direct naar inhoud van Regels
Plan: Kom Leende-Leenderstrijp 2015
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1658.BPleendekom2015-vs01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 plan:

het bestemmingsplan 'Kom Leende-Leenderstrijp 2015' met identificatienummer NL.IMRO.1658.BPleendekom2015-vs01 van de gemeente Heeze-Leende;

1.2 bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

1.3 aanbouw/uitbouw:

een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, dan wel als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

1.4 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.5 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.6 aan-huis-verbonden-bedrijf:

een bedrijf of het bedrijfsmatig uitoefenen van bedrijvigheid gericht op consumentenverzorging, geheel of gedeeltelijk door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van woonfunctie, kan worden uitgeoefend;

1.7 aan-huis-verbonden beroep:

een dienstverlenend beroep, niet gericht op consumentenverzorging, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Gastouder als bedoeld in de Wet Kinderopvang en Kwaliteitseisen Peuterspeelzalen (WKKP) is hieronder begrepen;

1.8 afhankelijke woonruimte:

een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning met een zelfstandige woonvoorziening waarin een huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is;

1.9 agrarisch bedrijf:

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) of het houden van dieren, met uitzondering van intensieve veehouderij;

1.10 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.11 bebouwingspercentage

een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;

1.12 bedrijf:

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten;

1.13 bedrijfswoning:

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, bestemd voor de huisvesting van (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;

1.14 bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak;

1.15 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.16 bijgebouw:

een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

1.17 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.18 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

1.19 bouwlaag:

het doorlopende geheel van op gelijke of nagenoeg gelijke vloerhoogte gelegen ruimten in een gebouw met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van kelder, onderbouw, zolder en vliering;

1.20 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.21 bouwperceelgrens:

de grens van een bouwperceel;

1.22 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

1.23 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.24 cultuurhistorische waarde:

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de beplanting, het reliëf, de verkaveling, het sloten- of wegenpatroon of de architectuur;

1.25 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Bedrijven gericht op consumentenverzorging, zoals kappers, schoonheidsspecialisten en nagelstudio's zijn hieronder begrepen;

1.26 detailhandel in branche vrije tijd

detailhandel in consumentenartikelen ten behoeve van sport, toerisme en recreatie;

1.27 dienstverlening:

het verlenen van diensten aan derden, waarvan de uitoefening geschiedt in een rechtstreeks contact met het publiek, al dan niet door middel van een baliefunctie, met uitzondering van een seksinrichting;

1.28 evenement:

een georganiseerde publieke gebeurtenis in de vorm van een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak in de vorm van sport, spel, cultuur, tradities en dergelijke;

1.29 extensief recreatief medegebruik:

een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan en waarbij het gebruik weinig invloed heeft op de doeleinden binnen de bestemming;

1.30 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.31 geluidsgevoelige ruimte

ruimte binnen een woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon,- of eetkamer wordt gebruikt of voor een zodanig gebruik is bestemd, alsmede een keuken van ten minste 11 m2 (artikel 1 Wgh);

1.32 groen-blauwe mantel:

gebieden als zodanig beschreven in de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant en welke gronden mede zijn bestemd voor behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden;

1.33 groothandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen of afleveren van goederen aan wederverkopers, dan wel aan instellingen dan wel personen ter aanwending in een andere bedrijfsactiviteit;

1.34 handel in volumineuze goederen:

detailhandel die vanwege de aard en omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig hebben voor de uitstalling, zoals caravans, auto's etc. Bouwmarkten zijn hieronder tevens begrepen;

1.35 hoofdgebouw:

een gebouw, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een bouwperceel en, gelet op die bestemming, het belangrijkste is;

1.36 horecabedrijf:

een bedrijf dat is gericht op het verstrekken van dranken of etenswaren voor gebruik ter plaatse, het exploiteren van zaalaccommodatie of nachtverblijf. Tot de hieronder genoemde begrippen Horeca 1 tot en met Horeca 3 worden mede begrepen de niet genoemde, maar naar aard, omvang en uitstraling op het woon- en leefmilieu vergelijkbare horecasoorten:

Horeca 1 (daghoreca):

vormen van horeca-activiteiten die qua exploitatievorm en openingstijden aansluiten bij winkelvoorzieningen en waarbij de activiteiten primair gericht zijn op het bedrijfsmatig verstrekken van etenswaren of dranken voor nuttiging al dan niet ter plaatse en waarvan de exploitatie doorgaans geen of slechts in lichte mate een aantasting van het woon- en leefklimaat kan veroorzaken, zoals broodjeszaken, ijssalons en lunchrooms.

Horeca 2:

een bedrijf waar bedrijfsmatig dranken of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt, zoals (eet)cafés, restaurants, brasserieën, cafetaria's etc., met uitzondering van een discotheek, een en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie.

Horeca 3:

een bedrijf waar bedrijfsmatig logies worden verstrekt met als nevenfunctie het verstrekken van maaltijden of dranken (aan de logerende gasten), zoals hotels en pensions.

1.37 houtverwerking:

een bedrijf in het zagen, schaven, afkorten van hout, frezen en boren, alsmede het voorzien in opvangen van houtmot.

1.38 huishouden:

een verzameling van één of meer personen die een huishouding voeren, waarbij sprake is van continuïteit in samenstelling en onderling verbondenheid;

1.39 intensieve veehouderij:

een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen;

1.40 kamerverhuur:

de verhuur van een woning of woongebouw geheel of nagenoeg geheel via kameruitgifte, waarbij kamers geen zelfstandige woonruimte vormen door het ontbreken er in van wezenlijke voorzieningen zoals een eigen kook- of wasgelegenheid of toilet;

1.41 kantoor:

een locatie die dient voor het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij afnemers niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord worden gestaan en geholpen;

1.42 kas

agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dek voornamelijk bestaan uit glas of een ander licht doorlatend materiaal, dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden waaronder begrepen een schuurkas;

1.43 kelder

een geheel ondergronds gelegen ruimte, die grotendeels is gesitueerd onder een bijbehorend bovengronds bouwwerk;

1.44 landschappelijke waarden:

het geheel van waarden in verband met bijzondere landschappelijke kenmerken van een gebied of object, in de zin van karakteristieke verschijningsvorm, herkenbaarheid/identiteit en diversiteit, dat bestaat uit aardkundige, archeologische, cultuurhistorische en visueel-ruimtelijke waarden, afzonderlijk of in onderlinge samenhang;

1.45 maatschappelijke voorzieningen:

educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, alsmede voorzieningen ten behoeve van sportieve recreatie en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening;

1.46 mantelzorg:

het bieden van zorg aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband;

1.47 natuurlijke waarden:

de waarden in verband met de aanwezigheid van bijzondere planten, dieren en leefgemeenschappen in onderlinge samenhang en in samenhang met hun leefomgeving (biotoop) en welke verband houden met zaken als verscheidenheid/zeldzaamheid, natuurlijkheid/ongestoordheid en kenmerkendheid voor het gebied;

1.48 ondergeschikte detailhandel:

beperkte op de eindgebruiker gerichte verkoop van goederen, die functioneel rechtstreeks verband houden met de bedrijfsactiviteiten;

1.49 ondersteunende horeca:

horeca-activiteiten die uitsluitend in samenhang met en ondersteunend aan de hoofdactiviteit mogen plaatsvinden en waarbij de openingstijden van de horeca-activiteiten gelijk zijn aan de openingstijden van de hoofdactiviteit;

1.50 overkapping:

een bouwwerk dat bestaat uit een dakconstructie met maximaal 2 wanden;

1.51 peil:
  • a. bij nieuw te bouwen hoofdgebouwen en daarbij behorende aan- of uitbouwen:
    het straatpeil ter plaatse van de perceelgrens vermeerderd met 3 centimeter per meter afstand tussen de hoofdtoegang van het gebouw en die perceelgrens met een maximum van 30 centimeter;
  • b. bij nieuw te bouwen bijgebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde:
    de gemiddelde maaiveldhoogte van het aansluitend afgewerkte terrein;
  • c. bij bestaande gebouwen:
    een denkbeeldig vlak op 5 centimeter onder het niveau van de afgewerkte begane grondvloer;
1.52 prostitutiebedrijf:

een bedrijf, waarin het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding als beroep wordt uitgeoefend;

1.53 seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.54 stille horeca

een bedrijf waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt, zoals (eet)cafés, restaurants, brasserieën, cafetaria's, etc. met uitzondering van een discotheek/bar dancing, een en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie, met een inpandige geluidbelasting tot maximaal 75 dB(A) en geopend tot uiterlijk 23.00 uur;

1.55 teeltondersteunende voorzieningen (hoog, tijdelijk)

teeltondersteunende voorzieningen, in de regel hoger dan 1,5 m, ter bescherming van zaaisels en planten, tegen onkruid en wildschade en tegen weersinvloeden, die aanwezig zijn gedurende de periode dat de teelt dat vereist, en die na (een deel van) het teeltseizoen, en uiterlijk binnen 8 maanden, weer worden verwijderd.

Hieronder worden in ieder geval verstaan: menstoegankelijke wandelkappen, schaduwhallen voor het afharden van producten en ter bescherming van plantmateriaal tegen scherpe zon, hagelnetten en vraatnetten;

1.56 vloeroppervlak:

de totale oppervlakte van hoofdgebouwen en aan- en bijgebouwen op de begane grond;

1.57 voorgevel:

de gevel van een gebouw, die is gekeerd naar de weg of het openbaar gebied waarop het bouwperceel overwegend georiënteerd is (bij een hoekgevel is er slechts sprake van één voorgevel);

1.58 voorgevellijn:

de lijn waarin de voorgevel van een bouwwerk is gelegen alsmede het verlengde daarvan;

1.59 water en waterhuishoudkundige voorzieningen:

al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer en waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten et cetera;

1.60 woning:

een complex van ruimten, dat uitsluitend bedoeld is voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

1.61 zorgwoning:

een gebouw of een zelfstandig gedeelte van een gebouw, bedoeld voor de huisvesting van personen die niet zelfstandig kunnen wonen, gericht op het verlenen van zorg;

1.62 zorgwonen:

begeleid wonen, waarbij voorzieningen voor 24-uurs begeleiding tot de mogelijkheden behoort.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 Meetwijzen

2.1.1 de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens

de kortste afstand van enig punt van een bouwwerk tot de zijdelingse grens van het bouwperceel;

2.1.2 de bebouwde oppervlakte van een bouwperceel

de gezamenlijke oppervlakten van de gebouwen, die op hetzelfde bouwperceel zijn of mogen worden opgericht op grond van een verleende vergunning of zijn opgericht op grond van artikel 2.3 lid 1 Bor juncto artikel 3 van bijlage 2 Bor, met inbegrip van de oppervlakten van (gedeelte van) gebouwen die volledig onder maaiveld zijn gelegen;

2.1.3 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.1.4 de dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.1.5 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.1.6 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.1.7 de lengte, breedte en diepte van een gebouw

tussen de buitenwerkse gevelvlakken of de harten van scheidsmuren;

2.1.8 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken of hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.1.9 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk

vanaf het peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend;

2.2 Ondergeschikte bouwdelen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 meter is.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch - 1

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. agrarische doeleinden;
  • b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • c. behoud van bestaande paden en wegen.
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'evenementen' evenementen.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 1,50 meter.

Artikel 4 Agrarisch - 2

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een agrarisch bedrijf, niet zijnde intensieve veeteelt;
  • b. ter plaatse van de aanduiding:
    • 1. 'bedrijfswoning': één bedrijfswoning al dan niet met aan-huis-verbonden-beroep, met dien verstande dat bedrijfswoningen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
    • 2. 'specfieke vorm van agrarisch uitgesloten - houden van dieren': is het houden van dieren niet toegestaan;
    • 3. 'specifieke vorm van agrarisch - melkrundveehouderij': een melkrundveehouderij;
    • 4. 'intensieve veehouderij': een intensieve veehouderij;

met de daarbij behorende

  • c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen
  • a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak;
  • b. per bestemmingsvlak is bebouwing ten behoeve van niet meer dan één agrarisch bedrijf toegestaan;
  • c. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan 70% van het bouwperceel;
  • d. ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - melkrundveehouderij' en 'intensieve veehouderij' is vergroting van de bestaande oppervlakte bebouwing ten behoeve van de veehouderij welke op de peildatum 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering was, dan wel gebouwd mag worden krachtens een onherroepelijk verleende omgevingsvergunning niet toegestaan.

4.2.2 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  • b. nieuwbouw van kassen is uitgesloten, met uitzondering van teeltondersteunende voorzieningen in de vorm van tijdelijke hoge tunnels en tijdelijke kassen;
  • c. niet minder dan 90% van de gebouwen moet voorzien zijn van een schuine kap met een minimale dakhelling van 20° en een maximale dakhelling van 50º.

4.2.3 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels:

  • a. één gevel moet in de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd;
  • b. de inhoud van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 1.000 m3, met dien verstande dat ondergrondse ruimten zoals kelders niet worden meegerekend;
  • c. de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven.

4.2.4 Aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen van aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. aanbouwen en bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 3 meter achter de voorgevellijn van de bedrijfswoning te worden gebouwd;
  • b. overkappingen mogen tot 1,50 meter voor de voorgevellijn worden gebouwd, mits de afstand tot de voorste perceelgrens minimaal 3,00 meter bedraagt en het voor de voorgevellijn gebouwde niet met enige wand omsloten is;
  • c. de totale oppervlakte van de aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 80 m2;
  • d. de goothoogte bedraagt maximaal 3,50 meter;
  • e. de bouwhoogte bedraagt maximaal 5 meter;
  • f. de afstand tot de zijdelingse en achterste perceelgrens bedraagt minimaal 1 m, tenzij in de perceelgrens wordt gebouwd.

Voor de voorgevel van de bedrijfswoning mogen erkers, entreeportalen, balkons, luifels, overkappingen en vergelijkbare bouwwerken worden gebouwd, mits:

  • g. de diepte gemeten vanuit de voorgevel van het hoofdgebouw niet meer bedraagt dan 1,5 meter;
  • h. de hoogte (met uitzondering van balkons) niet meer bedraagt dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, met een maximum van 3,25 meter;
  • i. de hoogte van de onderdoorgang onder een balkon niet minder bedraagt dan 2,60 meter;
  • j. de hoogte van de wand van een balkon maximaal 1,50 meter hoog is;
  • k. de gezamenlijke breedte van een erker, entreeportaal of vergelijkbaar bouwwerk niet meer bedraagt dan 70% van de breedte van de voorgevel van de bedrijfswoning indien de breedte minder bedraagt dan 6 meter en niet meer dan 50% indien de breedte van de voorgevel van de bedrijfswoning meer bedraagt dan 6 meter;
  • l. de afstand van de erker, entreeportaal, balkon, luifel of vergelijkbaar bouwwerk tot de voorste perceelsgrens minimaal 3 meter bedraagt.

4.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevel mag niet meer bedragen dan 2,00 meter en voor de voorgevel niet meer dan 1,00 meter;
  • b. de hoogte van silo's mag niet meer bedragen dan 15 meter;
  • c. de bouw van antennes is toegelaten achter de achtergevel van de bedrijfswoning, mits de hoogte maximaal 15 meter bedraagt;
  • d. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 meter.

4.2.6 Ondergrondse bouwwerken

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
  • b. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder peil.

4.2.7 Openlucht zwembad

Voor het bouwen van een onoverdekt zwembad gelden de volgende regels:

  • a. het zwembad dient te worden gebouwd achter de achtergevel van de bedrijfswoning of het verlengde daarvan, op een afstand van niet meer dan 50 meter achter de bedrijfswoning;
  • b. de afstand tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens is minimaal 3 meter;
  • c. de oppervlakte van het zwembad mag niet meer bedragen dan 100 m2;
  • d. per bouwperceel mag maximaal 1 zwembad worden gebouwd;
  • e. het zwembad mag niet hoger zijn dan 1 meter;
  • f. de ondergrondse bouwdiepte van het zwembad bedraagt maximaal 2,5 meter.

4.3 Specifieke gebruiksregels
4.3.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend:

  • a. het gebruik voor (verblijfs)recreatieve doeleinden;
  • b. het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woonruimte en als afhankelijke woonruimte;
  • c. het splitsen van bedrijfswoningen in meerdere woningen;
  • d. het gebruik van de gebouwen voor kamerverhuur;
  • e. het gebruik voor een intensieve veehouderij;
  • f. het houden van dieren ter plaatse van de aanduiding 'specfieke vorm van agrarisch uitgesloten - houden van dieren'.

4.3.2 Aan-huis-verbonden beroep

Aan-huis-verbonden beroepen zijn toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende regels van toepassing zijn:

  • a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 45 m2;
  • b. detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan-huis-verbonden beroep;
  • c. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.

Artikel 5 Agrarisch met waarden

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie;
  • b. behoud, herstel en de duurzame ontwikkeling van de aanwezige ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken;
  • c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

met de daarbij behorende voorzieningen, waaronder begrepen nutsvoorzieningen.

5.2 Bouwregels
5.2.1 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 1,50 meter.

5.3 Specifieke gebruiksregels
5.3.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend:

  • a. het gebruik van de gronden als kampeerterrein;
  • b. het gebruik van de gronden voor reclamedoeleinden.

 

Artikel 6 Bedrijf

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven die zijn genoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten onder de categorieën 1 en 2, zoals opgenomen in bijlage 1 behorende bij deze regels, met uitzondering van de gronden gelegen aan Biesven, Veestraat 10 en Langstraat 3 waar het bepaalde in lid b van toepassing is;
  • b. voor zover het betreft bedrijven gelegen aan Biesven, Veestraat 10 en Langstraat 3: bedrijven die zijn genoemd in de Bedrijvenlijst onder de categorieën 1 en 2, zoals opgenomen in bijlage 4 behorende bij deze regels;
  • c. ter plaatse van de aanduiding:
    • 1. 'bedrijfswoning': één bedrijfswoning per bouwperceel al dan niet met aan-huis-verbonden-beroep, met dien verstande dat bedrijfswoningen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
    • 2. 'detailhandel': detailhandel in de branches meubelen, woninginrichting, tuininrichting, vrije tijd, wit- en bruingoed, fietsen-bromfietsen-motoren (tweewielers), huisdieren, dierbenodigdheden, en volumineuze detailhandel exclusief verkoop van auto's, boten en caravans;
    • 3. 'parkeerterrein': een parkeerterrein;
    • 4. 'specifieke vorm van bedrijf - buitenopslag': buitenopslag met een maximale hoogte van 4 m;
    • 5. 'specifieke vorm van bedrijf - aannemersbedrijf': aannemersbedrijf/betoncentrale/timmerbedrijf/groot- en detailhandel bouwmaterialen met opslag. Buitenopslag is hierbij toegestaan, met dien verstande dat binnen 5,00 meter uit de perceelsgrens geen opslag mag plaatsvinden in verband met de bereikbaarheid bij calamiteiten. Ten behoeve van de beeldkwaliteit zal ook geen buitenopslag voor de voorgevellijn worden toegestaan;
    • 6. 'specifiek vorm van bedrijf - autobedrijf': autobedrijf;
    • 7. 'specifieke vorm van bedrijf - bouwbedrijf': bouwbedrijf;
    • 8. 'specifieke vorm van bedrijf - dierenkliniek': een dierenkliniek;
    • 9. 'specifieke vorm van bedrijf - houtverwerking': houtverwerkingsbedrijf;
    • 10. 'specifieke vorm van bedrijf - interieurbouw': interieurbouwbedrijf;
    • 11. 'specifieke vorm van bedrijf - motorzaak': een motorzaak;
    • 12. 'specifieke vorm van bedrijf - productie metalen kozijnen': bedrijf voor de productie van metalen kozijnen;
    • 13. 'specifieke vorm van bedrijf - timmerbedrijf': (machinaal) timmerbedrijf;
    • 14. 'specifieke vorm van bedrijf - transportbedrijf': transportbedrijf;
    • 15. 'specifieke vorm van bedrijf - takel- en bergingsbedrijf': takel- en bergingsbedrijf;
    • 16. 'verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder lpg': verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder lpg;
  • d. opslag;

met de daarbij behorende

  • e. ondergeschikte detailhandel;
  • f. erven en terreinen;
  • g. verkeer- en parkeervoorzieningen;
  • h. groenvoorzieningen;
  • i. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

6.2 Bouwregels
6.2.1 Algemeen
  • a. een bouwperceel van een bedrijf mag niet meer dan 5.000 m2 bedragen. Indien de bestaande bouwperceelsoppervlakte van een bedrijf ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan meer bedraagt dan 5.000 m², geldt deze oppervlakte als de maximale oppervlakte;
  • b. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan 70% van het bouwperceel, met dien verstande dat:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak' het aangeduide maximum aantal m2 geldt, waarbij de bedrijfswoning wordt meegerekend in dit maximum aantal m2;
    • 2. in afwijking van het bepaalde in het vorige lid wordt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - houtverwerking' de bedrijfswoning niet meegerekend bij het maximale bebouwingsoppervlak;
    • 3. ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel':
      • het bebouwingspercentage van het bouwvlak niet meer mag bedragen dan 60%;
      • per bedrijf niet meer dan 1000 m2 bebouwd oppervlak is toegestaan;
      • de gezamenlijke oppervlakte van de detailhandel niet meer mag bedragen dan 5800 m2 brutovloeroppervlakte.

6.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak;
  • b. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven.

6.2.3 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels:

  • a. één gevel moet in de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd;
  • b. de inhoud van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 1.000 m3, met dien verstande dat ondergrondse ruimten zoals kelders niet worden meegerekend;
  • c. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven.

6.2.4 Aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen van aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. aanbouwen en bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 1 meter achter de voorgevellijn van de bedrijfswoning te worden gebouwd;
  • b. overkappingen mogen tot 1,50 meter voor de voorgevellijn worden gebouwd, mits de afstand tot de voorste perceelgrens minimaal 3,00 meter bedraagt en het voor de voorgevellijn gebouwde niet met enige wand omsloten is;
  • c. de totale oppervlakte van de aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 80 m2;
  • d. de goothoogte bedraagt maximaal 3,50 meter;
  • e. de bouwhoogte bedraagt maximaal 5 meter;
  • f. de afstand tot de zijdelingse en achterste perceelgrens bedraagt minimaal 1 m, tenzij in de perceelgrens wordt gebouwd.

Voor de voorgevel van de bedrijfswoning mogen erkers, entreeportalen, balkons, luifels, overkappingen en vergelijkbare bouwwerken worden gebouwd, mits:

  • g. de diepte gemeten vanuit de voorgevel van het hoofdgebouw niet meer bedraagt dan 1,5 meter;
  • h. de hoogte (met uitzondering van balkons) niet meer bedraagt dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, met een maximum van 3,25 meter;
  • i. de hoogte van de onderdoorgang onder een balkon niet minder bedraagt dan 2,60 meter;
  • j. de hoogte van de wand van een balkon maximaal 1,50 meter hoog is;
  • k. de gezamenlijke breedte van een erker, entreeportaal of vergelijkbaar bouwwerk niet meer bedraagt dan 70% van de breedte van de voorgevel van de bedrijfswoning indien de breedte minder bedraagt dan 6 meter en niet meer dan 50% indien de breedte van de voorgevel van de bedrijfswoning meer bedraagt dan 6 meter;
  • l. de afstand van de erker, entreeportaal, balkon, luifel of vergelijkbaar bouwwerk tot de voorste perceelsgrens minimaal 3 meter bedraagt.

6.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen gesitueerd achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw is maximaal 2 meter;
  • b. de bouwhoogte van erfafscheidingen gesitueerd vóór de voorgevellijn van het hoofdgebouw is maximaal 1 meter;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is maximaal 4 meter, met uizondering ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' waar de maximale hoogte 7 m bedraagt;
  • d. de hoogte van een luifel bij een benzineverkooppunt is maximaal 6 meter.
  • e. in afwijking van het bepaalde onder a, b en c mogen ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' reclameobjecten worden opgericht met dien verstande dat:
    • 1. reclameobjecten zowel binnen als buiten het bouwvlak zijn toegelaten;
    • 2. het aantal reclameobjecten buiten het bouwvlak niet meer dan 2 mag bedragen;
    • 3. de hoogte van de reclameobjecten binnen het bouwvlak niet meer dan 4,5 meter mag bedragen;
    • 4. de hoogte van reclameobjecten buiten het bouwvlak niet minder dan 2,5 meter en niet meer dan 5 meter mag bedragen;
    • 5. de afstand tussen de reclameobjecten buiten het bouwvlak bedraagt minimaal 10 meter;
    • 6. de maximale oppervlakte per reclameobject buiten het bouwvlak niet meer dan 10 m2 mag bedragen;
    • 7. in afwijking van het bepaalde onder 6 mag de oppervlakte van een reclameobject buiten het bouwvlak dat is vormgegeven als een driehoekige zuil een maximaal 18 m2 bedragen.
    • 8. reclameobjecten alleen dienst mogen doen voor de ter plaatse gevestigde bedrijven;
    • 9. het reclameoppervlak per gevestigd bedrijf bedraagt in totaliteit maximaal 3 m2.

6.2.6 Ondergrondse bouwwerken

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
  • b. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder peil.

6.2.7 Openlucht zwembad

Voor het bouwen van een onoverdekt zwembad gelden de volgende regels:

  • a. het zwembad dient te worden gebouwd achter de achtergevel van de bedrijfswoning of het verlengde daarvan, op een afstand van niet meer dan 50 meter;
  • b. de afstand tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens is minimaal 3 meter;
  • c. de oppervlakte van het zwembad mag niet meer bedragen dan 100 m2;
  • d. per bouwperceel mag maximaal 1 zwembad worden gebouwd;
  • e. het zwembad mag niet hoger zijn dan 1 meter;
  • f. de ondergrondse bouwdiepte van het zwembad bedraagt maximaal 2,5 meter.

6.3 Specifieke gebruiksregels
6.3.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend:

  • a. het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;
  • b. het splitsen van een bedrijfswoning in meerdere woningen;
  • c. het gebruik van een bouwperceel voor meer dan één bedrijf, met uitzondering van het bedrijventerrein aan de Langstraat, het bedrijventerrein aan Biesven en Veestraat 10;
  • d. het gebruik van de buitenruimte voor opslag, met uitzondering van uitstalling van te verkopen goederen en met uitzondering van het bepaalde in 6.1 onder c sub 4 en 5;
  • e. het gebruik van de gebouwen voor kamerverhuur.

6.3.2 Ondergeschikte detailhandel

De omvang van ondergeschikte detailhandel bedraagt maximaal 20% van het vloeroppervlak met een maximum van 100 m2.

6.3.3 Detailhandel bij verkooppunt motorbrandstoffen

Detailhandel is ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt van motorbrandstoffen zonder LPG' tot ten hoogste 100 m2 vloeroppervlak toegestaan.

6.3.4 Aan-huis-verbonden beroep

Aan-huis-verbonden beroepen zijn toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende regels van toepassing zijn:

  • a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 45 m2;
  • b. detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan-huis-verbonden beroep;
  • c. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.

6.4 Afwijken van de gebruiksregels
6.4.1 Staat van Bedrijfsactiviteiten/Bedrijvenlijst

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 6.1 onder a en b om activiteiten toe te laten die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten dan wel Bedrijvenlijst voorkomen, of om activiteiten toe te laten die in de Staat van Bedrijfsactiviteiten dan wel Bedrijvenlijst zijn vermeld in een categorie die in principe niet is toegestaan op het desbetreffende bouwperceel, mits:

  • a. onderzoek aantoont dat de bedoelde activiteiten qua milieubelasting kunnen worden gelijkgesteld met de krachtens de regels van dit plan ter plaatse toelaatbare categorie bedrijfsactiviteiten.

6.4.2 Handel in volumineuze goederen

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 6.1 om handel in volumineuze goederen toe te staan, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. een samenhangend stedenbouwkundig beeld;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid.

6.5 Wijzigingsbevoegdheid
6.5.1 Wijziging naar Gemengd of Maatschappelijk

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Gemengd' of 'Maatschappelijk'. De bestemming kan slechts worden gewijzigd, mits:

  • a. er geen woningen worden toegevoegd;
  • b. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. een samenhangend stedenbouwkundig beeld;
    • 2. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    • 3. de verkeersveiligheid;
    • 4. de sociale veiligheid;
  • c. indien de ontwikkeling gelegen is binnen de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel', de betreffende gronden mede zijn bestemd voor behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden.

Voor zover de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft op de gronden die zijn gelegen binnen de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel', geldt tevens dat de bestemming slechts kan worden gewijzigd, mits:

  • d. de beoogde wijziging niet tot gevolg heeft dat de totale omvang van het bouwperceel meer dan 5.000 m² bedraagt;
  • e. in afwijking van het bepaalde onder d, de beoogde wijziging niet tot gevolg heeft dat de totale omvang van het bouwperceel meer dan 1,5 hectare bedraagt, uitsluitend indien de wijziging ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' toeziet op de vestiging van een horecabedrijf of maatschappelijke voorziening;
  • f. de ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan water, natuur of landschap op basis van de kenmerken van het gebied;
  • g. is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt;
  • h. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf behorend tot de milieucategorie 3 of hoger en daarnaast niet leidt tot twee of meer zelfstandige bedrijven;
  • i. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie of een al dan niet zelfstandige detailhandelsvoorziening met een verkoopvloeroppervlakte van meer dan 200 m²;
  • j. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een ontwikkeling waarbij blijkens economisch effectenonderzoek, de som van het te verwachten aantal bezoekers en overnachtingen meer dan 150.000 per jaar bedraagt;
  • k. de beoogde wijziging gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving. Onder deze fysieke verbetering wordt onder meer verstaan de landschappelijke inpassing van bebouwing;
  • l. in afwijking van het bepaalde onder k kan, indien de beoogde wijziging niet gepaard gaat met een fysieke verbetering van de kwaliteit van het gebied of de omgeving, een passende financiële bijdrage worden gedaan in een landschapsfonds.


Artikel 7 Bedrijf - Nutsvoorziening

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf - Nutsvoorziening' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. voorzieningen van openbaar nut, zoals energie-, warmte- en telecommunicatievoorzieningen en naar de daarmee gelijk te stellen voorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • b. verkeer- en parkeervoorzieningen;
  • c. groenvoorzieningen;
  • d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

7.2 Bouwregels
7.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd worden;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5 meter.

7.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen is maximaal 2 meter;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 meter;
  • c. de bouwhoogte van zend- en telecommunicatiemasten mag niet meer bedragen dan 40 meter.

Artikel 8 Bos

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. instandhouding en aanplant van bos en bebossing;
  • b. extensieve dagrecreatie, uitsluitend in openbare gebieden;
  • c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • d. (half)verharde paden voor langzaam verkeer;
  • e. in- en uitritten, uitsluitend ter plaatse van aanduiding 'ontsluiting'.

8.2 Bouwregels
8.2.1 Gebouwen

Op of in deze gronden zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan.

8.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen is maximaal 2 meter;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is maximaal 3 meter.

8.3 Specifieke gebruiksregels
8.3.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend:

  • a. het gebruik van gronden en bouwwerken als stand- of ligplaats voor kampeermiddelen;
  • b. het permanent verwijderen van houtopstanden uitgezonderd ten behoeve van ontsluiting als bedoeld in artikel 8.1 onder e.

8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.4.1 Verboden werken en werkzaamheden

Het is verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en oppervlakteverhardingen;
  • b. het graven, verbreden, uitdiepen, dempen en/of verleggen van watergangen;
  • c. het ontginnen, bodemverlagen of afgraven, het ophogen, egaliseren;
  • d. het vellen en rooien van houtgewas;
  • e. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • f. het aanleggen van picknickplaatsen, speel- en/of ligweiden.

8.4.2 Uitzondering

Het verbod als bedoeld in 8.4.1 is niet van toepassing op andere werken en/of werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud, gebruik en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

8.4.3 Weigeringsgrond

De andere werken en/of werkzaamheden als bedoeld in 8.4.1 zijn slechts toelaatbaar voor zover geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke en/of natuurlijke waarden van de gronden.

Artikel 9 Centrum

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Centrum' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. woningen, al dan niet met een aan huis-verbonden-beroep;
  • b. detailhandel, niet zijnde detailhandel in volumineuze goederen;
  • c. dienstverlening;
  • d. ondersteunende horeca;
  • e. maatschappelijke voorzieningen, met uitzondering van kinderdagverblijven;
  • f. kantoor;
  • g. horecabedrijven uit de categorieën Horeca 1, 2 en 3;
  • h. evenementen;
  • i. kiosk;
  • j. ter plaatse van de aanduiding:
    • 1. 'begraafplaats': een begraafplaats;
    • 2. 'supermarkt': twee supermarkten;

met de daarbij behorende:

  • k. erven en terreinen;
  • l. verkeer- en parkeervoorzieningen;
  • m. groenvoorzieningen;
  • n. terrassen;
  • o. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

9.2 Bouwregels
9.2.1 Algemeen
  • a. Gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak.
  • b. Uitsluitend bestaande woningen zijn toegestaan, tenzij sprake is van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' zijn nieuwe woningen toegestaan tot het maximum aantal woningen dat door middel van de aanduiding is aangegeven;
  • c. Het bebouwingspercentage per bouwperceel mag niet meer bedragen dan 80%, behoudens op de percelen met uitsluitend een woonfunctie, waarvoor een bebouwingspercentage van niet meer dan 60% is toegestaan.

9.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' mogen uitsluitend appartementen worden gebouwd;
  • b. de maximale inhoud voor woningen bedraagt 1.000 m3, met dien verstande dat ondergrondse ruimten zoals kelders niet worden meegerekend;
  • c. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven.

9.2.3 Kiosk

Voor het bouwen van ten behoeve van een kiosk gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 7 meter;
  • b. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 4 meter;
  • c. de ondergrondse bouwdiepte bedraagt maximaal 4 meter onder peil.

9.2.4 Aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. aanbouwen en bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 3 meter achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd;
  • b. de totale oppervlakte van de aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag per hoofdgebouw niet meer bedragen dan:
    • 1. 75 m²: bij een perceelsgrootte tot 500 m²;
    • 2. 100 m²: bij een perceelsgrootte vanaf 500 m² tot 2.000 m²;
    • 3. 120 m²: bij een perceelsgrootte vanaf 2.000 m²;
  • c. de goothoogte bedraagt maximaal 3,50 meter;
  • d. de bouwhoogte bedraagt maximaal 5 meter;
  • e. de afstand tot de zijdelingse en achterste perceelgrens bedraagt minimaal 1 meter, tenzij in de perceelgrens wordt gebouwd;
  • f. tot een afstand van 25 meter achter de voorgevel moet bij vrijstaande woningen aan één zijde van het perceel een zone van minimaal 3 meter uit de zijdelingse perceelgrens vrij blijven van aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen.

Voor de voorgevel van het hoofdgebouw mogen erkers, entreeportalen, balkons, luifels, overkappingen en vergelijkbare bouwwerken worden gebouwd, mits:

  • g. de diepte gemeten vanuit de voorgevel van het hoofdgebouw niet meer bedraagt dan 1,5 meter;
  • h. de hoogte (met uitzondering van balkons) niet meer bedraagt dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, met een maximum van 3,25 meter;
  • i. de hoogte van de onderdoorgang onder een balkon niet minder bedraagt dan 2,60 meter;
  • j. de hoogte van de wand van een balkon maximaal 1,50 meter hoog is;
  • k. de gezamenlijke breedte van een erker, entreeportaal of vergelijkbaar bouwwerk niet meer bedraagt dan 70% van de breedte van de voorgevel van de bedrijfswoning indien de breedte minder bedraagt dan 6 meter en niet meer dan 50% indien de breedte van de voorgevel van de bedrijfswoning meer bedraagt dan 6 meter;
  • l. de afstand van de erker, entreeportaal, balkon, luifel of vergelijkbaar bouwwerk tot de voorste perceelsgrens minimaal 3 meter bedraagt.

9.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen gesitueerd achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw is maximaal 2 meter;
  • b. de bouwhoogte van erfafscheidingen gesitueerd vóór de voorgevellijn van het hoofdgebouw is maximaal 1 meter;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is maximaal 3 meter.

9.2.6 Ondergrondse bouwwerken

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
  • b. het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil vermeerderd met 15 m²;
  • c. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder peil.

9.2.7 Openlucht zwembad

Voor het bouwen van een onoverdekt zwembad gelden de volgende regels:

  • a. het zwembad dient te worden gebouwd achter de achtergevel van de woning of het verlengde daarvan, op een afstand van niet meer dan 50 meter;
  • b. de afstand tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens is minimaal 3 meter;
  • c. de oppervlakte van het zwembad mag niet meer bedragen dan 100 m2;
  • d. per bouwperceel mag maximaal 1 zwembad worden gebouwd;
  • e. het zwembad mag niet hoger zijn dan 1 meter;
  • f. de ondergrondse bouwdiepte van het zwembad bedraagt maximaal 2,5 meter.

9.3 Afwijken van de bouwregels
9.3.1 Afwijkingen

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 9.2.2 onder a. en toestaan dat een hoofdgebouw wordt uitgebreid buiten een bouwvlak, mits:

  • a. de uitbreiding plaatsvindt aan de achterzijde van het bouwvlak;
  • b. de uitbreiding maximaal 30% van de diepte van het bouwvlak beslaat;
  • c. de afstand van de achtergevel van het hoofdgebouw tot de achterste perceelgrens minimaal 10 meter bedraagt.

9.3.2 Voorwaarden afwijking

De omgevingsvergunning genoemd in 9.3.1 kan slechts worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. een samenhangend stedenbouwkundig beeld;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid.

9.4 Specifieke gebruiksregels
9.4.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend:

  • a. het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;
  • b. het splitsen van een woning in meerdere woningen;
  • c. het gebruik van de buitenruimte voor opslag;
  • d. het gebruik van de gebouwen voor kamerverhuur;
  • e. het gebruik van de gronden en gebouwen voor een supermarkt met uitzondering van de gronden en gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt';
  • f. het gebruik van de verdiepingen voor niet-woonfuncties.

9.4.2 Aan-huis-verbonden beroep

Aan-huis-verbonden beroepen zijn toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende regels van toepassing zijn:

  • a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 45 m2;
  • b. detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan-huis-verbonden beroep;
  • c. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.

9.5 Afwijken van de gebruiksregels
9.5.1 Recreatiewoningen

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 9.4.1 ten behoeve van het gebruik van een woning als recreatiewoning met dien verstande dat:

  • a. de recreatiewoning voor maximaal 10 personen gebruikt mag worden;
  • b. de afstand tussen twee recreatiewoningen minimaal 150 meter bedraagt;
  • c. indien de woning in gebruik wordt genomen als recreatiewoning er geen sprake mag zijn van reguliere bewoning;
  • d. het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning intrekken indien 2 jaar geen gebruik is gemaakt van de functiewijziging tot recreatiewoning.

9.5.2 Bouwmarkt of tuincentrum

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 9.1 ten behoeve van het gebruik voor detailhandel in de vorm van een bouwmarkt of tuincentrum, indien dit wat betreft aard en maatvoering passend is in het centrum.

9.6 Wijzigingsbevoegdheid
9.6.1 Wijzigingsbevoegdheid onbebouwde bouwvlakken

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om onbenutte of deels onbenutte bouwvlakken te verwijderen of het maximum aantal wooneenheden te verminderen, indien:

  • a. het een onbebouwd bouwvlak betreft, waar binnen 2 jaar na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan ter plaatse van het bouwvlak met een omgevingsvergunning geen woonbebouwing is opgericht, danwel in oprichting is;
  • b. er binnen 2 jaar na sloop van een hoofdgebouw ter plaatse van het bouwvlak met een omgevingsvergunning geen nieuwe woonbebouwing is opgericht, danwel in oprichting is;
  • c. er binnen 2 jaar na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan met een omgevingsvergunning minder wooneenheden zijn opgericht danwel in oprichting zijn dan volgens de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' op de locatie is toegestaan.

Artikel 10 Centrum - Terrein Kees

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Centrum - Terrein Kees' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. detailhandel;
  • b. dienstverlening;
  • c. kantoor;
  • d. stille horeca;
  • e. parkeervoorzieningen, waarbij voorzien dient te worden in voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein;

met daaraan ondergeschikt:

  • f. groen-, verkeers- en nutsvoorzieningen;
  • g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

een en ander met de daarbij behorende voorzieningen, waaronder begrepen nutsvoorzieningen.

10.2 Bouwregels
10.2.1 Algemeen

De bedrijfsvloeroppervlakte van detailhandel en horeca mag niet meer bedragen dan 500 m².

10.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak;
  • b. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven.

10.2.3 Aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. aanbouwen en bijgebouwen mogen alleen binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' worden opgericht;
  • b. de totale oppervlakte van de aanbouwen en bijgebouwen bedraagt maximaal 150 m²:
  • c. de bouwhoogte van aanbouwen mag niet meer bedragen dan 5 meter;
  • d. de goothoogte van bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 3,50 meter en de bouwhoogte niet meer dan 5 meter;
  • e. overkappingen mogen tot 2,50 meter voor de voorgevel worden gebouwd;
  • f. de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer bedragen dan 5 meter.

10.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevel mag niet meer bedragen dan 2 meter;
  • b. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel mag niet meer bedragen dan 1 meter, met uitzondering van poorten en penanten, waarvan de hoogte niet meer mag bedragen dan 2 meter;
  • c. de hoogte van pergola's voor de voorgevel mag niet meer bedragen dan 3 meter;
  • d. de bouw van antennes is toegestaan achter de achtergevel van het hoofdgebouw, mits de hoogte niet meer bedraagt dan 15 meter;
  • e. de bouw van schotelantennes is toegestaan achter de achtergevel van het hoofdgebouw, mits:
    • 1. de doorsnede niet groter is dan 2 meter;
    • 2. de hoogte, gemeten vanaf het aansluitend terrein, niet meer bedraagt dan 3 meter;
  • f. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 meter.

10.2.5 Ondergrondse bouwwerken

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
  • b. het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil vermeerderd met 15 m²;
  • c. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder peil.

10.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. een samenhangend stedenbouwkundig beeld;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. de milieusituatie.

10.4 Afwijken van de bouwregels
10.4.1 Afwijking bouwvlak

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 10.2.2 onder a. en toestaan dat een hoofdgebouw wordt uitgebreid buiten een bouwvlak, mits:

  • a. de uitbreiding plaatsvindt aan de achterzijde van het bouwvlak;
  • b. de uitbreiding maximaal 30% van de diepte van het bouwvlak beslaat;
  • c. de afstand van de achtergevel van het hoofdgebouw tot de achterste perceelgrens minimaal 10 meter bedraagt.

10.4.2 Afwijking goothoogte

Burgemeester en wethouders kunnen door middel van een omgevingsvergunning afwijken van 10.2.2 onder b en toestaan dat de maximale goothoogte gelijk wordt gesteld aan de maximale bouwhoogte, mits:

  • a. het een afgetopt dak betreft;
  • b. de hellingshoek van het dak maximaal 60 graden bedraagt.

10.4.3 Voorwaarden afwijking

De omgevingsvergunning genoemd in 10.4.1 en 10.4.2 kan slechts worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. een samenhangend stedenbouwkundig beeld;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de distributieplanologische structuur;
  • e. de sociale veiligheid.

10.5 Specifieke gebruiksregels
10.5.1 Functiemenging

De mogelijkheid tot functieverandering van de onder 10.1 genoemde doeleinden is rechtstreeks toegestaan. Hierbij dient wel voldaan te worden aan de gemeentelijke parkeernormen.

10.5.2 Ruimtelijke inpassing

Het gebruik van het perceel conform de bestemming is alleen toegestaan indien het hoofdgebouw binnen één jaar na gereedmelding ruimtelijk is ingepast conform de randvoorwaarden zoals opgenomen in bijlage 2 Ruimtelijke inpassing.

10.5.3 Parkeren

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - parkeren dagperiode' mag alleen geparkeerd worden tussen 07.00 en 19.00 uur.

10.6 Afwijken van de gebruiksregels
10.6.1 Functieverandering

Burgemeester en wethouders kunnen door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 10.5.1 voor functieveranderingen naar wonen.

10.6.2 Voorwaarden afwijking functieverandering

De in 10.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend mits:

  • a. met betrekking tot nieuwe woningen:
    • 1. de toename van de woningvoorraad past in het woningbouwprogramma van de gemeente;
    • 2. de financieel-economische uitvoerbaarheid verzekerd is;
    • 3. de geluidbelasting vanwege het wegverkeer van geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een verkregen hogere grenswaarde;
  • b. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. de milieusituatie;
    • 2. de externe veiligheid;
    • 3. de luchtkwaliteit;
    • 4. de waterhuishoudkundige situatie;
    • 5. de archeologische waarden;
    • 6. de flora- en faunawaarden.
  • c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. een samenhangend stedenbouwkundig beeld;
    • 2. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    • 3. de verkeersveiligheid;
    • 4. de sociale veiligheid.

Artikel 11 Cultuur en ontspanning

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Cultuur en ontspanning’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een speeltuin;
  • b. ter plaatse van de aanduiding:
    • 1. 'bedrijfswoning': één bedrijfswoning per bouwperceel al dan niet met aan-huis-verbonden-beroep, met dien verstande dat bedrijfswoningen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
    • 2. 'speelvoorziening': een binnenspeeltuin en kantoorruimtes;

met de daarbij behorende:

  • c. erven en terreinen;
  • d. verkeer- en parkeervoorzieningen;
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

11.2 Bouwregels
11.2.1 Algemeen
  • a. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan 70% van het bouwperceel;

11.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak;
  • b. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven.

11.2.3 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels:

  • a. één gevel moet in de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd;
  • b. de inhoud van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 1.000 m3, met dien verstande dat ondergrondse ruimten zoals kelders niet worden meegerekend;
  • c. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven.

11.2.4 Aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. aanbouwen en bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 3 meter achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd;
  • b. de totale oppervlakte van de aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak mag per hoofdgebouw niet meer bedragen dan:
    • 1. 75 m²: bij een perceelsgrootte tot 500 m²;
    • 2. 100 m²: bij een perceelsgrootte vanaf 500 m² tot 2.000 m²;
    • 3. 120 m²: bij een perceelsgrootte vanaf 2.000 m²;
    • 4. 150 m²: uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - maximum oppervlak';
  • c. de goothoogte bedraagt maximaal 3,50 meter;
  • d. de bouwhoogte bedraagt maximaal 5 meter;
  • e. tot een afstand van 25,00 meter achter de voorgevel moet, bij vrijstaande woningen, aan één zijde van het perceel een zone van minimaal 3,00 m uit de zijdelingse perceelgrens vrij blijven van bijbehorende bouwwerken;
  • f. de afstand tot de zijdelingse en achterste perceelgrens bedraagt minimaal 1 m, tenzij in de perceelgrens wordt gebouwd.

Voor de voorgevel van het hoofdgebouw mogen erkers, entreeportalen, balkons, luifels, overkappingen en vergelijkbare bouwwerken worden gebouwd, mits:

  • g. de diepte gemeten vanuit de voorgevel van het hoofdgebouw niet meer bedraagt dan 1,5 meter;
  • h. de hoogte (met uitzondering van balkons) niet meer bedraagt dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, met een maximum van 3,25 meter;
  • i. de hoogte van de onderdoorgang onder een balkon niet minder bedraagt dan 2,60 meter;
  • j. de hoogte van de wand van een balkon maximaal 1,50 meter hoog is;
  • k. de gezamenlijke breedte van een erker, entreeportaal of vergelijkbaar bouwwerk niet meer bedraagt dan 70% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw indien de breedte minder bedraagt dan 6 meter en niet meer dan 50% indien de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw meer bedraagt dan 6 meter;
  • l. de afstand van de erker, entreeportaal, balkon, luifel of vergelijkbaar bouwwerk tot de voorste perceelsgrens minimaal 3 meter bedraagt.

11.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van de erf- en terreinafscheidingen is maximaal 2 meter;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is maximaal 3 meter.

11.2.6 Ondergrondse bouwwerken

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
  • b. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder peil.

11.2.7 Openlucht zwembad

Voor het bouwen van een onoverdekt zwembad gelden de volgende regels:

  • a. het zwembad dient te worden gebouwd achter de achtergevel van de bedrijfswoning of het verlengde daarvan, op een afstand van niet meer dan 50 meter;
  • b. de afstand tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens is minimaal 3 meter;
  • c. de oppervlakte van het zwembad mag niet meer bedragen dan 100 m2;
  • d. per bouwperceel mag maximaal 1 zwembad worden gebouwd;
  • e. het zwembad mag niet hoger zijn dan 1 meter;
  • f. de ondergrondse bouwdiepte van het zwembad bedraagt maximaal 2,5 meter.

11.3 Specifieke gebruiksregels
11.3.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend:

  • a. het gebruik van gronden als kampeerterrein;
  • a. het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;
  • b. het splitsen van een bedrijfswoning in meerdere woningen;
  • c. het gebruik van de gebouwen voor kamerverhuur.

11.3.2 Aan-huis-verbonden beroep

Aan-huis-verbonden beroepen zijn toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende regels van toepassing zijn:

  • a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 45 m2;
  • b. detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan-huis-verbonden beroep;
  • c. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.

Artikel 12 Gemengd

12.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. één woning per bouwperceel al dan niet met aan-huis-verbonden-beroep, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'wonen';
  • b. dienstverlening;
  • c. kantoor;
  • d. maatschappelijke voorzieningen;
  • e. ter plaatse van de aanduiding:
    • 1. 'detailhandel'; detailhandel, niet zijnde handel in volumineuze goederen;
    • 2. 'detailhandel volumineus': handel in volumineuze goederen;
    • 3. 'specifieke vorm van gemengd - werkplaats': een werkplaats voor assemblage van ter plaatse verkochte artikelen;

met de daarbij behorende:

  • f. erven en terreinen;
  • g. verkeer- en parkeervoorzieningen;
  • h. groenvoorzieningen;
  • i. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

12.2 Bouwregels
12.2.1 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak;
  • b. de maximale inhoud voor woningen bedraagt 1.000 m3, met dien verstande dat ondergrondse ruimten zoals kelders niet worden meegerekend;
  • c. de goothoogte en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven.

12.2.2 Aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. aanbouwen en bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 3 meter achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd;
  • b. de totale oppervlakte van de aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak mag per hoofdgebouw niet meer bedragen dan:
    • 1. 75 m²: bij een perceelsgrootte tot 500 m²;
    • 2. 100 m²: bij een perceelsgrootte vanaf 500 m² tot 2.000 m²;
    • 3. 120 m²: bij een perceelsgrootte vanaf 2.000 m²;
    • 4. 150 m²: uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - maximum oppervlak';
  • c. de goothoogte bedraagt maximaal 3,50 meter;
  • d. de bouwhoogte bedraagt maximaal 5 meter;
  • e. tot een afstand van 25,00 meter achter de voorgevel moet, bij vrijstaande woningen, aan één zijde van het perceel een zone van minimaal 3,00 m uit de zijdelingse perceelgrens vrij blijven van bijbehorende bouwwerken;
  • f. de afstand tot de zijdelingse en achterste perceelgrens bedraagt minimaal 1 m, tenzij in de perceelgrens wordt gebouwd.

Voor de voorgevel van het hoofdgebouw mogen erkers, entreeportalen, balkons, luifels, overkappingen en vergelijkbare bouwwerken worden gebouwd, mits:

  • g. de diepte gemeten vanuit de voorgevel van het hoofdgebouw niet meer bedraagt dan 1,5 meter;
  • h. de hoogte (met uitzondering van balkons) niet meer bedraagt dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, met een maximum van 3,25 meter;
  • i. de hoogte van de onderdoorgang onder een balkon niet minder bedraagt dan 2,60 meter;
  • j. de hoogte van de wand van een balkon maximaal 1,50 meter hoog is;
  • k. de gezamenlijke breedte van een erker, entreeportaal of vergelijkbaar bouwwerk niet meer bedraagt dan 70% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw indien de breedte minder bedraagt dan 6 meter en niet meer dan 50% indien de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw meer bedraagt dan 6 meter;
  • l. de afstand van de erker, entreeportaal, balkon, luifel of vergelijkbaar bouwwerk tot de voorste perceelsgrens minimaal 3 meter bedraagt.

12.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen gesitueerd achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw is maximaal 2 meter;
  • b. de bouwhoogte van erfafscheidingen gesitueerd vóór de voorgevellijn van het hoofdgebouw is maximaal 1 meter;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is maximaal 3 meter;
  • d. de bouw van antennes is toegestaan achter de achtergevel van het hoofdgebouw, mits de hoogte maximaal 15 m bedraagt.

12.2.4 Ondergrondse bouwwerken

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
  • b. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder peil.

12.2.5 Openlucht zwembad

Voor het bouwen van een onoverdekt zwembad gelden de volgende regels:

  • a. het zwembad dient te worden gebouwd achter de achtergevel van de woning of het verlengde daarvan, op een afstand van niet meer dan 50 meter;
  • b. de afstand tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens is minimaal 3 meter;
  • c. de oppervlakte van het zwembad mag niet meer bedragen dan 100 m²;
  • d. per bouwperceel mag maximaal 1 zwembad worden gebouwd;
  • e. het zwembad mag niet hoger zijn dan 1 meter;
  • f. de ondergrondse bouwdiepte van het zwembad bedraagt maximaal 2,5 meter.

12.3 Specifieke gebruiksregels
12.3.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend:

  • a. het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;
  • b. het splitsen van woningen in meerdere woningen;
  • c. het gebruik van de buitenruimte voor opslag;
  • d. het gebruik van panden voor kamerverhuur.

12.3.2 Aan-huis-verbonden beroep

Aan-huis-verbonden beroepen zijn toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit bij de

woonfunctie, waarbij de volgende regels van toepassing zijn:

  • a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 45 m²;
  • b. detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan-huis-verbonden beroep;
  • c. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.

12.4 Afwijken van de gebruiksregels
12.4.1 Afwijken m.b.t. ondersteunende horeca

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 12.1 ten

behoeve van ondersteunende horeca, met dien verstande dat:

  • a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • b. de toegang tot de horeca-activiteit uitsluitend via het erf of de toegang van de hoofdactiviteit verloopt. Ten behoeve van de horeca-activiteit mag geen aparte ingang worden opgericht.

12.5 Wijzigingsbevoegdheid
12.5.1 Wijziging functieaanduidingen 'detailhandel'

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de functieaanduiding 'detailhandel' te verwijderen indien er langer dan 3 jaar geen detailhandel in het pand gevestigd is.

12.5.2 Wijzigingsbevoegdheid onbebouwde bouwvlakken

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om onbenutte of deels onbenutte bouwvlakken te

verwijderen of het maximum aantal wooneenheden te verminderen, indien:

  • a. het een onbebouwd bouwvlak betreft, waar binnen 2 jaar na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan ter plaatse van het bouwvlak met een omgevingsvergunning geen woonbebouwing is opgericht, danwel in oprichting is;
  • b. er binnen 2 jaar na sloop van een hoofdgebouw ter plaatse van het bouwvlak met een omgevingsvergunning geen nieuwe woonbebouwing is opgericht, danwel in oprichting is;
  • c. er binnen 2 jaar na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan met een omgevingsvergunning minder wooneenheden zijn opgericht danwel in oprichting zijn dan op de locatie is toegestaan.

Artikel 13 Groen

13.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. bermen;
  • c. speelvoorzieningen;
  • d. extensief recreatief medegebruik;
  • e. evenementen;
  • f. kunstobjecten;
  • g. paden;
  • h. kiosk;

met de daarbij behorende:

  • i. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

13.2 Bouwregels
13.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van een kiosk gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 7 meter;
  • b. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 4 meter;
  • c. de ondergrondse bouwdiepte bedraagt maximaal 4 meter onder peil.

Voor het overige mogen er geen gebouwen worden opgericht.

13.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is maximaal 3 meter.

13.3 Specifieke gebruiksregels
13.3.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend:

  • a. het gebruik van gronden voor parkeren.

13.4 Afwijken van de gebruiksregels

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 13.3.1 voor de aanleg van parkeerplaatsen, met dien verstande dat:

  • a. de noodzaak voor de parkeerplaatsen aangetoond moet zijn;
  • b. er geen onevenredige aantasting van het groen plaatsvindt.

Artikel 14 Horeca

14.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. horecabedrijven uit de categorie Horeca 1 en 2, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'horeca van categorie 3' enkel horeca in categorie 3 is toegestaan;
  • b. ter plaatse van de aanduiding:
    • 1. 'wonen': één woning, al dan niet met aan-huis-verbonden-beroep, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'horeca van categorie 3' uitsluitend wonen ter plaatse van de aanduiding 'wonen' is toegelaten en waarbij wonen op de verdieping niet is toegestaan;
    • 2. 'dagrecreatie': dagrecreatieve voorzieningen, zoals een midgetgolfbaan;
    • 3. 'parkeergarage': een parkeergarage;
    • 4. 'parkeerterrein': een parkeerterrein uitsluitend ten behoeve van de horecagelegenheden Dorpstraat 118 en 132;

met de daarbij behorende:

  • c. terrassen;
  • d. erven en terreinen;
  • e. verkeer- en parkeervoorzieningen, met dien verstande dat ter plaatse van het perceel Nachtegaallaan 1 parkeren en parkeervoorzieningen buiten het bouwvlak niet zijn toegestaan;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

14.2 Bouwregels
14.2.1 Algemeen
  • a. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan 70% van het bouwperceel;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak.

14.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;

14.2.3 Woningen

Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels:

  • a. één gevel moet in de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd;
  • b. de inhoud van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 1.000 m3, met dien verstande dat ondergrondse ruimten zoals kelders niet worden meegerekend;
  • c. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven.

14.2.4 Aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. aanbouwen en bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 3 meter achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd;
  • b. de totale oppervlakte van de aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak mag per hoofdgebouw niet meer bedragen dan:
    • 1. 75 m²: bij een perceelsgrootte tot 500 m²;
    • 2. 100 m²: bij een perceelsgrootte vanaf 500 m² tot 2.000 m²;
    • 3. 120 m²: bij een perceelsgrootte vanaf 2.000 m²;
    • 4. 150 m²: uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - maximum oppervlak';
  • c. de goothoogte bedraagt maximaal 3,50 meter;
  • d. de bouwhoogte bedraagt maximaal 5 meter;
  • e. tot een afstand van 25,00 meter achter de voorgevel moet, bij vrijstaande woningen, aan één zijde van het perceel een zone van minimaal 3,00 m uit de zijdelingse perceelgrens vrij blijven van bijbehorende bouwwerken;
  • f. de afstand tot de zijdelingse en achterste perceelgrens bedraagt minimaal 1 m, tenzij in de perceelgrens wordt gebouwd.

Voor de voorgevel van het hoofdgebouw mogen erkers, entreeportalen, balkons, luifels, overkappingen en vergelijkbare bouwwerken worden gebouwd, mits:

  • g. de diepte gemeten vanuit de voorgevel van het hoofdgebouw niet meer bedraagt dan 1,5 meter;
  • h. de hoogte (met uitzondering van balkons) niet meer bedraagt dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, met een maximum van 3,25 meter;
  • i. de hoogte van de onderdoorgang onder een balkon niet minder bedraagt dan 2,60 meter;
  • j. de hoogte van de wand van een balkon maximaal 1,50 meter hoog is;
  • k. de gezamenlijke breedte van een erker, entreeportaal of vergelijkbaar bouwwerk niet meer bedraagt dan 70% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw indien de breedte minder bedraagt dan 6 meter en niet meer dan 50% indien de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw meer bedraagt dan 6 meter;
  • l. de afstand van de erker, entreeportaal, balkon, luifel of vergelijkbaar bouwwerk tot de voorste perceelsgrens minimaal 3 meter bedraagt.

14.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen gesitueerd achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw is maximaal 2 meter;
  • b. de bouwhoogte van erfafscheidingen gesitueerd vóór de voorgevellijn van het hoofdgebouw is maximaal 1 meter;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is maximaal 3 meter.

14.2.6 Ondergrondse bouwwerken

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
  • b. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder peil.

14.2.7 Openlucht zwembad

Voor het bouwen van een onoverdekt zwembad gelden de volgende regels:

  • a. het zwembad dient te worden gebouwd achter de achtergevel van de bedrijfswoning of het verlengde daarvan, op een afstand van niet meer dan 50 meter;
  • b. de afstand tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens is minimaal 3 meter;
  • c. de oppervlakte van het zwembad mag niet meer bedragen dan 100 m2;
  • d. per bouwperceel mag maximaal 1 zwembad worden gebouwd;
  • e. het zwembad mag niet hoger zijn dan 1 meter;
  • f. de ondergrondse bouwdiepte van het zwembad bedraagt maximaal 2,50 meter.

14.3 Specifieke gebruiksregels
14.3.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend:

  • a. het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;
  • b. het splitsen van een (bedrijfs-)woning in meerdere woningen;
  • c. het gebruik van de buitenruimte voor opslag;
  • d. het gebruik van de gebouwen voor kamerverhuur.

14.3.2 Aan-huis-verbonden beroep

Aan-huis-verbonden beroepen zijn toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende regels van toepassing zijn:

  • a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 45 m2;
  • b. detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan-huis-verbonden beroep;
  • c. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.

14.3.3 Voorwaardelijke bepaling horecabedrijf Dorpstraat 118

Het horecabedrijf ter plaatse van Dorpstraat 118 mag pas in gebruik worden genomen als het horecabedrijf de volgende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van geluidhinder, zoals die voortkomen uit verricht akoestisch onderzoek (zie bijlagen 5 en 6):

  • a. het binnengeluidsniveau van de horecainrichting bedraagt maximaal 70 dB(A);
  • b. het bronvermogen van de afzuiging bedraagt maximaal 75 dB(A);
  • c. het plaatsen van een deurdranger op de toegangsdeur van de horecainrichting.

Artikel 15 Maatschappelijk

15.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. maatschappelijke voorzieningen, met uitzondering van een kinderdagverblijf, welke enkel is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'kinderdagverblijf';
  • b. zorgwonen;
  • c. ondersteunende horeca;
  • d. ter plaatse van de aanduiding:
    • 1. 'dienstverlening': dienstverlening;
    • 2. 'kinderdagverblijf': een kinderdagverblijf
    • 3. 'wonen': woningen. al dan niet met een aan-huis-verbonden-beroep

met de daarbij behorende:

  • e. erven en terreinen;
  • f. verkeer- en parkeervoorzieningen;
  • g. groenvoorzieningen;
  • h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

15.2 Bouwregels
15.2.1 Algemeen
  • a. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan 70% van het bouwperceel;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak.

15.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven;
  • b. de maximale inhoud voor woningen bedraagt 1.000 m3, met dien verstande dat ondergrondse ruimten zoals kelders niet worden meegerekend;
  • c. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven.

15.2.3 Aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. aanbouwen en bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 3 meter achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd;
  • b. de totale oppervlakte van de aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag per hoofdgebouw niet meer bedragen dan:
    • 1. 75 m²: bij een perceelsgrootte tot 500 m²;
    • 2. 100 m²: bij een perceelsgrootte vanaf 500 m² tot 2.000 m²;
    • 3. 120 m²: bij een perceelsgrootte vanaf 2.000 m²;
  • c. de goothoogte bedraagt maximaal 3,50 meter;
  • d. de bouwhoogte bedraagt maximaal 5 meter;
  • e. tot een afstand van 25,00 meter achter de voorgevel moet, bij vrijstaande woningen, aan één zijde van het perceel een zone van minimaal 3 meter uit de zijdelingse perceelgrens vrij blijven van bijbehorende bouwwerken. Indien de bestaande afstand minder bedraagt dan de genoemde 25 meter en 3 meter, geldt deze afstand als minimale afstand;
  • f. de afstand tot de zijdelingse en achterste perceelgrens bedraagt minimaal 1 meter, tenzij in de perceelgrens wordt gebouwd.

Voor de voorgevel van het hoofdgebouw mogen erkers, entreeportalen, balkons, luifels, overkappingen en vergelijkbare bouwwerken worden gebouwd, mits:

  • g. de diepte gemeten vanuit de voorgevel van het hoofdgebouw niet meer bedraagt dan 1,50 meter;
  • h. de hoogte (met uitzondering van balkons) niet meer bedraagt dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, met een maximum van 3,25 meter;
  • i. de hoogte van de onderdoorgang onder een balkon niet minder bedraagt dan 2,60 meter;
  • j. de hoogte van de wand van een balkon maximaal 1,50 meter hoog is;
  • k. de gezamenlijke breedte van een erker, entreeportaal of vergelijkbaar bouwwerk niet meer bedraagt dan 70% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw indien de breedte minder bedraagt dan 6 meter en niet meer dan 50% indien de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw meer bedraagt dan 6 meter;
  • l. de afstand van de erker, entreeportaal, balkon, luifel of vergelijkbaar bouwwerk tot de voorste perceelsgrens minimaal 3 meter bedraagt.

15.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen gesitueerd achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw is maximaal 2 meter;
  • b. de bouwhoogte van erfafscheidingen gesitueerd vóór de voorgevellijn van het hoofdgebouw is maximaal 1 meter;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is maximaal 3 meter.

15.2.5 Ondergrondse bouwwerken

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
  • b. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder peil.

15.2.6 Openlucht zwembad

Voor het bouwen van een onoverdekt zwembad gelden de volgende regels:

  • a. het zwembad dient te worden gebouwd achter de achtergevel van de woning of het verlengde daarvan, op een afstand van niet meer dan 50 meter;
  • b. de afstand tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens is minimaal 3 meter;
  • c. de oppervlakte van het zwembad mag niet meer bedragen dan 100 m2;
  • d. per bouwperceel mag maximaal 1 zwembad worden gebouwd;
  • e. het zwembad mag niet hoger zijn dan 1 meter;
  • f. de ondergrondse bouwdiepte van het zwembad bedraagt maximaal 2,50 meter.

15.3 Specifieke gebruiksregels
15.3.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend:

  • a. het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;
  • b. het splitsen van een woning in meerdere woningen;
  • c. het gebruik van de buitenruimte voor opslag;
  • d. het gebruik van de gebouwen voor kamerverhuur.

15.3.2 Aan huis verbonden beroep

Aan-huis-verbonden beroepen zijn toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende regels van toepassing zijn:

  • a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 45 m2;
  • b. detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan-huis-verbonden beroep;
  • c. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.

15.4 Afwijken van de gebruiksregels
15.4.1 Kinderdagverblijf

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 15.1 onder a en d ten behoeve van het toestaan van een kinderdagverblijf, buiten de aanduiding 'kinderdagverblijf', mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de woonsituatie
  • c. de milieusituatie
  • d. de verkeersveiligheid
  • e. de sociale veiligheid
  • f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 16 Natuur

16.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het behoud en de ontwikkeling van de op die gronden voorkomende natuurlijke, archeologische en landschappelijke waarden;
  • b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

een en ander met de daarbij behorende voorzieningen.

16.2 Bouwregels
16.2.1 Gebouwen

Op of in deze gronden zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan.

16.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende regel:

  • a. uitsluitend erf- en terreinafscheidingen zijn toegestaan met een bouwhoogte van maximaal 2,50 meter.

16.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
16.3.1 Verboden werken en werkzaamheden

Het is verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het bodem verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de grond;
  • b. het vellen of rooien van houtgewas of het verrichten van werkzaamheden, welke de dood of ernstige beschadiging van houtgewas ten gevolge kunnen hebben;
  • c. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen.

16.3.2 Uitzondering

Het verbod als bedoeld in 16.3.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

16.3.3 Weigeringsgrond

De andere werken en/of werkzaamheden als bedoeld in 16.3.1 zijn slechts toelaatbaar voor zover geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke en/of natuurlijke waarden van de gronden.

Artikel 17 Sport

17.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de beoefening van sport met bijbehorende voorzieningen;
  • b. ondersteunende horeca, uitsluitend ten behoeve van sportvelden en een handboogschietbaan met bijbehorende gronden;
  • c. evenementen;
  • d. speelvoorzieningen;
  • e. een gildeterrein, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - gilde' en de daarbij behorende schutsbomen, welke uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - schutsboom';

met de daarbij behorende:

  • f. erven en terreinen;
  • g. verkeer- en parkeervoorzieningen;
  • h. groenvoorzieningen;
  • i. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

17.2 Bouwregels
17.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak, met uitzondering van de sportvelden waar buiten de bouwvlakken maximaal 250 m2 aan gebouwen mag worden opgericht;
  • b. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  • c. het maximale bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven. Indien een dergelijke aanduiding ontbreekt, mag het bouwvlak volledig worden bebouwd.

17.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van tribunes bedraagt maximaal 6,5 meter;
  • b. de bouwhoogte van lichtmasten en schutsbomen bedraagt maximaal 18 meter;
  • c. de bouwhoogte van vangnetten en ballenvangers bedraagt maximaal 6 meter;
  • d. de bouwhoogte van terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 meter;
  • e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 meter.

Artikel 18 Tuin

18.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. tuin, behorende bij de op de aangrenzende bestemming 'Wonen' gelegen hoofdgebouwen;

met de daarbij behorende:

  • b. verkeer- en parkeervoorzieningen;
  • c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

18.2 Bouwregels
18.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. op of in deze gronden zijn geen hoofdgebouwen toegestaan;
  • b. voor de voorgevel van het hoofdgebouw mogen erkers, entreeportalen, balkons, luifels, overkappingen en vergelijkbare bouwwerken worden gebouwd, mits:
    • 1. de diepte gemeten vanuit de voorgevel van het hoofdgebouw niet meer bedraagt dan 1,5 meter;
    • 2. de hoogte (met uitzondering van balkons) niet meer bedraagt dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, met een maximum van 3,25 meter;
    • 3. de hoogte van de onderdoorgang onder een balkon niet minder bedraagt dan 2,60 meter;
    • 4. de hoogte van de wand van een balkon maximaal 1,50 meter hoog is;
    • 5. de gezamenlijke breedte van een erker, entreeportaal of vergelijkbaar bouwwerk niet meer bedraagt dan 70% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw indien de breedte minder bedraagt dan 6 meter en niet meer dan 50% indien de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw meer bedraagt dan 6 meter;
    • 6. de afstand van de erker, entreeportaal, balkon, luifel of vergelijkbaar bouwwerk tot de voorste perceelsgrens minimaal 3 meter bedraagt;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bijgebouwen 1' is het bestaande, ten tijde van terinzagelegging van het ontwerp plan aanwezige, bijgebouw toegestaan.

18.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen gesitueerd achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 2 meter;
  • b. de bouwhoogte van erfafscheidingen gesitueerd vóór de voorgevellijn van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 1 meter;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 meter;
  • d. de oppervlakte van overkappingen met maximaal 1 wand mag maximaal 15 m2 zijn.

18.3 Afwijken van de bouwregels

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 18.2 en ten behoeve van het bouwen van erkers, entreeportalen, luifels en overkappingen achter de voorgevel van het hoofdgebouw, mits:

  • a. het straatbeeld daardoor ruimtelijk niet wordt aangetast;
  • b. de verkeerssituatie zich daartegen niet verzet;
  • c. geen afbreuk wordt gedaan aan de benodigde parkeermogelijkheden op eigen terrein;
  • d. hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.

Artikel 19 Verkeer

19.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen, straten en paden;
  • b. verkeer- en parkeervoorzieningen;
  • c. speelvoorzieningen;
  • d. evenementen;
  • e. kunstobjecten;
  • f. kiosk;
  • g. terrassen behorende bij aangrenzende horecavoorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • h. erven en terreinen;
  • i. groenvoorzieningen;
  • j. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

19.2 Bouwregels
19.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van een kiosk gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 7 meter;
  • b. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 4 meter;
  • c. de ondergrondse bouwdiepte bedraagt maximaal 4 meter onder peil.

19.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten bedraagt maximaal 9 meter;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 5 meter.

Artikel 20 Water

20.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • b. het behoud en de ontwikkeling van de natuur- en landschappelijke waarden van de waterloop en bijbehorende oevers;
  • c. extensief recreatief medegebruik;

met de daarbij behorende

  • d. wegen en paden;
  • e. groenvoorzieningen;

20.2 Bouwregels
20.2.1 Gebouwen

Op of in deze gronden zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan.

20.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 5 meter.

20.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
20.3.1 Verboden werken en werkzaamheden

Het is verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het afgraven, ophogen en/of egaliseren van de oevers;
  • b. het vellen en rooien van houtopstand;
  • c. het dempen van water;
  • d. het verleggen van water;
  • e. het herprofileren van waterlopen;
  • f. het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het recreatief medegebruik;
  • g. het aanleggen van ligplaatsen voor vaartuigen.

20.3.2 Uitzondering

Het verbod als bedoeld in lid 20.3.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  • d. vallen onder de Keur van het Waterschap.

20.3.3 Weigeringsgrond

De andere werken en/of werkzaamheden als bedoeld in lid 20.3.1 zijn slechts toelaatbaar voor zover geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waterhuishouding en het behoud en de ontwikkeling van de natuur- en landschappelijke waarden van de waterloop en bijbehorende oevers.

Artikel 21 Wonen

21.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. woningen, al dan niet met aan-huis-verbonden beroep;
  • b. ter plaatse van de aanduiding:
    • 1. 'bedrijf tot en met categorie 2': kleinschalige bedrijvigheid in milieucategorie 1 en/of 2 zoals opgenomen in bijlage 1.;
    • 2. 'garagebox': garageboxen;
    • 3. 'parkeerterrein': parkeerterrein;
    • 4. ‘specifieke bouwaanduiding - waardevolle bebouwing’: het behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing;
    • 5. specifieke vorm van wonen uitgesloten - geluidsgevoelige ruimte': een geluidsgevoelige ruimte op de begane grond is niet toegestaan;
    • 6. 'specifieke vorm van maatschappelijk - werkboerderij': een werkboerderij als dagopvang voor autistische kinderen.

met de daarbij behorende:

  • c. erven en terreinen;
  • d. verkeer- en parkeervoorzieningen;
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

21.2 Bouwregels
21.2.1 Algemeen
  • a. ter plaatse van Veestraat 4 mag het bebouwingspercentage van het bouwperceel niet meer dan 50% bedragen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - dove gevel' dienen buitengevels op de verdieping, uitgezonderd de voorgevel en de westgevel, uitgevoerd te worden met een dove gevel als bedoeld in artikel 1b, vierde lid Wet geluidhinder zoals die van kracht was op het moment van vaststelling van onderhavig bestemmingsplan.

21.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak;
  • b. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven;
  • c. de maximale inhoud voor woningen bedraagt 1.000 m3, tenzij ter plaatse van de aanduiding 'maximaal volume (m³)' een andere maximale inhoud/ volume wordt aangegeven. Ondergrondse ruimten zoals kelders worden niet meegerekend bij het bepalen van de maximale inhoud;
  • d. de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'minimum bouwhoogte' mag de bouwhoogte niet minder bedragen dan ter plaatse van de aanduiding is aangegeven;
  • f. de afstand tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt minimaal:
    • 1. 3 meter bij vrijstaande woningen;
    • 2. 3 meter bij een blok van twee-aaneen, aan één zijde;
    • 3. 2 meter bij eindwoningen van aaneengebouwde woningen aan één zijde, met dien verstande dat op hoeksituaties een afstand van 3 meter geldt;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'garagebox' zijn uitsluitend garageboxen toegelaten, met dien verstande dat:
    • 1. de maximale bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3,50 meter;
    • 2. de maximale oppervlakte per garagebox niet meer bedraagt dan 25 m²;
  • h. herbouw of vervangende nieuwbouw is ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - waardevolle bebouwing’ alleen toegestaan indien:
    • 1. de uitwendige architectonische vormgeving niet wezenlijk wordt aangetast, tenzij het is ten behoeve van het herstel van de oorspronkelijke cultuurhistorische waarde;
    • 2. vooraf advies is ingewonnen bij de gemeentelijke monumentencommissie.
  • i. herbouw van woningen binnen het daartoe aangewezen bouwperceel, voor zover niet gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bestaand stedelijk gebied' is toegestaan, mits is verzekerd dat:
    • 1. de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven;
    • 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt.
21.2.3 Aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. aanbouwen en bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 3 meter achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd;
  • b. de totale oppervlakte van de aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak mag per hoofdgebouw niet meer bedragen dan:
    • 1. 75 m²: bij een perceelsgrootte tot 500 m²;
    • 2. 100 m²: bij een perceelsgrootte vanaf 500 m² tot 2.000 m²;
    • 3. 120 m²: bij een perceelsgrootte vanaf 2.000 m²;
    • 4. 130 m²: uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlak bijgebouwen';
    • 5. 350 m2: uitsluitend ter plaatse van het perceel Veestraat 4;
    • 6. 325 m2: uitsluitend ter plaatse van het perceel Klooster 4;
  • c. de goothoogte bedraagt maximaal 3,50 meter;
  • d. de bouwhoogte bedraagt maximaal 5 meter;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' gelden in afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden de volgende regels:
    • 1. de goothoogte bedraagt maximaal 3 meter;
    • 2. de bouwhoogte bedraagt maximaal 4 meter;
    • 3. de totale oppervlakte van de aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak mag per hoofdgebouw niet meer bedragen dan:
      • 50 m2: bij een perceelsgrootte tot 5000 m2;
      • 100 m2: bij een perceelsgrootte vanaf 5000 m2;
  • f. tot een afstand van 25 meter achter de voorgevel moet, bij vrijstaande woningen, aan één zijde van het perceel een zone van minimaal 3 meter uit de zijdelingse perceelgrens vrij blijven van bijbehorende bouwwerken. Indien de bestaande afstand minder bedraagt dan de genoemde 25 meter en 3 meter, geldt deze afstand als minimale afstand;
  • g. de afstand tot de zijdelingse en achterste perceelgrens bedraagt minimaal 1 meter, tenzij in de perceelgrens wordt gebouwd;

21.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen gesitueerd achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw is maximaal 2 meter;
  • b. de bouwhoogte van erfafscheidingen gesitueerd vóór de voorgevellijn van het hoofdgebouw is maximaal 1 meter;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is maximaal 3 meter.

21.2.5 Ondergrondse bouwwerken

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
  • b. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder peil.

21.2.6 Openlucht zwembad

Voor het bouwen van een onoverdekt zwembad gelden de volgende regels:

  • a. het zwembad dient te worden gebouwd achter de achtergevel van de woning of het verlengde daarvan, op een afstand van niet meer dan 50 meter;
  • b. de afstand tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens is minimaal 3 meter;
  • c. de oppervlakte van het zwembad mag niet meer bedragen dan 100 m2;
  • d. per bouwperceel mag maximaal 1 zwembad worden gebouwd;
  • e. het zwembad mag niet hoger zijn dan 1 meter;
  • f. de ondergrondse bouwdiepte van het zwembad bedraagt maximaal 2,50 meter.

21.3 Specifieke gebruiksregels
21.3.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend:

  • a. het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;
  • b. het splitsen van een woning in meerdere woningen;
  • c. het gebruik van de gebouwen voor kamerverhuur;
  • d. het gebruik van de woning als recreatiewoning;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen uitgesloten - geluidsgevoelige ruimte' is een geluidsgevoelige ruimte op de begane grond niet toegestaan.

21.3.2 Aan-huis-verbonden beroep

Aan-huis-verbonden beroepen zijn toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende regels van toepassing zijn:

  • a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 45 m2;
  • b. detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan-huis-verbonden beroep;
  • c. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.

21.3.3 Voorwaardelijke gebruiksbepaling

Het is verboden de gronden en gebouwen ter plaatse van Veestraat 4 te gebruiken voor woondoeleinden indien:

  • a. ten tijde van het oprichten en gebruiken van de woning voor particuliere bewoning, de loods op het adres Veestraat 4b bedrijfsmatig in gebruik is;
  • b. voorafgaand aan het gebruik van de gronden de loods op het adres Veestraat 4b niet landschappelijk is ingepast conform het in bijlage 3 opgenomen beplantingsplan;
  • c. de landschappelijke inpassing niet duurzaam in stand wordt gelaten, wordt beheerd en onderhouden.

21.3.4 Klooster 4

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - werkboerderij', ex lid 21.1 onder b sub 6, is dagopvang voor maximaal 8 clienten toegestaan gedurende de tijdsperiode 08.00 uur-19.00 uur.

21.4 Afwijken van de gebruiksregels
21.4.1 Recreatiewoningen

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 21.3.1 ten behoeve van het gebruik van een woning als recreatiewoning met dien verstande dat:

  • a. de recreatiewoning voor maximaal 10 personen gebruikt mag worden;
  • b. de afstand tussen twee recreatiewoningen minimaal 150 meter bedraagt;
  • c. indien de woning in gebruik wordt genomen als recreatiewoning er geen sprake mag zijn van reguliere bewoning;
  • d. het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning intrekken indien 2 jaar geen gebruik is gemaakt van de functiewijziging tot recreatiewoning.

21.4.2 Geluidsgevoelige ruimte

Burgemeester en wethouders kunnen door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 21.3.1 onder e. indien door middel van onderzoek is aangetoond dat aan de wettelijke geluidsnormen wordt voldaan.

21.5 Wijzigingsbevoegdheid
21.5.1 Wijzigingsbevoegdheid onbebouwde bouwvlakken

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om onbenutte of deels onbenutte bouwvlakken te verwijderen of het maximum aantal wooneenheden te verminderen, indien:

  • a. het een onbebouwd bouwvlak betreft, waar binnen 2 jaar na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan ter plaatse van het bouwvlak met een omgevingsvergunning geen woonbebouwing is opgericht, danwel in oprichting is;
  • b. er binnen 2 jaar na sloop van een hoofdgebouw ter plaatse van het bouwvlak met een omgevingsvergunning geen nieuwe woonbebouwing is opgericht, danwel in oprichting is;
  • c. er binnen 2 jaar na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan met een omgevingsvergunning minder wooneenheden zijn opgericht danwel in oprichting zijn dan volgens de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' op de locatie is toegestaan.

Artikel 22 Wonen - Uit te werken

22.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen- Uit te werken' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen;
  • b. tuinen en erven;
  • c. groenvoorzieningen;
  • d. wegen, straten en paden;
  • e. parkeervoorzieningen;
  • f. speelvoorzieningen;
  • g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • h. (ondergrondse) afvalvoorzieningen met een maximum inhoud van 30 m3;

een en ander met de daarbij behorende voorzieningen.

22.2 Uitwerkingsregels

Burgemeester en wethouders werken deze bestemming uit met inachtneming van de volgende regels:

  • a. het aantal nieuwe woningen bedraagt niet meer dan 12;
  • b. de maximale goothoogte aan de straatzijde bedraagt niet meer dan 3 meter;
  • c. de maximale goothoogte aan de achterzijde bedraagt niet meer dan 6 meter;
  • d. de maximale bouwhoogte bedraagt niet meer dan 9,50 meter;
  • e. het bebouwingspercentage van het bestemmingsvlak bedraagt niet meer dan 35%;
  • f. in afwijking van het bepaalde onder a, b en c geldt dat bij veranderingen in het plan ten gunste van (minder) grondgebonden woningen, afwijkende en beter passende maten kunnen worden toegepast, een en ander na instemming van burgemeester en wethouders;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is één bestaande woning binnen het bouwvlak toegestaan met een maximale goothoogte van 4 meter en een maximale bouwhoogte van 9 meter;
  • h. na uitwerking zijn voor de eindbestemming de overeenkomstige regels van artikelen 13 Groen', 19 Verkeer' en 21 Wonen' van toepassing;
  • i. de milieuinvloed afkomstig van omliggende functionerende bedrijven is zodanig dat enerzijds ter plaatse een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en anderzijds de exploitatie- en ontwikkelingsmogelijkheden voor deze bedrijven niet in onevenredige mate worden of kunnen worden aangetast;
  • j. de parkeerbalans in de directe omgeving wordt niet of kan niet onevenredig nadelig worden beïnvloed;
  • k. uit de noodzakelijke (milieu)onderzoeken blijkt dat de gronden geschikt zijn voor het beoogde gebruik;
  • l. de afkoppeling van het hemelwater dient op eigen terrein plaats te vinden, waarbij geen wateroverlastsituaties voor derden mogen ontstaan;
  • m. de belangen van derden worden niet onevenredig geschaad;
  • n. aan de ruimtelijke kwaliteit en het stedenbouwkundig beeld ter plaatse wordt geen afbreuk gedaan.

22.3 Bouwregels

Er mag uitsluitend worden gebouwd in overeenstemming met een door burgemeester en wethouders uitgewerkt rechtsgeldig plan.

22.4 Afwijken van de bouwregels

Zolang en voor zover het uitwerkingsplan nog geen rechtskracht heeft verkregen, kan het bevoegd gezag door middel van een omgevingsvergunning afwijken voor het bepaalde in artikel 22.3, waarbij slechts mag worden gebouwd indien het bouwwerk niet met een in ontwerp ter inzage gelegd uitwerkingsplan, dan wel een vastgesteld uitwerkingsplan in strijd is.

Artikel 23 Leiding - Riool

23.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen (basisbestemmingen), tevens bestemd voor:

  • a. de aanleg, instandhouding of bescherming van ondergrondse rioolwaterleiding ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding - rioolwaterleiding';
  • b. groenvoorzieningen;
  • c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

waarbij de volgende bestemmingsbreedten gelden gemeten aan weerszijden uit het hart van de leiding:

Leiding   Bestemmingsbreedte  
Rioolwaterleiding   2,5 meter  

23.2 Bouwregels

In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald ten aanzien van het bouwen krachtens de overige bestemmingen van deze gronden, mogen op of in de in deze bestemming begrepen gronden uitsluitend worden gebouwd:

  • a. bouwwerken tot een maximale bouwhoogte van 3 meter voor de aanleg en instandhouding van de ondergrondse transportleidingen;
  • b. uitbreidingen van hoofdgebouwen of aanbouwen, bijgebouwen of overkappingen bij hoofdgebouwen bij bestaande, positief bestemde woningen.

23.3 Afwijken van de bouwregels

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 23.2 voor het bouwen ten behoeve van de overige bestemmingen van deze gronden. Hiervoor gelden de volgende regels:

  • a. het behoud van een veilige ligging en de continuïteit van de energie- en afvalwatervoorziening dient te zijn gewaarborgd;
  • b. het bevoegd gezag dient schriftelijk advies te hebben ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.

23.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
23.4.1 Verboden werken en werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden of andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
  • c. het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • d. het aanbrengen van diepwortelende beplanting of bomen;
  • e. het ophogen, verlagen, afgraven of egaliseren van de bodem, of anderszins wijzigen in maaiveld- of weghoogte.

23.4.2 Uitzondering

Het verbod als bedoeld in lid 23.4.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de overige bestemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn of voortvloeien uit het normale onderhoud of gebruik overeenkomstig de bestemming;
  • b. krachtens een verleende vergunning reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

23.4.3 Weigeringsgrond

De andere werken en/of werkzaamheden als bedoeld in lid 23.4.1 zijn slechts toelaatbaar voor zover geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud van een veilige ligging en de continuïteit van de energievoorziening.

Artikel 24 Waarde - Archeologie 1

24.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 1' (gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kern en linten) aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond verwachte archeologische waarden.

24.2 Bouwregels
24.2.1 Omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen
  • a. Uitsluitend mogen bouwwerken worden opgericht ten behoeve van de op deze gronden liggende andere bestemming(en), indien en voor zover het een bouwplan betreft met een oppervlakte van maximaal 250 m² en een verstoringsdiepte van 0,30 meter ten opzichte van het maaiveld;
  • b. bouwplannen met een grotere oppervlakte dan genoemd onder a kunnen uitsluitend worden gebouwd, indien:
    • 1. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders en voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,30 meter ten opzichte van het maaiveld;
    • 2. gebouwen tot maximaal 2,50 meter uit bestaande fundering worden opgericht.

24.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de afmetingen en situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

24.4 Afwijken van de bouwregels
24.4.1 Afwijken

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 24.2.1 voor het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden liggende andere bestemming(en), indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat er geen of nauwelijks waarden aanwezig zijn dan wel dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.

24.4.2 Voorwaarden

Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

24.4.3 Bouwverbod

Indien uit het rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de Waarde, die aan een gebied wordt toegekend in verband met het voorkomen van cultuurhistorische, aardkundige, milieuhygiënische, natuurlijke en/of architectonische waarden van de bebouwde en onbebouwde omgeving door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in 24.4.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.

24.4.4 Advies

Alvorens een omgevingsvergunning als bedoeld in 24.4.1 kan worden verleend, wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg omtrent de vraag of door het verlenen van een ontheffing geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

24.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
24.5.1 Verboden werken en werkzaamheden

In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige archeologische waarden is het verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,30 meter onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
  • c. het ophogen en egaliseren van gronden;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  • f. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • g. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt;
  • h. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies;
  • i. het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen waarbij grondroering plaatsvindt dieper dan 0,30 meter onder maaiveld.

24.5.2 Uitzondering

Het bepaalde in lid 24.5.1 is niet van toepassing:

  • a. indien de verstoring zich beperkt tot 0,30 meter onder het oppervlak;
  • b. indien de grootte van de bodemingreep kleiner is dan 250 m²;
  • c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  • d. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
  • e. indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud en beheer betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • f. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,50 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  • g. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in 24.5.1 .

24.5.3 Toelaatbaarheid
  • a. de omgevingsvergunning wordt verleend, indien is gebleken dat de in lid 24.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologische waarden, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, en vooraf door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie is overgelegd waaruit blijkt dat de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld:
    • 1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
    • 2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
    • 3. de archeologische waarden hierdoor niet worden geschaad.
  • b. burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat een rapport zoals genoemd in 24.5.3 onder a achterwege kan blijven, als door de aanvrager aantoonbaar kan worden gemaakt dat de archeologische waarden reeds verstoord zijn (bijv. door zandwinning of diepe grondbewerkingen);
  • c. voor zover de in 24.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de omgevingsvergunning worden verleend, indien aan de omgevingsvergunning één van de volgende voorschriften wordt verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen,
    • 3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

24.5.4 Advies

Alvorens een omgevingsvergunning als bedoeld in 24.5.1 kan worden verleend, wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

24.6 Wijzigingsbevoegdheid
24.6.1 Wijziging

Burgemeester en wethouders kunnen het plan zodanig wijzigen dat het bestemmingsvlak:

  • a. naar ligging wordt verschoven, dan wel;
  • b. naar omvang wordt vergroot of verkleind, dan wel;
  • c. wordt verwijderd, dan wel;
  • d. van bestemming wijzigt in 'Waarde – Archeologie 2' of 'Waarde - Archeologie 3'

voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na beëindiging van opgravingen, daartoe aanleiding geeft.

24.6.2 Advies

Alvorens de wijzigingen als bedoeld onder lid 24.6.1 worden uitgevoerd, wordt archeologisch advies ingewonnen bij de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

Artikel 25 Waarde - Archeologie 2

25.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 2' (gebied met een hoge archeologische verwachting) aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond verwachte archeologische waarden.

25.2 Bouwregels
25.2.1 Omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen
  • a. Uitsluitend mogen bouwwerken worden opgericht ten behoeve van de op deze gronden liggende andere bestemming(en), indien en voor zover het een bouwplan betreft met een oppervlakte van maximaal 500 m² en een verstoringsdiepte van 0,30 meter en 0,50 meter bij esdekken ten opzichte van het maaiveld;
  • b. bouwplannen met een grotere oppervlakte dan genoemd onder a kunnen uitsluitend worden gebouwd, indien:
    • 1. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders en voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,30 meter en 0,50 meter bij esdek ten opzichte van het maaiveld;
    • 2. gebouwen tot maximaal 2,50 meter uit bestaande fundering worden opgericht.

25.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de afmetingen en situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

25.4 Afwijken van de bouwregels
25.4.1 Afwijken

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 25.2.1 voor het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden liggende andere bestemming(en), indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat er geen of nauwelijks waarden aanwezig zijn dan wel dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.

25.4.2 Voorwaarden

Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

25.4.3 Bouwverbod

Indien uit het rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de Waarde, die aan een gebied wordt toegekend in verband met het voorkomen van cultuurhistorische, aardkundige, milieuhygiënische, natuurlijke en/of architectonische waarden van de bebouwde en onbebouwde omgeving door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in 25.4.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.

25.4.4 Advies

Alvorens een omgevingsvergunning als bedoeld in 25.4.1 kan worden verleend, wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg omtrent de vraag of door het verlenen van een ontheffing geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

25.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
25.5.1 Verboden werken en werkzaamheden

In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige archeologische waarden is het verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,30 meter en bij esdekken dieper dan 0,50 meter onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
  • c. het ophogen en egaliseren van gronden;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  • f. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • g. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt;
  • h. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies;
  • i. het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen waarbij grondroering plaatsvindt dieper dan 0,30 meter en bij esdekken 0,50 meter onder maaiveld.

25.5.2 Uitzondering

Het bepaalde in lid 25.5.1 is niet van toepassing:

  • a. indien de verstoring zich beperkt tot 0,30 meter en bij esdekken 0,50 meter onder het oppervlak;
  • b. indien de grootte van de bodemingreep kleiner is dan 500 m²;
  • c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  • d. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
  • e. indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud en beheer betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • f. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,50 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  • g. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in 25.5.1 .

25.5.3 Toelaatbaarheid
  • a. de omgevingsvergunning wordt verleend, indien is gebleken dat de in lid 25.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologische waarden, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, en vooraf door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie is overgelegd waaruit blijkt dat de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld:
    • 1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
    • 2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
    • 3. de archeologische waarden hierdoor niet worden geschaad.
  • b. burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat een rapport zoals genoemd in 25.5.3 onder a achterwege kan blijven, als door de aanvrager aantoonbaar kan worden gemaakt dat de archeologische waarden reeds verstoord zijn (bijv. door zandwinning of diepe grondbewerkingen);
  • c. voor zover de in 25.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de omgevingsvergunning worden verleend, indien aan de omgevingsvergunning één van de volgende voorschriften wordt verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen,
    • 3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

25.5.4 Advies

Alvorens een omgevingsvergunning als bedoeld in 25.5.1 kan worden verleend, wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

25.6 Wijzigingsbevoegdheid
25.6.1 Wijziging

Burgemeester en wethouders kunnen het plan zodanig wijzigen dat het bestemmingsvlak:

  • a. naar ligging wordt verschoven, dan wel;
  • b. naar omvang wordt vergroot of verkleind, dan wel;
  • c. wordt verwijderd, dan wel;
  • d. van bestemming wijzigt in 'Waarde – Archeologie 1' of 'Waarde - Archeologie 3'

voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na beëindiging van opgravingen, daartoe aanleiding geeft.

25.6.2 Advies

Alvorens de wijzigingen als bedoeld onder lid 25.6.1 worden uitgevoerd, wordt archeologisch advies ingewonnen bij de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

Artikel 26 Waarde - Archeologie 3

26.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 3' (gebied met een middelhoge archeologische verwachting) aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond verwachte archeologische waarden.

26.2 Bouwregels
26.2.1 Omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen
  • a. Uitsluitend mogen bouwwerken worden opgericht ten behoeve van de op deze gronden liggende andere bestemming(en), indien en voor zover het een bouwplan betreft met een oppervlakte van maximaal 2500 m² en een verstoringsdiepte van 0,30 meter en 0,50 meter bij esdekken ten opzichte van het maaiveld;
  • b. bouwplannen met een grotere oppervlakte dan genoemd onder a kunnen uitsluitend worden gebouwd, indien:
    • 1. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders en voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,30 meter en 0,50 meter bij esdek ten opzichte van het maaiveld;
    • 2. gebouwen tot maximaal 2,50 meter uit bestaande fundering worden opgericht.

26.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de afmetingen en situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

26.4 Afwijken van de bouwregels
26.4.1 Afwijken

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 26.2.1 voor het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden liggende andere bestemming(en), indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat er geen of nauwelijks waarden aanwezig zijn dan wel dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.

26.4.2 Voorwaarden

Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

26.4.3 Bouwverbod

Indien uit het rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de Waarde, die aan een gebied wordt toegekend in verband met het voorkomen van cultuurhistorische, aardkundige, milieuhygiënische, natuurlijke en/of architectonische waarden van de bebouwde en onbebouwde omgeving door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in 26.4.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.

26.4.4 Advies

Alvorens een omgevingsvergunning als bedoeld in 26.4.1 kan worden verleend, wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg omtrent de vraag of door het verlenen van een ontheffing geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

26.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
26.5.1 Verboden werken en werkzaamheden

In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige archeologische waarden is het verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,30 meter en bij esdekken dieper dan 0,50 meter onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
  • c. het ophogen en egaliseren van gronden;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  • f. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • g. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt;
  • h. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies;
  • i. het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen waarbij grondroering plaatsvindt dieper dan 0,30 meter en bij esdekken 0,50 meter onder maaiveld.

26.5.2 Uitzondering

Het bepaalde in lid 26.5.1 is niet van toepassing:

  • a. indien de verstoring zich beperkt tot 0,30 meter en 0,50 meter bij esdekken onder het oppervlak;
  • b. indien de grootte van de bodemingreep kleiner is dan 2500 m²;
  • c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  • d. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
  • e. indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud en beheer betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • f. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,50 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  • g. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in 26.5.1 .

26.5.3 Toelaatbaarheid
  • a. de omgevingsvergunning wordt verleend, indien is gebleken dat de in lid 26.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologische waarden, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, en vooraf door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie is overgelegd waaruit blijkt dat de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld:
    • 1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
    • 2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
    • 3. de archeologische waarden hierdoor niet worden geschaad.
  • b. burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat een rapport zoals genoemd in 26.5.3 onder a achterwege kan blijven, als door de aanvrager aantoonbaar kan worden gemaakt dat de archeologische waarden reeds verstoord zijn (bijv. door zandwinning of diepe grondbewerkingen);
  • c. voor zover de in 26.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de omgevingsvergunning worden verleend, indien aan de omgevingsvergunning één van de volgende voorschriften wordt verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen,
    • 3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

26.5.4 Advies

Alvorens een omgevingsvergunning als bedoeld in 26.5.1 kan worden verleend, wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

26.6 Wijzigingsbevoegdheid
26.6.1 Wijziging

Burgemeester en wethouders kunnen het plan zodanig wijzigen dat het bestemmingsvlak:

  • a. naar ligging wordt verschoven, dan wel;
  • b. naar omvang wordt vergroot of verkleind, dan wel;
  • c. wordt verwijderd, dan wel;
  • d. van bestemming wijzigt in 'Waarde – Archeologie 1' of 'Waarde - Archeologie 2'

voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na beëindiging van opgravingen, daartoe aanleiding geeft.

26.6.2 Advies

Alvorens de wijzigingen als bedoeld onder lid 26.6.1 worden uitgevoerd, wordt archeologisch advies ingewonnen bij de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

Artikel 27 Waarde - Cultuurhistorie

27.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en/of herstel van de bij de bebouwing en eventueel het bijbehorend erf, voorkomende monumentale, cultuurhistorische en/of architectonische waarden.

27.2 Bouwregels

Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de aan deze gronden toegekende enkelbestemmingen (basisbestemming), voor zover dat mede omvat het bouwen ten behoeve van de hiervoor in 27.1 aangegeven dubbelbestemming.

27.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen - met inachtneming van de regels ten aanzien van de maatvoering in de enkelbestemmingen - nadere eisen stellen ten aanzien van:

  • a. de lengte, breedte, goothoogte en/of totale bouwhoogte;
  • b. de dakhelling, nokrichting en/ of kapvorm;
  • c. de onderlinge situering van hoofd- en bijgebouwen;

mits:

  • dit noodzakelijk is uit een oogpunt van behoud en/of herstel van de monumentale en/of cultuurhistorische waarden van de bebouwing;
  • vooraf het advies is ingewonnen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in geval van een Rijksmonument, en in overige gevallen de gemeentelijke monumentencommissie.

27.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
27.4.1 Verboden werken en werkzaamheden

Het is verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren die leiden tot het geheel of gedeeltelijk slopen van deze bebouwing.

27.4.2 Uitzondering

Het verbod als bedoeld in 27.4.1 is niet van toepassing op andere werken en/of werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud, gebruik en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

27.4.3 Weigeringsgrond

De andere werken en/of werkzaamheden als bedoeld in 27.4.1 zijn slechts toelaatbaar voor zover geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische, architectonische en/of stedenbouwkundige waarden.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 28 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 29 Algemene bouwregels

29.1 Bestaande afwijkende maatvoering

Met betrekking tot bestaande maten gelden de volgende regels:

  • a. de op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan met een verleende omgevingsvergunning toegestane afstands-, hoogte-, inhouds-, hellings- en oppervlaktematen, die meer bedragen dan de maximale maten welke in hoofdstuk 2 zijn voorgeschreven, moeten als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden;
  • b. de op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan met een verleende omgevingsvergunning toegestane afstands-, hoogte-, inhouds-, hellings- en oppervlaktematen die minder bedragen dan de minimale maten welke hoofdstuk 2 is voorgeschreven, moeten als ten minste toelaatbaar worden aangehouden;
  • c. in geval van herbouw is het bepaalde onder a en b slechts van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt, waarbij de afwijking niet groter mag zijn dan de vergunde situatie.

29.2 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen
29.2.1 Parkeergelegenheid bij of in gebouwen

Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

29.2.2 Afmetingen

De in 29.2.1 bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien de afmetingen:

  • a. van bedoelde parkeerruimten bij langsparkeren ten minste 1,80 meter bij 5,00 meter en ten hoogste 3,25 meter bij 6,00 meter bedragen;
  • b. van bedoelde parkeerruimten bij haaksparkeren ten minste 2,40 meter bij 5,00 meter en ten hoogste 3,25 meter bij 6,00 meter bedragen;
  • c. van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte -voor zover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst- ten minste 3,50 meter bij 5,00 meter bedragen.

29.2.3 Laden en lossen

Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien binnen de bestemming op eigen terrein.

29.2.4 Afwijken

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 29.2.3:

  • a. indien het voldoen aan die regels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit;
  • b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

29.3 Maximale inhoud buiten bestaand stedelijk gebied

Buiten het gebied zoals in de Verordening ruimte 2014 aangeduid en ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bestaand stedelijk gebied' is, conform de Verordening ruimte 2014, in afwijking van het bepaalde in de afzonderlijke bestemmingen, de maximale inhoudsmaat van (bedrijfs)woningen 750 m3.

 

Artikel 30 Algemene aanduidingsregels

30.1 overige zone - attentiegebied ehs
30.1.1 Algemeen

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - attentiegebied ehs' zijn de gronden tevens bestemd voor verdrogingsbestrijding.

30.1.2 Bouwregels

In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald ten aanzien van het bouwen krachtens de bestemmingen van deze gronden, mogen op of in de gronden met de aanduiding 'overige zone - attentiegebied ehs' uitsluitend bouwwerken tot een maximale bouwhoogte van 3 meter worden gebouwd ten behoeve van het bepaalde in 30.1.1.

30.1.3 Verboden werken en werkzaamheden

Het is verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 0,60 meter beneden maaiveld;
  • b. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten, of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;
  • c. de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een al bestaande drainage;
  • d. het verlagen van de waterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen;
  • e. het aanbrengen van niet-omkeerbare verhardingen en/of verharde oppervlakten van meer dan 100 m², anders dan een bouwwerk;
  • f. het aanbrengen van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen.

30.1.4 Uitzondering

Het verbod als bedoeld in 30.1.3 is niet van toepassing op andere werken die:

  • a. het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. krachtens een verleende vergunning reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  • c. binnen het bouwvlak plaats vinden.

30.1.5 Toelaatbaarheid

De andere werken en/of werkzaamheden als bedoeld in 30.1.3 zijn slechts toelaatbaar voor zover deze andere werken en/of werkzaamheden geen negatief effect hebben op de waterhuishouding van de ecologische hoofdstructuur en het betrokken waterschap wordt gehoord.

30.2 overige zone - groenblauwe mantel
30.2.1 Algemeen

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' zijn de gronden aangewezen als 'Groenblauwe mantel' conform de Verordening ruimte 2014. Hierbij is hoofdstuk 6 van de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant van toepassing.

30.2.2 Verbod

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' is het, in afwijking van het gestelde in hoofdstuk 2, niet toegestaan werken en/of werkzaamheden uit te voeren die een negatief effect op het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden hebben.

30.2.3 Uitzondering

Het in 30.2.2 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die het normale beheer en onderhoud betreffen.

30.3 vrijwaringszone - weg
30.3.1 Verbod

Op de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone - weg’ (zone 0-50 m) mag, ongeacht het bepaalde in de afzonderlijke bestemmingen, geen bebouwing worden opgericht.

30.3.2 Afwijken

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 30.3.1 na schriftelijk advies te hebben ingewonnen bij de wegbeheerder.

Artikel 31 Algemene afwijkingsregels

31.1 Algemeen

Indien niet op grond van een andere bepaling kan worden afgeweken van deze regels kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het volgende:

  • a. de bestemmingsregels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  • b. het oprichten van liftschachten en trappenhuizen als onderdeel van de hoofdbouw tot maximaal 3 meter boven de toegelaten goothoogte voor de hoofdbouw;
  • c. het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ter wering van geluidhinder of luchtverontreiniging, brand- en explosiegevaar, mits de hoogte ten hoogste 5 meter is;
  • d. het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor reclamedoeleinden direct nabij de openbare weg, mits de hoogte ten hoogste 2,50 meter is.

31.2 Aan-huis-verbonden bedrijf

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bestemmingsplanregels om toe te staan dat een aan-huis-verbonden bedrijf in of bij een (bedrijfs-)woning mogelijk is, met dien verstande dat:

  • a. de omvang van de activiteit niet meer bedraagt dan 45 m²;
  • b. de woonfunctie de hoofdfunctie blijft;
  • c. het gebruik geen onevenredige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaakt;
  • d. detailhandel alleen plaatsvindt ondergeschikt aan en in direct verband met de lichte bedrijvigheid;
  • e. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.

31.3 Bed & breakfast

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bestemmingsplanregels ten behoeve van het gebruik van ruimten binnen de woning of bijgebouwen bij de woning voor bed and breakfast-voorzieningen, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de voorzieningen dienen te worden gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing;
  • b. het maximaal aantal personen dat logies en ontbijt kan worden geboden bedraagt acht, met een maximum verblijfsduur van 6 weken;
  • c. parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden;
  • d. er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  • e. bedoeld gebruik mag geen hinder voor het woonmilieu opleveren en mag geen onevenredige afbreuk doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt;
  • f. bedoeld gebruik mag geen belemmering voor de omliggende bedrijven opleveren;
  • g. het gebruik dient de woonfunctie te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk uitvoert, tevens de gebruiker van het hoofdgebouw is;
  • h. de maximale oppervlakte bedraagt in totaal 75 m², met dien verstande dat maximaal 50% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw ten behoeve van de Bed & Breakfast in gebruik mag zijn.

31.4 Internetverkoop

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bestemmingsplanregels ten behoeve van het gebruik van ruimten voor internetverkoop, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de hoofdfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. er mag geen showroom of andersoortige winkelopstelling aanwezig zijn;
  • b. het assortiment is alleen te bezichtigen via internet of catalogus;
  • c. fysiek bezoek door klanten is niet toegestaan;
  • d. levering van producten vindt alleen plaats via post of koeriersdiensten;
  • e. de vestiging mag niet leiden tot onveilige c.q. overlastgevende (verkeers)situaties.

31.5 Mantelzorg

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bestemmingsplanregels voor het gebruik van een deel van de (bedrijfs)woning of een (vrijstaand) bijgebouw bij een woning als afhankelijke woonruimte, mits:

  • a. een dergelijke bewoning noodzakelijk is van uit een oogpunt van mantelzorg, blijkend uit een advies van een terzake deskundige;
  • b. de oppervlakte die wordt gebruikt als afhankelijk woonruimte, niet meer bedraagt dan de maximaal toegestane gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen tot een maximum van 80 m²;
  • c. de belangen van derden niet onevenredig worden aangetast;
  • d. de afstand tussen het hoofdgebouw en het vrijstaande bijgebouw dat wordt gebruikt als afhankelijke woonruimte niet meer dan 20 m bedraagt.

De omgevingsvergunning zoals hierboven vermeld kan worden ingetrokken als de noodzaak voor mantelzorg niet meer aanwezig is.

31.6 Ondergronds bouwen ten behoeve van parkeren

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bestemmingsplanregels voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken ten behoeve van parkeren buiten het bouwvlak met uitzondering van de locatie Nachtegaallaan 1, mits de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken maximaal 4 meter onder peil bedraagt.

Artikel 32 Overige regels

Nieuwe ontwikkelingen dienen hydrologisch neutraal plaats te vinden. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt in dat de ontwikkeling geen hydrologische achteruitgang ten opzichte van de referentiesituatie tot gevolg heeft. Om de aard en omvang van de benodigde maatregelen vast te stellen dient advies te worden ingewonnnen bij Waterschap de Dommel.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 33 Overgangsrecht

33.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%;
  • c. het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

33.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  • b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a. te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  • c. indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  • d. het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

33.3 Hardheidsclausule

Voor zover toepassing van het overgangsrecht gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan grond en opstallen gebruiken in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan kan het bevoegd gezag ten behoeve van die persoon of personen van dat overgangsrecht afwijken.

Artikel 34 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Kom Leende-Leenderstrijp 2015'.