| Plan: | Tam-omgevingsplan h22b aansluitplicht warmtenet en verplichtingen voor installaties |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0184.TAM22b-VA01 |
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het herzien van het warmteplan dat op 10 juli 2023 door de gemeenteraad is vastgesteld. Het warmteplan maakt sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege onderdeel uit van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan. Het herzien van het warmteplan kan alleen via een wijziging van het omgevingsplan.
De gemeente Urk maakt gebruik van de Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) voor het omgevingsplan, omdat de techniek van het DSO en de software nog verder getest moet worden. Met de TAM kunnen concrete initiatieven zonder technische risico's worden gefaciliteerd, omdat daarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande techniek (IMRO). Het gaat om een tijdelijke overgangsperiode tot 1 januari 2026.
Om te benadrukken dat het TAM-omgevingsplan onderdeel is van de geconsolideerde versie van het Omgevingsplan Urk, is gekozen om de regels van het voorliggende plan te plaatsen in een tijdelijk hoofdstuk 22 met opvolgende lettertoevoeging. Dat sluit goed aan bij de regels die zijn overgeheveld vanuit de rijksoverheid naar de gemeente met inwerkingtreding van de Omgevingswet (hoofdstuk 22). Dit wordt ook wel de bruidsschat genoemd.
Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
Deze ontwerpwijziging van het omgevingsplan regelt de aansluitplicht voor nieuw te bouwen bouwwerken, zijnde gebouwen, op het warmtenet. Daarnaast worden in dit plan de uitzonderingen op de aansluitplicht geregeld. Het is niet verplicht om aan te sluiten op het warmtenet als er gekozen wordt voor een gelijkwaardige maatregel, of wanneer het bouwwerk een bruto vloeroppervlak heeft van minder dan 100 m2.
Tot slot worden in dit plan ook eisen gesteld aan collectieve of individuele installaties die warmte leveren aan een bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden ten behoeve van ruimteverwarming (hierna genoemd: installaties). Deze moeten voldoen aan bepaalde geluidsnormen (Artikel 7) en specifieke vereisten met betrekking tot het elektrisch aanvoervermogen (Artikel 8).
De nieuwe regels hebben betrekking op de gronden die behoren tot het warmteplangebied van het warmteplan 'Zeeheldenwijk en Port of Urk', dat door de raad op 10 juli 2023 is vastgesteld en deel uitmaakt van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan. Concreet gaan de nieuwe regels alleen gelden ter plaatse van de volgende gronden:
Samengevat introduceert de ontwerpwijziging de volgende regels in het omgevingsplan:
Waarom is de ontwerpwijziging alleen van toepassing op deze gronden?
De gebieden Zeeheldenwijk (met uitzondering van deelgebied fase 1) en Port of Urk zijn gekozen omdat op korte termijn veel nieuwbouw is voorzien in deze gebieden van woningen en bedrijvigheid. Als gevolg daarvan zullen in de gebieden ook veel nieuwe installaties worden gerealiseerd. Dit maakt de gebieden uiterst geschikt om deze gebieden aan te wijzen voor de aansluitverplichting op het distributienet voor warmte. Het is op dit moment nog niet mogelijk om gebieden met bestaande bouwwerken te verplichten om aan te sluiten op het warmtenet. Deze mogelijkheid ontstaat wel als de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) in werking is getreden. Of daarvan gebruik gemaakt wordt vereist eerst politieke besluitvorming.
De artikelen 1.1 tot en met 1.3 zijn bedoeld om te verduidelijken hoe dit tam-omgevingsplan gelezen moet worden ten opzichte van het reeds geldende (tijdelijke deel van het) omgevingsplan.
Artikel 1.2 maakt duidelijk dat artikel 22.10 van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan niet van toepassing is op dit plan. Dit betekent dat de in dat artikel genoemde randvoorwaarden en uitzonderingen niet van toepassing zijn voor dit plan. Beoogd is om een volledig nieuwe regeling te maken voor de aansluitplicht in de benoemde gebieden, inclusief de uitzonderingen hierop.
Artikel 22.63 van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan wordt aangevuld met de criteria zoals weergegeven in artikel 7 van dit tam-imro plan. Omdat artikel 22.63 een algemene regeling betreft met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen, is opgenomen dat als sprake is van strijdigheid tussen artikel 7 van dit plan en de waarden genoemd in artikel 22.63, de regeling uit artikel 7 prevaleert.
Artikel 1.3 regelt het werkingsgebied van dit tam-omgevingsplan.
In artikel 2 zijn de belangrijkste begrippen in dit plan voorzien van een begripsomschrijving. Veel begrippen komen ook al in hogere wetgeving (amvb's) voor. Voor de leesbaarheid is, daar waar mogelijk, ervoor gekozen om niet te kiezen voor een verwijzing naar die andere wetten, maar om het begrip integraal over te nemen in dit plan.
Lid 1
In dit artikellid is de aansluitplicht opgenomen. Er is beoogd om een eenvoudiger regeling te maken, dan nu is weergegeven in artikel 22.10 van het (tijdelijke deel van) het omgevingsplan. Zo is de standaardregel dat nieuw te bouwen bouwwerken met één of meer verblijfsgebieden aangesloten dienen te worden op het warmtenet. Hierop zijn slechts twee uitzonderingen mogelijk die staan weergegeven in lid 2 en 3.
Lid 2
Er kan gekozen worden voor een gelijkwaardige maatregel, die tenminste dezelfde van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in de beleidsregels 'Warmteplan' voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
Volgens deze uitzonderingsregel behoeft een bouwwerk niet aan te sluiten op een warmtenet, indien een alternatieve installatie wordt gerealiseerd waarmee dezelfde mate van energiezuinigheid kan worden bereikt als met energiezuinigheidsprestaties die in het warmteplan zijn opgenomen. Het instrument warmteplan is vervallen onder de Omgevingswet. In de nieuwe planregeling wordt verwezen naar beleidsregels, zodat het eenvoudiger is om de waarden in de toekomst te actualiseren, bijvoorbeeld als de verwachte energieprestaties van het warmtenet 'Energienet Urk' zouden wijzigen.
Lid 3
Het derde lid leidt tot een nieuwe uitzondering voor bouwwerken, zijnde gebouwen van minder dan 100 vierkante meter bruto vloeroppervlak. De gemeenteraad heeft hierover op 3 juli 2025 een amendement aangenomen. Ten opzichte van de tekst van het amendement is toegevoegd omdat anders kleine woningen of logiesgebouwen onder de uitzondering zou kunnen vallen. Dit betekent dat alleen hele kleine gebouwen niet hoeven worden aangesloten, alle overige wel.
Lid 4
Het vierde lid regelt de eerbiedigende werking ten opzichte van het warmteplan, zoals dat gold voordat dit plan ter inzage is gelegd. Dit betekent dat aanvragen omgevingsvergunning die zijn ingediend voordat dit plan ter inzage is gelegd worden getoetst aan het warmteplan zoals vastgesteld in juli 2023.
Lid 1
Het kan in incidentele situaties voorkomen dat een bouwwerk op dusdanig grote afstand van het (hoofd)net afligt dat het voor het warmtebedrijf bezwaarlijk is om een dergelijk bouwwerk aan te sluiten. In die situatie kan een warmtebedrijf een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de aansluitplicht doen bij het college.
Lid 2
Het college kan medewerking verlenen als voldoende is onderbouwd en aangetoond is dat het gaat om een uitzonderlijke situatie en er voldaan wordt aan het criterium uit lid 1. Dit besluit wordt ook bekendgemaakt op de wettelijk voorgeschreven wijze.
In dit artikel is verduidelijkt op welke activiteit de nieuwe regeling van toepassing is. Er is gekozen voor een ruime begripsbepaling, zodat de nieuwe regeling van toepassing zal zijn op alle installaties ten behoeve van ruimteverwarming. De nieuwe regeling is daarmee 'techniekneutraal', in de zin dat de regeling geen onderscheid maakt tussen de verschillende installaties die er (mogelijk) zijn. De tekst van dit artikel sluit aan bij de definitie van het begrip "verblijfsgebied" uit het Besluit bouwwerken leefomgeving.
In de landelijke bouwregelgeving (artikel 4.107, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving) is bepaald hoeveel geluid die een buitenunit van een warmtepomp mag veroorzaken. De geluidnorm voor buitengeplaatste warmtepompen is 40 dB, gerekend op de grens met een aangrenzend perceel. De geluidnorm is opgenomen in paragraaf 4.3.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Daarin is uitputtend geregeld hoeveel geluid een nieuwe bouwwerkinstallatie mag veroorzaken op een aangrenzend bouwperceel en hetzelfde bouwperceel. Los van deze (bouw)regels, is het voor de raad mogelijk om in het omgevingsplan geluidregels te stellen in het omgevingsplan over 'activiteiten'. Dat mag ook over het gebruik van installaties.
Op grond van artikel 5.59 van de Omgevingswet moet in een omgevingsplan rekening worden gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (eerste lid) en moet een omgevingsplan erin voorzien dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is (tweede lid). Volgens artikel 3.21, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een "geluidgevoelige gebouw" een gebouw met een (a) woonfunctie (b) onderwijsfunctie (c) gezondheidsfunctie of (d) bijeenkomstfunctie.
Gelet hierop is de raad bevoegd om in het omgevingsplan regels vast te stellen over de toelaatbare hoeveelheid geluid die een installatie mag veroorzaken op geluidgevoelige gebouwen (en/of in de geluidgevoelige ruimten binnen deze gebouwen). De raad kan kiezen voor de standaardwaarden uit tabel 5.65.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dit zou betekenen dat er het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) niet meer mag zijn dan 40 dB (A). Op grond van artikel 5.66, eerste lid, van het Bkl mag de raad er echter ook voor kiezen om, gelet op de aard of locatie van de activiteit of cumulatie, een lagere waarde op te nemen.
De regeling in het omgevingsplan gaat uit van een geluidnorm van 35 dB (A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT). De geluidnorm van 35 dB (A) heeft te maken met de aard van het geluid dat afkomstig kan zijn van installaties. Een installatie kan gedurende een volledig etmaal een functie hebben en dus geluid produceren. Dat kan dus 24 uur per dag gevolgen hebben voor de omgeving. Bovendien zal het geluid dat afkomstig is van een installatie (bijvoorbeeld bij een warmtepomp) een tonaal karakter hebben. Ook dat heeft impact op de omgeving. In de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai' wordt in dat geval het maximum toegestane geluid dat de installatie mag produceren verlaagd met 5 dB(A).
De standaardwaarde van 40 dB (A) biedt naar het oordeel van de gemeente onvoldoende bescherming tegen de hinder die - al dan niet in cumulatie - afkomstig kan zijn van installaties. Gelet op de reële mogelijkheid dat installaties dicht bij elkaar in de buurt kunnen zijn gesitueerd (en daardoor ook in cumulatie geluid kunnen veroorzaken), en het tonale karakter dat een installatie kan hebben, is ervoor gekozen om voor installaties een specifieke geluidnorm van 35 dB(A) voor te schrijven. In verband met een representatieve invulling van installaties die geluidhinder kunnen veroorzaken, is ervoor gekozen om de norm van toepassing te verklaren op installaties die buitenpandig zijn gerealiseerd of in de gevel, dak of schoorsteen zijn verwerkt.
Ter verduidelijking is opgenomen dat de regeling aanvullend is op de algemene geluidsregels die via de bruidsschat terecht zijn gekomen in paragraaf 22.3.4 van de planregels van het omgevingsplan. Hiermee is verduidelijkt dat het gebruik van een installatie moet voldoen aan de geluidnorm uit artikel 22.63, eerste lid, van de planregels én artikel 7 van dit plan.
Door de snelle groei van zonneparken en windmolens raken de grenzen van de capaciteit van het hoogspanningsnet in de Noordoostpolder in zicht. Deze verduurzamingsplannen gaan sneller dan dat netuitbreidingen kunnen worden gerealiseerd. In verband daarmee heeft netbeheerder Liander op 26 juni 2025 netcongestie afgekondigd van een verwachte structurele congestie voor de productie van elektriciteit in de Noordoostpolder en Urk. Pas eind 2031 kan dit probleem volgens Liander zijn verholpen. Netcongestie treedt op wanneer het elektriciteitsnet niet voldoende capaciteit heeft om alle opgewekte elektriciteit te vervoeren.
Het tegengaan (en/of beperken) van netcongestie is een onderwerp dat niet uitputtend is geregeld door de landelijke wetgever in het Besluit activiteiten leefomgeving of het Besluit bouwwerken leefomgeving. De gemeente vindt het belangrijk om over dit onderwerp zelf regels te stellen. Dit heeft te maken met het behoud van een goede kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Hierbij geldt dat een aanhoudende toename van de netcongestie zal betekenen dat het elektriciteitsnet nog verder zal moeten worden verzwaard (en dus uitgebreid). De gemeente wil dat - en de gevolgen ervan voor de fysieke leefomgeving - zoveel mogelijk tegengaan.
Door de regulering van de mate waarin een installatie mag bijdragen aan de netcongestie, beperkt de gemeente de gevolgen die het gebruik van een installatie kan hebben voor de congestie op het elektriciteitsnet. Van belang daarbij is dat voor een installatie met een hogere piekbelasting meer capaciteit gereserveerd moet worden op het elektriciteitsnet, dan een installatie met een lagere piekbelasting. Een installatie met een hogere piekbelasting zal daardoor een grotere bijdrage leveren aan de congestie op het elektriciteitsnet, dan een installatie met een lagere piekbelasting.
De norm voor het tegengaan van netcongestie is bepaald aan de hand van de maximale verhouding tussen het elektrisch inputvermogen en thermisch outputvermogen van de voorziening. Bij piekbelasting mag, bij een afgiftetemperatuur van 40 °C, maximaal 0,3 kW elektrisch per 1.00 kW thermisch worden verbruikt. Deze norm is gebaseerd op Tabel P.5 van de NTA 8800:2024 en gaat uit van een samenstel van de COP die in deze tabel is opgenomen voor verschillende technieken. Daarmee is gekozen voor een zo goed mogelijke 'techniekneutrale' norm. Omdat de norm alleen betrekking heeft op het opwekvermogen, blijft het externe warmtesysteem buiten beschouwing bij het bepalen of een installatie aan de norm voldoet.
Benadrukt moet worden dat de nieuwe norm wordt gesteld vanuit het oogmerk om netcongestie tegen te gaan en uitsluitend betrekking heeft op het gebruik van de installatie. De regeling gaat dus over een ander onderwerp dan de uitputtende regeling die in het Besluit bouwwerken leefomgeving is opgenomen over 'energiezuinigheid' van nieuwbouw. Dit artikel gaat ook niet over het opwekken, het transporteren of het leveren van elektriciteit. De regulering daarvan vindt plaats in de Elektriciteitswet 1998.
Algemeen
In dit artikel is een meldplicht opgenomen voor het gebruik van een collectieve of individuele installatie die warmte levert aan een bouwwerk met een gebruiksfunctie ten behoeve van ruimteverwarming. De melding moet worden ingediend bij het college van burgemeester en wethouders. Dat moet gebeuren acht weken vóór het gebruik van de installatie. De meldplicht geldt voor het gebruik van alle installaties in het gebied (en is dus 'techniekneutraal').
De meldplicht is opgenomen omdat de nieuwe normen niet (kunnen) worden beoordeeld in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de 'bouwactiviteit' (artikel 5.2, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet en/of 22.26 van de planregels) of en/of omgevingsplanactiviteit. De nieuwe normen hebben uitsluitend betrekking op het gebruik van installaties (en kunnen dus op zichzelf ook niet betekenen dat een omgevingsvergunning niet kan worden verleend). In verband met de behandeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een 'bouwactiviteit' (of een 'omgevingsplanactiviteit') kan wél worden verwezen naar de meldplicht en de normen uit deze paragraaf. Op die manier kan worden verduidelijkt dat aan de nieuwe normen uit deze paragraaf moet worden voldaan, want anders mag de installatie niet in gebruik worden genomen.
Lid 1
De verplichting om bij de melding een akoestisch rapport te voegen geldt alleen voor installaties waarvan het realistisch is dat deze kunnen leiden tot een overtreding van de geluidnormen. Dit zijn de installaties die (i) buitenpandig zijn gerealiseerd of in de gevel, dak of schoorsteen zijn verwerkt, (ii) warmte leveren aan een bouwwerk met een gebruiksfunctie ten behoeve van ruimteverwarming, (iii) een tonaal geluid veroorzaken (als bedoeld in de NEN-ISO 1996-2:2017) en (iv) binnen een afstand van 50 meter zijn gelegen tot een geluidgevoelig gebouw. Een ruimere toepassing zou niet doelmatig zijn, omdat andere installaties niet dezelfde geluidgevolgen hebben.
Het akoestisch rapport moet voldoen aan bijlage XVII van de Omgevingsregeling. Dit is dezelfde bijlage die geldt bij de beoordeling of een buitenunit van een warmtepomp voldoet aan de geluidnorm die is opgenomen in de landelijke bouwregelgeving (artikel 4.107, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving).
Lid 2
Bij een melding moet een berekening zijn gevoegd. Er is ervoor gekozen om niet te vragen om een kwaliteitsverklaring, omdat dit onevenredige kosten met zich zou brengen voor degenen op wie de meldplicht van toepassing is. De berekening moet voldoen aan de gebruikelijke landelijke standaard voor de berekening van de COP. Dit is bijlage Q van de nieuwste versie van NTA 8800. Uit de berekening moet volgen dat de installatie voldoet aan de norm uit artikel 8 lid 1 van dit plan.
Lid 3
Het derde lid is een specificering van het tweede lid. Vaak is het voorgeschreven om voor de buitenlucht uit te gaan van de buiten(ontwerp)conditie van een temperatuur van -10°C. Dat is bijvoorbeeld voorgeschreven voor een warmteverliesberekening in de norm NEN-EN 12831-1:2017. Vanwege de opwarming van het klimaat, is het tegenwoordig echter gangbaar om uit te gaan van een buiten(ontwerp)conditie van een temperatuur van -10°C. Vandaar is ervoor gekozen dat een installatie met als bron de buitenlucht mag uitgaan van de buiten(ontwerp)conditie van een temperatuur van -7°C (en een afgiftetemperatuur van 40°C).
Het ontwerp van de wijziging van het omgevingsplan wordt op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Op grond van artikel 16.23, eerste lid, van de Omgevingswet kan gedurende deze periode eenieder een zienswijze tegen het ontwerp van de omgevingsplanwijziging en onderliggende stukken indienen. Het ontwerp van deze omgevingsplanwijziging en bijbehorende stukken zijn digitaal te bekijken via de applicatie "regels op de kaart" die te vinden is op omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart. Van de start van de terinzageleggingstermijn wordt kennis gegeven door het plaatsen van een publicatie op de website van de gemeente en in het (digitale) Gemeenteblad.
De wijziging van het omgevingsplan heeft geen impact op de omgeving. Dat komt omdat deze alleen betrekking heeft op bouwwerken en installaties in een gebied waar nieuwbouw plaatsvindt. Ook gold er al een aansluitplicht voor nieuw te bouwen bouwwerken met een verblijfsgebied. Gelet hierop is er niet een uitgebreid participatietraject gevoerd. Participatie met de betrokken partijen heeft plaatsgevonden door publicatie van het ontwerpbesluit
Na afloop van de terinzagelegging worden de zienswijzen die ingediend zijn op het ontwerp van de wijziging van het omgevingsplan samengevat en beantwoord. Daarbij wordt beoordeeld of (delen van) de zienwijzen aanleiding geven tot aanpassing van (delen van) de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan.. Daarnaast kunnen (delen van) de omgevingsplanwijziging door de gemeenteraad van Urk uit eigen beweging ‘ambtshalve’ aangepast worden. Een beantwoording van de zienswijzen is bij het besluit over de vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan bijgevoegd. De twee ingediende zienswijzen leiden niet tot aanpassing van dit omgevingsplan. Wel zijn er ambtshalve enkele tekstuele wijzigingen doorgevoerd en één inhoudelijke. Dit betreft Artikel 5 De zienswijzennota is als Bijlage 1 toegevoegd aan dit plan.
De wijziging van het omgevingsplan en de ingekomen zienswijzen worden aangeboden aan de gemeenteraad van Urk. Als de gemeenteraad de wijziging van het omgevingsplan vaststelt, dan wordt het vaststellingsbesluit met alle bijbehorende stukken gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Ook van de start van deze terinzageleggingstermijn wordt kennis kennisgegeven door het plaatsen van een publicatie op de website van de gemeente en in het (digitale) Gemeenteblad.
Na vaststelling van de omgevingsplanwijziging kunnen een ieder die zienswijzen naar voren hebben gebracht en belanghebbenden (ook als zij geen zienswijzen naar voren hebben gebracht) tijdens de periode dat het vaststellingsbesluit met bijbehorende stukken ter inzage is gelegd beroep tegen het vaststellingsbesluit instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens die periode kan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ook gevraagd worden een voorlopige voorziening te treffen. Daarna zal een uitspraak op het beroep of verzoek om voorlopige voorziening volgen.
De wijziging van het omgevingsplan treedt vier weken na de dag van de bekendmaking van het vaststellingsbesluit in werking.
De wijziging heeft betrekking op het nieuwe deel van het Omgevingsplan. Er worden regels opgenomen in het definitieve deel van het omgevingsplan die alleen gaan gelden voor de gebieden Zeeheldenwijk (met uitzondering van deelgebied 1A) en Port of Urk. Dit is het warmteplangebied van het warmteplan ‘Zeeheldenwijk en Port of Urk’. Hiernaast worden regels gesteld met het oog op het tegengaan van een ongewenste geluidhinder en netcongestie door installaties in het aangewezen gebied.
Op basis van de artikelsgewijze toelichting kan worden geconcludeerd dat de regels zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De regels voorkomen negatieve effecten door installaties op milieu-en/of omgevingsaspecten. De regels zijn verder in overeenstemming met de instructieregels die zijn gesteld over het onderwerp ‘geluid’ in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Er zijn geen andere landelijke of provinciale instructieregels van toepassing op de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan.
Voor alle duidelijkheid wordt nog vermeld dat deze wijziging van het omgevingsplan niet de onderliggende bestemming(en) wijzigt in het plangebied. De bestemming(en) en daarbij behorende regels zijn vastgelegd in de bestemmingsplannen Herziening Zeeheldenwijk en Port of Urk en enkele parapluplannen. Deze blijven ongewijzigd van kracht.
Met de inwerkingtreding van dit tam-omgevingsplan en bijbehorende beleidsregels Warmteplan zal het warmteplan van juli 2023 ingetrokken worden.