direct naar inhoud van Regels
Plan: Experiment veegplan landelijk gebied
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0171.BP00594-VS01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan

het bestemmingsplan Experiment veegplan landelijk gebied van de gemeente Noordoostpolder;

1.2 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0171.BP00594-VS01 met de bijbehorende regels (en bijlagen);

1.3 aan huis verbonden bedrijf

aan huis verbonden bedrijf: de in de Bijlage 2 Lijst van aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten genoemde bedrijvigheid, dan wel naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;

1.4 aan huis verbonden beroep

de uitoefening van een beroep (dan wel het verlenen van diensten) op administratief, maatschappelijk, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig of een daarmee gelijk te stellen gebied, dat in of bij een woonhuis wordt uitgeoefend, waarbij in overwegende mate de woonfunctie blijft behouden en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

1.5 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.6 achtererfgebied

erf achter de lijn die een woning doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder de woning opnieuw te doorkruisen of in het erf achter de woning te komen;

1.7 AGF-producten

aardappelen, groente en fruit;

1.8 agrarisch bedrijf

een bedrijf, dat geheel of overwegend is gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten, niet zijnde (bio)gas, of elektriciteit, door het telen van gewassen en/of het houden van dieren, met uitzondering van een paardenpension, manege en intensieve veehouderij;

1.9 agrarische bedrijvigheid

een agrarische bedrijvigheid waarbij het gebruik van agrarische gronden ter plaatse noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf;

1.10 akkerbouwbedrijf

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van akkerbouwgewassen;

1.11 ander-bouwwerk

een bouwwerk, geen gebouw zijnde;

1.12 ander-werk

een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid;

1.13 archeologische waarde

de waarde die van belang is voor de archeologie en voor de kennis van de beschavingsgeschiedenis;

1.14 bebouwing

één of meer gebouwen en/of andere-bouwwerken;

1.15 bebouwingsgebied

achtererfgebied alsmede de grond onder de woning, uitgezonderd de grond onder de oorspronkelijke woning;

1.16 bebouwingspercentage

de oppervlakte van gebouwen uitgedrukt in procenten van de nader aangegeven gronden;

1.17 bedrijf

een onderneming waarbij het accent ligt op het vervaardigen, bewerken, installeren, inzamelen en verhandelen van goederen, waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als ondergeschikt onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop dan wel levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen;

1.18 bedrijfsgebouw

een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

1.19 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;

1.20 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

1.21 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.22 bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een woning dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindende woning verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

1.23 boogkas

elke constructie van hout, metaal of ander materiaal, welke met plastic of in gebruik daarmee overeenstemmend materiaal is afgedekt en dient als teelt ondersteuning voor - al dan niet bedekte - teelten;

1.24 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van bebouwing, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.25 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

1.26 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde bouwwerken zijn toegelaten;

1.27 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.28 dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

1.29 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), het verkopen en/of leveren van goederen, geen motorbrandstoffen zijnde, aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.30 dierenbegraafplaats

een (gedeelte van een) terrein dat geschikt is gemaakt voor het begraven van overleden huisdieren;

1.31 erf

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een woning en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van die woning. Gronden met de bestemming 'Groen - Erfsingel' worden niet tot het erf gerekend.

1.32 extensieve openluchtrecreatie

vormen van recreatief medegebruik van het agrarisch en/of natuurgebied door middel van al dan niet aangelegde en aanwezige voorzieningen, waarbij de recreatie geen specifiek beslag legt op de ruime, zoals wandel-, ruiter- en fietspaden, vis- en picknickplaatsen en strandjes;

1.33 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.34 hondentraining

het uitoefenen van een niet-agrarisch bedrijf dat is gericht op de inkoop, training en verkoop van honden;

1.35 horeca

een bedrijf dat is gericht op het verstrekken van maaltijden en dranken voor gebruik ter plaatse (restaurantbedrijf), waaronder ook worden verstaan lunchrooms, eethuizen, bistro's, theehuizen, broodjeszaken en dergelijke);

1.36 intensieve veehouderij

een tak van een agrarisch bedrijf dat wordt gebruikt voor veehouderij volgens de Wet milieubeheer en waarbij de dieren in hoofdzaak worden gehouden in gebouwde huisvesting en waarbij het niet gaat om melkrundvee, schapen, paarden of geiten. Onder intensieve veehouderij wordt niet verstaan m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten als bedoeld in bijlagen C en D van het Besluit Milieueffectrapportage 1994;

1.37 kampeermiddel

een tent, tentwagen, kampeerauto of caravan, niet zijnde een stacaravan;

1.38 kas

een gebouw, waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal, dienend tot het kweken van vruchten, bloemen of planten;

1.39 kamperen

kamperen op een terrein bestemd voor niet meer dan 15 kampeermiddelen gedurende de periode van 15 maart tot en met 31 oktober;

1.40 manege

bedrijvigheid geheel of overwegend gericht op het houden, stallen, africhten, trainen en berijden van paarden en pony's, het ter zake lesgeven en de exploitatie van daarbij behorende voorzieningen, waaronder begrepen een kantine of soortgelijke horecavoorziening, al dan niet in combinatie met een ondergeschikte paardenhouderij en/of –pension;

1.41 nevenactiviteit

ondergeschikt bestanddeel van de totale omvang van een bedrijf;

1.42 nutsvoorziening

een voorziening ten dienste van een bedrijf, zoals een gas- en elektriciteitsbedrijf, dat opereert in een sector die beschouwd wordt van openbaar nut te zijn omdat het belangrijke producten of diensten ten nutte van het publiek levert;

1.43 omgevingsvergunning

vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

1.44 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

1.45 openbaar toegankelijk gebied

weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer;

1.46 plattelandswoning

een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een binnen hetzelfde bouwvlak gevestigd agrarisch bedrijf, die wordt bewoond door derden die geen functionele binding hebben met dat agrarische bedrijf;

1.47 relatie

teken waarmee op de plankaart wordt aangegeven dat de daardoor verbonden gebiedsdelen als één worden aangemerkt;

1.48 seksinrichting

de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.49 staat van Bedrijfsactiviteiten

de Staat van Bedrijfsactiviteiten die van deze regels onderdeel uitmaakt;

1.50 stacaravan

een caravan of soortgelijk onderkomen op wielen, dat mede gelet op de afmetingen kennelijk niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen, ook over grotere afstanden, als een aanhangsel van een auto te worden voortbewogen, en dat dient voor recreatief (nacht)verblijf voor recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben;

1.51 verbeelding

de digitale verbeelding van het bestemmingsplan Experiment veegplan landelijk gebied;

1.52 verkoopvloeroppervlakte

de voor het publiek zichtbare en toegankelijke (besloten) winkelruimte ten behoeve van de detailhandel;

1.53 voorerfgebied

erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied;

1.54 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien een perceel met meerdere zijden aan een weg grenst, de als zodanig door burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel;

1.55 voorkant

met het oog op het bepalen van het achtererfgebied aangegeven lijn op de verbeelding;

1.56 vrij beroep

beroep of beroepsmatige dienstverlening op administratief, juridisch, medisch, paramedisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch en daarmee gelijk te stellen gebied;

1.57 winkel

een gebouw, dat een ruimte omvat, welke door zijn indeling kennelijk bedoeld is te worden gebruikt voor de detailhandel;

1.58 woning

een gebouw of een gedeelte van een gebouw, krachtens aard en indeling geschikt en bestemd voor de huisvesting van één huishouden;

1.59 wooneenheid

een deel van een woning dat als zelfstandig woonruimte wordt gebruikt voor één huishouden;

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten en berekend:

2.1 de goothoogte van een gebouw

vanaf de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein tot de bovenkant van de goot c.q. druiplijn, het boeiboord of daarmede gelijk te stellen constructiedeel;

2.2 de hoogte van een bouwwerk

vanaf de gemiddelde hoogte van aansluitende afgewerkte terrein tot het hoogste punt van het bouwwerk, aan dat bouwwerk bevestigde ondergeschikte delen, zoals ondergeschikte dakopbouwen, schoorstenen, vlaggenmasten en antennes niet meegerekend;

2.3 de inhoud van een gebouw

boven de gemiddelde hoogte van aansluitende afgewerkte terrein, tussen de buitenwerkse gevelvlakken, harten van scheidsmuren en dakvlakken, met inbegrip van erkers en dakkapellen, met inbegrip van kelders en souterrains;

2.4 de oppervlakte van een ander bouwwerk

de horizontale projectie van alle delen van het bouwwerk binnen de omtrekslijn;

2.5 de oppervlakte van een gebouw

ter hoogte van de bovenkant van de begane grondvloer, tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of harten van scheidsmuren.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving
  • 1. De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
    • a. agrarische bedrijvigheid;
    • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning': een plattelandswoning;
    • c. instandhouding van de openheid van het landschap;
    • d. instandhouding van het aanwezige cultuurhistorisch waardevolle verkavelingspatroon;
    • e. instandhouding en ontwikkeling van de afschermende erfbeplanting, met daarbij behorende erfsloot;
    • f. extensieve openluchtrecreatie, zoals kavelpaden, en
    • g. sloten en andere watergangen.
  • 2. Onder bedrijven als bedoeld in lid 1 zijn detailhandelsbedrijven niet begrepen, tenzij het detailhandel betreft, als ondergeschikte nevenactiviteit, in ter plaatse voortgebrachte producten en/of in AGF (aardappelen, groente en fruit), met een maximale verkoopvloeroppervlakte van 100 m².
3.2 Bouwregels

3.2 Bouwregels

3.2.1 Algemeen

Binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak op de gronden als bedoeld in artikel 3.1, mag uitsluitend worden gebouwd de bij een agrarisch bedrijf behorende bebouwing.

Daar waar twee of meer bestemmingsvlakken dan wel bouwvlakken ter plaatse van de aanduiding 'relatie' met elkaar zijn verbonden, gelden die bestemmingsvlakken dan wel bouwvlakken bij de toepassing van deze regels als één bestemmingsvlak respectievelijk één bouwvlak.

Onder die bebouwing zijn begrepen kassen, ten hoogste één bedrijfswoning, en één plattelandswoning ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning', en daarbij behorende bijgebouwen.

Buiten bouwvlakken mogen uitsluitend bouwwerken geen gebouw zijnde worden gebouwd. Hieronder zijn niet begrepen:

  • bouwwerken voor mestopslag, sleufsilo’s en andere silo’s,
  • boogkassen.
3.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de inhoud van de bedrijfswoning of plattelandswoning mag niet meer dan 1.200 m³ bedragen;
  • c. de dakhelling van de bedrijfswoning of plattelandswoning mag niet minder dan 30º en niet meer dan 60° bedragen;
  • d. de goothoogte van een niet inpandige bedrijfswoning of plattelandswoning mag niet minder dan 4,5 m en niet meer dan 6 m bedragen, met dien verstande dat indien de bestaande goothoogte minder dan 4,5 m bedraagt, de goothoogte niet minder dan de bestaande goothoogte mag bedragen;
  • e. de bouwhoogte van een niet inpandige bedrijfswoning of plattelandswoning mag niet meer dan 10 m bedragen;
  • f. de gezamenlijke oppervlakte van de bij een bedrijfswoning of plattelandswoning bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 120 m² bedragen;
  • g. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd 3 m achter het verlengde van de voorgevel van de bedrijfswoning of de plattelandswoning;
  • h. bedrijfswoningen of plattelandswoningen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen een strook van 25 m vanaf de aan de wegzijde gelegen grens van het op de plankaart aangegeven bouwvlak;
  • i. de afstand van de bedrijfswoning of de plattelandswoning tot de weg mag niet minder dan de bestaande afstand bedragen;
  • j. de oppervlakte van kassen als bedoeld in artikel 3.2.1 mag niet meer bedragen dan 2500 m².
  • k. de goothoogte en bouwhoogte van gebouwen en de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouw zijnde mogen niet meer bedragen dan in onderstaande tabel is aangegeven:

bebouwing   maximum goothoogte   maximum bouwhoogte  
bedrijfsgebouwen   8,5 m   11 m  
kassen   6 m   10 m  
bijbehorende bouwwerken   3,5 m   6 m  
bouwwerken voor mestopslag   -   6 m  
silo's   -   20 m  
erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn   -   1 m  
overige erf- en terreinafscheidingen   -   2 m  
overige bouwwerken geen gebouw zijnde   -   4 m  
overige bouwwerken geen gebouw zijnde, buiten bouwvlak   -   1,5 m  

3.3 Afwijken van de bouwregels
3.3.1 Overschrijding grens bouwvlak

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in artikel 3.2 en 3.4.3, ten behoeve van het bouwen van bij een agrarisch bedrijf behorende bebouwing, buiten het bouwvlak mits:

  • a. de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering door middel van een gekwalificeerd bedrijfsplan is aangetoond,
  • b. de totale oppervlakte van het bouwvlak, en de gronden aangeduid voor erfsingel en erfsloot niet meer dan 1,7 ha bedraagt, waarbij:
    • 1. de breedte van het bouwvlak, en de gronden aangeduid voor erfsingel en erfsloot niet meer dan 125 m bedraagt,
    • 2. de diepte van het bouwvlak, en de gronden aangeduid voor erfsingel en erfsloot niet meer dan 170 m bedraagt, en
    • 3. de verhouding breedte tot diepte is gelegen tussen de 1:2 en 2:1,
  • c. wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en manoeuvreerruimte,
  • d. wordt voorzien in een goede inpassing van een en ander in het landschap door middel van afschermende erfbeplanting, met daarbij behorende sloot, waarbij:
    • 1. de afstand van gebouwen tot het hart van de erfsloot niet minder dan 12 m mag bedragen, en
    • 2. de breedte van de erfbeplanting niet minder dan 6 m mag bedragen,
  • e. de bebouwingsmogelijkheden zoveel mogelijk achter en niet naast de hoofdgebouwen worden gesitueerd, om bebouwingslinten niet onnodig te verdichten, en het zicht op de open polder te behouden.
3.3.2 Vrijstelling silo's en bassins buiten bouwvlakken

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om tot een afstand van 42 meter ten opzichte van de achterzijde van het bouwvlak af te wijken van het bepaalde in lid 3.2.1, ten behoeve van het bouwen van mestsilo's, waarvan de hoogte niet meer mag bedragen dan 4,5 m en ten behoeve van het bouwen van sleufsilo's, spoel- en waterbassins, waarvan de hoogte niet meer mag bedragen dan 2 m.

3.4 Specifieke gebruiksregels
3.4.1 Parkeren

Het parkeren ten behoeve van de bestemming dient plaats te vinden binnen het erf.

3.4.2 Geoorloofd gebruik

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval niet gerekend een aan huis verbonden beroep- of bedrijfsactiviteit, mits:

  • a. ten hoogste 30% van de oppervlakte van een woonhuis of de woning binnen een woongebouw en ten hoogste 60% van de toegelaten oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt ten behoeve van het aan huis verbonden beroep, met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte per woning niet meer dan 75 m2 bedraagt;
  • b. de uitstraling van de woning intact blijft;
  • c. het gebruik geen onevenredig nadelige gevolgen heeft voor het woon- en leefmilieu;
  • d. het gebruik geen onevenredig nadelige gevolgen heeft op de normale afwikkeling van het verkeer;
  • e. het parkeren ten behoeve van het gebruik binnen het bestemmingsvlak op eigen terrein plaatsvindt;
  • f. geen detailhandel wordt uitgeoefend;
  • g. de activiteit uitsluitend door de bewoner(s) wordt uitgeoefend;
  • h. in geval van een bedrijfsactiviteit, het een activiteit betreft die genoemd is in de Lijst van aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten.
3.4.3 Voorwaardelijke verplichting erfsingel
  • a. Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 3.1 opgenomen bestemmingsomschrijving, zonder de aanplant en instandhouding van een erfsingel conform het voor Noordermiddenweg 10-I en 10-II in Bijlage 3 opgenomen beplantingsplan, met bijbehorende inrichtingstekening.
  • b. In afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 3.1 opgenomen bestemmingsomschrijving worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen twee jaar na het tijdstip van onherroepelijk worden van het bestemmingsplan uitvoering wordt gegeven aan de aanplant en instandhouding van een erfsingel conform het voor Noordermiddenweg 10-I en 10-II in Bijlage 3 opgenomen beplantingsplan, met bijbehorende inrichtingstekening.
  • c. Bij toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid als beschreven in 3.3.1 (overschrijding grens bouwvlak) ter plaatste van Noordermiddenweg 10-I en 10-II geldt deze voorwaardelijke verplichting niet. Ter vervanging wordt overeenkomstig de voorwaarden uit 3.3.1, onder d in overleg met de gemeente een aangepaste inrichtingtekening opgesteld. Deze inrichtingstekening wordt als voorwaarde opgenomen in de betreffende omgevingsvergunning.
3.4.4 Strijdig gebruik

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het ophogen van gronden ten behoeve van het gebruik van gronden voor permanente bollenteelt.

3.5 Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1 Kamperen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in lid 3.1 voor het gebruik van:

  • a. gronden binnen het bouwvlak als standplaats voor ten hoogste 15 kampeermiddelen, en
  • b. voor het bouwen van daarbij behorende, niet voor bewoning bestemde gebouwen, zoals sanitaire ruimten en andere bouwwerken, tot een goothoogte en bouwhoogte van 3,5 m respectievelijk 6 m en een oppervlakte van 50 m².
3.5.2 Ander gebruik agrarische bedrijfsbebouwing

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in lid 3.1, ten behoeve van het gebruiken van bestaande agrarische bedrijfsgebouwen binnen een bouwvlak en uitsluitend als tweede tak, voor het volgende niet-agrarisch gebruik:

  • a. loonwerk- en veehandelbedrijven;
  • b. het bieden van overnachtingsmogelijkheden, met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 100 m²;
  • c. horeca ten dienste van extensieve openluchtrecreatie, met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 100 m²;
  • d. educatief centrum gericht op de landbouw en/of natuur;
  • e. opslag en stalling van caravans, campers en boten e.d.;
  • f. kunstnijverheid, ateliers en musea;
  • g. (kinder)dagopvang, met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 100 m²; en
  • h. detailhandel gerelateerd aan het onder c en f genoemde ander gebruik tot een maximale verkoopvloeroppervlakte van 100 m².

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning dienen de volgende bepalingen in acht te worden genomen:

  • 1. de nevenactiviteit mag op ten hoogste 20% van het erf plaatsvinden met een maximum vloeroppervlakte van 2.000 m2,
  • 2. de agrarische functie van aangrenzende, niet bij het bedrijf behorende gronden en bebouwing mag niet onevenredig worden belemmerd,
  • 3. in vergelijking met het agrarisch gebruik mag geen onevenredig grotere verkeersbelasting op aangrenzende wegen en paden plaatsvinden,
  • 4. het parkeren behorende bij het andere gebruik dient binnen het bouwvlak op eigen terrein plaats te vinden,
  • 5. er mag geen opslag van goederen, behorende bij het andere gebruik, in de open lucht plaatsvinden.
3.5.3 Mestverwerking en mestbewerking

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in lid 3.1 voor het bewerken en verwerken van mest met behulp van een mestvergistingsinstallatie ten behoeve van het verkrijgen van biogas, mits:

  • a. er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf;
  • b. de mestbe- en verwerking ten behoeve van het verkrijgen van biogas geen zelfstandige bedrijfsactiviteit betreft;
  • c. in geval van co-vergisting uitsluitend producten worden verwerkt, die zijn vermeld op de positieve lijst van het Ministerie van Economische Zaken.
3.6 Wijzigingsbevoegdheid
3.6.1 Wijzigingsbevoegdheid Wonen - Voormalig agrarische erven

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de bestemming 'Agrarisch' te wijzigen in de bestemming 'Wonen - Voormalige agrarische erven', met inachtneming van het volgende:

  • a. de gronden ter plaatse van de bestaande woning en de daarbij behorende gronden worden aangewezen met de bestemming 'Wonen - Voormalige agrarische erven', als bedoeld in artikel 7;
  • b. het bepaalde in artikel 7 is van overeenkomstige toepassing;
  • c. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing mogen door de wijziging niet onevenredig worden belemmerd;
  • d. het aantal woningen binnen elk erf mag niet worden vergroot.

Artikel 4 Bedrijf

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven die in de van deze regels deel uitmakende Bijlage 1 'Mogelijkheden nieuwe bedrijfsfuncties in vrijkomende (agrarische) gebouwen' zijn aangeduid als categorie 1 of 2;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - hondentraining': tevens hondentraining;
  • c. daarbij behorende voorzieningen, waaronder begrepen groenvoorzieningen, parkeerplaatsen en tuinen;
  • d. kleinschalige agrarische activiteiten zoals het kweken van fruit, groente, (sier)heesters en het houden van dieren als ondergeschikte nevenactiviteit.
4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen

Binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak op de gronden als bedoeld in artikel 4.1, mogen uitsluitend worden gebouwd gebouwen en andere bouwwerken ten behoeve van de bestemming 'Bedrijf', waaronder is begrepen ten hoogste één bedrijfswoning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken.

4.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. er mag alleen binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. bedrijfswoningen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen een strook van 40 m vanaf de aan de wegzijde gelegen grens van het op de planverbeelding aangegeven bestemmingsvlak;
  • c. de afstand van de bedrijfswoning tot de weg mag niet minder dan de bestaande afstand bedragen;
  • d. in het bestemmingsvlak mag het aantal bedrijfswoningen niet meer dan één bedragen;
  • e. het bebouwingspercentage van het bestemmingsvlak bedraagt maximaal 2.000 m²;
  • f. de inhoud van een bedrijfswoning mag niet meer dan 1.200 m³ bedragen;
  • g. de dakhelling van een bedrijfswoning mag niet minder dan 30° en niet meer dan 60° bedragen;
  • h. de goothoogte van een niet inpandige bedrijfswoning mag niet minder dan 4,5 m en niet meer dan 6 m bedragen, met dien verstande dat indien de bestaande goothoogte minder dan 4,5 m bedraagt de goothoogte niet minder dan de bestaande goothoogte mag bedragen;
  • i. de hoogte van een niet inpandige bedrijfswoning mag niet meer dan 10 m bedragen;
  • j. de gezamenlijke oppervlakte van bij eenzelfde bedrijfswoning behorende vergunningplichtige bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 120 m² bedragen;
  • k. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd 3 m achter het verlengde van de voorgevelrooilijn van de betreffende bedrijfswoning;
  • l. de goothoogte en bouwhoogte van gebouwen en de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouw zijnde mogen niet meer bedragen dan in onderstaande tabel is aangegeven:
  maximum goothoogte   maximum bouwhoogte  
bedrijfsgebouwen   8,5 m   11 m  
bijbehorende bouwwerken   3,5 m   6 m  
erf- of terreinafscheidingen   -   2,5 m  
licht- en vlaggenmasten   -   12 m  
overige andere bouwwerken   -   4 m  
4.3 Specifieke gebruiksregels
4.3.1 Voorwaardelijke verplichting erfsingel
  • a. Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 4.1 opgenomen bestemmingsomschrijving, zonder de aanplant en instandhouding van een erfsingel conform het voor perceel Ankerpad 15 in Bijlage 3 opgenomen beplantingsplan, met bijbehorende toelichting.
  • b. In afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 4.1 opgenomen bestemmingsomschrijving worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen twee jaar na het tijdstip van onherroepelijk worden van het bestemmingsplan uitvoering wordt gegeven aan de aanplant en instandhouding van een erfsingel conform het voor perceel Ankerpad 15 in Bijlage 3 opgenomen beplantingsplan, met bijbehorende toelichting.
4.4 Afwijken van de gebruiksregels
4.4.1 Ander soort bedrijf

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 4.1 en tevens bedrijven worden toegelaten die niet zijn genoemd in Bijlage 1 Mogelijkheden nieuwe bedrijfsfuncties in vrijkomende (agrarische) gebouwen of die volgens Bijlage 1 Mogelijkheden nieuwe bedrijfsfuncties in vrijkomende (agrarische) gebouwen van een hogere categorie zijn, voorzover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de reeds toegelaten categorie, met dien verstande dat:

  • Bevi-inrichtingen niet zijn toegestaan;
  • Buiten opslag en detailhandel niet zijn toegestaan;
  • vuurwerkbedrijven niet zijn toegestaan;
  • Wgh-inrichtingen niet zijn toegestaan.

Artikel 5 Bos

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ' Bos ' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bos;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - dierenbegraafplaats': een dierenbegraafplaats;
  • c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

met daaraan ondergeschikt:

  • d. ontsluitingswegen;
  • e. voet-, rijwiel- en ruiterpaden;
  • f. kunstwerken;
  • g. nutsvoorzieningen.

met daarbijbehorende:

  • h. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • i. andere-werken;
  • j. voorzieningen.
5.2 Bouwregels

Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels.

5.2.1 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, geldt dat de bouwhoogte niet meer dan 1,5 m mag bedragen.

Artikel 6 Groen - Erfsingel

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen - Erfsingel' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. opgaande afschermende beplanting;
  • b. een bebouwingsvrije onderhoudsstrook;
  • c. erfsloten;

met daaraan ondergeschikt:

  • d. tuinen, erven en paden;
  • e. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • f. parkeervoorzieningen.
6.2 Bouwregels

Binnen deze bestemming mag niet gebouwd worden.

Artikel 7 Wonen - Voormalige agrarische erven

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen - Voormalige agrarische erven' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kamperen': een een standplaats voor ten hoogste 15 kampeermiddelen;
  • c. het bieden van overnachtingsmogelijkheiden tot 100 m²;
  • d. kleinschalige agrarische activiteiten op voormalige agrarische erven zoals het kweken van fruit, groente, (sier)heesters en het houden van dieren.

met daarbijbehorende:

  • e. gebouwen en bijbehorende bouwwerken;
  • f. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • g. andere werken;
  • h. tuinen, erven en paden;
  • i. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • j. parkeervoorzieningen;
  • k. nutsvoorzieningen.
7.2 Bouwregels
7.2.1 Toegestane bebouwing

Op en in de gronden als bedoeld in lid 1, mogen uitsluitend gebouwd worden:

  • a. woningen;
  • b. bijbehorende bouwwerken;
  • c. andere bouwwerken geen gebouw zijnde.
7.2.2 Bouwen
  • a. woningen mogen uitsluitend gebouwd worden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen – één woning toegestaan', hierbij mag het aantal aangegeven woningen niet overschreden worden;
  • b. de inhoud van een woning mag niet meer dan 1.200 m³ bedragen;
  • c. de dakhelling van een woning mag niet minder dan 30° en niet meer dan 60° bedragen;
  • d. de goothoogte van een niet inpandige woning mag niet minder dan 4,5 m en niet meer dan 6 m bedragen, met dien verstande dat indien de bestaande goothoogte minder dan 4,5 m bedraagt de goothoogte niet minder dan de bestaande goothoogte mag bedragen;
  • e. de hoogte van een niet inpandige woning mag niet meer dan 10 m bedragen;
  • f. bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouw zijnde mogen uitsluitend gebouwd worden in het bebouwingsgebied van een woning;
  • g. de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken per woning mag niet meer dan 150 m² bedragen;
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kamperen' geldt daar bovenop een maximum van 50 m² voor bij kamperen behorende, niet voor bewoning bestemde bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouw zijnde;
  • i. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,5 m;
  • j. de hoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 6,0 m;
  • k. in afwijking van het bepaalde onder f., g., h. en i. geldt voor bijbehorende bouwwerken dat afwijkingen in maten en afmetingen zoals die bestaan op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan gehandhaafd mogen worden;
  • l. de hoogte van bouwwerken geen gebouw zijnde mag niet meer bedragen dan 2,0 m, met dien verstande dat overkappingen niet meer mogen bedragen dan 3,0 m;
  • m. in afwijking van lid l. mag de hoogte van pergola's en overkappingen maximaal 3,0 m zijn;
  • n. in afwijking van lid l. mag de hoogte van erf- en terreinafscheidingen in het voorerfgebied maximaal 1,0 m zijn.
7.3 Specifieke gebruiksregels
7.3.1 Voorwaardelijke verplichting erfsingel
  • a. Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 7.1 opgenomen bestemmingsomschrijving, zonder de aanplant en instandhouding van een erfsingel conform het voor de percelen Casteleynsweg 2 en Hopweg 41 in Bijlage 3 opgenomen beplantingsplan met bijbehorende toelichting ter plaatse van de bestemming 'Groen - Erfsingel'.
  • b. In afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 7.1 opgenomen bestemmingsomschrijving worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen twee jaar na het tijdstip van onherroepelijk worden van het bestemmingsplan uitvoering wordt gegeven aan de aanplant en instandhouding van een erfsingel conform het voor de percelen Casteleynsweg 2 en Hopweg 41 in Bijlage 3 opgenomen beplantingsplan met bijbehorende toelichting ter plaatse van de bestemming 'Groen - Erfsingel'.
7.3.2 Strijdig gebruik

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk als zelfstandige woonruimte;
  • b. het gebruik ten behoeve van een seksinrichting;
7.3.3 Geoorloofd gebruik

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval niet gerekend een aan huis verbonden beroep- of bedrijfsactiviteit, mits:

  • a. ten hoogste 30% van de oppervlakte van een woonhuis of de woning binnen een woongebouw en ten hoogste 60% van de toegelaten oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt ten behoeve van het aan huis verbonden beroep, met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte per woning niet meer dan 75 m2 bedraagt;
  • b. de uitstraling van de woning intact blijft;
  • c. het gebruik geen onevenredig nadelige gevolgen heeft voor het woon- en leefmilieu;
  • d. het gebruik geen onevenredig nadelige gevolgen heeft op de normale afwikkeling van het verkeer;
  • e. het parkeren ten behoeve van het gebruik binnen het bestemmingsvlak op eigen terrein plaatsvindt;
  • f. geen detailhandel wordt uitgeoefend;
  • g. de activiteit uitsluitend door de bewoner(s) wordt uitgeoefend;
  • h. in geval van een bedrijfsactiviteit, het een activiteit betreft die genoemd is in de Lijst van aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten.
7.4 Afwijken van de gebruiksregels
7.4.1 Afwijken vergroten inhoud woning

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 7.2.2 onder b, ten behoeve van het uitsluitend binnen de aaneengesloten oorspronkelijke bebouwing, vergroten van de inhoud van de woonruimte tot de totale inhoud van die aaneengesloten bebouwing, mits:

  • a. één en ander duidelijk bijdraagt aan de instandhouding van de betreffende bebouwing, en
  • b. het aantal woningen niet toeneemt.
7.4.2 Afwijken kamperen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 1, ten behoeve van het gebruiken van gronden als standplaats voor ten hoogste 15 kampeermiddelen. Ten behoeve van dit afwijkende gebruik is het toegestaan om bovenop het bepaalde in 7.2.2 hierbij behorende, niet voor bewoning bestemde gebouwen, zoals sanitaire ruimten, en andere bouwwerken geen gebouw zijnde te bouwen tot een maximum van 50 m² met een maximale goothoogte van 3,5 m en een maximale hoogte van 6 m.

7.4.3 Afwijken ander gebruik

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 1, ten behoeve van het gebruik van gebouwen uitsluitend als ondergeschikte nevenfunctie, voor

  • a. het bieden van overnachtingsmogelijkheden, met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 100 m²;
  • b. horeca ten dienste van extensieve openluchtrecreatie, met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 100 m²;
  • c. educatief centrum gericht op de landbouw en/of natuur;
  • d. opslag en stalling van caravans, campers en boten en dergelijke;
  • e. kunstnijverheid, ateliers en musea;
  • f. (kinder)dagopvang, met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 100 m²;
  • g. detailhandel gerelateerd aan het onder b. en e. genoemde ander gebruik tot een maximale verkoopvloeroppervlakte van 100 m².


Bij het afwijken op grond van artikel 7.4.2 dienen de volgende bepalingen in acht te worden genomen:

  • h. indien hierboven geen maximale oppervlakte genoemd is mag de nevenfunctie op ten hoogste de oppervlakte van de al bestaande bijbehorende bouwwerken plaatsvinden;
  • i. het gebruik mag geen onevenredig nadelige gevolgen hebben voor het woon- en leefmilieu en voor natuurwaarden;
  • j. het gebruik mag geen onevenredig nadelige gevolgen hebben op de normale afwikkeling van het verkeer;
  • k. het parkeren ten behoeve van de nevenfunctie dient binnen het bestemmingsvlak op eigen terrein plaats te vinden;
  • l. er mag geen opslag van goederen ten behoeve van de nevenfunctie in de open lucht plaatsvinden.

Artikel 8 Waarde - Archeologische verwachtingswaarde gematigd

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde gematigd' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de aldaar verwachte of aanwezige archeologische waarden.

8.2 Bouwregels

Op de gronden als bedoeld in lid 8.1 mag worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

8.2.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen

Voor bouwwerken, waarvoor bodemingrepen nodig zijn met een oppervlakte groter dan 5.000 m² en dieper dan 50 cm, moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van burgemeester en wethouders:

  • a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en
  • b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
8.2.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen

Indien uit het in 8.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
8.2.3 Advies

Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om aan de vergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in 8.2.2, wordt een archeologisch deskundige om advies gevraagd.

8.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.3.1 Omgevingsvergunningplichtige werken

Voor de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 5.000 m² en dieper dan 50 cm is, ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op de gronden van toepassing zijnde bestemming(en), een omgevingsvergunning vereist voor:

  • a. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen en ontginnen van gronden;
  • b. het graven of anderszins herprofileren van watergangen en waterpartijen;
  • c. het graven van sleuven breder dan 50 cm ten behoeve van het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, en telecommunicatieleidingen, drainage en funderingen, alsmede het toepassen van daarmee verband houdende constructies, installaties en/of apparatuur;
  • d. het permanent verlagen van het waterpeil.
8.3.2 Afwegingskader

De in 8.3.1 genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt:
    • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
8.3.3 Uitzonderingen

Het bepaalde in 8.3.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik van de gronden overeenkomstig de (basis)bestemming betreffen;
  • b. plaatsvinden in het kader van archeologisch onderzoek en opgravingen, mits verricht door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg;
  • c. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • d. aanvaardbaar zijn op basis van een eerder onderzoek waaruit is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn.
8.3.4 Advies

Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om aan de vergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in 8.3.2, wordt een archeologisch deskundige om advies gevraagd.

8.4 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door de bestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde gematigd' geheel of gedeeltelijk te verwijderen indien op basis van archeologisch onderzoek door een archeologisch deskundige is aangetoond dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 9 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels

10.1 Strijdig gebruik

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruiken of laten gebruiken:

  • a. als seksinrichting;
  • b. vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woonruimte;
  • c. van gronden en gebouwen voor de uitoefening van detailhandel, behoudens als ondergeschikte nevenactiviteit, in ter plaatse van voortgebrachten producten en/of in AGF (aardappelen, groente en fruit);
  • d. als stand- of ligplaats van kampeermiddelen, behalve ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kamperen', demonteerbare of verplaatsbare inrichtingen voor detailhandel in etenswaren en/of dranken, en andere onderkomens;
  • e. als opslag-, stort- of bergplaats van machines, voer- en vaartuigen en andere al of niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden;


alsmede:

  • f. de omzetting dan wel verkamering van zelfstandige woonruimte in kleinschaliger wonen dan wel onzelfstandige woonruimte.

Artikel 11 Algemene afwijkingsregels

11.1 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor:

  • a. het bouwen van niet voor bewoning bestemde bebouwing ten behoeve van nutsvoorzieningen, mits de goothoogte nier meer dan 3 m en de inhoud niet meer dan 50 m3 bedraagt;
  • b. een afwijking van de grens of richting van paden en waterlopen en ligging van bouwgrenzen en grenzen van bouwvlakken en aanduidingen, mits wordt aangetoond dat de afwijking noodzakelijk is voor de aanpassing van het plan aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein; voorts geldt dat de afwijking niet meer mag bedragen dan 5 m ten opzichte van hetgeen is aangegeven;
  • c. een afwijking van de bepalingen ten aanzien van maten en percentages, mits die afwijkingen beperkt blijven tot ten hoogste 10% van de in het plan aangegeven maten en percentages; een en ander geldt niet met betrekking tot de inhoud van de bedrijfswoning en de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken.

Artikel 12 Algemene wijzigingsregels

12.1 Algemene wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemmingsgrenzen in het plan te wijzigen, mits wordt aangetoond dat:

  • a. hiertoe dringende redenen zijn, die hen na het ter inzage leggen van het plan ter kennis zijn gekomen;
  • b. de wijziging het belang van een goede ruimteljike ontwikkeling van het in het plan begrepen gebied niet onevenredig schaadt.

Voorts geldt dat de geldende oppervlakte van het bij de wijziging betrokken bestemmingsvlak met niet meer dan 10% mag worden verkleind of vergroot.

Artikel 13 Overige regels

13.1 Werking wettelijke regelingen

De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van dit plan.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 14 Overgangsrecht

14.1 Overgangsrecht bouwwerken

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
14.2 Afwijken

Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid 14.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 14.1 met maximaal 10%.

14.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken

Lid 14.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

14.4 Overgangsrecht gebruik

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

14.5 Strijdig gebruik

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 14.4, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

14.6 Verboden gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in 14.4, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

14.7 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik

Lid 14.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 15 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan 'Experiment veegplan landelijk gebied'.