direct naar inhoud van Regels
Plan: Buitengebied Elburg 2012, actualisatie 2018
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0230.BPBUITENGEB2018-VST1

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 plan

het bestemmingsplan 'Buitengebied Elburg 2012, actualisatie 2018' met identificatienummer NL.IMRO.0230.BPBUITENGEB2018-VST1 van de gemeente Elburg;

1.2 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

1.3 bestemmingsplan Buitengebied Elburg 2012

het bestemmingsplan 'Buitengebied Elburg 2012', zoals vastgesteld op 24 juni 2013 door de gemeenteraad van Elburg met identificatienummer NL.IMRO.0230.BPBUITENGEB2012-VST1;

1.4 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.5 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.6 aangebouwde bedrijfsruimte

een bedrijfsruimte, waaronder de deel, die is aangebouwd aan de voormalig agrarische bedrijfsbehuizing en die samen één bouwmassa vormen.

1.7 aan huis verbonden bedrijf

een bedrijf dat in een (gedeelte van) of bij een woning wordt uitgeoefend en dat is gericht op het leveren van diensten en/of het vervaardigen van ambachtelijke producten, geheel of overwegend door middel van handwerk, door de gebruik(st)er van de woning, waarbij de aard (qua milieuplanologische hinder) en omvang van de bedrijfsactiviteiten zodanig is, dat deze activiteiten geen onevenredige afbreuk doen aan het woon- en leefmilieu in de directe omgeving;

1.8 aan huis verbonden beroep

een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, administratief, medisch, therapeutisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend door de hoofdbewoner van de woning, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

1.9 achtererfgebied

erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen;

1.10 afwijken van de bouwregels en/of van de gebruiksregels

een afwijking als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c van de Wet ruimtelijke ordening;

1.11 agrarisch bedrijf

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren;

1.12 agrarisch hulpbedrijf

een bedrijf dat is gericht op het leveren van dieren, diensten en goederen aan een agrarisch bedrijf of gericht is op het verwerken of opslaan van goederen, dieren en diensten die afkomstig zijn van agrarische bedrijven;

1.13 andere geluidsgevoelige gebouwen

gebouwen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;

1.14 archeologische verwachting

de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten;

1.15 archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten;

1.16 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.17 bebouwingspercentage

een in dit plan aangegeven percentage, dat de grootte van een vlak aangeeft, dat maximaal mag worden bebouwd;

1.18 bedrijfsgebouw

een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

1.19 bedrijfsmatige exploitatie

het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer c.q. exploitatie, dat in de regels aangegeven recreatieverblijven daadwerkelijk recreatief verblijf plaatsvindt;

1.20 bedrijfsvloeroppervlak

de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een (dienstverlenend) bedrijf of instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke;

1.21 bedrijfswoning

een complex van ruimten in of bij een gebouw of op een terrein, bedoeld voor de huisvesting van één huishouden, dan wel twee huishoudens in geval dat inwoning is toegestaan, welk huishouden(s) gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;

1.22 bed en breakfast

een bedrijfsmatige voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt als toeristisch-recreatieve activiteit, welke bedrijfsmatige voorziening ondergeschikt is aan de hoofdbestemming;

1.23 beperkt kwetsbaar object
  • a. :
    • 1. verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen of woonwagens per hectare;
    • 2. dienst- en bedrijfswoningen van derden;
  • b. kantoorgebouwen, voor zover zij niet onder het begrip kwetsbaar object, onder c, vallen;
  • c. hotels en restaurants, voor zover zij niet onder het begrip kwetsbaar object, onder c, vallen;
  • d. winkels, voor zover zij niet onder het begrip kwetsbaar object, onder c, vallen;
  • e. sporthallen, sportterreinen, zwembaden en speeltuinen;
  • f. kampeerterreinen en andere terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover zij niet onder het begrip kwetsbaar object, onder d, vallen;
  • g. bedrijfsgebouwen, voor zover zij niet onder het begrip kwetsbaar object, onder c, vallen;
  • h. objecten die met de onder a tot en met e en g genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten geen kwetsbare objecten zijn, en
  • i. objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval;
1.24 beperkte agrarische bedrijfsvoering

bedrijfsvoering gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren met een omvang tussen de 5 en 40 Nge;

1.25 bestaand
  • a. bij bouwwerken: een legaal bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het plan:
    • 1. bestaat, of;
    • 2. wordt gebouwd, of;
    • 3. nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van terinzagelegging van het plan is ingediend;

    a.       bij bouwwerken: een legaal bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van terinzagelegging is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald;  
  • b. bij gebruik: het legale gebruik dat op het moment van inwerkingtreding van het plan bestaat en in overeenstemming is met het voorheen geldend planologisch regime, tenzij in de regels anders is bepaald ;
1.26 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

1.27 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.24 bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

1.28 bijgebouw

een (vrijstaand of aangebouwd) gebouw dat zowel ruimtelijk als functioneel ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, behorende bij een op hetzelfde bouw- of bestemmingsvlak gelegen woning, zoals garages, hobbyruimten en bergingen;

1.29 bloembollenteeltbedrijf

de teelt van bloembollengewassen geheel op de open grond;

1.30 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.31 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

1.32 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;

1.33 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.34 bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel;

1.35 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

1.36 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.37 bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf

een op de grond staand bouwwerk dat bestemd is voor recreatief nachtverblijf, niet zijnde een recreatiewoning.

1.38 bouwwijze

de wijze waarop een woning is gebouwd ten opzichte van andere woningen, zoals vrijstaand, aaneengebouwd en twee-aaneengebouwd;

1.39 bruto oppervlakte van gronden ten dienste van een zonnepark:

een zonnepark in zijn totaliteit inclusief bebouwing, hekwerk en loop- en onderhoudspaden, etc;

1.40 buitenopslag

het in de open lucht (tijdelijk) opslaan of opgeslagen houden van goederen, materialen, werktuigen, machines of gebruiksklare of onklare voer- of vaartuigen of onderdelen hiervan, waarvoor –met uitzondering van voer- en vaartuigen– een maximale hoogte van 4 m is toegestaan;

1.41 cultuurhistorische waarden

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt;

1.42 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, met uitzondering van e-commerce;

1.43 deel

aan de (voormalige) agrarische bedrijfswoning aangebouwd of daar onlosmakelijk deel van uitmakend gedeelte dat in de oorspronkelijke situatie werd gebruikt ten behoeve van het agrarische bedrijf;

1.44 dienstverlening

het bedrijfsmatig verrichten van activiteiten welke bestaan uit het verlenen van diensten aan derden, met of zonder rechtstreeks contact met het publiek, met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting;

1.45 ecologische waarden

de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door de onderlinge betrekkingen tussen dieren en planten en de omgeving waarin zij leven;

1.46 e-commerce

een vorm van bedrijfsvoering waarbij het bedrijf uitsluitend goederen aan particulieren verhandelt door middel van contact met die particulieren, dat uitsluitend verloopt via e-mail, fax, internet, post of telefoon, waardoor geen handelswaren op het bedrijf worden aangeprezen en geen klanten op het bedrijf worden ontvangen en waarbij het bedrijfspand geen uitstraling heeft van een winkelpand, geen toonbank heeft en de goederen niet uitstalt ten verkoop en daarmee een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de bedrijvenfunctie, zijnde een magazijn en/of opslag van goederen;

1.47 extensieve dagrecreatie

recreatief medegebruik van gronden zoals wandelen, paardrijden, fietsen, varen, zwemmen en vissen, waarbij de recreatie geen specifiek beslag legt op de ruimte;

1.48 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.49 gebruiken

gebruiken, het doen gebruiken, laten gebruiken en in gebruik geven;

1.50 Gelders Natuurnetwerk

samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang;

1.51 geluidsgevoelige gebouwen

gebouwen welke dienen ter bewoning of ten behoeve van een andere geluidsgevoelige functie als bedoeld in de Wet geluidhinder, het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen, het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen en/of het Besluit geluidhinder spoorwegen;

1.52 geluidszoneringsplichtige inrichting

een inrichting, bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een zone moet worden vastgesteld;

1.53 glastuinbouwbedrijf

niet-grondgebonden agrarisch bedrijf dat geheel of gedeeltelijk is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waarbij de productie in kassen plaatsvindt;

1.54 Groene Ontwikkelingszone

de Groene Ontwikkelingszone is ruimtelijk verweven met het GNN en hangt daar functioneel mee samen. In de Groene Ontwikkelingszone wordt ingezet op versterking van de samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden;

1.55 groepsaccommodatie

(deel van) een gebouw dat blijvend is bestemd voor recreatief nachtverblijf door groepen, waarbij wordt overnacht in slaapzalen en/of slaapkamers en waarin een dagverblijf beschikbaar is waarin de gasten mede huishoudelijke werkzaamheden kunnen verrichten;

1.56 grondgebonden agrarisch bedrijf

een agrarisch bedrijf waarvan de bedrijfsvoering volledig of nagenoeg volledig is gericht op het gebruik maken van grond als productiemiddel;

1.57 hobbymatig agrarisch grondgebruik

het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van dieren op niet bedrijfsmatige wijze. Onder hobbymatig agrarisch gebruik wordt niet verstaan een volkstuin;

1.58 hogere grenswaarde

een maximale waarde voor de geluidsbelasting, die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde en die in een concreet geval kan worden vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen, het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen en/of het Besluit geluidhinder spoorwegen;

1.59 hoofdgebouw

een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt;

1.60 horeca

een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of bedrijfsmatig logies wordt verstrekt;

1.61 intensieve veehouderij

een agrarisch bedrijf of dat deel van een agrarisch bedrijf waar tenminste 250 m2 aan bedrijfsvloeroppervlak aanwezig is dat gebruikt wordt als veehouderij volgens de Wet milieubeheer, waar geen melkrundvee, schapen, paarden of dieren biologisch worden gehouden (conform artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet) en waar geen dieren gehouden worden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer;

1.62 invloedsgebied

het gebied rondom een agrarisch bedrijf waarvoor geldt dat de wijziging van ammoniakemissie significante gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied;

1.63 inwoning

twee huishoudens die één woning bewonen met gemeenschappelijk gebruik van een of meerdere voorzieningen of (verblijfs)ruimten van die woning en waarbij de woning één hoofdtoegang behoudt, van waaruit de (verblijfs)ruimten bereikbaar moeten zijn en de voorzieningen c.q. (verblijfs)ruimten onderling vrij toegankelijk zijn, met dien verstande dat het inwoongedeelte uit maximaal twee verblijfsruimten mag bestaan, geen trapopgang naar bovengelegen woonruimten mag hebben en niet mag zijn afgescheiden middels woningscheidende muren;

1.64 kampeermiddel
  • a. een caravan (niet zijnde een stacaravan), vouwwagen, camper, (safari-)tent of tenthuisje;
  • b. enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, dat voor recreatief nachtverblijf gebruikt wordt;

tenten, tentwagens, kampeerauto's of toer- en stacaravans dan wel andere onderkomens of andere voertuigen of gedeelten daarvan, voor zover niet als bouwwerk aan te merken, die geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of ingericht dan wel worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

1.65 kampeerplaats

een gedeelte van een kampeerterrein dat bestemd is voor het plaatsen van kampeermiddelen en bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf;

1.66 kantoor

een gebouw, dat dient voor de uitoefening van administratieve werkzaamheden en werkzaamheden die verband houden met het doen functioneren van (semi)overheidsinstellingen, het bankwezen en naar de aard daarmee gelijk te stellen instellingen/ het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen;

1.67 kas

een gebouw waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of ander licht doorlatend materiaal ten behoeve van het kweken van vruchten, bloemen en/of planten;

1.68 kernkwaliteiten

de belangrijkste kwaliteiten van een gebied gelegen binnen het Gelders Natuurnetwerk dan wel de Groene Ontwikkelingszone of het Nationaal Landschap op het gebied van natuur en landschap, bestaande uit bestaande natuurwaarden, nog te ontwikkelen potentiële natuurwaarden en de omgevingscondities;

1.69 kijktuin

dagrecreatie in de vorm van een tuin die tegen betaling ten toon wordt gesteld met daaraan ondergeschikte horeca;

1.70 kleinschalig kampeerterrein

het houden van een kampeerterrein voor ten hoogste 15 kampeermiddelen 25 kampeermiddelen, dan wel het ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal kampeermiddelen' aangegeven aantal, met dien verstande dat buiten de periode van 15 maart tot en met 31 oktober geen kampeermiddelen aanwezig mogen zijn;

1.71 kwekerij

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen nagenoeg zonder gebruik te maken van open grond en/of daglicht;

1.72 kwetsbaar object
  • a. woningen, niet zijnde woningen als bedoeld bij de definitie voor beperkt kwetsbaar object;
  • b. gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals:
    • 1. ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen;
    • 2. scholen;
    • 3. gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen;
  • c. gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, zoals:
    • 1. kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 per object;
    • 2. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1.000 m2 bedraagt en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van meer dan 2.000 m2 per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd;
  • d. kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen;
1.73 landschappelijke waarden

de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare – al dan niet begroeide – deel van het aardoppervlak, dat wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van niet-levende en levende natuur;

1.74 landschappelijke inpassing

de inpassing van een nieuwe ontwikkeling gebruik makend van beplantingselementen, zodanig dat de kenmerken van het omringende landschap worden gerespecteerd en versterkt, waarbij zo mogelijk het Landschapsontwikkelingsplan Elburg 2011 als uitgangspunt wordt genomen;

1.75 landschapsplan

een plan waaruit de landschappelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling blijkt, zodanig dat de kenmerken van het omringende landschap worden gerespecteerd en versterkt, waarbij zo mogelijk het Landschapsontwikkelingsplan Elburg 2011 als uitgangspunt wordt genomen;

1.76 lpg-doorzet

de doorzet van lpg in m3 per jaar;

1.77 maatschappelijke voorzieningen

culturele, educatieve, medische, sociale en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen;

1.78 manege

een bedrijf met een publieksgericht karakter, dat is gericht op het bieden van gelegenheid tot het stallen van paarden/pony's en/of het berijden van paarden/pony's, waaronder begrepen lesgeven, verhuur en het houden van wedstrijden en/of andere hippische evenementen;

1.79 multifunctionele bosbouw

het geheel van bedrijfsmatig handelen en activiteiten gericht op de duurzame instandhouding en ontwikkeling van bestaande en nieuwe bossen ten behoeve van natuur, houtproductie, landschap of milieu;

1.80 natuurwaarden

de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge ecologische samenhang;

1.81 Nge

Nederlandse grootte-eenheden; zijnde een maat waarmee de economische productieomvang van agrarische activiteiten wordt weergegeven;

1.82 niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering

de agrarische bedrijfsvoering die niet geheel of hoofdzakelijk van de open grond als agrarisch productiemiddel afhankelijk is, maar waarvan de productie geheel of overwegend in gebouwen plaatsvindt, zoals varkens-, kalver- of pluimveefokkerij, eendenmesterij of -fokkerij en champignonkwekerij en wormenkwekerij;

1.83 normaal agrarisch gebruik

het regulier gebruik, dat gelet op de bestemming regelmatig noodzakelijk is voor een goede agrarische bedrijfsvoering en het agrarisch gebruik van de gronden;

1.84 normaal onderhoud, gebruik en beheer

werkzaamheden die ter plaatse regelmatig terugkeren, teneinde tot een goed beheer van de gronden te komen; hieronder vallen niet de incidentele ingrepen in bijvoorbeeld de cultuurtechnische situatie of werkzaamheden die een onherstelbare aantasting betekenen van de aan een gebied toegekende waarde;

1.85 omgevingsvergunning

een vergunning als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

1.86 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

een vergunning als bedoeld in artikel 3.3 onder a van de Wet ruimtelijke ordening;

1.87 onderbouw

het gedeelte van een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 m boven het peil is gelegen;

1.88 ondergeschikte detailhandel

niet-zelfstandige detailhandel, uitsluitend zijnde detailhandel die wordt of is gerealiseerd binnen een andere hoofdfunctie en daar naar oppervlakte en ruimtelijke uitstraling ondergeschikt aan is;

1.89 ondergeschikte horeca

niet-zelfstandige horeca, uitsluitend zijnde horeca die wordt of is gerealiseerd binnen een andere hoofdfunctie en daar naar oppervlakte en ruimtelijke uitstraling ondergeschikt aan is;

1.90 ondergronds

onder peil;

1.91 overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met een dak;

1.92 paardenbak

een omheind terrein waarvan de natuurlijke bovenlaag is vervangen door zand of ander doorlatend materiaal ten behoeve van het africhten, trainen en berijden van paarden en pony's en het anderszins beoefenen van de paardensport;

een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein met een andere ondergrond dan gras, kennelijk ingericht voor het africhten, en/of trainen en berijden van paarden en pony's en/of het anderszins beoefenen van de paardensport, met of zonder de daarbij behorende voorzieningen;

1.93 paardenhouderij

een agrarisch bedrijf dat zich richt op het produceren van paarden die geschikt zijn voor een bepaalde taak zoals hengstenstations, opfokbedrijven, paarden- en ponyfokbedrijven, handelsstallen en africhtings- en trainingsstallen, africhtingsbedrijven e.d.;

1.94 peil
  • a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte bovenkant van de afgewerkte begane vloer bij voltooiing van de bouw;
  • b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte bovenkant van de afgewerkte begane vloer bij voltooiing van de bouw;
  • c. indien in of op het water wordt gebouwd: de hoogte van het terrein ter plaatse van het meest nabij gelegen punt waar het water grenst aan het vaste land;
1.95 permanente bewoning

het bewonen van een ruimte als hoofdwoonverblijf;

1.96 plattelandswoning

een bedrijfswoning behorende tot of voorheen behorende tot een landbouwinrichting, die door een derde bewoond mag worden als bedoeld in artikel 1.1a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo);

1.97 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

1.98 recreatiewoning

een gebouw dat dient voor recreatief (nacht)verblijf voor recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben;

1.99 recreatief rustpunt

voorzieningen of activiteiten ten behoeve van extensieve dagrecreatie, zoals picknickplaatsen, theetuin   theeschenkerij, kinderspeelweide, fietsoplaadpunt, het schenken van non-alcoholische dranken alsmede ijsverkoop;

1.100 seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotische/pornografische aard plaatsvinden, waaronder in ieder geval worden verstaan een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.101 sierteeltbedrijf

een agrarisch bedrijf ten behoeve van de teelt van siergewassen al dan niet met behulp van kassen;

1.102 Staat van Bedrijfsactiviteiten

een als bijlage bij deze regels behorende en daarvan onderdeel uitmakende lijst van bedrijven en instellingen;

1.103 stal

een agrarisch bedrijfsgebouw voor de huisvesting van landbouwhuisdieren;

1.104 staloppervlak

het bruto oppervlak van het dierenverblijf ten behoeve van intensieve veehouderij inclusief gangpaden, voerportalen en hygiëneruimten;

1.105 teeltondersteunende voorzieningen

constructies bedoeld ter tijdelijke ondersteuning van open grondteelt. Onder TOV worden in ieder geval verstaan tunnel- en boogkassen, containerteelt, schaduwhallen, hagelnetten, stellingen en regenkappen;

1.106 theeschenkerij

een aan de bestemming ondergeschikte activiteit, geen café/ restaurant of daaraan gelijk te stellen horecabedrijf, waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt. De activiteiten zijn gericht op het overdag verstrekken van alcoholvrije dranken en eenvoudige etenswaren. Ten behoeve van deze activiteit mag 25 m2 terras worden ingericht en mag in bestaande gebouwen een gebruiksvloeroppervlak van maximaal 30 m2 worden ingericht. Indien op hetzelfde bouwperceel een bed en breakfast voorziening wordt uitgeoefend, dan bedraagt de gebruiksvloeroppervlakte ten behoeve van de theeschenkerij en ten behoeve van de gemeenschappelijke ruimte voor de bed en breakfast voorziening gezamenlijk niet meer dan 30 m2;

1.107 uitvoeren

uitvoeren, het doen uitvoeren, laten uitvoeren en in uitvoering geven;

1.108 volwaardig agrarisch bedrijf

een agrarisch bedrijf waar sprake is van een duurzame werkgelegenheid voor tenminste één volwaardige arbeidskracht, die zijn hoofdberoep en een volledige dagtaak heeft in het bedrijf;

1.109 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt;

1.110 voormalige boerderij

een voormalig agrarische bedrijfsbehuizing, bestaande uit een traditionele, streekeigen woning met inpandige bedrijfsruimte;

1.111 woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, dan wel twee huishoudens in geval dat inwoning is toegestaan;

1.112 zonnepark

een grondstuk bedoeld om in te richten dan wel ingericht met zonnepanelen staande op maaiveld;

1.113 zorgboerderij

het bieden van de mogelijkheid tot zorg aan personen, door middel van een werkgemeenschap van sociaaltherapeutische aard en in de vorm van dagopvang, met overnachtingsgelegenheid voor de begeleiding.

Artikel 2 Wijze van meten

2.1

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

de afstand tot de perceelsgrens

tussen de zijdelingse grens van het perceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is;

de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.2

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.

2.3

Bij de berekening van de inhoud van een bouwwerk worden ondergrondse bouwwerken niet meegerekend, tenzij het bouwwerk een recreatiewoning betreft.

2.4

Daar waar twee of meer bestemmingsvlakken dan wel bouwvlakken door middel van de aanduiding 'relatie' met elkaar zijn verbonden, gelden die bestemmingsvlakken dan wel bouwvlakken bij de toepassing van deze regels als één bestemmingsvlak respectievelijk één bouwvlak, met dien verstande dat de relatie bij de bestemming Wonen - VAB geldt tussen bouwvlak en aanduidingsgebied 'bijgebouwen'.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

3.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf, met dien verstande dat:
    • 1. maximaal 1 bouwlaag van gebouwen mag worden gebruikt voor het houden van dieren zo nodig gebruik makend van volièresystemen, met dien verstande dat:
      a.   ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - meerdere bouwlagen' meerdere bouwlagen voor het houden van dieren mogen worden gebruikt;  
    • 2. bloembollenteelt-, bloembollen-, fruit- en sierteeltbedrijven en glastuinbouwbedrijven niet zijn toegestaan;
    • 3. intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' uitsluitend is toegestaan op de adressen zoals opgenomen in bijlage 1 binnen de aangegeven staloppervlakte;
    • 4. intensieve veehouderij op overige gronden is toegestaan tot maximaal 1 ha dan wel de bestaande grotere oppervlakte;
    • 5. overige zelfstandige niet-grondgebonden agrarische bedrijven niet zijn toegestaan;
  • b. wonen in maximaal één bedrijfswoning per bedrijf, dan wel het bestaande aantal grotere bestaande aantal, bedrijfswoningen, waarbij inwoning is toegestaan in één van de aanwezige bedrijfswoningen, met dien verstande dat geen bedrijfswoningen zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten';
  • c. verkoop van streekeigen producten met maximaal verkoopoppervlakte van 50 m2;
  • d. hobbymatig agrarisch grondgebruik;

    e.     een ijsboerderij (productie en verkoop van ijs) ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - ijsboerderij' en een groepsaccommodatie ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - groepsaccommodatie', met een maximale gezamenlijke oppervlakte zoals aangeven in bijlage 2;  
  • e. de bestaande paardenbakken;
  • f. paardenbakken bij een paardenhouderij;
  • g. de bestaande kleinschalige kampeerterreinen met bijbehorende (sanitaire) voorzieningen;
  • h. aan huis verbonden beroepen, met dien verstande dat het vloeroppervlak dat (mede) wordt gebruikt voor de uitoefening van het beroep niet meer mag bedragen dan 40% van het vloeroppervlak van de woning en niet meer dan 50% van het gezamenlijk vloeroppervlak van de woning en bijbehorende gebouwen, met een maximum van 150 m2;
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - stal 1' en 'specifieke bouwaanduiding - stal 2' tevens voor het gebruik als stal ten dienste van hobbymatig agrarisch gebruik;
  • j. teeltondersteunende voorzieningen;
  • k. extensieve dagrecreatie;
  • l. wegen en paden, inclusief ontsluiting van woonpercelen;
  • m. water en voorzieningen voor de waterhuishouding;

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ontsluitingsvoorzieningen, parkeervoorzieningen binnen het bouwvlak, groenvoorzieningen, tuinen en erven en bestaande nutsvoorzieningen.

3.2 bouwregels
3.2.1

Gebouwen ten dienste van hobbymatig agrarisch grondgebruik mogen niet worden gebouwd, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan in artikel 3.1.

3.2.2

Bedrijfsgebouwen, teeltondersteunende voorzieningen en bedrijfswoningen voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. gebouwd binnen het bouwvlak, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - bedrijfsgebouwen' geen gebouwen zijn toegestaan;
  • b. gezamenlijke oppervlakte van teeltondersteunende voorzieningen en kassen maximaal 300 m2;
  • c. goothoogte van:
    • 1. bedrijfsgebouwen maximaal 6 m;
    • 2. bedrijfswoningen maximaal 6 m;
  • d. bouwhoogte van:
    • 1. bedrijfsgebouwen maximaal 12 m;
    • 2. bedrijfswoningen maximaal 10 m;
    • 3. teeltondersteunende voorzieningen maximaal 4 m;
    • 4. kassen maximaal 6 m;
  • e. inhoud van een bedrijfswoning maximaal 750 m3;
  • f. afstand tot de perceelsgrens minimaal 5 m, dan wel de bestaande kleinere afstand.
  • g. in afwijking van het bepaalde onder a, bedraagt de oppervlakte van stallen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - stal 1' maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak (m2)' aangegeven oppervlakte. Voor de goot- en bouwhoogte geldt de bestaande maatvoering;
  • h. in afwijking van het bepaalde onder a, bedraagt de oppervlakte van stallen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - stal 2' maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak (m2) aangegeven oppervlakte. Voor de goot- en bouwhoogte geldt een maximum van respectievelijk 3 m en 5 m;
  • i. in afwijking van het bepaalde onder a, bedraagt de oppervlakte van het gebouw ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afzonderlijk bijgebouw' maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak (m2) aangegeven oppervlakte. De goothoogte bedraagt maximaal 3 m en de bouwhoogte bedraagt maximaal 6 m.

3.2.3

Bijgebouwen bij de bedrijfswoning voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. gezamenlijke oppervlakte per bedrijfswoning maximaal 100 m2;
  • b. gebouwd op een afstand van minimaal 1 m achter het verlengde van de voorgevel van de bedrijfswoning;
  • c. goothoogte is maximaal 3 m;
  • d. bouwhoogte is maximaal 6 m.

3.2.4

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. sleufsilo's, kuilvoerplaten, voedersilo's, mestopslagplaatsen en paardenbakken ten behoeve van een paardenhouderij mogen niet buiten het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. bouwhoogte van voedersilo's maximaal 15 m;
  • c. bouwhoogte mestopslagplaatsen maximaal 7,5 m;
  • d. erfafscheidingen:
    • 1. voor (het verlengde van) de voorgevel maximaal 1 m;
    • 2. voor (het verlengde van) een naar de openbare weg gekeerde zijgevel maximaal 1 m;
    • 3. achter (het verlengde van) de voorgevel maximaal 2 m;
  • e. bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het bouwvlak maximaal 6 m;
  • f. de oppervlakte van een paardenbak buiten het bouwvlak bedraagt maximaal 800 m2;
  • g. bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten het bouwvlak maximaal 1,5 m;
  • h. de oppervlakte van een paardenbak ten behoeve van een paardenhouderij binnen het bouwvlak bedraagt maximaal 1200 m2.
3.3 afwijken van de bouwregels
3.3.1 overschrijding bouwgrenzen

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.2.2 onder a voor het overschrijden van de bouwgrenzen aan maximaal twee zijden, mits:

  • a. de bouwgrens per zijde met maximaal 25 m wordt overschreden;
  • b. de overschrijding noodzakelijk is in verband met een doelmatige uitoefening van het bedrijf;
  • c. de oppervlakte van het fictieve bouwvlak dat ontstaat niet groter wordt dan 1,75 ha, met dien verstande dat de totale oppervlakte aan al of niet fictieve bouwvlakken in de bestemming 'Agrarisch' en de bestemming 'Agrarisch met waarden' maximaal 78,5 ha mag bedragen;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • e. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
  • f. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning.

3.3.2 bouwen buiten bouwvlak

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.2.2 onder a ten behoeve van het oprichten van agrarische hulpgebouwen buiten het bouwvlak, mits:

  • a. deze noodzakelijk zijn in het kader van een doelmatige uitoefening van het agrarisch bedrijf;
  • b. de oppervlakte van het bouwvlak minimaal 1 ha bedraagt;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte van de agrarische hulpgebouwen niet meer bedraagt dan 100 m2 per bedrijf;
  • d. de afstand tot de openbare weg minimaal 20 m bedraagt;
  • e. de bouwhoogte maximaal 4,5 m bedraagt;
  • f. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning.

3.3.3 teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.2.2 onder a voor het bouwen van teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak uitsluitend gedurende de periode 1 april tot en met 31 augustus, mits:

  • a. wordt aangetoond dat de teeltondersteunende voorzieningen noodzakelijk zijn voor de agrarische bedrijfsvoering;
  • b. de voorzieningen aansluitend aan het bouwvlak worden gebouwd;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte per bedrijf maximaal 5.000 m2 bedraagt;
  • d. de bouwhoogte maximaal 1,50 m bedraagt;
  • e. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • f. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad.

3.3.4 oppervlakte teeltondersteunende voorzieningen binnen het bouwvlak

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.2.2 onder b voor vergroting van de oppervlakte van teeltondersteunende voorzieningen en kassen tot maximaal 1.000 m2, mits:

  • a. wordt aangetoond dat de vergroting noodzakelijk is voor een doelmatige uitvoering van de agrarische bedrijfsvoering;
  • b. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning.

3.3.5 afstand tot perceelgrens

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.2.2 onder f voor het bouwen van gebouwen tot in de perceelgrens, mits:

  • a. de afstand tot een aangrenzend perceel of de openbare weg met de bestemming 'Verkeer' of de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' tenminste 3 meter bedraagt;
  • b. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • c. voor zover het geluidgevoelige functies betreft, wordt gebouwd met inachtneming van het bepaalde in artikel 39.3.

3.3.6 sleufsilo's, kuilvoerplaten en mestopslagplaatsen buiten het bouwvlak

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.2.4 onder a en g voor het toestaan van sleufsilo's, kuilvoerplaten en mestopslagplaatsen buiten het bouwvlak en het toestaan van sleufsilo's tot een hoogte van maximaal 2,5 meter mits:

  • a. wordt aangetoond dat de vergroting noodzakelijk is voor een doelmatige uitvoering van de agrarische bedrijfsvoering.

3.3.7 verhoging bouwhoogte voedersilo

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.2.4 onder b voor het verhogen van de bouwhoogte van voedersilo's tot maximaal 25 m, mits deze verhoging noodzakelijk is in het kader van een doelmatige uitoefening van het agrarisch bedrijf.

3.3.8 bouwen tot voor de voorgevel van de bedrijfswoning

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.2 voor de bouw van een erker en/of een luifel bij de bedrijfswoning waarvan:

  • 1. de diepte gemeten loodrecht op de voorgevel niet meer bedraagt dan 1,25 meter, waarbij de afstand tot het openbaar toegankelijk gebied minimaal 2,50 meter bedraagt;
  • 2. de breedte niet meer bedraagt dan 2/3 deel van de breedte van de gevel;
  • 3. de hoogte niet meer bedraagt 0,30 meter boven de vloer van de eerste bouwlaag van de woning.

3.4 specifieke gebruiksregels

Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt mede verstaan:

  • a. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - erfinrichting 1' is alleen toegestaan indien de landschappelijke inpassing, zoals weergegeven in “Bijlage 8 Erfinrichtingsplannen - Overig” aangegeven adres, is aangelegd en in stand wordt gehouden. Deze landschappelijke inpassing dient te bestaan uit de boomaanplant van beuken met een stamomtrek van 12-14 cm, gemeten op een hoogte van 1.30 m boven peil en een onderlinge afstand van 15 meter op gronden met de bestemming “Groen-Landschappelijke beplanting”.
  • b. In afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken worden gebruikt voor de genoemde doeleinden onder de voorwaarde dat binnen 3 jaar na de ingebruikname van de bouwwerken, uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing als bedoeld onder a.
3.5 afwijken van de gebruiksregels
3.5.1 bloembollen- en sierteeltbedrijven

3.4.1 bloembollenteelt- en sierteeltbedrijven

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.1 onder a voor de vestiging van bloembollenteelt-  bloembollen- en sierteeltbedrijven, mits:

  • a. wordt aangetoond dat de milieuhygiënische omstandigheden niet nadelig wordt beïnvloed;
  • b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige waarden;
  • c. geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden en de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven ontstaat;
  • d. een afstand van 50 meter wordt aangehouden tot bestemmingsvlakken van voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functies, natuurgebieden en watergangen of een kleinere afstand indien wordt aangetoond dat het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat van voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functies niet significant wordt aangetast.

3.5.2 vergroting staloppervlak in verband met dierenwelzijn of betere bedrijfsvoering

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.1 onder a sub 2 voor het vergroten van het staloppervlak ten behoeve van het houden van dieren, met dien verstande dat deze bevoegdheid uitsluitend mag worden toegepast in verband met dierenwelzijn of een betere bedrijfsvoering waarbij het aantal dierplaatsen niet wordt vergroot.

3.5.3 paardenbakken

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.1 onder e voor het toestaan van paardenbakken, mits:

  • a. gebouwd  gerealiseerd binnen dan wel, indien binnen het bouwvlak geen reële mogelijkheid bestaat, direct aansluitend aan het bouwvlak, dan wel direct aansluitend aan de bestemming 'Wonen', 'Wonen - Agrarisch', Wonen - Kleine woning of de bestemming 'Wonen - VAB' 'Wonen' of de bestemming 'Wonen - Agrarisch' ;
  • b. de oppervlakte maximaal 800 m2 bedraagt;
  • c. het zicht op het vrije veld niet onevenredig wordt aangetast;
  • d. aangetoond wordt dat de paardenbak in overeenstemming is met het Landschapsontwikkelingsplan Elburg, zoals dat geldt op het tijdstip van indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning.

3.5.4 nevenactiviteiten milieuvriendelijk niet-agrarisch bedrijf

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.1 onder a voor het toestaan van bij het agrarische bedrijf behorende en daaraan ondergeschikte activiteiten, mits:

  • a. het de vestiging van een milieuvriendelijk niet-agrarisch bedrijf betreft -waarbij kan worden gedacht aan zuivelverwerking, imkerij, ijsmakerij, riet- en vlechtwerk/rietdekker, meubelmaker alsmede opslag van boten of caravans en daarmee vergelijkbare bedrijfsactiviteiten;
  • b. maximaal 25% van de bestaande bebouwing wordt aangewend voor de nevenactiviteit, met een absoluut maximum:
    • 1. van 500 m2 voor bedrijfsactiviteiten bestaande uit het verrichten van gemechaniseerd loonwerk ten behoeve van agrarische productie;
    • 2. van 500 m2 voor een milieuvriendelijk niet-agrarisch bedrijf;
    • 3. 1.000 m2 voor de inpandige opslag van caravans met uitzondering van gronden met de bestemming Waarde - GNN  Waarde - EHS waar een absoluut maximum geldt van 750 m2;
  • c. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  • d. er geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  • e. de nieuwe nevenactiviteit niet tot verkeerskundige aanpassingen in de vorm van de aanleg van nieuwe wegen noodzaakt;
  • f. er geen buitenopslag ten behoeve van de nevenactiviteit plaatsvindt;
  • g. er geen sprake is van detailhandel anders dan verkoop van streekeigen producten met maximale oppervlakte van 50 m2;
  • h. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • i. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • j. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning.

3.5.5 nevenactiviteiten kleinschalige woon-werkcombinaties

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.1 onder a voor het toestaan van bij het agrarische bedrijf behorende en daaraan ondergeschikte activiteiten, mits:

  • a. het kleinschalige woon-werkcombinaties betreft:
    • 1. voor natuur- en landschapsbeheer en -educatie, waarbij gedacht kan worden aan een bezoekerscentrum;
    • 2. voor recreatie, waarbij gedacht kan worden aan een theetuin of boerengolf;
    • 3. voor zorg, waarbij gedacht kan worden aan dagverblijf, beautycentrum of dierenkliniek;
    • 4. voor inpandige opslag van caravans;
  • b. maximaal 25% van de bestaande bebouwing wordt aangewend voor de nevenactiviteit, met een absoluut maximum:
    • 1. van 500 m2 voor bedrijfsactiviteiten bestaande uit het verrichten van gemechaniseerd loonwerk ten behoeve van agrarische productie;
    • 2. van 350 m2 voor kleinschalige woon-werkcombinaties;
    • 3. 1.000 m2 voor de inpandige opslag van caravans met uitzondering van gronden met de bestemming Waarde - GNN  Waarde-EHS waar een absoluut maximum geldt van 750 m2;
  • c. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  • d. er geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  • e. de nieuwe nevenactiviteit niet tot verkeerskundige aanpassingen in de vorm van de aanleg van nieuwe wegen noodzaakt;
  • f. er geen buitenopslag ten behoeve van de nevenactiviteit plaatsvindt;
  • g. er geen sprake is van detailhandel anders dan verkoop van streekeigen producten met maximale oppervlakte van 50 m2;
  • h. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • i. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • j. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning.

3.5.6 bed en breakfast

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.1, voor het toestaan van bed en breakfast voorzieningen in een woning  bedrijfswoning, een bijgebouw bij de bedrijfswoning en in bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat:

  • a. het gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening niet meer bedraagt dan 40% van het gebruiksvloeroppervlak van de woning, het bijgebouw en de bedrijfsgebouwen met een gezamenlijk oppervlak van maximaal 100 m2;
  • b. onder de  het gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening wordt gerekend een bad-, douche- en toiletruimte(n) die niet gedeeld worden met de (hoofd)bewoner(s) van de woning en maximaal 4 slaapkamers en een gemeenschappelijke ruimte, waarvan de oppervlakte niet meer dan 30 m2 bedraagt, en welke gemeenschappelijke ruimte niet meetelt als gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening. Indien op hetzelfde bouwperceel een theeschenkerij wordt uitgeoefend, dan bedraagt de gebruiksvloeroppervlakte ten behoeve van de gemeenschappelijke ruimte voor de bed en breakfast voorziening en ten behoeve van de theeschenkerij gezamenlijk niet meer dan 30 m2;
  • c. de bed en breakfast voorziening uitsluitend wordt geëxploiteerd door de (hoofd)bewoners van de woning;
  • d. een separate kookvoorziening niet is toegestaan;
  • e. in aanvulling op artikel 39.4.1, geldt dat op eigen terrein per slaapkamer minimaal één parkeerplaats beschikbaar is;
  • f. door de bed en breakfast voorziening geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden en de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven ontstaat.

3.5.7 verruimde nevenactiviteiten

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.1 onder a en in aanvulling op het bepaalde in de artikelen 3.5.4 en 3.5.5 voor het toestaan van 200 m2 aan nieuwbouw ten behoeve van de bij het agrarische bedrijf behorende en daaraan ondergeschikte activiteiten en/of verruiming van de toegestane maximale maat met maximaal 20% als genoemd in 3.5.4 onder b en 3.5.5 onder b, mits er sprake is van een aantoonbare verbetering van de ruimtelijke kwaliteit op en rondom de locatie.

3.5.8 tweede bedrijfswoning

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.1 onder b ten behoeve van het realiseren van een tweede bedrijfswoning door nieuwbouw, mits:

  • a. wordt aangetoond dat de tweede bedrijfswoning noodzakelijk is voor het continue toezicht op het agrarisch bedrijf en voor de agrarische bedrijfsvoering met twee volwaardige arbeidskrachten;
  • b. wordt aangetoond dat het gaat om een agrarisch bedrijf met een redelijk zicht op een duurzame voortzetting;
  • c. de tweede bedrijfswoning wordt gerealiseerd binnen het bouwvlak;
  • d. de afstand van de tweede bedrijfswoning tot de eerste bedrijfswoning gerekend tussen de afzonderlijke (zij)gevels maximaal 40 m bedraagt of de afstand tot de bestaande bedrijfsbebouwing maximaal 20 m bedraagt;
  • e. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning;
  • f. voor het overige wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 3.2.2 en 3.2.3.

3.5.9 tweede bedrijfswoning in de voormalige deel

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.1 onder b ten behoeve van het realiseren van een tweede bedrijfswoning waarbij een karakteristiek (voormalig) agrarisch bedrijfsgebouw, dat is aangebouwd aan de bestaande bedrijfswoning mag worden gebruikt als tweede bedrijfswoning, mits:

  • a. wordt aangetoond dat de tweede bedrijfswoning noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering met 1,5 volwaardige arbeidskrachten;
  • b. op het bedrijf sprake is van een zodanige toezicht vereisende situatie dat het wonen van twee arbeidskrachten ter plaatse van het bedrijf wenselijk is;
  • c. wordt aangetoond dat het gaat om een agrarisch bedrijf met een redelijk zicht op een duurzame voortzetting;
  • d. voor het overige wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 3.2.2 en 3.2.3..

3.5.10 kleinschalig kampeerterrein

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.1 onder g voor het toestaan van een kleinschalig kampeerterrein, mits:

  • a. deze binnen het bouwvlak dan wel maximaal 50 m buiten het bouwvlak wordt gerealiseerd;
  • b. de omgevingsvergunning er niet toe mag leiden dat het gezamenlijk aantal kampeerplaatsen op kleinschalige kampeerterreinen binnen de gemeente Elburg meer bedraagt dan 250;
  • c. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning;
  • d. geen stacaravans  geen bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf worden geplaatst;
  • e. de (sanitaire) voorzieningen binnen de op het moment van het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande bebouwing worden opgericht met een maximale oppervlakte van 50 m2;
  • f. indien het onder e gestelde niet mogelijk is, maximaal één gebouw met een oppervlak van maximaal 50 m2 ten behoeve van de (sanitaire) voorzieningen wordt opgericht, binnen het bouwvlak;
  • g. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid binnen het terrein ten behoeve van het kleinschalig kamperen;
  • h. er geen aanpassing of verharding van de infrastructuur buiten het bouwvlak noodzakelijk is;
  • i. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • j. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
  • k. de negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt;
  • l. de overblijvende negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig worden gecompenseerd.

3.5.11 sanitaire voorzieningen

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de artikelen 3.1 en 3.2.2 onder a voor het toestaan van sanitaire voorzieningen ten behoeve van een kleinschalig kampeerterrein binnen de bestemming 'Wonen - Agrarisch' buiten het bouwvlak, mits:

  • a. niet kan worden voldaan aan artikel 26.4.2 onder d;
  • b. de (sanitaire) voorzieningen direct aansluitend aan de bestemming 'Wonen - Agrarisch' worden gerealiseerd;
  • c. maximaal één gebouw met een oppervlak van maximaal 50 m2 ten behoeve van de (sanitaire) voorzieningen wordt opgericht;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • e. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
  • f. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning.
3.6 wijzigingsbevoegdheid
3.6.1 wijziging vorm en/of vergroting bouwvlak

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor wat betreft het wijzigen van het bouwvlak en/of vergroten van de oppervlakte van het bouwvlak, mits:

  • a. de wijziging en/of vergroting noodzakelijk is in het kader van een doelmatige uitoefening van het agrarisch bedrijf;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'openheid'  'specifieke vorm agrarisch met waarden - openheid'  de openheid niet onevenredig wordt aangetast;
  • c. het bouwvlak hierdoor geen groter aaneengesloten oppervlak krijgt dan 1,75 ha, met dien verstande dat:
    • 1. de oppervlakte ten behoeve van intensieve veehouderij niet meer mag bedragen dan in de regels van deze bestemming is opgenomen;
    • 2. de totale oppervlakte aan al of niet fictieve bouwvlakken in de bestemming 'Agrarisch' en de bestemming 'Agrarisch met waarden' maximaal 78,5 ha mag bedragen;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • e. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
  • f. er een compact bouwvlak blijft bestaan;
  • g. uit een landschapsplan de ruimtelijke inpassing van het bouwvlak in de omgeving blijkt, waarbij in ieder geval aandacht dient te worden besteed aan de beeldkwaliteit van de totale erfinrichting en de landschappelijke inpassing in de vorm van aanleg van streekeigen erfbeplanting plaatsvindt, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na vaststelling van het wijzigingsplan;
  • h. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

3.6.2 wijziging ten behoeve van woningsplitsing

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor het splitsen van een woning woningen in twee woningen waarbij een karakteristiek (voormalig) agrarisch bedrijfsgebouw, dat is aangebouwd aan de bestaande bedrijfswoning in gebruik mag worden genomen voor de woonfunctie, mits:

  • a. het te splitsen gebouw een inhoud heeft van minimaal 1.200 m3   900 m3 ;
  • b. na splitsing geen verdere vergroting van de gesplitste woningen plaatsvindt;
  • c. de bijgebouwen zodanig worden gesplitst dat iedere woning maximaal 100 m2 krijgt en het meerdere wordt gesloopt, tenzij het monumentale of karakteristieke bebouwing betreft;
  • d. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • e. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • f. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

3.6.3 omschakeling van agrarisch bedrijf naar wonen

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor het na bedrijfsbeëindiging omzetten van een agrarisch bouwvlak in de bestemmingen 'Wonen' en 'Agrarisch', zonder bouwvlak, waarbij een (voormalig) agrarisch bedrijfsgebouw, dat is aangebouwd aan de bestaande bedrijfswoning in gebruik mag worden genomen voor de woonfunctie, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. het aantal woningen beperkt dient te blijven tot het bestaande aantal woningen;
  • b. per woning bijgebouwen zijn toegestaan tot een gezamenlijk oppervlakte van:
    • 1. maximaal 100 m2 per woning binnen een bestemmingsvlak 'Wonen' met een oppervlakte tot 1.000 m2;
    • 2. maximaal 150 m2 per woning binnen een 'bestemmingsvlak 'Wonen' met een oppervlakte tussen 1.000 m2 en 5.000 m2;
    • 3. maximaal 200 m2 per woning binnen een bestemmingsvlak 'Wonen' waarvan de eigenaar de eigendom heeft van aaneengesloten gronden met een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 , waarvan minimaal 1.000 m2 de bestemming 'Wonen' heeft;

    b.     per woning zijn bijgebouwen toegestaan tot een gezamenlijk oppervlakte van 100 m2, met dien verstande dat bijgebouwen zijn toegestaan tot een gezamenlijk oppervlakte van 200 m2 mits:  
        1.   de grotere oppervlakte noodzakelijk is in verband met het hobbymatig telen van gewassen en/of het houden van dieren;  
        2.   de aanvrager de beschikking heeft over gronden met een oppervlakte van minimaal 5.000 m2 aansluitend aan de bestemming Wonen;  
  • c. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • d. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • e. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na vaststelling van het wijzigingsplan;
  • f. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

3.6.4 omschakeling van agrarisch bedrijf naar milieuvriendelijk niet-agrarisch bedrijf

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor het na bedrijfsbeëindiging omzetten van een agrarisch bouwvlak in bestemmingen Bedrijf en Agrarisch, zonder bouwvlak, mits:

  • a. het gronden betreft die niet tevens zijn bestemd als Waarde - Waardevol Landschap;
  • b. het de vestiging van een milieuvriendelijk niet-agrarische bedrijf betreft -waarbij kan worden gedacht aan zuivelverwerking, imkerij, ijsmakerij, riet- en vlechtwerk/rietdekker, meubelmaker alsmede opslag van boten of caravans en daarmee vergelijkbare bedrijfsactiviteiten;
  • c. er geen sprake is van detailhandel anders dan verkoop van streekeigen producten met maximale oppervlakte van 50 m2;
  • d. de maximale gebruiksoppervlakte ten behoeve van de activiteiten binnen de bestaande met een omgevingsvergunning voor het bouwen gebouwde bedrijfsgebouwen, die minimaal gedurende drie jaar in agrarisch gebruik zijn geweest, niet meer bedraagt dan 500 m2 voor kleinschalige woon-werkcombinaties voor natuur- en landschapsbeheer en -educatie en 1.000 m2 voor kleinschalige woon-werkcombinaties voor recreatie en zorg en het meerdere aan bedrijfsgebouwen, welke niet als monumentaal kan  of karakteristiek kunnen worden aangemerkt, wordt gesloopt;
  • e. in aanvulling op het bepaalde onder c  onder d mag tevens 250 m2 aan nieuwbouw worden gebouwd ten behoeve van de toegestane niet-agrarische bedrijvigheid en/of mag de toegestane maximale maat als genoemd onder c met maximaal 20% worden verruimd, mits er sprake is van een aantoonbare verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in en rondom de locatie;
  • f. buitenopslag uitsluitend wordt toegestaan:
    • 1. tot een oppervlakte van maximaal 250 m2;
    • 2. als buitenopslag plaatsvindt op een aaneengesloten gedeelte van het bouwperceel, aansluitend aan de bestaande bedrijfsbebouwing;
  • g. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na vaststelling van het wijzigingsplan;
  • h. er geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  • i. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  • j. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • k. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • l. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

3.6.5 omschakeling van agrarisch bedrijf naar lichte bedrijvigheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor het na bedrijfsbeëindiging omzetten van een agrarisch bouwvlak in bestemmingen Bedrijf (met bouwvlak) en Agrarisch (zonder bouwvlak), mits:

  • a. bedrijven worden toegestaan die zijn is opgenomen in de categorieën 1 of 2 van de in bijlage 3 opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten dan wel het een bedrijf betreft dat voor wat betreft de aard en de omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt gelijk kan worden gesteld met een bedrijf genoemd in de categorieën 1 of 2. Hierbij geldt dat een bedrijf in categorie 2 uitsluitend is toegestaan als op het moment van indiening van het verzoek om vaststelling van het wijzigingsplan sprake is van een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu voor uitoefening van een agrarisch bedrijf;
  • b. alle gebouwen en daarvan onderdeel uitmakende funderingen worden gesloopt. De gebouwen mogen blijven behouden, mits de toegestane oppervlakte zoals aangegeven onder d en e, ten behoeve van de aldaar genoemde functies, niet wordt overschreden;
  • c. alle bestaande gierkelders en kuilvoerplaten moeten worden gesloopt;
  • d. de in het wijzigingsplan toegestane maximale gezamenlijke oppervlakte aan gebouwen ten behoeve van het bedrijf als bedoeld onder a, maximaal 50% van de oppervlakte van alle bestaande gebouwen binnen het bouwvlak bedraagt, zulks met een maximum van 500 m2;
  • e. aanvullend op het bepaalde onder d, in het wijzigingsplan maximaal een oppervlakte van 100 m2 ten dienste van bijgebouwen ten behoeve van de bedrijfswoning is toegestaan;
  • f. sloop op terrein buiten het bouwperceel waarop de wijziging betrekking heeft is mogelijk ter voldoening aan sub d, met dien verstande dat minimaal 75% van de te slopen bebouwing wordt gesloopt ter plaatsen van het bouwperceel waarop de wijziging betrekking heeft;
  • g. ten behoeve van hobbymatig agrarisch grondgebruik geen extra oppervlakte aan bijgebouwen of bedrijfsgebouwen wordt toegestaan;
  • h. de goot- en bouwhoogte van gebouwen maximaal respectievelijk 4 m en 8 m bedraagt;
  • i. het bouwvlak met minimaal 50% wordt verkleind, met dien verstande dat in ieder geval een bouwvlak van 4.000 m2 is toegestaan;
  • j. buitenopslag uitsluitend wordt toegestaan:
    • 1. tot een oppervlakte van maximaal 50% van het achtererfgebied;
    • 2. als buitenopslag plaatsvindt op een aaneengesloten gedeelte van het bouwperceel, aansluitend aan de bestaande bedrijfsbebouwing;
  • k. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing van gebouwen en buitenopslag, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na vaststelling van het wijzigingsplan;
  • l. er geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  • m. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  • n. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • o. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • p. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

3.6.6 omschakeling van agrarisch bedrijf naar een kleinschalige woon-werkcombinatie

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor het na bedrijfsbeëindiging omzetten van een agrarisch bouwvlak in bestemmingen 'Bedrijf' en 'Agrarisch', zonder bouwvlak, mits:

  • a. het gronden betreft die tevens zijn bestemd als 'Waarde - Waardevol landschap';
  • b. het kleinschalige woon-werkcombinaties betreft:
    • 1. voor natuur- en landschapsbeheer en -educatie – waarbij gedacht kan worden aan een bezoekerscentrum –;
    • 2. voor recreatie – waarbij gedacht kan worden aan een theetuin, kampeerboerderij of boerengolf –;
    • 3. voor zorg – waarbij gedacht kan worden aan dagverblijf, beautycentrum of dierenkliniek –;
  • c. er geen sprake is van detailhandel anders dan verkoop van streekeigen producten met maximale oppervlakte van 50 m2;
  • d. de maximale gebruiksoppervlakte ten behoeve van de activiteiten binnen de bestaande met een omgevingsvergunning voor het bouwen gebouwde bedrijfsgebouwen, die minimaal gedurende drie jaar in agrarisch gebruik zijn geweest, niet meer bedraagt dan 500 m2 voor kleinschalige woon-werkcombinaties voor natuur- en landschapsbeheer en -educatie en 1.000 m2 voor kleinschalige woon-werkcombinaties voor recreatie en zorg en het meerdere aan bedrijfsgebouwen, welke niet als monumentaal of karakteristiek kunnen  kan worden aangemerkt, wordt gesloopt;
  • e. in aanvulling op het bepaalde onder c  onder d mag tevens 250 m2 aan nieuwbouw worden gebouwd ten behoeve van de toegestane niet-agrarische bedrijvigheid en/of mag de toegestane maximale maat als genoemd onder c met maximaal 20% worden verruimd, mits er sprake is van een aantoonbare verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in en rondom de locatie;
  • f. buitenopslag uitsluitend wordt toegestaan:
    • 1. tot een oppervlakte van maximaal de helft van de toegestane oppervlakte op grond van sub d, zulks met een maximum van 250 m2;
    • 2. als buitenopslag plaatsvindt op een aaneengesloten gedeelte van het bouwperceel, aansluitend aan de bestaande bedrijfsbebouwing;
  • g. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na vaststelling van het wijzigingsplan;
  • h. er geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  • i. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  • j. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • k. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • l. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

3.6.7 omschakeling van agrarisch bedrijf naar manege

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor het na bedrijfsbeëindiging omzetten van een agrarisch bouwvlak in de bestemming 'Sport' met de aanduiding 'manege', ten behoeve van een manege, mits:

  • a. binnen de bestaande met omgevingsvergunning voor het bouwen gebouwde, bedrijfsgebouwen, waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 1.500 m2;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a, is tevens vervangende nieuwbouw toegestaan waarvan de oppervlakte niet meer dan 50% van de oppervlakte van te slopen, met omgevingsvergunning voor het bouwen gebouwde bedrijfsgebouwen, die minimaal gedurende drie jaar in agrarisch gebruik zijn geweest, tot een maximum van 1.500 m2;
  • c. het meerdere aan bedrijfsgebouwen, welke niet als monumentaal of karakteristiek kunnen  kan worden aangemerkt, wordt gesloopt;

d.   geen buitenopslag plaatsvindt;  
  • d. buitenopslag uitsluitend wordt toegestaan:
    • 1. tot een oppervlakte van maximaal 250 m2;
    • 2. als buitenopslag plaatsvindt op een aaneengesloten gedeelte van het bouwperceel, aansluitend aan de bestaande bedrijfsbebouwing;
  • e. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na vaststelling van het wijzigingsplan;
  • f. de te realiseren buitenbak de maximale oppervlakte van 1.800 m2 niet overschrijdt en aansluitend aan de bebouwing wordt gerealiseerd;
  • g. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  • h. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • i. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • j. het aantal maneges binnen het plangebied niet meer dan 4 bedraagt;
  • k. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

Artikel 4 Agrarisch met waarden

4.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf, met dien verstande dat:
    • 1. maximaal 1 bouwlaag van gebouwen mag worden gebruikt voor het houden van dieren zo nodig gebruik makend van volièresystemen;
    • 2. bloembollen-, fruit- en sierteeltbedrijven niet zijn toegestaan;
    • 3. intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' uitsluitend is toegestaan op de adressen zoals opgenomen in bijlage 1 binnen de aangegeven staloppervlakte;
    • 4. intensieve veehouderij op overige gronden is toegestaan tot maximaal 1 ha dan wel de bestaande grotere oppervlakte;
    • 5. glastuinbouwbedrijven niet zijn toegestaan, met uitzondering van glastuinbouwbedrijven ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw';
    • 6. overige zelfstandige niet-grondgebonden agrarische bedrijven niet zijn toegestaan;
  • b. wonen in maximaal één bedrijfswoning per bedrijf, dan wel het bestaande aantal bedrijfswoningen  dan wel het grotere bestaande aantal , waarbij inwoning is toegestaan in één van de aanwezige bedrijfswoningen, met dien verstande dat geen bedrijfswoningen zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten';
  • c. verkoop van streekeigen producten met maximaal verkoopoppervlakte van 50 m2;
  • d. hobbymatig agrarisch grondgebruik;
  • e. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van landschappelijke, natuur- en cultuurhistorische waarden in het algemeen en specifiek ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - kavelpatronen' mede de aanwezige kavelpatronen en ter plaatse van de aanduiding 'openheid'  'specifieke vorm agrarisch met waarden - openheid' mede de aanwezige openheid;
  • f. een ijsboerderij (productie en verkoop van ijs) ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - ijsboerderij' en een groepsaccommodatie ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - groepsaccommodatie', met een maximale gezamenlijke oppervlakte zoals aangeven in bijlage 2;
  • g. een loonbedrijf met bijbehorende buitenopslag als nevenactiviteit ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - agrarisch hulpbedrijf', met een maximale oppervlakte zoals aangeven in bijlage 2;
  • h. de bestaande paardenbakken;
  • i. paardenbakken bij een paardenhouderij;
  • j. de bestaande kleinschalige kampeerterreinen met bijbehorende (sanitaire) voorzieningen;
  • k. aan huis verbonden beroepen, met dien verstande dat het vloeroppervlak dat (mede) wordt gebruikt voor de uitoefening van het beroep niet meer mag bedragen dan 40% van het vloeroppervlak van de woning en niet meer dan 50% van het gezamenlijk vloeroppervlak van de woning en bijbehorende gebouwen, met een maximum van 150 m2;
  • l. een natuurijsbaan gedurende de winterperiode van elk kalenderjaar ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - natuurijsbaan';
  • m. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - opslag en agrarisch' uitsluitend voor de opslag van agrarische materialen;
  • n. teeltondersteunende voorzieningen;
  • o. extensieve dagrecreatie;
  • p. wegen en paden, inclusief ontsluiting van woonpercelen;
  • q. water en voorzieningen voor de waterhuishouding;
  • r. met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ontsluitingsvoorzieningen, parkeervoorzieningen binnen het bouwvlak, groenvoorzieningen, tuinen en erven en de bestaande nutsvoorzieningen.
4.2 bouwregels
4.2.1

Gebouwen ten dienste van hobbymatig agrarisch grondgebruik mogen niet worden gebouwd.

4.2.2

Bedrijfsgebouwen, teeltondersteunende voorzieningen en bedrijfswoningen voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. gebouwd binnen het bouwvlak, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - bedrijfsgebouwen' geen gebouwen zijn toegestaan;
  • b. gezamenlijke oppervlakte van teeltondersteunende voorzieningen en kassen maximaal 300 m2;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder b, bedraagt de oppervlakte van kassen ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' maximaal de bestaande oppervlakte;
  • d. goothoogte van:
    • 1. bedrijfsgebouwen maximaal 6 m;
    • 2. bedrijfswoningen maximaal 6 m;
  • e. bouwhoogte van:
    • 1. bedrijfsgebouwen maximaal 12 m;
    • 2. bedrijfswoningen maximaal 10 m;
    • 3. teeltondersteunende voorzieningen maximaal 4 m;
    • 4. kassen ten behoeve van glastuinbouw maximaal 6 m;
  • f. inhoud van een bedrijfswoning maximaal 750 m3;
  • g. afstand tot de perceelsgrens minimaal 5 m, dan wel de bestaande kleinere afstand;
  • h. in afwijking van het bepaalde onder a, bedraagt de oppervlakte van stallen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - stal 1' maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak (m2)' aangegeven oppervlakte. Voor de goot- en bouwhoogte geldt de bestaande maatvoering.

4.2.3

Bijgebouwen bij de bedrijfswoning voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. gezamenlijke oppervlakte per bedrijfswoning maximaal 100 m2;
  • b. gebouwd op een afstand van minimaal 1 m achter het verlengde van de voorgevel van de bedrijfswoning;
  • c. goothoogte is maximaal 3 m;
  • d. bouwhoogte is maximaal 6 m.

4.2.4

Gebouwen ten behoeve van de natuurijsbaan voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. gezamenlijke oppervlakte maximaal 75 m2;
  • b. bouwhoogte maximaal 3 m.

4.2.5

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. sleufsilo's, kuilvoerplaten, voedersilo's, mestopslagplaatsen en paardenbakken ten dienste van een paardenhouderij mogen niet buiten het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. bouwhoogte van voedersilo's maximaal 15 m;
  • c. bouwhoogte mestopslagplaatsen maximaal 7,5 m;
  • d. erfafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel maximaal 2 m en voor (het verlengde van) de voorgevel maximaal 1 m;
  • e. bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het bouwvlak maximaal 6 m;
  • f. de oppervlakte van een paardenbak bedraagt maximaal 800 m2;
  • g. bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten het bouwvlak maximaal 1,5 m.
4.3 afwijken van de bouwregels
4.3.1 overschrijding bouwgrenzen

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4.2.2 onder a voor het overschrijden van de bouwgrenzen aan maximaal twee zijden, mits:

  • a. de bouwgrens per zijde met maximaal 25 m wordt overschreden;
  • b. de overschrijding noodzakelijk is in verband met een doelmatige uitoefening van het bedrijf;
  • c. de oppervlakte van het fictieve bouwvlak dat ontstaat niet groter wordt dan 1,75 ha, met dien verstande dat de totale oppervlakte aan al of niet fictieve bouwvlakken in de bestemming 'Agrarisch' en de bestemming 'Agrarisch met waarden' maximaal 78,5 ha mag bedragen;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • e. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
  • f. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning.

4.3.2 bouwen buiten bouwvlak

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken het bepaalde in artikel 4.2.2 onder a ten behoeve van het oprichten van agrarische hulpgebouwen buiten het bouwvlak, mits:

  • a. deze noodzakelijk zijn in het kader van een doelmatige uitoefening van het agrarisch bedrijf;
  • b. de oppervlakte van het bouwvlak minimaal 1 ha bedraagt;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte van de agrarische hulpgebouwen niet meer bedraagt dan 100 m2 per bedrijf;
  • d. de afstand tot de openbare weg minimaal 20 m bedraagt;
  • e. de bouwhoogte maximaal 4,5 m bedraagt;
  • f. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning;
  • g. de in het gebied voorkomende landschappelijke, natuur- en cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast.

4.3.3 oppervlakte teeltondersteunende voorzieningen binnen het bouwvlak

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken het bepaalde in artikel 4.2.2 onder b voor vergroting van de oppervlakte van teeltondersteunende voorzieningen en kassen tot maximaal 1.000 m2, mits:

  • a. wordt aangetoond dat de vergroting noodzakelijk is voor een doelmatige uitvoering van de agrarische bedrijfsvoering;
  • b. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning.

4.3.4 oppervlakte kassen en teeltondersteunende voorzieningen

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4.2.2 onder b voor vergroting van de bestaande oppervlakte van kassen ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' met maximaal 20% en/of ter plaatse van deze aanduiding voor het bouwen van teeltondersteunende voorzieningen tot een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 1.800 m2, mits:

  • a. wordt aangetoond dat de kassen noodzakelijk zijn voor een doelmatige uitvoering van de agrarische bedrijfsvoering;
  • b. de kassen achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning worden gebouwd en de teeltondersteunende voorzieningen binnen of aansluitend aan de kassen worden gebouwd;
  • c. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning.

4.3.5 afstand tot perceelgrens

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4.2.2 onder e voor het bouwen van gebouwen tot in de perceelgrens, mits:

  • a. de afstand tot een aangrenzend perceel of de openbare weg met de bestemming 'Verkeer' of de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' tenminste 3 meter bedraagt;
  • b. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • c. voor zover het geluidgevoelige functies betreft, wordt gebouwd met inachtneming van het bepaalde in artikel 39.3.

4.3.6 sleufsilo's, kuilvoerplaten en mestopslagplaatsen buiten het bouwvlak

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4.2.5 onder a voor het toestaan van sleufsilo's, kuilvoerplaten en mestopslagplaatsen buiten het bouwvlak en het toestaan van sleufsilo's tot een hoogte van maximaal 2,5 meter, mits:

  • a. wordt aangetoond dat de vergroting noodzakelijk is voor een doelmatige uitvoering van de agrarische bedrijfsvoering.

4.3.7 verhoging bouwhoogte voedersilo

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken het bepaalde in artikel 4.2.5 onder b voor het verhogen van de bouwhoogte van voedersilo's tot maximaal 25 m, mits deze verhoging noodzakelijk is in het kader van een doelmatige uitoefening van het agrarisch bedrijf.

4.3.8 bouwen tot voor de voorgevel van de bedrijfswoning

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4.2 voor de bouw van een erker en/of een luifel bij de bedrijfswoning waarvan:

  • 1. de diepte gemeten loodrecht op de voorgevel niet meer bedraagt dan 1,25 meter, waarbij de afstand tot het openbaar toegankelijk gebied minimaal 2,50 meter bedraagt;
  • 2. de breedte niet meer bedraagt dan 2/3 deel van de breedte van de gevel;
  • 3. de hoogte niet meer bedraagt 0,30 meter boven de vloer van de eerste bouwlaag van de woning.

4.4 specifieke gebruiksregels

Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt mede verstaan:

  • b. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - erfinrichting 2' is alleen toegestaan indien de landschappelijke inpassing, zoals weergegeven in “Bijlage 8 Erfinrichtingsplannen - Overig” aangegeven adres, is aangelegd en in stand wordt gehouden. Deze landschappelijke inpassing dient te bestaan uit de boomaanplant van beuken met een stamomtrek van 12-14 cm, gemeten op een hoogte van 1.30 m boven peil, en een onderlinge afstand van 15 meter op gronden met de bestemming “Groen-Landschappelijke beplanting”.
  • c. In afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken worden gebruikt voor de genoemde doeleinden onder de voorwaarde dat binnen 3 jaar na de ingebruikname van de bouwwerken, uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing als bedoeld onder a.
4.5 afwijken van de gebruiksregels
4.5.1 bloembollen- en sierteeltbedrijven

4.5.1 bloembollenteelt- en sierteeltbedrijven

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4.1 onder a sub 2 voor de vestiging van bloembollen teelt - en sierteeltbedrijven, mits:

  • a. wordt aangetoond dat de milieuhygiënische omstandigheden niet nadelig wordt beïnvloed;
  • b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige waarden;
  • c. geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden en de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven ontstaat;
  • d. een afstand van 50 meter wordt aangehouden tot bestemmingsvlakken van voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functies, natuurgebieden en watergangen of een kleinere afstand indien wordt aangetoond dat het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat van voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functies niet significant wordt aangetast.

4.5.2 vergroting staloppervlak in verband met dierenwelzijn of betere bedrijfsvoering

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4.1 onder a sub 3 voor het vergroten van het staloppervlak ten behoeve van het houden van dieren, met dien verstande dat deze bevoegdheid uitsluitend mag worden toegepast in verband met dierenwelzijn of een betere bedrijfsvoering waarbij het aantal dierplaatsen niet wordt vergroot.

4.5.3 paardenbakken

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4.1 onder h voor het toestaan van paardenbakken, mits:

  • a. gebouwd  gerealiseerd binnen dan wel, indien binnen het bouwvlak geen reële mogelijkheid bestaat, direct aansluitend aan het bouwvlak, dan wel direct aansluitend aan de bestemming 'Wonen', 'Wonen - Agrarisch', 'Wonen - Kleine woning' of de bestemming 'Wonen - VAB'  'Wonen - Agrarisch' ;
  • b. de oppervlakte maximaal 800 m2 bedraagt;
  • c. het zicht op het vrije veld door de paardenbak niet onevenredig wordt aangetast;
  • d. aangetoond wordt dat de paardenbak in overeenstemming is met het Landschapsontwikkelingsplan Elburg, zoals dat geldt op het tijdstip van indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning.

4.5.4 nevenactiviteiten milieuvriendelijk niet-agrarisch bedrijf

4.5.4 nevenactiviteiten buiten waardevol landschap

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4.1 onder a voor het toestaan van bij het agrarische bedrijf behorende en daaraan ondergeschikte activiteiten, mits:

  • a. het gronden betreft die niet tevens zijn bestemd als Waarde - Waardevol Landschap;
  • b. het de vestiging van een milieuvriendelijk niet-agrarisch bedrijf betreft -waarbij kan worden gedacht aan zuivelverwerking, imkerij, ijsmakerij, riet- en vlechtwerk/rietdekker, meubelmaker alsmede opslag van boten of caravans en daarmee vergelijkbare bedrijfsactiviteiten;
  • c. maximaal 25% van de bestaande bebouwing wordt aangewend voor de nevenactiviteit, met een absoluut maximum:
    • 1. van 500 m2 voor bedrijfsactiviteiten bestaande uit het verrichten van gemechaniseerd loonwerk ten behoeve van agrarische productie;
    • 2. van 500 m2 voor een milieuvriendelijk niet-agrarisch bedrijf;
    • 3. 1.000 m2 voor de inpandige opslag van caravans met uitzondering van gronden met de bestemming Waarde - GNN  Waarde -EHS waar een absoluut maximum geldt van 750 m2;
  • d. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  • e. er geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  • f. de nieuwe nevenactiviteit niet tot verkeerskundige aanpassingen in de vorm van de aanleg van nieuwe wegen noodzaakt;
  • g. er geen buitenopslag ten behoeve van de nevenactiviteit plaatsvindt;
  • h. er geen sprake is van detailhandel anders dan verkoop van streekeigen producten met maximale oppervlakte van 50 m2;
  • i. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • j. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • k. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning.

4.5.5 nevenactiviteiten kleinschalige woon-werkcombinaties

4.5.5 nevenactiviteiten binnen waardevol landschap

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4.1 onder a voor het toestaan van bij het agrarische bedrijf behorende en daaraan ondergeschikte activiteiten, mits:

  • a. het gronden betreft die tevens zijn bestemd als 'Waarde - Waardevol landschap';
  • b. het kleinschalige woon-werkcombinaties betreft:
    • 1. voor natuur- en landschapsbeheer en -educatie, waarbij gedacht kan worden aan een bezoekerscentrum;
    • 2. voor recreatie, waarbij gedacht kan worden aan een theetuin of boerengolf;
    • 3. voor zorg, waarbij gedacht kan worden aan dagverblijf, beautycentrum of dierenkliniek;
    • 4. voor inpandige opslag van caravans;
  • c. maximaal 25% van de bestaande bebouwing wordt aangewend voor de nevenactiviteit, met een absoluut maximum:
    • 1. van 500 m2 voor bedrijfsactiviteiten bestaande uit het verrichten van gemechaniseerd loonwerk ten behoeve van agrarische productie;
    • 2. van 350 m2 voor kleinschalige woon-werkcombinaties;
    • 3. 1.000 m2 voor de inpandige opslag van caravans met uitzondering van gronden met de bestemming Waarde - GNN  Waarde - EHS waar een absoluut maximum geldt van 750 m2;
    • 4. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  • d. er geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  • e. de nieuwe nevenactiviteit niet tot verkeerskundige aanpassingen in de vorm van de aanleg van nieuwe wegen noodzaakt;
  • f. er geen buitenopslag ten behoeve van de nevenactiviteit plaatsvindt;
  • g. er geen sprake is van detailhandel anders dan verkoop van streekeigen producten met maximale oppervlakte van 50 m2;
  • h. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • i. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • j. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning.

4.5.6 bed en breakfast

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4.1, voor het toestaan van bed en breakfast voorzieningen in een woning  bedrijfswoning, een bijgebouw bij de bedrijfswoning en in bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat:

  • a. het gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening niet meer bedraagt dan 40% van het gebruiksvloeroppervlak van de woning, het bijgebouw en de bedrijfsgebouwen met een gezamenlijk oppervlak van maximaal 100 m2;
  • b. onder de  het gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening wordt gerekend een bad-, douche- en toiletruimte(n) die niet gedeeld worden met de (hoofd)bewoner(s) van de woning en maximaal 4 slaapkamers en een gemeenschappelijke ruimte, waarvan de oppervlakte niet meer dan 30 m2 bedraagt, en welke gemeenschappelijke ruimte niet meetelt als gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening. Indien op hetzelfde bouwperceel een theeschenkerij wordt uitgeoefend, dan bedraagt de gebruiksvloeroppervlakte ten behoeve van de gemeenschappelijke ruimte voor de bed en breakfast voorziening en ten behoeve van de theeschenkerij gezamenlijk niet meer dan 30 m2;
  • c. de bed en breakfast voorziening uitsluitend wordt geëxploiteerd door de (hoofd)bewoners van de woning;
  • d. een separate kookvoorziening niet is toegestaan;
  • e. in aanvulling op artikel 39.4.1, geldt dat op eigen terrein per slaapkamer minimaal één parkeerplaats beschikbaar is;
  • f. door de bed en breakfast voorziening geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden en de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven ontstaat.

4.5.7 verruimde nevenactiviteiten

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4.1 onder a en in aanvulling op het bepaalde in de artikelen 4.5.4 en 4.5.5 voor het bouwen van 200 m2 aan nieuwbouw ten behoeve van de bij het agrarische bedrijf behorende en daaraan ondergeschikte activiteiten en/of verruiming van de toegestane maximale maat met maximaal 15% als genoemd in artikel 4.5.4 onder c en 4.5.5 onder c, met uitzondering ter plaatse van de bestemming Waarde - GNN  Waarde - EHS , mits uit een landschapsplan blijkt dat er sprake is van een aantoonbare verbetering van de ruimtelijke kwaliteit op en rondom de locatie.

4.5.8 tweede bedrijfswoning

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4.1 onder b ten behoeve van het realiseren van een tweede bedrijfswoning, mits:

  • a. wordt aangetoond dat de tweede bedrijfswoning noodzakelijk is voor het continue toezicht op het agrarisch bedrijf en voor de agrarische bedrijfsvoering met twee volwaardige arbeidskrachten;
  • b. wordt aangetoond dat het gaat om een agrarisch bedrijf met een redelijk zicht op een duurzame voortzetting;
  • c. de tweede bedrijfswoning wordt gerealiseerd binnen het bouwvlak;
  • d. de afstand van de tweede bedrijfswoning tot de eerste bedrijfswoning gerekend tussen de afzonderlijke (zij)gevels maximaal 40 m bedraagt of de afstand tot de bestaande bedrijfsbebouwing maximaal 20 m bedraagt;
  • e. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning;
  • f. voor het overige wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 4.2.2 en 4.2.3.

4.5.9 tweede bedrijfswoning in de voormalige deel

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4.1 onder b ten behoeve van het realiseren van een tweede bedrijfswoning waarbij een (voormalig) agrarisch bedrijfsgebouw, dat is aangebouwd aan de bestaande bedrijfswoning mag worden gebruikt als tweede bedrijfswoning, mits:

  • a. wordt aangetoond dat de tweede bedrijfswoning noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering met 1,5 volwaardige arbeidskrachten;
  • b. op het bedrijf sprake is van een zodanige toezicht vereisende situatie dat het wonen van twee arbeidskrachten ter plaatse van het bedrijf wenselijk is;
  • c. wordt aangetoond dat het gaat om een agrarisch bedrijf met een redelijk zicht op een duurzame voortzetting;
  • d. voor het overige wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 4.2.2 en 4.2.3.

4.5.10 kleinschalig kampeerterrein

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4.1 onder j voor het toelaten van een kleinschalig kampeerterrein, mits:

  • a. deze binnen het bouwvlak dan wel maximaal 50 m buiten het bouwvlak wordt gerealiseerd;
  • b. de omgevingsvergunning er niet toe mag leiden dat het gezamenlijk aantal kampeerplaatsen op kleinschalige kampeerterreinen binnen de gemeente Elburg meer bedraagt dan 250;
  • c. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning;
  • d. geen stacaravans  geen bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf worden geplaatst;
  • e. de (sanitaire) voorzieningen binnen de op het moment van het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande bebouwing worden opgericht met een maximale oppervlakte van 50 m2;
  • f. indien het onder e gestelde niet mogelijk is, maximaal één gebouw met een oppervlak van maximaal 50 m2 ten behoeve van de (sanitaire) voorzieningen worden opgericht, binnen het bouwvlak;
  • g. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid binnen het terrein ten behoeve van het kleinschalig kamperen;
  • h. er geen aanpassing of verharding van de infrastructuur buiten het bouwvlak noodzakelijk is;
  • i. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • j. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.
  • k. de negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt;
  • l. de overblijvende negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig worden gecompenseerd.

4.5.11 sanitaire voorzieningen

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de artikelen 4.1 en 4.2.2 onder a voor het toestaan van sanitaire voorzieningen ten behoeve van een kleinschalig kampeerterrein binnen de bestemming 'Wonen - Agrarisch' buiten het bouwvlak, mits:

  • a. niet kan worden voldaan aan artikel 26.4.2 onder d;
  • b. de (sanitaire) voorzieningen direct aansluitend aan de bestemming 'Wonen - Agrarisch' worden gerealiseerd;
  • c. maximaal één gebouw met een oppervlak van maximaal 50 m2 ten behoeve van de (sanitaire) voorzieningen wordt opgericht;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • e. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.
  • f. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning.
4.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.6.1

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 4.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van aanwezige waterlopen;
  • b. het vergroten, verbreden, aanleggen en/of verharden van wegen, paden en andere oppervlakteverhardingen;
  • c. het ontginnen, bodemverlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;
  • d. het beplanten van gronden met houtgewassen, ter plaatse waar de gronden op het tijdstip van het van kracht worden  inwerkingtreding van het plan niet reeds met houtgewassen waren beplant;
  • e. het verwijderen, rooien en/of kappen van houtgewassen, houtwallen en/of houtsingels;
  • f. op gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm agrarisch met waarden - kavelpatronen':
    - het scheuren van graslanden anders dan ten behoeve van graslandverbetering;
    - wijzigen van kavelpatronen.
  • g. op gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm agrarisch met waarden - weidevogelgebied':
    - het scheuren van graslanden anders dan ten behoeve van graslandverbetering.

4.6.2

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.6.1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van de werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke, natuur- en cultuurhistorische waarden van het gebied.

4.6.3

Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.6.1 is nodig voor:

  • a. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
  • b. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden  inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van de een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning;
  • c. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die worden uitgevoerd binnen het bouwvlak.
  • d. aanleg van wegen ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting'.
4.7 wijzigingsbevoegdheid
4.7.1 wijziging vorm en/of vergroting bouwvlak

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor wat betreft het wijzigen van het bouwvlak en/of vergroten van de oppervlakte van het bouwvlak, mits:

  • a. de wijziging noodzakelijk is in het kader van een doelmatige uitoefening van het agrarisch bedrijf;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'openheid'  'specifieke vorm agrarisch met waarden - openheid'  de openheid niet onevenredig wordt aangetast;
  • c. het bouwperceel  bouwvlak hierdoor geen groter aaneengesloten oppervlak krijgt dan 1,75 ha, met dien verstande dat:
    • 1. de oppervlakte ten behoeve van intensieve veehouderij niet meer mag bedragen dan in de regels van deze bestemming is opgenomen;
    • 2. de totale oppervlakte aan al of niet fictieve bouwvlakken in de bestemming 'Agrarisch' en de bestemming 'Agrarisch met waarden' maximaal 78,5 ha mag bedragen;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden, waaronder in ieder geval wordt gerekend het (leef)milieu en het landschap;
  • e. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
  • f. er een compact bouwvlak blijft bestaan;
  • g. uit een landschapsplan de ruimtelijke inpassing van het bouwvlak in de omgeving blijkt, waarbij in ieder geval aandacht dient te worden besteed aan de beeldkwaliteit van de totale erfinrichting en de landschappelijke inpassing in de vorm van aanleg van streekeigen erfbeplanting plaatsvindt, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na vaststelling van het wijzigingsplan;
  • h. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

4.7.2 wijziging ten behoeve van woningsplitsing

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor het splitsen van een woning  woningen in twee woningen waarbij een karakteristiek (voormalig) agrarisch bedrijfsgebouw, dat is aangebouwd aan de bestaande bedrijfswoning in gebruik mag worden genomen voor de woonfunctie, mits:

  • a. het te splitsen gebouw een inhoud heeft van minimaal 1.200 m3   900 m3 ;
  • b. na splitsing geen verdere vergroting van de gesplitste woningen plaatsvindt;
  • c. de bijgebouwen zodanig worden gesplitst dat iedere woning maximaal 100 m2 krijgt en het meerdere wordt gesloopt, tenzij het monumentale of karakteristieke bebouwing betreft;
  • d. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • e. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • f. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

4.7.3 omschakeling van agrarisch bedrijf naar wonen

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor het na bedrijfsbeëindiging omzetten van een agrarisch bouwvlak in de bestemmingen 'Wonen' en 'Agrarisch met waarden', zonder bouwvlak, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. het aantal woningen dient beperkt te blijven tot het bestaande aantal woningen;
  • b. per woning bijgebouwen zijn toegestaan tot een gezamenlijk oppervlakte van:
    • 1. maximaal 100 m2 per woning binnen een bestemmingsvlak 'Wonen' met een oppervlakte tot 1.000 m2;
    • 2. maximaal 150 m2 per woning binnen een 'bestemmingsvlak 'Wonen' met een oppervlakte tussen 1.000 m2 en 5.000 m2;
    • 3. maximaal 200 m2 per woning binnen een bestemmingsvlak 'Wonen' waarvan de eigenaar de eigendom heeft van aaneengesloten gronden met een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 , waarvan minimaal 1.000 m2 de bestemming 'Wonen' heeft;

    b.   per woning zijn bijgebouwen toegestaan tot een gezamenlijk oppervlakte van 100 m2, met dien verstande dat bijgebouwen zijn toegestaan tot een gezamenlijk oppervlakte van 200 m2 mits:  
        1.   de grotere oppervlakte noodzakelijk is in verband met het hobbymatig telen van gewassen en/of het houden van dieren;  
        2.   de aanvrager de beschikking heeft over gronden met een oppervlakte van minimaal 5.000 m2 aansluitend aan de bestemming Wonen;  
  • c. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • d. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • e. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

4.7.4 omschakeling van agrarisch bedrijf naar niet-agrarisch bedrijf buiten waardevol landschap

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor het na bedrijfsbeëindiging omzetten van een agrarisch bouwvlak in bestemmingen 'Bedrijf' en 'Agrarisch met waarden', zonder bouwvlak, mits:

  • a. het gronden betreft die niet tevens zijn bestemd als Waarde - Waardevol Landschap;
  • b. het de vestiging van een milieuvriendelijk niet-agrarische bedrijf betreft -waarbij kan worden gedacht aan zuivelverwerking, imkerij, ijsmakerij, riet- en vlechtwerk/rietdekker, meubelmaker alsmede opslag van boten of caravans en daarmee vergelijkbare bedrijfsactiviteiten;
  • c. er geen sprake is van detailhandel anders dan verkoop van streekeigen producten met maximale oppervlakte van 50 m2;
  • d. de maximale gebruiksoppervlakte ten behoeve van de activiteiten binnen de bestaande met een omgevingsvergunning voor het bouwen gebouwde bedrijfsgebouwen, die minimaal gedurende drie jaar in agrarisch gebruik zijn geweest, niet meer bedraagt dan 500 m2 voor kleinschalige woon-werkcombinaties voor natuur- en landschapsbeheer en -educatie en 1.000 m2 voor kleinschalige woon-werkcombinaties voor recreatie en zorg en het meerdere aan bedrijfsgebouwen, welke niet als monumentaal of karakteristiek kunnen  kan worden aangemerkt, wordt gesloopt;
  • e. in aanvulling op het bepaalde onder d mag tevens 250 m2 aan nieuwbouw worden gebouwd ten behoeve van de toegestane niet-agrarische bedrijvigheid en/of mag de toegestane maximale maat als genoemd onder d met maximaal 20% worden verruimd, mits er sprake is van een aantoonbare verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in en rondom de locatie;

    f.     er geen buitenopslag plaatsvindt;  
  • f. buitenopslag uitsluitend wordt toegestaan:
    • 1. tot een oppervlakte van maximaal 250 m2;
    • 2. als buitenopslag plaatsvindt op een aaneengesloten gedeelte van het bouwperceel, aansluitend aan de bestaande bedrijfsbebouwing;
  • g. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na vaststelling van het wijzigingsplan;
  • h. er geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  • i. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  • j. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • k. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • l. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

4.7.5 omschakeling van agrarisch bedrijf naar niet-agrarisch bedrijf binnen waardevol landschap

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor het na bedrijfsbeëindiging omzetten van een agrarisch bouwvlak in bestemmingen 'Bedrijf' en 'Agrarisch met waarden', zonder bouwvlak, mits:

  • a. het gronden betreft die tevens zijn bestemd als 'Waarde - Waardevol landschap';
  • b. het kleinschalige woon-werkcombinaties betreft:
    • 1. voor natuur- en landschapsbeheer en -educatie – waarbij gedacht kan worden aan een bezoekerscentrum –;
    • 2. voor recreatie – waarbij gedacht kan worden aan een theetuin, kampeerboerderij of boerengolf –;
    • 3. voor zorg – waarbij gedacht kan worden aan dagverblijf, beautycentrum of dierenkliniek –;
  • c. er geen sprake is van detailhandel anders dan verkoop van streekeigen producten met maximale oppervlakte van 50 m2;
  • d. de maximale gebruiksoppervlakte ten behoeve van de activiteiten binnen de bestaande met een omgevingsvergunning voor het bouwen gebouwde bedrijfsgebouwen, die minimaal gedurende drie jaar in agrarisch gebruik zijn geweest, niet meer bedraagt dan 500 m2 voor kleinschalige woon-werkcombinaties voor natuur- en landschapsbeheer en -educatie en 1.000 m2 voor kleinschalige woon-werkcombinaties voor recreatie en zorg en het meerdere aan bedrijfsgebouwen, welke niet als monumentaal of karakteristiek kunnen  kan worden aangemerkt, wordt gesloopt;
  • e. in aanvulling op het bepaalde onder c  onder d mag tevens 250 m2 aan nieuwbouw worden gebouwd ten behoeve van de toegestane niet-agrarische bedrijvigheid en/of mag de toegestane maximale maat als genoemd onder c met maximaal 20% worden verruimd, mits er sprake is van een aantoonbare verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in en rondom de locatie;

    f.     er geen buitenopslag plaatsvindt;  
  • f. buitenopslag uitsluitend wordt toegestaan:
    • 1. tot een oppervlakte van maximaal 250 m2;
    • 2. als buitenopslag plaatsvindt op een aaneengesloten gedeelte van het bouwperceel, aansluitend aan de bestaande bedrijfsbebouwing;
  • g. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na vaststelling van het wijzigingsplan;
  • h. er geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  • i. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  • j. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • k. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • l. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

4.7.6 omschakeling van agrarisch bedrijf naar lichte bedrijvigheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor het na bedrijfsbeëindiging omzetten van een agrarisch bouwvlak in bestemmingen Bedrijf (met bouwvlak) en Agrarisch met waarden (zonder bouwvlak), mits:

  • a. bedrijven worden toegestaan die zijn is opgenomen in de categorieën 1 of 2 van de in bijlage 3 opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten dan wel het een bedrijf betreft dat voor wat betreft de aard en de omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt gelijk kan worden gesteld met een bedrijf genoemd in de categorieën 1 of 2. Hierbij geldt dat een bedrijf in categorie 2 uitsluitend is toegestaan als op het moment van indiening van het verzoek om vaststelling van het wijzigingsplan sprake is van een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu voor uitoefening van een agrarisch bedrijf;
  • b. alle gebouwen en daarvan onderdeel uitmakende funderingen worden gesloopt. De gebouwen mogen blijven behouden, mits de toegestane oppervlakte zoals aangegeven onder d en e, ten behoeve van de aldaar genoemde functies, niet wordt overschreden;
  • c. alle bestaande gierkelders en kuilvoerplaten moeten worden gesloopt;
  • d. de in het wijzigingsplan toegestane maximale gezamenlijke oppervlakte aan gebouwen ten behoeve van het bedrijf als bedoeld onder a, maximaal 50% van de oppervlakte van alle bestaande gebouwen binnen het bouwvlak bedraagt, zulks met een maximum van 500 m2;
  • e. aanvullend op het bepaalde onder d, in het wijzigingsplan maximaal een oppervlakte van 100 m2 ten dienste van bijgebouwen ten behoeve van de bedrijfswoning is toegestaan;
  • f. sloop op terrein buiten het bouwperceel waarop de wijziging betrekking heeft is mogelijk ter voldoening aan sub d, met dien verstande dat minimaal 75% van de te slopen bebouwing wordt gesloopt ter plaatsen van het bouwperceel waarop de wijziging betrekking heeft;
  • g. ten behoeve van hobbymatig agrarisch grondgebruik geen extra oppervlakte aan bijgebouwen of bedrijfsgebouwen wordt toegestaan;
  • h. de goot- en bouwhoogte van gebouwen maximaal respectievelijk 4 m en 8 m bedraagt;
  • i. het bouwvlak met minimaal 50% wordt verkleind;
  • j. buitenopslag uitsluitend wordt toegestaan:
    • 1. tot een oppervlakte van maximaal 250 m2;
    • 2. als buitenopslag plaatsvindt op een aaneengesloten gedeelte van het bouwperceel, aansluitend aan de bestaande bedrijfsbebouwing;
  • k. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing van gebouwen en buitenopslag, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na vaststelling van het wijzigingsplan;
  • l. er geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  • m. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  • n. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • o. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • p. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

Artikel 5 Bedrijf

5.1 bestemmingsomschrijving
5.1.1

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven ter plaatse van de aanduidingen:
    • 1. 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch hulpbedrijf': een agrarisch hulpbedrijf;
    • 2. 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch, agrarisch hulpbedrijf en opslag': een loonbedrijf, opslagbedrijf en een intensieve veehouderij;
    • 3. 'specifieke vorm van bedrijf - overige bedrijvigheid': een bedrijf als bedoeld in bijlage 2 kolom type bedrijf;
    • 4. 'nutsvoorziening': een nutsvoorziening;
  • b. wonen in maximaal één bedrijfswoning per bedrijf, dan wel het grotere bestaande aantal met dien verstande dat:
    • 1. geen bedrijfswoning is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten';
    • 2. inwoning is toegestaan in één van de aanwezige bedrijfswoningen;
  • c. aan huis verbonden beroepen, met dien verstande dat het vloeroppervlak dat (mede) wordt gebruikt voor de uitoefening van het beroep niet meer mag bedragen dan 40% van het vloeroppervlak van de woning en niet meer dan 50% van het gezamenlijk vloeroppervlak van de woning en bijbehorende gebouwen, met een maximum van 150 m2;

      d      een A-watergang ter plaatse van de aanduiding 'water';  
  • d. gasdrukmeet- en regelstations, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening';

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven en bestaande nutsvoorzieningen.

5.1.2

Opslag is toegestaan tot een maximale hoogte van 4 m.

5.1.3

Detailhandel is uitsluitend toegestaan op de adressen zoals opgenomen in onderstaande tabel:

Adres   Nummer   Bedrijf   Max. oppervlakte detailhandel  
NIEUWSTADSWEG   17   tuincentrum   500 m2  
PARALLELWEG   7   tuincentrum   2.360 m2  2.515 m2  

met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - vuurwerk' tevens is toegestaan de verkoop en opslag van vuurwerk met een oppervlakte van maximaal 45 m2.

5.1.4

In aanvulling op het bepaalde in artikel 5.1.1 onder a sub 1 ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch, agrarisch hulpbedrijf en opslag'  'specifieke vorm van bedrijf - opslag en agrarisch' de volgende regels:

  • a. maximaal 2.025 m2 van de bebouwde oppervlakte mag worden gebruikt ten behoeve van een loonbedrijf;
  • b. maximaal 870 m2 van de bebouwde oppervlakte mag worden gebruikt ten behoeve van opslag;
  • c. maximaal 1.121 m2 van de bebouwde oppervlakte mag worden gebruikt ten behoeve van een intensieve veehouderij.
5.2 bouwregels
5.2.1

Bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. voor zover een of meerdere bouwvlakken zijn opgenomen, mogen gebouwen uitsluitend binnen die bouwvlakken worden gebouwd;
  • b. goothoogte maximaal 6 m;
  • c. bouwhoogte van:
    • 1. bedrijfsgebouwen maximaal 12 m;
    • 2. bedrijfswoningen maximaal 10 m;
  • d. oppervlakte bedrijfsgebouwen maximaal de in bijlage 2 kolom toegestane m2 bij recht per bedrijf aangegeven oppervlakte, met dien verstande dat deze bepaling niet van toepassing is op nutsvoorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening';
  • e. inhoud van de bedrijfswoning maximaal 750 m3;
  • f. afstand tot de perceelsgrens minimaal 5 m, dan wel de bestaande kleinere afstand.

5.2.2

Bijgebouwen bij de bedrijfswoning voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. gezamenlijke oppervlakte per bedrijfswoning maximaal 100 m2;
  • b. gebouwd op een afstand van minimaal 1 m achter het verlengde van de voorgevel van de bedrijfswoning;
  • c. goothoogte is maximaal 3 m;
  • d. bouwhoogte is maximaal 6 m.

5.2.3

Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal:

  • a. erf- en terreinafscheidingen 2 m;
  • b. overkappingen 2,7 m;
  • c. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 4,5 m.

5.2.4

De gezamenlijke oppervlakte van bouwwerken geen gebouwen zijnde in de vorm van overkappingen bedraagt maximaal 20 m2.

5.3 afwijken van de bouwregels
5.3.1 afstand tot perceelgrens

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 5.2.1 onder f voor het bouwen van gebouwen tot in de perceelgrens, mits:

  • a. de afstand tot een aangrenzend perceel of de openbare weg met de bestemming 'Verkeer' of de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' tenminste 3 meter bedraagt;
  • b. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • c. voor zover het geluidgevoelige functies betreft, wordt gebouwd met inachtneming van het bepaalde in artikel 39.3.

5.3.2 toegestane oppervlakte van bedrijfsgebouwen

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 5.2.1 onder d voor het vergroten van de toegestane oppervlakte van bedrijfsgebouwen tot maximaal de in bijlage 2 kolom toegestane m2 na afwijking per bedrijf aangegeven oppervlakte, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. er is sprake van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning;
  • b. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • c. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad.

5.3.3 bouwen tot voor de voorgevel van de bedrijfswoning

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 5.2 voor de bouw van een erker en/of een luifel bij een bedrijfswoning waarvan:

  • 1. de diepte gemeten loodrecht op de voorgevel niet meer bedraagt dan 1,25 meter, waarbij de afstand tot het openbaar toegankelijk gebied minimaal 2,50 meter bedraagt;
  • 2. de breedte niet meer bedraagt dan 2/3 deel van de breedte van de gevel;
  • 3. de hoogte niet meer bedraagt 0,30 meter boven de vloer van de eerste bouwlaag van de woning.
5.4 specifieke gebruiksregels
5.4.1

Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt mede verstaan een gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van:

  • a. een gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een geluidzoneringsplichtige inrichting en bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) of het Besluit risico's zware ongevallen 1999 (Brzo) met uitzondering van een zodanig gebruik dat uitdrukkelijk is toegestaan in of krachtens deze regels;
  • b. een gebruik van de onbebouwde gronden voor opslag van goederen met een hoogte van meer dan 4 m.

5.4.2

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - opslag en agrarisch' is opslag uitsluitend toegestaan als sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning.

5.5 afwijken van de gebruiksregels
5.5.1 ander bedrijf

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 5.1.1 onder a voor het toestaan van een ander bedrijf dan ter plaatse is toegestaan, mits:

  • a. het bedrijf is opgenomen in de categorieën 1 of 2 van de in bijlage 3 opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten dan wel het een bedrijf betreft dat voor wat betreft de aard en de omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt gelijk kan worden gesteld met een bedrijf genoemd in de categorieën 1 of 2;
  • b. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

5.5.2 bed en breakfast

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 5.1, voor het toestaan van bed en breakfast voorzieningen in een woning  bedrijfswoning, met dien verstande dat:

  • a. het gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening niet meer bedraagt dan 40% van het gebruiksvloeroppervlak van de woning  bedrijfswoning met een oppervlak van maximaal 100 m2;
  • b. onder de  het gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening wordt gerekend een bad-, douche- en toiletruimte(n) die niet gedeeld worden met de (hoofd)bewoner(s) van de woning en maximaal 4 slaapkamers en een gemeenschappelijke ruimte, waarvan de oppervlakte niet meer dan 30 m2 bedraagt, en welke gemeenschappelijke ruimte niet meetelt als gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening. Indien op hetzelfde bouwperceel een theeschenkerij wordt uitgeoefend, dan bedraagt de gebruiksvloeroppervlakte ten behoeve van de gemeenschappelijke ruimte voor de bed en breakfast voorziening en ten behoeve van de theeschenkerij gezamenlijk niet meer dan 30 m2 ;
  • c. de bed en breakfast voorziening uitsluitend wordt geëxploiteerd door de (hoofd)bewoners van de woning;
  • d. een separate kookvoorziening niet is toegestaan;
  • e. in aanvulling op artikel 39.4.1, geldt dat op eigen terrein per slaapkamer minimaal één parkeerplaats beschikbaar is;
  • f. door de bed en breakfast voorziening geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden en de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven ontstaat.
5.6 wijzigingsbevoegdheid
5.6.1 andere bedrijfsactiviteiten

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor het toestaan van een bedrijf dat is opgenomen in categorie 3.1 van de in bijlage 3 opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten dan wel een bedrijf dat voor wat betreft de aard en de omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt gelijk kan worden gesteld met een bedrijf genoemd in categorie 3.1, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. de nieuwe activiteit mag niet leiden tot een vergroting van de verkeersaantrekkende werking;
  • b. er is sprake van  het perceel dient voorzien te zijn van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na vaststelling van het wijzigingsplan;
  • c. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  • d. geen onevenredige aantasting vindt plaats van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • e. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

5.6.2 omschakeling van bedrijf naar wonen

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor het wijzigen van de bestemming 'Bedrijf' in de bestemming 'Wonen' en 'Agrarisch' , zonder bouwvlak of 'Agrarisch met waarden' , zonder bouwvlak, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. het aantal woningen beperkt dient te blijven tot één dan wel het bestaande aantal woningen  meerdere woningen binnen één woongebouw met een minimale inhoud per wooneenheid van 750 m3 ;
  • b. per woning bijgebouwen zijn toegestaan tot een gezamenlijk oppervlakte van:
    • 1. maximaal 100 m2 per woning binnen een bestemmingsvlak 'Wonen' met een oppervlakte tot 1.000 m2;
    • 2. maximaal 150 m2 per woning binnen een bestemmingsvlak 'Wonen' met een oppervlakte tussen 1.000 m2 en 5.000 m2;
    • 3. maximaal 200 m2 per woning binnen een bestemmingsvlak 'Wonen' waarvan de eigenaar de eigendom heeft van aaneengesloten gronden met een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 , waarvan minimaal 1.000 m2 de bestemming 'Wonen' heeft ;

      b.       per woning zijn bijgebouwen toegestaan tot een gezamenlijk oppervlakte van 100 m2, met dien verstande dat bijgebouwen zijn toegestaan tot een gezamenlijk oppervlakte van 200 m2 mits:  
              1.       de grotere oppervlakte noodzakelijk is in verband met het hobbymatig telen van gewassen en/of het houden van dieren;  
              2.       de aanvrager de beschikking heeft over gronden met een oppervlakte van minimaal 5.000 m2 aansluitend aan de bestemming Wonen;  
  • c. sanering plaatsvindt van 50% van de bedrijfsbebouwing met een minimum oppervlak van 500 m2 dan wel 350 m2 ter plaatse van de bestemming Waarde - GNN  Waarde - EHS , met uitzondering van monumentale of karakteristieke bebouwing;
  • d. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • e. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

Artikel 6 Bedrijf - Afsluiterlocatie

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf - Afsluiterlocatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor

  • a. een afsluiterlocatie en bijbehorende gebouwen en bouwwerken en daarbij behorend(e):
  • b. ondergrondse hogedruk aardgastransportleidingen;
  • c. groenvoorzieningen;
  • d. verkeersvoorzieningen;
  • e. odorantinstallaties;
  • f. water en voorzieningen voor de waterhuishouding.
6.2 Bouwregels
6.2.1 gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen geldt de volgende regel:

  • a. de oppervlakte mag niet meer dan 10 m2 bedragen;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer dan 3 m bedragen.

6.2.2 bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende regel:

de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer dan 3 m bedragen.

Artikel 7 Bedrijventerrein

7.1 bestemmingsomschrijving
7.1.1

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven in de categorieën 1 tot en met 3.1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten (bijlage 3);
  • b. een transportbedrijf ter plaatse van de aanduiding 'transportbedrijf';
  • c. de bestaande bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' waarbij inwoning is toegestaan;
  • d. aan huis verbonden beroepen, met dien verstande dat het vloeroppervlak dat (mede) wordt gebruikt voor de uitoefening van het beroep niet meer mag bedragen dan 40% van het vloeroppervlak van de woning en niet meer dan 50% van het gezamenlijk vloeroppervlak van de woning en bijbehorende gebouwen, met een maximum van 150 m2;

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven en bestaande nutsvoorzieningen.

7.1.2

Opslag is toegestaan tot een maximale hoogte van 3 m, met dien verstande dat de afstand van opslag tot de perceelgrens minimaal 4 m bedraagt.

7.2 bouwregels
7.2.1

Bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. voor zover een of meerdere bouwvlakken zijn opgenomen, mogen gebouwen uitsluitend binnen die bouwvlakken worden gebouwd;
  • b. goothoogte maximaal 6 m;
  • c. bouwhoogte van:
    • 1. bedrijfsgebouwen maximaal 12 m;
    • 2. bedrijfswoningen maximaal 10 m;
  • d. inhoud van de bedrijfswoning maximaal 750 m3;
  • e. afstand tot de perceelsgrens minimaal 5 m, dan wel de bestaande kleinere afstand.

7.2.2

Bijgebouwen bij de bedrijfswoning voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. gezamenlijke oppervlakte per bedrijfswoning maximaal 100 m2;
  • b. gebouwd op een afstand van minimaal 1 m achter het verlengde van de voorgevel van de bedrijfswoning;
  • c. goothoogte is maximaal 3 m;
  • d. bouwhoogte is maximaal 6 m.

7.2.3

Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal:

  • a. erf- en terreinafscheidingen 2 m;
  • b. overkappingen 2,7 m;
  • c. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 4,5 m.

7.2.4

De gezamenlijke oppervlakte van bouwwerken geen gebouwen zijnde in de vorm van overkappingen bedraagt maximaal 20 m2.

7.3 afwijken van de bouwregels
7.3.1 afstand tot perceelgrens

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 7.2.1 onder e voor het bouwen van gebouwen tot in de perceelgrens, mits:

  • a. de afstand tot een aangrenzend perceel of de openbare weg met de bestemming 'Verkeer' of de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' tenminste 3 meter bedraagt;
  • b. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • c. voor zover het geluidgevoelige functies betreft, wordt gebouwd met inachtneming van het bepaalde in artikel 39.3.

7.3.2 bouwen tot voor de voorgevel van de bedrijfswoning

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 7.2 voor de bouw van een erker en/of een luifel bij een bedrijfswoning waarvan:

  • 1. de diepte gemeten loodrecht op de voorgevel niet meer bedraagt dan 1,25 meter, waarbij de afstand tot het openbaar toegankelijk gebied minimaal 2,50 meter bedraagt;
  • 2. de breedte niet meer bedraagt dan 2/3 deel van de breedte van de gevel;
  • 3. de hoogte niet meer bedraagt 0,30 meter boven de vloer van de eerste bouwlaag van de woning.
7.4 specifieke gebruiksregels

Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt mede verstaan een gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van:

  • a. een gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een geluidzoneringsplichtige inrichting en bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) of het Besluit risico's zware ongevallen 1999 (Brzo) met uitzondering van een zodanig gebruik dat uitdrukkelijk is toegestaan in of krachtens deze regels;
  • b. een gebruik van de onbebouwde gronden voor opslag van goederen met een hoogte van meer dan 4 m.
7.5 afwijken van de gebruiksregels

Ander bedrijf

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 7.1.1 onder a voor het toestaan van een ander bedrijf dan ter plaatse is toegestaan, mits:

  • a. het bedrijf niet is opgenomen in de in bijlage 3 opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten, maar het een bedrijf betreft dat voor wat betreft de aard en de omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt gelijk kan worden gesteld met een bedrijf genoemd in de categorieën 1 tot en met 3.1;
  • b. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

Artikel 8 Detailhandel

8.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Detailhandel' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. detailhandel;
  • b. wonen in maximaal één bedrijfswoning per bedrijf, dan wel het grotere bestaande aantal woningen  met dien verstande dat geen bedrijfswoning is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' ;
  • c. aan huis verbonden beroepen, met dien verstande dat het vloeroppervlak dat (mede) wordt gebruikt voor de uitoefening van het beroep niet meer mag bedragen dan 40% van het vloeroppervlak van de woning en niet meer dan 50% van het gezamenlijk vloeroppervlak van de woning en bijbehorende gebouwen, met een maximum van 150 m2;

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven en bestaande nutsvoorzieningen.

8.2 bouwregels
8.2.1

Gebouwen voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. goothoogte maximaal 6 m;
  • b. bouwhoogte van:
    • 1. gebouwen ten behoeve van detailhandel maximaal 10 m;
    • 2. bedrijfswoningen maximaal 10 m;
  • c. oppervlakte gebouwen maximaal de in bijlage 2 kolom toegestane m2 bij recht per adres en functie  detailhandelsvestiging aangegeven oppervlakte;
  • d. inhoud bedrijfswoning maximaal 750 m3;
  • e. afstand tot de perceelsgrens minimaal 5 m, dan wel de bestaande kleinere afstand.

8.2.2

Bijgebouwen bij de bedrijfswoning voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. gezamenlijke oppervlakte per bedrijfswoning maximaal 100 m2;
  • b. gebouwd op een afstand van minimaal 1 m achter het verlengde van de voorgevel van de bedrijfswoning;
  • c. goothoogte is maximaal 3 m;
  • d. bouwhoogte is maximaal 6 m.

8.2.3

Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal:

  • a. erf- en terreinafscheidingen 2 m;
  • b. overkappingen 2,7 m;
  • c. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 4,5 m.

8.2.4

De gezamenlijke oppervlakte van bouwwerken geen gebouwen zijnde in de vorm van overkappingen bedraagt maximaal 20 m2.

8.3 afwijken van de bouwregels
8.3.1 afstand tot perceelgrens

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 8.2.1 onder e voor het bouwen van gebouwen tot in de perceelgrens, mits:

  • a. de afstand tot een aangrenzend perceel of de openbare weg met de bestemming 'Verkeer' of de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' tenminste 3 meter bedraagt;
  • b. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • c. voor zover het geluidgevoelige functies betreft, wordt gebouwd met inachtneming van het bepaalde in artikel 39.3.

8.3.2 oppervlakte bedrijfsgebouwen

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 8.2.1 onder c voor het vergroten van de toegestane oppervlakte van bedrijfsgebouwen tot maximaal de in bijlage 2 kolom toegestane m2 na afwijking per bedrijf aangegeven oppervlakte, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. er is sprake van  het perceel dient voorzien te zijn van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning;
  • b. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • c. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad.

8.3.3 bouwen tot voor de voorgevel van de bedrijfswoning

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 8.2 voor de bouw van een erker en/of een luifel bij een bedrijfswoning waarvan:

  • 1. de diepte gemeten loodrecht op de voorgevel niet meer bedraagt dan 1,25 meter, waarbij de afstand tot het openbaar toegankelijk gebied minimaal 2,50 meter bedraagt;
  • 2. de breedte niet meer bedraagt dan 2/3 deel van de breedte van de gevel;
  • 3. de hoogte niet meer bedraagt 0,30 meter boven de vloer van de eerste bouwlaag van de woning.

8.4 afwijken van de gebruiksregels
8.4.1 bed en breakfast

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 8.1, voor het toestaan van bed en breakfast voorzieningen in bedrijfsgebouwen, een bedrijfswoning, en een bijgebouw bij de bedrijfswoning, met dien verstande dat:

  • a. het gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening niet meer bedraagt dan 40% van het gebruiksvloeroppervlak van de bedrijfsgebouwen, de woning en het bijgebouw met een oppervlak van maximaal 100 m2, waarvan maximaal 50 m2 van het bijgebouw;
  • b. onder het gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening wordt gerekend een bad-, douche- en toiletruimte(n) die niet gedeeld worden met de (hoofd)bewoner(s) van de woning en maximaal 4 slaapkamers en een gemeenschappelijke ruimte, waarvan de oppervlakte niet meer dan 30 m2 bedraagt, en welke gemeenschappelijke ruimte niet meetelt als gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening. Indien op hetzelfde bouwperceel een theeschenkerij wordt uitgeoefend, dan bedraagt de gebruiksvloeroppervlakte ten behoeve van de gemeenschappelijke ruimte voor de bed en breakfast voorziening en ten behoeve van de theeschenkerij gezamenlijk niet meer dan 30 m2;
  • c. wanneer het een vrijstaand bijgebouw betreft, deze op minimaal 3 meter van de erfgrens staat;
  • d. de bed en breakfast voorziening uitsluitend wordt geëxploiteerd door de (hoofd)bewoners van de woning;
  • e. een separate kookvoorziening niet is toegestaan;
  • f. in aanvulling op artikel 39.4.1, geldt dat op eigen terrein per slaapkamer minimaal één parkeerplaats beschikbaar is;
  • g. door de bed en breakfast voorziening geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden en de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven ontstaat.

8.5 wijzigingsbevoegdheid

Omschakeling van detailhandel naar wonen

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor het wijzigen van de bestemming 'Detailhandel' in de bestemming 'Wonen' en 'Agrarisch', zonder bouwvlak of 'Agrarisch met waarden', zonder bouwvlak, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. het aantal woningen beperkt dient te blijven tot één dan wel het bestaande aantal  meerdere woningen binnen één woongebouw met een minimale inhoud per wooneenheid van 750 m3 ;
  • b. per woning bijgebouwen zijn toegestaan tot een gezamenlijk oppervlakte van:
    • 1. maximaal 100 m2 per woning binnen een bestemmingsvlak 'Wonen' met een oppervlakte tot 1.000 m2;
    • 2. maximaal 150 m2 per woning binnen een bestemmingsvlak 'Wonen' met een oppervlakte tussen 1.000 m2 en 5.000 m2;
    • 3. maximaal 200 m2 per woning binnen een bestemmingsvlak 'Wonen' waarvan de eigenaar de eigendom heeft van aaneengesloten gronden met een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 , waarvan minimaal 1.000 m2 de bestemming 'Wonen' heeft ;

      b.       per woning, dan wel per woongebouw ten behoeve van meerdere woningen, zijn bijgebouwen toegestaan tot een gezamenlijk oppervlakte van 100 m2, met dien verstande dat bijgebouwen zijn toegestaan tot een gezamenlijk oppervlakte van 200 m2 mits:  
            1.     de grotere oppervlakte noodzakelijk is in verband met het hobbymatig telen van gewassen en/of het houden van dieren;  
            2.     de aanvrager de beschikking heeft over gronden met een oppervlakte van minimaal 5.000 m2 aansluitend aan de bestemming Wonen;  
  • c. sanering plaatsvindt van 50% van de bedrijfsgebouwen ten behoeve van detailhandel met een minimum oppervlak van 500 m2, met uitzondering van monumentale of karakteristieke  bebouwing;
  • d. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • e. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

Artikel 9 Groen - Landschappelijke beplanting

9.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen - Landschappelijke beplanting' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de ontwikkeling en de instandhouding van landschappelijke beplanting;
  • b. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van landschappelijke waarden en natuurwaarden;
  • c. water en voorzieningen voor de waterhuishouding;
  • d. bestaande in- en uitritten;
  • e. hobbymatige beweiding door vee, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch'.

met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bestaande nutsvoorzieningen.

9.2 bouwregels

Bebouwing is niet  Uitsluitend de bestaande gebouwde nutsvoorzieningen zijn toegestaan.

9.3 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.3.1

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 9.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden;
  • c. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van aanwezige waterlopen;
  • d. het aanbrengen van ondergrondse en bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • e. het verwijderen, rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen.

9.3.2

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.3.1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden en/of natuurwaarden van het gebied en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen.

9.3.3

Geen omgevingsvergunning als bedoeld in 9.3.1 is nodig voor:

  • a. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
  • b. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden  inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende omgevingsvergunning.

Artikel 10 Horeca

10.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. horeca als bedoeld in bijlage 2 kolom type bedrijf;
  • b. wonen in maximaal één bedrijfswoning per bedrijf, dan wel het grotere bestaande aantal met dien verstande dat geen bedrijfswoning is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten';
  • c. aan huis verbonden beroepen, met dien verstande dat het vloeroppervlak dat (mede) wordt gebruikt voor de uitoefening van het beroep niet meer mag bedragen dan 40% van het vloeroppervlak van de woning en niet meer dan 50% van het gezamenlijk vloeroppervlak van de woning en bijbehorende gebouwen, met een maximum van 150 m2;

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven en bestaande nutsvoorzieningen.

10.2 bouwregels
10.2.1

Bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. goothoogte maximaal 6 m;
  • b. bouwhoogte van:
    • 1. gebouwen ten behoeve van horeca maximaal 10 m;
    • 2. bedrijfswoningen maximaal 10 m;
  • c. oppervlakte bedrijfsgebouwen maximaal de in bijlage 2 kolom toegestane m2 bij recht per bedrijf aangegeven oppervlakte;
  • d. inhoud bedrijfswoning maximaal 750 m3;
  • e. afstand tot de perceelsgrens minimaal 5 m, dan wel de bestaande kleinere afstand.

10.2.2

Bijgebouwen bij de bedrijfswoning voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. gezamenlijke oppervlakte per bedrijfswoning maximaal 100 m2;
  • b. gebouwd op een afstand van minimaal 1 m achter het verlengde van de voorgevel van de bedrijfswoning;
  • c. goothoogte is maximaal 3 m;
  • d. bouwhoogte is maximaal 6 m.

10.2.3

Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal:

  • a. erf- en terreinafscheidingen 2 m;
  • b. overkappingen 2,7 m;
  • c. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 4,5 m.

10.2.4

De gezamenlijke oppervlakte van bouwwerken geen gebouwen zijnde in de vorm van overkappingen bedraagt maximaal 20 m2.

10.3 afwijken van de bouwregels
10.3.1 afstand tot perceelgrens

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 10.2.1 onder e voor het bouwen van gebouwen tot in de perceelgrens, mits:

  • a. de afstand tot een aangrenzend perceel of de openbare weg met de bestemming 'Verkeer' of de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' tenminste 3 meter bedraagt;
  • b. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • c. voor zover het geluidgevoelige functies betreft, wordt gebouwd met inachtneming van het bepaalde in artikel 39.3.

10.3.2 bouwen tot voor de voorgevel van de bedrijfswoning

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 10.2 voor de bouw van een erker en/of een luifel bij de bedrijfswoning waarvan:

  • 1. de diepte gemeten loodrecht op de voorgevel niet meer bedraagt dan 1,25 meter, waarbij de afstand tot het openbaar toegankelijk gebied minimaal 2,50 meter bedraagt;
  • 2. de breedte niet meer bedraagt dan 2/3 deel van de breedte van de gevel;
  • 3. de hoogte niet meer bedraagt 0,30 meter boven de vloer van de eerste bouwlaag van de woning.

Artikel 11 Landgoed

11.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Landgoed' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de instandhouding van een landgoed als integrale beheerseenheid;
  • b. wonen ter plaatse van de aanduiding 'wonen';
  • c. de uitoefening van een agrarisch bedrijf ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch' met dien verstande dat:
    • 1. bloembollenteelt- en sierteeltbedrijven en glastuinbouwbedrijven niet zijn toegestaan;
    • 2. intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' uitsluitend is toegestaan op de adressen zoals opgenomen in bijlage 1 binnen de aangegeven staloppervlakte;
    • 3. intensieve veehouderij op overige gronden is toegestaan tot maximaal 1 ha dan wel de bestaande grotere oppervlakte;
    • 4. overige zelfstandige niet-grondgebonden agrarische bedrijven niet zijn toegestaan;
  • d. aan huis verbonden beroepen, met dien verstande dat het vloeroppervlak dat (mede) wordt gebruikt voor de uitoefening van het beroep niet meer mag bedragen dan 40% van het vloeroppervlak van de woning en niet meer dan 50% van het gezamenlijk vloeroppervlak van de woning en bijbehorende gebouwen, met een maximum van 150 m2;
  • e. waterlopen;
  • f. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van landschappelijke, natuur-, ecologische en cultuurhistorische waarden;
  • g. verblijfsrecreatieve activiteiten met maximaal 50 standplaatsen ten behoeve van kampeermiddelen en bijbehorende parkeervoorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsrecreatie';
  • h. maatschappelijke voorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk';
  • i. een zorgboerderij ter plaatse van de aanduiding 'zorgboerderij';
  • j. een recreatieve kijktuin met een daarbij behorende seizoenstent ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van tuin - kijktuin';
  • k. extensieve dagrecreatie;

met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden en bestaande nutsvoorzieningen.

11.2 bouwregels
11.2.1

Uitsluitend de bestaande gebouwen zijn toegestaan.

11.2.2

In afwijking van het bepaalde in artikel 11.2.1 mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van tuin - kijktuin' een gebouw in de vorm van een seizoenstent worden gebouwd. Deze voldoet aan de volgende kenmerken:

  • a. de seizoenstent is uitsluitend toegestaan gedurende de periode van 1 maart tot en met 31 oktober;
  • b. de oppervlakte bedraagt maximaal 100 m2;
  • c. de bouwhoogte bedraagt maximaal 8 m.

11.2.3

In afwijking van het bepaalde in artikel 11.2.1 mag ter plaatse van de aanduiding 'zorgboerderij' de oppervlakte gebouwen maximaal bedragen de in bijlage 2 kolom toegestane m2 bij recht per locatie aangegeven en voldoet aan de volgende kenmerken:

  • a. de goothoogte bedraagt maximaal de bestaande goothoogte;
  • b. de bouwhoogte bedraagt maximaal de bestaande bouwhoogte.

11.2.4

Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal:

  • a. erfafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel 2 m;
  • b. erfafscheidingen voor (het verlengde van) de voorgevel 1 m;
  • c. overkappingen 2,7 m;
  • d. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 1,5 m.

11.2.5

Sleufsilo's, kuilvoerplaten, voedersilo's en mestopslagplaatsen mogen niet buiten de aanduiding 'agrarisch' worden gebouwd.

11.2.6

In afwijking van het bepaalde in artikel 11.2.4 voldoen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch' aan de volgende kenmerken:

  • a. bouwhoogte van voedersilo's maximaal 15 m;
  • b. bouwhoogte mestopslagplaatsen maximaal 7,5 m;
  • c. bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 6 m.

11.2.7

De gezamenlijke oppervlakte van bouwwerken geen gebouwen zijnde in de vorm van overkappingen, voor zover gelegen buiten de aanduiding 'agrarisch', bedraagt maximaal 20 m2.

11.3 afwijken van de bouwregels
11.3.1 vergroting oppervlakte agrarische bedrijfsgebouwen

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 11.2.1 voor het eenmalig vergroten van het oppervlakte aan agrarische bedrijfsgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch', mits:

  • a. noodzakelijk in het kader van een doelmatige uitoefening van het agrarisch bedrijf;
  • b. de situering geen onevenredige afbreuk doet aan de landschappelijke, natuurlijke en/of cultuurhistorische waarden;
  • c. de vergroting van het gezamenlijke oppervlakte aan bedrijfsgebouwen per agrarisch bedrijf niet meer dan 1.000 m2 bedraagt;
  • d. de goothoogte niet hoger wordt dan 6 m en de bouwhoogte niet hoger wordt dan 10 m.

11.3.2 vergroting staloppervlak in verband met dierenwelzijn of betere bedrijfsvoering

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 11.1 sub c onder 2 voor het vergroten van het staloppervlak ten behoeve van het houden van dieren, met dien verstande dat deze bevoegdheid uitsluitend mag worden toegepast in verband met dierenwelzijn of een betere bedrijfsvoering waarbij het aantal dierplaatsen niet wordt vergroot.

11.3.3 vergroting oppervlakte bijgebouwen bij woning

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 11.2.1 voor het vergroten van het oppervlakte van bijgebouwen bij woningen, mits:

  • a. de situering geen onevenredige afbreuk doet aan de landschappelijke, natuurlijke en/of cultuurhistorische waarden;
  • b. het gezamenlijk oppervlakte aan bijgebouwen per woning niet meer bedraagt dan 100 m2;
  • c. de goothoogte niet hoger wordt dan 3 m;
  • d. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning.

11.3.4 sleufsilo's, kuilvoerplaten en mestopslagplaatsen buiten de aanduiding 'agrarisch'

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 11.2.5 voor het toestaan van sleufsilo's, kuilvoerplaten en mestopslagplaatsen buiten de aanduiding 'agrarisch' en het toestaan van sleufsilo's tot een hoogte van maximaal 2,5 meter, mits:

  • a. wordt aangetoond dat de vergroting noodzakelijk is voor een doelmatige uitvoering van de agrarische bedrijfsvoering;
  • b. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning.

11.3.5 oprichten beheersgebouw

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 11.2.1 voor het bouwen van een beheersgebouw ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsrecreatie', mits:

  • a. de oppervlakte niet groter is dan 50 m2;
  • b. de goothoogte niet hoger is dan 3 m;
  • c. de bouwhoogte niet hoger is dan 6 m;
  • d. de situering geen onevenredige afbreuk doet aan de landschappelijke, natuurlijke en/of cultuurhistorische waarden.

11.3.6 bouwen tot voor de voorgevel van een woning

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 11.2 voor de bouw van een erker en/of een luifel bij de woning waarvan:

  • 1. de diepte gemeten loodrecht op de voorgevel niet meer bedraagt dan 1,25 meter, waarbij de afstand tot het openbaar toegankelijk gebied minimaal 2,50 meter bedraagt;
  • 2. de breedte niet meer bedraagt dan 2/3 deel van de breedte van de gevel;
  • 3. de hoogte niet meer bedraagt 0,30 meter boven de vloer van de eerste bouwlaag van de woning.
11.4 afwijken van de gebruiksregels
11.4.1 nevenactiviteiten milieuvriendelijk niet-agrarische bedrijvigheid

11.4.1 nevenactiviteiten milieuvriendelijk bij agrarische bedrijven

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 11.1 voor het toestaan van bij het agrarische bedrijf behorende en daaraan ondergeschikte activiteiten ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch', mits:

  • a. het milieuvriendelijk niet-agrarische bedrijvigheid betreft -waarbij kan worden gedacht aan zuivelverwerking, imkerij, ijsmakerij, riet- en vlechtwerk/rietdekker, meubelmaker alsmede opslag van boten of caravans en daarmee vergelijkbare bedrijfsactiviteiten;
  • b. maximaal 25% van de bestaande bebouwing wordt aangewend voor de nevenactiviteit, met een absoluut maximum van 500 m2 met uitzondering van de inpandige opslag van caravans waarvoor een absoluut maximum van 1.000 m2 geldt;
  • c. het een bed en breakfast voorziening betreft in de woning en bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat:
    • 1. in afwijking van het bepaalde onder b het gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening niet meer bedraagt dan 40% van het gebruiksvloeroppervlak van de woning en bedrijfsgebouwen met een gezamenlijk oppervlak van maximaal 100 m2;
    • 2. onder de  het gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening wordt gerekend een bad-, douche- en toiletruimte(n) die niet gedeeld worden met de (hoofd)bewoner(s) van de woning en maximaal 4 slaapkamers en een gemeenschappelijke ruimte, waarvan de oppervlakte niet meer dan 30 m2 bedraagt, en welke gemeenschappelijke ruimte niet meetelt als gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening. Indien op hetzelfde bouwperceel een theeschenkerij wordt uitgeoefend, dan bedraagt de gebruiksvloeroppervlakte ten behoeve van de gemeenschappelijke ruimte voor de bed en breakfast voorziening en ten behoeve van de theeschenkerij gezamenlijk niet meer dan 30 m2 ;
    • 3. de bed en breakfast voorziening uitsluitend wordt geëxploiteerd door de (hoofd)bewoners van de woning;
    • 4. een separate kookvoorziening niet is toegestaan;
    • 5. in aanvulling op artikel 39.4.1, geldt dat op eigen terrein per slaapkamer minimaal één parkeerplaats beschikbaar is;
    • 6. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  • d. er geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  • e. de nieuwe nevenactiviteit niet tot verkeerskundige aanpassingen in de vorm van de aanleg van nieuwe wegen noodzaakt;
  • f. er geen buitenopslag ten behoeve van de nevenactiviteit plaatsvindt;
  • g. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • h. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad
  • i. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning.

11.4.2 verruimde nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 11.1 en in aanvulling op het bepaalde in artikel 11.4.1 ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch' voor het bouwen van 200 m2 aan nieuwbouw ten behoeve van de bij het agrarische bedrijf behorende en daaraan ondergeschikte activiteiten en/of verruiming van de toegestane maximale maat met maximaal 20%, mits uit een landschapsplan blijkt dat er sprake is van een aantoonbare verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in en rondom de locatie, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning.

11.4.3 kleinschalige kampeerterreinen bij agrarische bedrijven

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 11.1 voor het toestaan van een kleinschalig kampeerterrein ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch', mits:

  • a. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning;
  • b. geen stacaravans  geen bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf worden geplaatst;
  • c. de omgevingsvergunning er niet toe mag leiden dat het gezamenlijk aantal kampeerplaatsen op kleinschalige kampeerterreinen binnen de gemeente Elburg meer bedraagt dan 250;
  • d. de (sanitaire) voorzieningen binnen de op het moment van het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande bebouwing worden opgericht met een maximale oppervlakte van 50 m2;
  • e. indien het onder b gesteld niet mogelijk is, maximaal één gebouw met een oppervlak van maximaal 50 m2 ten behoeve van de (sanitaire) voorzieningen worden opgericht, binnen het bouwvlak;
  • f. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid binnen het terrein ten behoeve van het kleinschalig kamperen;
  • g. er geen aanpassing of verharding van de infrastructuur buiten het bouwvlak noodzakelijk is;
  • h. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • i. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.

11.4.4 aan huis verbonden bedrijf bij woningen

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 11.1 voor het toestaan van aan huis verbonden bedrijven ter plaatse van de aanduiding 'wonen', mits:

  • a. de oppervlakte dat in gebruik wordt genomen maximaal 150 m2 bedraagt;
  • b. de uitoefening van het aan huis verbonden bedrijf in de woning en/of in bijbehorende gebouwen plaatsvindt waarbij niet meer dan 50% van het gezamenlijk vloeroppervlak van de woning en bijbehorende gebouwen en niet meer dan 40% van het vloeroppervlak van de woning wordt gebruikt voor het aan huis verbonden bedrijf.

11.4.5 bed en breakfast bij wonen

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 11.1 voor het toestaan van bed en breakfast voorzieningen in een woning en een bijgebouw bij de woning ter plaatse van de aanduiding 'wonen', met dien verstande dat:

  • a. het gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening niet meer bedraagt dan 40% van het gebruiksvloeroppervlak van de woning en het bijgebouw, met een gezamenlijk oppervlak van maximaal 100 m2 ; , waarvan maximaal 50 m2 in het bijgebouw.
  • b. onder de  het gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening wordt gerekend een bad-, douche- en toiletruimte(n) die niet gedeeld worden met de (hoofd)bewoner(s) van de woning en maximaal 4 slaapkamers en een gemeenschappelijke ruimte, waarvan de oppervlakte niet meer dan 30 m2 bedraagt, en welke gemeenschappelijke ruimte niet meetelt als gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening. Indien op hetzelfde bouwperceel een theeschenkerij wordt uitgeoefend, dan bedraagt de gebruiksvloeroppervlakte ten behoeve van de gemeenschappelijke ruimte voor de bed en breakfast voorziening en ten behoeve van de theeschenkerij gezamenlijk niet meer dan 30 m2 ;
  • c. wanneer het een vrijstaand bijgebouw betreft, deze op minimaal 3 meter van de erfgrens staat;
  • d. de bed en breakfast voorziening uitsluitend wordt geëxploiteerd door de (hoofd)bewoners van de woning;
  • e. een separate kookvoorziening niet is toegestaan;
  • f. in aanvulling op artikel 39.4.1, geldt dat op eigen terrein per slaapkamer minimaal één parkeerplaats beschikbaar is;
  • g. door de bed en breakfast voorziening geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden en de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven ontstaat.

11.4.6 bed en breakfast bij agrarische bedrijven

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 11.1, voor het toestaan van bed en breakfast voorzieningen in een woning, een bijgebouw bij de woning en in bedrijfsgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch', met dien verstande dat:

  • a. het gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening niet meer bedraagt dan 40% van het gebruiksvloeroppervlak van de woning, het bijgebouw en bedrijfsgebouwen met een gezamenlijk oppervlak van maximaal 100 m2;
  • b. onder de  het gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening wordt gerekend een bad-, douche- en toiletruimte(n) die niet gedeeld worden met de (hoofd)bewoner(s) van de woning en maximaal 4 slaapkamers en een gemeenschappelijke ruimte, waarvan de oppervlakte niet meer dan 30 m2 bedraagt, en welke gemeenschappelijke ruimte niet meetelt als gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening. Indien op hetzelfde bouwperceel een theeschenkerij wordt uitgeoefend, dan bedraagt de gebruiksvloeroppervlakte ten behoeve van de gemeenschappelijke ruimte voor de bed en breakfast voorziening en ten behoeve van de theeschenkerij gezamenlijk niet meer dan 30 m2 ;
  • c. de bed en breakfast voorziening uitsluitend wordt geëxploiteerd door de (hoofd)bewoners van de woning;
  • d. een separate kookvoorziening niet is toegestaan;
  • e. in aanvulling op artikel 39.4.1, geldt dat op eigen terrein per slaapkamer minimaal één parkeerplaats beschikbaar is;
  • f. door de bed en breakfast voorziening geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden en de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven ontstaat.

11.4.7 recreatief rustpunt bij wonen

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 11.1 voor het toestaan van een recreatief rustpunt ter plaatse van de aanduiding 'wonen', mits:

  • a. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • b. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • c. parkeren ten behoeve van het gebruik op eigen terrein plaatsvindt.

11.4.8 paardenbakken

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 11.1 voor het gebruik van de gronden ten behoeve van een paardenbak, met in achtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. de paardenbak is uitsluitend toegestaan op gronden ter plaatse van de aanduidingen 'wonen' en/of 'agrarisch' dan wel direct aangrenzend aan deze gronden;
  • b. de oppervlakte van de paardenbak bedraagt maximaal 800 m2;
  • c. het zicht op het vrije veld door de paardenbak mag niet onevenredig worden aangetast;
  • d. aangetoond wordt dat de paardenbak in overeenstemming is met het Landschapsontwikkelingsplan Elburg, zoals dat geldt op het tijdstip van indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning.
11.5 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.5.1

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 11.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het beplanten van gronden met houtgewassen, ter plaatse waar de gronden op het tijdstip van het van kracht worden  inwerkingtreding van het plan niet reeds met houtgewassen waren beplant;
  • b. het verwijderen, rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;
  • c. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van aanwezige waterlopen;
  • d. het vergroten, verbreden, aanleggen en/of verharden van wegen, paden en andere oppervlakteverhardingen;
  • e. het ontginnen, bodemverlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem.

11.5.2

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.5.1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en/of natuurwaarden en/of de ecologische waarden en/of de cultuurhistorische waarden van het gebied en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen.

11.5.3

Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.5.1 is nodig voor:

  • a. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
  • b. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden  inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van de een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende omgevingsvergunning.
11.6 wijzigingsbevoegdheid
11.6.1 omschakeling naar niet-agrarisch bedrijf

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor het toestaan van een niet-agrarisch bedrijf ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch', mits:

  • a. het kleinschalige woon-werkcombinaties betreft:
    • 1. voor natuur- en landschapsbeheer en -educatie – waarbij gedacht kan worden aan een bezoekerscentrum –;
    • 2. voor recreatie – waarbij gedacht kan worden aan een theetuin, groepsaccommodatie of boerengolf –;
    • 3. voor zorg – waarbij gedacht kan worden aan dagverblijf, beautycentrum of dierenkliniek –;
  • b. er geen sprake is van detailhandel anders dan verkoop van ter plaatse geproduceerde artikelen ondergeschikt aan de hoofdfunctie;
  • c. de maximale gebruiksoppervlakte ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten binnen de bestaande met een omgevingsvergunning voor het bouwen gebouwde gebouwen, die minimaal gedurende drie jaar in agrarisch gebruik zijn geweest, niet meer bedraagt dan 500 m2 voor kleinschalige woon-werkcombinaties voor natuur- en landschapsbeheer en -educatie en 1.000 m2 voor kleinschalige woon-werkcombinaties voor recreatie en zorg en het meerdere aan bedrijfsgebouwen, welke niet als monumentaal of karakteristiek kunnen  kan worden aangemerkt, wordt gesloopt;
  • d. in aanvulling op het bepaalde onder c  onder d mag tevens 250 m2 aan nieuwbouw worden gebouwd ten behoeve van de toegestane niet-agrarische bedrijvigheid en/of mag de toegestane maximale maat als genoemd onder c met maximaal 20% worden verruimd, mits er sprake is van een aantoonbare verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in en rondom de locatie;

e.   er geen buitenopslag plaatsvindt;  

  • e. buitenopslag uitsluitend wordt toegestaan:
    • 1. tot een oppervlakte van maximaal 250 m2;
    • 2. als buitenopslag plaatsvindt op een aaneengesloten gedeelte van het bouwperceel, aansluitend aan de bestaande bedrijfsbebouwing;
  • f. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na vaststelling van het wijzigingsplan;
  • g. er geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  • h. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  • i. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • j. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • k. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

11.6.2 verruimde mogelijkheden omschakeling naar niet-agrarisch bedrijf

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in aanvulling op het bepaalde in artikel 11.6.1 voor het toestaan van 200 m2 aan nieuwbouw ten behoeve van de toegestane niet-agrarische bedrijvigheid en/of verruiming van de toegestane maximale maat met maximaal 20%, mits:

  • a. uit een landschapsplan blijkt dat er sprake is van een aantoonbare verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in en rondom de locatie, met dien verstande dat verbetering van de ruimtelijke kwaliteit moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na vaststelling van het wijzigingsplan;
  • b. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

11.6.3 wijziging ten behoeve van woningsplitsing

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor het splitsen van een woning  woningen in twee woningen waarbij een karakteristiek (voormalig) agrarisch bedrijfsgebouw, dat is aangebouwd aan de bestaande bedrijfswoning  woning in gebruik mag worden genomen voor de woonfunctie, mits:

  • a. het te splitsen gebouw een inhoud heeft van minimaal 1.200 m3   900 m3 ;
  • b. na splitsing geen verdere vergroting van de gesplitste woningen plaatsvindt;
  • c. de bijgebouwen zodanig worden gesplitst dat iedere woning maximaal 100 m2 krijgt en het meerdere wordt gesloopt, tenzij het monumentale of karakteristieke bebouwing betreft;
  • d. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • e. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • f. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

11.6.4 omschakeling naar wonen

Burgemeester en wethouders kunnen het plan ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch' wijzigen in de bestemming 'Wonen' en 'Agrarisch', zonder bouwvlak of 'Agrarisch met waarden', zonder bouwvlak, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. het aantal woningen beperkt dient te blijven tot het bestaande aantal woningen;
  • b. per woning bijgebouwen zijn toegestaan tot een gezamenlijk oppervlakte van:
    • 1. maximaal 100 m2 per woning binnen een bestemmingsvlak 'Wonen' met een oppervlakte tot 1.000 m2;
    • 2. maximaal 150 m2 per woning binnen een bestemmingsvlak 'Wonen' met een oppervlakte tussen 1.000 m2 en 5.000 m2;
    • 3. maximaal 200 m2 per woning binnen een bestemmingsvlak 'Wonen' waarvan de eigenaar de eigendom heeft van aaneengesloten gronden met een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 , waarvan minimaal 1.000 m2 de bestemming 'Wonen' heeft;

      b.     per woning zijn bijgebouwen toegestaan tot een gezamenlijk oppervlakte van 100 m2, met dien verstande dat bijgebouwen zijn toegestaan tot een gezamenlijk oppervlakte van 200 m2 mits:  
            1.     de grotere oppervlakte noodzakelijk is in verband met het hobbymatig telen van gewassen en/of het houden van dieren;  
            2.     de aanvrager de beschikking heeft over gronden met een oppervlakte van minimaal 5.000 m2 aansluitend aan de bestemming Wonen;  
  • c. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • d. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • e. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

Artikel 12 Maatschappelijk

12.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. maatschappelijke voorzieningen als bedoeld in bijlage 2 kolom type bedrijf;
  • b. wonen in maximaal één bedrijfswoning per bedrijf, dan wel het grotere bestaande aantal met dien verstande dat geen bedrijfswoning toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten';
  • c. een antennemast ten behoeve van telecommunicatie ter plaatse van de aanduiding 'zend-/ontvangstinstallatie';
  • d. aan huis verbonden beroepen, met dien verstande dat het vloeroppervlak dat (mede) wordt gebruikt voor de uitoefening van het beroep niet meer mag bedragen dan 40% van het vloeroppervlak van de woning en niet meer dan 50% van het gezamenlijk vloeroppervlak van de woning en bijbehorende gebouwen, met een maximum van 150 m2;

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven en bestaande nutsvoorzieningen.

12.2 bouwregels
12.2.1

Bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bebouwing uitgesloten';
  • b. goothoogte maximaal 6 m;
  • c. bouwhoogte van:
    • 1. bedrijfsgebouwen maximaal 12 m;
    • 2. bedrijfswoningen maximaal 10 m;
  • d. oppervlakte bedrijfsgebouwen maximaal de in bijlage 2 kolom toegestane m2 bij recht per bedrijf aangegeven oppervlakte;
  • e. afstand tot de perceelsgrens minimaal 5 m, dan wel de bestaande kleinere afstand;
  • f. inhoud van de bedrijfswoning maximaal 750 m3 , met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum volume (m3)' de gezamenlijke inhoud van bedrijfswoningen binnen het betrokken vlak, maximaal de ter plaatse aangegeven grotere inhoud is toegestaan .

12.2.2

Bijgebouwen bij de bedrijfswoning voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. gezamenlijke oppervlakte per bedrijfswoning maximaal 100 m2;
  • b. gebouwd op een afstand van minimaal 1 m achter het verlengde van de voorgevel van de bedrijfswoning;
  • c. goothoogte is maximaal 3 m;
  • d. bouwhoogte is maximaal 6 m.

12.2.3

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. bouwhoogte maximaal:
    • 1. antennemast t.b.v. telecommunicatie ter plaatse van de aanduiding 'zend-/ontvangstinstallatie' 45 m;
    • 2. erf- en terreinafscheidingen 2 m;
    • 3. overkappingen 2,7 m;
    • 4. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 6 m;
  • b. de situering ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - oudheidkundig monument' mag niet worden gewijzigd.

12.2.4

De gezamenlijke oppervlakte van bouwwerken geen gebouwen zijnde in de vorm van overkappingen bedraagt maximaal 20 m2.

12.3 afwijken van de bouwregels
12.3.1 Vergroting oppervlakte

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 12.2.1 onder d voor het (eenmalig) vergroten van de oppervlakte tot maximaal de oppervlakte als aangegeven in bijlage 2 kolom toegestane m2 na afwijking per bedrijf, mits:

  • a. noodzakelijk in het kader van een doelmatige uitoefening van de maatschappelijke voorziening;
  • b. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • c. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • d. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning.

12.3.2 bouwen tot voor de voorgevel van de bedrijfswoning

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 12.2 voor de bouw van een erker en/of een luifel bij de bedrijfswoning waarvan:

  • 1. de diepte gemeten loodrecht op de voorgevel niet meer bedraagt dan 1,25 meter, waarbij de afstand tot het openbaar toegankelijk gebied minimaal 2,50 meter bedraagt;
  • 2. de breedte niet meer bedraagt dan 2/3 deel van de breedte van de gevel;
  • 3. de hoogte niet meer bedraagt 0,30 meter boven de vloer van de eerste bouwlaag van de woning.
12.4 afwijken van de gebruiksregels
12.4.1 andere maatschappelijke voorziening

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 12.1 voor het toestaan van een andere maatschappelijke voorziening dan ter plaatse is toegestaan, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

12.4.2 afstand tot perceelgrens

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 12.2.1 onder e voor het bouwen van gebouwen tot in de perceelgrens, mits:

  • a. de afstand tot een aangrenzend perceel of de openbare weg met de bestemming 'Verkeer' of de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' tenminste 3 meter bedraagt;
  • b. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • c. voor zover het geluidgevoelige functies betreft, wordt gebouwd met inachtneming van het bepaalde in artikel 39.3.

Artikel 13 Maatschappelijk - Militair terrein 1

13.1 bestemmingsomschrijving
13.1.1

De voor 'Maatschappelijk - Militair terrein 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. defensiedoeleinden;
  • b. een raccordement ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - raccordement';
  • c. bedrijfswoningen;
  • d. aan huis verbonden beroepen, met dien verstande dat het vloeroppervlak dat (mede) wordt gebruikt voor de uitoefening van het beroep niet meer mag bedragen dan 40% van het vloeroppervlak van de woning en niet meer dan 50% van het gezamenlijk vloeroppervlak van de woning en bijbehorende gebouwen, met een maximum van 150 m2;
  • e. een zonnepark voor de opwekking van duurzame energie in de vorm van zonne-energie, met dien verstande dat de gezamenlijke bruto oppervlakte van gronden ten dienste van een zonnepark niet meer mag bedragen dan 10.000 m2;
  • f. gasdrukmeet- en regelstations, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening';

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, water, voorzieningen voor de waterhuishouding en bestaande nutsvoorzieningen.

13.1.2

Het aantal bedrijfswoningen bedraagt maximaal het ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' aangegeven aantal toegestane woningen.

13.2 bouwregels
13.2.1

Gebouwen voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. goothoogte van:
    • 1. een raccordement maximaal 3,5 m;
    • 2. bedrijfswoningen maximaal 6 m;
  • b. bouwhoogte van:
    • 1. een raccordement maximaal 6 m;
    • 2. bedrijfsgebouwen maximaal 12 m;
    • 3. bedrijfswoningen maximaal 10 m;
  • c. het gezamenlijke oppervlak van gebouwen maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak (m2)' aangegeven oppervlak;
  • d. afstand tot de bestemmingsgrens minimaal 10 m, met uitzondering van gebouwen met een inhoud van maximaal 75 m3;
  • e. inhoud bedrijfswoning maximaal 750 m3.

13.2.2

Bijgebouwen bij de bedrijfswoning voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. gezamenlijke oppervlakte per bedrijfswoning maximaal 100 m2;
  • b. gebouwd op een afstand van minimaal 1 m achter het verlengde van de voorgevel van de bedrijfswoning;
  • c. goothoogte is maximaal 3 m;
  • d. bouwhoogte is maximaal 6 m.

13.2.3

Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal:

  • a. terreinafscheidingen 3 m;
  • b. overkappingen 2,7 m;
  • c. niet op een dak geplaatste zonnecollectoren 1,5 m;
  • d. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 25 m.

13.2.4

De gezamenlijke oppervlakte van bouwwerken geen gebouwen zijnde in de vorm van overkappingen bedraagt maximaal 20 m2.

13.3 afwijken van de bouwregels
13.3.1 Bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 13.2.3 onder d voor bouwen van hogere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een maximale bouwhoogte van 40 m.

13.3.2 Oppervlakte en bouwhoogte overkappingen

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 13.2.3 onder b en van artikel 13.2.4 voor het bouwen van overkappingen tot een bouwhoogte van 8 m en een totale gezamenlijke oppervlakte van maximaal 10.000 m2, uitsluitend indien de overkapping dient voor het plaatsen van zonnecollectoren en voor het overkapt parkeren, mits:

  • a. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • b. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad.

Artikel 14 Maatschappelijk - Militair terrein 2

14.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Maatschappelijk - Militair terrein 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een militair oefenterrein;
  • b. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van landschappelijke, ecologische waarden en natuurwaarden;
  • c. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;
  • d. extensieve dagrecreatie;

met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden en bestaande nutsvoorzieningen.

14.2 bouwregels
14.2.1

Gebouwen mogen niet worden gebouwd.

14.2.2

Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 3 m  1 m .

14.3 afwijken van de bouwregels
14.3.1 voederberging en bouwwerken t.b.v. brandpreventie

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 14.2 voor de bouw van:

  • a. een voederberging, mits:
    • 1. deze berging noodzakelijk is voor de instandhouding van de wildstand;
    • 2. het oppervlak per berging niet groter wordt dan 6 m2;
    • 3. de bouwhoogte niet hoger wordt dan 2,5 m;
  • b. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de brandpreventie, mits de bouwhoogte niet hoger wordt dan 25 m.

14.3.2 bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 14.2.2 voor het bouwen van hogere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de defensiedoeleinden, mits:

  • a. de bouwhoogte niet hoger wordt dan 45 m;
  • b. de situering geen onevenredige afbreuk doet aan de landschappelijke, natuurlijke en ecologische waarden.
14.4 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
14.4.1

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 14.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden;
  • c. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van aanwezige waterlopen;
  • d. het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden en/of aanleg- en vissteigers;
  • e. het aanbrengen van ondergrondse en bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • f. het beplanten van gronden met houtgewassen, ter plaatse waar de gronden op het tijdstip van het van kracht worden  inwerkingtreding van het plan niet reeds met houtgewassen waren beplant;
  • g. het verwijderen, rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen.

14.4.2

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden, ecologische waarden en/of natuurwaarden van het gebied en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen.

14.4.3

Geen omgevingsvergunning als bedoeld in 14.4.1 is nodig voor:

  • a. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die worden uitgevoerd ten behoeve van het militair oefenterrein;
  • b. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
  • c. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het moment  tijdstip van het van kracht worden  inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende omgevingsvergunning.

Artikel 15 Natuur

15.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van landschappelijke, ecologische waarden en natuurwaarden;
  • b. multifunctionele bosbouw;
  • c. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;
  • d. extensieve dagrecreatie;

met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden en bestaande nutsvoorzieningen.

15.2 bouwregels
15.2.1

Gebouwen mogen niet worden gebouwd.

15.2.2

Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 1 m.

15.3 afwijken van de bouwregels

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 15.2 voor de bouw van:

  • a. een voederberging, mits:
    • 1. deze berging noodzakelijk is voor de instandhouding van de wildstand;
    • 2. het oppervlak per berging niet groter wordt dan 6 m2;
    • 3. de bouwhoogte niet hoger wordt dan 2,5 m;
  • b. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de brandpreventie, mits de bouwhoogte niet hoger wordt dan 25 m;
  • c. een beheersgebouw, mits:
    • 1. dit beheersgebouw noodzakelijk is ten behoeve van beheer en onderhoud van het gebied;
    • 2. het oppervlak niet groter wordt dan 150 m2;
    • 3. de goothoogte niet hoger wordt dan 3 m;
    • 4. de bouwhoogte niet hoger wordt dan 7 m;
    • 5. de situering geen onevenredige afbreuk doet aan de landschappelijke, ecologische waarden en de natuurwaarden.
15.4 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
15.4.1

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 15.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden;
  • c. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van aanwezige waterlopen;
  • d. het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden en/of aanleg- en vissteigers;
  • e. het aanbrengen van ondergrondse en bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • f. het beplanten van gronden met houtgewassen, ter plaatse waar de gronden op het tijdstip van het van kracht worden  inwerkingtreding van het plan niet reeds met houtgewassen waren beplant;
  • g. het verwijderen, rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen.

15.4.2

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden, ecologische waarden en/of natuurwaarden van het gebied en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen.

15.4.3

Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.4.1 is nodig voor:

  • a. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
  • b. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het moment  tijdstip van het van kracht worden  inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende omgevingsvergunning.

Artikel 16 Natuur - Houtopstanden

16.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Natuur - Houtopstanden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het behoud, de versterking en/of het herstel van de aan de betreffende gronden eigen zijnde landschappelijke, natuur- en/of cultuurhistorische waarden;
  • b. en de daarbij behorende andere bouwwerken en andere werken.
16.2 Bouwregels

Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd waarbij de bouwhoogte maximaal 1 m mag bedragen.

16.3 Afwijken van de bouwregels

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 16.2 voor de bouw van:

  • a. niet voor bewoning bestemde gebouwen ten dienste van een openbare nutsvoorziening met een grondoppervlak van maximaal 25 m² dat bestaat uit maximaal één bouwlaag en dat niet hoger is dan 3 m, zoals transformatorhuisjes, gemaalgebouwtjes, schakelhuisjes, wachthuisjes, telefooncellen en andere nutsgebouwtjes en andere bouwwerken ten dienste van een openbare (nuts)voorziening, met een maximale bouwhoogte van 15 m, zoals antennemasten, lichtmasten, kunstobjecten.
16.4 Specifieke gebruiksregels
16.4.1

Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt mede verstaan:

  • a. opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen;
  • b. de opslag van gebruiksklare en onklare dan wel aan hun bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen hiervan;
  • c. het plaatsen van of geplaatst houden van onderkomens.

16.4.2

Het bepaalde in artikel 16.4.1, onder a, is niet van toepassing voorzover het betreft het tijdelijk opslaan van materialen en werktuigen welke nodig zijn voor de realisering en/of handhaving van de bestemming.

16.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
16.5.1

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 16.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden;
  • c. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van aanwezige waterlopen;
  • d. het aanbrengen van ondergrondse en bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
  • e. het verwijderen, rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen.

16.5.2

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 16.5.1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden, ecologische waarden en/of natuurwaarden van het gebied en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen.

16.5.3

Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 16.5.1 is nodig voor:

  • a. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
  • b. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende omgevingsvergunning.

Artikel 17 Recreatie

17.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. recreatieve activiteiten ter plaatse van de aanduiding:
      'volkstuin'   een volkstuinencomplex;  
      'modelvliegtuigbaan'   een modelvliegtuigbaan;  
      'specifieke vorm van recreatie - midgetgolfbaan'   een midgetgolfbaan;  
      'specifieke vorm van recreatie - recreatie havengebied'   extensieve dagrecreatie;  

met bijbehorende bedrijfsgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeer- en groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding en bestaande nutsvoorzieningen.

17.2 bouwregels
17.2.1 Gebouwen, voldoen aan de volgende kenmerken:
  • a. niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bebouwing uitgesloten';
  • b. de oppervlakte van gebouwen maximaal de in bijlage 2 kolom toegestane m2 bij recht per locatie aangegeven oppervlakte, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - recreatie havengebied' de oppervlakte maximaal 450 m2 bedraagt;
  • c. goothoogte maximaal 3 m;
  • d. bouwhoogte maximaal 6 m;
  • e. afstand tot de perceelsgrens minimaal 5 m, dan wel de bestaande kleinere afstand.

17.2.2 Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal:
  • a. erf- en terreinafscheidingen 2 m;
  • b. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 6 m.
17.3 afwijken van de bouwregels
17.3.1 Afstand tot perceelgrens

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 17.2.1 onder e voor het bouwen van gebouwen tot in de perceelgrens, mits:

  • a. de afstand tot een aangrenzend perceel of de openbare weg met de bestemming 'Verkeer' of de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' tenminste 3 meter bedraagt;
  • b. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • c. voor zover het geluidgevoelige functies betreft, wordt gebouwd met inachtneming van het bepaalde in artikel 39.3.

Artikel 18 Recreatie - Recreatiewoning

18.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Recreatie - Recreatiewoning' aangewezen gronden zijn bestemd voor het bestaande aantal recreatiewoningen per bestemmingsvlak met bijbehorende gebouwen,  bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven en bestaande nutsvoorzieningen.

18.2 bouwregels
18.2.1

Hoofdgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. goothoogte maximaal 3 m;
  • b. oppervlakte maximaal 75 m2;
  • c. inhoud maximaal 300 m3 , exclusief bijgebouwen;
  • d. onderkeldering is niet toegestaan.

18.2.2

Bergingen  Bijgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. bouwhoogte maximaal 3,5 m  3m ;
  • b. oppervlakte maximaal 6 m2, met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte van de recreatiewoning en de berging  bijgebouwen niet meer dan 75 m2 mag bedragen.

18.2.3

Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal:

  • a. erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw 1 m;
  • b. erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw 2 m;
  • c. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 2 m.

18.2.4

De gezamenlijke oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van overkappingen bedraagt maximaal 20 m2.

18.2.5

Herbouw van een woning  recreatiewoning is uitsluitend toegestaan op de bestaande locatie binnen het bestemmingsvlak met inachtneming van het bepaalde in artikel 18.2.1.

18.3 afwijken van de bouwregels
18.3.1 verplaatsing van de recreatiewoning

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 18.2.5 ten behoeve van het verplaatsen van de recreatiewoning, mits:

  • a. de recreatiewoning op maximaal 10 m van de bestaande (voormalige) recreatiewoning wordt gebouwd, met dien verstande dat wanneer in verband met het bepaalde in artikel 18.3.1 onder c een grotere afstand vereist is deze afstand wordt aangehouden;
  • b. wordt gebouwd met inachtneming van het bepaalde in artikel 39.3  met betrekking tot wegverkeergeluid een aanvaardbaar verblijfsklimaat wordt gerealiseerd ;
  • c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • d. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
  • e. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning;
  • f. voor het overige wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 18.2.1.
18.4 specifieke gebruiksregels
18.4.1

Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt mede verstaan een gebruik van recreatiewoningen en stacaravans  bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf ten behoeve van permanente bewoning.

18.4.2

In afwijking van het bepaalde in artikel 18.4.1 is permanente bewoning van bestaande recreatiewoningen en stacaravans  bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf die zijn opgenomen in bijlage 5 wel toegestaan.

Artikel 19 Recreatie - Verblijf

19.1 bestemmingsomschrijving
19.1.1

De voor 'Recreatie - Verblijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. verblijfsrecreatie in de vorm van de bedrijfsmatige exploitatie van ter plaatse van de aanduiding:
    'kampeerterrein'   een kampeerterrein ten behoeve van het bestaande aantal kampeerplaatsen en bestaande aantal stacaravans;
    een kampeerterrein ten behoeve van het bestaande aantal kampeerplaatsen, het bestaande aantal bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf en het bestaande aantal kampeermiddelen;  
    'recreatiewoning'   recreatiewoningen;  
    'specifieke vorm van recreatie - groepsaccommodatie'   een groepsaccommodatie;  
    'specifieke vorm van recreatie - scoutingaccommodatie'   een scoutingaccommodatie;  
    'specifieke vorm van recreatie - watersport'   verblijfsrecreatie in combinatie met watersport;  
    'bed & breakfast'
     
    1. een bed & breakfast in maximaal 4 gebouwen;
    2. dagrecreatie in de vorm van wellness;
    3. dagrecreatie in de vorm van vergaderaccommodatie;
    4. horeca, ondergeschikt aan recreatie met een bruto vloeroppervlakte van maximaal 100 m2;  
  • b. wonen in maximaal één bedrijfswoning per bestemmingsvlak, dan wel het grotere bestaande aantal, met dien verstande dat:
    • 1. indien de aanduiding 'bedrijfswoning' is opgenomen, de bedrijfswoning uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is toegestaan;
    • 2. geen bedrijfswoning is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten';
  • c. aan de hoofdfunctie ten dienste staande ondergeschikte horeca met een bruto-vloeroppervlak van maximaal 300 m2 uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein';
  • d. aan de hoofdfunctie ten dienste staande ondergeschikte detailhandel met een bruto-vloeroppervlak van maximaal 300 m2 uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein';
  • e. aan huis verbonden beroepen, met dien verstande dat het vloeroppervlak dat (mede) wordt gebruikt voor de uitoefening van het beroep niet meer mag bedragen dan 40% van het vloeroppervlak van de bedrijfswoning en niet meer dan 50% van het gezamenlijk vloeroppervlak van de bedrijfswoning en bijbehorende gebouwen, met een maximum van 150 m2;

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, sanitaire voorzieningen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven en bestaande nutsvoorzieningen.

19.1.2

In aanvulling op het bepaalde in artikel 19.1.1, gelden voor de gronden ter plaatse van de aanduidingen 'kampeerterrein' en 'recreatiewoning' tevens de volgende bepalingen:

  • a. tenminste 40% van het recreatieterrein dient te worden ingericht ten behoeve van de bij de verblijfsrecreatie behorende voorzieningen;
  • b. in aanvulling op artikel 39.4.1 geldt dat  er dient minimaal 1,3 parkeerplaats per recreatiewoning, bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf  stacaravan en/of kampeermiddel moet  te worden gerealiseerd;
  • c. er mogen niet meer recreatiewoningen worden gebouwd dan voor het betreffende recreatieterrein staat aangegeven in bijlage 4, kolom maximaal aantal recreatiewoningen;
  • d. er mogen niet meer standplaatsen ten behoeve van kampeermiddelen  kampeerplaatsen worden gerealiseerd dan staat aangegeven in bijlage 4, kolom aantal kampeermiddelen  kampeerplaatsen;
  • e. per kampeerplaats mag maximaal 1 bouwwerk ten behoeve van recreatief nacht-verblijf worden gebouwd.

19.1.3

Het aantal ligplaatsen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - watersport' mag niet meer bedragen dan 250.

19.2 bouwregels
19.2.1

Bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. oppervlakte bedrijfsgebouwen maximaal de in bijlage 2 kolom toegestane m2 bij recht per bedrijf aangegeven oppervlakte, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'bed & breakfast':
    • 1. het aantal bedrijfsgebouwen niet meer dan 8 bedraagt, exclusief de bedrijfswoning;
    • 2. bedrijfsgebouwen uitsluitend mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak;
  • b. in afwijking van het bepaalde in artikel 19.2.1 sub a geldt voor de gronden ter plaatse van de aanduidingen 'kampeerterrein' en 'recreatiewoning' een gezamenlijk bebouwingspercentage van 3%;
  • c. goothoogte van:
    • 1. bedrijfsgebouwen maximaal 8 m;
    • 2. bedrijfswoningen maximaal 6 m;
  • d. bouwhoogte van:
    • 1. bedrijfsgebouwen maximaal 12 m;
    • 2. bedrijfswoningen maximaal 10 m;
  • e. afstand tot perceelsgrens minimaal 5 m, dan wel de bestaande kleinere afstand;
  • f. inhoud van de bedrijfswoning maximaal 750 m3.

19.2.2

Recreatiewoningen voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. oppervlakte maximaal 75 m2;
  • b. inhoud maximaal 300 m3 exclusief berging  bijgebouw;
  • c. vrijstaand of maximaal twee aan een gebouwd, waarbij de onderlinge afstand tussen vrijstaande of aaneengebouwde recreatiewoningen minimaal 10 m dient te bedragen;
  • d. afstand tot de perceelsgrens minimaal 5 m, dan wel de bestaande kleinere afstand;
  • e. goothoogte maximaal 3 m;
  • f. onderkeldering is niet toegestaan.

19.2.3

Stacaravans  Bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. oppervlakte maximaal 50 m2;
  • b. goothoogte maximaal 3 m;
  • c. bouwhoogte maximaal 4,5 m.

19.2.4

Bergingen  Bijgebouwen bij recreatiewoningen en stacaravans  bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. gebouwd bij een recreatiewoning of stacaravan  bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf;
  • b. oppervlakte maximaal 6 m2, met dien verstande dat gezamenlijke oppervlakte van de recreatiewoning en de berging  bijgebouwen niet meer dan 75 m2 mag bedragen;
  • c. goothoogte maximaal 3 m.
19.2.5

Bijgebouwen bij de bedrijfswoning voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. gezamenlijke oppervlakte per bedrijfswoning maximaal 100 m2, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2) aan bijgebouwen per woning' maximaal de ter plaatse aangegeven grotere oppervlakte is toegestaan;
  • b. gebouwd op een afstand van minimaal 1 m achter het verlengde van de voorgevel van de bedrijfswoning;
  • c. goothoogte maximaal 3 m;
  • d. bouwhoogte maximaal 6 m.

19.2.6

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij een recreatiewoning of bij een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf  Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal :

  • a. bouwhoogte erf- en terreinafscheidingen maximaal 1m  2 m ;
  • b. bouwhoogte overkappingen maximaal 2,7 m;
  • c. overige  bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 3 m  10 m ;
  • d. gezamenlijke oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van overkappingen maximaal 20 m2 per recreatiewoning of per bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf;

19.2.7

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde op andere gronden dan bedoeld in artikel 19.2.6:

  • a. overkappingen zijn niet toegestaan;
  • b. bouwhoogte erf- en terreinafscheidingen maximaal 1 m;
  • c. bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 3 m.

De gezamenlijke oppervlakte van bouwwerken geen gebouwen zijnde in de vorm van overkappingen bedraagt maximaal 20 m2.

19.3 afwijken van de bouwregels
19.3.1 afstand tot perceelgrens

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 19.2.1 onder e of artikel 19.2.2 onder d voor het bouwen van gebouwen tot in de perceelgrens, mits:

  • a. de afstand tot een aangrenzend perceel of de openbare weg met de bestemming 'Verkeer' of de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' tenminste 3 meter bedraagt;
  • b. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • c. voor zover het geluidgevoelige functies betreft, wordt gebouwd met inachtneming van het bepaalde in artikel 39.3.

19.3.2 bouwen tot voor de voorgevel van de bedrijfswoning

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 19.2 voor de bouw van een erker en/of een luifel bij de bedrijfswoning waarvan:

  • 1. de diepte gemeten loodrecht op de voorgevel niet meer bedraagt dan 1,25 meter, waarbij de afstand tot het openbaar toegankelijk gebied minimaal 2,50 meter bedraagt;
  • 2. de breedte niet meer bedraagt dan 2/3 deel van de breedte van de gevel;
  • 3. de hoogte niet meer bedraagt 0,30 meter boven de vloer van de eerste bouwlaag van de woning.
19.4 specifieke gebruiksregels
19.4.1

Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt mede verstaan:

  • a. een  het gebruik of laten gebruiken van recreatiewoningen en stacaravans  bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf ten behoeve van permanente bewoning;
  • b. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en de daarop voorkomende bouwwerken voor de doeleinden als bedoeld ter plaatse van de aanduiding 'bed & breakfast' in artikel 19.1.1 onder a, zo lang de landschappelijke inpassing ter plaatse van de in “Bijlage 8 Erfinrichtingsplannen - Overig” aangegeven adres of het met de aanduiding 'bed & breakfast' aangeduide gebied niet is gerealiseerd conform het voor die doeleinden vastgestelde erfinrichtingsplan.

19.4.2

In afwijking van het bepaalde in artikel 19.4.1 onder a is permanente bewoning van bestaande recreatiewoningen en stacaravans  bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf die zijn opgenomen in bijlage 5 wel toegestaan.

19.4.3

In afwijking van het bepaalde in artikel 19.4.1 onder b mogen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken worden gebruikt voor de genoemde doeleinden onder de voorwaarde dat binnen 3 jaar na de ingebruikname van de bouwwerken, uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing als bedoeld in artikel 19.4.1 onder b.

19.5 afwijken van de gebruiksregels
19.5.1 tweede bedrijfswoning

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 19.1.1 onder b ten behoeve van het realiseren van een tweede bedrijfswoning, mits:

  • a. op het bedrijf sprake is van een zodanige toezicht vereisende situatie dat het wonen van twee toezichthoudende beheerders ter plaatse noodzakelijk is;
  • b. het bestemmingsvlak ten minste 5 hectaren bedraagt;
  • c. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning;
  • d. voor het overige wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 19.2.1 en 19.2.5.

19.5.2 bed en breakfast

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 19.1, voor het toestaan van bed en breakfast voorzieningen in een woning  bedrijfswoning, een bijgebouw bij de bedrijfswoning en in bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat:

  • a. het gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening niet meer bedraagt dan 40% van het gebruiksvloeroppervlak van de woning, het bijgebouw en bedrijfsgebouwen, met een gezamenlijk oppervlak van maximaal 100 m2 , waarvan maximaal 50 m2 in het bijgebouw;
  • b. onder de  onder het gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening wordt gerekend een bad-, douche- en toiletruimte(n) die niet gedeeld worden met de (hoofd)bewoner(s) van de woning en maximaal 4 slaapkamers en een gemeenschappelijke ruimte, waarvan de oppervlakte niet meer dan 30 m2 bedraagt, en welke gemeenschappelijke ruimte niet meetelt als gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening. Indien op hetzelfde bouwperceel een theeschenkerij wordt uitgeoefend, dan bedraagt de gebruiksvloeroppervlakte ten behoeve van de gemeenschappelijke ruimte voor de bed en breakfast voorziening en ten behoeve van de theeschenkerij gezamenlijk niet meer dan 30 m2 ;
  • c. wanneer het een vrijstaand bijgebouw betreft, deze op minimaal 3 meter van de erfgrens staat;
  • d. de bed en breakfast voorziening uitsluitend wordt geëxploiteerd door de (hoofd)bewoners van de woning;
  • e. een separate kookvoorziening niet is toegestaan;
  • f. in aanvulling op artikel 39.4.1, geldt dat op eigen terrein per slaapkamer minimaal één parkeerplaats beschikbaar is;
  • g. door de bed en breakfast voorziening geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden en de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven ontstaat.

19.5.3 kamperen

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 19.1 ten behoeve van recreatief nachtverblijf in de vorm van kamperen, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. deze bevoegdheid mag uitsluitend worden uitgeoefend ten behoeve van gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - scoutingaccommodatie';
  • b. geen stacaravans  geen bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf worden geplaatst;
  • c. de (sanitaire) voorzieningen binnen de op het moment van het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande bebouwing worden opgericht;
  • d. in de nabijheid gelegen functies en waarden worden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden geschaad;
  • e. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden worden niet onevenredig geschaad.
19.6 wijzigingsbevoegdheid
19.6.1 wijzigen twee groepsaccommodaties in woningen

Burgemeester en wethouders kunnen het plan ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 2' wijzigen voor het wijzigen van de bestemming van de twee bestaande groepsaccommodaties in de bestemming 'Wonen' ten behoeve van maximaal 2 woningen, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. per woning zijn bijgebouwen toegestaan tot een gezamenlijk oppervlakte van 100 m2;
  • b. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • c. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • d. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na vaststelling van het wijzigingsplan;
  • e. deze wijzigingsbevoegdheid mag uitsluitend worden toegepast na 1 januari 2020;
  • f. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

Artikel 20 Sport

20.1 bestemmingsomschrijving
20.1.1

De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. sportterreinen ter plaatse van de aanduiding 'sport';
  • b. een ruitersport accommodatie ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - ruitersportaccommodatie';
  • c. een sportopleidingscentrum ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - sportopleidingscentrum';
  • d. een fitnesscentrum ter plaatse van de aanduiding 'sportcentrum';
  • e. een manege ter plaatse van de aanduiding 'manege';
  • f. een hengelsportaccommodatie ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - hengelsport';
  • g. wonen in maximaal één bedrijfswoning per bedrijf, dan wel het grotere bestaande aantal met dien verstande dat geen bedrijfswoning toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten';
  • h. aan de hoofdfunctie ten dienste staande ondergeschikte horeca met een bruto-vloeroppervlak van maximaal 100 m2   150 m2 met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'sport' een bruto-vloeroppervlak geldt van maximaal 300 m2;
  • i. aan huis verbonden beroepen, met dien verstande dat het vloeroppervlak dat (mede) wordt gebruikt voor de uitoefening van het beroep niet meer mag bedragen dan 40% van het vloeroppervlak van de woning en niet meer dan 50% van het gezamenlijk vloeroppervlak van de woning en bijbehorende gebouwen, met een maximum van 150 m2;

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven en bestaande nutsvoorzieningen.

20.2 bouwregels
20.2.1

Bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. voor zover een of meerdere bouwvlakken zijn opgenomen, mogen gebouwen uitsluitend binnen die bouwvlakken worden gebouwd;
  • b. goothoogte maximaal 6 m;
  • c. bouwhoogte van:
    • 1. bedrijfsgebouwen maximaal 12 m;
    • 2. bedrijfswoningen maximaal 10 m;
  • d. oppervlakte bedrijfsgebouwen maximaal de in bijlage 2 kolom toegestane m2 bij recht per bedrijf aangegeven oppervlakte;
  • e. inhoud bedrijfswoning maximaal 750 m3;
  • f. afstand tot de perceelsgrens minimaal 5 m, dan wel de bestaande kleinere afstand.

20.2.2

Bijgebouwen bij de bedrijfswoning voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. gezamenlijke oppervlakte per bedrijfswoning maximaal 100 m2;
  • b. gebouwd op een afstand van minimaal 1 m achter het verlengde van de voorgevel van de bedrijfswoning;
  • c. goothoogte is maximaal 3 m;
  • d. bouwhoogte is maximaal 6 m.

20.2.3

Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal:

  • a. erf- en terreinafscheidingen 4 m;
  • b. overkappingen 2,7 m;
  • c. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 10 m.

20.2.4

De gezamenlijke oppervlakte van bouwwerken geen gebouwen zijnde in de vorm van overkappingen bedraagt maximaal 20 m2.

20.3 afwijken van de bouwregels
20.3.1 afstand tot perceelgrens

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.2.1 onder f voor het bouwen van gebouwen tot in de perceelgrens, mits:

  • a. de betrokken perceelgrens niet direct grenst aan een ander perceel;
  • b. de afstand tot een openbare weg tenminste 3 meter bedraagt;
  • c. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad.

20.3.2 vergroten toegestane oppervlakte

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.2.1 onder d voor het (eenmalig) vergroten van de toegestane oppervlakte van bedrijfsgebouwen tot maximaal de in bijlage 2 kolom toegestane m2 na afwijking per bedrijf aangegeven oppervlakte, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. het perceel dient voorzien te zijn  er is sprake van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning;
  • b. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • c. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad.

20.3.3 bouwen tot voor de voorgevel van de bedrijfswoning

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.2 voor de bouw van een erker en/of een luifel bij de bedrijfswoning waarvan:

  • 1. de diepte gemeten loodrecht op de voorgevel niet meer bedraagt dan 1,25 meter, waarbij de afstand tot het openbaar toegankelijk gebied minimaal 2,50 meter bedraagt;
  • 2. de breedte niet meer bedraagt dan 2/3 deel van de breedte van de gevel;
  • 3. de hoogte niet meer bedraagt 0,30 meter boven de vloer van de eerste bouwlaag van de woning.
20.4 afwijken van de gebruiksregels
20.4.1 ponykamperen

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.1 ten behoeve van recreatief nachtverblijf in de vorm van ponykamperen, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. deze bevoegdheid mag uitsluitend worden uitgeoefend ten behoeve van gronden ter plaatse van de aanduiding 'manege';
  • b. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning;
  • c. geen stacaravans  geen bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf worden geplaatst;
  • d. de (sanitaire) voorzieningen binnen de op het moment van het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande bebouwing worden opgericht;
  • e. in de nabijheid gelegen functies en waarden worden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden geschaad;
  • f. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden worden niet onevenredig geschaad.

20.4.2 bed en breakfast

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 20.1, voor het toestaan van bed en breakfast voorzieningen in een woning  bedrijfswoning, een bijgebouw bij de bedrijfswoning en in bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat:

  • a. het gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening niet meer bedraagt dan 40% van het gebruiksvloeroppervlak van de woning, het bijgebouw en bedrijfsgebouwen, met een gezamenlijk oppervlak van maximaal 100 m2 , waarvan maximaal 50 m2 in een bijgebouw;
  • b. onder de  het gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening wordt gerekend een bad-, douche- en toiletruimte(n) die niet gedeeld worden met de (hoofd)bewoner(s) van de woning en maximaal 4 slaapkamers en een gemeenschappelijke ruimte, waarvan de oppervlakte niet meer dan 30 m2 bedraagt, en welke gemeenschappelijke ruimte niet meetelt als gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening. Indien op hetzelfde bouwperceel een theeschenkerij wordt uitgeoefend, dan bedraagt de gebruiksvloeroppervlakte ten behoeve van de gemeenschappelijke ruimte voor de bed en breakfast voorziening en ten behoeve van de theeschenkerij gezamenlijk niet meer dan 30 m2 ;
  • c. wanneer het een vrijstaand bijgebouw betreft, deze op minimaal 3 meter van de erfgrens staat;
  • d. de bed en breakfast voorziening uitsluitend wordt geëxploiteerd door de (hoofd)bewoners van de woning;
  • e. een separate kookvoorziening niet is toegestaan;
  • f. in aanvulling op artikel 39.4.1, geldt dat op eigen terrein per slaapkamer minimaal één parkeerplaats beschikbaar is;
  • g. door de bed en breakfast voorziening geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden en de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven ontstaat.

Artikel 21 Verkeer

21.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen en straten, wandel- en fietspaden met een functie voornamelijk gericht op ontsluiting alsmede de afwikkeling van het doorgaande verkeer;
  • b. het behoud van de landschappelijke waarde van onverharde wegen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - onverharde wegen';

      c.     een verblijfsplaats voor campers ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - camperplaats', met dien verstande dat:  
            1.     per aanduiding maximaal 10 campers zijn toegestaan;  
            2.     de verblijfsduur van een camper bedraagt maximaal 3 dagen;  
  • c. parkeer-, groen- en speelvoorzieningen;
  • d. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;
  • e. een mobiele kiosk ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - mobiele kiosk';
  • f. nutsvoorzieningen;

met bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bruggen.

21.2 bouwregels
21.2.1

Gebouwen mogen niet worden gebouwd, met uitzondering van:

  • a. nutsvoorzieningen, die voldoen aan de volgende kenmerken:
    • 1. bouwhoogte maximaal 3 m;
    • 2. inhoud maximaal 36 m3 ;
  • b. de mobiele kiosk, die voldoet aan de volgende kenmerken:
    • 1. bouwhoogte maximaal 3 m;
    • 2. oppervlakte maximaal 30 m2.

21.2.2

Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan voor de wegaanduiding, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, maximaal 10 m.

21.3 afwijken van de bouwregels
21.3.1 bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 21.2.2 voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van een doelmatig wegbeheer met een maximale bouwhoogte van 15 m.

21.4 wijzigingsbevoegdheid
21.4.1 verharden onverharde wegen

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor het verharden van wegen, mits:

  • a. de verharding geen onevenredige afbreuk doet aan de landschappelijke waarde van de weg;
  • b. de noodzaak van het verharden van de weg is aangetoond;
  • c. is aangetoond dat is voldaan aan het bepaalde in de Wet geluidhinder;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • e. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
  • f. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

21.4.2

Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen in de bestemming 'Water' met de aanduiding 'jachthaven' mits:

  • a. de gronden gelegen zijn binnen de begrenzing van het gebied, dat op de verbeelding is aangegeven als 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 1';
  • b. aangetoond is, dat er behoefte bestaat aan uitbreiding van de jachthaven;
  • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.

Artikel 22 Verkeer - Spoorweg

22.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - Spoorweg' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. spoorwegen;
  • b. parkeer- en groenvoorzieningen;
  • c. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;

met bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde en nutsvoorzieningen.

22.2 bouwregels
22.2.1

Gebouwen voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. gezamenlijk oppervlakte maximaal 100 m2;
  • b. goothoogte maximaal 6,5 m;
  • c. bouwhoogte 8 m.

22.2.2

Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan voor de geleiding, beveiliging en regeling van het railverkeer maximaal 10 m.

22.3 afwijken van de bouwregels

bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 22.2.2 voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van een doelmatig wegbeheer met een maximale bouwhoogte van 15 m.

Artikel 23 Verkeer - Verblijfsgebied

23.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen en straten;
  • b. voet- en rijwielpaden;
  • c. parkeervoorzieningen;

en mede bestemd voor:

  • d. de bescherming van de functie van de in het aanliggende gebied gesitueerde molen als werktuig en zijn waarde als landschapsbepalend element, ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop';
  • e. het tegengaan van te hoge bebouwing vanwege een straalpad, ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - straalpad';
  • f. het tegengaan van een te hoog veiligheidsrisico van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - lpg';
  • g. gasdrukmeet- en regelstations, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening';

met daaraan ondergeschikt:

  • h. nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen en water, wegen en paden;

met de daarbij behorende:

  • i. bouwwerken, geen gebouwen zijnde en erven.

23.2 Bouwregels
23.2.1

Gebouwen mogen niet worden gebouwd.

23.2.2

Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal:

  • a. 2 m voor een erf- of terreinafscheiding;
  • b. 5 m voor een speelvoorziening;
  • c. 6 m voor een lichtmast;
  • d. 5 m voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

23.3 Nadere eisen

Het is in bijzondere gevallen mogelijk om aan de afmetingen van de bebouwing nadere eisen te stellen.

Dit kan indien dit noodzakelijk is:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter waarborging van de verkeersveiligheid;
  • c. ter waarborging van de ongestoorde ligging van kabels en leidingen;
  • d. ter waarborging van het uitzicht van woningen.

Artikel 24 Water

24.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. waterhuishoudkundige doeleinden;
  • b. waterberging en waterlopen;
  • c. verkeer te water;
  • d. watersport;
  • e. het behoud en versterking van de natuurlijke en/of ecologische waarden;
  • f. ligplaatsen voor maximaal 2 woonschepen ter plaatse van de aanduiding 'woonschepenligplaats' met dien verstande dat de hoogte van woonschepen ten opzichte van het waterpeil maximaal de bestaande hoogte mag bedragen;
  • g. ligplaats reddingsboot en kantoor reddingsmaatschappij ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - botenhuisligplaats';

met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bruggen, dammen en/of duikers en bestaande nutsvoorzieningen.

24.2 bouwregels
24.2.1

Gebouwen mogen niet worden gebouwd, met uitzondering van een gebouw ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - botenhuisligplaats' met dien verstande dat de goot- en bouwhoogte maximaal de bestaande goot- en bouwhoogte mogen bedragen.

24.2.2

Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan voor de waterwegaanduiding, geleiding of tolheffing, maximaal:

  • a. bruggen en viaducten 8 m;
  • b. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals aanlegsteigers 4,5 m.

Artikel 25 Wonen

25.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

      a.       wonen in één bestaande woning per bestemmingsvlak, dan wel:  
          1.   maximaal het ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' aangegeven aantal bestaande woningen , waarbij inwoning is toegestaan ;  
          2.   twee bestaande woningen in één gebouw per bestemmingsvlak op de locaties zoals aangegeven in bijlage 6, danwel twee woningen in één gebouw per bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - dubbele bewoning';  
          2.   één woning ter plaatse van de aanduiding  binnen een bouwvlak;  
    b.       inwoning;  
    c.       aan huis verbonden beroepen, met dien verstande dat het vloeroppervlak dat (mede) wordt gebruikt voor de uitoefening van het beroep niet meer mag bedragen dan 40% van het vloeroppervlak van een woning en niet meer dan 50% van het gezamenlijk vloeroppervlak van een woning en bijbehorende gebouwen, met een maximum van 150 m2;  
    d.       de bestaande paardenbakken;  
    e.       ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsrecreatie' is het houden van een kampeerterrein voor ten hoogste het ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal kampeerplaatsen', aangegeven aantal kampeermiddelen met bijbehorende sanitaire voorzieningen toegestaan, niet zijnde stacaravans behoudens het bestaande aantal stacaravans;
ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsrecreatie' is het houden van een kampeerterrein met bijbehorende sanitaire voorzieningen toegestaan, met dien verstande dat:  
          1.   het aantal kampeermiddelen, niet zijnde bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf bedraagt ten hoogste het ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal kampeerplaatsen' aangegeven aantal;  
          2.   het aantal bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf bedraagt ten hoogste 4, met dien verstande dat het gezamenlijk aantal kampeermiddelen en bouwwerken als bedoeld in respectievelijk sub 1 en dit sublid 2 niet meer bedraagt dan 25;  
    e.       ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' is detailhandel toegestaan tot maximaal 125 m2  vloeroppervlakte;  
    f.       een kijktuin ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van tuin - kijktuin';  
    g.       een bestaand gastenverblijf ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - gastenverblijf';  
    h.       een bestaande vergaderlocatie ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - vergaderlocatie';  
    i.       het behoud van de cultuurhistorische en architectonische waarde van het bestaande pompgebouw ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - pompgebouw';  
    j.       gasdrukmeet- en regelstations, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening';  
    k.       ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afzonderlijk bijgebouw' is tevens inpandige opslag van agrarisch materieel toegestaan;  
    l.       wegen en paden;  
    m.       water en voorzieningen voor de waterhuishouding;  

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven, water en de bestaande nutsvoorzieningen.

25.2 bouwregels
25.2.1

Hoofdgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. woningen mogen uitsluitend worden gebouwd op de bestaande locatie, met dien verstande dat voor zover een of meerdere bouwvlakken zijn opgenomen, mogen hoofdgebouwen uitsluitend binnen die bouwvlakken mogen worden gebouwd;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'wonen uitgesloten' is geen woning toegestaan;
  • c. bij voormalige boerderijen mag zowel het bestaande woongedeelte als de bestaande deel worden aangewend ten behoeve van één woning;
  • d. goothoogte is maximaal:
    • 1. 4 m daar waar geen specifieke bouwaanduiding is aangegeven;
    • 2. 6 m ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende hoogte';
  • e. bouwhoogte is maximaal:
    • 1. 8 m daar waar geen specifieke bouwaanduiding is aangegeven;
    • 2. 10 m ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende hoogte';
  • f. inhoud is maximaal 750 m3 met dien verstande dat:
        1.       bij een voormalige boerderij, die als één woning wordt aangewend, de inhoud maximaal de som van de inhoud van het bestaande woongedeelte en de inhoud van de bestaande, aangebouwde bedrijfsruimte bedraagt;  
        1.       voor woongebouwen ten behoeve van woningen in een karakteristiek (voormalig) agrarisch bedrijfsgebouw, dat is aangebouwd aan de bestaande bedrijfswoning maximaal de bestaande inhoud bedraagt;  
        2.       voor woongebouwen ten behoeve van twee woningen zoals opgenomen in bijlage 6 de inhoud van het woongebouw maximaal 750 m3 bedraagt;  
        2.       ter plaatse van de aanduiding 'maximum volume (m3)', de inhoud maximaal de ter plaatse aangegeven grotere inhoud bedraagt  is toegestaan ;  
  • g. afstand tot de perceelsgrens minimaal 5 m, dan wel de bestaande kleinere afstand.

25.2.2

Bijgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. gebouwd minimaal 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning, dan wel gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen';
  • b. gezamenlijke oppervlakte maximaal:

                 
            1.     100 m2 per woning binnen een bestemmingsvlak 'Wonen' met een oppervlakte tot 1.000 m2;  
            2.     150 m2 per woning binnen een bestemmingsvlak 'Wonen' met een oppervlakte tussen 1.000 m2 en 5.000 m2;  
            3.     200 m2 per woning binnen een bestemmingsvlak 'Wonen' waarvan de eigenaar de eigendom heeft van aaneengesloten gronden met een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 , waarvan minimaal 1.000 m2 de bestemming 'Wonen' heeft;  
            met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2) aan bijgebouwen per woning' maximaal de ter plaatse aangegeven oppervlakte is toegestaan.  
                 
      b.       gezamenlijke oppervlakte maximaal 100 m2 per woning, met dien verstande dat:  
            1.     voor de adressen zoals opgenomen in bijlage 6 geldt dat de gezamenlijke oppervlakte maximaal 100 m2 bedraagt voor de twee woningen gezamenlijk;  
            2.     ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte aan bijgebouwen per woning' maximaal de ter plaatse aangegeven grotere oppervlakte is toegestaan;  
  • c. in aanvulling op het bepaalde onder a en b, mag tevens ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afzonderlijk bijgebouw' een bijgebouw worden gebouwd;
  • d. goothoogte maximaal 3 m;
  • e. bouwhoogte maximaal 6 m;
  • f. niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bebouwing uitgesloten'.

25.2.3

Bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf als bedoeld in artikel 25.1, lid e, sub 2 voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. oppervlakte maximaal 50 m2;
  • b. goothoogte maximaal 3 m;
  • c. bouwhoogte maximaal 4,5 m.

25.2.4

Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal:

  • a. erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw 1 m;
  • b. erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw 2 m;
  • c. overkappingen 2,7 m;
  • d. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 3 m .  ;
  • e. de oppervlakte van een paardenbak bedraagt maximaal 800 m2.

25.2.5

De gezamenlijke oppervlakte van bouwwerken geen gebouwen zijnde in de vorm van overkappingen bedraagt maximaal 20 m2.

25.2.6

Herbouw van een woning is uitsluitend toegestaan op de bestaande locatie binnen het bestemmingsvlak met inachtneming van het bepaalde in artikel 25.2.1.

25.3 afwijken van de bouwregels
25.3.1 verplaatsing van de woning

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 25.2.6 al dan niet in combinatie met artikel 25.2.1 onder g ten behoeve van het verplaatsen van de woning, mits:

  • a. de woning op maximaal 10 m van de bestaande (voormalige) woning wordt gebouwd, met dien verstande dat wanneer in verband met het bepaalde in artikel 25.3.1 onder d een grotere afstand vereist is deze afstand wordt aangehouden;
  • b. de verplaatsing van de woning mag niet leiden tot een andere bouwwijze van de woning;
  • c. wordt gebouwd met inachtneming van het bepaalde in artikel 39.3  met betrekking tot wegverkeergeluid een aanvaardbaar woonklimaat wordt gerealiseerd ;
  • d. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • e. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
  • f. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning;
  • g. voor het overige wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 25.2.1.

25.3.2 uitbreiding woning

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 25.2.1 onder f voor het vergroten van de inhoud van een hoofdgebouw tot maximaal 1.200 m3, mits:

      a.       de betreffende gronden zijn aangeduid als 'overige zone - zoekzone landschappelijke versterking'  in het streekplan van de provincie Gelderland behoren tot de zone 'landschappelijke versterking';  
      b.       de aanvrager de beschikking heeft over gronden met de bestemming 'Wonen' met een oppervlakte van met minimaal 5.000 m2;  
      b.       het bestemmingsvlak een oppervlakte heeft van minimaal 5.000 m2;  
      c.       wordt gebouwd met inachtneming van het bepaalde in artikel 39.3;  
      d.       er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;  
      e.       er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning.  

25.3.3 afstand tot perceelgrens

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 25.2.1 onder g voor het bouwen van gebouwen tot in de perceelgrens, mits

  • a. de afstand tot een aangrenzend perceel of de openbare weg met de bestemming 'Verkeer' of de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' tenminste 3 meter bedraagt;
  • b. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • c. voor zover het geluidgevoelige functies betreft, wordt gebouwd met inachtneming van het bepaalde in artikel 39.3.

23.3.4 vergroting oppervlakte bijgebouwen

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 23.2.2 onder b voor het toestaan van een grotere oppervlakte aan bijgebouwen, mits:

  • a. de grotere oppervlakte noodzakelijk is in verband met het hobbymatig telen van gewassen en/of het houden van dieren;
  • b. de aanvrager de beschikking heeft over gronden met een oppervlakte van minimaal 5.000 m2  aansluitend aan de bestemming Wonen.

25.3.4 bouwen tot voor de voorgevel

23.3.4 bijgebouwen tot voor de voorgevel

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 25.2 voor:

  • a. het bouwen tot voor (het verlengde van) de voorgevel van de woning, mits de afstand tot de voorgevel maximaal 25 meter bedraagt;
  • b. voor de bouw van een erker en/of een luifel aan de woning waarvan:
    • 1. de diepte gemeten loodrecht op de voorgevel niet meer bedraagt dan 1,25 meter, waarbij de afstand tot het openbaar toegankelijk gebied minimaal 2,50 meter bedraagt;
    • 2. de breedte niet meer bedraagt dan 2/3 deel van de breedte van de gevel;
    • 3. de hoogte niet meer bedraagt 0,30 meter boven de vloer van de eerste bouwlaag van de woning.

25.3.5 vergroting oppervlakte bijgebouwen voor sanitaire voorzieningen

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 25.2.2 onder a voor het toestaan van een grotere oppervlakte aan bijgebouwen tot maximaal 150 m2 ten behoeve van sanitaire voorzieningen voor het kampeerterrein als bedoeld in artikel 25.1 onder e.

een bestaand kleinschalig kampeerterrein, mits wordt voorzien in een streekeigen landschappelijke inpassing, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning

25.3.6 oppervlakte bijgebouwen na sanering

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 25.2.2 onder b voor het toestaan van vervangende nieuwbouw van een bijgebouw behorende bij één woning, met dien verstande dat:

  • a. maximaal 75% van de oorspronkelijk bestaande oppervlakte van het betreffende bijgebouw en in ieder geval 150 m2 van de oorspronkelijk bestaande totale oppervlakte aan bijgebouwen mag worden herbouwd, mits hierdoor ruimtelijk een aanzienlijk betere situatie ontstaat;
  • b. de te slopen bebouwing op hetzelfde bouwperceel staat.

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 23.2.2 onder b voor het toestaan van vervangende nieuwbouw van bijgebouwen tot maximaal 75% van de oorspronkelijk bestaande oppervlakte bijgebouwen, met dien verstande dat in ieder geval 150 m2 mag worden vervangen door nieuwbouw mits hierdoor ruimtelijk een aanzienlijk betere situatie ontstaat.

25.4 afwijken van de gebruiksregels
25.4.1 aan huis verbonden bedrijf

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 25.1 voor het toestaan van aan huis verbonden bedrijven, mits het vloeroppervlak dat (mede) wordt gebruikt voor de uitoefening van het bedrijf niet meer mag bedragen dan 40% van het vloeroppervlak van een woning en niet meer dan 50% van het gezamenlijk vloeroppervlak per woning en bijbehorende gebouwen, met een maximum van 150 m2.

25.4.2 bed en breakfast

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 25.1, voor het toestaan van bed en breakfast voorzieningen in een woning en een bijgebouw bij de woning, met dien verstande dat:

  • a. het gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening niet meer bedraagt dan 40% van het gebruiksvloeroppervlak van de woning en het bijgebouw, met een gezamenlijk oppervlak van maximaal 100 m2 , waarvan maximaal 50 m2 in het bijgebouw;
  • b. onder de  het gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening wordt gerekend een bad-, douche- en toiletruimte(n) die niet gedeeld worden met de (hoofd)bewoner(s) van de woning en maximaal 4 slaapkamers en een gemeenschappelijke ruimte, waarvan de oppervlakte niet meer dan 30 m2 bedraagt, en welke gemeenschappelijke ruimte niet meetelt als gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening. Indien op hetzelfde bouwperceel een theeschenkerij wordt uitgeoefend, dan bedraagt de gebruiksvloeroppervlakte ten behoeve van de gemeenschappelijke ruimte voor de bed en breakfast voorziening en ten behoeve van de theeschenkerij gezamenlijk niet meer dan 30 m2 , en welke gemeenschappelijke ruimte niet meetelt als gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening ;
  • c. wanneer het een vrijstaand bijgebouw betreft, deze op minimaal 3 meter van de erfgrens staat;
  • d. de bed en breakfast voorziening uitsluitend wordt geëxploiteerd door de (hoofd)bewoners van de woning;
  • e. een separate kookvoorziening niet is toegestaan;
  • f. in aanvulling op artikel 39.4.1, geldt dat op eigen terrein per slaapkamer minimaal één parkeerplaats beschikbaar is;
  • g. door de bed en breakfast voorziening geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden en de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven ontstaat.

25.4.3 paardenbak

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 25.1 onder d voor het gebruik van de gronden ten behoeve van één paardenbak, mits:

  • a. de oppervlakte maximaal 800 m2 bedraagt;
  • b. het zicht op het vrije veld door de paardenbak niet onevenredig wordt aangetast;
  • c. aangetoond wordt dat de paardenbak in overeenstemming is met het Landschapsontwikkelingsplan Elburg, zoals dat geldt op het tijdstip van indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning.

25.4.4 woningsplitsing

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 25.1 voor het splitsen van een woning  woningen in twee woningen waarbij een karakteristiek (voormalig) agrarisch bedrijfsgebouw, dat is aangebouwd aan de bestaande bedrijfswoning in gebruik mag worden genomen voor de woonfunctie, mits:

  • a. de te splitsen woning een inhoud heeft van minimaal 1.200 m3   900 m3 ;

  b.   na splitsing geen verdere vergroting van de gesplitste woningen plaatsvindt;  
  • b. de bijgebouwen zodanig worden gesplitst dat iedere woning maximaal 100 m2 krijgt en het meerdere wordt gesloopt, tenzij het monumentale of karakteristieke bebouwing betreft;
  • c. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • d. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad.

25.4.5 twee woningen in één woongebouw

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 25.1 voor het toestaan van twee kleine woningen in één hoofdgebouw, mits is aangetoond dat sinds 2001 sprake is van 2 woningen met eigen voorzieningen (keuken, toilet/doucheruimte, woonkamer).

25.4.6 recreatief rustpunt

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 25.1 voor het toestaan van een recreatief rustpunt, mits:

  • a. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • b. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad .  ;
  • c. parkeren ten behoeve van het gebruik op eigen terrein plaatsvindt.

25.5 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
25.5.1

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning het bouwwerk als bedoeld in artikel 25.1, sub i geheel of gedeeltelijk te slopen.

25.5.2

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 25.5.1 wordt slechts verleend, indien:

  • a. door het geheel of gedeeltelijk slopen geen gevaar of onevenredig nadeel ontstaat voor het te behouden cultuurhistorisch en architectonisch waardevolle beeld ter plaatse;
  • b. nadat een onafhankelijke, deskundige instantie daarover is gehoord.
25.6 wijzigingsbevoegdheid
25.6.1

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door toe te staan dat de bouwwijze van woningen binnen een bestemmingsvlak waarbinnen op grond van deze regels twee woningen zijn toegestaan, wordt gewijzigd van twee-aaneengebouwd  (twee-)aaneengebouwd naar vrijstaand, mits:

  • a. de afstand van een vrijstaande woning tot de oorspronkelijke woning niet meer dan 20 m bedraagt;
  • b. de wijziging leidt tot een stedenbouwkundig en/of esthetisch betere situatie;
  • c. sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na vaststelling van het wijzigingsplan;
  • d. geen aantasting plaatsvindt van cultuurhistorische waarden van erven of bebouwing;
  • e. de bijgebouwen zodanig worden gesplitst dat iedere woning maximaal 100 m2 krijgt en het meerdere wordt gesloopt, tenzij het monumentale of karakteristieke bebouwing betreft;
  • f. de inhoud van een woning niet meer dan 750 m3 bedraagt;
  • g. het aantal woningen niet toeneemt;
  • h. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • i. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • j. indien aanwezig een noodwoning  kleine woning of recreatiewoning wordt verwijderd;
  • k. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

25.6.2 omschakeling naar lichte bedrijvigheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in de bestemmingen Bedrijf (met bouwvlak) en Agrarisch (zonder bouwvlak) of Agrarisch met waarden (zonder bouwvlak), mits:

  • a. bedrijven worden toegestaan die zijn is opgenomen in categorie 1 van de in bijlage 3 opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten dan wel het een bedrijf betreft dat voor wat betreft de aard en de omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt gelijk kan worden gesteld met een bedrijf genoemd in categorie 1;
  • b. alle gebouwen en daarvan onderdeel uitmakende funderingen worden gesloopt. De gebouwen mogen blijven behouden, mits de toegestane oppervlakte zoals aangegeven onder d en e, ten behoeve van de aldaar genoemde functies, niet wordt overschreden;
  • c. alle bestaande gierkelders en kuilvoerplaten moeten worden gesloopt;
  • d. de in het wijzigingsplan toegestane maximale gezamenlijke oppervlakte aan gebouwen ten behoeve van het bedrijf als bedoeld onder a, maximaal 50% van de oppervlakte van alle bestaande gebouwen binnen het bouwvlak bedraagt, zulks met een maximum van 500 m2;
  • e. aanvullend op het bepaalde onder d, in het wijzigingsplan maximaal een oppervlakte van 100 m2 ten dienste van bijgebouwen ten behoeve van de bedrijfswoning is toegestaan of maximaal 200 m2 als de bijgebouwen mede worden gebruikt voor hobbymatig agrarisch grondgebruik;
  • f. sloop op terrein buiten het bouwperceel waarop de wijziging betrekking heeft is mogelijk ter voldoening aan sub d, met dien verstande dat minimaal 75% van de te slopen bebouwing wordt gesloopt ter plaatse van het bouwperceel waarop de wijziging betrekking heeft;
  • g. de goot- en bouwhoogte van gebouwen maximaal respectievelijk 4 m en 8 m bedraagt;
  • h. het bouwvlak met minimaal 20% wordt verkleind;
  • i. buitenopslag uitsluitend wordt toegestaan:
    • 1. tot een oppervlakte van maximaal 250 m2;
    • 2. als buitenopslag plaatsvindt op een aaneengesloten gedeelte van het bouwperceel, aansluitend aan de bestaande bebouwing;
  • j. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing van gebouwen en buitenopslag, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na vaststelling van het wijzigingsplan;
  • k. er geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  • l. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  • m. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • n. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • o. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

25.6.3

Burgemeester en wethouders kunnen ter verbetering van de particuliere woningvoorraad het plan wijzigen om in het planologisch buitengebied binnen de bestemmingen 'Wonen', 'Wonen - Agrarisch', 'Wonen - Kleine woning' en 'Wonen-VAB' uitruil van woningen toe te staan, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. het uitruilen van woningen is alleen mogelijk bij legaal bestemde woningen en nieuwe woningen;
  • b. de locatie voor een nieuwe (vervangende) woning dient te passen binnen een in dit bestemmingsplan opgenomen woonbestemming, waarbij de woonbestemming in de nieuwe situatie niet groter wordt ten opzichte van de bestaande situatie;
  • c. in het wijzigingsplan wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen in verband met de sloop of het ontmantelen van de vervangen woning;
  • d. in het wijzigingsplan wordt de te slopen woning wegbestemd;
  • e. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning;
  • f. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • g. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.

Artikel 26 Wonen - Agrarisch

26.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen - Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen in één bestaande woning per bestemmingsvlak, dan wel maximaal het ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' aangegeven aantal bestaande woningen, waarbij inwoning is toegestaan ;
    • 1. twee bestaande woningen in één gebouw per bestemmingsvlak op de locaties zoals aangegeven in bijlage 6;
  • b. inwoning;
  • c. beperkte agrarische bedrijfsvoering waarbij zelfstandige niet-grondgebonden agrarische bedrijven niet zijn toegestaan;
  • d. opslag van hekmateriaal ten behoeve van een hek- en montagebedrijf met bijbehorende en ondergeschikte administratieve ruimte ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - hek- en montagebedrijf', met dien verstande dat:
    • 1. opslag uitsluitend mag plaatsvinden binnen gebouwen;
    • 2. het gezamenlijke vloeroppervlak van de gebouwen ten dienste van opslag van hekmateriaal en ondergeschikte administratieve ruimte niet meer bedraagt dan 300 m2;
  • e. aan huis verbonden beroepen, met dien verstande dat het vloeroppervlak dat (mede) wordt gebruikt voor de uitoefening van het beroep niet meer mag bedragen dan 40% van het vloeroppervlak van de woning en niet meer dan 50% van het gezamenlijk vloeroppervlak van de woning en bijbehorende gebouwen, met een maximum van 150 m2;
  • f. de bestaande kleinschalige kampeerterreinen met bijbehorende (sanitaire) voorzieningen;
  • g. de bestaande paardenbakken;
  • h. wegen en paden;
  • i. water en voorzieningen voor de waterhuishouding;

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven en de bestaande nutsvoorzieningen.

26.2 bouwregels
26.2.1

Bedrijfsgebouwen en woningen voldoen aan de volgende kenmerken:

  a.   afstand tot de perceelsgrens minimaal 5 m, dan wel de bestaande kleinere afstand;  
  • a. bij voormalige boerderijen mag zowel het bestaande woongedeelte als de bestaande deel worden aangewend ten behoeve van één woning;
  • b. goothoogte is maximaal 6 m;
  • c. bouwhoogte is maximaal:
    • 1. bedrijfsgebouwen 12 m;
    • 2. woningen 10 m;
  • d. inhoud van een woning is maximaal 750 m3 met dien verstande dat:
        1.       bij een voormalige boerderij, die als één woning wordt aangewend, de inhoud maximaal de som van de inhoud van het bestaande woongedeelte en de inhoud van de bestaande, aangebouwde bedrijfsruimte bedraagt;  
        1.       voor woongebouwen ten behoeve van twee woningen zoals opgenomen in bijlage 6 de inhoud van het woongebouw maximaal 750 m3 bedraagt;  
  • e. oppervlakte bedrijfsgebouwen maximaal de bestaande oppervlakte, met dien verstande dat:
    • 1. er plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2) aan bijgebouwen per woning' maximaal de ter plaatse aangegeven oppervlakte is toegestaan;
  • f. afstand tot de perceelsgrens minimaal 5 m, dan wel de bestaande kleinere afstand.

26.2.2

Bijgebouwen bij de woning voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. gezamenlijke oppervlakte per woning maximaal 100 m2 , met dien verstande dat voor de adressen zoals opgenomen in bijlage 6 geldt dat de gezamenlijke oppervlakte maximaal 100 m2  bedraagt voor de twee woningen gezamenlijk ;
  • b. gebouwd op een afstand van minimaal 1 m achter het verlengde van de voorgevel van de woning;
  • c. goothoogte maximaal 3 m;
  • d. bouwhoogte is maximaal 6 m;
  • e. in afwijking van het bepaalde onder a, bedraagt de oppervlakte aan bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2) aan bijgebouwen per woning' maximaal de ter plaatse aangegeven oppervlakte. Voor de goot- en bouwhoogte geldt de bestaande maatvoering.

26.2.3

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. bouwhoogte van voedersilo's maximaal 15 m;
  • b. bouwhoogte mestopslagplaatsen maximaal 7,5 m;
  • c. erfafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel maximaal 2 m en voor (het verlengde van) de voorgevel maximaal 1 m;
  • d. overkappingen 2,7 m;
  • e. bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 6 m .  ;
  • f. de oppervlakte van een paardenbak bedraagt maximaal 800 m2.

26.2.4

De gezamenlijke oppervlakte van bouwwerken geen gebouwen zijnde in de vorm van overkappingen bedraagt maximaal 20 m2.

26.2.5

Herbouw van een woning is uitsluitend toegestaan op de bestaande locatie binnen het bestemmingsvlak, dan wel binnen 10 m vanaf de bestaande locatie, met inachtneming van het bepaalde in artikel 26.2.1.

26.3 afwijken van de bouwregels
26.3.1 uitbreiding woning

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 26.2.1 onder d voor het vergroten van de inhoud van een hoofdgebouw tot 1.200 m3, mits:

    a.   de betreffende gronden zijn aangeduid als 'overige zone - zoekzone landschappelijke versterking'  in het streekplan van de provincie Gelderland behoren tot de zone 'landschappelijke versterking';  
  • a. de aanvrager de beschikking heeft over gronden met de bestemming 'Wonen - Agrarisch' met een oppervlakte  het bouwperceel een oppervlakte heeft van minimaal 5.000 m2;
  • b. wordt gebouwd met inachtneming van het bepaalde in artikel 39.3;
  • c. uit een landschapsplan blijkt dat er sprake is van een aantoonbare verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in en rondom de locatie, met dien verstande dat verbetering van de ruimtelijke kwaliteit moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning.

26.3.2 afstand tot perceelgrens

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 26.2.1 onder f voor het bouwen van gebouwen tot in de perceelgrens, mits:

  • a. de afstand tot een aangrenzend perceel of de openbare weg met de bestemming 'Verkeer' of de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' tenminste 3 meter bedraagt;
  • b. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • c. voor zover het geluidgevoelige functies betreft, wordt gebouwd met inachtneming van het bepaalde in artikel 39.3.

26.3.3 vergroting oppervlakte bijgebouwen

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 23.2.2 onder b voor het toestaan van een grotere oppervlakte aan bijgebouwen tot maximaal 200 m2, mits:

  • a. de grotere oppervlakte noodzakelijk is in verband met het hobbymatig telen van gewassen en/of het houden van dieren;
  • b. de aanvrager de beschikking heeft over gronden met een oppervlakte van minimaal 5.000 m2  aansluitend aan de bestemming Wonen.

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 26.2.2 onder a voor het toestaan van een grotere oppervlakte aan bijgebouwen tot:

  • a. maximaal 100 m2 per woning binnen een bestemmingsvlak 'Wonen' met een oppervlakte tot 1.000 m2;
  • b. maximaal 150 m2 per woning binnen een bestemmingsvlak 'Wonen' met een oppervlakte tussen 1.000 m2 en 5.000 m2;
  • c. maximaal 200 m2 per woning binnen een bestemmingsvlak 'Wonen' waarvan de eigenaar de eigendom heeft van aaneengesloten gronden met een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 , waarvan minimaal 1.000 m2 de bestemming 'Wonen' heeft .

26.3.4 oppervlakte bijgebouwen na sanering

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 23.2.2 onder b voor het toestaan van een grotere oppervlakte aan bijgebouwen tot maximaal 200 m2, mits:

  • a. de grotere oppervlakte noodzakelijk is in verband met het hobbymatig telen van gewassen en/of het houden van dieren;
  • b. de aanvrager de beschikking heeft over gronden met een oppervlakte van minimaal 5.000 m2  aansluitend aan de bestemming Wonen.

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 26.2.2 sub a voor het toestaan van vervangende nieuwbouw van een bijgebouw bijhorende bij één woning, met dien verstande dat:

  • a. maximaal 75% van de oorspronkelijk bestaande oppervlakte van het betreffende bijgebouw en in ieder geval 150 m2 van de oorspronkelijk bestaande totale oppervlakte aan bijgebouwen mag worden herbouwd, mits hierdoor ruimtelijk een aanzienlijk betere situatie ontstaat;
  • b. de te slopen bebouwing op hetzelfde bouwperceel staat.

26.3.5 bouwen tot voor de voorgevel

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 26.2 voor de bouw van een erker en/of een luifel aan de woning waarvan:

  • 1. de diepte gemeten loodrecht op de voorgevel niet meer bedraagt dan 1,25 meter, waarbij de afstand tot het openbaar toegankelijk gebied minimaal 2,50 meter bedraagt;
  • 2. de breedte niet meer bedraagt dan 2/3 deel van de breedte van de gevel;
  • 3. de hoogte niet meer bedraagt 0,30 meter boven de vloer van de eerste bouwlaag van de woning.
26.4 afwijken van de gebruiksregels
26.4.1 paardenbak

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 26.1 onder g voor het gebruik van de gronden ten behoeve van één paardenbak, mits:

  • a. de oppervlakte maximaal 800 m2 bedraagt;
  • b. het zicht op het vrije veld door de paardenbak niet onevenredig wordt aangetast.
  • c. aangetoond wordt dat de paardenbak in overeenstemming is met het Landschapsontwikkelingsplan Elburg, zoals dat geldt op het tijdstip van indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning.

26.4.2 kleinschalig kampeerterrein

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 26.1 onder f voor het toestaan van een kleinschalig kampeerterrein, mits:

  • a. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning;
  • b. geen stacaravans  geen bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf worden geplaatst;
  • c. de omgevingsvergunning er niet toe mag leiden dat het gezamenlijk aantal kampeerplaatsen op kleinschalige kampeerterreinen binnen de gemeente Elburg meer bedraagt dan 250;
  • d. de (sanitaire) voorzieningen dienen te worden opgericht binnen de op het moment van het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande bebouwing met maximale oppervlaktemaat van 50 m2;
  • e. indien het onder c gestelde niet mogelijk is, maximaal één gebouw met een oppervlak van maximaal 50 m2 ten behoeve van de (sanitaire) voorzieningen te worden opgericht;
  • f. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid binnen het terrein ten behoeve van het kleinschalig kamperen;
  • g. er geen aanpassing of verharding van de infrastructuur noodzakelijk is;
  • h. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • i. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.

26.4.3 aan huis verbonden bedrijf

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 26.1 voor het toestaan van aan huis verbonden bedrijven, mits het vloeroppervlak dat (mede) wordt gebruikt voor de uitoefening van het bedrijf niet meer mag bedragen dan 40% van het vloeroppervlak van een woning en niet meer dan 50% van het gezamenlijk vloeroppervlak van een woning en bijbehorende gebouwen, met een maximum van 150 m2.

26.4.4 bed en breakfast

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 26.1, voor het toestaan van bed en breakfast voorzieningen in een woning een bijgebouw bij de woning  en in bedrijfsgebouwen , met dien verstande dat:

  • a. het gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening niet meer bedraagt dan 40% van het gebruiksvloeroppervlak van de woning en bedrijfsgebouwen  het bijgebouw, met een gezamenlijk oppervlak van maximaal 100 m2 , waarvan maximaal 50 m2 in het bijgebouw;
  • b. onder de  het gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening wordt gerekend een bad-, douche- en toiletruimte(n) die niet gedeeld worden met de (hoofd)bewoner(s) van de woning en maximaal 4 slaapkamers en een gemeenschappelijke ruimte, waarvan de oppervlakte niet meer dan 30 m2 bedraagt, en welke gemeenschappelijke ruimte niet meetelt als gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening. Indien op hetzelfde bouwperceel een theeschenkerij wordt uitgeoefend, dan bedraagt de gebruiksvloeroppervlakte ten behoeve van de gemeenschappelijke ruimte voor de bed en breakfast voorziening en ten behoeve van de theeschenkerij gezamenlijk niet meer dan 30 m2 ;
  • c. wanneer het een vrijstaand bijgebouw betreft, deze op minimaal 3 meter van de erfgrens staat;
  • d. de bed en breakfast voorziening uitsluitend wordt geëxploiteerd door de (hoofd)bewoners van de woning;
  • e. een separate kookvoorziening niet is toegestaan;
  • f. in aanvulling op artikel 39.4.1, geldt dat op eigen terrein per slaapkamer minimaal één parkeerplaats beschikbaar is;
  • g. door de bed en breakfast voorziening geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden en de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven ontstaat.

26.4.5 woningsplitsing

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 26.1 voor het splitsen van een woning  woningen in twee woningen waarbij een karakteristiek (voormalig) agrarisch bedrijfsgebouw, dat is aangebouwd aan de bestaande bedrijfswoning in gebruik mag worden genomen voor de woonfunctie, mits:

  • a. de te splitsen woning een inhoud heeft van minimaal 1.200 m3   900 m3 ;
  • b. na splitsing geen verdere vergroting van de gesplitste woningen plaatsvindt;
  • c. de bijgebouwen zodanig worden gesplitst dat iedere woning maximaal 100 m2 krijgt en het meerdere wordt gesloopt, tenzij het monumentale of karakteristieke bebouwing betreft;
  • d. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • e. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad.

26.4.6 twee woningen in één woongebouw

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 26.1 voor het toestaan van twee woningen in één hoofdgebouw, mits is aangetoond dat sinds 2001 sprake is van 2 woningen met eigen voorzieningen (keuken, toilet/doucheruimte, woonkamer).

26.4.7 recreatief rustpunt

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 26.1 voor het toestaan van een recreatief rustpunt, mits:

  • a. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • b. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad .  ;
  • c. parkeren ten behoeve van het gebruik op eigen terrein plaatsvindt.
26.5 wijzigingsbevoegdheid
26.5.1

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door toe te staan dat de bouwwijze van woningen wordt gewijzigd van (twee-)aaneengebouwd naar vrijstaand, mits:

  • a. de afstand van een vrijstaande woning tot de oorspronkelijke woning niet meer dan 20 m bedraagt;
  • b. de wijziging leidt tot een stedenbouwkundig en/of esthetisch betere situatie;
  • c. sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na vaststelling van het wijzigingsplan;
  • d. geen aantasting plaatsvindt van cultuurhistorische waarden van erven of bebouwing;
  • e. de bijgebouwen zodanig worden gesplitst dat iedere woning maximaal 100 m2 krijgt en het meerdere wordt gesloopt, tenzij het monumentale of karakteristieke bebouwing betreft;
  • f. de inhoud van een woning niet meer dan 750 m3 bedraagt;
  • g. het aantal woningen niet toeneemt;
  • h. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • i. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • j. indien aanwezig een noodwoning  kleine woning of recreatiewoning wordt verwijderd;
  • k. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

26.5.2 omschakeling naar lichte bedrijvigheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in de bestemmingen Bedrijf (met bouwvlak) en Agrarisch (zonder bouwvlak) of Agrarisch met waarden (zonder bouwvlak), mits:

  • a. bedrijven worden toegestaan die zijn opgenomen in categorie 1 van de in bijlage 3 opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten dan wel het een bedrijf betreft dat voor wat betreft de aard en de omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt gelijk kan worden gesteld met een bedrijf genoemd in categorie 1;
  • b. alle gebouwen en daarvan onderdeel uitmakende funderingen worden gesloopt. De gebouwen mogen blijven behouden, mits de toegestane oppervlakte zoals aangegeven onder d en e, ten behoeve van de aldaar genoemde functies, niet wordt overschreden;
  • c. alle bestaande gierkelders en kuilvoerplaten moeten worden gesloopt;
  • d. de in het wijzigingsplan toegestane maximale gezamenlijke oppervlakte aan gebouwen ten behoeve van het bedrijf als bedoeld onder a, maximaal 50% van de oppervlakte van alle bestaande bijgebouwen binnen het bouwvlak bedraagt, zulks met een maximum van 500 m2;
  • e. aanvullend op het bepaalde onder d, in het wijzigingsplan maximaal een oppervlakte van 100 m2 ten dienste van bijgebouwen ten behoeve van de bedrijfswoning is toegestaan;
  • f. sloop op terrein buiten het bouwperceel waarop de wijziging betrekking heeft is mogelijk ter voldoening aan sub d, met dien verstande dat minimaal 75% van de te slopen bebouwing wordt gesloopt ter plaatse van het bouwperceel waarop de wijziging betrekking heeft;
  • g. de goot- en bouwhoogte van gebouwen maximaal respectievelijk 4 m en 8 m bedraagt;
  • h. het bouwvlak met minimaal 20% wordt verkleind;
  • i. buitenopslag uitsluitend wordt toegestaan:
    • 1. tot een oppervlakte van maximaal 250 m2;
    • 2. als buitenopslag plaatsvindt op een aaneengesloten gedeelte van het bouwperceel, aansluitend aan de bestaande bebouwing;
  • j. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing van gebouwen en buitenopslag, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na vaststelling van het wijzigingsplan;
  • k. er geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  • l. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  • m. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • n. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • o. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

26.5.3

Burgemeester en wethouders kunnen ter verbetering van de particuliere woningvoorraad het plan wijzigen om in het planologisch buitengebied binnen de bestemmingen 'Wonen', 'Wonen - Agrarisch', 'Wonen - Kleine woning' en 'Wonen-VAB' uitruil van woningen toe te staan, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. het uitruilen van woningen is alleen mogelijk bij legaal bestemde woningen en nieuwe woningen;
  • b. de locatie voor een nieuwe (vervangende) woning dient te passen binnen een in dit bestemmingsplan opgenomen woonbestemming, waarbij de woonbestemming in de nieuwe situatie niet groter wordt ten opzichte van de bestaande situatie;
  • c. in het wijzigingsplan wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen in verband met de sloop of het ontmantelen van de vervangen woning;
  • d. in het wijzigingsplan wordt de te slopen woning wegbestemd;
  • e. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning;
  • f. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • g. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.

Artikel 27 Wonen - Kleine woning

27.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen - Kleine woning' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen in  de bestaande kleine woningen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' is detailhandel toegestaan tot maximaal 125 m2  vloeroppervlakte;

met bergingen  bijbehorende bijgebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, tuinen en erven en bestaande nutsvoorzieningen.

27.2 bouwregels
27.2.1

Hoofdgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. goothoogte maximaal 3 m;
  • b. oppervlakte maximaal 75 m2, met dien verstande dat de inhoud ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende maten' maximaal 105 m2 bedraagt';
  • c. inhoud maximaal 300 m3, met dien verstande dat de inhoud ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende maten' maximaal 340 m3 bedraagt'.

  • a. voor zover een of meerdere bouwvlakken zijn opgenomen, mogen hoofdgebouwen uitsluitend binnen die bouwvlakken worden gebouwd;
  • b. maximaal één hoofdgebouw per bouwvlak of bestemmingsvlak, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' maximaal het ter plaatse aangegeven aantal woningen in één gebouw is toegestaan;
  • c. goothoogte is maximaal:
    • 1. 3 m daar waar geen specifieke bouwaanduiding is aangegeven;
    • 2. 4 m ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende hoogte';
  • d. bouwhoogte is maximaal;
    • 1. 7 m daar waar geen specifieke bouwaanduiding is aangegeven;
    • 2. 8 m ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende hoogte';
  • e. oppervlakte maximaal 80 m2, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' de oppervlakte van het gebouw waarin het aangegeven aantal woningen is toegestaan maximaal 160 m2 mag bedragen;
  • f. inhoud maximaal 375 m3, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' de inhoud van het gebouw waarin het aangegeven aantal woningen is toegestaan maximaal 750 m3 dan wel de ter plaatse van de aanduiding 'maximum volume (m3)' aangegeven inhoud mag bedragen.

27.2.2

Bergingen  Bijgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. goothoogte maximaal 3 m;
  • b. oppervlakte maximaal 6 m2, met dien verstande dat:
    • 1. gezamenlijke oppervlakte van de woning en de berging niet meer dan 75 m2 mag bedragen;
    • 2. de oppervlakte van bergingen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende maten' maximaal 30 m2 bedraagt.

  • a. oppervlakte maximaal 50 m2 per woning;
  • b. gebouwd op een afstand van minimaal 1 m achter het verlengde van de voorgevel van de bedrijfswoning;
  • c. goothoogte maximaal 3 m;
  • d. bouwhoogte maximaal 6 m.

27.2.3

Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal:

  • a. erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw 1 m;
  • b. erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw 2 m;
  • c. overkappingen 2,7 m;
  • d. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 3 m.

27.2.4

De gezamenlijke oppervlakte van bouwwerken geen gebouwen zijnde in de vorm van overkappingen bedraagt maximaal 20 m2 per hoofdgebouw;

27.2.5

Herbouw van een woning is uitsluitend toegestaan op de bestaande locatie binnen het bestemmingsvlak met inachtneming van het bepaalde in artikel 27.2.1.

27.3 afwijken van de bouwregels
27.3.1 verplaatsing van de woning

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 27.2.5 ten behoeve van het verplaatsen van de  een vrijstaande kleine woning, mits:

  • a. de woning op maximaal 10 m van de locatie van de bestaande (voormalige) woning wordt gebouwd, met dien verstande:
    • 1. dat wanneer in verband met het bepaalde in artikel 27.3.1 onder c een grotere afstand vereist is, deze afstand wordt aangehouden;
    • 2. Wanneer de kleine woning onderdeel is van twee woningen in één gebouw, dit uitsluitend voor het gehele gebouw geldt;
  • b. wordt gebouwd met inachtneming van het bepaalde in artikel 39.3  met betrekking tot wegverkeergeluid een aanvaardbaar woonklimaat wordt gerealiseerd ;
  • c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • d. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
  • e. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning;
  • f. binnen een afstand van 1 m achter de voorgevel van de ter verplaatsen woning geen bijgebouw aanwezig is;
  • g. voor het overige wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 27.2.1.

27.3.2 oppervlakte bijgebouwen na sanering

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 27.2.2 onder a voor het toestaan van vervangende nieuwbouw van een bijgebouw behorende bij één woning, met dien verstande dat:

  • a. maximaal 75% van de oorspronkelijk bestaande oppervlakte van het betreffende bijgebouw en in ieder geval 150 m2 van de oorspronkelijk bestaande totale oppervlakte aan bijgebouwen mag worden herbouwd, mits hierdoor ruimtelijk een aanzienlijk betere situatie ontstaat;
  • b. de te slopen bebouwing op hetzelfde bouwperceel staat.

27.4 wijzigingsbevoegdheid
27.4.1

Burgemeester en wethouders kunnen ter verbetering van de particuliere woningvoorraad het plan wijzigen om in het planologisch buitengebied binnen de bestemmingen 'Wonen', 'Wonen - Agrarisch', 'Wonen - Kleine woning' en 'Wonen-VAB' uitruil van woningen toe te staan, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. het uitruilen van woningen is alleen mogelijk bij legaal bestemde woningen en nieuwe woningen;
  • b. de locatie voor een nieuwe (vervangende) woning dient te passen binnen een in dit bestemmingsplan opgenomen woonbestemming, waarbij de woonbestemming in de nieuwe situatie niet groter wordt ten opzichte van de bestaande situatie;
  • c. in het wijzigingsplan wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen in verband met de sloop van de vervangen woning;
  • d. in het wijzigingsplan wordt de te slopen woning wegbestemd;
  • e. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning;
  • f. er vindt geen onevenredige aantasting vindt van de in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • g. er vindt onevenredige aantasting plaats van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.

Artikel 28 Wonen - VAB

28.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen - VAB' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen in woningen die zijn gerealiseerd op basis van een regeling Vrijgekomen Agrarische Bebouwing;
  • b. inwoning;
  • c. aan huis verbonden beroepen, met dien verstande dat het vloeroppervlak dat (mede) wordt gebruikt voor de uitoefening van het beroep niet meer mag bedragen dan 40% van het vloeroppervlak van per woning en niet meer dan 50% van het gezamenlijk vloeroppervlak per woning en bijbehorende gebouwen, met een maximum van 150 m2;
  • d. de bestaande paardenbakken;
  • e. wegen en paden;
  • f. water en voorzieningen voor de waterhuishouding;

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, tuinen en erven, water en de bestaande nutsvoorzieningen.

28.2 Bouwregels

28.2.1

Hoofdgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd en met inachtneming van de in “Bijlage 6 Maatvoering Wonen - VAB” bij het adres of het met de volgende specifieke bouwaanduidingen aangeduide gebied aangegeven aanduidingen, aantallen, maten en afmetingen;
    • 1. 'specifieke bouwaanduiding - w1'
    • 2. 'specifieke bouwaanduiding - w2'
    • 3. 'specifieke bouwaanduiding - w3'
    • 4. 'specifieke bouwaanduiding - w4'
    • 5. 'specifieke bouwaanduiding - w5'
  • b. de inhoud van de woning mag niet meer bedragen dan 750 m3.

28.2.2

Bijgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken:

  • a. voor zover een of meerdere bouwvlakken zijn opgenomen, mogen bijgebouwen uitsluitend binnen die bouwvlakken worden gebouwd;
  • b. in aanvulling op het bepaalde onder a mogen bijgebouwen ook worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' en met inachtneming van de op “Bijlage 6 Maatvoering Wonen - VAB” bij het adres of het met de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2) aan bijgebouwen per woning' aangeduide gebied aangegeven maximum maten en afmetingen. Indien geen maximale oppervlakte is aangegeven geldt dat het met 'bijgebouwen' aangeduide gebied volledig met bijgebouwen mag worden bebouwd;
  • c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m, tenzij anders in “Bijlage 6 Maatvoering Wonen - VAB” is aangegeven, met dien verstande dat binnen een bouwvlak de voor het hoofdgebouw geldende maximum goothoogte geldt;
  • d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m, tenzij anders in “Bijlage 6 Maatvoering Wonen - VAB” is aangegeven, met dien verstande dat binnen een bouwvlak de voor het hoofdgebouw geldende maximum bouwhoogte geldt.

28.2.3

Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal:

  • a. erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw 1 m;
  • b. erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw 2 m;
  • c. overkappingen 2,7 m;
  • d. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 3 m;
  • e. de oppervlakte van een paardenbak bedraagt maximaal 800 m2

28.2.4

De gezamenlijke oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van overkappingen bedraagt maximaal 20 m2.

28.3 Specifieke gebruiksregels
  • a. Het is verboden de in deze bestemming begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken voor woondoeleinden, zonder aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing ter plaatse van het in “Bijlage 7 Erfinrichtingsplannen” aangegeven adres of het met 'specifieke bouwaanduiding' aangeduide gebied conform het voor dat woonperceel vastgestelde erfinrichtingsplan;
  • b. In afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken worden gebruikt voor woondoeleinden onder de voorwaarde dat binnen 3 jaar na de ingebruikname van de bouwwerken, uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing als bedoeld onder a.

28.4 Afwijken van de gebruiksregels
28.4.1 aan huis verbonden bedrijf

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 28.1 voor het toestaan van aan huis verbonden bedrijven, mits het vloeroppervlak dat (mede) wordt gebruikt voor de uitoefening van het bedrijf niet meer mag bedragen dan 40% van het vloeroppervlak van een woning en niet meer dan 50% van het gezamenlijk vloeroppervlak per woning en bijbehorende gebouwen, met een maximum van 150 m2.

28.4.2 bed en breakfast

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 28.1, voor het toestaan van bed en breakfast voorzieningen in een woning en een bijgebouw bij de woning, met dien verstande dat:

  • a. het gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening niet meer bedraagt dan 40% van het gebruiksvloeroppervlak van de woning en het bijgebouw, met een gezamenlijk oppervlak van maximaal 100 m2, waarvan maximaal 50 m2 in het bijgebouw;
  • b. onder het gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening wordt gerekend een bad-, douche- en toiletruimte(n) die niet gedeeld worden met de (hoofd)bewoner(s) van de woning en maximaal 4 slaapkamers en een gemeenschappelijke ruimte, waarvan de oppervlakte niet meer dan 30 m2 bedraagt, en welke gemeenschappelijke ruimte niet meetelt als gebruiksvloeroppervlak voor een bed en breakfast voorziening. Indien op hetzelfde bouwperceel een theeschenkerij wordt uitgeoefend, dan bedraagt de gebruiksvloeroppervlakte ten behoeve van de gemeenschappelijke ruimte voor de bed en breakfast voorziening en ten behoeve van de theeschenkerij gezamenlijk niet meer dan 30 m2;
  • c. wanneer het een vrijstaand bijgebouw betreft, deze op minimaal 3 meter van de erfgrens staat;
  • d. de bed en breakfast voorziening uitsluitend wordt geëxploiteerd door de (hoofd)bewoners van de woning;
  • e. een separate kookvoorziening niet is toegestaan;
  • f. in aanvulling op artikel 39.4.1, geldt dat op eigen terrein per slaapkamer minimaal één parkeerplaats beschikbaar is;
  • g. door de bed en breakfast voorziening geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden en de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven ontstaat.

28.4.3 paardenbak

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 28.1 onder d voor het gebruik van de gronden ten behoeve van één paardenbak, mits:

  • a. de oppervlakte maximaal 800 m2 bedraagt;
  • b. het zicht op het vrije veld door de paardenbak niet onevenredig wordt aangetast;
  • c. aangetoond wordt dat de paardenbak in overeenstemming is met het Landschapsontwikkelingsplan Elburg, zoals dat geldt op het tijdstip van indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning

28.4.4 recreatief rustpunt

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 28.1 voor het toestaan van een recreatief rustpunt, mits:

  • a. in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • b. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad.
28.5 wijzigingsbevoegdheid
28.5.1

Burgemeester en wethouders kunnen ter verbetering van de particuliere woningvoorraad het plan wijzigen om in het planologisch buitengebied binnen de bestemmingen 'Wonen', 'Wonen - Agrarisch', 'Wonen - Kleine woning' en 'Wonen-VAB' uitruil van woningen toe te staan, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. het uitruilen van woningen is alleen mogelijk bij legaal bestemde woningen en nieuwe woningen;
  • b. de locatie voor een nieuwe (vervangende) woning dient te passen binnen een in dit bestemmingsplan opgenomen woonbestemming, waarbij de woonbestemming in de nieuwe situatie niet groter wordt ten opzichte van de bestaande situatie;
  • c. in het wijzigingsplan wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen in verband met de sloop van de vervangen woning;
  • d. in het wijzigingsplan wordt de te slopen woning wegbestemd;
  • e. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning;
  • f. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • g. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.

Artikel 29 Leiding - Gas

29.1 bestemmingsomschrijving
29.1.1

De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor:

  • a. een ondergrondse gasleiding ter plaatse van de aanduiding:
    • 1. 'hartlijn leiding - gas 1' met een druk van 40 bar;
    • 2. 'hartlijn leiding - gas 2' met een druk van 66,20 bar;
  • b. het beheer en onderhoud van de leiding;
  • c. de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de leiding;

met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

29.1.2

In afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemmingen zijn op de in artikel 29.1.1 bedoelde gronden geen nieuwe kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten toegestaan.

29.2 bouwregels
29.2.1

In afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemmingen mogen nieuwe bouwwerken uitsluitend ten behoeve van de leiding worden gebouwd.  

In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mogen nieuwe bouwwerken alleen ten behoeve van deze bestemming worden gebouwd.

29.2.2

Gebouwen mogen niet worden gebouwd.

29.2.3

Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 2 m.

29.3 afwijken van de bouwregels

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 29.2 voor het bouwen van bouwwerken overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemmingen indien de veiligheid van de leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is gevraagd aan de leidingbeheerder.

29.4 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
29.4.1

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 29.1.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplanting en bomen;
  • b. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • c. het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straat meubilair;
  • d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en het aanleggen van drainage;
  • e. het permanent opslaan van goederen;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

29.4.2

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 29.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheid van een adequaat beheer of de veiligheid van de leiding en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen.

29.4.3

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 29.4.1 wordt niet verleend dan nadat advies is gevraagd aan de leidingbeheerder.

29.4.4

Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 29.4.1 is nodig voor:

  • a. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud en beheer betreffen;
  • b. werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden die in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden  inwerkingtreding van dit plan of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende omgevingsvergunning;
  • c. werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden zijnde graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie uitwisseling ondergrondse netten.

Artikel 30 Leiding - Riool

30.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor:

  • a. een ondergrondse hoofdtransportrioolleiding ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding - riool';
  • b. het beheer en onderhoud van de leiding;
  • c. de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de leiding;

met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

30.2 bouwregels
30.2.1

In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mogen nieuwe bouwwerken alleen ten behoeve van deze bestemming worden gebouwd.

30.2.2

Gebouwen mogen niet worden gebouwd.

30.2.3

Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 5 m.

30.3 afwijken van de bouwregels

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van verlenen van het bepaalde in artikel 30.2 voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemmingen, mits advies is verkregen van de leidingbeheerder.

30.4 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
30.4.1

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 30.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden;
  • b. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;
  • c. het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen;
  • d. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;
  • e. het indrijven van voorwerpen.

30.4.2

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 30.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheid van een adequaat beheer of de veiligheid van de leiding en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen.

30.4.3

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 30.4.1 wordt niet verleend dan nadat advies is verkregen van de leidingbeheerder.

30.4.4

Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 30.4.1 is nodig voor:

  • a. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud en beheer betreffen;
  • b. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden  inwerkingtreding van dit plan of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende omgevingsvergunning.

Artikel 31 Waarde - Archeologie AMK

31.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie AMK' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van archeologische waarden in de bodem.

31.2 bouwregels
31.2.1 Algemeen

Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels:

  • a. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 30 m2, dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of
    • 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
    • 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan;
  • c. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. Het onder sub b bepaalde is van overeenkomstige toepassing.

31.2.2 Advies archeoloog

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 31.2.1 sub a, winnen zij advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

31.2.3 uitzondering bouwregels

Het bepaalde in artikel 31.2.1 sub a geldt niet indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of
  • b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of
  • c. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen; of
  • d. bij de oprichting van het bouwwerk de ondergrond niet dieper dan 0,3 meter wordt geroerd.
31.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen met betrekking tot:

  • a. de afmetingen van bouwwerken;
  • b. de situering van bouwwerken;
  • c. de inrichting en het gebruik van gronden;

indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.

31.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
31.4.1 Algemeen

Onverminderd het in de Monumentenwet 1988  Erfgoedwet bepaalde is het verboden om zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m;
  • b. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen;
  • c. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  • g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • h. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur door middel van sleuven breder dan 0,80 meter.

31.4.2 Uitzonderingen

Het in artikel 31.4.1 opgenomen verbod geldt niet:

  • a. voor werken en werkzaamheden die niet dieper reiken dan 0,3 m onder het bestaande maaiveld;
  • b. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • c. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik;
  • d. voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  • e. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan  ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend;
  • f. ingeval op grond van de Monumentenwet 1988  Erfgoedwet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Monumentenwet 1988  Erfgoedwet van toepassing zijn.

31.4.3 Beoordelingscriteria

Ten aanzien van de in artikel 31.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria:

  • a. de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaats te vinden;
  • b. het overleggen van een rapport is niet nodig indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld.

31.4.4 Voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
  • a. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen en kan voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of
    • 3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
    • 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan;
  • b. Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 31.4.1 winnen zij advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
31.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen door de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie AMK' geheel of gedeeltelijk te laten vervallen indien:

  • a. op basis van nader archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; dan wel
  • b. er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is.

Artikel 32 Waarde - Archeologie lage verwachtingswaarde

32.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie lage verwachtingswaarde' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van archeologische waarden in de bodem.

32.2 bouwregels
32.2.1 Algemeen

Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels:

  • a. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 2500 m2, dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of
    • 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
    • 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan;
  • c. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. Het onder sub b bepaalde is van overeenkomstige toepassing.

32.2.2 Advies archeoloog

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 32.2.1 sub a, winnen zij advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

32.2.3 uitzondering bouwregels

Het bepaalde in artikel 32.2.1 sub a geldt niet indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of
  • b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of
  • c. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen; of
  • d. bij de oprichting van het bouwwerk de ondergrond niet dieper dan 0,3 meter wordt geroerd.
32.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen met betrekking tot:

  • a. de afmetingen van bouwwerken;
  • b. de situering van bouwwerken;
  • c. de inrichting en het gebruik van gronden;

indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.

32.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
32.4.1 Algemeen

Onverminderd het in de Monumentenwet 1988  Erfgoedwet bepaalde is het verboden om zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m;
  • b. grondwerkzaamhedendieper  grondwerkzaamheden dieper dan 0,3 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 2500 m2, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen;
  • c. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  • g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • h. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur door middel van sleuven breder dan 0,80 meter.

32.4.2 Uitzonderingen

Het in artikel 32.4.1 opgenomen verbod geldt niet:

  • a. voor werken en werkzaamheden die niet dieper reiken dan 0,3 m onder het bestaande maaiveld;
  • b. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • c. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik;
  • d. voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  • e. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan  ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend;
  • f. ingeval op grond van de Monumentenwet 1988  Erfgoedwet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Monumentenwet 1988  Erfgoedwet van toepassing zijn.

32.4.3 Beoordelingscriteria

Ten aanzien van de in artikel 32.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria:

  • a. de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaats te vinden;
  • b. het overleggen van een rapport is niet nodig indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld.

32.4.4 Voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
  • a. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen en kan voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of
    • 3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
    • 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan;
  • b. Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 32.4.1 winnen zij advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
32.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen door:

  • a. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie lage verwachtingswaarde' geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, indien op basis van ander archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is;
  • b. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie lage verwachtingswaarde' te wijzigen in 'Waarde - Archeologie AMK' indien uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn.

Artikel 33 Waarde - Archeologie hoge verwachtingswaarde

33.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie hoge verwachtingswaarde' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van archeologische waarden in de bodem.

33.2 bouwregels
33.2.1 Algemeen

Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels:

  • a. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 120 m2, dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of
    • 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
    • 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan;
  • c. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. Het onder sub b bepaalde is van overeenkomstige toepassing.

33.2.2 Advies archeoloog

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 33.2.1 sub a, winnen zij advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

33.2.3 uitzondering bouwregels

Het bepaalde in artikel 33.2.1 sub a geldt niet indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of
  • b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of
  • c. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen; of
  • d. bij de oprichting van het bouwwerk de ondergrond niet dieper dan 0,3 meter wordt geroerd.
33.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen met betrekking tot:

  • a. de afmetingen van bouwwerken;
  • b. de situering van bouwwerken;
  • c. de inrichting en het gebruik van gronden;

indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.

33.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
33.4.1 Algemeen

Onverminderd het in de Monumentenwet 1988  Erfgoedwet bepaalde is het verboden om zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m;
  • b. grondwerkzaamhedendieper  grondwerkzaamheden dieper dan 0,3 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 120 m2, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen;
  • c. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  • g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • h. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur door middel van sleuven breder dan 0,80 meter.

33.4.2 Uitzonderingen

Het in artikel 33.4.1 opgenomen verbod geldt niet:

  • a. voor werken en werkzaamheden die niet dieper reiken dan 0,3 m onder het bestaande maaiveld;
  • b. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • c. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik;
  • d. voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  • e. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan  ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend;
  • f. ingeval op grond van de Monumentenwet 1988  Erfgoedwet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Monumentenwet 1988  Erfgoedwet van toepassing zijn.

33.4.3 Beoordelingscriteria

Ten aanzien van de in artikel 33.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria:

  • a. de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaats te vinden;
  • b. het overleggen van een rapport is niet nodig indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld.

33.4.4 Voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
  • a. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen en kan voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of
    • 3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
    • 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan;
  • b. Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 33.4.1 winnen zij advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
33.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen door:

  • a. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie hoge verwachtingswaarde' geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, indien op basis van nader archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is;
  • b. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie hoge verwachtingswaarde' te wijzigen in 'Waarde - Archeologie AMK' indien uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn.

Artikel 34 Waarde - Archeologie middelhoge verwachtingswaarde

34.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie middelhoge verwachtingswaarde' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van archeologische waarden in de bodem.

34.2 bouwregels
34.2.1 Algemeen

Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels:

  • a. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 500 m2, dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of
    • 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
    • 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan;
  • c. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. Het onder sub b bepaalde is van overeenkomstige toepassing.

34.2.2 Advies archeoloog

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 34.2.1 sub a, winnen zij advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

34.2.3 uitzondering bouwregels

Het bepaalde in artikel 34.2.1 sub a geldt niet indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of
  • b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of
  • c. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen; of
  • d. bij de oprichting van het bouwwerk de ondergrond niet dieper dan 0,3 meter wordt geroerd.
34.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen met betrekking tot:

  • a. de afmetingen van bouwwerken;
  • b. de situering van bouwwerken;
  • c. de inrichting en het gebruik van gronden;

indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.

34.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
34.4.1 Algemeen

Onverminderd het in de Monumentenwet 1988  Erfgoedwet bepaalde is het verboden om zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m;
  • b. grondwerkzaamhedendieper  grondwerkzaamheden dieper dan 0,3 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 500 m2, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen;
  • c. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  • g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • h. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur door middel van sleuven breder dan 0,80 meter.

34.4.2 Uitzonderingen

Het in artikel 34.4.1 opgenomen verbod geldt niet:

  • a. voor werken en werkzaamheden die niet dieper reiken dan 0,3 m onder het bestaande maaiveld;
  • b. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • c. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik;
  • d. voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  • e. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan  ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend;
  • f. ingeval op grond van de Monumentenwet 1988  Erfgoedwet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Monumentenwet 1988  Erfgoedwet van toepassing zijn.

34.4.3 Beoordelingscriteria

Ten aanzien van de in artikel 34.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria:

  • a. de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaats te vinden;
  • b. het overleggen van een rapport is niet nodig indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld.

34.4.4 Voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
  • a. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen en kan voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of
    • 3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
    • 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan;
  • b. Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 34.4.1 winnen zij advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
34.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen door:

  • a. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie middelhoge verwachtingswaarde' geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, indien op basis van nader archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is.
  • b. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie middelhoge verwachtingswaarde' te wijzigen in 'Waarde - Archeologie AMK' indien uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn.

Artikel 35 Waarde - GNN

35.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - GNN' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud, herstel en bescherming van de aanwezige natuurwaarden en voor de ontwikkeling van nieuwe natuurwaarden.

35.2 voorwaarden omgevingsvergunning of wijzigingsbevoegdheid

In afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemmingen, wordt een besluit tot:

  • a. het verlenen een omgevingsvergunning met afwijking van de bouw- of gebruiksregels; of
  • b. een wijziging van het plan; of
  • c. het verlenen van een omgevingsvergunning voor een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

niet genomen indien sprake is van een significante aantasting van kernkwaliteiten van het gebied, met dien verstande dat de kernkwaliteiten geen belemmering vormen voor het nemen van dat besluit:

    • 1. voor zover mitigerende maatregelen deze aantasting te niet doen, of;
    • 2. voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
      • a. het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid of het verlenen van een omgevingsvergunning van groot openbaar belang is;
      • b. er geen reële alternatieven voor het voorgenomen besluit zijn;
      • c. de aantasting zoveel mogelijk wordt beperkt door mitigerende maatregelen;
      • d. voor zover aantasting niet door mitigerende maatregelen wordt beperkt, worden hiervoor compenserende maatregelen getroffen.
35.3 advies

Een in het plan opgenomen bevoegdheid om:

  • a. bij omgevingsvergunning af te wijken van de bouw- of gebruiksregels; of
  • b. bij omgevingsvergunning bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden toe te staan; of
  • c. het plan te wijzigen,

en waarmee sprake is van een significante aantasting van kernkwaliteiten of omgevingscondities van het gebied, wordt niet eerder toegepast dan nadat advies is gevraagd aan een onafhankelijke deskundige op het gebied van natuur en landschap.

35.4 wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ter plaatse van de voor 'Waarde - GNN' aangewezen gronden de bestemming te wijzigen in de bestemming 'Natuur', indien:

  • a. de gronden zijn verworven of ontpacht ten behoeve van het realiseren van de natuurfunctie;
  • b. een overeenkomst voor functieverandering door middel van particulier natuurbeheer is gesloten; of
  • c. Gedeputeerde Staten hebben besloten aan Provinciale Staten voor te stellen om de Kroon te verzoeken een onteigeningsbesluit te nemen als bedoeld in artikel 78 van de Onteigeningswet en Gedeputeerde Staten een kopie van hun besluit aan burgemeester en wethouders hebben gezonden met het verzoek over te gaan tot vaststelling van het wijzigingsplan.

Artikel 32 Waarde - EHS

32.1 bestemmingsomschrijving

De voor Waarde - EHS aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het ontwikkelen en in stand houden van de natuur- en landschapswaarden.

32.2 specifieke gebruiksregels

In afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemmingen dient alvorens een besluit kan worden genomen tot het verlenen van de daar opgenomen afwijking- en wijzigingsbevoegdheden advies te worden verkregen van een deskundige op het gebied van natuur en landschap, waaruit blijkt dat er geen sprake is van een significante aantasting van wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied.

32.3 wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen de gronden van het plan met de dubbelbestemming Waarde - EHS wijzigen door de andere daar voorkomende bestemmingen te wijzigen in de bestemming Natuur, mits:

  • a. de oppervlakte van de natuurontwikkeling maximaal 25 ha bedraagt;
  • b. in een inrichtings- en beheersvisie de ecologische verbindingszone is uitgewerkt;
  • c. advies is verkregen van een deskundige op het gebied van natuur en landschap;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • e. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gron

Artikel 33 Waarde - EHS verweving

33.1 bestemmingsomschrijving

De voor Waarde - EHS verweving aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het ontwikkelen en in stand houden van de natuur- en landschapswaarden.

33.2 bouwregels

In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen dient alvorens een besluit kan worden genomen tot het verlenen van de daar opgenomen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden advies te worden verkregen van een deskundige op het gebied van natuur en landschap, waaruit blijkt dat er geen sprake is van een significante aantasting van wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied.

Artikel 36 Waarde - Waardevol landschap

36.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Waardevol landschap' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het ontwikkelen en in stand houden van de kernkwaliteiten van het landschap  landschapswaarden .

36.2 bouwregels

In afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemmingen dient alvorens een besluit kan worden genomen tot het verlenen van de daar opgenomen afwijking- en wijzigingsbevoegdheden te worden aangetoond dat er geen sprake is van een significante aantasting van wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied.

Artikel 37 Waterstaat - Waterkering

37.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming, het onderhoud en de verbetering van de waterkering, met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals duikers, keerwanden en merktekens.

37.2 bouwregels
37.2.1

In afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemmingen mag uitsluitend ten behoeve van deze bestemming worden gebouwd.

37.2.2

Gebouwen mogen niet worden gebouwd.

37.2.3

Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 10 m.

37.3 afwijken van de bouwregels

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 37.2 voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemmingen, mits advies is verkregen van de beheerder van de waterkering.

37.4 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
37.4.1

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 37.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden;
  • b. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;
  • c. het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen;
  • d. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • e. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;
  • f. het indrijven van voorwerpen.

37.4.2

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 37.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van het werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de veiligheid en/of de mogelijkheden tot beheer en onderhoud van de waterkering en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen.

37.4.3

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 37.4.1 wordt niet verleend dan nadat advies is verkregen van de beheerder van de waterkering.

37.4.4

Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 37.4.1 is nodig voor:

  • a. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
  • b. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het moment  tijdstip van inwerkingtreding  het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 38 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 39 Algemene bouwregels

39.1 Bestaande maatvoering

In die gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand tot enige op de kaart aangegeven lijn van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand zijn gekomen, minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan.

39.2 Ondergrondse bouwwerken

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken geldt dat deze uitsluitend mogen worden gebouwd binnen de contouren van het hoofdgebouw of buiten deze contouren voorzover de oppervlakte niet groter is dan de toegestane oppervlakte bijgebouwen tot een maximum van 100 m2, met dien verstande dat de ondergrondse bouwdiepte maximaal 3 m mag bedragen.

39.3 Geluidzones
39.3.1 Geluidzones langs wegen

Indien en voor zover gronden zijn gelegen binnen een zone van:

  • a. 250 m ter weerszijden van een weg met een of twee rijstroken;
  • b. 400 m ter weerszijden van een weg met drie of vier rijstroken;

mogen toegelaten woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen uitsluitend worden gerealiseerd of vervangen met inachtneming van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting als bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder of een vastgestelde hogere grenswaarde, behoudens voor zover artikel 76 lid 3 van de Wet geluidhinder van toepassing is.

39.3.2 Geluidzones langs spoorwegen

Indien en voor zover gronden zijn gelegen binnen een zone als bedoeld in artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder mogen toegelaten woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen uitsluitend worden gerealiseerd met inachtneming van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting als bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder of een vastgestelde hogere grenswaarde.

39.4 Parkeer-, laad- en losruimte
39.4.1 Parkeerruimte
  • a. Indien het beoogde gebruik van een bouwwerk aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het parkeren of stallen van auto's, wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen uitsluitend verleend indien in of op het bouwwerk dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk hoort, wordt voorzien in die behoefte.
  • b. Bij de toepassing van het bepaalde onder a worden de beleidsregels in acht genomen zoals opgenomen in de Parkeernota, zoals deze geldt op het moment van de inwerkingtreding van dit plan, waarbij geldt dat indien gedurende de planperiode een nieuwe versie van de parkeernota wordt vastgesteld, deze nieuwe versie in acht wordt genomen.
  • c. Bij het bepaalde onder a wordt bij de beoordeling van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen gelet op de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het bouwplan.

39.4.2 Laad- en losruimte

Indien het beoogde gebruik van een bouwwerk aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen uitsluitend verleend indien aan of in dat bouwwerk dan wel op het onbebouwde terrein bij dat bouwwerk wordt voorzien in die behoefte. Deze bepaling geldt niet voor bestaande situaties, waarbij de herbouw van een gebouw zonder functiewijziging wordt beschouwd als een bestaande situatie.

39.4.3 Afwijken

Bij een omgevingsvergunning kan met inachtneming van het gestelde in de Parkeernota worden afgeweken van het bepaalde in artikel 39.4.1 en artikel 39.4.2:

  • a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit of
  • b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeerruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

39.4.4 Parkeerfonds

Bij gebruikmaking van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 39.4.3 kan het bevoegd gezag een financiële voorwaarde verbinden aan de omgevingsvergunning. Het bevoegd gezag legt in een nadere regel de bepalingen omtrent het parkeerfonds en de hoogte van de financiële voorwaarde vast.

39.4.5 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan het aantal parkeerplaatsen, de situering van de parkeerplaatsen en de situering van laad- en losruimte ten behoeve van:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de milieusituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • e. de sociale veiligheid;
  • f. de externe veiligheid.

Artikel 40 Algemene gebruiksregels

40.1 Strijdig gebruik met alle bestemmingen

Onder gebruik in strijd met alle bestemmingen wordt in elk geval verstaan:

  • a. een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van bagger, grond, puin, grind en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;
  • b. een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen of onderdelen daarvan, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;
  • c. een gebruik van gronden als uitstalling-, opslag-, stand- of ligplaats voor kampeer- en verblijfsmiddelen met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud. Onder het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud wordt in ieder geval verstaan het gebruik van een bouwperceel behorende bij een woning voor de stalling van maximaal 1 toercaravan;
  • d. een gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie.

40.2 Parkeren

Wanneer parkeren ten behoeve van het gebruik op eigen terrein moet plaatsvinden, dan is dit gebruik toegestaan

40.3 Strijdig gebruik - functiewijziging met grotere parkeerbehoefte
40.3.1 parkeerruimte
  • a. Tot een gebruik, strijdig met de gegeven bestemmingen, wordt in ieder geval gerekend een functiewijziging van bouwwerken of onbebouwde terreinen in een functie met een grotere parkeerbehoefte dan de bestaande functie, zonder dat in voldoende mate in of op het bouwwerk dan wel op de onbebouwde terreinen ruimte aanwezig is ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's.
  • b. Bij de toepassing van het bepaalde onder a worden de beleidsregels in acht genomen, zoals opgenomen in de Parkeernota zoals deze geldt op het moment van de inwerkingtreding van dit plan, waarbij geldt dat indien gedurende de planperiode een nieuwe versie van de Parkeernota wordt vastgesteld, deze nieuwe versie in acht wordt genomen.
  • c. Bij het bepaalde onder a wordt bij de beoordeling van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen gelet op de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de functiewijziging.

40.3.2 afwijken

Bij een omgevingsvergunning kan met inachtneming van het gestelde in de Parkeernota worden afgeweken van het bepaalde in artikel 40.3.1:

  • a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
  • b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeerruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

40.3.3 parkeerfonds

Bij gebruikmaking van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 40.3.2 kan het bevoegd gezag een financiële voorwaarde verbinden aan de omgevingsvergunning. Het bevoegd gezag legt in een nadere regel de bepalingen omtrent het parkeerfonds en de hoogte van de financiële voorwaarde vast.

40.3.4 nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan het aantal parkeerplaatsen en de situering van de parkeerplaatsen ten behoeve van:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de milieusituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • e. de sociale veiligheid;
  • f. de externe veiligheid.

Artikel 41 Algemene aanduidingsregels

41.1 geluidzone - industrie
41.1.1 aanduidingomschrijving

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en instandhouding van de geluidsruimte in verband met de nabijheid van een inrichting als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder.

41.1.2 bouwregels

In afwijking van het bepaalde bij de daar voorkomende bestemmingen mogen geen nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen worden gebouwd.

41.1.3 afwijken van de bouwregels

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 41.1.2 voor het bouwen van nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen overeenkomstig de andere bestemmingen, mits de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein van de gevels van deze woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde.

41.1.4 specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze aanduiding, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden voor nieuwe geluidsgevoelige terreinen.

41.2 overige zone - kerkenpad

39.2 kerkenpad

41.2.1 aanduidingomschrijving

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - kerkenpad' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van de cultuurhistorische waarde van het kerkenpad.

41.2.2 bouwregels

In afwijking van het bepaalde in de daar voorkomende bestemmingen, mogen op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - kerkenpad' geen bouwwerken worden gebouwd.

41.2.3 afwijken van de bouwregels

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 41.2.2 voor het bouwen overeenkomstig de daar voorkomende bestemmingen mits dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden van het kerkenpad.

41.2.4 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - kerkenpad' de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
    • 1. het verharden van de kerkenpaden;
    • 2. het verwijderen van de kerkenpaden.
  • b. Een omgevingsvergunning mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen.
  • c. Geen omgevingsvergunning is nodig voor:
    • 1. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
    • 2. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het tijdstip van inwerkingtreding  moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning.
41.3 milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied
41.3.1 aanduidingsomschrijving

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater in verband met de drinkwatervoorziening, met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

41.3.2 bouwregels
  • a. Gebouwen mogen niet worden gebouwd.
  • b. Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 3 m.

41.3.3 afwijken van de bouwregels

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de artikel 41.3.2 voor het bouwen overeenkomstig de andere bestemmingen ter plaatse, mits advies is verkregen van het waterleidingbedrijf.

41.3.4 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de in artikel 41.3.1 bedoelde gronden de volgende andere werken uit te voeren:
    • 1. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden;
    • 2. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;
    • 3. het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen;
    • 4. het gebruiken, storten en opslaan van meststoffen, bestrijdingsmiddelen, verontreinigde grond en/of schadelijke stoffen;
    • 5. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
    • 6. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die een verandering van de waterhuishouding of grondwaterpeil tot gevolg hebben, zoals drainage en (onder)bemaling.
  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt niet verleend dan nadat advies is verkregen van het waterleidingbedrijf. De werken en werkzaamheden als bedoeld onder a zijn slechts toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de belangen van het grondwaterbeschermingsgebied ontstaan of kunnen ontstaan in verband waarmee vooraf advies wordt ingewonnen van het waterleidingbedrijf;
  • c. Geen omgevingsvergunning als bedoeld onder a is nodig voor:
    • 1. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud en beheer betreffen;
    • 2. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden  inwerkingtreding van dit  het plan of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende vergunning.

41.4 veiligheidszone - bedrijven
41.4.1 bouwregels

In afwijking van het bepaalde in de overige bestemmingsregels mogen ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - bedrijven' geen kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten worden gebouwd.

41.4.2 specifieke gebruiksregels

Gronden en opstallen die liggen ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - bedrijven' mogen niet worden gebruikt als kwetsbaar object of beperkt kwetsbaar object.

41.4.3 wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat aan de gronden ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - bedrijven' de aanduiding wordt verwijderd, indien de risicovolle inrichting ter plaatse is beëindigd.

41.5 veiligheidszone - lpg
41.5.1 aanduidingomschrijving

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - lpg' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van het verblijfsklimaat in verband met een lpg-installatie.

41.5.2 kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten

In afwijking van het bepaalde bij de daar voorkomende bestemmingen zijn op de in artikel 41.5.1 bedoelde gronden geen nieuwe kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten toegestaan.

41.5.3 afwijken van de gebruiksregels

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 41.5.2 voor het toestaan van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, mits ter plaatse een aanvaardbaar verblijfsklimaat kan worden gerealiseerd.

41.6 vrijwaringszone - molenbiotoop
41.6.1 aanduidingomschrijving

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en herstel van de windvang van molen De Tijd aan de Zuiderzeestraatweg Oost.

41.6.2 bouwregels

In afwijking van het bepaalde bij de daar voorkomende bestemmingen gelden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' dat niet groter mag worden gebouwd dan:

  • a. binnen een afstand van 100 m van de molen: de bouwhoogte die gelijk is aan de hoogte van de onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen;
  • b. buiten een afstand vanaf 100 m van de molen: de bouwhoogte genoemd onder a vermeerderd met 1/75 van de afstand tussen het bouwwerk en de molen.

Deze regels gelden niet voor bestaande bouwwerken waarvan de bouwhoogte niet voldoet aan het gestelde onder a en b.

 

41.6.3 afwijken van de bouwregels

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 41.6.2 en worden toegestaan dat ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' de in de daar voorkomende bestemming(en) genoemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, mits vooraf advies wordt ingewonnen van de beheerder van de molen.

41.6.4 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning hoogopgaande beplanting of bomen aan te planten dan:
    a.     binnen een afstand van 100 m van de molen: de hoogte die gelijk is aan de hoogte van de onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen;  
    b.     buiten een afstand vanaf 100 m van de molen: de hoogte genoemd onder a vermeerderd met 1/75 van de afstand tussen het bouwwerk en de molen.  
    Deze regels gelden niet voor bestaande hoogopgaande beplanting of bomen waarvan de hoogte niet voldoet aan het gestelde onder a en b.  
  • 2. Het in artikel 41.6.4 onder 1 bedoelde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:
    • a. het normale onderhoud en beheer betreffen;
    • b. in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende omgevingsvergunning.
  • 3. De werken en werkzaamheden als bedoeld in artikel 41.6.4 onder 1 zijn slechts toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de belangen van de molenbiotoop ontstaan of kunnen ontstaan in verband waarmee vooraf advies wordt ingewonnen van de beheerder van de molen.
41.7 vrijwaringszone - straalpad
41.7.1 aanduidingomschrijving

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - straalpad' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor een straalverbinding.

41.7.2 bouwregels

In afwijking van het bepaalde in de daar voorkomende bestemming(en), zal op of in de gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - straalpad', de bouwhoogte van gebouwen, overkappingen en andere bouwwerken ten hoogste 29,00 m bedragen.

Artikel 42 Algemene afwijkingsregels

42.1 Kleinschalige afwijkingen

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van:

  • a. in het plan genoemde goothoogten en bouwhoogten, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 10% van de goothoogten en bouwhoogten;
  • b. de regels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 2,0 m en deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing;
  • c. de regels en toestaan dat de bouwhoogte ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten wordt vergroot tot maximaal 45 m en de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot maximaal 10 m;
  • d. de regels en de bouw toestaan van niet voor bewoning bestemde gebouwen met een inhoud van ten hoogste 25 m3 en een bouwhoogte van ten hoogste 3,5 m ten dienste van het openbaar nut, zoals schakelhuisjes, wachthuisjes, transformatorhuisjes, alsmede andere bouwwerken, zoals muurtjes, standbeelden en lichtmasten; gasdrukmeetstations en verkooppunten voor motorbrandstoffen uitgezonderd;
  • e. de bouw van een schuilgelegenheid voor dieren met een oppervlakte van maximaal 15 m2 en een hoogte van maximaal 2,7 m, mits de perceelsgrootte minimaal 1 ha bedraagt en het perceel niet direct grenst aan het erf van de woning van de aanvrager van de omgevingsvergunning.
42.2 Voorwaarden afwijking

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 42.1 kan slechts worden verleend, mits:

  • a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen mogen niet onevenredig worden geschaad.
42.3 Plattelandswoning

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het plan ten behoeve van het gebruik van een bedrijfswoning als plattelandswoning, met dien verstande, dat:

  • a. er sprake is van een legale agrarische bedrijfswoning binnen de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Agrarisch met waarden';
  • b. er een daadwerkelijk functionerend agrarisch bedrijf aanwezig is binnen hetzelfde agrarisch bouwvlak hetzij als zelfstandig bedrijf hetzij als onderdeel van een ander agrarisch bedrijf;
  • c. er wordt aangetoond, dat het gebruik van de agrarische bedrijfswoning ten behoeve van de bedrijfsvoering van het bijbehorende bedrijf niet meer nodig is;
  • d. alle betrokken partijen zijn geïnformeerd over het voornemen tot aanwijzing van de plattelandswoning, blijkende uit een door betrokken partijen ondertekende verklaring of een aan deze partijen gerichte kennisgeving van de aanvrager, die als bijlage bij het verzoek en de onderbouwing wordt gevoegd;
  • e. er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat passend bij de plattelandswoning;
  • f. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het landschappelijk erfbebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid en de milieusituatie, voorzover niet vallende onder het bepaalde in sub e;
  • g. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • h. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
  • i. er gebruik wordt gemaakt van de bestaande inritten tenzij de noodzaak bestaat om de plattelandswoning apart te ontsluiten, waarbij een afweging plaats vindt van de belangen van de verkeersveiligheid en van een goed woon- en leefklimaat.

42.4 Erfafscheiding

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het plan ten behoeve van het binnen een bouwperceel oprichten van een erfafscheiding hoger dan 1 meter op hoeksituaties grenzend aan de openbare weg of aan openbare parkeervoorzieningen, mits:

  • a. deze minimaal 1 m achter de voorgevel staat;
  • b. de maximale bouwhoogte 2 m bedraagt;
  • c. de verkeersveiligheid dit toelaat.

42.5 Zonnepanelen

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het plan ten behoeve van het oprichten van zonnepanelen ten dienste van opwekking van elektriciteit voor eigen gebruik, een en ander met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de zonnepanelen, mits:

  • a. de zonnepanelen worden opgericht binnen een bouwvlak, dan wel een bouwperceel indien geen bouwvlak aanwezig is, bij een gebouw, met dien verstande dat:
    • 1. indien binnen het bouwvlak, dan wel bouwperceel, geen reële mogelijkheden bestaan, de zonnepanelen ook mogen worden opgericht op gronden met de bestemming Agrarisch direct aansluitend aan het bouwvlak dan wel bouwperceel van een gebouw;
  • b. de afwijking geen betrekking heeft op gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden';
  • c. de bouwhoogte maximaal 1,5 m bedraagt;
  • d. de gezamenlijke oppervlakte maximaal 100 m² bedraagt;
  • e. de afstand tot de bouwperceelgrens minimaal 3 m bedraagt;
  • f. zonnepanelen niet worden opgericht voor de voorgevel van een woning of bedrijfswoning;
  • g. er sprake is van een streekeigen landschappelijke inpassing, waartoe een landschapsplan dient te worden opgesteld, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd binnen 3 jaren na verlening van de omgevingsvergunning.

Artikel 43 Algemene wijzigingsregels

43.1 Wijziging verplaatsing recreatiewoning en kleine woning

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor het wijzigen van de bestemmingen van gronden binnen een afstand van 10 m voor onder andere het verplaatsen van een recreatiewoning of kleine woning:

  • a. tot de bestemming 'Recreatie - Recreatiewoning' in de bestemming 'Recreatie - Recreatiewoning';
  • b. tot de bestemming 'Wonen - Kleine woning' in de bestemming 'Wonen - Kleine woning', met inachtneming van de volgende voorwaarden:
    • 1. de wijziging heeft uitsluitend betrekking op verplaatsing van vrijstaande kleine woningen dan wel wanneer de kleine woning onderdeel is van twee woningen in één gebouw de verplaatsing van dit hele gebouw;
    • 2. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden mogen niet onevenredig worden geschaad;
    • 3. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen mogen niet onevenredig worden geschaad.

41.2 Wijziging verkeersveiligheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor het verplaatsen van bestemmingsvlakken en voor het verleggen van bestemmingsgrenzen van de ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 1' voorkomende bestemmingen ten behoeve van de verkeersveiligheid van de weg, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. de gronden mogen uitsluitend worden bestemd voor de ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 1' ten tijde van de inwerkingtreding van het plan voorkomende bestemmingen;
  • b. het aantal woningen mag niet worden vergroot;
  • c. alle gebouwen en bouwwerken ter plaatse van de bestemming 'Wonen' voorafgaand aan het wijzigingsplan dienen te zijn gesloopt alvorens op de nieuwe locatie een woning wordt gerealiseerd;
  • d. er geen onevenredige aantasting plaatsvinden van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • e. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.

41.3 Wijziging aanleg parkeerplaats

Burgemeester en wethouders kunnen het plan ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 3' wijzigen, in die zin dat de bestemmingen 'Agrarisch', 'Groen - Landschappelijke beplanting' en 'Bedrijf' worden gewijzigd in de bestemming 'Verkeer' met inachtneming van de voorwaarden dat:

  • a. wordt aangetoond dat de wijziging niet stuit op milieutechnische beperkingen vanuit de Wet geluidhinder, de bodemkwaliteit, het aspect externe veiligheid, archeologie en exploitatie;
  • b. de in de nabijheid gelegen functies en waarden niet in onevenredige mate in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad;
  • c. de belangen van eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • d. na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels van artikel 20 van overeenkomstige toepassing zijn.

43.2 Algemene wijzigingen

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor:

  • a. het aanbrengen van geringe veranderingen in de plaats, ligging en/of afmetingen van bestemmingsgrenzen, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
    • 1. bestemmingsgrenzen mogen met niet meer dan 5 m worden verschoven;
    • 2. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden mogen niet onevenredig worden geschaad;
    • 3. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen mogen niet onevenredig worden geschaad;
  • b. het toestaan van de bouw van niet voor bewoning bestemde gebouwen met een bouwhoogte van ten hoogste 5 m en een inhoud van ten hoogste 75 m3 ten dienste van het openbare nut en overige openbare dienstverlening;
  • c. de reconstructie van de binnen het plangebied gelegen wegen, met dien verstande dat de op de verbeelding voorkomende bestemming 'Verkeer' of de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' ter weerszijden met ten hoogste 25 m mag worden verbreed.

Artikel 44 Algemene procedureregels

Ten aanzien van de in dit plan opgenomen wijzigingsbevoegdheden zal de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan moeten zijn gewaarborgd, in verband waarmee in elk geval aangetoond moet worden dat:

  • a. bodemsanering niet noodzakelijk is dan wel vóór uitvoering van het wijzigingsplan zal plaatsvinden;
  • b. voor zover het geluidgevoelige functies betreft, wordt gebouwd met inachtneming van het bepaalde in artikel 39.3  met betrekking tot (spoor)wegverkeersgeluid een aanvaardbaar woonklimaat wordt gerealiseerd ;
  • c. met betrekking tot de luchtkwaliteit een aanvaardbaar leefklimaat wordt gerealiseerd, dan wel dat geen onevenredige verslechtering plaatsvindt;
  • d. met betrekking tot de externe veiligheid een aanvaardbaar leefklimaat wordt gerealiseerd, dan wel dat geen onevenredige verslechtering plaatsvindt;
  • e. beschermde planten- en diersoorten en biotopen niet onevenredig worden geschaad;
  • f. het wijzigingsplan financieel uitvoerbaar is;
  • g. geen sprake is van significante effecten op kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone.

Artikel 45 Van toepassing verklaring

Binnen het plangebied van het plan zijn van toepassing de regels en verbeelding, welke deel uitmaken van het bestemmingsplan Buitengebied Elburg 2012, met dien verstande dat die regels en verbeelding als volgt worden herzien:

  • a. de geel gearceerde regels zijn toegevoegd c.q. gewijzigd ten opzichte van de regels van het bestemmingsplan Buitengebied Elburg 2012;
  • b. de doorgestreepte regels zijn verwijderd uit de regels van het bestemmingsplan Buitengebied Elburg 2012;
  • c. de verbeelding bestaat uit alle onderdelen die een wijziging betreffen ten opzichte van het bestemmingsplan Buitengebied Elburg 2012. Deze zijn niet expliciet aangeduid.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 46 Overgangsrecht

46.1 overgangsrecht bouwwerken
46.1.1

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

46.1.2

Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in artikel 46.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in artikel 46.1.1 met maximaal 10%.

46.1.3

Artikel 46.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

46.2 overgangsrecht gebruik
46.2.1

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

46.2.2

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 46.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

46.2.3

Indien het gebruik, bedoeld in artikel 46.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

46.2.4

Artikel 46.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 47 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied Elburg 2012, actualisatie 2018'.