Plan: | Muus Jacobsepad 9 en ong, Sommelsdijk |
---|---|
Status: | vastgesteld |
Plantype: | bestemmingsplan |
IMRO-idn: | NL.IMRO.1924.SMDMJpad9enong-BP30 |
Het perceel Muus Jacobsepad 9 in Sommelsdijk is aan de noordkant van de wijk Westplaat gelegen. Dit perceel bestaat uit twee kadastrale percelen: 5733 en 5732. Op het westelijke kadastrale perceel 5733 is een woning aanwezig. Het oostelijke kadastrale perceel 5732 is in gebruik als erf en tuin behorend bij de woning. De eigenaar van het perceel heeft het voornemen om naast de huidige woning op het perceel 5732 een vrijstaande woning te bouwen. Ter plaatse van dit perceel geldt voor een klein deel de bestemming 'Wonen' en voor het grootste deel de bestemming 'Tuin'. Binnen de bestemming 'Tuin' is het niet mogelijk een vrijstaande woning te bouwen. Om het voorgenomen plan planologisch mogelijk te maken is een nieuw bestemmingsplan benodigd. Het onderhavige plan voorziet hier in.
Naast het mogelijk maken van de nieuwe woning wordt het perceel met de bestaande woning Muus Jacobsepad 9 (5733) en de kadastrale percelen 6410 en 6411 meegenomen in dit plan. De kadastrale percelen 6410 en 6411 zijn aan de noordkant van de percelen ter plaatse van de watergang gelegen. Deze gronden zijn bestemd als 'Agrarisch met waarden - 1', maar zijn in eigendom van de initiatiefnemer en feitelijk in gebruik als watergang en tuin bij de betreffende woonpercelen. Door dit deel ook mee te nemen in dit bestemmingsplan wordt het geheel goed planologisch geregeld.
Figuur 1 | Ligging plangebied (bron: http://pzh.b3p.nl/viewer/app/Basis_PZH, bewerking Juust BV)
Het plangebied betreft 4 percelen (zie figuur 2). De percelen zijn kadastraal bekend, Sommelsdijk, sectie B, nummers 5732 ged., 5733, 6410 en 6411. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door agrarische percelen, aan de oostzijde door een groenstrook, aan de zuidzijde door het Muus Jacobsepad en aan de westzijde door het perceel Muus Jacobsepad 7.
Figuur 2 | Kadastrale percelen (bron: www.scheldestromen.nl, bewerking Juust BV)
Het doel van dit bestemmingsplan is de bouw van een vrijstaande woning planologisch mogelijk te maken en tevens het huidige gebruik van de percelen met nummer 6410 en 6411 planologisch juist te regelen. Het vaststellen van dit bestemmingsplan vormt de basis om met één of meer omgevingsvergunningen de uitvoering van het plan mogelijk te maken.
Dit bestemmingsplan bestaat uit deze toelichting, regels en een verbeelding. Deze toelichting bestaat naast dit inleidende hoofdstuk uit vier hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt het initiatief toegelicht en de daarbij horende juridische regeling. Hoofdstuk 3 beschrijft het geldende beleidskader. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 de verschillende milieuaspecten beoordeeld. In hoofdstuk 5 wordt tot slot de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven.
Binnen het plangebied staat één vrijstaande woning met bijbehorende tuin. Aan de oostzijde van de bestaande woning ligt een perceel waar zes parkeerplaatsen zijn aangelegd ten behoeve van de bestaande woning. Voor het overige bestaat dit perceel uit gras. Aan de noordzijde is een watergang gelegen.
Figuur 4 | Huidige situatie plangebied (www.scheldestromen.nl, bewerking Juust BV)
De initiatiefnemer heeft de wens op het oostelijke perceel met nummer 5732 een nieuwe vrijstaande woning te bouwen (zie figuur 5). Voor de nieuw te bouwen woning is nog geen bouwplan beschikbaar. Parkeren wordt gerealiseerd op eigen terrein. De bestemming 'Agrarisch met waarden - 1' ter plaatse van de twee noordelijke kadastrale percelen wordt gewijzigd in de bestemming 'Wonen'.
Figuur 5 | Toekomstige situatie (bron: www.scheldestromen.nl, bewerking Juust BV)
Ter plaatse van het plangebied gelden de bestemmingsplannen 'Sommelsdijk' (zie figuur 6) en 'Buitengebied' (zie figuur 7) van de gemeente Goeree-Overflakkee. Het bestemmingsplan 'Buitengebied' is vastgesteld op 27 juni 2013. In deze vergadering is ook het bestemmingsplan 'Sommelsdijk' vastgesteld. Voor de gronden zijn de volgende bestemmingen van toepassing:
Wonen
Voor het perceel met de bestaande woning geldt de bestemming 'Wonen'. Voor deze woning is een bouwvlak opgenomen met de maximum toegestane goothoogte van 6 meter en de bouwaanduiding 'vrijstaand'.
Tuin
Voor het grootste gedeelte van het plangebied geldt de bestemming 'Tuin'. De bestemming geldt ook ter plaatse waar de nieuwe woning wordt gesitueerd.
Groen
Aan de oostzijde van het plangebied ligt een smalle strook met de bestemming 'Groen'. De strook heeft een breedte van 5 meter.
Agrarisch met waarden - 1
Twee percelen aan de noorzijde van het plangebied hebben de bestemming 'Agrarisch met waarden - 1'. Deze gronden zijn bedoeld voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, behoud en herstel van de aan het gebied eigen zijnde landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden, water, extensieve (dag)recreatie en bedrijfswoningen. Ter plaatse is geen bouwvlak aanwezig.
Figuur 6 | Uitsnede bestemmingsplan 'Sommelsdijk' (bron: ruimtelijkeplannen.nl, bewerking: Juust)
Figuur 7 | Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl, bewerking Juust BV)
Met het onderhavige plan krijgen de gronden de bestemming 'Wonen' en 'Tuin'. De plangrens volgt voor het grootste gedeelte de perceelsgrenzen. Aan de oostzijde is een hoofdrioolleiding gelegen. Ten behoeve van de ongestoorde ligging van deze leiding is een afstand van 10 meter tot de leiding aangehouden. De dubbelbestemming 'Leiding - Riool' heeft een breedte van 5 meter aan weerszijde van de leiding. Daarmee ligt de plangrens op een afstand van 5 meter van de dubbelbestemming 'Leiding - Riool'.
Met de bouw- en gebruiksregels wordt aangesloten bij de systematiek van het bestemmingsplan 'Sommelsdijk'. Voor de bestaande woning Muus Jacobsepad 9 blijft de planologische situatie ongewijzigd.
Voor de nieuwe woning wordt een nieuw bouwvlak opgenomen met de bouwaanduiding 'vrijstaand' en een maximum goothoogte van 6 meter. Omdat er nog geen bouwplan beschikbaar is, is in vergelijking met de omliggende percelen, een ruim bouwvlak opgenomen waarbinnen de nieuw te bouwen woning gesitueerd mag worden. In de regels is vastgelegd dat de inhoud van de woning inclusief aan- en uitbouwen niet meer dan 750 m3 mag bedragen. Het deel van het perceel voor de voorste grens van het bouwvlak heeft de bestemming 'Tuin' welke op het zijerf tot 3 meter achter de voorste grens van het bouwvlak doorloopt. De rest van het bouwperceel krijgt de bestemming 'Wonen'.
In de Wet ruimtelijke ordening met bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening heeft het bestemmingsplan een belangrijke rol als normstellend instrument voor het ruimtelijk beleid van de gemeente, provincies en het rijk,. In de ministeriële 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening' hierna (Rsro) is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (hierna SVBP 2012) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen, die tot doel heeft om te komen tot een geüniformeerde en gestandaardiseerde opzet van bestemmingsplannen in Nederland. Deze methodiek is onverkort gevolgd. Het bestemmingsplan is daarbij tevens digitaal vervaardigd en is daarom ook digitaal raadpleegbaar via internet.
Naast het feit dat de bestemmingen, aanduidingen en weergave van de verbeelding gestandaardiseerd zijn, vloeit de redactie van de regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti dubbeltelbepaling rechtstreeks voort uit het Besluit ruimtelijke ordening. De beleidsmatige inhoud van het bestemmingsplan is niet gestandaardiseerd. De gemeente behoudt haar vrijheid ten aanzien van de inhoud en vormgeving aangaande de toelichting.
Verbeelding
De verbeelding geeft de bestemmingen weer. Binnen de bestemmingsvlakken kunnen bouwvlakken, bouw-, gebieds-, functie-, en maatvoeringsaanduidingen aangegeven worden, waarbinnen een aantal specifieke bouwregels en functies kunnen worden aangegeven. Deze hebben juridische betekenis, omdat daar in de regels naar wordt verwezen. De topografische ondergrond die gebruikt is als basis voor de verbeelding heeft geen juridische status.
Op de verbeelding zijn de bestemming 'Wonen' en 'Tuin' opgenomen. Binnen de bestemming 'Wonen' zijn twee losse bouwvlakken gesitueerd. Eén van deze bouwvlakken is het bestaande bouwvlak. Binnen dit bouwvlak is de bouwaanduiding 'vrijstaand' opgenomen en een aanduiding voor een maximaal toegestane goothoogte van 6 meter.
Regels
Algemeen
De regels bevatten bepalingen over het gebruik van de gronden, over de toegelaten bebouwing en bepalingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn, conform de wettelijk verplicht gestelde SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken:
- Hoofdstuk 1 Inleidende regels
- Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
- Hoofdstuk 3 Algemene regels
- Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Inleidende regels
Begripsbepalingen en Wijze van meten
De inleidende regels omvatten de begripsbepalingen en de bepalingen omtrent de wijze van meten. De begripsbepalingen geven de definities over de in de regels gehanteerde begrippen met betrekking tot bouwen en functies. De wijze van meten geeft uitsluitsel over de wijze waarop afstanden, hoogtes, oppervlakte etc. moeten worden gemeten.
Bestemmingsregels
Tuin
Voor het deel van het plangebied wat voor de beide woningen ligt is de bestemming 'Tuin' opgenomen. Deze gronden zijn bedoeld voor bij woningen behorende tuinen, onbebouwde erven, toegangspaden tot de gebouwen, parkeren en andere verhardingen, met de daarbij behorende andere bouwwerken en waterhuishouding. Gebouwen zijn binnen deze bestemming niet toegestaan. Andere bouwwerken (bouwwerken geen gebouwen zijnde) hebben een maxmimale bouwhoogte van 1 meter.
Wonen
De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bedoeld voor wonen, beroepsmatige activiteiten en de bij wonen behorende parkeervoorzieningen. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen bouwvlak gebouwd worden. Binnen de bouwvlakken is de bouwaanduiding 'vrijstaand' opgenomen wat betekent dat er enkel vrijstaande woningen mogen worden gebouwd. Binnen de bestemming 'Wonen' mogen ook bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen worden gebouwd. Buiten het bouwvlak bedraagt het bebouwingspercentage maximaal 50% met een maximum gezamelijk oppervlak van 50 m² en minimaal 3 meter achter de voorgevelrooilijn. Binnen de bestemming 'Wonen' is het mogelijk beroepsmatige activiteiten aan huis uit te voeren. De activiteiten mogen niet meer bedragen dan 35% van de gezamelijke vloeroppervlakte van de (woon)bebouwing tot een maximum van 50 m².
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen, dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijv. ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen.
Algemene bouwregels
Dit artikel bevat een aantal algemene bepalingen ten aanzien van het overschrijden van de bouwgrenzen van verschillende bij gebouwen horende elementen zoals plinten, pilasters, kozijnen en schoorstenen. Daarnaast zijn er regels op genomen die betrekking hebben op vlaggenmasten, antennemasten, schoorstenen en onderkeldering.
Algemene gebruiksregels
In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken.
Algemene afwijkingsregels
In deze regels wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij omgevingsvergunning af te wijken van de maximum toegestane bouwhoogte en voor het aanbrengen van wijzigingen in de plaats, richting en/of afmetingen van bouwgrenzen voor zover dit voor een praktische uitvoering van het plan noodzakelijk is.
Algemene wijzigingsregels
In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden, zoals het overschrijden van bestemmingsgrenzen.
Overgangs- en slotregels
In deze regels is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling opgenomen, welke bepaling zowel de titel van het plan als de regels bevat.
Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte vastgesteld (SVIR). Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Hiernaar wordt gestreefd middels een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt.
Belangrijk thema in deze structuurvisie is de ladder voor duurzame verstedelijking. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. De ladder is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en luidt als volgt:
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
In welke gevallen er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is niet concreet vastgelegd. De jurisprudentie geeft op het gebied van woningbouw wel een constante lijn aan. Bouwplannen met minder dan 11 woningen zijn geen stedelijke ontwikkeling. In dit geval is er sprake van de ontwikkeling van één extra woning en daarmee is het dus niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Een toetsing aan de ladder kan daarom achterwege blijven.
Voor het overige zijn geen regels opgenomen die specifiek op deze situatie van toepassing zijn. Het project is lokaal en kleinschalig. Het rijksbeleid verzet zich niet tegen de ontwikkeling.
In de Omgevingsvisie Zuid-Holland en Omgevingsverordening Zuid-Holland beschrijft de provincie Zuid-Holland haar doelstellingen en provinciale belangen.
De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit).
Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en onderscheidt ze ruimtelijke ontwikkelingen naar hun mate van impact op de omgeving.
In lijn met de maatschappelijke behoefte zet de provincie in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie.
Figuur 8 | Uitsnede kwaliteitskaart - Laag van de stedelijke occupatie (bron: www.ruimtelijkeplannenzuidholland.nl)
Op de kwaliteitskaart (zie figuur 8) is het plangebied aangewezen als 'Rivierdeltacomplex - jonge zeeklei' en 'Bijzonder reliëf en aardkundige waarden' op de Laag van de ondergrond. Op de laag van de cultuur- en natuurlandschappen als 'Zeekleipolderlandschap' en 'Rivierdeltalandschappen'. Op de laag van stedelijke occupatie als 'Stads en dorpsranden', 'Steden en dorpen' en 'Bouwwerken voor energie-opwekking'.
Rivierdelta complex - jonge zeeklei
Zoals overal in Zuid-Holland heeft het water en het menselijk handelen grote invloed gehad op de geomorfologie van dit deel van de provincie. Het land in de delta is vergroot door aanleg van dijken rond droogvallende gronden.
De gronden in het deltacomplex bestaan overwegend uit kleigronden. Dit zijn voedselrijke, draagkrachtige gronden. De deltawateren zijn onderdeel van het deltacomplex. De estuariene dynamiek is een belangrijk natuurlijk gegeven. Nauw verbonden met de deltawateren zijn de niet ingepolderde, buitendijkse kleigronden. Dit betreft de slikken, (bekade) gorzen, grienden, wilgenbossen en de uiterwaarden langs de rivieren. Het zijn natuurlijke landschappen waar ruimte is voor dynamische processen.
Richtpunt:
Bijzonder reliëf en aardkundige waarden
Zuid-Holland is, uitgezonderd de duinen en de dijken, relatief plat. Binnen dit platte land is nog een aantal bijzondere, natuurlijke hoogteverschillen te vinden. Het betreft strandwallen in de kustzone, oude stroomruggen, kreken en geulafzettingen, rivierduinen met donken en oude bovenlanden met restveen. Vanwege de hogere ligging waren deze plekken aantrekkelijk voor (pre)historische bewoning. Het zijn vaak plekken van grote archeologische en aardkundige waarde. Behoud van dit reliëf houdt de leesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het gebied in stand. Op de Kwaliteitskaart zijn de genoemde aardkundige structuren met archeologische waarde globaal aangegeven. Voor een gedetailleerd kaartbeeld: zie de Cultuurhistorische Atlas van Zuid-Holland (www.zuid-holland.nl/chs).
De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap.
Richtpunten:
Zeekleipolderlandschap
Een zeekleipolder is qua oorsprong een ronde opwaspolder (oorspronkelijk opgeslibde en daarna ingepolderde eilandjes in getijdenwater) of langgerekte aanwaspolder (aangeslibd en ingepolderd land tegen bestaande polders) en daarna omgeven door dijken. De kreken in deze polders (herkenbaar door microreliëf en een kronkelige loop) en beplante dijken zijn belangrijke structurerende elementen. Er is een grote mate van openheid met contrasten tussen buitendijkse natuur en strak verkavelde agrarische polders. De dorpen liggen als compacte kernen in het landschap, veelal op het kruispunt van een dijk en een kreek aan de rand van een polder. Overige bebouwing ligt langs de dijken en spaarzaam in de polders zelf. Kenmerkende contrasten tussen de regelmatige patronen in de polder van wegen en verkaveling en de kronkelige kreken. Havenkanalen vormen plaatselijk bijzondere elementen, waarbij ontwikkelingen langs de kanalen de ruimtelijke en recreatieve relatie tussen dorp en open water versterken.
Richtpunten zeekleipolders algemeen:
Rivierdeltalandschappen - Eilanden en (voormalige) zeearmen
Een aantal Zuid-Hollandse eilanden kent nog steeds een eilandkarakter: omlijst door deltawateren met beperkte verbindingen met de andere eilanden of het vasteland. Ze zijn gelegen in de luwte van de Randstad en vormen landschappelijk een geheel met Zeeland. De drie eilanden Goeree-Overflakkee, Hoeksche Waard en Voorne-Putten hebben elk een eigen karakter. Dit karakter wordt mede gevormd door de verschillen in afstand tot en de verbinding met het stedelijk gebied, de landschappelijke opbouw van de eilanden zelf en de aard van het omringende water. Versterken van het deltakarakter en vergroten van de diversiteit van karakters van de eilanden draagt bij aan het behoud van diversiteit in de Delta. Een opgave is het om de recreatieve gebruikswaarde van de eilanden te vergroten in combinatie met een gebiedsspecifieke, in de omgeving passende inrichting. Ontwikkelingen aan de rand van eilanden dienen bij te dragen aan het versterken van het stoere deltakarakter en passen bij de maat en schaal van dijk en open wateren. Ontwikkelingen worden benaderd in het licht van het eiland als geheel.
Stads- en dorpsranden
De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij onderscheiden we drie typen ‘overgangskwaliteiten’. Het front, het contact en de overlap. Op kaart vinden we de hoogwaardige en bijzondere fronten terug. Daar waar recreatiegebieden voorkomen langs stads- of dorpsrand is veelal sprake van overlap. Uitgangspunt bij ontwikkelingen aan dorpsranden is de contactkwaliteit.
Richtpunt
Steden en dorpen
Elk dorp ontwikkelt zijn eigen identiteit en bouwt voort op haar karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap. Het dorp is deel van het omringende landschap, doordat onderliggende patronen herkenbaar zijn in de structuur van het dorp.
Richtpunten:
Bouwwerken voor energie-opwekking
Nieuwe vormen van energie zullen steeds meer het landschap beïnvloeden. Diverse nieuwe energiedragers zijn bouwwerken die, afhankelijk van locatie, vorm en grootte, matige tot grote invloed op het landschap kunnen hebben. Vooral grote windturbines hebben verreikende invloed. Ook biovergistingsinstallaties en zonnevelden zijn bouwwerken die niet vanzelf en niet altijd passen bij de kenmerken van het gebied. Anderzijds kunnen bouwwerken voor energie-opwekking bijdragen aan nieuwe landschappelijke kwaliteit. Bij bouwwerken voor energie-opwekking is altijd een zorgvuldige locatiekeuze en/of inpassing van belang.
Richtpunt:
De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Het betreft daarmee een ontwikkeling in de categorie 'inpassen'. Het uitvoeren van aanvullende ruimtelijke maatregelen is niet benodigd. Het provinciale beleid staat het bouwen van een woning op deze locatie niet in de weg.
Eilandvisie Goeree-Overflakkee
Op 12 februari 2015 heeft de gemeenteraad van Goeree-Overflakkee de toekomstvisie voor de gemeente vastgesteld. Centraal in de visie staan behoud en versterking van de leefbaarheid en van de identiteit van het eiland, de eilanditeit. De visie schetst Goeree-Overflakkee als eiland van rust en ruimt waar mensen naar volle tevredenheid wonen werken en recreëren. Vanuit de visie zijn zes strategische kernthema's geformuleerd als de leidraad voor de toekomst. Deze thema's hebben elk een toetsvraag. Deze kernthema's fungeren als zeef voor alle beleidsplannen, beleidsvoornemens en initiatieven, zodat toekomstige plannen altijd binnen de Eilandvisie vallen.
Toetsvraag: Past het voorstel of plan bij onze identiteit?
Toetsvraag: Draagt het voorstel of plan bij aan de sociale structuur op ons eiland?
Toetsvraag: Heeft het voorstel of plan het hoogst haalbare en betaalbare kwaliteitsniveau?
Toetsvraag: is het plan of voorstel duurzaam en levert het daarmee een bijdrage aan de ambities van Energy Island?
Toetsvraag: Is het plan of voorstel zo innovatief dat we het kunnen uitdragen en het uiteindelijk ook banen oplevert?
Toetsvraag: Verbindt het plan of voorstel mensen op het eiland met elkaar of verbindt het ons eiland met de (stedelijke) omgevingen?
De ontwikkeling van één nieuwe woning is een kleinschalige ontwikkeling die geen afbreuk doet aan de kernthema's uit de Eilandvisie.
Woonvisie 2018-2024
De gemeente Goeree-Overflakkee heeft in 2017 een nieuwe woonvisie opgesteld. De woonvisie is een belangrijke basis voor de gemeentelijk beleidsuitvoering met thema`s als betaalbaarheid van woningen, wonen met zorg en duurzaamheid. De volgende onderwerpen spelen een grote rol bij de woonvisie;
In het afwegingskader woningbouw wordt aangegeven dat voorrang wordt gegeven aan onder andere ontwikkelingen in het duurdere koopsegment, bestaande uit grondgebonden woningen vanaf € 250.000,-. Het plan voorziet in een grondgebonden woning in het duurdere koopsegment. Hiermee wordt doorstroming op de woningmarkt bevoderd. Tevens betreft het een binnenstedelijke locatie. De woonvisie staat het voorgenomen plan niet in de weg.
Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien deze beleidsvelden dan ook naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling wordt dan ook onderzocht welke milieuaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. Het is van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden.
Archeologie
In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit
verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het
bodemarchief met zorg ontsloten te worden. In juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet
vervangt diverse wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed in Nederland. In de
Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe Nederland omgaat met roerend cultureel erfgoed, wie
welke verantwoordelijkheden heeft en hoe Nederland daar toezicht op houdt.
Figuur 9 | Uitsnede Archeolgische beleidskaart (bron: Archeologiebeleid Goeree-Overflakkee 2010)
Ter plaatste van het plangebied is geen sprake van een archeologische verwachtingswaarde. In het geldende plan is dan ook geen dubbelbestemming opgenomen. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek is niet nodig.
Cultuurhistorie
Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. De Erfgoedwet heeft zes
wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed vervangen waaronder de Monumentenwet
1988. Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het wettelijk verplicht om in de toelichting van
een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met in het gebied aanwezige
cultuurhistorische waarden of monumenten rekening is gehouden.
Cultuurhistorisch waardevolle objecten in of in de directe omgeving van het plangebied, waarmee in het plan rekening moet of kan worden gehouden, zijn niet aanwezig. De ingrepen zijn beperkt van aard.
Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die planologisch mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere (gevoelige) functies moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving.
In de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven of inrichtingen aanwezig die relevant zijn in het kader van de bestemmingswijziging. Dit aspect vormt geen belemmering.
Om het risico uit te sluiten, dat mensen gezondheidsproblemen krijgen als gevolg van een langdurig verblijf op verontreinigde grond, dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie.
Het perceel waar het voornemen is de vrijstaande woning te bouwen, heeft reeds de bestemming 'Tuin' en voor een klein deel de bestemming 'Wonen' en is daarmee in gebruik als gevoelige functie (tuin bij de woning). Door de tuinbestemming te wijzigen in de bestemming 'Wonen' wordt geen nieuwe gevoelige functie mogelijk gemaakt. Een bodemonderzoek voor dit perceel is niet nodig.
Aan de noordzijde van het plangebied hebben de gronden de bestemming 'Agrarisch'. Met de wijziging van de bestemming 'Agrarisch - waarde 1' naar 'Wonen' wordt planologisch gezien een nieuwe gevoelige functie mogelijk gemaakt en is daarmee formeel een bodemonderzoek benodigd. Echter, in de huidige situatie worden de gronden al als tuin gebruikt behorend bij de aangrezende woonpercelen. Tussen de agrarische gronden en de tuinen ligt een watergang. Daarmee is er een duidelijke scheiding en zijn de gronden sinds de bouw van de woningen in 2001, niet meer in gebruik als agrarische grond. Er kan daarom vanuit worden gegaan dat de gronden, net als de aangrenzende percelen, geschikt zijn voor de functie wonen. Een bodemonderzoek is daarom ook voor dit deel van het plangebied niet benodigd.
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan.
De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen (zoals het gebruik, de opslag, de productie als het transport). Het beleid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met risicobronnen in de omgeving.
Het plangebied ligt niet binnen de risicocontour van een gevaarlijke inrichting. Tevens liggen er geen buisleidingen (relevant in het kader van externe veiligheid) of routes van het basisnet in de directe omgeving van het plangebied. Dit aspect vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan.
Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Bij ruimtelijke plannen kan akoestisch onderzoek nodig zijn om geluidhinder bij geluidgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) te voorkomen. De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai.
Een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt.
De nieuwe vrijstaande woning ligt aan het Muus Jacobsepad. Dit is een erftoegangsweg met een snelheidsregime van 30 km/uur. Op basis van de Wgh hoeft de geluidbelasting op woningen aan 30 km/uur-straten niet te worden beoordeeld. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Het Muus Jacobsepad is geen doorgaande route. Aan de straat zijn uitsluitend woningen gelegen en deze worden enkel door bestemmingsverkeer gebruikt. Daarnaast ligt het plangebebied aan het einde van het Muus Jacbosepad waardoor de verkeersintensiteit zeer laag is. Een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd.
In het bestemmingsplan worden uitsluitend kabels en leidingen (gas, water, elektra, rioolpersleidingen) opgenomen die ruimtelijke relevantie hebben, of van belang zijn in het kader van externe veiligheid, beheer of gezondheidsrisico. Voor deze kabels en leidingen geldt een waarborgzone omdat deze wellicht een risico met zich meebrengen. Het gaat hier met name om een verhoogd risico als ze bij werkzaamheden worden geraakt.
Aan de oostzijde van het plangebied ligt de dubbelbestemming 'Leiding-Riool'. De plangrens ligt op een afstand van 5 meter tot de dubbelbestemming en daarmee op een afstand van 10 meter van de leiding. Het onderhavige plan heeft daarmee geen invloed op de werking of de waarborging ter voorkoming van schade van deze leiding.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Als het een ruimtelijk project of (te vergunnen) activiteit betreft, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is, is geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig. Beoordeeld moet worden of de ontwikkeling 'Niet In Betekende Mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentraties van diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in de buitenlucht.
In de regeling NIBM is aangegeven, dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen en één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In het onderhavige plan is sprake van de bouw van slechts één woning. Daarmee is de ontwikkeling veel kleiner dan de ontwikkeling waarbij er nog sprake is van een project dat niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee heeft dit plan geen nadelige invloed op de luchtkwaliteit.
De Wet natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. De beschermde flora en fauna mag niet worden verstoord, verjaagd of worden gedood. Voorafgaand aan een ontwikkeling moet worden onderzocht of er beschermde dieren- of plantensoorten in het plangebied leven.
Gebiedsbescherming
In de omgeving van het plangebied liggen geen natuurgebieden of onderdelen van het Natuur Netwerk Nederland waar het voorgenomen plan invloed op heeft. Een nadere beoordeling is niet benodigd.
Soortenbescherming
Ter plaatse waar de nieuwe vrijstaande woning wordt gebouwd is verharding aanwezig en gemaaid gras. De gronden zijn in gebruik als tuin. Er zijn geen beschermde plant- en diersoorten te verwachten. Het uitvoeren van onderzoek is niet nodig. Dit aspect vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Een goede ontsluiting en voldoende parkeerfaciliteiten zijn belangrijk voor een goed functionerende ontwikkeling. In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de gevolgen van het plan op de verkeerssituatie in de omgeving, de verkeersgeneratie, de ontsluiting en de wijze waarop voldoende parkeergelegenheid in het plan is gewaarborgd.
Het parkeren vindt plaats op eigen terrein. De zes parkeerplaatsen die worden verwijderd waren onder andere bedoeld voor beroep aan huis (kantoor) bij de bestaande woning. Overigens geldt conform de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' een maximale parkeernorm van 2,8 parkeerplaatsen voor kantoren zonder baliefunctie per 100 m2 bvo in een niet stedelijk gebied en gebiedstype rest bebouwde kom. Op basis van het geldende bestemmingsplan is een beroepsmatige activiteit aan huis mogelijk tot 50 m2. Daarmee zou er een parkeerbehoefte zijn van 1,4 parkeerplaats. Daarmee is een overmatige hoeveelheid aan parkeerplaatsen gerealiseerd. Gezien de ruimte die op het perceel beschikbaar is, was het mogelijk om dit grote aantal parkeerplaatsen aan te leggen, maar gezien de behoefte was dit niet direct noodzakelijk.
Op het eigen terrein van de bestaande woning blijven drie parkeerplaatsen beschikbaar. In de openbare ruimte zijn tegenover de woning vijf parkeerplaatsen aanwezig. En in de omgeving daarvan nog eens zes parkeerplaatsen. Aangezien aan het Muus Jacobsepad uitsluitend vrijstaande woningen en twee-onder-één-kapwoningen aanwezig zijn met minimaal één parkeerplaats op eigen terrein, zijn de parkeerplaatsen in de openbare ruimte voldoende voor het voorzien in parkeervoorzieningen voor de bedrijfsactiviteiten aan huis. Daarnaast bestaat de parkeerbehoefte ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten aan huis voornamelijk overdag en de parkeerplaatsen (in de openbare ruimte) ten behoeve van de woningen voornamelijk in de avonduren en in het weekend. Daarmee is er voldoende parkeerruimte aanwezig en leidt de sanering van de zes parkeerplaatsen niet tot een parkeerprobleem.
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. Beschreven moet worden op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Voorkomen moet worden dat ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc., te voorkomen.
De bestaande situatie op de percelen 5733 en 6410, ter plaatse van woning Muus Jacobsepad 9, blijft gehandhaafd en wordt binnen deze watertoets buiten beschouwing gelaten.
Bestaande situatie
In de bestaande situatie is circa 267 m² aan verharding aanwezig. De rest van het perceel bestaat uit gazon.
Toekomstige situatie
In het plangebied wordt één nieuwe woning gebouwd. Er wordt een bouwvlak opgenomen van 160 m².
Watercompensatie
Door een toename aan verharding kan hemelwater niet langer infiltreren in de bodem, maar stroomt dit versneld af naar het oppervlaktewatersysteem. Als gevolg van deze versnelde afvoer wordt het oppervlaktewatersysteem meer belast. Om deze belasting te reduceren moeten compenserende voorzieningen worden aangebracht. Conform de voorschriften van het Waterschap Hollandse Delta dient 10% van het verhard oppervlak aan waterberging te worden aangebracht. Hierbij wordt de oppervlakte van de voetprint van de woning voor 100% meegerekend en de oppervlakte van tuinen bij vrijstaande woningen voor 25%. In sommige gevallen is de eis tot compensatie zwaar ten opzichte van het te dienen waterstaatkundige doel. Om deze reden heeft het waterschap de verhardingstoename van maximaal 500 m2 in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied via een algemene regel vrijgesteld van compensatieplicht. Indien in het plangebied bestaande verharding wordt verwijderd, mag deze worden verrekend met de toename in verhard oppervlak als gevolg van de bouw van de woning. De watercompensatie dient plaats te vinden binnen het peilgebied waar de toename aan verharding plaatsvindt.
Binnen het perceel waar de nieuwe woning wordt gebouwd is circa 225 m² aan verhard oppervlak aanwezig. Met de bouw van de nieuwe woning wordt een bouwvlak van 150 m² opgenomen. Het perceel heeft een oppervlakte van 1497 m². 25% van 1497 is 374. 374 + 150 (bouwvlak) = 524, 25. Wanneer het bestaande oppervlakte verhard oppervlakte wordt afgetrokken van het voorziene verhard oppervlak (bouwvlak + erfverharding) wordt in totaal circa 300 m² extra verhard oppervlak gerealiseerd. Daarmee wordt onder de 500 m2 gebleven. Dit betekent dat het onderhavige plan vrij is gesteld van compensatie ten behoeve van waterberging.
Waterkwaliteit
Het plan heeft geen effect op de waterkwaliteit. Het ontstaan van vervuilingsbronnen wordt zoveel mogelijk voorkomen om vervuiling van grond- en oppervlaktewater te beletten. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee worden geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink of teerhoudende dakbedekking gebruikt op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten of pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben).
Bodemdaling
Het (grond)waterpeil wordt niet aangepast als gevolg of ten behoeve van dit plan. Eventuele bodemdaling in de omgeving zal niet door het plan worden beïnvloed.
Veiligheid
Het plangebied is niet gelegen in een beschermingszone van een waterkering.
Afvalwaterketen
Het plangebied zal worden aangesloten op het gemeentelijk gemengde rioleringsstelsel. Het beheer en onderhoud van de inzameling- transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering ligt bij de gemeente. Het waterschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater. Het onderhoud aan afvoervoorzieningen en bergingsvijvers van hemelwater op eigen terrein is voor rekening van de eigenaren van de betreffende percelen.
Omgevingsaspecten zijn onderzocht en vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. Planologische medewerking aan het initiatief ligt dan ook in de rede.
Voor bouwplannen zoals die zijn aangewezen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het uitgangspunt dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt. Van de verplichting een exploitatieplan vast te stellen kan onder andere worden afgeweken als het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door een anterieure overeenkomst of doordat de verplicht te verhalen kosten zijn verdisconteerd in de grondprijs.
De gemeente sluit met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst. Alle kosten en eventuele planschade worden verhaald op de initiatiefnemer. Dit plan heeft geen nadelige financiële gevolgen voor de gemeente.
Vooroverleg
Vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is voor dit plan van toepassing. In het kader van dit bestuurlijke vooroverleg is het plan in ieder geval toegezonden aan de provincie, het waterschap en de veiligheidsregio.
Ter inzage legging ontwerpbestemmingsplan
Gelet op het bepaalde in artikel 3.8 Wro in combinatie met afdeling 3.4 Awb wordt een ontwerpbestemmingsplan, na voorafgaande bekendmaking, gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Een ieder is dan in de gelegenheid zijn of haar zienswijze mondeling of schriftelijk kenbaar te maken bij de gemeenteraad. Vaststelling van het bestemmingsplan, al dan niet in gewijzigde vorm, gebeurt met inachtneming van de ingediende zienswijzen.