minimaal 1.000 m² 660 m³
minimaal 2.000 m² 2 x 440 m3
twee aaneengebouwd
minimaal 3.000 m² 2x660 m³

1, indien ombouw van bestaande bebouwing naar wooneenheden niet mogelijk is, mogen maximaal twee (geschakelde) woongebouwen worden gebouwd;
2, in geval van intensieve veehouderij in het op de verbeelding als ‘reconstructiewetzone - extensiveringsgebied’ aangegeven gebied wordt de in de tabel vermelde oppervlakte aan minimaal te slopen bebouwing met 20% verlaagd;
3, het samenvoegen van de sloopoppervlakte van meerdere locaties is toegestaan om tot de ingevolge de tabel vereiste oppervlakte te komen, mits op deze locaties tegelijkertijd alle aanwezige bebouwing wordt gesloopt en van deze locaties in één en dezelfde wijzigingsprocedure de (agrarische) bedrijfsfunctie wordt verwijderd.  
Alle aanwezige bedrijfsgebouwen worden gesloopt. In totaal wordt er circa 1.294 m² aan bebouwing gesloopt. De bestaande bedrijfswoning (Leembruggerweg 5) blijft behouden. De bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. De aanwezige plattelandswoning (Leembruggerweg 7) wordt ook omgezet naar een burgerwoning.
In het 'Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016' is een systeem opgezet hoeveel sloopmeters er moeten worden ingezet om functieverandering naar wonen mogelijk te maken. Hiervoor is binnen de regio FoodValley een basisregeling opgesteld. Het inleveren van het woonrecht levert 300 m² aan sloopmeters op. Om een woning te realiseren wordt per 1 m³ inhoud van de woning 1,5 m² sloopmeters gerekend. Daarnaast worden de 'sloopmeters' omgezet naar 'inzetbare sloopmeters'. Voor het omzetten van de sloopmeters naar inzetbare sloopmeters wordt een korting toegepast (voorheen was dit de afroming), afhankelijk van de grootte van de slooplocatie. Op het perceel Leembruggerweg 5 en 7 is circa 1.481 m² aan sloopmeters aanwezig. Om tot 'inzetbare sloopmeters' te komen wordt gebruik gemaakt van de volgende berekening: 0 – 1000 m² = geen korting; 1.000 – 2.000 m² = 25% korting en boven de 2.000 m² = 50% korting. Na toepassing van deze berekening op het perceel Leembruggerweg 5 en 7 blijft een oppervlakte over van 1.360 m² (inzetbare sloopmeters).
Daarnaast worden ook sloopmeters ingezet voor het behouden van bijgebouwen bij de voormalige bedrijfswoning (Leembruggerweg 5) en de voormalige plattelandswoning (Leembruggerweg 7). Omdat bij het perceel van de Leembruggerweg 5 meer dan 1,5 hectare aan gronden behoren kan er zonder verdere compensatie 150 m² aan bijgebouwen worden gerealiseerd. In totaal blijft er bij nummer 5, 172 m² aan bijgebouwen staan. it koVoor de overige 22 m² geldt een sloopcompensatie eis met een 3 staat tot 2 verhouding. Dit komt neer op 33 m² aan sloopmeters. Uiteindelijk blijven er 1.360 - 33 = 1.327 m² aan inzetbare en verplaatsbare sloopmeters over die in de sloopregistratiebank geregistreerd kunnen worden.  
De hierboven aangegeven sloopverplichting is niet van toepassing op bebouwing met karakteristieke en/of cultuurhistorische waarden, deze bebouwing wordt echter wel meegeteld bij de berekening.   De bebouwing is niet aangemerkt als karakteristiek of cultuurhistorisch waardevol. Deze voorwaarde is niet van toepassing op het plangebied.  
Voor de berekening van de benodigde sloopmeters geldt dat niet vergunde gebouwen van voor 1 januari 1993 kunnen worden meegeteld tot maximaal het bouwrecht van 1 woning.   Op het perceel zijn geen gebouwen aanwezig die niet volgens vergunning zijn gebouwd. Deze voorwaarde is niet van toepassing op het plangebied.  
Aangetoond dient te worden dat de extra woning of de wooneenheden passen in de gemeentelijke woningbouwprogrammering.   Het gemeentelijk woningbouwprogramma is niet van toepassing op deze ontwikkeling. Er vindt alleen een wijziging plaats van een bedrijfswoning en plattelandswoning naar twee burgerwoningen. Er worden geen nieuwe woningen toegevoegd.  
Met de regels wordt aangesloten bij de regels die van toepassing zijn voor de bestemming 'Wonen'.   Doordat de bestemming 'Wonen' wordt opgenomen, zijn de regels van artikel 19 uit het bestemmingsplan 'Westelijk Buitengebied' van overeenkomstige toepassing.  
De extra woning dient binnen het (voormalig) agrarisch bouwvlak te worden gesitueerd, of ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - intensief rood zwermgebied' en 'overige zone - extensief rood zwermgebied'   De woonbestemming wordt binnen het voormalige agrarische bouwvlak en binnen het gebied 'overige zone - intensief rood zwermgebied' gerealiseerd.  
De inhoud van de extra woning dan wel van een wooneenheid mag niet meer bedragen dan 660 m³.   Met het omzetten van de plattelandswoning tot burgerwoning wordt de bestaande situatie planologisch aangepast. In de bestemming 'Wonen' mag een woning een maximale inhoud hebben van 660 m³. Dit sluit aan op de bouwregels uit het vigerende bestemmingsplan 'Westelijk Buitengebied'.  
De oppervlakte aan bijgebouwen bedraagt per nieuw te bouwen woning c.q. wooneenheid maximaal 80 m².   Door de sloop van de gebouwen wordt met de transformatie aangesloten op de regeling voor bijgebouwen uit het vigerende bestemmingsplan 'Westelijk Buitengebied'. Bij recht is 80 m² aan bijgebouwen toegestaan. Daarnaast wil de initiatiefnemer van de mogelijkheid gebruik maken om 172 m² aan bijgebouwen te behouden op het perceel Leembruggerweg 5 en 35 m² aan bijgebouwen op het perceel Leembruggerweg 7. Hiervoor is in het bestemmingsplan 'Westelijk Buitengebied' een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Om gebruik te kunnen maken van deze afwijkingsbevoegdheid is een voorwaarde opgenomen waaraan moet worden voldaan. Daarnaast worden hiervoor ook sloopmeters ingezet.  
De extra woning dient goed in het landschap te worden ingepast.   Het gaat hier om de transformatie van een bedrijfswoning en plattelandswoning naar twee burgerwoningen. Er wordt geen nieuwbouw gepleegd waardoor geen landschappelijke inpassing nodig is.  
De oppervlakte van het woonperceel (bebouwing met bijbehorend erf) mag niet meer bedragen dan 1.500 m².   De oppervlakte van de woonpercelen wordt in de nieuwe situatie niet groter dan 1.500 m². Het perceel waar de bedrijfswoning (Leembruggerweg 5) is gelegen krijgt een oppervlakte van circa 1.500 m² en het perceel waar de plattelandswoning (Leembruggerweg 7) is gelegen krijgt een oppervlakte van circa 1.036 m².  
Eventuele bijbehorende gronden die geen erffunctie hebben, blijven of komen beschikbaar voor de grondgebonden functies landbouw, natuur of recreatie, overeenkomstig de functie van het betrokken gebied.   De overige gronden die niet gewijzigd worden naar 'Wonen' blijven beschikbaar voor de grondgebonden agrarische bedrijfsvoering.  

Hoofdstuk 3 Ruimtelijke- en milieuaspecten

3.1 Ruimtelijke situatie

Met dit wijzigingsplan wordt het agrarisch bouwvlak van het perceel Leembruggerweg 5 en 7 omgezet naar een woonbestemming. Hierbij gaat het om de gronden die gelegen zijn binnen het bouwvlak en binnen het gebied 'overige zone - intensief rood zwermgebied. Een groot deel van de aanwezige bebouwing wordt op termijn gesloopt. De bestaande bedrijfswoning (Leembruggerweg 5) en plattelandswoning (Leembruggerweg 7) blijven behouden en worden omgezet naar een woonbestemming.

Door wijziging naar de bestemming 'Wonen' wordt de voormalige bedrijfswoning (Leembruggerweg 5) aangemerkt als burgerwoning en geschikt voor particulier gebruik. Voor deze woning geldt de normale bestemming 'Wonen' (artikel 19) met bijbehorende regels uit het bestemmingsplan 'Westelijk Buitengebied'.

In de woonbestemming geldt een bijgebouwenregeling. Hierin staat beschreven dat er bij een woning maximaal 80 m² aan bijgebouwen is toegestaan. De initiatiefnemer wil een deel van de inzetbare sloopmeters gebruiken om enkele bijgebouwen op het perceel te behouden. Daarnaast is in het bestemmingsplan 'Westelijk Buitengebied' een mogelijkheid opgenomen om een vergroting van de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen toe te staan. Hiervoor geldt de voorwaarde dat de bij de woning behorende en op het woonperceel aansluitende agrarische gronden, die de initiatiefnemer in eigendom heeft met een minimale oppervlakte van 1,5 ha de realisatie van 150 m² aan bijgebouwen is toegestaan. De initiatiefnemer heeft circa 1,5 ha in eigendom. Door het inzetten van 33 m² aan sloopmeters en gebruik te maken van de mogelijkheid tot vergroting van de gezamenlijke oppervlakte bijgebouwen, is op het perceel 172 m2 aan bijgebouwen is toegestaan.

De plattelandswoning die is gelegen op het perceel (Leembruggerweg 7) wordt in de nieuwe situatie bestemd als burgerwoning. Voor deze woning wordt ook aangesloten op de woonbestemming (Wonen, artikel 19) met bijbehorende regels uit het bestemmingsplan 'Westelijk Buitengebied'. Op dit perceel blijft 35 m² aan bijgebouwen behouden.

De ruimtelijke gevolgen voor het toekennen van de woonbestemming worden duidelijk verbeterd. Door het saneren van de agrarische bedrijfsgebouwen is ruimtelijke winst te behalen. De agrarische gebouwen staan evenwijdig op de weg, waardoor met de sloop van deze gebouwen een doorkijk wordt gecreëerd naar de achtergelegen agrarische percelen. Het wijzigingsplan ziet toe op een functiewijziging van de bestaande bebouwing. Het aantal woningen neemt met dit plan niet toe. De omvang van het perceel is vergelijkbaar met andere woonpercelen in het 'Westelijk Buitengebied'.

De vervanging van een gestopt agrarisch bedrijf door een woonbestemming komt vaker voor in het 'Westelijk Buitengebied' en zorgt ervoor dat het erf en de gebouwen een voor de toekomst bestendig gebruik krijgen. Na de wijziging geldt voor het woonperceel de standaard bouw- en gebruiksregels voor woningen in het 'Westelijke Buitengebied'.

3.2 Landschappelijke inpassing

Voor het initiatief is een landschappelijke inpassing opgesteld (zie figuur 3) met een daarbij behorende beplantingsplan (zie bijlage 1). Met deze landschappelijke inpassing wordt ruimtelijke winst geboekt en wordt het aanzicht van het perceel verbeterd.

In het plangebied worden de bestaande bedrijfsgebouwen gesloopt en wordt de vrijgekomen grond grotendeels in gebruik genomen als weidegrond. De sloop van de aanwezige bijgebouwen draagt daardoor bij aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit op en rond het bestaande erf. De elzen langs de voorzijde van het erf, de tuininrichting en de linde bomen aan de achterzijde van het perceel blijven behouden. Hier wordt zoveel mogelijk op aangesloten om de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk in te passen. Het is wenselijk om de aanwezig coniferen en laurier zoveel mogelijk te vervangen door inheemse beplanting. Door gebruik te maken van diverse haagstructuren rondom het erf draagt dit namelijk bij aan een natuurlijke scheiding tussen het erf en de omliggende landbouwpercelen. Verspreid over het erf worden enkele beeldbepalende bomen aangeplant. Op deze wijze ontstaat er een mooie gelaagdheid op het erf worden de woningen ingepast in het omliggende landschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.0273.WPBGLeembruggerweg-VA01_0003.jpg"

Figuur 3: Landschappelijke inpassing Leembruggerweg 5 en 7.

3.3 Milieusituatie

In de omgeving van Leembruggerweg 5 en 7 zijn enkele (agrarische) bedrijven en woningen gelegen. Op grond van de VNG publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' wordt de omgeving rond het perceel Leembruggerweg 5 en 7 tot 'rustig buitengebied' gerekend.

In het kader van milieuzonering heeft het perceel te maken met een drietal (agrarische) bedrijven. Het gaat om de bedrijven aan de Nijkerkerstraat 58 t/m 58b, Leembruggerweg 10, 10a en 12 en Waterweg 9. Deze bedrijven zijn gelegen ten zuidoosten van het perceel. Ten noorden en westen van het perceel zijn voornamelijk woningen aanwezig.

Voor de bedrijven aan de Nijkerkerstraat 58 t/m 58b, Leembruggerweg 10, 10a en 12 en Waterweg 9 gelden vanuit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' de volgende richtafstanden:

Adres   Type bedrijf   SBI   Geur   Stof   Geluid   Gevaar  
Nijkerkerstraat 58 t/m 58b   Assurantiekantoor   6622   0   0   0   0  
Nijkerkerstraat 58 t/m 58b   Fokken en houden van rundvee   0141, 0142   100   30   30   10  
Leembruggerweg 10, 10a en 12   Historisch*   0141, 0142   100   30   30   10  
Waterweg 9   Fokken en houden van overige graasdieren: (paarden en ezels)   0143, 0145   50   30   30   0  

* Op Leembruggerweg 10, 10a en 12 zijn geen dieren meer aanwezig.

Nijkerkerstraat 58 t/m 58b, Leembruggerweg 10, 10a en 12, Waterweg 9 (agrarisch bedrijf)

Aan de Nijkerkerstraat 58 t/m 58b, Leembruggerweg 10, 10a en 12 en Waterweg 9 zijn agrarische bedrijven gevestigd. Het betreft een voormalige melkveehouderij en rundvee bedrijven. De richtafstanden voor geur zijn voor deze bedrijven 100 respectievelijk 50 meter. Deze afstanden tot aan het bouwvlak van het perceel Leembruggerweg 5 en 7 worden niet gehaald.

Voor Leembruggerweg 5 en 7 geldt dat er sprake is van een situatie waarop artikel 14 van de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing is. In artikel 14 van de Wet geurhinder en veehouderij is het volgende opgenomen:

Artikel 14

  • 1. Indien een aanvraag om een vergunning is ingediend voor het tijdstip waarop deze wet met betrekking tot zodanige aanvraag in werking treedt, blijft het voor dat tijdstip ten aanzien van zodanige aanvraag geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden.
  • 2. Voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 6 bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd:
    • a. op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij,
    • b. in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en
    • c. in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij,

ten minste 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen en ten minste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen.

  • 3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een geurgevoelig object dat op de in dat lid bedoelde kavel aanwezig is.

Voor het perceel Leembruggerweg 5 en 7 is artikel 14 lid 2 van toepassing. Vanwege het beëindigen van de agrarische bedrijfsvoering (het opgeven van het agrarische gebruik en de bouwmogelijkheden) en de omzetting van de plattelandswoning geldt voor zowel de voormalige bedrijfswoning als voor de voormalige plattelandswoning een beschermingsniveau die niet zwaarder hoeft te worden beschermd dan ten tijde van de actieve veehouderij aan de Leembruggerweg 5 en 7. Voor de omliggende agrarische bedrijven geldt op basis van artikel 14 lid 2 dat een afstand van minimaal 50 meter moet worden aangehouden vanuit het bouwvlak. Het bouwvlak kan worden aangehouden omdat de afstand geldt vanaf een gevel of emissiepunt van een dierenverblijf en die worden per definitie niet buiten het bouwblok gebouwd.

De afstand van het bouwvlak van het agrarisch bedrijf Nijkerkerstraat 58 t/m 58b tot aan de woningen op het perceel Leembruggerweg 5 en 7 is circa 130 meter. De invloed van Nijkerkerstraat 58 t/m 58b op de woningen is beperkt en benadeeld het goede woon- en leefklimaat bijna niet.

De afstand van het bouwvlak van het agrarisch bedrijf Waterweg 9 tot aan de woningen op het perceel Leembruggerweg 5 en 7 is circa 240 meter. De invloed van Waterweg 9 op de woningen is zeer beperkt en benadeeld het goede woon- en leefklimaat niet.

Voor Leembruggerweg 10, 10a en 12 is uitgegaan van de planologische mogelijkheden die nog op het perceel liggen. Op het perceel is volgens het vigerende bestemmingsplan 'Westelijk Buitengebied' een intensieve veehouderij mogelijk. Op dit moment worden er op het perceel geen agrarische activiteiten uitgevoerd, maar biedt het bestemmingsplan nog wel deze mogelijkheden. Er is voor dit perceel uitgegaan van een worst case scenario. Uitgaande van een actieve veehouderij blijkt dat een afstand van 50 meter voldoende is op grond van artikel 14 van de Wet geurhinder en veehouderij. De afstand tot de nieuwe woning wordt gehaald. De invloed van het agrarisch bedrijf aan de Leembruggerweg 10, 10a en 12 is relatief beperkt.

Conclusie 

Voor geur moet een afstand van 50 meter aangehouden worden tot nieuwe geurgevoelige objecten op het perceel Leembruggerweg 5 en 7 . Artikel 14 van de Wet geurhinder en veehouderij vormt hier de basis voor. Voor geur moet gemeten worden vanaf de rand van het bouwvlak tot aan de rand van het bouwvlak van de nieuwe woning. Het perceel Leembruggerweg 10, 10a en 12 is van invloed op het perceel Leembruggerweg 5 en 7. De afstand tot de woningen is circa 60 meter en vormt geen belemmering voor dit wijzigingsplan.

3.4 Overige omgevingsaspecten

Verkeerssituatie

De bestaande functie maakt agrarische bedrijvigheid mogelijk, inclusief een bedrijfswoning en plattelandswoning. In de nieuwe situatie wordt er ruimte geboden voor twee burgerwoning Feitelijk is er sprake van een vermindering van de verkeersintensiteit, nu er geen bedrijfsmatig gerelateerd vracht- en personenverkeer zal plaatsvinden van en naar het perceel.

Daarnaast verandert de ontsluiting en de parkeersituatie op het perceel niet. De woningen beschikken over een eigen inrit en er is voldoende parkeerruimte op het terrein aanwezig.

Water

Via de Digitale Watertoets is het Waterschap Vallei en Veluwe geïnformeerd over dit wijzigingsplan. Hiermee is bepaald dat het plan geen invloed heeft op de waterhuishouding en/of de afvalwaterketen. Het Waterschap heeft een positief wateradvies gegeven (geen waterschapsbelang) en verder overleg is niet nodig. De resultaten van de Digitale Watertoets zijn opgenomen in bijlage 2.

Bodem

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient er in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat als de bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig gesaneerd wordt, dat het kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen worden bij voorkeur op schone grond gerealiseerd.

Verdachte plekken met betrekking tot de kwaliteit van de bodem dienen in het kader van de Wet bodembescherming bij ruimtelijke plannen en projecten te worden gesignaleerd vanuit een goede ruimtelijke ordening.

Met dit wijzigingsplan wordt de bestemming van een bestaande bedrijfswoning en plattelandswoning omgezet naar een woonbestemming, waarbij de agrarische bebouwing wordt gesloopt. Er is geen sprake van nieuwbouw en de grond wordt niet geroerd.

Voor het plangebied is in het verleden bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek geven aan dat de activiteiten en/of de onderzoekslocatie voldoende zijn onderzocht in het kader van de Wet bodembescherming.

Een bodemonderzoek is in het kader van dit wijzigingsplan dan ook niet nodig.

Geluid

Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd.

Indien niet aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan, kan het bevoegd gezag - in de meeste gevallen de gemeente - hogere grenswaarden vaststellen. Hiervoor geldt een bepaald maximum, de uiterste grenswaarde genoemd. Bij de vaststelling van hogere grenswaarden moet worden afgewogen of bronmaatregelen of maatregelen in de overdrachtssfeer kunnen worden getroffen.

Met dit wijzigingsplan worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk gemaakt. De bestaande agrarische bedrijfswoning en plattelandswoning worden bestemd als burgerwoning. In het kader van dit wijzigingsplan is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai, spoorwegverkeerslawaai en inrichtingslawaai daarom niet noodzakelijk.

Het aspect geluid vormt hiermee geen belemmering voor de uitvoering van dit wijzigingsplan.

Luchtkwaliteit

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang.

Deze functiewijziging naar wonen valt onder het begrip 'niet in betekenende mate'. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit wijzigingsplan.

Ecologie

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Deze zijn geregeld in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:

  • Natura-2000 gebieden;
  • Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Natura-2000 gebieden

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de

instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitat en habitat van soorten (Habitatrichtlijn). De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitat.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming

De soortenbescherming vindt primair plaats via de nieuwe Wet Natuurbescherming. Op grond van deze wet mogen geen beschermde planten en dieren (en hun verblijfsplaatsen), die in de wet zijn aangewezen, worden verstoord. Voor soorten die vermeld staan op bijlage IV, zoals vleermuizen, van de Habitatrichtlijn en een aantal Rode-Lijst soorten is een zware bescherming opgenomen. De verblijfplaatsen van beschermde soorten mogen niet negatief worden beïnvloed door sloopactiviteiten.

Onderzoek

Voor de transformatie van een agrarisch bedrijf naar een woning zullen de aanwezige bedrijfsgebouwen worden gesloopt. Gezien de ligging en huidige inrichting van het gebied, is op voorhand niet uit te sluiten dat (mogelijke) verblijfplaatsen van beschermde soorten worden aangetast. Om die reden is in het kader van dit wijzigingsplan een quickscan Flora en fauna uitgevoerd (zie bijlage 3). Hiermee dient te worden aangetoond dat er geen (mogelijke) verblijfplaatsen van beschermde soorten worden aangetast.

Conclusie

Gebiedsbescherming

Op basis van de ligging en aard van de ruimtelijke ingrepen is de conclusie dat deze ingreep

geen negatieve invloed heeft op de specifieke natuurwaarden.

Het Natura 2000 gebied Arkemheen ligt op circa 1,3 kilometer van het plangebied en het Natura 2000 gebied Veluwerandmeren ligt op circa 1,5 kilometer van het plangebied. Vanwege de ligging buiten het Natura 2000 gebied kunnen effecten als areaalverlies, versnippering van de Natura 2000 op voorhand worden uitgesloten. Het plan betreft de transformatie van een agrarisch bedrijf naar twee burgerwoningen. Aangezien in de huidige situatie sprake is van een agrarisch bedrijf, is te verwachten dat met het opheffen daarvan een afname van de druk op het omliggende gebied optreedt.

In de directe omgeving van het plangebied, zijn gebieden gelegen die vallen binnen het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelzone (GO). Het plangebied zelf valt buiten het deze gebieden. Als gevolg van de transformatie zal het bebouwde oppervlak in het plangebied afnemen. Met de transformatie van het agrarisch bedrijf zal geen sprake zijn van een negatief effect op de samenhang van omliggende natuurgebieden. De nieuwe situatie zal in vergelijking met het huidige gebruik naar verwachting minder effect hebben op de omgeving.

Soortenbescherming

In het kader van de Wet natuurbescherming is nagegaan of er met de voorgenomen plannen vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde dier- en plantensoorten worden aangetast. De voorgenomen plannen kunnen leiden tot biotoopverlies of verstoring. Plannen die er toe leiden dat het plangebied minder geschikt is als foerageergebied voor dieren, zijn niet ontheffingsplichtig, tenzij er in de onmiddellijke omgeving van het plangebied geen alternatieve geschikte foerageergebieden aanwezig zijn.

Algemeen voorkomende soorten

Binnen het plangebied komt een aantal algemeen voorkomende soorten voor. Deze soorten vallen allemaal onder 3.10 van de Wet natuurbescherming. Voor deze soorten heeft de provincie Gelderland een vrijstelling afgegeven voor het verstoren en/of aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Dit betekent dat voor de werkzaamheden geen ontheffing voor deze soorten nodig is.

Strikt beschermde soorten

Voor soorten die vallen onder art. 3.10 (of 3.5) van de Wet natuurbeschering en waarvoor geen vrijstelling is afgegeven, geldt dat bij aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen een ontheffing moet worden aangevraagd. In het plangebied is een nest van de boerenzwaluw aangetroffen. De voorgenomen sloop van de opstallen leidt echter niet tot negatieve effecten op de boerenzwaluw. Een nader onderzoek naar de boerenzwaluw en/of het indienen van een ontheffingsaanvraag is niet noodzakelijk.

Wel kunnen bij de start van de werkzaamheden in het broedseizoen broedende vogels worden verstoord en/of nesten worden aangetast. Dit is een overtreding van de Wet natuurbescherming. Hiervoor kan geen ontheffing worden aangevraagd. De sloop van de houten schuur moet daarom plaatsvinden buiten het broedseizoen, dat grofweg loopt van 15 maart tot 15 juli, of reeds voorafgaand aan het broedseizoen worden opgestart. Door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren worden negatieve effecten op broedvogels voorkomen. Er is dan geen sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming.

Archeologie

Voor het betreffende perceel geldt op basis van de Archeologische Waardenkaart van Putten archeologische dubbelbestemmingen. Op een klein deel van het perceel geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. De rest van het perceel is voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. In deze dubbelbestemmingen zijn vrijstellingsbepalingen opgenomen. Aan de hand van deze bepalingen geldt een vrijstelling van archeologisch onderzoek bij ingrepen die een oppervlakte bedragen tot maximaal 500 m2 (Waarde - Archeologie 3) en 5.000 m2 (Waarde - Archeologie 4). Daarbij mogen de werkzaamheden niet dieper reiken dan 40 cm onder het maaiveld.

Er vinden echter geen bouwactiviteiten of werkzaamheden plaats die eventueel aanwezige archeologische waarden kunnen schaden. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Archeologie vormt geen belemmering voor het plan.

Cultuurhistorie

Sinds 1 januari 2012 is er de zorgplicht voor cultuurhistorie formeel vastgelegd. Alle cultuurhistorische waarden dienen in ruimtelijke plannen meegewogen te worden. Deze maatregel is een gevolg van het project Modernisering van de Monumentenzorg (MoMo). Cultuurhistorische waarden kunnen bijdragen aan het landschap van de toekomst. Ze kunnen een bron van inspiratie zijn bij de inrichting van de ruimte en tegelijk iets van het verleden zichtbaar houden. Zo verhoogt cultuurhistorie de kwaliteit van de leefomgeving.

Het plangebied ligt in een gebied dat een cultuurhistorische waarde kent: 'Overstroomde kampontginningen'.

Een deel van de kampontginningen is in de loop van de Middeleeuwen met enige regelmaat overstroomd geweest. De laagten tussen de zandruggen raakten daarbij overdekt met een laag klei. Een deel van het gebied bleef tot de aanleg van de Afsluitdijk vatbaar voor overstromingen. Het landschap van de overstroomde kampontginningen bevindt zich vaak in een gradiënt. Dicht bij de ‘gewone’ vochtige kampontginningen was het landschap vrij besloten, met veel bosjes, houtsingels en houtwallen. Meer richting Zuiderzee werden de tussenliggende laagten met grasland opener en grootschaliger. In deze gebieden met overwegend grasland kwam kwamen wel bomen op de perceelsranden voor, waarschijnlijk in de vorm van elzensingels. Ook nu is die gradiënt nog te herkennen. Vooral in gebieden met een landgoedkarakter zijn er nog veel bosjes en singels. Zeer bijzonder voor een kampontginningenlandschap is dat een aantal boerderijen op pollen ofwel terpen staat.

Cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het plan.

Externe veiligheid

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) 

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg)

Voor de beoordeling van de risico’s vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.

Beleidsvisie externe veiligheid

In juli 2014 is de Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is de toepassing van verschillende restrictieniveaus voor het al dan niet toestaan van risicovolle bedrijven op bedrijventerreinen. Elk bedrijventerrein is gekoppeld aan een restrictieniveau. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen worden dus niet per definitie uitgesloten, maar dit is wel als restrictieniveau opgenomen. Het oprichten van nieuwe risicovolle bedrijven buiten bedrijventerreinen wordt tevens niet per definitie uitgesloten, al moet wel rekening worden gehouden met een optimale ruimtelijke ordening en veiligheid.

Risicobronnen

In of in de nabijheid van het plangebied zijn twee relevante risicobronnen aanwezig. Het gaat hier om een hogedruk aardgasleiding en de provinciale weg (N978).

Ten westen van het plangebied is een hogedruk aardgasleiding gelegen. Ten zuiden van het plangebied is de provinciale weg (N978) aanwezig. De locaties zijn aangegeven op onderstaande figuren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0273.WPBGLeembruggerweg-VA01_0004.jpg"

Figuur 4: Uitsnede risicokaart (bron: www.risicokaart.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.0273.WPBGLeembruggerweg-VA01_0005.jpg"

Figuur 5: Uitsnede overzichtskaart route gevaarlijke stoffen (gemeente Putten)

Toetsing

Hogedruk aardgasleiding

Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van de hogedruk aardgasleiding N-570-20, op een afstand van ongeveer 200 meter. Gezien de functiewijziging en de afstand tot de hogedruk aardgasleiding is nadere verantwoording van het groepsrisico niet nodig.

Provinciale weg N798

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied groepsrisico van de provinciale weg (N798), op een afstand van ongeveer 120 meter. De N798 heeft geen PR-contour die belemmerend is. Hiermee vormt de N798 geen directe belemmering voor de functiewijziging. De woningen liggen binnen het invloedsgebied van de N798. Op basis van de rapportage van Tebodin, dd. 20-12-2012, wordt een groepsrisico berekend dat kleiner als 0,1 maal de oriëntatiewaarde is. Een groepsrisicoberekening is niet noodzakelijk aangezien het een functiewijziging betreft en er geen toename van het aantal personen is.

Conclusie

De situatie op het perceel Leembruggerweg 5 en 7 verandert niet in de nieuwe situatie. Er vindt alleen een functiewijziging plaats van een bedrijfswoning en plattelandswoning naar twee burgerwoningen. Er worden geen nieuwe objecten voor minder zelfredzame personen gerealiseerd. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit wijzigingsplan.

Kabels en leidingen

Voor planologisch relevante kabels en leidingen geldt in het algemeen een belemmeringenzone waarmee in de ontwikkeling van een plangebied rekening moet worden gehouden.

In het plangebied, of in de directe nabijheid van het plangebied liggen de volgende planologisch relevante kabels en/of leidingen:

  • een bovengrondse hoogspanningslijn 50 kV (Nijkerk - Harderwijk) Deze bovengrondse hoogspanningsleiding is in beheer bij de Liandon. Rondom de leiding geldt een aan te houden belemmerings- en bebouwingsvrije zone van 40 meter, gemeten vanuit het hart van de leiding.

De aanwezigheid van de bovengrondse hoogspanningslijn vormt, geen belemmering voor het wijzigingsplan.

Hoofdstuk 4 Planologische juridische regeling

Dit wijzigingsplan voorziet in een juridisch planologische regeling waarbij de bestemming 'Agrarisch' (bouwvlak) van het perceel Leembruggerweg 5 en 7 wordt gewijzigd in een bestemming 'Wonen'. Daarbij blijven de dubbelbestemmingen Leiding - Hoogspanningsverbinding', 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4' van toepassing. De overige gronden behouden de bestemming 'Agrarisch'.

Het wijzigingsplan bestaat uit een toelichting, verbeelding en een toepassingsregel waarin wordt aangegeven dat met het wijzigingsplan alleen de verbeelding van het moederplan is aangepast. De regels uit het bestemmingsplan 'Westelijk Buitengebied' zijn dus van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.

5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het wijzigingsplan doorloopt de procedure zoals vastgelegd in artikel 3.6 lid 1 sub a van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Door het voeren van de genoemde procedure, wordt een ieder in de gelegenheid gesteld voor het indienen van zienswijzen.

Er wordt geen vooroverleg gevoerd over dit plan, omdat er geen rijks-, provinciale- of waterschapsbelangen in het geding zijn.

Het ontwerpwijzigingsplan heeft van 1 februari 2018 tot en met 15 maart 2018 voor een ieder ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen binnengekomen.

Het wijzigingsplan is ongewijzigd vastgesteld op 24 april 2018.

5.2 Economische uitvoerbaarheid

Het gaat hier niet om een wijzigingsplan dat een 'bouwplan' mogelijk maakt. De grondexploitatieregeling uit de Wet ruimtelijke ordening is dan ook niet van toepassing.

De noodzakelijke kosten van de gemeente bestaan uit de gebruikelijke kosten voor de planbegeleiding en het voeren van de procedure. Deze kosten worden gedekt uit de legesopbrengsten. Daarnaast wordt er met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst afgesloten.