Archeologie
Normstelling en beleid
Op Europese schaal heeft Nederland zich verbonden aan het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’. Dit is gericht op het behouden van archeologische waarden in de bodem. Uitgangspunt hierbij is onder andere het uitvoeren van een onderzoek naar archeologische waarden in het plangebied voor het vaststellen van een bestemmingsplan. Ook het zogenoemde veroorzakerprincipe is een uitgangspunt van het Verdrag van Malta. Dit betekent dat diegene die mogelijke archeologische waarden in de bodem verstoord, financieel verantwoordelijk is voor voldoende onderzoek naar en het behoud van die archeologische waarden.
Op Nederlandse schaal is de belangrijkste wettelijke basis voor het behoud van erfgoed per 1 juli 2016 de Erfgoedwet. De kern van deze wet is dat, wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden de archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex-situ).
Op provinciale schaal heeft de provincie Fryslân het initiatief genomen om het bodemarchief in kaart te brengen op de zogenaamde Friese Archeologische Monumenten Kaart Extra (FAMKE). De FAMKE is in de eerste plaats gebaseerd op twee bestaande landelijke kaarten: de Archeologische Monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). Daarnaast houdt de FAMKE rekening met de kans dat de mogelijk aanwezige archeologische resten verstoord zijn. Aan de andere kant houdt de FAMKE ook rekening met de omvang van de bodemingreep. Dit alles bij elkaar is vertaald in provincie dekkende kaarten welke aangeven hoe het beste met het bodemarchief kan worden omgegaan.
De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten gekoppeld aan twee periodes, de periode IJzertijd – middeleeuwen en de periode steentijd – bronstijd, waarvoor afzonderlijke adviezen worden gegeven.
Toetsing en uitgangspunten voor het bestemmingsplan
In figuur 13 is het plangebied aangegeven. Voor het plangebied geldt op basis van de FAMKE-kaart voor de periode ‘ijzertijd-middeleeuwen’ het advies: ‘karterend onderzoek 3 (ijzertijd-middeleeuwen)’.
Fig. 13: uitsnede van het plangebied op basis van de Famke-kaart advies ijzertijd-middeleeuwen (bron: FAMKE)
In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd - middeleeuwen. Het gaat hier dan met name om vroeg en vol-middeleeuwse veenontginningen. Daarbij bestaat de kans dat er zich huisterpjes uit deze tijd in het plangebied bevinden. Ook de wat oudere boerderijen kunnen archeologische sporen of resten afdekken, hoewel de veengronden eromheen al afgegraven zijn.
De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer 5000m² een historisch en karterend onderzoek te verrichten, waarbij speciale aandacht moet worden besteed aan eventuele Romeinse sporen en/of vroegmiddeleeuwse ontginningen. Mochten er, als gevolg van het karterend archeologisch onderzoek, een of meerdere vindplaatsen worden aangetroffen, dan zal uit nader (waarderend) onderzoek moeten blijken hoe waardevol deze vindplaatsen zijn. De aard van dit waarderend (vervolg)onderzoek hangt af van het type aangetroffen vindplaats, en de strategie van onderzoek dient te worden bepaald door het desbetreffende onderzoeksbureau. Indien de vindplaats een nieuw aangetroffen terp betreft, geldt het advies: ‘waarderend onderzoek op terpen'.
De resultaten van het karterend onderzoek kunnen ook uitwijzen dat de voorgenomen ingreep niet bezwaarlijk is, of met welke randvoorwaarden in het plan rekening dient te worden gehouden. Mocht het plangebied een bebouwde kom betreffen, dan dient in de onderzoeksstrategie rekening te worden gehouden met recente verstoringen die zich kunnen hebben voorgedaan.
In figuur 14 is het plangebied aangegeven. Voor het plangebied geldt op basis van de FAMKE-kaart voor de periode steentijd - bronstijd het volgende advies: ‘karterend onderzoek 3 (steentijd-bronstijd).
In deze gebieden kunnen zich op enige diepte archeologische lagen bevinden uit de steentijd, die zijn afgedekt door een veen- of kleidek. Mochten zich hier archeologisch resten bevinden, dan zijn deze waarschijnlijk goed van kwaliteit. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 5000m² een karterend (boor)onderzoek uit te laten voeren, waarbij minimaal drie boringen per hectare worden gezet, met een minimum van drie boringen voor gebieden kleiner dan een hectare. De resultaten van een dergelijk karterend booronderzoek kunnen inzicht geven aanwezigheid en diepte van een eventueel aanwezige podzolbodem, waarin zich archeologisch resten kunnen bevinden. Het booronderzoek dient zich vooral te richten op de aanwezigheid van podzol, de diepte en het reliëf van de zandlagen in de bodem. Bij aanwezigheid van een podzolbodem, bevelen wij aan het boorgrid te verdichten tot zes boringen per hectare (zie advies ‘karterend onderzoek 2'). De resultaten kunnen ook uitwijzen dat de voorgenomen ingreep niet bezwaarlijk is, of met welke randvoorwaarden in het plan rekening dient te worden gehouden.

Fig. 14: uitsnede van het plangebied op basis van de Famke-kaart advies steentijd-bronstijd (bron: FAMKE)
Onderhavig bestemmingsplan is opgesteld om de bestemming van de beide percelen te wijzigen overeenkomstig het gebruik na het beëindigen van de agrarische bedrijfsactiviteiten binnen de bestaande bebouwing. Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan zijn geen bodemingrepen nodig, eventuele archeologische waarden die in de grond zitten blijven daardoor onaangeroerd.
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
Cultuurhistorie
Normstelling en beleid
Sinds januari 2012 hebben gemeenten op grond van het Besluit ruimtelijke ordening
(Bro) de opdracht om bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening te houden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is gaat het dus ook gelden voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. Dit betekent dat naast archeologie, ook een beschrijving moet worden gegeven van de historische (steden)bouwkunde en historische geografie. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving.
Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening moet in bestemmingsplannen aandacht worden besteed aan cultuurhistorie. Cultuurhistorisch waardevolle elementen moeten in het bestemmingsplan worden beschermd.
Fig. 15: uitsnede van het plangebied op basis van de Cultuurhistorische kaart (bron: provincie Fryslân)
Toetsing en uitgangspunten voor het bestemmingsplan
In het plangebied liggen geen cultuurhistorische waardevolle elementen. Op grond van geomorfologie geldt voor het plangebied het type ‘ontgonnen veenvlakte’. Qua verkaveling geldt voor het plangebied het type verkaveling: ‘opstrekkende verkaveling, grootschalige regelmaat’. Een verkaveling wordt opstrekkend genoemd als de lengterichting dominant is in de percelering en bovendien sprake is van een grote lengte-breedte verhouding. Dit type verkaveling is aanwezig in de Wouden en in het ‘Lage Midden’ met het merengebied. Het wijzigen van het gebruik van de opstallen binnen het plangebied heeft geen invloed op de cultuurhistorische waarden. De voor het plangebied geldende cultuurhistorische aspecten Verkaveling en Geomorfologie zijn in figuur 15 weergegeven. De overige cultuurhistorische aspecten die op het plangebied van toepassing zijn, zijn weergegeven in figuur 16.
Fig. 16: uitsnede van het plangebied op basis van de Cultuurhistorische kaart (bron: provincie Fryslân)
De percelen Straatweg 1 en 1A zijn op de cultuurhistorische kaart aangeduid als boerderijplaats. Boerderijplaatsen verschaffen ons, omdat zij de kern vormden van de toenmalige agrarische samenleving, kennis over de bewoningsgeschiedenis en over de ontwikkeling van het cultuurlandschap op lokaal, regionaal en provinciaal niveau. Boerderijplaatsen zijn zeer kenmerkend voor het landschapsbeeld van de provincie.
Fig. 17: weergave van de karakteristieke boerderij (bron: CHK prov. Fryslân)
De boerderij is op grond van de Cultuurhistorische kaart aangeduid als karakteristiek bouwwerk. Cultuurhistorische waarden vormen volgens de provincie geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen, maar kunnen juist als inspiratiebron dienen om de kwaliteit van ruimtelijke ontwikkelingen te versterken. Onderhavig bestemmingsplan is opgesteld om het gebruik van de karakteristieke boerderij te wijzigen. Door het toestaan van de woonfunctie met ondergeschikte nevenactiviteiten is het behoud van de karakteristieke boerderij gewaarborgd. Bij de noodzakelijk verbouwingen wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de karakteristieke waarden van de boerderij.
Fig. 18: uitsnede van het plangebied op basis van de Schotanus atlas uit 1718 (bron: tresoar)
Uit de Schotanus-atlas blijkt dat de percelen Straatweg 1 en 1A in 1718 onderdeel uitmaakten van de lintbebouwing langs het Besloten voet- en paardepad naar Doniawerstal.
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.