direct naar inhoud van Regels
Plan: Moerkapelle-Oost, fase 3
Status: vastgesteld
Plantype: uitwerkingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1892.UPMkpOostfase3-Va02

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan:

het uitwerkingsplan Moerkapelle-Oost, fase 3 met identificatienummer NL.IMRO.1892.UPMkpOostfase3-Va02 van de gemeente Zuidplas, zijnde een uitwerkingsplan van het bestemmingsplan Zuidplas-Noord, met de daarbij behorende bijlagen;

1.2 uitwerkingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels;

1.3 bestemmingsplan Zuidplas Noord:

het bestemmingsplan Zuidplas Noord met identificatienummer NL.IMRO.1666.BP00200-On01 van de gemeente Zuidplas, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Zevenhuizen-Moerkapelle op 16 juni 2009 en onherroepelijk sinds 10 augustus 2011;

1.4 achtererfgebied:

erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen;

1.5 bijbehorend bouwwerk:

een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

1.6 luifel:

een dak veelal boven een ingangspartij en/of een raampartij, dat aan een kant aan de buitenzijde van een gebouw is bevestigd, terwijl de daartegenoverliggende zijde vrij dragend is;

1.7 objecten van beeldende kunst:

de vorm van kunst waarbij het beeldende voorop staat. Een afbeelding in de zin van een uitbeelding, die een platte of een ruimtelijke vorm kan aannemen met een zichtbaar resultaat;

1.8 oorspronkelijke hoofdgebouw:

het hoofdgebouw, zoals dat is of mag worden gebouwd overeenkomstig de eerste daarvoor verleende omgevingsvergunning of een ander oudtijds verworven recht;

1.9 openbaar toegankelijk gebied:

weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer;

1.10 steiger:

bouwwerk, geen gebouw zijnde, boven het water en deels op de oever (om van en naar te lopen), bedoeld voor het aanleggen van vaartuigen en of andere doeleinden, zoals terras;

1.11 veranda:

een overdekte, open aanbouw aan een woonhuis op de begane grond die aan een kant aan de buitenzijde van een gebouw is bevestigd, terwijl de daartegenoverliggende zijde door palen worden wordt ondersteund;

1.12 vlonder:

bouwwerk, geen gebouw zijnde, op land en niet deels boven het water, bedoeld als terras en/of andere doeleinden, zoals het aanleggen van vaartuigen.

Artikel 2 Relatie bestemmingsplan - uitwerkingsplan

De regels behorende bij het bestemmingsplan Zuidplas Noord zijn onverminderd van toepassing voor het uitwerkingsplan, tenzij in dit uitwerkingsplan anders wordt bepaald en met dien verstande dat in aanvulling op de Algemene Bouwregels uit het bestemmingsplan Zuidplas Noord ook de regels in Artikel 9 van toepassing zijn.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Groen

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. voet- en fietspaden;
  • c. watergangen met natuurlijke oevers of oeverbeschoeiingen, waterpartijen en plas- en draszones;
  • d. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • e. objecten van beeldende kunst;
  • f. speelplaatsen, speelvoorzieningen en speeltoestellen;
  • g. bruggen en overige kunstwerken;
  • h. dijken en taluds;
  • i. hondenuitlaatplaatsen;
  • j. in- en uitritten;
  • k. voorzieningen voor waterzuivering en infiltratie;
  • l. voorzieningen van openbaar nut, met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstoffen,

alsmede ook voor:

  • m. de landschappelijke inpassing van infrastructuur;
  • n. ontsluitingen ten behoeve van calamiteitenverkeer,

met de daarbij behorende:

  • o. bermen, bermsloten en greppels;
  • p. dammen en/of duikers;
  • q. bouwwerken, werken en werkzaamheden, kunstwerken, infiltratievoorzieningen, kleinschalige infrastructurele voorzieningen en overige voorzieningen, waaronder begrepen ecovoorzieningen, die wat betreft aard en afmetingen passen bij en ten dienste staan aan de bestemming.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen
  • a. voor het bouwen gelden de hierna opgenomen bepalingen onder 3.2.2 tot en met 3.2.3;
  • b. voor het bouwen gelden, voor zover van toepassing, de aanduidingen.

3.2.2 Gebouwen
  • a. Op of in deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van openbaar nut worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 meter;
  • c. de oppervlakte van een voorziening van openbaar nut bedraagt maximaal 25 m².

3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. Op de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt:
    • 1. maximaal 8 meter voor (licht)masten, wegwijzers, verkeerstekens, kunstwerken en overige infrastructurele voorzieningen;
    • 2. maximaal 10 meter voor (beeldende) kunstobjecten;
    • 3. maximaal 5 meter voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

3.3 Gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend:

  • a. opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • b. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • c. (permanente) buitenopslag van goederen en materialen;
  • d. een jongerenontmoetingsplaats;
  • e. woondoeleinden;
  • f. het plaatsen van onderkomens of geplaatst houden van onderkomens;
  • g. het plaatsen van reclameobjecten (zuilen en/of borden).

Artikel 4 Tuin

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. tuin, gazon of open terrein;
  • b. veranda's ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - veranda',

alsmede ook voor:

  • c. watergangen met natuurlijke oevers of oeverbeschoeiingen en waterpartijen;
  • d. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. toegangspaden, in- en uitritten;
  • g. parkeervoorzieningen,

met de daarbij behorende:

  • h. beplanting en overig groen;
  • i. kunstwerken;
  • j. bouwwerken en overige voorzieningen, die wat betreft aard en afmetingen passen bij en ten dienste staan aan de bestemming.

4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen
  • a. voor het bouwen gelden de hierna opgenomen bepalingen onder 4.2.2 tot en met 4.2.3;
  • b. voor het bouwen gelden, voor zover van toepassing, de aanduidingen.

4.2.2 Gebouwen
  • a. Op de gronden zijn uitsluitend erkers en luifels toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. erkers en luifels toegestaan aan hoofdgebouwen die zijn gelegen in een naastgelegen bestemming;
    • 2. de breedte van een erker bedraagt ten hoogste 80% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw, met een maximum van 5,0 meter;
    • 3. de bouwhoogte van een erker bedraagt maximaal het vloerpeil van de eerste verdieping van het hoofdgebouw;
    • 4. de diepte van een erker of luifel bedraagt maximaal 1,50 meter;
    • 5. een erker moet ten minste 0,5 meter uit de zijdelingse perceelsgrens worden gesitueerd, tenzij de erker aansluit op een erker van de aansluitende woning (in gevallen waar sprake is van dubbele of rijwoningen);
    • 6. de breedte van een luifel, de volledige gevelbreedte van een woning mag bedragen.
  • b. in afwijking van het bepaalde sub a zijn ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - veranda' veranda's toegestaan, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer bedraagt dan et vloerpeil van de eerste verdieping van het hoofdgebouw.

4.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 1 meter;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 1 meter, met uitzondering van vlaggenmasten, waarvoor een bouwhoogte geldt van maximaal 5 meter.

4.3 Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend:

  • a. opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • b. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • c. (permanente) buitenopslag van goederen en materialen;
  • d. het plaatsen van onderkomens of geplaatst houden van onderkomens;
  • e. seksinrichtingen;
  • f. het plaatsen van reclameobjecten (zuilen en/of borden).

Artikel 5 Verkeer - Wegverkeer

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - Wegverkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen met de functie van verblijf/verblijfsgebied en ter ontsluiting van de aanliggende of nabijgelegen gronden;
  • b. voet- en fietspaden;
  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. bermen en groenvoorzieningen;
  • e. watergangen met natuurlijke oevers of oeverbeschoeiingen en waterpartijen;
  • f. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • g. voorzieningen van openbaar nut, met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstoffen;
  • h. ondergrondse afvalinzameling;
  • i. verbindingen ten behoeve van het wegverkeer (bruggen) en overige kunstwerken en infrastructurele voorzieningen,

met de daarbij behorende:

  • j. bermen, bermsloten en greppels.

5.2 Bouwregels
5.2.1 Algemeen
  • a. voor het bouwen gelden de hierna opgenomen bepalingen onder 5.2.2 tot en met 5.2.3;
  • b. voor het bouwen gelden, voor zover van toepassing, de aanduidingen.

5.2.2 Gebouwen
  • a. Op of in deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van openbaar nut worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 meter;
  • c. de oppervlakte van een voorziening van openbaar nut bedraagt maximaal 25 m².

5.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. Op de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt:
    • 1. maximaal 12 meter voor verlichting, masten, wegwijzers, verkeerstekensinstallaties, verkeersignaleringen en verkeersregelinstallaties;
    • 2. maximaal 10 meter voor (beeldende) kunstobjecten;
    • 3. maximaal 3 meter voor overige andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

5.3 Specifieke gebruiksregels
5.3.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend:

  • a. opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • b. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • c. (permanente) buitenopslag van goederen en materialen;
  • d. het plaatsen van onderkomens of geplaatst houden van onderkomens;
  • e. woondoeleinden;
  • f. het plaatsen van reclame objecten (zuilen en/of borden)
  • g. seksinrichtingen.

Artikel 6 Water

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. watergangen met natuurlijke oevers of oeverbeschoeiingen en waterpartijen;
  • b. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer en waterberging;
  • c. bermen en groenvoorzieningen,

alsmede ook voor:

  • d. infiltratievoorzieningen;
  • e. oevers, oeverbeschoeiingen en taluds;
  • f. behoud, herstel en ontwikkeling van de waardevolle openheid en structuur van de tochten,

met de daarbij behorende:

  • g. kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen;
  • h. werken en werkzaamheden, bruggen, duikers en/of dammen, overige kunstwerken en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde en voorzieningen, waaronder begrepen ecovoorzieningen, die wat betreft aard en afmetingen passen bij de bestemming.

6.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. op of in deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 5 meter;
  • c. ten behoeve van de aanleg van vlonders, gelden de volgende bepalingen:
    • 1. bij watergangen met een breedte tot 10 meter mogen géén steunpunten ten behoeve van de vlonder in de watergang worden aangebracht. Bij watergangen breder dan 10 meter is dit wel mogelijk, mits het gaat om overbreedte die niet noodzakelijk is voor de waterafvoer. Dit ter beoordeling van de waterbeheerder;
    • 2. bij een maximale oversteek van 1 meter dient de onderkant van de constructie minimaal 1 meter boven het zomerpeil aangebracht te worden; indien de vlonder minder ver uitsteekt mag hij evenredig lager worden aangelegd, conform onderstaande figuur:

afbeelding "i_NL.IMRO.1892.UPMkpOostfase3-Va02_0001.jpg"

6.3 Specifieke gebruiksregels
6.3.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend:

  • a. het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • b. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • c. woonschepen en drijvende woningen als ligplaats.

6.3.2 Oppervlakte water

Bij de realisering van bermen en groenvoorzieningen als bedoeld in 6.1.c dient de oppervlakte water binnen een van de aangrenzende bestemmingen gecompenseerd te worden.

6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden op, in, boven en aan de gronden met de bestemming 'Water' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren.

6.4.2 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in 6.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

6.4.3 Voorwaarden

De werken of werkzaamheden als bedoeld in 6.4.1 zijn slechts toelaatbaar, mits vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de waterbeheerder.

Artikel 7 Wonen

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen, al dan niet in combinatie met het uitoefenen van een aan-huis-verbonden beroep tot maximaal 70 m²;
  • b. de instandhouding van de voorkomende visueel-ruimtelijke kwaliteit, die ontleend wordt aan het doorzicht naar de Polder de Wilde Veenen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - openheid',

alsmede voor:

  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. waterhuishoudkundige voorzieningen,

met de daarbij behorende:

  • e. tuinen, gazons en erven;
  • f. verhardingen;
  • g. werken en werkzaamheden, bruggen, duikers en/of dammen, overige kunstwerken, infiltratievoorzieningen en overige voorzieningen, die wat betreft aard en afmetingen passen bij en ten dienste staan aan de bestemming.

7.2 Bouwregels
7.2.1 Algemeen
  • a. Binnen de bestemming 'Wonen' mogen maximaal 179 woningen worden gebouwd;
  • b. voor het bouwen gelden de hierna opgenomen bepalingen onder 7.2.2 tot en met 7.2.4;
  • c. voor het bouwen gelden, voor zover van toepassing, de aanduidingen;
  • d. vóór de voorgevel en vóór de zijgevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw die naar de bestemming 'Verkeer - Wegverkeer' zijn toegekeerd mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van bijbehorende bouwwerken die onderdeel vormen van het oorspronkelijke bouwplan.

7.2.2 Hoofdgebouwen
  • a. per bouwperceel en hoofdgebouw is maximaal 1 woning toegestaan. Splitsing van een bouwperceel ten behoeve van nieuwbouw van een tweede woning is niet toegestaan;
  • b. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat:
    • 1. voor de twee-aaneengebouwde woningen geldt dat de afstand tot minimaal één zijdelingse perceelsgrens minimaal 2 meter dient te bedragen;
    • 2. voor de vrijstaande woningen geldt dat de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 2 meter dient te bedragen;
  • c. de goothoogte en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  • d. de goothoogte van hoofdgebouwen mag worden overschreden door dakkapellen, indien:
    • 1. de breedte van dakkapellen ten hoogste 80% van het dakvlak bedraagt;
    • 2. de onderzijde van de dakkapel ten minste 0,5 meter boven de dakvoet wordt gebouwd;
    • 3. de bovenzijde van de dakkapel ten minste 0,5 meter onder de nok wordt gebouwd.
  • e. ter plaatse van de aanduiding:
    • 1. 'aaneengebouwd' zijn uitsluitend aaneengebouwde woningen toegestaan';
    • 2. 'gestapeld' zijn uitsluitend gestapelde woningen toegestaan, met dien verstande dat in afwijking van het bepaalde sub c geen maximum goothoogte geldt en de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
    • 3. 'twee-aaneen' zijn uitsluitend twee-aaneen gebouwde woningen toegestaan;
    • 4. 'vrijstaand' zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan;
  • f. de maximale bouwdiepte van aaneengebouwde woningen is 11 meter;
  • g. de maximale bouwdiepte van vrijstaande en twee-aaneen gebouwde woningen is 13,5 meter;

7.2.3 Bijbehorende bouwwerken en overkappingen
  • a. Bijbehorende bouwwerken en overkappingen mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - openheid':
    • 1. geen bijbehorende bouwwerken en overkappingen zijn toegestaan;
    • 2. deze gronden niet behoren tot het achtererfgebied als bedoeld in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht en dat derhalve geen vergunningvrije gebouwen zijn toegestaan;
  • b. met inachtneming van het bepaalde sub a dienen de bijbehorende bouwwerken en overkappingen gebouwd te worden op tenminste 1 meter afstand achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw;
  • c. de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 3,50 meter;
  • d. de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 5,50 meter;
  • e. de goothoogte van overige bijbehorende bouwwerken bedraagt niet meer dan de hoogte van de begane grondlaag van het hoofdgebouw + 30 centimeter en de bouwhoogte maximaal 5 meter;
  • f. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt maximaal 3,5 meter;
  • g. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen mag ten hoogste 50% van het bij de woning behorende zij- en achtererf bedragen, zulks met een maximum van 50 m², met dien verstande dat ten hoogste 75 m² aan bijbehorende bouwwerken en overkappingen mag worden gebouwd indien de oppervlakte van de bedoelde gronden groter is dan 150 m²;
  • h. in afwijking van het bepaalde sub a en van lid 7.2.1, sub d mogen voor de voorgevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw, erkers worden gebouwd onder de volgende voorwaarden:
    • 1. de breedte van een erker bedraagt ten hoogste 50% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw, met een maximum van 3,50 meter;
    • 2. de bouwhoogte van een erker bedraagt maximaal het vloerpeil van de eerste verdieping van het hoofdgebouw;
    • 3. de diepte van de erker bedraagt maximaal 1,50 meter;
    • 4. een erker moet ten minste 2 meter uit de zijdelingse perceelsgrens worden gesitueerd, tenzij de erker aansluit op een erker van de aansluitende woning (in gevallen waar sprake is van twee-aaneengebouwde of aaneengebouwde woningen).

7.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. de bouw van damwanden is niet toegestaan;
  • b. vóór het oorspronkelijke hoofdgebouw:
    • 1. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 1 meter;
    • 2. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 1 meter, met uitzondering van vlaggenmasten, waarvoor een bouwhoogte geldt van maximaal 5 meter.
  • c. achter de voorgevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw:
    • 1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevel bedraagt maximaal 2 meter;
    • 2. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2,5 meter.

7.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in lid 7.2.2, sub c, voor het toelaten van een maximum bouwhoogte van 13 meter mits:

  • a. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden niet wordt aangetast;
  • b. de afwijking noodzakelijk is uit een oogpunt van een doelmatig en/of efficiënt gebruik van de bebouwing op het bouwperceel.

7.4 Specifieke gebruiksregels
7.4.1 Voorwaardelijke verplichting

Teneinde het naar binnen zuigen van toxische gassen te voorkomen, kan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning uitsluitend worden verleend, indien bij de aanvraag is aangetoond dat wordt voldaan aan de eis dat een afschakelbare ventilatie in de woning aanwezig is.

7.4.2 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend:

  • a. permanente of tijdelijke bewoning, voor zover het vrijstaande bijgebouwen betreft, met uitzondering van mantelzorg;
  • b. het gebruik van delen van de woning en bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte, met uitzondering van mantelzorg ;
  • c. seksinrichtingen;
  • d. opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • e. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • f. (permanente) buitenopslag van goederen en materialen;
  • g. de opslag en verkoop van vuurwerk;
  • h. het plaatsen van reclameobjecten (zuilen en/of borden).

7.5 Afwijking aan-huis-verbonden bedrijf

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken voor de uitoefening van een aan-huis-verbonden bedrijf of een aan-huis-verbonden bedrijfsmatige activiteit in het hoofd- of bijgebouw, met dien verstande dat:

  • a. de woonfunctie als hoofdfunctie behouden blijft;
  • b. bedoeld gebruik geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat mag opleveren en geen onevenredige afbreuk mag doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt; dit betekent onder meer dat:
    • 1. geen vergunning wordt verleend voor het uitoefenen van bedrijvigheid, dat onder de werking van het Activiteitenbesluit Milieubeheer valt, tenzij het desbetreffende gebruik door middel van het stellen van voorwaarden verantwoord is;
    • 2. het gebruik naar aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming moet zijn;
    • 3. het gebruik de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in het hoofdgebouw of bijgebouw uitvoert, tevens de gebruiker van het hoofdgebouw is;
    • 4. het bedrijf/de bedrijfsactiviteit behoort tot milieucategorie 1 en 2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten als opgenomen in bijlage 3 van het bestemmingsplan Zuidplas Noord dan wel het een bedrijf/bedrijfsactiviteit betreft die niet is vermeld in de Lijst van bedrijfsactiviteiten, maar naar aard en invloed vergelijkbaar is met de in bijlage 3 van het bestemmingsplan Zuidplas Noord genoemde bedrijven en bedrijfsactiviteiten;
  • c. het niet betreft zodanig verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimten;
  • d. het parkeren zoveel mogelijk op eigen terrein dient plaats te vinden;
  • e. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte verkoop in het klein in verband met bedrijfsmatige activiteiten in of bij het hoofdgebouw;
  • f. ten hoogste 30% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw en de daarbij behorende bijgebouwen ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep of aan-huis-verbonden beroepsmatige bedrijfsactiviteit en/of een aan-huis-verbonden bedrijf of aan-huisverbonden bedrijfsmatige activiteit in gebruik mag zijn, zulks tot maximaal 70 m².

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Algemene bouwregels

9.1 Parkeren

Een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en/of het wijzigen van de functie van gebouwen en/of gronden wordt slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw en/of gronden in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Hierbij gelden de parkeernormen, zoals vastgelegd in de op 5 november 2019 vastgestelde 'Beleidsnota Parkeren'. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, dient getoetst te worden aan diens rechtsopvolger.

9.2 Laden en lossen

Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Hierbij wordt uitgegaan van de ASVV 2012 van het CROW. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, dient getoetst te worden aan diens rechtsopvolger.

 

9.3 Uitzondering

Het bepaalde in lid 9.1 is niet van toepassing indien ten tijde voorafgaand aan de vaststelling van deze parapluherziening in afwijking van de op 5 november 2019 vastgestelde ‘Beleidsnota Parkeren’ reeds andere parkeernormen zijn afgesproken, zoals blijkend uit een raadsbesluit, collegebesluit of contractuele overeenkomst tussen gemeente en ontwikkelende partij.


Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, dient getoetst te worden aan diens rechtsopvolger.

9.4 Afwijken

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 9.1:

  • a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit;
  • b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte wordt voorzien.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels

10.1 Parkeren

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - parkeren' dient op een bouwperceel ter plaatse van de aanduiding 'minimum aantal parkeerplaatsen' ten minste het aantal aangeduide parkeerplaatsen te worden aangelegd met een afmeting van 2,5 x 5 m per parkeerplaats.

10.2 Specifieke gebruiksregel

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend om op bouwpercelen ter plaatse van de aanduiding 'minimum aantal parkeerplaatsen' het zodanig gebruik van gronden dat er per perceel minder dan het ter plaatse aangegeven aantal parkeerplaatsen met een afmeting kleiner dan 2,5 x 5 m per parkeerplaats in stand wordt gehouden, zoals dit onder meer blijkt uit het niet langer handhaven van de verharding of het niet meer toegankelijk houden van de parkeerplaats(en).

10.3 Voorwaardelijke verplichting beeldkwaliteit

Het oprichten van bouwwerken en het gebruik van gronden en bouwwerken overeenkomstig de bestemmingen in Hoofdstuk 2 is uitsluitend toegestaan indien uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de beeldkwaliteitsrichtlijnen van het Beeldkwaliteitsplan De Jonge Veenen Fase 3 & 4, dat als Bijlage 1 bij de regels is gevoegd.


Artikel 11 Algemene aanduidingsregels

11.1 Oevers

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - oever' zijn mede bestemd voor:

  • a. behoud, herstel en ontwikkeling van de waardevolle openheid;
  • b. instandhouding, beheer en onderhoud van de oeverlijn.
11.2 Bouwen

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - oever':

  • a. is de bouw van:
    • 1. beschoeiing toegestaan, met dien verstande dat de hoogte ten opzichte van het waterpeil niet meer dan 30 cm mag bedragen;
    • 2. vlonders, niet zijnde steigers toegestaan, met dien verstande dat de breedte van de vlonder niet meer mag bedragen dan de helft van de breedte van het perceel (achter de woning).
    • 3. overige bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet toegestaan;
  • b. behoren deze gronden niet tot het achtererfgebied als bedoeld in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht en zijn derhalve geen vergunningvrije bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.

11.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.3.1 Verbod

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - oever' is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het ophogen van de gronden;
  • b. het wijzigen van het profiel van de gronden;
  • c. het plaatsen van oeverbeschoeiingen hoger dan 30 cm gemeten vanaf het waterpeil, voor zover dit geen bouwwerken zijn;
  • d. het ontgronden of het afgraven van de gronden.
11.3.2 Uitzonderingen

Het in lid 11.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien:

  • a. het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de bestemmingen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.
11.3.3 Toelaatbaarheid

De in lid 11.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan de waterstaatkundige en landschappelijke functie van de gronden.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 12 Overgangsrecht

12.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het uitwerkingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid 12.1, sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 12.1, sub a met maximaal 10%.
  • c. Lid 12.1, sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

12.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het uitwerkingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het uitwerkingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 12.2, sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in 12.2 , sub a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Lid 12.2, sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

Artikel 13 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het 'uitwerkingsplan Moerkapelle-Oost, fase 3'.

Vastgesteld door burgemeester en wethouders van Zuidplas op DATUM