13.1 (verboden gebruik)
Onder verboden gebruik als bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening wordt in ieder geval verstaan:
-
a. het gebruik van gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - randbeplanting', anders dan ten behoeve van de aanleg en het onderhoud van een wind- en groensingel, subtalud en onderhoudspad;
-
b. het gebruik van gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarden – talud' ten behoeve van beplantingen, anders dan via graszoden;
-
c. het gebruik van een vrijstaand bijgebouw ten behoeve van zelfstandige bewoning;
-
d. het gebruik van gronden en bouwwerken voor intensieve veehouderij;
-
e. het gebruik van gronden en bouwwerken voor gebruiksgerichte paardenhouderij, dan wel voor niet-grondgebonden productiegerichte paardenhouderij;
-
f. het gebruik van agrarische gronden gelegen in het gedeelte van het bouwvlak ten zuiden van (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfsbebouwing anders dan voor bedrijfswonen;
-
g. het gebruik van gronden ten behoeve van open opslag, uitgezonderd voor zover toegelaten binnen de bestemmingsomschrijvingen van het plan;
-
h. het gebruik van agrarische gronden ten behoeve van (de aanleg van) een waterbekken;
-
i. het gebruik van schepen en woonschepen voor bewoning, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'woonschepenligplaats'.