direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Garderbroekerweg XXI, partiële herziening Buitengebied 2012
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0203.1536-0002

Toelichting

Hoofdstuk 1 INLEIDING

Er is een verzoek ingediend om de bestaande woning aan de Garderbroekerweg 136/136A in Kootwijkerbroek te splitsen in twee zelfstandige wooneenheden en de oppervlakte aan bijgebouwen bij de woning op nummer 136A (iets buiten het bestemmingsvlak gelegen) te vergroten. Daarnaast is verzocht de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing bij het bestaande bedrijf aan de Garderbroekerweg 173 in Kootwijkerbroek te vergroten en de vorm van het bestemmingsvlak iets te wijzigen. Ter compensatie voor deze plannen wordt op de gronden gelegen ten noorden van de planlocatie Garderbroekerweg 173 extra groene maatregelen samen met de aanleg van een waterberging (met overloopgebied) gerealiseerd.

De uitvoering van dit plan is niet mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan. Daarom is voorliggende partiële herziening van het bestemmingsplan opgesteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1536-0002_0001.png"
Afbeelding: ligging betrokken planlocaties [bron: www.gemeenteatlas.nl]

Voorliggend plan (partiële herziening van de regels en de verbeelding) bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit acht hoofdstukken. Na dit hoofdstuk beschrijft hoofdstuk 2 de bestaande situatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een beschrijving van het plan gegeven. Hoofdstuk 4 gaat vervolgens in op het beleidskader. Het vijfde hoofdstuk gaat in op de randvoorwaarden, waarna in het zesde hoofdstuk de juridische aspecten worden besproken. In hoofdstuk 7 is aandacht voor de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 8 gaat in op de resultaten van de procedure ten behoeve van deze partiële herziening.

Hoofdstuk 2 BESTAANDE SITUATIE

2.1 Begrenzing plangebied

De betreffende percelen liggen in het buitengebied aan de Garderbroekerweg nabij c.q. ten noordoosten van de kern Kootwijkerbroek. Het plandeel aan de Garderbroekerweg 136/136A wordt aan de noordzijde begrensd door een woonperceel en agrarische en niet-agrarische bedrijfspercelen met daarachter de Garderbroekerweg. Aan de zuid- en oostzijde vormen agrarische gronden de grens. De grens aan de westzijde wordt gevormd door een bosperceel.

Het plandeel aan de Garderbroekerweg 173 wordt aan de zuidzijde begrensd door agrarische gronden met op korte afstand de ontsluitingsweg richting de ten zuiden gelegen Garderbroekerweg. Ten (noord)oosten vormen woonpercelen en een niet-agrarisch bedrijfsperceel de grens van het plangebied. De gronden, die worden ingericht met groene maatregelen en de waterberging, liggen aangrenzend aan en ten noorden van het bedrijfserf aan de Garderbroekerweg 173. Deze gronden worden omringd door agrarische gronden/weilanden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1536-0002_0002.png" Afbeelding: luchtfoto planlocatie met plangrens plandeel Garderbroekerweg 136/136A

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1536-0002_0003.png"
Afbeelding: luchtfoto planlocatie met plangrens plandeel Garderbroekerweg 173

2.2 Geldende bestemmingen

Het plangebied ligt in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad.

Het plandeel aan de Garderbroekerweg 136(A) in Kootwijkerbroek heeft de bestemmingen 'Wonen', 'Natuur' en 'Agrarisch'. Er is volgens het bestemmingsplan één woning toegestaan met in totaal 110 m2 aan bijgebouwen. Het splitsen van de woning en het uitbreiden van het bijgebouw (tot 127 m2) bij de woning op nr. 136A deels buiten het bestemmingsvlak is binnen deze bestemmingen niet toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1536-0002_0004.png" Afbeelding: uitsnede bestemmingsplan Buitengebied 2012 planlocatie Garderbroekerweg 136(A)

Voor het perceel Garderbroekerweg 173 in Kootwijkerbroek geldt ter plaatse de bestemming 'Bedrijf – Niet agrarisch' met de aanduiding 'opslag'. Er is maximaal 327 m2 aan bedrijfsbebouwing toegestaan. Uitbreiding van de bedrijfsbebouwing boven deze oppervlakte (tot 413 m2) en deels buiten het bestemmingsvlak is niet toegestaan. De ten noorden gelegen gronden hebben de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Groen'. Tevens geldt voor het hele plandeel de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' (met voor een deel een middelhoge verwachtingswaarde).

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1536-0002_0005.png"
Afbeelding: uitsnede bestemmingsplan Buitengebied 2012 met globale plangrens planlocatie Garderbroekerweg 173

Beide ontwikkelingen passen niet binnen het bestemmingsplan “Buitengebied 2012” (inclusief de partiële herzieningen). In het bestemmingsplan zijn geen mogelijkheden opgenomen die uitvoering van voorliggend plan mogelijk maken, bijvoorbeeld door wijziging of afwijken met een omgevingsvergunning. Om de gevraagde ontwikkelingen planologisch mogelijk te maken dient het bestemmingsplan gedeeltelijk te worden herzien (ex artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening).

Hoofdstuk 3 PLANBESCHRIJVING

Eind 2016 is al besloten om mee te werken aan het plan tot het planologisch splitsen van de bestaande woning in twee zelfstandige wooneenheden en het vergroten van de oppervlakte aan bijgebouwen op de locatie Garderbroekerweg 136(A) in Kootwijkerbroek. Vanwege het bouwen van het bijgebouw binnen een klein deel van de bestemming 'Natuur' is aangegeven dat compensatie noodzakelijk is. Echter is gebleken dat er geen mogelijkheden bestaan om dit stukje (van circa 45 m2) verloren gegaan bos op het eigen of een aansluitend perceel te compenseren. Daarom is gekeken naar een alternatieve locatie. Er is toen verzocht om het verzoek te betrekken bij de planontwikkeling voor de vergroting van de maximale toegestane oppervlakte aan bedrijfsbebouwing op het perceel Garderbroekerweg 173 in Kootwijkerbroek. Het is de bedoeling voor beide ontwikkelingen compensatie te leveren. De verkleining van de gronden met de natuurbestemming op de locatie Garderbroekerweg 136(A) wordt daarin meegenomen.

Onderhavig plan zal een aantal ontwikkelingen mogelijk maken. Op het perceel Garderbroekerweg 136 en 136A wordt de bestaande woning planologisch gesplitst van de bestaande woning in twee zelfstandige wooneenheden (inhoudsmaat blijft gelijk). Op dit moment is al 110 m2 aan bijgebouwen toegestaan. Vanwege het splitsen van de woning ontstaat voor beide woningen een mogelijkheid tot oprichten bijgebouwen met een oppervlakte van 80 m2. De maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen voor de woning op nr. 136A wordt vergroot met 47 m2 (tot 127 m2) en daarmee wordt het bestemmingsvlak 'Wonen' met eenzelfde oppervlakte vergroot. Op de locatie Garderbroekerweg 173 met aangrenzende gronden gaat het om de vergroting van de toegestane oppervlakte aan bedrijfsbebouwing met 86 m2 (van 327 naar 413 m2). Tevens zal de vorm van het de bestaande bestemmingsvlak c.q. bedrijfserf iets wijzigen, maar de oppervlakte gelijk blijven.

Ter compensatie van voornoemde plannen worden de ten noorden van de planlocatie Garderbroekerweg 173 gelegen (aangrenzende) gronden met de bestemming 'Agrarisch' omgezet naar de bestemming 'Groen'. Hier worden landschappelijke, ecologische en waterhuishoudkundige inrichtingsmaatregelen getroffen. Het verzoek betreft een maatwerkoplossing, gebaseerd op het functieveranderingsbeleid. Het verzoek wijkt af van 'reguliere' verzoeken om functieverandering, in die zin dat onderhavige beoogde ontwikkelingen niet gecompenseerd worden door de inzet van sloopmeters, maar door de inzet van extra 'groene' maatregelen conform het overeengekomen inrichtingsplan. De nieuwe ontwikkelingen op beide percelen staan in redelijke verhouding tot deze te treffen maatregelen.

Conform het functieveranderingsbeleid is het mogelijk om de plannen te realiseren. De woning op nummer 136(A) is al in 2003 zodanig uitgebreid (met vergunning) dat daarmee de situatie is ontstaan die vergelijkbaar is met twee (nagenoeg) zelfstandige wooneenheden. Daarom kan dit planologisch worden vastgelegd dat daarmee sprake is van planologisch twee aparte (in één woongebouw ondergebrachte) woningen. Dit is mogelijk met inzet van 300 m2 aan sloopmeters. Voor het uitbreiden van de oppervlakte aan bijgebouwen van 80 naar 127 m2 op dezelfde locatie zou in totaal 94 m2 aan sloopmeters moeten worden aangedragen. Voor de uitbreiding van de maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing met 86 m2 op het perceel Garderbroekerweg 173 zou in totaal een 172 m2 sloopmeters moeten worden aangeleverd.

In dit geval worden de sloopmeters gecompenseerd door het nemen van 'groene' maatregelen. Het gaat om een gebied van circa 1,4 hectare dat wordt bestemd als 'Groen' teneinde agrarische bedrijfsactiviteiten uit te sluiten. Samen met het overeengekomen inrichtingsplan en de daaraan gekoppelde voorwaardelijke verplichting wordt de uitvoering en instandhouding van de te nemen groene maatregelen en de aan te leggen waterberging gewaarborgd. Een deel daarvan (circa 0,4 hectare) is al ingericht, maar is nog niet als zodanig bestemd. Voor het deel van 1 hectare wat nog wordt ingericht, dient er circa 0,3 hectare aangekocht te worden. De overige gronden zijn al in eigendom van de initiatiefnemer. De agrarische gronden worden met inrichtingsmaatregelen omgevormd naar een landschappelijk ingericht gebied (in combinatie met het wijzigen van de bestemming 'Agrarisch' naar 'Groen'). De 'groene' maatregelen dragen significant bij aan de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarden van het gebied. Tevens worden met de aanleg van de waterberging met overloopfunctie zodanige waterhuishoudkundige maatregelen getroffen dat deze bijdragen aan de waterhuishoudkundige doelstellingen, waaronder het tegengaan van wateroverlast, in het gebied (en stroomafwaarts). Er is sprake van een duurzame, toekomstbestendige verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Een en ander is op dit moment beschreven in de planbeschrijving (zie Bijlage 3 bij deze toelichting). Dit uitgewerkte voorstel is vertaald in een inrichtingsplan, waarbinnen onder andere wordt aangegeven welke maatregelen er in het kader van de waterhuishouding worden genomen. De totstandkoming van de inrichtingsmaatregelen met betrekking tot waterhuishouding is overigens begeleid door het Waterschap Vallei & Veluwe. Er is onderzocht en geconcludeerd door het waterschap dat deze maatregelen significant bijdragen aan de waterhuishoudkundige doelstellingen.

Ook is gekeken naar de financiële investering die met het plan gemoeid is, vergeleken met de investering die zou worden gedaan met de aankoop van sloopmeters. Daaruit is gebleken dat deze overeenkomt met die van de aankoop van sloopmeters. Onder deze kosten en investeringen komen onder andere tot uitdrukking in de aankoop van (een deel van) de gronden, de waardevermindering van de gronden van agrarisch naar groen, het opstellen van de verschillende onderzoeken (waaronder flora- en faunaonderzoek), begeleiding bij en het opstellen van het inrichtings-/beplantingsplan en de planomschrijving, begeleidingskosten van de overleggen met het waterschap, de aanleg van de inrichting met landschapselementen en/of beplantingen, het ont-/afgraven en deels afvoeren van de gronden, advisering aanvraag vergunning Waterwet bij het waterschap en de onderhouds- en beheerskosten van de gronden na inrichting. Het omvormen van de agrarische gronden naar landschappelijk ingerichte en te onderhouden gronden en als 'Groen' te bestemmen, is noodzakelijk om de agrarische activiteiten op het perceel niet meer planologisch mogelijk te maken. Voor omliggende c.q. aangrenzende agrarisch gronden blijft het agrarisch gebruik tot de mogelijkheden en wordt verder niet beperkt.

Het geheel van ontwikkelingen en maatregelen beschouwend, is er duidelijk sprake van een ruimtelijke meerwaarde. Bovendien zullen de ontwikkelingen die met dit plan mogelijk worden gemaakt en daarmee de bebouwingsmogelijkheden qua ruimtelijke impact beperkt zijn. Immers is de woning aan de Garderbroekerweg 136(A) op dit moment reeds gesplitst in twee zelfstandige wooneenheden en gaat het op deze locatie verder om een beperkte uitbreiding van een bestaand bijgebouw. Op de locatie Garderbroekerweg 173 is reeds een niet-agrarisch bedrijf gevestigd en een bestaand bedrijfsgebouw zal iets worden uitgebreid. Gezien het beperkte karakter van beide ontwikkelingen en de duidelijke meerwaarde van de tegenprestatie wordt bij wijze van uitzondering meegewerkt aan dit verzoek.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1536-0002_0006.png"  
afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1536-0002_0007.png"  

Afbeelding: bestemde situatie voor (boven, Buitengebied 2012) en na de herziening (onder), plandeel Garderbroekerweg 136 en 136A

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1536-0002_0008.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1536-0002_0009.png"  

Afbeelding: bestemde situatie voor (links, Buitengebied 2012) en na de herziening (rechts), plandeel Garderbroekerweg 173

Hoofdstuk 4 BELEIDSKADER

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het relevante beleidskader. Het gaat om beleid en beleidsnota's die direct dan wel indirect doorwerken in het bestemmingsplan of invloed hebben op de bestemmingsregelingen. Van deze nota's is hierna per bestuursniveau een beknopte samenvatting gegeven.

4.2 Rijk

4.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In 2012 is de nationale Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Deze vervangt onder andere de Nota Ruimte.

De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze van invloed zijn op de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is de ministeriële regeling. Op 30 december 2011 zijn het Barro en de Rarro in werking getreden. In Barneveld zijn het Barro en de Rarro van toepassing in verband met de aanwezige militaire terreinen.

Het Rijk heeft drie doelen gekozen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Doorwerking in plangebied
In dit geval is geen sprake van één van deze 13 nationale belangen. De SVIR vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig plan.

4.2.2 Nationaal Waterplan 2016-2021

Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Het bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de aspecten van het ruimtelijk beleid die daartoe behoren. Het Nationaal Waterplan verankert het nieuwe beleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik richting 2050: Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst.

In het Nationaal Waterplan staan 5 ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. Daarnaast wordt ingezet op een verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics). Dit zorgt ervoor dat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder beschrijft het Nationaal Waterplan dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht en dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. De vijfde ambitie bestaat er uit dat Nederlanders waterbewust leven. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen.

Doorwerking in plangebied
De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.15).

4.2.3 Crisis- en herstelwet

Op 1 januari 2010 is de Crisis- en herstelwet (Chw) in werking getreden. Deze wet geeft regels met betrekking tot versnelde ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten.

Op 25 april 2013 is de Crisis- en herstelwet via een wijzigingswet permanent gemaakt en zijn verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht doorgevoerd.

De Chw omvat twee categorieën maatregelen:

  • tijdelijke maatregelen voor afgebakende lijsten met projecten en bevoegdheden;
  • wijzigingen van bijzondere wetten.

In Bijlage I van de Chw worden onder meer de volgende ruimtelijke en infrastructurele projecten genoemd, waarop de wet van toepassing is:

  • zeer diverse projecten op het gebied van duurzame energie;
  • gebiedsontwikkeling en werken van lokaal of regionaal belang, onderverdeeld in:
  • 1. een bestemmingsplan voor de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied, of de herstructurering van woon- en werkgebieden;
  • 2. een bestemmingsplan voor de aanleg of wijziging van wegen;
  • 3. projecten ten behoeve van de inpassing in het landschap, natuurontwikkeling of recreatiedoeleinden, waar deze samenhangen met projecten ten aanzien van de in bijlage I (van de Wet) bedoelde projecten ten aanzien van wegen.

Doorwerking in plangebied
In dit geval is de Crisis- en herstelwet niet van toepassing, omdat het niet over dergelijke projecten zoals hierboven omschreven gaat.

4.3 Provincie

4.3.1 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening

De provincie Gelderland heeft een Omgevingsvisie en -verordening. Deze plannen gaan over verkeer, water, natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysiek leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. Met de Omgevingsvisie en -verordening loopt de provincie vooruit op de aankomende Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 van kracht wordt. Deze wet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in gesprek met de omgeving. Wanneer het nodig is, actualiseert de provincie onderdelen van de Omgevingsvisie en -verordening.

Vanaf 2019 actualiseert de provincie de Omgevingsverordening opnieuw, zodat deze verder in lijn wordt gebracht met de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en anticipeert op de eisen van de Omgevingswet.

4.3.1.1 Omgevingsvisie

Provinciale staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 vervangt na publicatie de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. Anders dan de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018, geeft de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 richting op de strategische hoofdlijnen van het beleid. Beide visies integreren een vijftal wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving; te weten ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer.

Gelderland werkt samen met partners aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit doen ze door zich bij het uitvoeren van onze taken te richten op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met hulp van zeven onderwerpen geven ze hier richting aan:

  • energietransitie
  • klimaatadaptatie
  • circulaire economie
  • biodiversiteit
  • bereikbaarheid
  • economisch vestigingsklimaat
  • woon- en leefklimaat.

Doorwerking in plangebied
Vanuit de visie gelden geen specifieke eisen voor de onderhavige locaties die betrekking hebben op het uitbreiden van bebouwing en het realiseren van extra groene maatregelen. Wel kan worden gesteld dat de groene inrichting van de percelen met de nodige waterhuishoudkundige maatregelen een positieve bijdrage levert voor het onderwerp klimaatadaptie en biodiversiteit.

4.3.1.2 Omgevingsverordening

De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening Gelderland heeft de status van ruimtelijke verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening. De 'Ruimtelijke Verordening Gelderland' en de 'Ruimtelijke Verordening Gelderland, eerste herziening', zijn ingetrokken.

In de Omgevingsverordening is het onderhavige plangebied opgenomen op de kaarten:

  • Kaart 2: Regels Landbouw (Plussenbeleid)
  • Kaart 3: Regels Glastuinbouw (Tijdelijk verbodsgebied her-/nieuwvestiging en uitbreiding bestaande glastuinbouw)
  • Kaart 6: Regels Water en Milieu (Intrekgebied)

Het plangebied ligt binnen het gebied dat op kaart 2 is aangewezen als 'Plussenbeleid'. Daarbinnen is uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderij door een bestemmingsplan alleen mogelijk als de uitbreiding voldoet aan door het gemeentebestuur in overeenstemming met de handreiking Plussenbeleid vastgestelde beleidsregels. Omdat het hier niet gaat over (het voortzetten van) een agrarisch bedrijf, volgen vanuit deze kaart geen specifieke aanduidingen die relevant zijn voor het onderhavige plan. Dit geldt ook voor kaart 3, omdat hier geen sprake is van glastuinbouw en ook na de planherziening is dit niet aan de orde.

Op kaart 6 is te zien dat de locatie valt binnen het gebied aangewezen als 'Intrekgebieden'. In artikel 2.6.3.1 is bepaald dat in een bestemmingsplan intrekgebieden geen bestemming krijgen die de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas, mogelijk maakt. Hiervan is bij onderhavig plan geen sprake van.

Doorwerking in plangebied
Nu er vanuit de kaarten geen regels worden gesteld, is het plan in overeenstemming met de Omgevingsverordening.

4.4 Regio

4.4.1 Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016

In maart 2017 is het “Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016” vastgesteld. Dit betreft een actualisering van de regionale beleidsafspraken over hoe de betrokken gemeenten om willen gaan met het toenemende probleem van leegstand van (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen. Het beleid stelt (voormalige) agrarische bedrijven in staat om de bedrijfsvoering op een maatschappelijk en ruimtelijk verantwoorde wijze te beëindigen. Daarnaast leidt het tot kwaliteitsverbetering in het buitengebied door de sloopverplichting van overtollige bebouwing en landschappelijke inpassing bij hergebruik / nieuwbouw ten behoeve van nieuwe woonfuncties of niet- agrarische bedrijfsfuncties. Dit regionale beleid is destijds tot stand gekomen als uitwerking van het provinciale functieveranderingsbeleid vanuit het Streekplan 2005. In 2008 is hiervoor de “Regionale beleidsinvulling functieverandering en nevenactiviteiten vastgesteld met in 2012 een “Nadere invulling” daarvan.

Vanuit onder meer de praktijkervaringen van de regiogemeenten en jurisprudentie is de wens ontstaan om de beide beleidskaders uit 2008 en 2012 samen te voegen en te actualiseren. Het Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016 is dan ook primair geen nieuw beleid. Wel zijn enkele beleidsaanpassingen/-toevoegingen gedaan;

  • Vereenvoudiging van de systematiek voor afroming/korting van sloopmeters;
  • Een toekomstbestendige en flexibele basissystematiek voor functieverandering naar wonen/werken;
  • (Lichte) stijging van de benodigde compensatie van sloopmeters voor functieverandering naar wonen en werken om in te spelen op de trend en ontwikkeling dat meer agrarische bedrijven zullen stoppen en dat meer (voormalige) agrarische bebouwing vrijkomt;

Deelnemende gemeenten
Het regionale beleid voor functieverandering is opgesteld vanuit de samenwerking tussen de gemeenten in het Gelderse gedeelte van de regio Food Valley en de gemeente Putten. Het gebied waarop het regionale beleid van toepassing is omvat de gemeenten Nijkerk, Putten, Barneveld, Scherpenzeel, Ede en Wageningen.

Van sloopmeters naar inzetbare sloopmeters
Om alle sloopmeters gelijkwaardig te maken en de voorgaande systematiek van afroming te vereenvoudigen, worden sloopmeters als eerste stap in een functieveranderingsproces vóór gebruik of verkoop 'omgezet' naar een 'inzetbare sloopmeters'. Bij hergebruik van bestaande bebouwing geldt ditzelfde. De oppervlakte van de te hergebruiken bebouwing wordt eerst berekend als 'sloopmeters', waarna de omzetting plaatsvindt naar 'inzetbare sloopmeters'. Voor het omzetten van de sloopmeters naar inzetbare sloopmeters wordt een korting toegepast (voorheen was dit de afroming), afhankelijk van de grootte van de slooplocatie.

Regionale inzetbaarheid van inzetbare sloopmeters
Het slopen van (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen wordt bevorderd door een regionale inzetbaarheid van de sloopmeters. Dit betekent dat er de mogelijkheid is om salderingslocaties te benutten die in een andere regiogemeente liggen dan de locatie waar de meters worden ingezet. De markt voor aankoop en/of verkoop van inzetbare sloopmeters door marktpartijen is daarmee groter.

Basissystematiek
Vanuit het functieveranderingsbeleid zijn nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen door middel van compensatie van inzetbare sloopmeters mogelijk in twee hoofdvormen met een basissystematiek;

  • functieverandering naar wonen;
  • functieverandering naar werken: (niet-agrarische) bedrijven, maatschappelijke en recreatieve functies.

De basissystematiek is opgebouwd met een standaard 'recht' voor een nieuwe woning/wooneenheid of niet-agrarisch bedrijf, het woningrecht en het bedrijfsrecht waarvoor een compensatie van inzetbare sloopmeters nodig is. Daarnaast wordt compensatie van inzetbare sloopmeters gevraagd per 1 m³ inhoud van de woning of 1 m² vloeroppervlakte niet-agrarisch bedrijf.

Verbrede mogelijkheden (gemeentelijke keuze)
In het geactualiseerde beleid is evenals in de voorgaande beleidsdocumenten een 'gereedschapskist' aan verbrede mogelijkheden voor de inzet van inzetbare sloopmeters opgenomen. Gemeenten hebben de keuzemogelijkheid uit deze regionaal afgestemde 'gereedschapskist' die onderdelen te kiezen die hen passen. Dit in aanvulling op de hoofdopzet van het beleid. De met de actualisering toegevoegde mogelijkheden geven meer ruimte voor nieuwe (maatwerk) ontwikkelingen. Een toegevoegde mogelijkheid is functieverandering van een woning naar een woongebouw, voor onder meer mogelijk toekomstige mantelzorgsituaties of meergeneratiewoningen. Daarnaast is een maatwerkmogelijkheid toegevoegd om in nog niet uitgewerkte situaties oplossingen te bewerkstelligen die in overeenstemming zijn met de lijn en de systematiek van dit beleid.

Doorwerking plangebied
Onderhavige partiële herziening voldoet in principe aan de mogelijkheden die worden aangehaald binnen het regionale functieveranderingsbeleid. Echter is in dit geval sprake van maatwerk, omdat in plaats van de inzet van sloopmeters extra groene maatregelen (met maatregelen in het kader van waterhuishouding) worden gerealiseerd. Onderhavige planontwikkeling voldoet verder aan de voorwaarden die gelden binnen het regionale functieveranderingsbeleid (zie voor de onderbouwing ook Hoofdstuk 3).

4.4.2 Landschapsontwikkelingsplan

In regionaal verband is in 2005 een Landschapsontwikkelingsplan (LOP) opgesteld, namelijk het Landschapsontwikkelingsplan Gelderse Vallei. Het belangrijkste doel van het LOP is het stimuleren van initiatieven voor landschaps- en natuurontwikkeling door particulieren, instanties en de gemeente. Hierbij staat het behouden, versterken en verbeteren van de landschappelijke identiteit en de groenblauwe structuur voorop. Het LOP dient er voor om bouwstenen te bieden voor ontwikkelingen in het buitengebied en deze actief te geleiden. Het LOP vormt de basis voor een actief landschapsbeleid. Enkele onderdelen van de visie zijn per landschapstype nader uitgewerkt:

  • de erfinrichting en kleine landschapselementen;
  • de spelregels voor nieuwe landgoederen;
  • de inrichting van de beken;
  • het soortenbeleid.

In het kader van de beoordeling van het plan voor wat betreft de groene inrichting van de gronden is ook het LOP betrokken en geconcludeerd kan worden dat dit plan in deze vorm de landschappelijke identiteit van deze omgeving en de groenblauwe structuur versterkt en verbetert.

4.5 Waterschap

Waterbeheerprogramma 2016-2021 Waterschap Vallei en Veluwe
Op 1 januari 2016 is het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Partnerschap als watermerk' van Waterschap Vallei en Veluwe in werking getreden. Het waterschap stelt in het waterbeheerprogramma dat de huidige wateropgaven zo complex zijn, dat alleen een aanpak samen met partnerorganisaties en inwoners zorgt voor de gewenste resultaten en de beste oplossingen. Daarom kan en wil het waterschap niet alleen opereren in het behalen van zijn doelen en hecht daarom groot belang aan de samenwerking met zijn partners in de regio. Samen met inwoners, ondernemers en andere organisaties wil het waterschap werken aan een duurzame waterzuivering van afvalwater en toekomstgericht beheer van onze dijken en waterwegen zodat iedereen tegen aanvaardbare kosten veilig kan wonen, werken en recreëren. Daarbij wil Waterschap Vallei en Veluwe de goede waterhuishoudkundige voorwaarden scheppen voor zowel inwoners, bedrijven, natuur en landbouw.

Een belangrijke ontwikkeling waar het waterschap op anticipeert is het veranderende klimaat. Deze verandering zal leiden tot meer extreme weersituaties: perioden van veel neerslag met kans op wateroverlast en perioden van droogte met kans op watertekorten. Om goed voorbereid te zijn, wil het waterschap het watersysteem robuuster maken door meer ruimte voor wateren te reserveren, zowel binnen de bebouwde kom als in het buitengebied. Het waterschap wil de effecten van klimaatverandering beperken door het vasthouden van water, het inrichten en beheren van robuuste watersystemen en het inrichten van een beperkt aantal waterbergingsgebieden. Afkoppelen van relatief schoon hemelwater van het riool is een belangrijke maatregel om overbelasting van het riool en een te snelle afvoer te voorkomen.

Daarnaast wil het waterschap negatieve effecten op de kwaliteit van oppervlaktewater, grondwater en bodem voorkomen, evenals negatieve effecten op beschermde flora en fauna.

Doorwerking in plangebied
De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.15).

4.6 Gemeente

4.6.1 Structuurvisie Buitengebied Barneveld

De structuurvisie Buitengebied Barneveld is op 21 september 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. De Structuurvisie Buitengebied Barneveld bouwt voort op keuzes die gemaakt zijn in de Strategische visie en de Nota van Uitgangspunten voor het buitengebied.

De visie voor het buitengebied is ruimte bieden voor economische ontwikkeling in samenhang met behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteiten landschap, natuur, woon- en leefmilieu.

Er doen zich belangrijke ontwikkelingen voor die bepalend zijn voor de toekomst van het buitengebied. De landbouw heeft niet stil gestaan en past zich aan, aan nieuwe ontwikkelingen. De doorgaande ontwikkeling in de agrarische sector heeft onder andere tot gevolg dat er steeds minder maar wel grotere agrarische bedrijven zijn gekomen en nog zullen komen. Een gevolg hiervan is vrijkomende agrarische erven door functieverandering naar wonen of werken. Ook is steeds vaker sprake van verbreding en verduurzaming. Tevens wordt geconstateerd dat recreatiebedrijven moderniseren en de kwaliteit verhogen. Deze ontwikkelingen zijn van grote invloed op de omgevingskwaliteiten natuur, landschap, cultuurhistorie en woon- en leefomgeving.

Met de visie wordt ruimte geboden voor economische ontwikkeling in samenhang met behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteiten. Dat gaat de gemeente doen door initiatieven mede te beoordelen op de mate waarin ze bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteit, bijvoorbeeld effecten op landschap (beeldkwaliteit), woon- en leefmilieu, verkeer en natuur.

De gemeente wil diverse ontwikkelingen faciliteren. Wat betreft de landbouw gaat dat om zowel schaalvergroting als verbreding en innovatie. Die verbreding verdient mogelijkheden om enerzijds extra inkomsten te bieden aan agrarische ondernemers en anderzijds om duurzame en innovatieve ontwikkelingen ruimte te geven. Verbreding is bovendien interessant voor de beleidsopgave om recreatieve mogelijkheden in het hele buitengebied te benutten en te stimuleren. Innovatie verdient kansen omdat daarmee kan worden gewerkt aan de versterking van de positie van de Regio Foodvalley, aan ondernemingszin en aan klimaatadaptatie. De schaalvergroting en de innovatieve ontwikkelingen moeten echter wel passen in het landschap van de gemeente Barneveld. Die voorwaarde geldt ook voor de locaties waar de agrarische bedrijven juist stoppen en gebruik maken van het beleid voor functieverandering waarmee woningen of (kleine) bedrijven worden gerealiseerd. Het spreekt vanzelf dat ook recreatieve functies moeten bijdragen aan een fraai en herkenbaar landschap. Een landschappelijk fraai buitengebied met goed ingepaste ontwikkelingen. Een buitengebied dat zo wordt ingericht dat het een aangename plek is om er te werken en te recreëren. Dat vergt een goed klimaat om passende werk- en recreatiefuncties daadwerkelijk te kunnen behouden en ontwikkelen.

Het buitengebied als een prettige omgeving om te verblijven geeft ook een meerwaarde voor de talrijke woningen die in het buitengebied aanwezig zijn en is van groot belang als positieve vestigingsfactor voor de (toekomstige) bewoners van de negen woonkernen. Die meerwaarde wil de gemeente graag verder versterken door het ontwikkelen van de relaties tussen de dorpen en het buitengebied. Daarom wil de gemeente initiatieven op het gebied van bijvoorbeeld de lokale voedselvoorziening en het beleven van veehouderij (kijk- en doemogelijkheden) en natuur (rust zoeken en onderhoud) faciliteren.

De hiervoor genoemde aanpak geldt voor het hele buitengebied. Daarnaast is een onderscheid gemaakt in deelgebieden, met beleidsaccenten op grond van landschappelijke kenmerken en zones op grond van een specifieke functie. Zie hiervoor de afbeelding 'Visie ruimtelijke kwaliteit Barneveld'.

De deelgebieden zijn:

  • Agrarisch bedrijvenlandschap.
  • Agrarisch bekenlandschap.
  • Agrarisch slagenlandschap.
  • Veluws natuurgebied met agrarische enclaves.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1536-0002_0010.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.1536-0002_0011.png"

Afbeelding: Visie ruimtelijke kwaliteit Barneveld + legenda

Per deelgebied wordt de ontwikkelingsrichting beschreven. Het kwaliteitsbeeld vormt het ruimtelijk toetsingskader. Het stelt eisen die richtinggevend zijn voor ruimtelijke ontwikkeling. Deze (minimum)eisen zijn kaderstellend voor het (bestemmings)plan. Het plangebied ligt in het volgende deelgebied.

4.6.1.1 Agrarisch bedrijvenlandschap

Intensieve landbouw is de belangrijkste gebruiksvorm van dit deelgebied. Het beleid is gericht op herstructurering en passende schaalvergroting, waarbij productieruimte beschikbaar komt voor de toekomstgerichte bedrijven die in staat zijn om te groeien en daarin te investeren.

Karakteristiek
Het deelgebied wordt gekarakteriseerd door afwisselend kleinschalig landschap met diverse cultuurhistorische landschapstypes (kampenlandschap, heideontginningslandschap et cetera). Deze verschillende landschapstypen zijn op veel plekken niet langer direct herkenbaar. De agrarische bedrijven zijn op de voorgrond aanwezig in dit gebied. Sommige delen van het gebied zijn dichter dan andere delen door kleinschalige landschapselementen als houtsingels en door erfbeplanting. Daarbij vormen lanen en beken belangrijke landschappelijke elementen. De lanen zijn echter niet altijd consequent doorgezet en daardoor worden routes niet geaccentueerd. De beken vallen in de kleinschaligheid van het landschap nauwelijks op. In het groeiseizoen draagt de maïsteelt bij aan het kleinschalige karakter van het gebied.

Gebruik
Intensieve landbouw is de belangrijkste gebruiksvorm van dit deelgebied. Het beleid is gericht op herstructurering en passende schaalvergroting, waarbij productieruimte beschikbaar komt voor bedrijven die in staat zijn om te investeren. Andere bedrijven zullen stoppen met hun agrarische activiteiten. In het kader van het functieveranderingsbeleid worden, in gevallen van vrijkomende en leegstaande agrarische bebouwing, planologische mogelijkheden geboden voor functiewijziging naar niet-agrarische bedrijvigheid. Vanwege het primaat van de ontwikkelingsmogelijkheden van de landbouw, wordt in het landbouwontwikkelingsgebied (LOG) in beginsel geen medewerking verleend aan verzoeken om functiewijziging naar wonen. Voor al aanwezige niet-agrarische bedrijven is het uitgangspunt dat eventuele uitbreiding alleen onder strenge voorwaarden wordt toegestaan. Hervestiging op een bestaand of nieuw bedrijventerreinen in de gemeente Barneveld is wenselijk.

Behoudens de hiervoor genoemde mogelijkheden van functieverandering van stoppende agrarische bedrijven, worden in dit agrarische productiegebied geen nieuwe woningen of niet-agrarische bedrijven toegelaten. Deze functies horen thuis in de kernen. Het streefbeeld voor dit landschap is gericht op vernieuwing.

Bestaande waardevolle natuur- en landschappelijke waarden worden beschermd en zijn nevengeschikt aan de hoofdfunctie landbouw.

Ontwikkelingsfonds Platteland
De structuurvisie beschrijft het type projecten die tot doel hebben de beschreven ruimtelijke kwaliteiten te realiseren. Investeringen voor die projecten kunnen, al dan niet gedeeltelijk, worden gefinancierd uit het Ontwikkelingsfonds Platteland. Dit fonds wordt gevuld door bijdragen uit ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied, namelijk functieverandering, nieuwe landgoederen en stedelijke uitbreidingen. De werking van dit fonds beoogt hiermee samenhangende ruimtelijke ontwikkeling van het buitengebied met ruimtelijke en maatschappelijke winst.

Doorwerking plangebied
De plannen zijn in overeenstemming met de structuurvisie Buitengebied Barneveld. Er wordt geen nieuw niet-agrarisch bedrijf mogelijk gemaakt en de uitbreiding van de bedrijfsbebouwing is beperkt. Met het nemen van de groene maatregelen c.q. landschappelijke inrichting, wordt het kleinschalig landschap met de cultuurhistorische waarde extra versterkt wat positief bijdraagt aan het karakter van dit gebied. De gronden die als landbouwgrond worden onttrokken betreffen in de huidige situatie reeds natte landbouwgronden die minder bruikbaar zijn. Tevens zal het gebruiken van de in te richten gronden als extra waterberging voor het gebied een bijdrage leveren voor het tegengaan van wateroverlast op omliggende landbouwgronden en het gebied stroomafwaarts. De mogelijkheden voor de agrarische bedrijven met agrarische gronden in het gebied worden met de ontwikkeling niet beperkt.

Onderhavig plan voor wat betreft de uitbreiding van de niet-agrarische bedrijfsbebouwing (van 86 m2) draagt bij aan het Ontwikkelingsfonds Platteland door een gebruikelijke financiële bijdrage (van € 10,-- per m2).

4.6.2 Hemelwaterplan 2017-2020 'Klimaatactief!'

Het Hemelwaterplan 2017-2020 'Klimaatactief!' richt zich op een duurzame omgang met hemelwater. Het geeft aan wat het gemeentelijk beleid is ten aanzien van afstromend hemelwater in bestaande situaties en bij nieuwe ontwikkelingen. Het plan zet in op een integrale benadering en meervoudige inrichting van de totale openbare ruimte. Barneveld gaat aan de slag met het waterbestendig inrichten van de openbare ruimte om bestand te zijn tegen klimaatverandering.

Doorwerking in plangebied
De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.15).

4.6.3 Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020

De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020 ('investeren in Barneveldse bronnen') vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen.

Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Ook moet de gemeentelijke overheid in opdracht van de rijksoverheid uiterlijk in 2021 een warmteplan opstellen, dat de basis gaat vormen voor het uitfaseren van het gebruik van aardgas.

Vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving in 2020 en energieneutraliteit in 2050, ziet de gemeente graag dat de woningen en bedrijven aardgasloos en energieneutraal worden gebouwd. De gemeente is medio 2018 een verkenning gestart naar hoe een aardgasvrije gemeente vorm zou kunnen krijgen. Naar aanleiding van de uitkomsten hiervan kunnen keuzes voor de energievoorziening voor nieuw te bouwen woningen en/of bedrijven in de toekomst beïnvloed worden. Bijvoorbeeld waar het gaat om mogelijkheden om aan te sluiten bij een collectieve warmtevoorziening of een wijkgerichte aanpak voor het verduurzamen van woningen (Wijk van de Toekomst).

Wet Voortgang EnergieTransitie (VET) voor aardgasvrij bouwen
Per 1 juli 2018 krijgen nieuwbouwwoningen en andere gebouwen met een kleinverbruikaansluiting geen aardgasaansluiting meer. Dit staat in de Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET). De Wet VET is een stap in de overgang van fossiele naar duurzame energie. Het gebruik van aardgas in de gebouwde omgeving wordt uitgefaseerd.

Wettelijke eisen Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG)
Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen om een omgevingsvergunning vanaf 1 juli 2020 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Het beleid voor zeer energiezuinige bestaande gebouwen is nog in ontwikkeling.

Warmtepompen
Er zijn voorbeelden van geluidsoverlast veroorzaakt door warmtepompen, omdat er bij de plaatsing geen rekening gehouden is met het geluidsaspect of de warmtepomp verouderd is. Een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de warmtepomp is noodzakelijk en er moet voldaan worden aan een acceptabel geluidsniveau. Als het geluidniveau op 5 meter van warmtepomp hoger is dan 30 dB(A) of als dit het geval is bij een kortere afstand tot de buurwoning dan is het toepassen van een geluiddempende omkasting nodig. Hiervoor komen steeds meer innovaties op de markt (bijvoorbeeld in een dummy schoorsteen).

Zonnepanelen
Gebruik van zonne-energie kan significant bijdragen aan de benodigde duurzame energieopwekking. In dit plan zijn zonnepanelen opgenomen, die direct bij de bouw worden meegenomen. De zonnepanelen zijn geïntegreerd in het ontwerp van het gebouw.

Materialen
In het ontwerp van een woning of gebouw kan door een slim ontwerp daglicht optimaal worden benut en zodat de benodigde energie voor verlichting zo laag mogelijk is en de binnen temperatuur zo min mogelijk fluctueert. Ook kunnen groendaken aangelegd worden.

De hoeveelheid materialen wordt zoveel mogelijk beperkt en gebruik van gezonde en duurzame materialen - gezien over de hele levenscyclus - heeft de voorkeur.

Duurzaamheid in het openbaar gebied of op eigen terrein
Er moet aandacht zijn voor energiezuinige (openbare) verlichting. Daarbij denken we aan een verlichtingsplan, waarbij zo weinig mogelijk lantaarnpalen worden toegepast, uitgevoerd met (dimbare) LED-lampen.

Daarnaast is het vanuit duurzaamheidsoogpunt van belang om de hoeveelheid materiaalgebruik voor wegen en de verharde oppervlakte in het plangebied zo laag mogelijk te houden. Dat kan worden bereikt door de weglengte en -breedte zoveel mogelijk te beperken en doorlatende verharding toe te passen. Bij de keuze voor het materiaalgebruik heeft de gemeente ook hier de voorkeur voor het gebruik van duurzame materialen, bij zowel productie en gebruik en die bij sloop hergebruikt kunnen worden.

Klimaat
Het klimaat verandert met extremer weer als gevolg. We zullen vaker te maken krijgen met hoosbuien / wateroverlast, langere perioden van droogte en hitte. Het veranderende klimaat vraagt om maatregelen op alle schaalniveaus om de gevolgen voor gezondheid, veiligheid, productiviteit en natuur te beperken. Klimaatbestendig handelen en waterrobuust inrichten wordt vanzelfsprekend in het gemeentebrede beleid en handelen vóór 2020. Zodat in 2050 de fysieke ruimte in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is. Eén van de maatregelen is het anders omgaan met het inzamelen van en verwerken van hemelwater dat op verhard oppervlak valt, bijvoorbeeld door het aanleggen van groene daken. Zie voor een verdere beschrijving de waterparagraaf (§ 5.15).

Door op een slimme manier om te gaan met (robuust) groen in de openbare ruimte in relatie tot de positionering van de woningen en de productie van zonne-energie op daken van woningen kan het microklimaat in de woningen en in een gebied op een positieve manier beïnvloed worden.

Hoofdstuk 5 RANDVOORWAARDEN

5.1 Bodem

5.1.1 Bodemkwaliteit

In het kader van de bestemmingsplanprocedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik.

Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt in eerste instantie plaats op basis van de vastgestelde bodemkwaliteitskaart (BKK) en het bodembeheerplan (BBP). Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties.

De locatie aan de Garderbroekerweg 136/136A is in 2002 onderzocht (verkennend bodemonderzoek, Grondvitaal, rapportnummer 20029121, d.d. 12 juni 2002). De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormde toen geen belemmering voor het voorgenomen gebruik. Voor de locaties van de te legaliseren objecten het te verwachten dat dit onderzoek nog maatgevend is voor de huidige situatie.

De locatie aan de Garderbroekerweg 173 is in 2006 deels (beperkt) onderzocht, waar bij geen verontreinigingen zijn aangetoond in de bovengrond. Het perceel is verder ook niet verdacht van bodemverontreiniging. Derhalve is de bodemkwaliteitskaart van toepassing op deze locatie. Deze geeft geen belemmeringen voor de planwijziging wat betreft bodem.

De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormt geen belemmering.

5.1.2 Niet gesprongen explosieven

Op de gemeentebrede Conventionele Explosieven (CE) kaart zijn alle percelen plangebied niet als risicogebied aangegeven.

5.2 Cultuurhistorie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces opgestart om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over volgende vastgestelde kaarten:

  • Archeologische waarden- en verwachtingenkaart;
  • Cultuurlandschappelijke waardenkaart;
  • Historische stedenbouwkundige waardenkaarten.

Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving.

In het bestemmingsplan komen uiteenlopende dubbelbestemmingen voor om ruimtelijke kwaliteiten te borgen.

5.2.1 Archeologie
5.2.1.1 Archeologie lage en middelmatige verwachting Garderbroekerweg 173

Er moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Voor het maken van een weloverwogen belangenafweging is minimaal een archeologisch bureauonderzoek nodig. Voor de gehele gemeente is een archeologische beleidsadvieskaart opgesteld, welke gezien kan worden als een beknopt bureauonderzoek. Uit de 'Archeologische waarden- en verwachtingskaart' blijkt dat ter plaatse van de gronden ten noorden van de Garderbroekerweg 173 (waar de landschappelijke c.q. groene inrichting plaatsvindt) een lage archeologische verwachting geldt en ter plaatse van het bedrijfserf aan de Garderbroekerweg 173 een middelmatige archeologische verwachting geldt.

De gemeenteraad heeft op 28 september 2010 besloten dat nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is voor de zone met lage verwachting bij een oppervlakte van 10.000 m² voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 besloten dat nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 2.000 m² voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm in het geval het gaat om een zone met een middelhoge verwachtingswaarde.

Voor beide locaties geldt dat de plannen onder deze vrijstellingen vallen zodat geen nader onderzoek noodzakelijk is. De graafwerkzaamheden zullen de vrijstellingsgrenzen van 10.000 m2 en 30 cm -Mv niet overschrijden. Ook blijft de wijziging van het bedrijfserf met uitbreiding van de bedrijfsbebouwing ruim onder de 2.000 m2 en 30 cm -Mv, waardoor er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

Bij een besluit wordt altijd gekeken naar de meeste recente informatie. De geomorfogenetische kaart van Barneveld geeft ter plaatse een beekdal en beekoverstromingsvlakte aan. Een dergelijke locatie was in het verleden te nat om te kunnen bewonen, er geldt daarom voor alle perioden een lage archeologische verwachting. Er zijn binnen 500 meter geen archeologische vondsten bekend en er is geen sprake van historische bebouwing (voor 1700). Wel is er ongeveer 200 meter ten zuidoosten van het betreffende deelgebied, nabij Garderbroekerweg 175, een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd (in 2008 Vosselman, J., plangebied Garderbroekerweg 175 te Kootwijkerbroek, een bureau- en inventariserend veldonderzoek. RAAP-notitie 2647). Er zijn daarbij geen archeologische resten aangetroffen.

Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed RCE) verplicht.

5.2.1.2 Archeologie hoge verwachting

Uit de 'Archeologische waarden- en verwachtingskaart' van de gemeente blijkt dat binnen het deelgebied aan de Garderbroekerweg 136/136A een hoge archeologische verwachting geldt.

De gemeenteraad heeft op 28 september 2010 besloten dat voor deze zone nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 250 m² voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm.

Het plan voor wat betreft dit deelgebied omvat het vergroten van de oppervlakte aan bijgebouwen en de splitsing van de bestaande woning. De oppervlakte van het bijgebouw is 47 m2 en verder wijzigt er niks aan de situatie. Daarmee valt het plan sowieso onder deze vrijstelling zodat geen nader onderzoek noodzakelijk is.

Op basis van de geomorfogenetische kaart ligt het deelgebied aan de Garderbroekerweg 136/136A in een dekzandvlakte. Hiervoor geldt een lage verwachting. In 2009 heeft hier een onderzoek plaats gevonden (ARC rapport 2009-227) waarbij is vastgesteld dat er sprake is van fluvio-eolische zanden wat overeenkomt met de dekzandvlakte. Plaatselijk heeft zich in deze afzettingen toch een veldpodzol of laarpodzol kunnen ontwikkelen wat zou wijzen op een wat drogere ligging. Het grootste deel van het plangebied blijkt echter diep verstoord te zijn. Er zijn echter geen archeologische indicatoren gevonden. Het advies luidde om deze reden dat de onderzoekslocatie vrijgegeven kan worden. Er zijn geen aanwijzingen voor bebouwing van voor historische bebouwing.

Op basis van bovenstaande is de verwachting voor de prehistorie tot en met de late middeleeuwen laag. Voor de nieuwe tijd is deze vanwege de ligging naast een erf uit vermoedelijk de achttiende eeuw middelhoog, waarbij vooral gedacht moet worden aan resten van verkavelingen. Deze verkaveling is grotendeels te vinden op de kaart van 1832 waardoor de informatiewaarde laag is. Bovendien is het terrein aanzienlijk verstoord waardoor eventuele archeologische resten grotendeels zijn verdwenen. Realisatie van het plan op deze locatie betekent daarom geen onevenredige schade aan eventuele archeologische resten. Verder archeologisch onderzoek is daarom ook voor dit deelgebied niet noodzakelijk.

5.2.2 Historische stedenbouwkundige waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarde(n).

Bij de bouwkundige monumenten is sprake van rijks- en gemeentelijke monumenten. Op de verschillende percelen en in de omgeving daarvan zijn geen monumenten aanwezig. Het aspect monumenten vormt geen belemmering voor het plan.

5.2.3 Cultuurlandschappelijke waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen.

De locatie aan de Garderbroekerweg 173 met omliggende gronden ligt in een gebied dat op Histland Barneveld wordt aangeduid als 'jongere kampontginningen met keutervestiging' met een middelhoge waarde. Dit zijn boerderijen van landloze boeren, die zich soms midden op de heide vestigden. De Kuit en De Veldhorst, die aan de noordkant van het plangebied ligt, zijn voorbeelden van deze kleinere ontginningen. In de 19e eeuw was dit een kleinschalig landschap, meestal met veel hagen en houtsingels. Een en ander wordt ook beschreven in onder meer hoofdstuk 2 binnen Bijlage 3 bij de toelichting van dit bestemmingsplan. De binnen deze bijlage opgenomen historische kaarten laten in figuur 1 en 2 de perceelsscheidingen ook duidelijk zien. De binnen de inrichting opgenomen versterking van de houtwal is een positieve ontwikkeling. Het plangebied ligt in een gebied, dat pas halverwege de 19e eeuw volledig in cultuur werd gebracht. Het historisch kaartmateriaal laat zien dat het plangebied van oudsher een natter en lager gelegen gebied is geweest.

Conclusie
De voorgenomen bestemmingsplanherziening is niet strijdig met deze waardering. De voorgestelde compensatie met de aanleg van groene maatregelen c.q. landschappelijke inpassing en de aanleg van de waterberging levert een positieve bijdrage aan de cultuurhistorische waarde binnen het gebied.

5.3 Ecologie

De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet.

De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet.

Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang.

5.3.1 Wet natuurbescherming
5.3.1.1 Gebiedsbescherming

Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”.

De Wet natuurbescherming bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden.

Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd.

De verschillende planlocaties liggen niet in (de nabijheid van) een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Veluwe ligt op een minimale afstand van circa 1,1 kilometer. Onderhavige ontwikkeling zal naar verwachting daarom geen significant negatief effect op dit beschermde gebied hebben. In de aanlegfase zal er dan wel tijdelijk sprake zijn van een toename in stikstofuitstoot. Echter is in de huidige situatie ook sprake van de mogelijkheid tot het toegestane landbouwwerkzaamheden inclusief bemesten etc. Doordat het omgevormde gebied straks niet meer bewerkt en bemest zal worden zal de stikstofuitstoot per saldo verminderen. Ook de overige ontwikkelingen op beide locaties zijn zo kleinschalig dat dit geen negatief effect zal hebben. Per saldo betreft het (op termijn) een positieve ontwikkeling vanwege de terugdringing van stikstof met het stopzetten van het gebruik.

5.3.1.2 Soortenbescherming

Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming beschermt bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten.  

Om te beoordelen of de beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn, zijn de planlocaties bezocht door een flora- en faunacontroleur. De locatie Garderbroekerweg 136(A) ligt in het buitengebied van Kootwijkerbroek midden tussen agrarische gronden. Het is een uitzondering dat dat juist hier een klein bos en houtwallen aanwezig zijn. Hierdoor is de aanwezigheid van beschermde soorten in de directe omgeving zeker niet uit te sluiten. Er behoeven echter geen bestaande gebouwen te worden gesloopt, verbouwd en/of vergroot. Ook zullen er geen bomen gerooid worden. Wel zal er op een gedeelte van het bestemde bosperceel herplant plaatsvinden. Bij de inspectie is gebleken dat hier geen flora en fauna waarden aanwezig zijn. Verder is het terrein achter het bijgebouw zodanig in gebruik dat ook hier geen beschermde waarden verwacht worden. Omdat dit opnieuw wordt aangeplant en in oorspronkelijk staat zal worden gebracht, zal dit uiteindelijk een verbetering zijn. De geplande wijzigingen betekenen eigenlijk alleen het vastleggen van een reeds bestaande situatie. Het opruimen van materiaal achter het bijgebouw, en het compenseren van een gedeelte bos. Dit veroorzaakt geen, dan wel gunstige effecten, op de bestaande natuurwaarden ter plaatse. Het is in dit specifieke geval niet te verwachten dat beschermde soorten door dit plan gevaar lopen.

In het gebied pal ten noorden van Garderbroekerweg 173, wat reeds een natuurlijke inrichting heeft, zijn reeds eerder soorten waargenomen zoals vogels (zwartkop, tuinfluiter, winterkoning, wilde eens) en kikkers. Het ten noorden van deze gronden gelegen om te vormen gebied heeft nu nog een agrarische functie. De toevoeging van de voorgestelde groene c.q. natuurlijke elementen vormen een meerwaarde voor het gebied. De versterking van de nu reeds aanwezige natuurwaarden achter Garderbroekerweg 173 in dit gebied is positief en betreft een gewenste ontwikkeling. Toekomstige aanwezigheid van diverse soorten Steltlopers, zoals Tureluurs en pioniersoorten als Kleine Plevier, lijken zeker niet uit te sluiten. Hierbij zijn geen ontwikkelingen te verwachten die nadelig uitwerken voor de omgeving en er zullen geen soorten komen die de landbouw in de omgeving schade gaan berokkenen. Ook geldt dat in dit gebied normaal gebruik kan worden gemaakt van de toegestane schadebestrijdings-/beheermethodes (denk aan be- en verjaging). Het betreft hier immers een klein gebied, hetgeen niet is te vergelijken met grote aaneengesloten en aan de reguliere beheermethodes ontnomen natuurgebieden.

Ten behoeve van de ontwikkeling nabij het perceel Garderbroekerweg 173 is door Hopman en Peters B.V. te Zeist het rapport 'Ecologische quickscan, Garderbroekerweg 173 (achter) te Kootwijkerbroek' d.d. 25 juli 2019, projectnummer P1800590, opgenomen als Bijlage 2 bij de toelichting, opgesteld. In het rapport is aangegeven dat in het onderzoeksgebied diverse soorten voor aan de randen van het perceel in de aanwezige ecologische structuren. Er zijn geen specifiek beschermde soorten te verwachten. Er is geen ontheffing nodig om de geplande werkzaamheden te verrichten mits de huidige ecologische elementen behouden blijven, wat ook aan de orde is. Het advies om de huidige ecologische structuren met bomen en struwelen intact te laten wordt dan ook overgenomen. Er is geen nader onderzoek noodzakelijk. De geplande ingreep zal een sterk ecologisch versterkend effect hebben op het perceel en de directe omgeving.

Algemene zorgplicht
Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is.

Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

5.3.1.3 Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplantingen in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long.

Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die twintig (of meer) bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen.

Herplantplicht van een deel van het bosje nabij de planlocatie aan de Garderbroekerweg 136/136A is aan de orde. Het gebruik als buitenopslag zal worden beëindigd en nieuwe beplanting zal worden aangebracht en daarmee de houtopstand worden hersteld.

5.3.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones

Het plangebied ligt niet binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden.

In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact.

Voor de EHS zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) Het plangebied ligt niet in het GNN of de GO. Er is geen toetsing nodig aangezien het plangebied niet in GO/GNN ligt.

5.3.3 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de Wet natuurbescherming de uitvoering van het onderhavige plan niet in de weg staat en ook de ontwikkeling is niet in strijd met deze wet.

5.4 Externe veiligheid

Doel
Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.

In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zo nodig het groepsrisico verantwoord.

Wettelijk kader
Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.

Plaatsgebonden Risico (PR)
Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'.

Groepsrisico (GR)
Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

Plasbrandaandachtsgebied (PAG)
Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt.

Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen
Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte.

Beleidsvisie externe veiligheid
In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid.

Beoordeling risicobronnen
Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid van beide planlocaties aanwezig zijn. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven, waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt of waar zich installaties bevinden waaraan risico's zijn verbonden waardoor effecten van ongevallen buiten het terrein van de inrichting merkbaar zijn. En in de omgeving van het plangebied vindt geen transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door leidingen plaats.

Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.5 Geluid

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen.

De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron. In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist.

Het uitbreiden van zowel de bedrijfsbebouwing als het bijgebouw zijn niet als geluidsgevoelige bestemming op grond van de Wet geluidhinder aangewezen. Daarom is geen akoestisch onderzoek nodig.

Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

5.6 Geur

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt.

Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 18 oktober 2008, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied.

Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets.

Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

Voor wat betreft agrarische geurhinder treedt er geen wijziging op bij de situatie aan de Garderbroekerweg 136/136A. De toetsing voor dit aspect blijft hetzelfde of het nu één woongebouw of een gesplitste situatie betreft. Het vergroten van het bijgebouw betreft geen geurgevoelige ruimte en hoeft niet als geurgevoelig worden aangemerkt.

De uitbreiding van de bedrijfsbebouwing aan de Garderbroekerweg 173 geeft geen probleem voor omliggende bedrijven. Voor zover dit gebouw als geurgevoelig dient te worden aangemerkt door regelmatige/langdurige aanwezigheid van mensen, dan nog liggen diverse andere geurgevoelige objecten dichter bij de omliggende agrarische bedrijven waardoor deze eerder belemmerd worden. Ook het inrichten van de agrarische gronden met landschappelijk elementen en het opleggen van de bestemming 'Groen' vormt geen belemmering voor de uitoefening van de agrarische activiteiten op de nabijgelegen gronden en (niet-)agrarische bedrijven in de (nabije) omgeving. Het betreft geen natuur als beschermd gebied dat daarmee eventueel beperkingen zou opleggen voor de omliggende bedrijven en gronden.

Conclusie
Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan.

5.7 Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt:

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro).

De onderhavige plannen vallen niet onder 'stedelijke ontwikkeling'. Daarom is geen verdere toelichting vereist.

5.8 Leidingen

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van onderhavig bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.

5.9 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.

De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht.

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen heeft betrekking op de vraag of de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit dienen te worden onderzocht. In het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) dient de luchtkwaliteit ter plaatse van nieuwe gevoelige bestemming die gelegen zijn op een afstand van minder dan 300 m vanaf de rand van een rijksweg of minder dan 50 m vanaf de rand van een provinciale weg te worden beoordeeld. In dit geval is er geen sprake van een plan waar een gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen mogelijk wordt gemaakt. Toetsing aan dit besluit behoeft derhalve niet plaats te vinden.

Conclusie
Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.

5.10 Milieueffectrapportage

Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen.

De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden.

Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan:

  • 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage;
  • 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied;
  • 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening.

Besluit milieueffectrapportage
De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden.

Wettelijk kader
Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd.

Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden.

Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk.

Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht.

Toetsing
In dit geval is het bestemmingsplan / de activiteit niet via dit spoor m.e.r.-plichtig want de activiteit komt niet voor op de lijst in onderdeel C of D van het Besluit milieueffectrapportage. Daarnaast heeft toetsing aan de in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria uitgewezen dat er geen sprake zal zijn van belangrijke milieugevolgen, zodat een m.e.r. achterwege kan blijven.

Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming
Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbescherming). De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig.

Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig.

Provinciale milieuverordening 
Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek.

Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn).

Conclusie
Ter compensatie van een kleinschalige bedrijfsuitbreiding en extra oppervlakte aan bijgebouwen bij een woning, vindt de realisatie van extra groene maatregelen plaats en worden landbouwgronden onttrokken. Per saldo kan worden gesteld dat het totaalplan juist positieve milieugevolgen met zich mee zal brengen.

5.11 Milieuzonering

Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen.

In de omgeving van de planlocaties ligt een aantal agrarische bedrijven. In de directe omgeving van beide planlocaties zijn verder geen industriële bedrijven gevestigd die door de ontwikkeling in hun mogelijkheden worden beperkt. Gezien de afstanden tussen het plangebied en de agrarische bedrijven is er gelet op de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' geen belemmering vanuit milieuzonering voor onderhavig plan. Ook zal het omvormen van agrarische gronden naar groen geen beperkingen opleggen voor de gebruiksmogelijkheden van de naastgelegen c.q. aangrenzende agrarisch gronden.

Veiligheidszone - Activiteitenbesluit
Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Tussen een woning en een gasdrukmeet- en regelstation moet een veiligheidsafstand van 6 meter worden aangehouden. Het onderhavige plan voldoet aan de voorgeschreven afstand. Binnen de veiligheidsafstand kunnen eveneens geen beperkt kwetsbare objecten worden opgericht. Er wordt voldaan aan de voorgeschreven afstand van 4 meter die geldt voor beperkt kwetsbare objecten.

Liander heeft op 7 november 2019 aangegeven geen belangen in het gebied te hebben, daarom hoeven er in dit bestemmingsplan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden.

Conclusie
Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.

5.12 Natuur en landschap

Teneinde de groene c.q. landschappelijke inrichtingsmaatregelen (en de landschappelijke inpassing van het bedrijfserf) aan de Garderbroekerweg 173 in Kootwijkerbroek tot uitvoering te brengen en in stand te houden/te beheren, zoals afgesproken, is er een beplantings-/inrichtingsplan met uitgebreide omschrijving opgesteld. Deze tekening “Inpassing definitief” van d.d. 30 september 2019 en de daarbij behorende "Beschrijving bij inrichtingsplan Garderbroekerweg 173” van d.d. 3 oktober 2019 met bijbehorende stukken zijn als Bijlage 1 bij de planregels behorende bij deze partiële herziening opgenomen. Dit inrichtingsplan vormt een nadere uitwerking van Hoofdstuk 4 van het document “Planbeschrijving Garderbroekerweg” van d.d. 29 augustus 2019, zoals opgenomen als Bijlage 3 bij de toelichting van deze partiële herziening. Teneinde het daadwerkelijk nakomen van de inrichting en het beheer na te komen, is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels met daaraan dus het inrichtings- en beheerplan gekoppeld.

Voor het perceel Garderbroekerweg 136(A) dient de gerealiseerde buitenopslag binnen de bestemming 'Natuur' te worden opgeheven en de situatie dient te worden hersteld naar de oorspronkelijke situatie. Dit is door middel van een voorwaardelijke verplichting gewaarborgd.

Het totale plan is vanuit landschappelijk oogpunt een acceptabele ontwikkeling.

5.13 Veiligheid

Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld.

Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.

Situatie
Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen.

Conclusie
Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

5.14 Verkeer

Voor wat betreft planlocatie aan de Garderbroekerweg 136/136A worden geen wijzigingen gedaan die consequenties hebben ten aanzien van parkeren of bereikbaarheid. De twee woningen maken gebruik van een gezamenlijke uitweg, die blijft gehandhaafd. Er minimaal 3 parkeerplaatsen per woning op eigen terrein aanwezig zijn. Op eigen terrein is er voldoende ruimte om te parkeren. Het mogelijk maken van het grotere bijgebouw en het bedrijfsgebouw heeft geen effect op de verkeerssituatie.

Het uitbreiden van de bedrijfsbebouwing op de locatie Garderbroekerweg 173 heeft ook geen consequenties voor het parkeren of de bereikbaarheid van het perceel. Voor wat betreft de groene c.q. landschappelijke inrichtingsmaatregelen kan worden gesteld dat de verkeersgeneratie niet meer toeneemt dan bij het huidige agrarische gebruik.

Vanuit verkeerskundig oogpunt is onderhavige ontwikkeling acceptabel.

5.15 Water

Deze waterparagraaf vormt het resultaat van het procesinstrument watertoets. De watertoets betreft het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. Het is verplicht de watertoets toe te passen. Hiermee wordt beoogd om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in het ruimtelijk planproces.

De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle relevante waterhuishoudkundige aspecten zoals ontwatering, wateroverlast en waterkwaliteit. De waterparagraaf beschrijft de waterhuishoudkundige uitwerking van het plan.

Huidige en toekomstige situatie
De percelen aan de Garderbroekerweg 136/136A en 173 liggen in het buitengebied van Kootwijkerbroek. In de Garderbroekerweg is sprake van drukriolering. De ontwikkeling betreft de splitsing van de bestaande woning in twee wooneenheden en het uitbreiden van de oppervlakte aan bijgebouwen. Door deze ontwikkeling is sprake van een toename van verhard oppervlak met in totaal circa 100 m2. De ontwikkeling op dit plandeel betreft onder meer de uitbreiding van bedrijfsbebouwing en het veranderen van de vorm van het bedrijfserf. Op de locatie waar het bedrijfsgebouw wordt vergroot is in de huidige situatie reeds verhard oppervlak aanwezig. Het veranderen van de vorm van het bestemmingsvlak, en dus niet vergroten, zorgt per saldo niet voor het bij recht mogelijk maken van meer verharding, maar zal in de praktijk wel het gevolg zijn. Hierdoor is er bij hevige neerslag sprake van een versnelde afvoer van hemelwater op het watersysteem, dit is een negatieve ontwikkeling.

De effecten van de voornoemde ontwikkelingen worden echter gezamenlijk gecompenseerd op de gronden ten noorden van het perceel Garderbroekerweg 173 in Kootwijkerbroek. In overleg met de gemeente Barneveld en het Waterschap Vallei en Veluwe is overeenstemming gekomen om groene c.q. landschappelijke inrichtingsmaatregelen met een waterbergingszone te creëren op deze gronden. De bergingszone wordt gerealiseerd ten noorden van de B-watergang op de gronden ten noorden van de Garderbroekerweg 173 (zie voor de verdere uitleg en berekening onder de binnen deze paragraaf stuk 'Versterking waterdoelen Waterschap Vallei & Eem').
Het hemelwater dat op het verharde oppervlak (daken en/of terreinen) valt, mag voor beide locaties niet op de drukriolering in de Garderbroekerweg worden aangesloten. Als het hemelwater in de huidige situatie toch op de drukriolering is aangesloten, dient het water afgekoppeld te worden. Het hemelwater kan dus wegvloeien over het maaiveld (tuin, groen, etc.). Daar kan het infiltreren in de bodem.

Bouwmaterialen
In het kader van duurzaam bouwen en vanwege de beoogde grond- en oppervlaktewaterkwaliteit mogen geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, koper, lood en PAK-houdende materialen) worden toegepast bij het realiseren van de nieuwe bebouwing. Er zijn voldoende milieuvriendelijke alternatieven die vergelijkbaar zijn wat betreft uitstraling, gebruiksgemak, levensduur en onderhoud.

Grondwater
Om grondwateroverlast te voorkomen, dient rekening te worden gehouden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). Een indicatie van de GHG voor de omgeving is <40 cm onder maaiveld (website bodemdata). Dit kan betekenen dat ophoging van het terrein nodig is. Het advies aan de initiatiefnemer is om een goed beeld te krijgen van de grondwaterstanden. Het structureel onttrekken van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen.

Versterking waterdoelen Waterschap Vallei & Eem
Het inrichten van de ten noorden van de bedrijfslocatie aan de Garderbroekerweg 173 in Kootwijkerbroek gelegen gronden met de groene c.q. landschappelijke inrichtingsmaatregelen in combinatie met de waterhuishoudkundige maatregelen is uitvoerig met het Waterschap Vallei en Veluwe besproken en voorgelegd. Het betreft immers een handeling aan het bestaande watersysteem, in dit geval een B-watergang, waarvoor het waterschap bevoegd gezag is.

Er is aangegeven dat het initiatief vanuit de zoetwater doelstelling bijdraagt aan de waterdoelen van het gebied. De ontwikkeling past binnen de aanpak van het waterschap met betrekking tot wateroverlast. Benedenstrooms van de gronden aan de Garderbroekerweg 173 bevindt zich in de huidige situatie een zogenaamd NBW-knelpunt. De bergingszone wordt gerealiseerd ten noorden van B-watergang WL_20546. Door een deel van de grond af te graven en een stuw te plaatsen zal bij een langdurige bui (T=100) opstuwing plaatsvinden en er meer berging plaatsvinden doordat een deel van de bergingszone onder zal lopen. Waterschap Vallei en Veluwe heeft berekend dat vanaf bui T-1 de berging zal worden benut. De effectieve berging voor het gebied dat afstroomt op dit perceel komt daarmee effectief op 900 tot 1.000 m3. Door het aanleggen van 900 tot 1000 m3 berging, welke het water tussen de T1 en T100 buien vasthoudt, draagt het plan bij aan de doelstellingen van het waterschap om water vast te houden en te infiltreren in de bodem. De afvoer bij T100 en T1 zijn van elkaar afgetrokken en vermenigvuldigd met 24 uur en de omvang van het totale stroomgebiedje (met een omvang van circa 15 hectare). De 24u is de duur van een maatgevende bui van 87mm die door het waterschap wordt gehanteerd. Het gebied wat hier wordt ontwikkeld zal alles boven T=1 vasthouden.

Het waterschap heeft aangegeven dat met de ontwikkeling de wateroverlast stroomafwaarts wordt tegengegaan. Dit levert een positieve bijdrage aan de hydrologie in de omgeving. Waterschap Vallei en Veluwe toetst periodiek de werking van het watersysteem waar zij beheer over voert, daarbij is in de Garderbroekerwegsloot een knelpunt geconstateerd waardoor mogelijk wateroverlast ontstaat bij hevige neerslag. Het waterschap is dan ook bezig met maatregelen om dit knelpunt op te lossen. Het plan aan de Garderbroekerweg 173 draagt in een positieve manier bij in het oplossen van het geconstateerde knelpunt in de Garderbroekerwegsloot. Door de realisatie van natte "natuur" en extra waterberging zal het water van bovenstrooms in het plangebied langer vasthouden kunnen worden en wordt het benedenstroomse gebied ontlast. Het waterschap ondersteunt daarom dit initiatief omdat het bijdraagt aan het realiseren van haar doelen, het voorkomen van wateroverlast. De uiteindelijk waterhuishoudkundige toetsing van het plan en bijbehorende maatregelen zal gebeuren bij de behandeling van de aanvraag in het kader van de Waterwet.

De conclusie die het waterschap heeft gesteld bij de groene c.q. landschappelijke inrichtingsmaatregelen is dat het initiatief bijdraagt aan de doelen van het waterschap en daarmee een meerwaarde vormt. Met het plan wordt water vastgehouden op hoger gelegen gebieden om zoveel mogelijk water te infiltreren en overlast benedenstrooms te voorkomen. Een en ander is ook beschreven in het document "Planbeschrijving Garderbroekerweg", opgenomen als Bijlage 3 bij de toelichting van deze partiële herziening.

Conclusie
Deze ontwikkeling draagt op een positieve wijze bij aan de waterhuishoudkundige doelen van zowel de gemeente Barneveld als het waterschap.

Hoofdstuk 6 JURIDISCHE ASPECTEN

6.1 Inleiding

Deze partiële herziening is gebaseerd op het moederplan "Buitengebied 2012" (met identificatienummer NL.IMRO.0203.1056-0004), vastgesteld op 28 mei 2013 en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels.
  • Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik.
  • Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijking- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels.
  • Hoofdstuk 4 betreft het overgangsrecht en de slotbepaling.

Bevoegdheid
Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk of de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.

6.2 Inleidende regels

Begrippen
In artikel 1 van de partiële herziening zijn de begrippen plan en bestemmingsplan Buitengebied 2012 gedefinieerd. Het kan bij een partiële herziening voorkomen dat er een begrip wordt toegevoegd.

Er wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.

6.3 Bestemmingsregels

In hoofdstuk 2 van de partiële herziening zijn de bestemmingsregels opgenomen. In dit hoofdstuk en de daarin opgenomen bepalingen over de bestemmingen 'Agrarisch', 'Groen' en 'Wonen' (en voor een deel op de planlocatie gelegen dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1') worden de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" niet herzien. In artikel 6.2.2, lid c binnen de bestemming 'Bedrijf - Niet agrarisch' wordt de maximum oppervlakte gewijzigd (van 327 naar 413 m2).

Verder is de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" op beide locaties gewijzigd. In die zin dat het bestemmingsvlak 'Bedrijf - Niet agrarisch' aan de Garderbroekerweg 173 iets van vorm wijzigt. Het bestemmingsvlak 'Wonen' aan de Garderbroekerweg 136/136A is iets opgerekt ter plaatse van het gerealiseerde bijgebouw. Daarnaast is aan dit bestemmingsvlak de aanduiding 'woongebouw' toegevoegd. Verder is het deel van het bestemmingsvlak voor de woning op nummer 136A een maatvoeringsaanduiding 'maximum oppervlakte (m2) toegevoegd teneinde de oppervlakte aan bijgebouwen te vergroten tot 127 m2. De bestemmingen van de percelen ten noorden van de planlocatie Garderbroekerweg 173 worden bestemd als 'Groen'. In het kader van de aanleg van de groene c.q. landschappelijke inrichtingsmaatregelen van beide planlocaties is een tweetal gebiedsaanduidingen met betrekking tot een voorwaardelijke verplichting toegevoegd.

Zie verder de toelichting bij het bestemmingsplan waar het plan verder wordt toegelicht en ook de planologische situatie van voor en na de partiële herziening is weergegeven.

Hieronder volgt een nadere uiteenzetting van enkele specifieke onderdelen van de partiële herziening.

6.4 Algemene regels

In hoofdstuk 3 is aangegeven dat de algemene regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad, niet zijn gewijzigd.

Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de voorgeschreven Anti-dubbeltelregeling opgenomen.

6.4.1 Algemene aanduidingsregels

De algemene aanduidingsregels bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. De gebiedsaanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting' is twee keer toegepast.

6.4.1.1 Voorwaardelijke verplichting

Bij wijzigingen van het bestemmingsplan is het veelal noodzakelijk afspraken met betrekking tot het slopen van gebouwen of het realiseren van inrichtingsmaatregelen dan wel andere voorwaarden vast te leggen. Om dit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hierbij worden aan het bestemmingsplan specifieke regels toegevoegd die de verzoeker verplichten om bij gebruikmaking van de toegestane ontwikkeling ook de inrichtingsmaatregelen te realiseren of bebouwing te slopen.

In onderhavige partiële herziening is een tweetal voorwaardelijke verplichtingen opgenomen die verband houden met de groene c.q. landschappelijke inrichting met waterhuishoudkundige inrichtingsmaatregelen van de gronden ten noorden van de planlocatie aan de Garderbroekerweg 173 en de landschappelijke inpassing van beide planlocaties.

6.5 Overgangs- en slotregels

In het laatste hoofdstuk zijn de regels ten aanzien van het overgangsrecht opgenomen. Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van voorliggende partiële herziening.

6.6 Handhaving

De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn:

  • De regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving.
  • Handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren.
  • Niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving.

Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (zoals in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijking van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom.

In 2016 heeft de gemeente de Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, VTH-beleid vastgesteld. In dit VTH-beleid staat beschreven hoe het college van burgemeester en wethouders op hoofdlijnen omgaat met de uitvoering van VTH-taken en welke prioriteiten hieraan zijn toegekend. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de VTH-taken en heeft de uitvoering van deze taken met ingang van 1 april 2013 grotendeels belegd bij de Omgevingsdienst de Vallei.

Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol.

Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door:

  • De regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels.
  • Het beleid voor afwijkingen.

In het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012"), en daarmee ook in deze partiële herziening, is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden.

Verder zijn aan de in het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012") opgenomen afwijkingsmogelijkheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.

Hoofdstuk 7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan voorkomt dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. Doordat er geen verhaalbare kosten zijn als bedoeld in artikel 6.2.4, onderdelen b tot en met f Bro, behoeft er op grond van artikel 6.2.1a, onder b Bro in dit geval geen exploitatieplan vastgesteld te worden.

De kosten voor het opstellen van het plan worden gedekt door het heffen van leges. Voor de kosten van tegemoetkoming in schade, bedoeld in artikel 6.1 van de Wro (planschade) is een afzonderlijke overeenkomst gesloten. De inhoud voldoet aan die van een anterieure overeenkomst in de zin van artikel 6.24 Wro. Er zijn bij dit plan geen andere kosten die in een exploitatieplan of exploitatieovereenkomst opgenomen moeten worden.

Hoofdstuk 8 OVERLEG EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

De procedure voor het gedeeltelijk herzien van een bestemmingsplan is door de wetgever geregeld. Conform artikel 1.3.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft het college op 20 juni 2019 in de Barneveldse Krant en Barneveld Huis-aan-Huis en langs elektronische weg kennis gegeven van het voornemen om de voorliggende partiële herziening van het geldende bestemmingsplan voor te bereiden. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Daarnaast is er de gelegenheid om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van de partiële herziening opgestart.

8.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Er is in het gebied van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bijzondere waarden of andere situaties waardoor deze ontwikkeling zou raken aan enig nationaal belang. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Verder is er geen sprake van provinciale belangen, zodat ook is afgezien van vooroverleg met de provincie Gelderland. Op grond van artikel 3.1.1 lid 2 Bro kan derhalve worden afgezien van overleg in door de provincie en het Rijk aangegeven gevallen.

Het Waterschap Vallei & Veluwe heeft aangegeven dat geen vooroverleg nodig is indien de toename van de verharding kleiner is dan 4.000 m² en de waterhuishoudkundige doelen van het waterschap niet in het geding komen door een bestemmingsplan. Hier is sprake van zo een geval. Om die reden heeft geen vooroverleg met het waterschap plaatsgevonden voor wat betreft het plan met betrekking tot de bedrijfsuitbreiding aan de Garderbroekerweg 173 en de ontwikkelingen op de planlocatie Garderbroekerweg 136 en 136A. Wel is het inrichten van de gronden ten noorden van de Garderbroekerweg 173 in overleg met het waterschap tot stand gekomen.

De belangen van omliggende gemeenten zijn bij dit plan niet in het geding.

8.2 Inspraak

De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken.

Op 15 december 2009 heeft het college besloten dat bij bestemmingsplannen alleen inspraak wordt gevoerd bij plannen waarbij maatschappelijke belangen een rol spelen, die politiek gevoelig liggen of waarbij inspraak een bijdrage kan leveren aan de kwaliteit en/of snellere doorlooptijd van het plan. In onderhavig geval is daar geen sprake van, waardoor wordt afgezien van het doorlopen van een inspraakprocedure.

8.3 Zienswijzen

Het ontwerp voor de partiële herziening heeft van 8 november tot en met 19 december 2019 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken is één reactie ingediend. Deze reactie heeft geleid tot aanpassing van het plan. In de bijlage bij deze partiële herziening is de Nota Zienswijzen bijgevoegd.

Bijlagen bij de toelichting

Bijlage 1 Lijst intrekkingsbesluit, wijzigingen en herzieningen bestemmingsplan Buitengebied 2012

Het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" (IMRO-idn. NL.IMRO.0203.1056-0004), welk bestemmingsplan is vastgesteld op 28 mei 2013 (en onherroepelijk geworden op 16 september 2015), is inmiddels gewijzigd door het college, herzien door de raad en gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad. In eerste instantie is een tweetal uitspraken verwerkt:

Daarnaast is het intrekkingsbesluit "Wijziging van het bestemmingsplan Buitengebied 2012 door het intrekken van enkele onderdelen" (IMRO-idn. NL.IMRO.0203.IB1056-0001), vastgesteld op 11 november 2014, verwerkt, waardoor enkele onderdelen (diverse locaties) van het moederplan "Buitengebied 2012" zijn ingetrokken. Daarnaast is het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" inmiddels vervangen door een aantal bestemmingsplannen (met op zichzelf staande bestemmingsplanregelingen, de zogenaamde postzegelplannen) en tevens een provinciaal inpassingsplan "Rondweg Voorthuizen N303" (met IMRO-idn. NL.IMRO.9925.IPN303Voorthuizen-VST1). Deze plannen zijn niet relevant, in die zin dat ze geen planologische gevolgen hebben, voor onderhavig plan.

Verder is een aantal uiteenlopende wijzigingsplannen door het college - met toepassing van de binnen het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" opgenomen wijzigingsbevoegdheden - en partiële herzieningen door de raad vastgesteld en verwerkt. De wijzigingsplannen en een deel van de partiële herzieningen zijn op perceelsniveau doorgevoerd en hebben geen directe invloed op (op het gehele grondgebied van) onderhavig plan. De volgende partiele herzieningen zijn doorgevoerd, waarbij ook de regels van het moederplan c.q. het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" zijn gewijzigd en daarmee wel van invloed zijn op onderhavig plan:

Naam partiële herziening   IMRO-identificatie-
nummer  
Datum vastgesteld  
4e partiële herziening Buitengebied 2012   NL.IMRO.0203.1268-0002   13-4-2016  
Apeldoornsestraat-Kieftveen, partiële herziening Buitengebied 2012   NL.IMRO.0203.1368-0002   14-12-2016  
Elzenkamperweg I, partiële herziening Buitengebied 2012   NL.IMRO.0203.1467-0002   4-7-2018  
Esvelderweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012   NL.IMRO.0203.1397-0002   30-1-2019  
Esvelderweg-Vinkekampweg, partiële herziening Buitengebied 2012   NL.IMRO.0203.1484-0002   22-5-2019  
Garderbroekerweg-Harskamperweg, partiële herziening Buitengebied 2012   NL.IMRO.0203.1371-0002   24-5-2017  
Grote Muntweg I, partiële herziening Buitengebied 2012   NL.IMRO.0203.1414-0002   31-1-2018  
Harremaatweg I, partiële herziening Buitengebied 2012   NL.IMRO.0203.1366-0002   1-2-2017  
Kerkendelweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012   NL.IMRO.0203.1440-0002   25-4-2018  
Kerkweg III, partiële herziening Buitengebied 2012   NL.IMRO.0203.1510-0002   9-10-2019  
Lange Zuiderweg V, partiële herziening Buitengebied 2012   NL.IMRO.0203.1475-0002   14-11-2018  
Meentweg-Valkseweg, partiële herziening Buitengebied 2012   NL.IMRO.0203.1439-0002   7-3-2018  
Overhorsterweg II, partiële herziening Buitengebied 2012   NL.IMRO.0203.1485-0002   10-7-2019  
Parapluherziening De Puurveense Molen   NL.IMRO.0203.1248-0002   30-9-2014  
Parapluherziening functieveranderingsbeleid 2016 en woninginhoud   NL.IMRO.0203.1391-0002   5-7-2017  
partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012   NL.IMRO.0203.1241-0001   25-2-2014  
Plaggenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012   NL.IMRO.0203.1370-0002   1-2-2017  
Tweede partiele herziening Buitengebied 2012   NL.IMRO.0203.1253-0003   8-7-2014  
Vergroten inhoud woningen, partiële herziening Buitengebied 2012   NL.IMRO.0203.1376-0002   1-2-2017  
Verzamelherziening Buitengebied 2012   NL.IMRO.0203.1349-0002   8-11-2017  
Vinkelaar II, partiële herziening Buitengebied 2012   NL.IMRO.0203.1421-0002   7-3-2018  
Vrouwenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012   NL.IMRO.0203.1501-0002   10-7-2019  
Welgelegenweg III, partiële herziening Buitengebied 2012   NL.IMRO.0203.1503-0002   10-7-2019  
Zeumerseweg I, partiële herziening Buitengebied 2012   NL.IMRO.0203.1529-0002   11-12-2019