Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Follega, Straatweg 1 en 1a
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1940.BPFOL19STRAAWEG1-VA01
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Aanleiding
Het perceel Straatweg 1 te Follega is een voormalig agrarisch bedrijf. Op het perceel staat een karakteristieke boerderij, een jongveestal en een ligboxenstal.
 
Fig. 1: de karakteristieke boerderij op het perceel Straatweg 1 (bron: google Street view)
 
Het perceel is aangekocht door V.O.F. Janse. De eigenaren/initiatiefnemers wonen al enige tijd in de boerderij. Het internationaal bedrijf, ‘Dutch Inter Farmers’ is onderdeel van V.O.F. Janse. Dutch Inter Farmers is eveneens op het perceel Straatweg 1 gevestigd.
 
Naast het internationale bedrijf wordt op het perceel ook de ‘Boerderijkraam’, waar zelf verbouwde groenten worden verkocht in de vorm van zelfbediening. De ligboxenstal en de jongveestal zullen worden gebruikt voor stalling van boten/caravans en landbouwmachines.
 
Zoals aangegeven zijn de agrarische bedrijfsactiviteiten beëindigd en heeft de familie Janse de karakteristieke kop-romp-boerderij op het perceel Straatweg 1 gekocht. De gewenste ontwikkeling is niet mogelijk binnen de vigerende planologische regeling. Op grond van het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010’ rust op het perceel Straatweg 1 de bestemming ‘Agrarisch – agrarisch bedrijf’. De gemeente De Fryske Marren heeft in principe medewerking toegezegd aan de vestiging van de boerderijkraam, het kantoor aan huis en de opslag van landbouwwerktuigen, boten en caravans. Om de toekomstige situatie mogelijk te maken moet een nieuw bestemmingsplan worden op- en vastgesteld.
 
Het onderhavige bestemmingsplan is het juridische planologische kader voor het realiseren van het plan. Het plangebied betreft zowel het voormalige agrarische perceel als het perceel met de ligboxenstal die in hoofdzaak voor opslag wordt gebruikt. Naast het perceel Straatweg 1 ligt het perceel Straatweg 1A. Op dit perceel staat de voormalige tweede bedrijfswoning van het voormalige agrarische bedrijf.
 
Op de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan zijn beide percelen, gekoppeld met een ‘koppelteken’.
Enige jaren geleden is voor het perceel Straatweg 1A een omgevingsvergunning verleend en is de woning op het perceel betiteld als ‘plattelandswoning’. Door de titel ‘plattelandswoning’ wordt de woning niet als een woning van derden beschouwd en zou deze woning een beperking kunnen geven, wanneer de agrarisch bedrijfsactiviteiten op het perceel Straatweg 1 zouden worden voorgezet. Nu de agrarische bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd en de bestemming van het perceel wordt gewijzigd naar ‘Wonen – voormalig boerderij’, is het koppelteken niet meer van toepassing en kan vervallen. Om het koppelteken te laten vervallen is in overleg met de eigenaar het perceel Straatweg 1A ook onderdeel geworden van het plangebied. Het perceel Straatweg 1A krijgt in het onderhavige bestemmingsplan de bestemming ‘Wonen’.
 
Naast het wijzigen van de bestemming van het perceel Straatweg 1 en Straatweg 1A wordt ook de bestemming van het achterste deel van het perceel, dat niet als erf is ingericht, gewijzigd. Op dit deel van het productiegebied rust nu de bestemming ‘Agrarisch – agrarisch bedrijf’. Deze bestemming wordt voor dit deel gewijzigd naar ‘Agrarisch’.
 
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De regels en de verbeelding zijn juridisch bindend. In deze toelichting wordt een beschrijving van het plan gegeven en wordt ingegaan op de planologische randvoorwaarden waaraan het plan moet voldoen.
 
Fig. 1: topografische ligging van het plangebied (bron: opentopo.nl)
  
1.2 Doelstelling
De doelstelling van dit bestemmingsplan kan worden samengevat als het treffen van een juridisch planologische regeling voor het realiseren van de voorgenomen plannen voor het perceel Straatweg 1 te Follega. De ligboxenstal en de jongveestal worden in de nieuwe situatie in gebruikt voor opslag van agrarische werktuigen en/of boten/caravans gebruikt. Daarnaast wordt in een deel ligboxenstal gebruikt voor de boerderijkraam en wordt het koppelteken tussen het perceel Straatweg 1 en 1A verwijderd.
1.3 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 van deze toelichting is een beschrijving van het plangebied gegeven, waarbij is ingegaan op huidige situatie en de toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 worden enkele beleidsuitgangspunten genoemd die van toepassing zijn. Hoofdstuk 4 gaat in op de planologische randvoorwaarden.
Hoofdstuk 5 betreft de juridische toelichting op het bestemmingsplan. Hierin is nader ingegaan op de bestemmingsplanprocedure en is een toelichting op de regels van dit bestemmingsplan gegeven. In hoofdstuk 6 is de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan geschetst. Hierbij is ingegaan op de economische als wel maatschappelijke uitvoerbaarheid.
De resultaten van de ter inzagelegging en overleg zullen later als bijlage in het bestemmingsplan worden opgenomen.
 
Hoofdstuk 2 Beschrijving van het plan
2.1 Ligging plangebied
Het plangebied ligt aan de Straatweg tussen Eesterga en Follega in de gemeente De Fryske Marren ten zuidwesten van het Tjeukemeer. Het perceel Straatweg 1 is een voormalig agrarisch bedrijf. De agrarische bedrijfsactiviteiten op het perceel zijn beëindigd. Het agrarisch bedrijf is verhuisd naar een andere locatie. De karakteristieke kop-romp-boerderij werd door de vorige eigenaar in hoofdzaak gebruikt als agrarische bedrijfswoning. De agrarische bedrijfsactiviteiten waren gevestigd in de ligboxenstal en de jongveestal op het perceel.
 
Fig. 2: ligging van het plangebied in de lintbebouwing tussen Eesterga en Follega (bron: google maps)
  
2.2 Huidige (planologische) situatie
Op het perceel Straatweg 1 staat een grote karakteristieke kop-romp-boerderij, een ligboxenstal en een jongveestal. De familie Janse woont in de voormalige agrarische bedrijfswoning in de karakteristieke boerderij. De agrarische bedrijfsactiviteiten van de vorige eigenaar zijn verhuisd naar een ander agrarisch perceel. De overige bebouwing op het perceel wordt op dit moment niet gebruikt. De agrarische productiegronden die tot het bedrijf behoorden liggen achter het perceel en zijn niet aangekocht en behoren niet meer tot het perceel. Naast het perceel Straatweg 1 ligt het perceel Straatweg 1A. De woning op dit perceel was vroeger de tweede agrarische bedrijfswoning van het bedrijf. De voormalige agrariër woont in deze woning. De woning maakt echter geen deel meer uit van het agrarisch bedrijf. Om te voorkomen dat woning als een woning van derden moet worden beoordeeld heeft de gemeente De Fryske Marren een omgevingsvergunning verleend en heeft de woning de status ‘plattelandswoning’ gekregen.
 
Op de verbeelding van het bestemmingsplan is het bedrijfsperceel aangegeven waar de bebouwing van het agrarisch bedrijf gerealiseerd is en mag worden. De familie Janse heeft echter niet het gehele voormalige agrarische bedrijfsperceel zoals dit op de verbeelding is aangegeven aangekocht.
 
2.3 Beschrijving van het initiatief
De nieuwe eigenaar woont in de voormalige agrarische bedrijfswoning op het perceel Straatweg 1. De eigenaar van het perceel is tevens eigenaar van Dutch Inter Farmers. Dutch Inter Farmers is een dienstverlenend bedrijf en houdt zich bezig met het begeleiden van landbouwprojecten in zowel het binnen- als in het buitenland. Op het perceel Straatweg 1 is de kantoorfunctie van het bedrijf gevestigd.
 
In het voorste deel van de bestaande ligboxenstal op het perceel wordt de ‘Boerderijkraam’ gevestigd. In de ‘Boerderijkraam’ worden producten van eigen teelt verkocht. Het gaat daarbij om aardappelen, wortelen, uien, meerdere koolsoorten en rode bieten. De ‘Boerderijkraam’ is de ‘gezonde Febo’, de producten worden aangeboden in een boerderij-automaat, waarbij de klanten op elk gewenst moment van de dag gezonde groenteproducten kunnen kopen.
Op het erf worden ook verschillende fruitsoorten, zoals aardbeien, frambozen, bramen e.d. kweken. Deze worden vervolgens in de boerderijkraam verkocht.
 
Naast de boerderijkraam die in het voorste deel van de ligboxenstal gevestigd is, zal de ligboxenstal worden gebruikt voor beperkte opslag ten behoeve van de boerderijkraam. Voor het overige wordt de ligboxenstal, net als de jongveestal gebruikt voor opslag van landbouwwerktuigen en/of caravans en boten. Deze activiteiten worden op de verbeelding met een aanduiding aangegeven.
 
De totale oppervlakte van het perceel Straatweg 1 dat is aangekocht bedraagt 1,2 ha. De overige gronden van het perceel worden, met uitzondering van de tuin voor de boerderij, deels ingericht als moestuin waar producten voor de Boerderijkraam worden verbouwd.
 
Fig. 3: bestaande erfsituatie met bebouwing en overige gronden (bron: google maps)
 
Op grond van het geldend bestemmingsplan is het oorspronkelijke agrarisch bedrijfsperceel groter dan het perceel dat door de familie Janse is aangekocht. Het deel dat niet wordt aangekocht is in gebruik als grasland. Dit deel van het agrarisch bedrijfsperceel is wel onderdeel van het onderhavige bestemmingsplan om ook de bestemming van dit deel te wijzigen. Op grond van het onderhavige bestemmingsplan krijgt dit deel van het bedrijfsperceel de bestemming ‘Agrarisch’.
2.4 Landschappelijke inpassing
De nieuwe functie heeft geen negatieve gevolgen voor de landschappelijke inpassing. Een groot deel van het perceel wordt ingericht als moestuin om producten voor de Boerderijkraam te verbouwen. Op het perceel worden nieuwe fruitbomen en – struiken aangeplant. Daarnaast worden inheemse boomsoorten aangeplant, zoals de iep en els waardoor de groene uitstraling van het perceel behouden blijft of wordt vergroot.
 
Het bestaande perceel heeft aan de westzijde over de gehele lengte van het perceel een erfsingel. Aan de noordoostzijde van het perceel staat nog een deel van de oorspronkelijke erfbeplanting. Gelet op het voormalige gebruik is geen beplanting aanwezig aan de achterzijde van het perceel. Onderstaand is de huidige beplanting
en toekomstige situatie schetsmatig aangegeven. De ‘grijze balk’ aan de zijkant het recht van overpad aangeeft.
 
Fig. 4: bestaande landschappelijke inpassing en toekomstige landschappelijke inpassing (bron: fam. W. Janse)
 
In verband met het recht van overpad is overeengekomen om een strook van 4 meter tot het overpad vrij te houden van beplanting om te voorkomen dat overhangende takken boven het pad komen te hangen en de doorgang (ver)hinderen. De nieuwe eigenaar heeft al veel achterstallig onderhoud aan de erfsingel uitgevoerd. Door uitdunning van de singel krijgen nieuwe bomen en struiken de kans om te groeien, zodat er straks weer sprake is van een volwaardige erfsingel.
 
Aan de noord- en oostkant van het perceel worden op het perceel verschillende vruchtdragende bomen en heesters aangeplant. De exacte locaties van deze bomen en heesters kan nu nog niet worden aangegeven omdat de exacte indeling van het erf nog niet bekend is. Als de definitieve indeling van het erf gereed is en duidelijk is waar de verschillende producten voor de boerderijkraam worden verbouwd en waar de vruchtbomen en - struiken komen te staan wordt rondom het perceel een erfsingel ingeplant met gebiedseigen bomen en struiken. Rondom het perceel wordt vervolgens ten behoeve van een goede afwatering een erfsloot of diepe greppel gegraven.
 
Op onderstaande foto’s is de bestaande situatie weergegeven die ook in stand wordt gehouden.
 
 
Hoofdstuk 3 Beleidskaders
Dit hoofdstuk behandelt het beleid dat betrekking heeft op dit bestemmingsplan. Planologische besluitvorming moet passen binnen de ruimtelijke kaders die ontworpen worden op alle verschillende overheidsniveaus. Ter verkenning van de beleidsruimte wordt in dit hoofdstuk het ruimtelijk (relevant) beleid beknopt weergegeven.
3.1 Rijksbeleid
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
In de ‘Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte’ (SVIR, 13 maart 2012) geeft het Rijk haar visie aan op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040. Dit betreft een integraal kader dat de basis vormt voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In dit document zijn de nationale belangen geformuleerd. In de SVIR is gekozen voor een meer selectieve inzet van het rijksbeleid dan voorheen. Voor de periode tot 2028 zijn de ambities van het Rijk in drie rijksdoelen uitgewerkt:
- Vergroten van de concurrentiekracht door versterking van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
- Verbeteren van de bereikbaarheid;
- Zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.
 
Met bovengenoemde rijksdoelen zijn 13 nationale belangen aan de orde die in de SVIR verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio’s. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van de ruimtelijke ordening gekregen. Het kabinet is van mening dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn.
 
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt de basis voor het stellen van algemene regels, op te nemen in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). Die regels richten zich primair op gemeenten, die het eerstverantwoordelijke overheidsniveau zijn voor de inhoud van ruimtelijke plannen.
 
In het “Besluit algemene regels ruimtelijke ordening” (Barro, 7 december 2011), ook wel bekend onder de naam AMvB Ruimte, zijn de nationale belangen uit de SVIR voorzien van juridische kaders waarmee de doorwerking van de nationale belangen op ruimtelijk gebied is geborgd. Het gaat onder meer over rijksbelangen over rijksvaarwegen, zones buisleidingen en zones van hoogspanningsleidingen. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen.
 
Het onderhavige bestemmingsplan is gericht op een lokale ontwikkeling en heeft geen betrekking op rijksbelangen. De voorgenomen ontwikkeling voldoet daarmee aan het rijksbeleid zoals dit is vastgelegd in de structuurvisie. Daarnaast ligt het plangebied niet binnen een zone van één van de nationale belangen uit het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het rijksbeleid richt zich niet specifiek op onderhavige ontwikkeling. Er is geen sprake van strijd met het rijksbeleid.
 
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 lid 2 Bro vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
 
Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Als de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.
 
Onderhavig plan betreft het wijzigen van het gebruik van een voormalig agrarisch perceel naar een woonfunctie en het gebruik van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen op het perceel voor opslag. De hoeveelheid bebouwing blijft gelijk en is er geen sprake van een nieuw stedelijk ruimtebeslag. Het bestemmingsplan is getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking te doorlopen, maar heeft geen gevolgen.
 
3.2 Provinciaal beleid
3.2.1 Streekplan Fryslân 2007
Het ruimtelijk beleid van de provincie vormt een belangrijk kader voor het gemeentelijk (bestemmingsplan)beleid. Dit is onder meer neergelegd in het Streekplan Fryslân 2007 “Om de kwaliteit fan de romte”, vastgesteld op 13 december 2006.
Het Streekplan heeft met de invoering van de Wro de status van structuurvisie gekregen en is in die hoedanigheid richtinggevend voor het ruimtelijk beleid van de gemeente.
Geconstateerd wordt dat de afname van het aantal agrarische bedrijven de sociaaleconomische vitaliteit van het landelijk gebied onder druk zet. In delen van het landelijk gebied is sprake van ruimtelijk kwaliteitsverlies door verstening, versnippering en verrommeling, verpaupering van (vrijkomende) bebouwing en door functionele achteruitgang. De provincie wil verdere achteruitgang voorkomen door passende mogelijkheden voor functies en bebouwing en voor sloop van beeldverstorende gebouwen te bieden.
 
De provincie wil de vitaliteit van het platteland verder versterken door ‘kwaliteitsarrangementen’. Een kwaliteitsarrangement is een concreet project waarin nieuwe passende vormen van wonen, werken, recreëren, verzorging, cultuur, educatie en/of de wijziging van bestaande functies gelijktijdig worden gecombineerd met een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied.
De provincie wil ruime mogelijkheden voor ruim, rustig, en landelijk wonen in vrijkomende boerderijen. Het hergebruik van vrijkomende boerderijen wil de provincie daarom krachtig bevorderen.
 
In de Verordening Romte worden de onderwerpen uit het Streekplan geregeld, waarvoor een juridische doorvertaling en borging in ruimtelijke plannen van de gemeente noodzakelijk is. Hierop wordt hierna verder ingegaan.
 
Onderhavig plan past binnen de mogelijkheden die de provincie wil bieden voor nieuwe functies in voormalige agrarische bebouwing. Onderhavig plan kan verpaupering voorkomen door de woonfunctie in de voormalige boerderij en het gebruik van de ligboxenstal en de jongveestal voor opslag. Ook de verkoop van groente en fruit die ter plaatse worden verbouwd of andere streekproducten in de Boerderijkraam worden verkocht dragen bij aan een vitaal platteland.
  
3.2.2 Verordening Romte Fryslân
Ter bescherming van de provinciale belangen heeft de provincie de “Verordening Romte Fryslân 2014” vastgesteld op 25 juni 2014. De 1e partiële herziening van de verordening is op 18 februari 2015 gelijktijdig met de Beleidsnotitie ‘Romte foar de Sinne’ vastgesteld. Op 21 februari 2018 is de wijzigingsverordening ‘Verordening Romte Fryslân 2014’ vastgesteld en op 28 maart 2018 in werking getreden.
 
De geconsolideerde versie van de Verordening is op 8 augustus 2018 vastgesteld. Deze laatste versie is opgesteld ter bevordering van de leesbaarheid van de Verordening en heeft geen juridische status. In de Verordening Romte zijn regels gesteld die er voor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen.
 
Op grond van artikel 1.2.1. kunnen nieuwe stedelijke functies in het landelijk gebied worden toegestaan, als er sprake is van hergebruik, verbouw of vervanging van vrijkomende gebouwen. Bij hergebruik kan, naast wonen en zorg in de voormalige bedrijfswoning en in aanwezige karakteristieke gebouwen, gedacht worden aan dagrecreatie, verblijfsrecreatie en functies op het gebied van natuur, en landschapsbeheer, cultuur, kunst, educatie, restaurants, logies of daarmee vergelijkbare horecavormen.
 
Passend hergebruik draagt bij aan het behoud van karakteristieke bebouwing en zorgt voor nieuwe sociale – en economische dragers in het landelijk gebied waarmee kapitaalvernietiging wordt voorkomen. Artikel 1.2.1 biedt ruimte voor een vervangende woonfunctie, waarbij de woonfunctie beperkt blijft tot het voormalige hoofdgebouw. Naast de woonfunctie zijn niet-industriële bedrijven in de milieucategorie 1, 2 en 3 als hergebruik toegestaan, mits deze ruimtelijk en functioneel passen in de omgeving.
 
Ook is de regeling over ruimtelijke kwaliteit van belang, die geldt voor alle plannen in het landelijk gebied. De regeling houdt kortweg in dat aangetoond moet worden dat het plan rekening houdt met de draagkracht van het landschap en het plan invulling geeft aan de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten.
 
Het toekomstige gebruik van de bebouwing op het perceel heeft geen negatieve gevolgen voor de ruimtelijke, landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten van het perceel en de directe omgeving. Met de woonfunctie in de voormalige bedrijfswoning van de boerderij en de nieuwe functies in de overige bebouwing krijgt het voormalige agrarische perceel een passende functie die geen belemmeringen voor de omliggende percelen en zorgt voor het behoud van bestaande bebouwing. De openheid rondom het perceel blijft ongewijzigd. De karakteristieke boerderij op het perceel Straatweg 1 wordt waar nodig gerenoveerd met respect voor de karakteristieke waarden van de boerderij.
  
3.2.3 Grutsk op 'e Romte
De structuurvisie 2014 ‘Grutsk op ‘e Romte’ bevat de visie op de ruimtelijke kwaliteit in Fryslân. Met deze visie is specifiek in beeld gebracht welke landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, structuren en elementen van provinciaal belang zijn, om daarmee doorwerking van deze belangen te realiseren.
 
Het doel hiervan is behouden en verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van informeren, adviseren en inspireren. Op deze wijze verwacht de provincie Fryslân de doorwerking van de provinciale belangen in ruimtelijke plannen van gemeenten, rijk en provincie binnen Fryslân te borgen.
 
Fig. 8: uitsnede van de ‘grutsk op e romtekaart (bron: prov. Fryslân)
Het plangebied maakt deel uit van het ‘Laagveengebied’. Het Laagveengebied van het Lage Midden is een laag gelegen kom bestaande uit een aan keileem en zand grenzend westelijk deel en een aan zand grenzend oostelijk deel. Het westelijk deel kenmerkt zich door enkele meren en kronkelende waterverbindingen die meer verband hebben met het veengebied dan met het Merengebied. Voor het Laagveengebied gelden de volgende provinciale belangen:
 
1. Enkele veenpolders waarbij de samenhang tussen ontginning, ontwatering, verkaveling, polderdijken, vaarten, en bebouwingspatroon nog goed zichtbaar is;
2. De grootschalige openheid van het Tsjûkemar en enkele veenweidegebieden;
3. De benedenlopen van de beekdalen, Lende, Tjonger, Alddjip (de Boarn), de Ieën, onderdeel van het grotere systeem van beken en beekdalen;
4. De lineaire bebouwing in samenhang met een sterke gerichtheid van de verkaveling (regelmatig opstrekkend);
5. De Romeinse en vroeg middeleeuwse ontginningen tegen het klei-op-veengebied aan, die basis zijn geweest voorde daarop volgende ontginningen;
6. Het totale watersysteem van beeklopen, meren, vaarten, ringsloten en ringvaarten;
7. Het systeem van zeedijken en voormalige zeedijken, waarvan de IJsselmeerdijk/voormalige Zuiderzeedijk als bijzonder wordt beschouwd in dit dijkensysteem;
8. Dorpen met een sterke relatie met vaarten en meeroevers.
 
Het plangebied ligt in de grootschalige openheid van het Tsjûkemar en enkele veenweide gebieden. De meeste laaggelegen veenweidegebieden in Fryslân krijgen in de toekomst te maken met functieverandering of aanpassing als gevolg van de sterke inklinking. De inrichting van dergelijke polders zal naar verwachting sterk veranderen. Daarom is het wenselijk dat enkele delen van het voorheen zeer open laagveengebied qua openheid behouden blijven in de oorspronkelijke opzet, met bijbehorend watererfgoed en bebouwing. Gedacht wordt daarbij aan de Haskerveenpolder en het Tsjûkemar en omgeving. Voor het Tsjûkemar in het bijzonder geldt daarbij het open houden van de meeroevers, dus geen verdichtingen in de vorm van nieuwe bebouwing en bos. Qua beplanting, indien nodig, kiezen voor natuurlijke rietvegetatie langs de oevers en op eilandjes, dus geen bos.
 
Conclusie
Onderhavig bestemmingsplan raakt geen provinciale belangen wat betreft de ruimtelijke kwaliteit. Het plan maakt ander gebruik mogelijk van de bestaande bebouwing. Er wordt geen ingrepen gedaan in de acht waarden/belangen die gelden voor het ‘Laagveengebied’. Het plan past binnen het provinciaal beleid. Er zijn geen provinciale belangen in het geding.
 
3.3 Gemeentelijk beleid
3.3.1 Ontwerp-Omgevingsvisie De Fryske Marren
Fig. 9: uitsnede van de waardenkaart van de ontwerp-omgevingsvisie De Fryske Marren omgeving plangebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
 
De Omgevingsvisie is een overkoepelende visie op de toekomst van de gemeente en geeft in hoofdlijnen aan hoe de gemeenteraad in samenspraak met de Mienskip de toekomst van de gemeente ziet. Daarbij gaat het om de fysieke leefomgeving, nu en in de toekomst en in een gezond en plezierig leefklimaat.
 
Op de waardenkaart van de Omgevingsvisie zijn belangrijke waarden die voor de hele De Fryske Marren gelden weergegeven. Daarnaast zijn op de waardenkaart ook specifieke gebieden onderscheiden. Het plangebied ligt in het kernwaarde veenweidegebied (figuur 9).
Het veenweidegebied is bij uitstek een open gebied met grote water- en weidevlaktes. In de noordoosthoek van de gemeente iets kleinschaliger van opzet met kleinere poelen en meren nauw verweven met de daar gelegen kernen. Meer centraal stoere waterlandschappen waarbij kernen op verschillende manier met het water zijn verbonden en vrij in de weilanden liggen. Een gebied met veel veeteelt en (water)recreatie, lokale natuurwaarden in de vorm van aan water en oevers verbonden natuur en weidevogels.
 
Fig. 10: De veenweidegebieden zoals aangegeven in de ontwerp-omgevingsvisie (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
 
De te versterken waarden van het veenweidegebied zijn:
- De waterrijkdom en beleefbaarheid van het water in het gebied;
- De openbare plekken aan het water en/of zichtlijnen naar het water;
- Het contrast tussen uitgestrekte onbebouwde ruimte en bebouwde ruimte in de vorm van erven en kernen;
- De aandacht van natuurwaarden van oevers van meren, vaarten en sloten, bermen en graslanden.
 
Onderhavig bestemmingsplan heeft geen negatieve gevolgen voor de kernwaarden van het veenweidegebied.
3.3.2 Bestemmingsplan Buitengebied 2010
Fig. 11: vigerende bestemming van het percel o.g.v. Buitengebied 2010 (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
 
Op 27 juni 2011 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010’ vastgesteld. Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan ligt binnen het plangebied van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010’ en is in figuur 11 met een rode ster zijn aangeduid.
 
Op grond van de geldende planologische regeling rust op het perceel Straatweg 1 de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’. De stelpboerderij op het perceel heeft daarnaast de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’ en de bouwaanduiding ‘karakteristiek’. Op de verbeelding is een koppeling aangebracht tussen de percelen Straatweg 1 en Straatweg 1A omdat beide percelen onderdeel waren van het voormalig agrarisch bedrijf. De woning op het perceel Straatweg 1A is gebouwd als tweede bedrijfswoning. Op 1 december 2016 is een omgevingsvergunning verleend voor een plattelandswoning omdat de woning geen onderdeel is meer van het agrarisch bedrijf.
 
Onderhavig bestemmingsplan regelt het wijzigen van de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ naar een bestemming ‘Wonen – voormalig boerderij’, het wijzigen van de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ naar een bestemming ‘Agrarisch’. Ook wordt de bestemming ‘Agrarisch’, van het perceel Straatweg 1A, waarvoor een
omgevingsvergunning voor de plattelandswoning is verleend, gewijzigd naar een bestemming ‘Wonen’.
 
Met het toekennen van een woonbestemming aan het perceel Straatweg 1 krijgt de karakteristieke boerderij een nieuwe functie en blijft zo behouden. Het huidige gebruik van de woning op het perceel Straatweg 1A blijft hetzelfde.
Het achterste deel van het voormalig agrarische bedrijfsperceel wordt overeenkomstig het huidige gebruik bestemd. Dit deel van het perceel krijgt in het onderhavige bestemmingsplan de bestemming ‘Agrarisch’ en is ingericht als productiegebied.
 
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten
Voor het plangebied en omgeving kunnen (wettelijke) belemmeringen en/of voorwaarden een rol spelen. Het uitgangspunt voor het bestemmingsplan is dat er een goede omgevingssituatie ontstaat. In de volgende paragrafen zijn de randvoorwaarden die voortvloeien uit de milieu- en omgevingsaspecten beschreven.
4.1 Milieuzonering
Milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen op een verantwoorde afstand van elkaar worden gesitueerd. Op deze wijze wordt gevaar en hinder voor de milieugevoelige functies voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperkt en omgekeerd wordt voldoende zekerheid aan milieubelastende activiteiten geboden dat deze activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden uitgeoefend kunnen worden.
 
Ten behoeve van de milieuzonering rond bedrijfsmatige activiteiten heeft de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) de handreiking “Bedrijven en milieuzonering” opgesteld (verder genoemd de VNG-handreiking). Deze VNG-handreiking is opgesteld uitgaande van de standaardbedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
 
De lijst is onderverdeeld in bedrijfsklassen en bedrijfstypen. Afhankelijk van de mate waarin de in deze lijst opgenomen bedrijven en voorzieningen milieuhinder (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie) kunnen veroorzaken, kent de lijst aan de bedrijven en voorzieningen een milieucategorie toe. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de milieu-indeling op van 1 t/m 6, met bijbehorende richtafstanden tot een “rustige woonwijk” of een “gemengd gebied”.
 
Het plangebied van het bestemmingsplan ‘Follega, Straatweg 1’ ligt buiten de bebouwde kom in het landelijk gebied ten noordoosten van Lemmer. Tegenover het perceel Straatweg 1 liggen meerdere woonpercelen en op korte afstand ligt een grote karper vijver. In westelijke richting ligt een agrarisch bedrijf op circa 120m afstand. De minimale afstand tot een agrarisch bedrijf in het buitengebied moet op grond van de Wet geurhinder en veehouderij minimaal 50m bedragen.
 
Verordening geurhinder en veehouderij De Fryske Marren 2016
Op 1 maart 2017 heeft de gemeenteraad van De Fryske Marren de ‘Verordening geurhinder en veehouderij De Fryske Marren 2016’ vastgesteld. Op grond van de Regeling geurhinder en veehouderij zijn bij veehouderijen met dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn opgenomen zijn afstandsnormen van toepassing. In die gevallen gelden afstandsnormen waarbij de afstand tussen het dichtstbijzijnde emissiepunt van een dierverblijf van de veehouderij en het geurgevoelig object:
• ten minste 100 meter dient te zijn als het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom ligt, en
• ten minste 50 meter dient te zijn als het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom ligt.
 
Daarbij is het van belang om op te merken dat deze afstandsnormen, indien een veehouderij wil uitbreiden, op grond van de Wgv zowel gelden voor de bestaande (legale) als de nieuw te bouwen dierenverblijven (stallen/stalgedeelten). Op grond van de Verordening geurhinder en veehouderij mag de afstandsnorm gehalveerd worden, mits er geen sprake is van nieuwbouw binnen de zone van 100 meter binnen de bebouwde kom en binnen de zone van 50 meter buiten de bebouwde kom.
 
Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom waarvoor een afstandsnorm van 50 meter geldt. De voormalige tweede bedrijfswoning op het perceel Straatweg 1A ligt op kortere afstand tot het nabij gelegen agrarisch bedrijf en is daarom bepalend. De afstand van de voormalige tweede bedrijfswoning tot het veehouderijbedrijf is met 95m echter ook ruim voldoende en geeft ook geen beperkingen. Een afwijking op grond van de Verordening geurhinder en veehouderij is daarom niet van noodzakelijk.
 
Onderhavig bestemmingsplan is gericht op het wijzigen van zowel de bedrijfswoning binnen de bestemming ‘Agrarisch – agrarisch bedrijf’ op het perceel Straatweg 1 als Straatweg 1A naar een bestemming ‘Wonen’. De afstand tot het agrarisch bedrijf kan op grond van onderhavig bestemmingsplan niet verkleind worden en geeft daarmee geen beperking voor de agrarisch bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf op het perceel Straatweg 29 in Eesterga. Daarnaast wordt een deel van het bestemmingsvlak met de bestemming ‘Agrarisch – agrarisch bedrijf’ gewijzigd in de bestemming ‘Agrarisch’. Deze wijziging is gericht op het feitelijk gebruik en heeft geen nadelige gevolgen of beperkingen voor de omliggende percelen.
 
Het perceel Straatweg 1 is een zgn. vrijgekomen agrarisch perceel. Het agrarisch bedrijf dat op deze locatie was gevestigd is verhuisd naar een andere locatie. Ten aanzien van milieuwetgeving is er sprake van een gewijzigde situatie. In het kader van deze wijziging is een via de Activiteitenbesluit Internet Module (Aim) een melding ingediend, waarin de toekomstige situatie is aangeduid. Uit deze melding bleek dat er sprake is van een A-inrichting. Een inrichting type A is een bedrijf waar bepaalde milieubelastende activiteiten niet gebeuren. Voor dit type bedrijf is geen melding of vergunning nodig.
 
Onderhavig bestemmingsplan heeft geen verslechtering van de huidige milieusituatie tot gevolg, waardoor er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
 
Onderhavig bestemmingsplan zorgt niet voor hinder op de omgeving, aangezien de woonfunctie en de opslag niet leidt tot hinder.
 
4.2 Geluid
In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke (spoor)weg in principe een zone heeft waar aandacht aan geluidhinder moet worden besteed. Daarbij onderscheidt de Wgh geluidsgevoelige gebouwen/functies enerzijds en niet geluidsgevoelige gebouwen anderzijds. (Bedrijfs)woningen zijn geluidsgevoelige gebouwen. Als geluidsgevoelige gebouwen binnen een zone behorend bij een zone-plichtige (spoor)weg worden geprojecteerd bij een bestemmingsplanprocedure, dient door middel van een akoestisch onderzoek te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48dB (voor wegen) of 55dB (voor spoorwegen). Wegen waar deze zone niet geldt, zijn:
• Wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied;
• Wegen waarvoor een maximumsnelheid geldt van 30km/uur.
 
Onderhavig bestemmingsplan is in hoofdzaak gericht op het wijzigen van de bestemming van een voormalig agrarisch bedrijf. Het plangebied omvat drie afzonderlijke percelen. Twee van deze percelen hebben door het beëindigen van de agrarisch bedrijfsactiviteiten op het perceel Straatweg 1, een andere woonbestemming gekregen.
 
Op het perceel Straatweg 1 is in de kop-romp-boerderij de voormalige agrarische bedrijfswoning gevestigd, op het aangrenzende perceel Straatweg 1A staat de voormalige tweede bedrijfswoning van het agrarisch bedrijf. Deze voormalige agrarische bedrijfswoningen krijgen op grond van onderhavig bestemmingsplan een bestemming ‘Wonen’ en worden gebruikt als burgerwoning. Op het perceel Straatweg 1 vinden naast wonen enkele nevenactiviteiten plaats die ondergeschikt zijn aan de woonfunctie.
 
Onderhavig bestemmingsplan maakt geen nieuwe woningen binnen de zone van de Straatweg mogelijk en in de regels is een bepaling opgenomen dat de afstand tot de Straatweg niet verkleind mag worden. Ook is er geen sprake van een reconstructie van de weg of een saneringssituatie, maar een bestaande situatie waardoor geen toetsing aan de Wet geluidhinder niet van toepassing is en een akoestisch onderzoek om die reden niet nodig is.
 
Het wijzigen van de bestemming ‘Agrarisch – agrarisch bedrijf’ naar een bestemming ‘Agrarisch’ ten behoeve van het gebruik van de gronden als productiegebied heeft geen gevolgen met betrekking tot het aspect geluid.
 
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
 
4.3 Ecologie
Normstelling en beleid
Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden van het plangebied. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming.
 
Bij gebiedsbescherming zijn de Wet natuurbescherming en provinciale verordeningen van toepassing. Via provinciale verordeningen beschermen provincies de waardevolle natuurgebieden in Nederland zoals het Natuurnetwerk Nederland, weidevogel- en ganzenfoerageergebieden.
 
Daarnaast kunnen natuurgebieden of andere gebieden die essentieel zijn voor het behoud van bepaalde flora en fauna, aangewezen worden als Europees vogelrichtlijn- en/of habitatrichtlijngebied (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Ook de bescherming van individuele plant- en diersoorten is geregeld in deze wet.
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet in de EHS. Het dichtstbij gelegen Ecologische Hoofdstructuur overige natuurgebied ‘Groote Brekken’ ligt op een afstand van 1,65km. Het dichtstbij gelegen Natura 2000 – gebied is het IJsselmeer en ligt op een afstand van 4,8km. In figuur 12 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de EHS aangegeven. Schuin tegenover het plangebied ligt een Beheergebied en natuur buiten de EHS
 
Fig. 12: Ligging plangebied ten opzichte van EHS en/of Natura 2000-gebieden (bron: Provincie Fryslân)
 
Onderhavig bestemmingsplan betreft het omvormen van een voormalig agrarische percelen naar een bestemming wonen, met ondergeschikte activiteiten. Op grond van het onderhavige bestemmingsplan mag de bestaande ligboxenstal en jongveestal op het perceel Straatweg 1 worden gebruikt voor de opslag van caravans en/of landbouwwerktuigen. Een deel van de ligboxenstal wordt ingericht als boerderijkraam. Gezien de aard van de voorgenomen plannen mag worden aangenomen dat er geen negatieve effecten zullen ontstaan op de beschermde (natuur)gebieden.
 
Soortenbescherming
Op grond van de Flora- en faunawet geldt een algemeen verbod voor het verstoren en vernietigen van beschermde plantensoorten, beschermde diersoorten en hun vaste rust- of verblijfplaatsen. Onder voorwaarden is ontheffing van deze verbodsbepalingen mogelijk. Voor soorten die vermeld staan in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn en een aantal Rode-Lijst-soorten zijn deze voorwaarden zeer streng.
 
Gelet op het feit dat onderhavig bestemmingsplan is gericht op het gebruik van de bestaande bebouwing en is er geen sprake van sloopwerkzaamheden nodig. Tijdens een visuele inspectie van de bestaande gebouwen zijn geen beschermde diersoorten aangetroffen. De ligboxenstallen worden voor het grootste deel gebruikt voor het stallen van boten, caravans en landbouwmachines. Dit gebruik heeft geen negatieve effecten op de eventuele aanwezigheid van vogels of andere diersoorten. Het toekomstige gebruik is min of meer incidenteel omdat er geen sprake zal zijn van dagelijks gebruik en is daarom gunstiger dan het oorspronkelijke gebruik voor de huisvesting van (jong)vee. Ten behoeve van het toekomstige gebruik wordt de bestaande beplanting niet verwijderd. Door achterstallig onderhoud was er sprake van veel dood hout. Tijdens recent onderhoud is de bestaande beplanting gesnoeid en zijn de dode bomen verwijderd. Ten behoeve van het toekomstige gebruik worden op meerdere plaatsen op het erf fruitbomen en andere vruchtdragende soorten aangeplant. Bij onderhoudswerkzaamheden van de beplanting wordt rekening gehouden met het broedseizoen. Door de aanplant van nieuwe beplanting en struiken heeft onderhavig plan een positief effect op de natuur.
 
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
  
4.4 Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie
 
Normstelling en beleid
Op Europese schaal heeft Nederland zich verbonden aan het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’. Dit is gericht op het behouden van archeologische waarden in de bodem. Uitgangspunt hierbij is onder andere het uitvoeren van een onderzoek naar archeologische waarden in het plangebied voor het vaststellen van een bestemmingsplan. Ook het zogenoemde veroorzakerprincipe is een uitgangspunt van het Verdrag van Malta. Dit betekent dat diegene die mogelijke archeologische waarden in de bodem verstoord, financieel verantwoordelijk is voor voldoende onderzoek naar en het behoud van die archeologische waarden.
 
Op Nederlandse schaal is de belangrijkste wettelijke basis voor het behoud van erfgoed per 1 juli 2016 de Erfgoedwet. De kern van deze wet is dat, wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden de archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex-situ).
 
Op provinciale schaal heeft de provincie Fryslân het initiatief genomen om het bodemarchief in kaart te brengen op de zogenaamde Friese Archeologische Monumenten Kaart Extra (FAMKE). De FAMKE is in de eerste plaats gebaseerd op twee bestaande landelijke kaarten: de Archeologische Monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). Daarnaast houdt de FAMKE rekening met de kans dat de mogelijk aanwezige archeologische resten verstoord zijn. Aan de andere kant houdt de FAMKE ook rekening met de omvang van de bodemingreep. Dit alles bij elkaar is vertaald in provincie dekkende kaarten welke aangeven hoe het beste met het bodemarchief kan worden omgegaan.
 
De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten gekoppeld aan twee periodes, de periode IJzertijd – middeleeuwen en de periode steentijd – bronstijd, waarvoor afzonderlijke adviezen worden gegeven.
Toetsing en uitgangspunten voor het bestemmingsplan
 
In figuur 13 is het plangebied aangegeven. Voor het plangebied geldt op basis van de FAMKE-kaart voor de periode ‘ijzertijd-middeleeuwen’ het advies: ‘karterend onderzoek 3 (ijzertijd-middeleeuwen)’.
 
Fig. 13: uitsnede van het plangebied op basis van de Famke-kaart advies ijzertijd-middeleeuwen (bron: FAMKE)
 
In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd - middeleeuwen. Het gaat hier dan met name om vroeg en vol-middeleeuwse veenontginningen. Daarbij bestaat de kans dat er zich huisterpjes uit deze tijd in het plangebied bevinden. Ook de wat oudere boerderijen kunnen archeologische sporen of resten afdekken, hoewel de veengronden eromheen al afgegraven zijn.
 
De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer 5000m² een historisch en karterend onderzoek te verrichten, waarbij speciale aandacht moet worden besteed aan eventuele Romeinse sporen en/of vroegmiddeleeuwse ontginningen. Mochten er, als gevolg van het karterend archeologisch onderzoek, een of meerdere vindplaatsen worden aangetroffen, dan zal uit nader (waarderend) onderzoek moeten blijken hoe waardevol deze vindplaatsen zijn. De aard van dit waarderend (vervolg)onderzoek hangt af van het type aangetroffen vindplaats, en de strategie van onderzoek dient te worden bepaald door het desbetreffende onderzoeksbureau. Indien de vindplaats een nieuw aangetroffen terp betreft, geldt het advies: ‘waarderend onderzoek op terpen'.
De resultaten van het karterend onderzoek kunnen ook uitwijzen dat de voorgenomen ingreep niet bezwaarlijk is, of met welke randvoorwaarden in het plan rekening dient te worden gehouden. Mocht het plangebied een bebouwde kom betreffen, dan dient in de onderzoeksstrategie rekening te worden gehouden met recente verstoringen die zich kunnen hebben voorgedaan.
 
In figuur 14 is het plangebied aangegeven. Voor het plangebied geldt op basis van de FAMKE-kaart voor de periode steentijd - bronstijd het volgende advies: ‘karterend onderzoek 3 (steentijd-bronstijd).
 
In deze gebieden kunnen zich op enige diepte archeologische lagen bevinden uit de steentijd, die zijn afgedekt door een veen- of kleidek. Mochten zich hier archeologisch resten bevinden, dan zijn deze waarschijnlijk goed van kwaliteit. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 5000m² een karterend (boor)onderzoek uit te laten voeren, waarbij minimaal drie boringen per hectare worden gezet, met een minimum van drie boringen voor gebieden kleiner dan een hectare. De resultaten van een dergelijk karterend booronderzoek kunnen inzicht geven aanwezigheid en diepte van een eventueel aanwezige podzolbodem, waarin zich archeologisch resten kunnen bevinden. Het booronderzoek dient zich vooral te richten op de aanwezigheid van podzol, de diepte en het reliëf van de zandlagen in de bodem. Bij aanwezigheid van een podzolbodem, bevelen wij aan het boorgrid te verdichten tot zes boringen per hectare (zie advies ‘karterend onderzoek 2'). De resultaten kunnen ook uitwijzen dat de voorgenomen ingreep niet bezwaarlijk is, of met welke randvoorwaarden in het plan rekening dient te worden gehouden.
 
Fig. 14: uitsnede van het plangebied op basis van de Famke-kaart advies steentijd-bronstijd (bron: FAMKE)
 
Onderhavig bestemmingsplan is opgesteld om de bestemming van de beide percelen te wijzigen overeenkomstig het gebruik na het beëindigen van de agrarische bedrijfsactiviteiten binnen de bestaande bebouwing. Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan zijn geen bodemingrepen nodig, eventuele archeologische waarden die in de grond zitten blijven daardoor onaangeroerd.
 
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
Cultuurhistorie
 
Normstelling en beleid
Sinds januari 2012 hebben gemeenten op grond van het Besluit ruimtelijke ordening
(Bro) de opdracht om bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening te houden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is gaat het dus ook gelden voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. Dit betekent dat naast archeologie, ook een beschrijving moet worden gegeven van de historische (steden)bouwkunde en historische geografie. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving.
 
Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening moet in bestemmingsplannen aandacht worden besteed aan cultuurhistorie. Cultuurhistorisch waardevolle elementen moeten in het bestemmingsplan worden beschermd.
 
Fig. 15: uitsnede van het plangebied op basis van de Cultuurhistorische kaart (bron: provincie Fryslân)
  
Toetsing en uitgangspunten voor het bestemmingsplan
In het plangebied liggen geen cultuurhistorische waardevolle elementen. Op grond van geomorfologie geldt voor het plangebied het type ‘ontgonnen veenvlakte’. Qua verkaveling geldt voor het plangebied het type verkaveling: ‘opstrekkende verkaveling, grootschalige regelmaat’. Een verkaveling wordt opstrekkend genoemd als de lengterichting dominant is in de percelering en bovendien sprake is van een grote lengte-breedte verhouding. Dit type verkaveling is aanwezig in de Wouden en in het ‘Lage Midden’ met het merengebied. Het wijzigen van het gebruik van de opstallen binnen het plangebied heeft geen invloed op de cultuurhistorische waarden. De voor het plangebied geldende cultuurhistorische aspecten Verkaveling en Geomorfologie zijn in figuur 15 weergegeven. De overige cultuurhistorische aspecten die op het plangebied van toepassing zijn, zijn weergegeven in figuur 16.
 
 
Fig. 16: uitsnede van het plangebied op basis van de Cultuurhistorische kaart (bron: provincie Fryslân)
De percelen Straatweg 1 en 1A zijn op de cultuurhistorische kaart aangeduid als boerderijplaats. Boerderijplaatsen verschaffen ons, omdat zij de kern vormden van de toenmalige agrarische samenleving, kennis over de bewoningsgeschiedenis en over de ontwikkeling van het cultuurlandschap op lokaal, regionaal en provinciaal niveau. Boerderijplaatsen zijn zeer kenmerkend voor het landschapsbeeld van de provincie.
 
Fig. 17: weergave van de karakteristieke boerderij (bron: CHK prov. Fryslân)
De boerderij is op grond van de Cultuurhistorische kaart aangeduid als karakteristiek bouwwerk. Cultuurhistorische waarden vormen volgens de provincie geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen, maar kunnen juist als inspiratiebron dienen om de kwaliteit van ruimtelijke ontwikkelingen te versterken. Onderhavig bestemmingsplan is opgesteld om het gebruik van de karakteristieke boerderij te wijzigen. Door het toestaan van de woonfunctie met ondergeschikte nevenactiviteiten is het behoud van de karakteristieke boerderij gewaarborgd. Bij de noodzakelijk verbouwingen wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de karakteristieke waarden van de boerderij.
 
Fig. 18: uitsnede van het plangebied op basis van de Schotanus atlas uit 1718 (bron: tresoar)
Uit de Schotanus-atlas blijkt dat de percelen Straatweg 1 en 1A in 1718 onderdeel uitmaakten van de lintbebouwing langs het Besloten voet- en paardepad naar Doniawerstal.
 
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
  
4.5 Water
Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel van de watertoets is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect.
Waterwet en nationaal waterplan
De Waterwet, die per 22 december 2009 van kracht is geworden, heeft gezorgd voor een ingrijpende bundeling van waterwetgeving. Daarnaast heeft het Nationaal Waterplan (NWP), waarvan de eerste versie tegelijk met de Waterwet is verschenen, een formele rol in de ruimtelijke ordening. Het NWP bevat de hoofddoelstelling voor waterbeheer in Nederland en is de vervanger van de Vierde Nota Waterhuishouding en alle voorgaande nota’s hieromtrent. Het NWP is tevens een structuurvisie op basis van de Waterwet en de Wet ruimtelijke ordening en is opgesteld voor de planperiode 2009 – 2015. Het NWP gaat uit van integraal waterbeheer en van een watersysteembenadering. Het hoofdthema is: ‘Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst’.
 
Het NWP beoogt te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het beleid richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en andere vormen van gebruik van water. In het NWP is beleid opgenomen voor het IJsselmeergebied, de Noordzee en de stroomgebiedbeheerplannen op grond van de Europese Kaderrichtlijn Water. Daarnaast bevat het NWP, naar aanleiding van het advies van de Deltacommissie in 2008, beleid over maatregelen die genomen moeten worden vanwege de verwachte klimaatsveranderingen.
 
Met de inwerkingtreding van de Waterwet is tevens de Watervergunning van kracht geworden. Watervergunning (en/of Keurontheffing) van Wetterskip Fryslân als waterbeheerder is nodig voor werkzaamheden in, onder, langs, op, bij of aan open water, waterkeringen en wegen in het beheer van het waterschap, het onttrekken van grondwater en het lozen op het oppervlaktewater.
 
Provinciaal waterbeleid
In het Vierde Waterhuishoudingsplan (WHP 4) van de Provinsje Fryslân staat vermeld hoe de provincie vorm wil geven aan het waterbeheer in de periode 2016-
2021. In het Waterbeheerplan 2016 - 2021 ‘En wat doen me morgen met water?’ (WBP) van Wetterskip Fryslân staat vermeld hoe het waterschap vorm wil geven aan het waterbeheer in de periode 2016 – 2021. In het WHP 4 staan doelen die de Provinsje Fryslân in de planperiode wil bereiken. Het plan geeft kaders voor het waterbeheer, dat door het waterschap, gemeenten en andere partijen wordt uitgevoerd. In het WBP staan de maatregelen die Wetterskip Fryslân neemt om het watersysteem op orde te houden en te verbeteren.
De drie thema’s waterveiligheid, voldoende water en schoon water vormen de basis voor het waterbeheer in Fryslân.
 
Een belangrijke ontwikkeling in het waterbeleid is de Watertoets. Het doel van de Watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen meer expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten.
 
Op 3 maart 2019 is de digitale watertoets doorlopen voor onderhavig bestemmingsplan. Gelet op het feit dat onderhavig bestemmingsplan uitsluitend is gericht op het wijzigen van de bestemming van de bestaande bebouwing en er geen sprake is van een toename van het verhard oppervlak, is de uitkomst van de watertoets: ‘geen waterschapsbelang’. Daarmee is de procedure van de watertoets afgerond.
 
Het aspect water vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan
  
4.6 Bodem
Normstelling en beleid
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Om er bij ruimtelijke ontwikkelingen voldoende zeker van te zijn dat er geen sprake is van bodemverontreiniging, is het in het kader van het tracé van een omgevingsvergunning voor het bouwen noodzakelijk dat er een vooronderzoek uitgevoerd wordt, conform de NEN 5725. Als uit de resultaten van het vooronderzoek geen zaken naar voren komen die een verdenking van bodemverontreiniging veroorzaken, kan worden volstaan met een dergelijk vooronderzoek.
Als er wel verdenkingen van bodemverontreiniging zijn, dan dient een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 te worden uitgevoerd. Dergelijk onderzoek dient voorafgaand aan bouw- en graafwerkzaamheden plaats te vinden. Het uitvoeren van het vooronderzoek, en indien noodzakelijk een verkennend bodemonderzoek, is een voorwaarde waaraan voldaan moet worden voordat een omgevingsvergunning voor het bouwen in werking kan treden.
 
In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming van toepassing, waarin is geregeld dat als ter plaatse van een plangebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen er sprake is van een saneringsgeval.
 
Fig. 19: plangebied weergegeven op de bodemkaart (bron: www.bodemloket.nl)
 
Voor het wijzigen van het gebruik van de bestaande bebouwing binnen het plangebied zijn geen bodemingrepen nodig. Ten behoeve van de bouw van de tweede agrarische bedrijfswoning is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd en is de bodem voldoende onderzocht. Daarnaast heeft de huidige bodemgesteldheid geen belemmeringen voor het toekomstig gebruik. In figuur 19 is te zien dat in het verleden een kavelsloot is gedempt. Deze locatie ligt buiten het plangebied, nader onderzoek op deze locatie is niet nodig.
 
Vanuit het aspect bodem gelden er geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.
    
4.7 Luchtkwaliteit
Normstelling en beleid
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing).
Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit aangepakt moeten worden. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden)voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de Minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die ‘niet in betekenende mate’ (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de
grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm.
In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 Vg/m3 NO2 of PM10) als ‘niet in betekenende mate’ wordt beschouwd.
 
Toetsing en uitgangspunten voor het bestemmingsplan
Onderhavig bestemmingsplan maakt ander gebruik van de bestaande bebouwing mogelijk. Daarnaast vinden op het perceel Straatweg 1 ondergeschikte nevenactiviteiten plaats, zoals stalling van boten/caravans en landbouwwerktuigen. Daarnaast is op het perceel de boerderijkraam gevestigd waar klanten hun verse groenten en fruit kunnen kopen. Deze nevenactiviteiten hebben geen (grote) gevolgen voor – of grote toename van het aantal verkeersbewegingen waardoor er geen sprake is van een verslechtering van de luchtkwaliteit.
 
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
  
4.8 Externe veiligheid
Normstelling en beleid
Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door:
• het gebruik, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen);
• het transport van gevaarlijke stoffen (wegen, buisleidingen, waterwegen en spoorwegen);
• het gebruik van luchthavens.
 
Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beperken van de risico’s voor de burger door bovengenoemde activiteiten. Het externe veiligheidsbeleid is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet.
Risicobronnen kunnen worden opgesplitst in:
• Inrichtingen waar risico volle activiteiten plaatsvinden;
• Transportroutes van gevaarlijke stoffen;
• Buisleidingen.
 
Toetsing en uitgangspunten voor het bestemmingsplan
In de omgeving van het plangebied liggen geen risicovolle inrichtingen. Op een afstand van 750m ligt een hoofdgasleidingen. Deze vormt geen gevaar voor de woonpercelen aan de Straatweg.
 
Fig. 20: Uitsnede van de risicokaart van het plangebied. (Bron: risicokaart)
 
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
 
4.9 Kabels en leidingen
Normstelling en beleid
In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden.
Toetsing en uitgangspunten voor het bestemmingsplan
In het plangebied liggen geen kabels en leidingen die een belemmering vormen voor het plangebied of die een planologische bescherming vereisen.
 
Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
 
4.10 Verkeer
De toekomstige verkeerssituatie is bij nieuwe ontwikkelingen een belangrijk aandachtspunt. Het gebruik van het perceel ten behoeve van de stallen van caravans, boten en landbouwvoertuigen en de klanten van de boerderijkraam heeft geen of weinig invloed op het autoverkeer op de Straatweg. Het aantal verkeersbewegingen op- en naar het perceel zal iets toenemen als gevolg van het gewijzigde gebruik, maar dit leidt niet tot een gevaarlijke verkeerssituaties. De Straatweg is een erfontsluitingsweg met in- en uitvoegende verkeersbewegingen naar de aan de weg gelegen percelen. Het komend- en gaand verkeer zal zich zonder problemen mengen in het doorgaande verkeer op de Straatweg. Op het perceel is voldoende parkeergelegenheid voor de bezoekers van de boerderijkraam, zodat er niet op de Straatweg geparkeerd moet worden. In onderstaande schets is de toekomstige situatie weergegeven.
 
Fig. 21: toekomstige erfsituatie met parkeerruimte en rijrichtingen aangegeven (bron: v.o.f. Janse)
 
Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
 
Hoofdstuk 5 Juridische planopzet
5.1 Algemeen
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
 
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks‐ en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw‐ en gebruiksmogelijkheden.
  
5.2 Toelichting op de regels
In deze paragraaf is een toelichting op de juridische regels behorende bij het plan gegeven. De regels zijn afgestemd op het bestemmingsplan Buitengebied 2010. Binnen het plangebied komen drie hoofdbestemmingen voor, te weten ‘Agrarisch’, ‘Wonen – Voormalige boerderij’ en ‘Wonen’.
 
Agrarisch
Deze gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd, daarom ziet de uitoefening van een agrarisch bedrijf binnen deze bestemming op het bedrijfsmatig weiden van vee en/of het telen van gewassen. Er is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor het weiden van vee en/of het telen van gewassen door particulieren. In de praktijk zal het vooral om het weiden van paarden en pony's gaan. Het afwegingskader beoogt (onder meer) het landschappelijke karakter van de grond te beschermen. Deze afweging is niet zinloos. Zo mag gebruik van de afwijkingsmogelijkheid bijvoorbeeld niet leiden tot bebouwde volkstuincomplexen.
De gronden zijn tevens bestemd voor het behoud van de landschappelijke en natuurlijke waarden, tot uitdrukking komend in de openheid van het landschap of kleinere natuurelementen.
 
In het artikel is een omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden opgenomen.
 
Wonen
De als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen in woonhuizen. Per bestemmingsvlak mag niet meer dan 1 woonhuis worden gebouwd, tenzij anders op de kaart is aangegeven. Het woonhuis is het hoofdgebouw. De oppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m², tenzij op de kaart een andere oppervlakte is aangegeven, in welk geval die andere oppervlakte geldt en tenzij een grotere oppervlakte aanwezig is op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, in welk geval die oppervlakte als maximum geldt. Bij voormalige boerderijen mag het aangebouwde, voormalige bedrijfsgedeelte bij de woning worden betrokken. Hierbij is gedacht aan inpandige stallen bij traditionele boerderijen, niet aan loopstallen die toevallig zijn aangebouwd aan een modern woonhuis.
 
Er geldt een minimale breedte van het woonhuis, een minimale en maximale goothoogte, een maximale bouwhoogte, een minimale afstand tot de zijdelingse perceelgrens en een minimale en maximale dakhelling. Bepaald is dat als op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan een andere maatvoering aanwezig is, dat die dan als maximum respectievelijk minimum mag worden gehanteerd. Dat betekent dus dat als het woonhuis op dat tijdstip breder is dan 5 meter, het bij herbouw, weer opnieuw breder mag zijn dan 5 meter. En dat als het woonhuis een dakhelling had van minder dan 30º, de dakhelling bij herbouw ook minder mag zijn dan 30º. De bepaling over afwijkende maatvoering is dus van toepassing als een bestaande maat groter is dan het toegelaten maximum of kleiner is dan een toegelaten minimum.
 
Het plan maakt een duidelijk onderscheid tussen hoofdgebouwen enerzijds en bijgebouwen en aanbouwen en uitbouwen anderzijds. Voor aanbouwen/uitbouwen/bijgebouwen gelden aparte bouwregels. Ook hiervoor geldt dat als er op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een afwijkende maatvoering aanwezig is, dat die maatvoering als maximum/minimum mag worden gehanteerd. Een uitzondering geldt voor de oppervlakte: als er nu een bijgebouw van meer dan 200 m² is, dan mag het bijgebouw bij herbouw maximaal 200 m² zijn. Stel: er worden twee bijgebouwen gesloopt; 1 van 500 m² en 1 van 600 m². Er mag dan 2 x 200 m² worden herbouwd. Deze gebouwen hoeven niet op dezelfde plaats te worden herbouwd, maar de oppervlaktes mogen niet worden samengevoegd tot 1 gebouw van 400 m². In zoverre geldt een ontmoedigingsbeleid voor herbouw van grote bijgebouwen. Voor het samenvoegen van bijgebouwen tot een bijgebouw met een oppervlakte van meer dan 75 m² is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen, die overigens ook is begrensd op 200 m². Stel: er worden twee bijgebouwen gesloopt van elk 50 m². Dan mag je twee bijgebouwen herbouwen van 50 m², maar je mag ze ook samenvoegen tot één bijgebouw van 87,5 m². Ander voorbeeld: er wordt één bijgebouw gesloopt van 150 m² en één van 80 m². Ieder afzonderlijk mogen ze worden herbouwd. Na afwijking mogen ze worden samengevoegd tot één bijgebouw van 152,50 m², namelijk 75 m2 + (de helft van (230 - 75 m2) =) 77,5 m2 = 152,50 m2.
 
De plaats van een gebouw wordt bepaald door de volgende regels:
• Het beginsel van bebouwingsconcentratie. De gebouwen mogen niet verspreid over het bestemmingsvlak worden gebouwd, maar moeten enigszins bij elkaar worden gebouwd. Het oordeel van burgemeester en wethouders is bepalend bij de vraag of wordt voldaan aan het beginsel van bebouwingsconcentratie.
• De algemene bouwregels. Er moet een afstand in acht worden genomen tot de as van de weg (deze bepaling heeft een stedenbouwkundige achtergrond; zowel voor de beleving vanaf de weg als vanuit de woning is het prettig als
enige afstand tot de weg in acht wordt genomen; een grotere weg vraagt om een grotere afstand). Voorts mag alleen worden gebouwd met inachtneming van de Wet geluidhinder.
• De nadere eisen. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats van een gebouw, bijvoorbeeld ten behoeve van een samenhangend bebouwingsbeeld. Dat betekent dat als een bouwplan wordt ingediend, burgemeester en wethouders kunnen zeggen dat ze alleen bouwvergunning verlenen als een gebouw anders gesitueerd wordt. Zie ook hetgeen hiervoor onder de algemene toelichting is opgenomen.
• Voor bijgebouwen, aanbouwen, uitbouwen: de regel dat de afstand tot de naar de weg gekeerde gevels van het woonhuis en het verlengde daarvan niet meer dan 4 m mag bedragen.
 
Bed & brochje mag alleen worden gehouden in het hoofdgebouw. Het aantal kamers dat daarvoor mag worden aangewend is beperkt tot 3 en de oppervlakte per kamer mag niet meer dan 25 m² bedragen.
 
In de bestemmingsomschrijving zijn opgenomen aan-huis-verbonden-werkactiviteiten die hoofdzakelijk op locatie werken. Deze doeleinden veronderstellen de woonfunctie aanwezig. Hetzelfde geldt voor het hobbymatig houden van vee, dat kan worden afgezet tegen het beroepsmatig houden van vee. Dat betekent dat een hoeveelheid vee, die niet genoeg is voor een agrarische bestemming, hobbymatig mag worden gehouden. Hierop is uiteraard wel de milieuwetgeving van toepassing.
 
De grond is ook bestemd voor het behoud en de versterking van de landschappelijke waarden, tot uitdrukking komend in de instandhouding en aanleg van boomsingels en andere hoogopgaande beplanting. De kwaliteit van het landelijk gebied wordt in hoge mate bepaald door de aanwezigheid van houtopstanden rond gebouwen. Het is van belang dat de aanwezige houtsingels in stand blijven en worden verbeterd. Waar ze niet aanwezig zijn, mogen ze worden toegevoegd. Het is mogelijk dat een nadere eis wordt gesteld aan de plaats van een gebouw om ruimte te laten voor houtsingels.
 
Er is afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor een kleinschalig kampeerterrein. Het gemeentelijke beleid is gericht op de aanwezigheid van maximaal 15 kleinschalige kampeerterreinen.
 
Karakteristieke gebouwen zijn op de plankaart voorzien van een aanduiding. Voor de sloop van deze gebouwen is een aanlegvergunning nodig.
 
Wonen – voormalige boerderij
De bouw- en gebruiksmogelijkheden van het hoofdgebouw van voormalige boerderijen die als woning worden gebruikt, wijken af van een gewone woning. Ten gevolge van de bijdrage aan het landschap kennen woonboerderijen extrabouw-en gebruiksmogelijkheden. In de woonboerderij mag worden gewoond en er mogen bij recht een beroep aan huis of een bedrijf worden uitgeoefend. Bij afwijking is het mogelijk om andere bedrijfsmatige nevenactiviteiten uit te oefenen en om de oppervlakte voor deze bedrijvigheid te vergroten. Ook de regeling voor bijbehorende bouwwerken (bij afwijking) is ruimer dan voor gewone woningen.
 
De voormalige agrarische bedrijfsgebouwen (ligbox- en jongveestal) zullen worden gebruik voor het stallen van boten, caravans en/of landbouwwerktuigen. Deze gebouwen krijgen op de verbeelding de aanduiding ‘opslag’. De overige verharding op het perceel, waaronder de sleufsilo, krijgen geen specifieke functie maar kan worden gezien als erfverharding, die wellicht in de toekomst wordt opgeruimd. Aan de voorzijde van de ligboxenstal wordt de boerderijkraam gevestigd, ook deze wordt met de aanduiding ‘boerderijkraam’ aangegeven op de verbeelding.
 
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.
6.1 Grondexploitatie en economische uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan is geprojecteerd. Wat onder een bouwplan moet worden verstaan, is in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven. In dit geval is een exploitatieplan niet nodig, omdat het verhaal van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden anderszins verzekerd is.
De kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan en de gebruikelijke kosten voor de gemeente met betrekking tot het voeren van de planprocedure (leges) komen voor rekening van de initiatiefnemer. Tevens zal met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst worden gesloten. Daarmee is de economische uitvoerbaarheid voldoende verzekerd.
 
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Overleg met belanghebbenden
Het voorliggende plan is vooraf besproken met de directe buren. Aangezien vooraf overleg met de buren heeft plaatsgevonden, het huidige gebruik feitelijk niet wijzigt, is ervoor gekozen om het concept ontwerpbestemmingsplan voor te leggen aan de overlegpartners voordat het bestemmingsplan in ontwerp ter inzage wordt gelegd.
 
Ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan zal de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen bestemmingsplanprocedure doorlopen. Te zijner tijd worden de resultaten van de procedure ingevuld in deze paragraaf.