Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: 't Lage, Moordrecht
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1892.BptLageMrd-Va01

Toelichting

 
hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Aanleiding
Op de locatie aan de Sportlaan in Moordrecht is op dit moment Sportpark 't Lage gesitueerd. Het sportpark is het onderkomen van VV Moordrecht en postduivenvereniging De Gevleugelde Vrienden. Doordat VV Moordrecht te maken heeft met een toenemend aantal leden en de sportvelden in kwalitatief slechte staat verkeren voldoet het sportpark niet meer. Omdat het sportpark op de huidige locatie geen uitbreidingsmogelijkheden kent wordt het sportpark verplaatst naar de noordoostkant van Moordrecht, naast bedrijventerrein 't Ambacht. Initiatiefnemer is voornemens om op de vrijkomende gronden van het Sportpark 't Lage 85 woningen te realiseren, bestaande uit appartementen, rijwoningen, twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen.  
 
De beoogde ontwikkeling past niet binnen de mogelijkheden van de geldende beheersverordening 'Moordrecht', vastgesteld op 6 maart 2018 door de gemeente Zuidplas. In de huidige situatie hebben de gronden binnen het plangebied de bestemming 'Recreatieve doeleinden sportterrein'. Om de hierboven geschetste ontwikkeling mogelijk te maken is een nieuw bestemmingsplan vereist.
 
Het voorliggende bestemmingsplan heeft als doel een nieuw en actueel planologisch-juridisch kader te bieden dat de realisatie van 85 woningen mogelijk maakt.
 
1.2 Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan de zuidwestzijde van de kern van Moordrecht. Moordrecht is onderdeel van de gemeente Zuidplas. Het plangebied is kadastraal bekend onder de gemeente Moordrecht, sectie C, percelen 3528, 5638 (deels) en 5580.
 
Op de volgende afbeeldingen is de globale begrenzing en ligging van het plangebied weergegeven.
 
Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
 
Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
 
1.3 Geldend bestemmingsplannen
De geldende beheersverordening ter plaatse van het plangebied is de beheersverordening 'Moordrecht', vastgesteld op 6 maart 2018 door de gemeenteraad van de gemeente Zuidplas. In de beheersverordening wordt in de regels, artikel 2.1 sub a, aangegeven dat de regels en verbeelding uit het bestemmingsplan 'Moordrecht-West', zoals vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Zuidplas op 16 mei 2006 van toepassing zijn binnen de grenzen van het plangebied.
 
De volgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding ter plaatse van het plangebied.
 
Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Moordrecht-West', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl) 
 
Binnen het plangebied gelden de bestemmingen 'Recreatieve doeleinden sportterrein' en 'Verkeersdoeleinden a'. De voor 'Recreatieve doeleinden sportterrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor sportbeoefening in de open lucht en zaalsporten, alsmede voor maatschappelijke doeleinden, met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken - geen gebouwen zijnde -, functiegebonden horeca, open terreinen, wegen, paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en water. Ter plaatse van de kleedgelegenheid en kantine is een bouwvlak aangeduid waar een maximale goothoogte van 7 meter geldt.
 
Ter plaatse van de bestemming 'Verkeersdoeleinden a' zijn de gronden bestemd voor verkeersdoeleinden ten behoeve van een ontsluitingsroute met rijwegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, bermen en water. Binnen deze bestemming zijn tevens de daarbij behorende gebouwen zoals wachthuisjes (abri's), bouwwerken voor openbaar nut, alsmede voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals bruggen en lichtmasten toegestaan. De maximale oppervlakte van een gebouw mag ten hoogste 10 m² bedragen met een goothoogte van ten hoogste 3 m. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt de maximale hoogte 12 m. 
 
Naast de beheersverordening 'Moordrecht' geldt voor een kleine strook van het plangebied het wijzigingsplan 'Moordrecht-West WP Sportlaan', vastgesteld door de raad van de gemeente Zuidplas op 23 maart 2010. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het wijzigingsplan 'Moordrecht-West WP Sportlaan'.
 
Uitsnede wijzigingsplan 'Moordrecht-West WP Sportlaan', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
 
Voor de strook binnen het wijzigingsplan geldt de bestemming 'Groenvoorzieningen'. De voor 'Groenvoorzieningen' aangewezen gronden zijn bestemd voor parken, groenstroken en parkeren, met de daarbij behorende voet- en fietspaden, beplanting, tuinen, speelvoorzieningen, verhardingen, waterpartijen en bouwwerken voor openbaar nut. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd.
 
Tevens geldt ter plaatse het bestemmingsplan 'Parapluherziening Archeologie' (vastgesteld op 6 maart 2018). Er geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3', waarbij de gronden mede bestemd zijn voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Verder is het bestemmingsplan 'Parapluherziening Parkeren', vastgesteld op 24 april 2018, van toepassing. 
  
De realisatie van 85 woningen is niet toegestaan binnen de mogelijkheden van het bestemmingsplan 'Moordrecht-West'. Om de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken moet een nieuw bestemmingsplan vastgesteld worden. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.
  
1.4 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt een algemene beschrijving van het plan weergegeven. De huidige ruimtelijke en functionele structuur van het gebied en de eventuele verschillen tussen het geldende planologische regime en de toekomstige manier van bestemmen wordt beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 komen alle voor het bestemmingsplan relevante milieu- en overige aspecten aan de orde, waarna het geheel wordt vertaald in een juridische bestemmingsregeling die in hoofdstuk 5 wordt toegelicht. Hoofdstuk 6 betreft de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 7 bevat de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de participatie en overlegmomenten zijn opgenomen. Tot slot bevat hoofdstuk 8 een handhavingsparagraaf.
hoofdstuk 2 Planomschrijving
2.1 Huidige situatie
Het plangebied is gelegen aan de zuidwestzijde van de kern van Moordecht, binnen de bebouwde kom van Moordrecht. Moordrecht vormt een compact dorp met een historische kern en maakt onderdeel uit van de gemeente Zuidplas.
  
Aan de zuidwest- en zuidoostzijde grenst het plangebied aan de Vierde Tochtweg. De Vierde Tochtweg heeft een smal wegprofiel en is  één van de toegangswegen van Moordrecht. Aan de Vierde Tochtweg is met name lintbebouwing gelegen bestaande uit vrijstaande woningen op ruime kavels. Tussen het plangebied en de Vierde Tochtweg is een watergang gelegen. Aan de noordwestzijde, grenzend aan de Nicolaas Beetslaan, zijn recent nieuwe woningen gerealiseerd bestaande uit vrijstaande woningen en appartementengebouwen. De appartementengebouwen bestaan uit vier bouwlagen en de vrijstaande woningen hebben twee bouwlagen met een teruggesprongen derde bouwlaag. Aan de noordoostzijde grenst het plangebied aan de Sportlaan en Dokter van Westendorplaan waaraan voornamelijk rijwoningen zijn gelegen.
           
Linker afbeelding toont een impressie van de omgeving van de huidige situatie vanaf de Nicolaas Beetslaan in noordelijke richting. Rechter afbeelding toont een impressie van de omgeving van de huidige situatie vanaf de Vierde Tochtweg in noordelijke richting  (bron: Google Streetview)
 
Op dit moment is Sportpark 't Lage gesitueerd binnen de plangrens. Het sportpark bestaat uit twee voetbalvelden, een klein trapveldje, een kleedgelegenheid/kantine en parkeervoorzieningen. Het sportpark is in gebruik door VV Moordrecht en duivenvereniging De Gevleugelde Vrienden. VV Moordrecht heeft te maken met een toename van het aantal leden waardoor de vereniging steeds vaker te maken heeft met capaciteitsproblemen, daarbij zijn de huidige sportvelden kwalitatief slecht. Derhalve zal VV Moordrecht samen met duivenvereniging De Gevleugelde Vrienden en Stichting Scouting Moordrecht worden verplaatst naar een nieuwe locatie aan de noordoostkant van Moordrecht. Inmiddels is men begonnen met de realisatie van het toekomstige sportpark. De verwachting is dat de gronden behorende bij Sportpark 't Lage binnen afzienbare tijd vrijkomen.
 
De navolgende afbeeldingen tonen een impressie van een huidige situatie binnen de plangrens.
 
Linker afbeelding toont aanzicht vanaf de Sportlaan in noordelijke richting. Rechter afbeelding toont aanzicht vanaf de Sportlaan in westelijke richting (bron: Google Streetview)
 
2.2 Toekomstige situatie
Initiatiefnemer is voornemens om op de vrijkomende gronden van het voormalige Sportpark 't Lage, woningen te realiseren. Voor het plangebied is een stedenbouwkundig matenplan gemaakt (IMOSS/Vink, d.d. 12 april 2021). Het beoogde plan voorziet in de realisatie van 85 woningen, bestaande uit in totaal 58 rijwoningen, twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen en uit 27 appartementen,
 
Onderstaande afbeelding toont het stedenbouwkundig matenplan.
 
Stedenbouwkundig matenplan beoogde situatie (bron: IMOSS /Vink, d.d. 12 april 2021)
 
Stedenbouwkundige opzet
Aan de zuidwestzijde van de planlocatie zullen twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen worden gerealiseerd bestaande uit één en twee bouwlagen met kap. Hiermee wordt aangesloten op de bestaande lintbebouwing aan de Vierde Tochtweg. De woningen zullen ontsloten worden aan de Vierde Tochtweg middels gedeelde bruggen/dammen.
Aan de noordwestzijde wordt een appartementengebouw gerealiseerd bestaande uit vier bouwlagen. Dit gebouw sluit ruimtelijk aan op het naastgelegen appartementengebouw.
In het midden van het plangebied wordt een compact carré met rijwoningen gerealiseerd. Aansluitend worden eveneens rijenwoningen voorgesteld.
 
Voor het noordoostelijke gedeelte van het plangebied zijn geen woningen beoogd. Hier worden de speelvelden in stand gehouden. Een deel daarvan kan in de winterperiode onder water gezet worden ten behoeve van een ijsbaan. Dit gedeelte kan in gebruik genomen worden als parkeerterrein.
 
Programma
Het voorgenomen plan betreft de realisatie van in totaal 85 woningen. Het programma bestaat uit 10 rijwoningen en 27 appartementen in de categorie 'goedkoop huur' en 'sociale huur'. Verder zullen er 40 rijwoningen in de categorie 'middelduur' worden gerealiseerd. Aan de Vierde Tochtweg worden 6 twee-onder-één-kapwoningen en 2 vrijstaande woningen in de categorie 'duur' mogelijk gemaakt.
 
Groen, water en openbare ruimte
Het groen binnen het plangebied bestaat uit groenstroken tussen de ontsluitingswegen en trottoirs. De bestaande watergang langs de Vierde Tochtweg blijft behouden. Het plangebied wordt voor een groot deel omringd door deze watergang. Tussen het appartementengebouw en de rijwoningen is een wadi beoogd, waar het regenwater kan infiltreren in de bodem, of vertraagd wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het noordoostelijke gedeelte van het plangebied bestaat uit een grasveld, waar tevens parkeerplaatsen voor het onderhavige woongebied zijn voorzien. Het terrein kan in de winterperiode dienen als een ijsbaan.
     
Verkeer en parkeren
Het plangebied zal voornamelijk ontsloten worden middels de bestaande toegangsweg aan de Sportlaan/Dokter van Westendorplaan. Er wordt een ringvormige weg door het plangebied aangelegd, waaraan de rijwoningen worden ontsloten. De twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen worden ontsloten aan de Vierde Tochtweg.
 
De parkeerplaatsen worden binnen het plangebied op eigen terrein of in de openbare ruimte gerealiseerd. In toelichting paragraaf 4.10 wordt nader ingegaan op de parkeerbehoefte in de toekomstige situatie. Met het voorgenomen plan worden er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd.
 
2.3 Beeldkwaliteit
Naast het stedenbouwkundig matenplan is er een Beeldkwaliteitsplan opgesteld (IMOSS/Vink, d.d. 8 december 2021); zie bijlagen bij toelichting, bijlage 9.  Het beeldkwaliteitsplan wordt gelijktijdig met het bestemmingsplan vastgesteld, als aanvulling op de Welstandsnota. Daarmee is het beeldkwaliteitsplan het toetsingskader voor welstand.
 
Voor de beeldkwaliteit van 't Lage wordt aangesloten bij de geschiedenis van de bakstenen-industrie in de regio. Er kan onder andere in de architectonische uitstraling van de bebouwing worden verwezen naar de baksteencultuur. Het materiaalgebruik en de detaillering van de woningen krijgt daarmee een traditionele uitstraling die aansluit op de identiteit van het dorp Moordrecht.
 
Indeling plangebied 
Het plangebied kan grofweg onderverdeeld worden in twee deelgebieden. Het oostelijke deel sluit aan bij de dorpsbebouwing van Moordrecht en sluit direct aan op de bestaande woonwijk. Een smalle strook langs de Vierde Tochtweg zoomt het plangebied aan de zuid-westkant af en vindt zijn aansluiting bij de agrarische lintstructuur. De navolgende afbeelding toont de twee deelgebieden van het plangebied.
 
 Deelgebieden (bron: IMOSS /Vink, d.d. 8 december 2021)
 
Woonmilieu lint-bebouwing
De bebouwing langs de Vierde Tochtweg is nadrukkelijk op het lint georiënteerd en ligt met zijn rug naar de rest van de wijk. De woningen krijgen aan de voorkant ruime voortuinen en bruggen en de kavels sluiten daarmee aan op de uitstraling van de Vierde Tochtweg.
 
De Vierde Tochtweg is een landelijk lint met daarin een afwisseling van verschillende woontypes, zoals vrijstaande woningen en twee-onder-één-kapwoningen. Deze lopen uiteen van woonhuis tot villa en boerderijen, verdeeld in clusters en solitaire bebouwing. Het cluster 11a t/m 15a ligt direct tegenover de ontwikkeling van ’t Lage. Het karakter daarvan is individueel met ruimte tussen de bebouwing. Net als de bestaande bebouwing krijgen de percelen een individuele toegang (soms gedeeld maar altijd per bouwvolume) in de vorm van een bruggetje. De individuele bruggetjes die toegang geven tot de percelen benadrukken het individuele karakter. Door met de ontwikkeling aan de Vierde Tochtweg hierop aan te sluiten passen de nieuwe woningen goed in het lint.
Het is daarbij zaak om de bouwvolumes niet 'dicht te laten lopen'. Vrije en onbebouwde ruimte is hier van belang. De percelen waar de nieuwe woningen op worden gerealiseerd zijn ruim en bieden voldoende plaats voor hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken, al dan niet vast gebouwd aan het hoofdgebouw. Vergunningplichtige en vergunningvrije bouwmogelijkheden tussen de reeds voorgestane bebouwing zijn niet noodzakelijk voor het woongenot. Ze doen er zelfs afbreuk aan omdat de landelijke, individuele setting met onderlinge vrije ruimte wordt aangetast door alles als het ware aan elkaar te bouwen. Om die reden is hieraan op de verbeelding de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - openheid' gegeven, waarmee hier bijbehorende bouwwerken en vergunningvrij bouwen worden uitgesloten.
 
De twee-onder-één-kapwoningen hebben één herkenbare hoofdmassa. Daarnaast zijn voor de woningen in dit deelgebied aan- en bijgebouwen ondergeschikt en qua materiaal en kleur afgestemd op de hoofdmassa. Er zit variatie in het kleurgebruik van de woningen, waarbij wit slechtst incidenteel is toegestaan. Tevens hebben de woningen aan het lint een afwisselende kapvorm en nokrichting. 
 
Woonmilieu dorps-bebouwing
De woningen in het woonmilieu ‘dorpsbebouwing’ sluiten qua materiaal en vormentaal aan op de bestaande dorpsstructuur. De woningen zijn voorzien van een traditionele hoofdvorm, maar kunnen een eigentijdse uitstraling krijgen door het materiaalgebruik en de detaillering. Een verzorgde overgang van openbaar naar privé is van belang. De gevelkleur is hoofdzakelijk rood-bruin met accenten in bruin-antraciet. Witte geveldelen kunnen als toevoeging (ondergeschikt) in het architectuurbeeld worden opgenomen.
 
De hoeken van de bouwblokken vormen stedenbouwkundige accenten. Deze vragen extra zorg en aandacht in het architectonisch ontwerp. De volgende accenten worden hierbij onderscheiden:
  • Accenten van het centrale middenblok
  • Accenten van de omlijsting
  • Accenten van het appertementengebouw
De navolgende afbeelding toont welke hoeken van de bouwblokken stedenbouwkundige accenten vormen.
 
Stedenbouwkundige accenten (bron: IMOSS /Vink, d.d. 8 december 2021)
 
Het middenblok bestaat uit een samenhangende eenheid. De woningen vormen feitelijk een carré van bebouwing. De samenhang van het blok wordt versterkt door het toepassen van een Delfste Stoep rondom het carré en tuinmuren die aansluiten op het materiaal en detaillering van de woningen. Er wordt gebruik gemaakt van o.a. erkers, ramen op de tweede verdieping en overstek van de kap om de kopgevels extra kwaliteit te geven.
 
Rond het middenblok bevinden zich rijwoningen met een luxe uitstraling, waardoor er een contrast ontstaat. De woningen zijn voorzien van ruimte voortuinen met hagen. De erfafscheidingen zijn van een groen karakter. Een aantal woningen hebben gedraaide kappen om de bouwblokken te beëindigen. Anderen hebben een extra brede beukmaat en een opgetilde goot waardoor grotere woningtypen kunnen worden ontwikkeld en de diversiteit in de wijk wordt versterkt.
 
In het noordoostelijke gedeelte van het plangebied bevindt zich het appartementencomplex die qua vorm en uitstraling zal aansluiten op de bestaande naastgelegen appartementencomplexen.
 
Openbare ruimte en groenstructuur
Het plangebied wordt voor een groot deel omringt door water. Deze watergangen zijn doorontworpen in het plangebied. Langs het appartementencomplex grenst een Wadi aan de watergang, net als aan de andere kant in het noordoosten. Deze wadi’s bieden de mogelijkheid voor natuurlijke waterinfiltratie en waterberging. Er worden nieuwe bomen geplant langs de wegen, waarmee aansluiting wordt gezocht bij de groene omgeving. Tevens wordt er een groen straatbeeld gecreëerd. De parkeerkoffers kunnen (deels) in groene verharding worden uitgevoerd. Langs de zuidrand van het plangebied blijven de bestaande knotwilgen en elzen zoveel als mogelijk behouden. Daarnaast vormt het bestaande trapveldje een belangrijk groenelement.  
 
De navolgende afbeelding toont de beoogde groenstructuur.
 
Beoogde groenstructuur (bron: IMOSS /Vink, d.d. 8 december 2021)
 
Parkeren
Om het parkeren minder zichtbaar te maken in dit straatbeeld, is er gekozen voor twee parkeerkoffers. Met de parkeerkoffers worden veel parkeerplaatsen gerealiseerd. Door de groene rand van de parkeerkoffers worden de meeste auto's uit het zicht ontnomen. Daarnaast zijn er verschillende parkeervoorzieningen op de kavels van de woningen beoogd. Voor het appartementencomplex wordt aan de zijkant in parkeerruimte voorzien. Naast de functie als parkeerplek bieden de parkeerkoffers ook een functie voor waterberging. Dit vindt plaats onder het verhard wegdek van de parkeerkoffers. Daarnaast heeft parkeren plaats op een locatie aan de Dokter van Westendorplaan. Deze locatie kan ook tijdelijk gebruikt worden als ijsbaan.
 
hoofdstuk 3 Beleidskader
  
3.1 Nationaal beleid
 
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten:
  1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  2. duurzaam economisch groeipotentieel;
  3. sterke en gezonde steden en regio's;
  4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. 
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
    
Planspecifiek
Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk zoals het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit en het realiseren van nieuwe woningen wat bijdraagt aan sterke en gezonde regio's.
 
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 13 nationale belangen opgenomen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
 
Planspecifiek
Het plan valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.
 
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
 
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
  • De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
  • Indien in een bestemmingsplan, als bedoeld in het tweede lid, toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
  • Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
 
Planspecifiek
Stedelijke ontwikkeling
Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van 85 woningen. De voorgenomen ontwikkeling moet derhalve worden aangemerkt als stedelijke ontwikkeling. 
 
Bestaand stedelijk gebied
Het bestaand stedelijk gebied wordt volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) als volgt gedefinieerd: ’bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. De gronden in het plangebied maken onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. De locatie ligt in het noordwesten van de kern Moordrecht. Rond het plangebied zijn voornamelijk woningen aanwezig.
 
Behoefte
Bij een stedelijke ontwikkeling dient aangetoond te worden dat er behoefte is aan de ontwikkeling binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied. De aard en de omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt. De omvang van de stedelijke ontwikkeling betreft 85 woningen, bestaande uit appartementen, rijwoningen, twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen. 
 
De behoefte aan de woningen komt nader aan bod in de Woonvisie 2025 van de gemeente Zuidplas, zie toelichting paragraaf 3.3.3. Hierin wordt gesteld dat er tot 2030 behoefte is aan 3.250 woningen, bestaande uit 70% koopwoningen, 27% sociale huurwoningen en 3% aan middenhuur woningen. Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van 10 rijwoningen en 27 appartementen in de categorie 'goedkoop huur' en 'sociale huur'. Verder zullen er 40 rijwoningen in de categorie 'middelduur' worden gerealiseerd. De overige woningen bestaan uit 6 twee-onder-één-kapwoningen en 2 vrijstaande woningen in de categorie 'duur'.
Tevens wordt in Structuurvisie Zuidplas 2030, toelichting paragraaf 3.3.2, gesteld dat er voor de gemeente Zuidplas een woningbouwopgave is van circa 5.000 woningen binnen en aan de dorpen van Zuidplas. Op basis hiervan is de conclusie gerechtvaardigd dat er behoefte is aan de ontwikkeling binnen het plangebied.
 
Conclusie
Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat voorgenomen ontwikkeling van 85 woningen past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.
 
3.2 Provinciaal beleid
 
3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland
De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 augustus 2020. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen:
  1. Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:
  • het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;
  • de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;
  • het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur;
  • de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie;
  • de groene ruimte en de groenblauwe structuur;
  • het bodem- en watersysteem;
  • energie.
  1. Ambities en sturing
De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk.
 
De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:
  • naar een klimaatbestendige delta;
  • naar een nieuwe economie: the next level;
  • naar een levendig meerkernige metropool;
  • energievernieuwing;
  • best bereikbare provincie;
  • gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
  1. Omgevingskwaliteit
Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:
  • een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de Zuid-Hollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;
  • een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;
  • een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.
  1. Beleidskeuzes
De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes.  De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. De voor onderhavig plan relevante beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie worden hierna behandeld.
 
Planspecifiek 
De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze: 'Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Met deze beleidskeuze geeft de provincie richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart. Dit beleid maakt naar zijn aard meerdere uitleg mogelijk. Vanuit de nieuwe sturingsfilosofie is dit een kans en geen bedreiging. Gelet op het gezamenlijke belang is een gedeelde opvatting over de uitleg en interpretatie van het kwaliteitsbeleid per concreet gebied wenselijk. De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Onderstaand zullen de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven.
  
Laag van de ondergrond
Een groot deel van Zuid-Holland bestaat uit veengronden met een hoge waterstand. Het veen kent een geringe draagkracht. Daarnaast vinden we hier een groot aantal bestaande en voormalige plassen. Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor behoud van het veen en zijn met name bij de diepe veenpakketten gericht op het beperken van de bodemdaling. Het plangebied is in de huidige situatie in gebruik als sportlocatie met voetbalvelden. Daarmee kan gesteld worden dat de gronden intensief gebruikt worden. Met de bouw van 85 woningen zal bij de constructie rekening worden gehouden met de ondergrond, hierdoor zal de bodemdaling beperkt blijven.
       
Laag van de cultuur- en natuurlandschappen
De nieuwe ontwikkeling bevindt zich in het 'Droogmakerijenlandschap'. Droogmakerijen zijn ontstaan uit natuurlijke meren en uit verveningen. Ze hebben een duidelijke begrenzing door een ringdijk, ringvaart of oude hoge oeverlanden. Het landschap is visueel open (tenzij het is verstedelijkt), grootschalig en ligt gemiddeld enkele meters lager dan de omgeving. Richtpunten voor het droogmakerijlandschap zijn:
  • De droogmakerij blijft als eenheid herkenbaar door het beleefbaar houden van de randen (ringdijk of –vaart) en het hoogteverschil tussen laaggelegen droogmakerij en omringend land.
  • Behoud van de (ring)dijk en/of vaart als herkenbare landschappelijke structuurdrager en begrenzing van de droogmakerijpolders.
  • Nieuwe ontwikkelingen in de droogmakerij worden vormgegeven als eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen, passend bij de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling, met strakke groene omzoming en behoud van ruime doorzichten.  
De beoogde ontwikkeling heeft geen effect op de herkenbaarheid van het gebied doordat omliggende sloten intact blijven. In de huidige situatie is er nauwelijks sprake van zichtlijnen doordat het plangebied in een stedelijk gebied ligt. De randen van het plangebied worden passend met het omliggende landschap ingericht, waarbij de watergangen in stand worden gehouden.
 
Laag van de stedelijke occupatie
Het plangebied is deels gelegen binnen de kaartlaag 'Steden en dorpen' en deels binnen de kaartlaag 'Stads- en dorpsranden'. Voor de 'Steden en dorpen' geldt dat elk dorp bij ontwikkelingen rekening houdt met de eigen identiteit en voort bouwt op haar karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap. Het dorp is deel van het omringende landschap, doordat onderliggende patronen herkenbaar zijn in de structuur van het dorp. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 85 woningen. In de huidige situatie is Sportpark 't Lage gesitueerd ter plaatse van het plangebied. Het initiatief is passend in de omgeving omdat in de directe omgeving van het plangebied reeds woningen zijn gelegen.
 
Langs de Vierde Tochtweg is het plangebied gelegen aan de 'Stads- en dorpsrand'. Dit is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het contact met het buitengebied. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij onderscheiden we drie typen ‘overgangskwaliteiten’. Het front, het contact en de overlap. Het voornemen is om aan de Vierde Tochtweg twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen te realiseren op ruime kavels. Dit is in lijn met de bestaande bebouwing aan de Vierde Tochtweg.
 
Conclusie
Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit wordt niet aangetast. De beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities.
 
3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland
Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 1 augustus 2020 in werking getreden. De Omgevingsverordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. 
 
Ruimtelijke kwaliteit
In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling:
  1. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);
  2. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:
    1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
    2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid;
  3. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:
    1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
    2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.   
 
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt binnen het bestaand stedelijk gebied. Met de stedenbouwkundige invulling van de beoogde nieuwbouw is zoveel mogelijk rekening gehouden met de bestaande gebiedsidentiteit. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat de beoogde plannen aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart voldoen.
 
Ladder voor duurzame verstedelijking
In artikel 6.10 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen:
  1. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening;
  2.  indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.
 
Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat de ontwikkeling binnen het bestaand stads- en dorpsgebied is voorzien. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening.
 
Conclusie 
Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit de Omgevingsverordening voor de onderhavige nieuwe ontwikkelingen.
 
3.3 Gemeentelijk beleid
 
3.3.1 Omgevingsvisie Zuidplas
In de 'Omgevingsvisie Zuidplas' staan de ambities voor de lange termijn, tot 2040. Met de omgevingsvisie wordt richting gegeven aan toekomstige ontwikkelingen die plaatsvinden in een veilige en gezonde fysieke leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit voor inwoners. De fysieke leefomgeving gaat over bijna alles buiten, dus: gebouwen, bodem, water, natuur, lucht, maar ook wegen en duurzame opwek van energie.
 
In de omgevingsvisie staan de volgende ambities centraal:
  • Aantrekkelijk Zuidplas: Ingezet wordt op het bouwen van inbreidingslocaties binnen de dorpen. Daarnaast wordt ingezet op aanpassingen van de bestaande woningvoorraad. Als dorpen in Zuidplas uit willen breiden kan dat, maar alleen als een bijdrage wordt geleverd aan hogere doelen.
  • Duurzaam Zuidplas: Nieuwe ontwikkelingen zijn zoveel mogelijk energieneutraal. Voor bestaande gebouwen wordt ook hierop ingezet, hoewel dit niet overal haalbaar zal zijn. Naast de energiedoelstellingen wordt gewerkt aan een klimaatbestendige omgeving. Klimaatadaptatie, onder andere het tegengaan van hittestress, verdroging en wateroverlast, heeft daarbij nadrukkelijk aandacht.
  • Ondernemend Zuidplas: Zuidplas wil in 2040 een aantrekkelijk gemeente zijn voor ondernemers en ervoor zorgen dat er voldoende eigen werkgelegenheid is. Een gemeente met een aantrekkelijk vestigingsklimaat en belangrijke speler in de regio. 
  • Gezond Zuidplas: Zuidplas wil in 2040 een sociale en vitale gemeente zijn. Een gemeente met een gezonde en veilige leefomgeving én met aandacht voor de gezondheid van onze inwoners. 
De omgevingsvisie is uitgewerkt in een visie per dorp. Hierin is aangegeven hoe een aantrekkelijk, duurzaam, ondernemend en gezond Zuidplas eruitziet per dorp. De omgevingsvisie geeft per thema, voor heel Zuidplas en per deelgebied en per dorp ambities, opgaven, kansen en te maken keuzes weer.
 
Planspecifiek
Voor de gemeente Zuidplas geldt dat er voor de positionering van de dorpen ingezet wordt op het realiseren van inbreidingslocaties binnen de bestaande dorpen, wanneer de geplande uitbreidingen aan de dorpen zijn gerealiseerd. Daarbij wordt ingezet op een divers, betaalbaar en flexibel woningaanbod. De beoogde herontwikkeling vindt plaats binnen het bebouwd gebied van Moordrecht. Er worden in totaal 85 woningen mogelijk gemaakt, bestaande uit verschillende woningtypen. Naast duurdere twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen worden er middeldure rijwoningen en appartementen voor de goedkope en sociale huur gerealiseerd. Hiermee wordt aangesloten op de ambitie van de gemeente om een divers, betaalbaar en flexibel woningaanbod te realiseren.
 
Nieuwe ontwikkelingen zijn zoveel als mogelijk energieneutraal. Om dit mogelijk te maken moet energie opwek integraal onderdeel zijn van het plan. Naast de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn, wordt er door de gemeente ook ingezet op het tegengaan van hittestress, verdroging en wateroverlast. De woningen die met het voorliggende plan worden gerealiseerd dienen te voldoen aan de BENG-normen. Ze worden gasloos uitgevoerd en voorzien van duurzame installaties en een goede isolatie. Op het gebied van klimaatadaptatie wordt rekening gehouden met de afvoer en het opvangen van regenwater, bijvoorbeeld door middel van een wadi tussen het appartementengebouw en de rijwoningen. Bestaande watergangen blijven behouden en waar nodig worden deze verbreed en verlengd.
 
Gelet op het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het beoogde initiatief voor de herontwikkeling van 't Lage naar woningbouw in lijn is met de ambities van de gemeente en de Omgevingsvisie Zuidplas.
 
3.3.2 Structuurvisie Zuidplas 2030
De structuurvisie Zuidplas 2030 - Ruimte voor dorps wonen in de Randstad is op 27 november 2012 vastgesteld door de raad van de gemeente Zuidplas. In de structuurvisie wordt de ruimtelijke visie tot 2030 weergeven. De structuurvisie biedt een kader voor alle gebieds- en ruimtelijke opgaven die de gemeente in de komende decennia wil realiseren. De pijlers voor de gemeente Zuidplas richten zich met name op het open agrarisch landschap, grote woonopgaven, nieuwe werkgebieden en ruimte voor groen- en recreatie.
 
In de structuurvisie wordt de gemeentelijke visie op de thema's 'Wonen en Voorzieningen', 'Werken', 'Groen en Recreatie', 'Verkeer en Infrastructuur' en 'Milieu en Duurzaamheid' beschreven en in een themakaart weergeven. De vijf themakaarten vormen als geheel de Structuurvisiekaart Zuidplas 2030.
 
Wonen en voorzieningen
Specifiek voor de planlocatie is het thema 'Wonen en voorzieningen' van toepassing. De dorpen in Zuidplas beschikken alle vier over basisvoorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, sport, cultuur en (commerciële) dienstverlening. De invulling daarvan is dorpsgericht. Zo wordt binnen de gemeente alle reguliere vormen van basis- en middelbaar onderwijs aangeboden. Zowel onder als na schooltijd is er aandacht voor sport en cultuur. De dorpen beschikken over toegankelijke sportaccommodaties. De invulling van de sportfaciliteiten sluit aan bij de wensen en behoeften van de inwoners en verenigingen.
 
Planspecifiek
Het voorgenomen plan betreft de realisatie van 85 woningen binnen het plangebied. In de huidige situatie zijn ter plaatse een sportpark met sportvelden gesitueerd die gebruikt worden door VV Moordrecht. Het aantal leden van VV Moordrecht neemt toe en de sportvelden verkeren in een kwalitatief slechte staat, waardoor het sportpark niet meer voldoet. Op de huidige locatie zijn er geen uitbreidingsmogelijkheden. Het sportpark wordt dan ook verplaatst naar de noordoostkant van Moordrecht, naast bedrijventerrein 't Ambacht. Na de verplaatsing van het sportpark komt er een gebied vrij binnen bestaand stedelijk gebied. De realisatie van woningen is passend in de omgeving.
 
In de structuurvisie wordt voor het thema 'Wonen en voorzieningen' gesteld dat de realisatie van nieuwe woningen hoofdzakelijk binnen en aan de vier dorpen plaatsvindt. Het plangebied is gelegen binnen de kern van Moordrecht. Gesteld wordt dat de ontwikkeling van woningen in lijn is met de structuurvisie van de gemeente Zuidplas.
 
3.3.3 Woonvisie 2025
De 'Woonvisie 2025 - Dorps wonen in Zuidplas, nu en in de toekomst' is op 23 januari 2019 door de gemeenteraad vastgesteld. In de woonvisie wordt een doorkijk naar het wonen in Zuidplas rond het jaar 2025 gegeven en is richtinggevend van karakter. De woonvisie is tevens het programmatische toetsingskader voor nieuwbouwlocaties. In de woonvisie wordt gekozen voor de volgende strategie:
  • Sociale huursector op peil.
  • Identiteit vasthouden.
  • Langer thuis wonen.
  • Duurzaam wonen en leven.
  • Innovatieve woonvormen.
 
Om de visie te realiseren zijn de stappen verwoord in drie speerpunten:
  1. Een divers en betaalbaar woningaanbod voor alle doelgroepen.
  2. Duurzaam wonen.
  3. Experimenten in wonen en ontmoeten.
 
Met het eerste speerpunt wordt de visie van een evenwichtige bevolkingsopbouw verwezenlijkt. De andere twee dragen bij aan het realiseren van dat divers en betaalbaar woningaanbod.
 
Woningbouwopgave
Zuidplas bouwt volop nieuwe woningen om bij te dragen aan de woningbouwopgave in de Zuidvleugel. Uit onderzoek blijkt dat de vraag naar diverse woningtypen toeneemt. In de woonvisie staan uitgangspunten voor de omvang van de diverse woon- en prijssegmenten die in Zuidplas nodig zijn. Deze uitgangspunten voor de woningvoorraad die in de Woonvisie staan, bieden houvast in de onderhandelingen over nieuwbouw met projectontwikkelaars en woningcorporaties.
 
In de woonvisie staat geen woningverdeling per dorp. Nieuwbouwontwikkeling is maatwerk en daarom komen er randvoorwaarden voor elk nieuwbouwproject. Daarin wordt op basis van de locatie (het dorp), de marktomstandigheden en de grootte van het project aangegeven hoeveel woningen van welk type, prijsklasse, eigendomsverhoudingen (huur of koop) en kwaliteitsniveau gewenst zijn.
 
Planspecifiek
Voor de periode tot 2030 is er een behoefte aan 3.250 nieuwe woningen in de gemeente Zuidplas. Van deze woningen is er een behoefte aan 70% koopwoningen, 27% sociale huurwoningen en 3% middenhuur woningen. Met het voorliggende plan worden 37 woningen in de categorie 'goedkoop huur' en 'sociale huur' gerealiseerd. Hiervan worden er 27 in het appartementencomplex en 10 in het middengebied gerealiseerd. Daarnaast worden er in het middengebied 40 rijwoningen in de categorie 'middelduur' en aan de Vierde Tochtweg 8 woningen in de categorie 'duur' gerealiseerd, bestaande uit 6 twee-onder-één-kapwoningen en 2 vrijstaande woningen.
 
Gesteld kan worden dat de ontwikkeling van 85 woningen in de kern Moordrecht past binnen de kaders van de Woonvisie 2025. Met het plan wordt een bijdrage geleverd aan de woningbouwopgave binnen de gemeente Zuidplas.
 
3.3.4 Programma Duurzaamheid en Klimaatadaptatie
De gemeente Zuidplas heeft in het programma Duurzaamheid & Klimaatadaptatie 2019 – 2025 het doel gesteld om in 2050 een duurzame en toekomstbestendige gemeente te zijn. De gemeente Zuidplas wil echter verder kijken dan de energietransitie. Er wordt ook gekeken naar het veranderende klimaat en hoe gemeente Zuidplas een aantrekkelijke leefomgeving kan ontwikkelen en behouden. Het programma Duurzaamheid & Klimaatadaptatie 2019 – 2025 bestaat uit de volgende thema’s:
  • Energie en warmte: het besparen van energie, het opwekken van hernieuwbare energie en de bebouwde omgeving loskoppelen van aardgas.
  • Klimaatadaptatie: inrichten van de openbare ruimte om de gevolgen van klimaatverandering te beperken.
  • Circulaire economie: Het bestaande lineaire systeem omzetten naar een nieuw circulair systeem.
  • Leefomgeving: De leefomgeving wordt vooral vorm gegeven in de inrichting van de fysieke (openbare) buitenruimte door beplanting en gebruik van materialen. Voor een gezonde leefomgeving is een goede kwaliteit van bodem, lucht en water van belang.  
 
Planspecifiek
De gemeente Zuidplas streeft naar duurzame ontwikkelingen. Met de voorgenomen ontwikkeling zal worden aangesloten bij dit streven, waarbij voldaan dient te worden aan de normen van Bijna Energie-Neutrale Gebouwen (BENG). De woningen worden dan ook gasloos uitgevoerd en voorzien van duurzame installaties en een goede isolatie. Daarnaast wordt het plangebied klimaatadaptief ingericht. Er zal sprake zijn van voldoende mogelijkheden om het regenwater op te vangen bij zware weersomstandigheden. De watergangen rond het plangebied blijven behouden en worden waar nodig verbreed en verlengd. Daarnaast bestaat de ambitie om tussen het nieuwe appartementengebouw en de rijwoningen een wadi te realiseren.
 
Gesteld kan worden dat het plan in lijn is met de ambities op het gebied van duurzaamheid van de gemeente Zuidplas.
  
3.3.5 Welstandsnota Zuidplas 2015
De welstandsnota is, kort gezegd, het beleidsdocument dat moet voorzien in de criteria die burgemeester en wethouders hanteren bij het beoordelen van een aanvraag omgevingsvergunning op welstandsvereisten. Middels de Welstandsnota Zuidplas 2015 geeft de gemeente Zuidplas aan hoe de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd. De gemeente hanteert het principe 'welstandsvrij, tenzij...'. Dat betekent dat de gemeente in principe welstandsvrij is. Uitzondering daarop zijn kwetsbare gebieden.
Het voornemen is om de Welstandsnota in 2022 te vervangen door de Nota Omgevingskwaliteit Zuidplas.
  
Planspecifiek
Uit het raadplegen van de welstandskaart van de gemeente Zuidplas blijkt dat de planlocatie in een gebied ligt met het welstandsniveau 'Vrij'. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de welstandskaart met het plangebied in het wit omcirkeld.
 
Uitsnede Welstandskaart gemeente Zuidplas, plangebied wit omcirkeld (bron: Welstandsnota Zuidplas 2015)
 
Voor diverse nieuwe projecten dient een beeldkwaliteitdocument opgesteld te worden die de beoogde kwaliteit voor een nieuwe ontwikkeling borgt. Met het voorliggende plan worden er op een relatief grote planlocatie nieuwe woningen gerealiseerd. Hiervoor is dan ook een beeldkwaliteitsplan opgesteld (IMOSS/Vink, d.d. 8 december 2021) die in toelichting paragraaf 2.3 is behandeld. Derhalve dient in de onderhavige situatie getoetst te worden aan dit beeldkwaliteitsplan. 
hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten
 
4.1 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:
  1. het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig;
  2. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.- beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht;
  3. het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd;
  4. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
  • Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
  • Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
  • De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.
 
Planspecifiek
Het bestemmingsplan bevat een activiteit die genoemd wordt in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Het realiseren van woningen valt onder onderdeel D.11.2 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen', (drempelwaarde: een aangesloten gebied dat 2.000 woningen of meer omvat) van het Besluit milieueffectrapportage.
 
Met de voorgenomen ontwikkeling worden in totaal 85 nieuwe woningen gerealiseerd. Voorliggend plan valt onder sub c: het plan wordt wel genoemd maar voldoet niet aan de drempelwaarde van 2.000 woningen of meer. Dit betekent dat het bevoegd gezag (vormvrij) een besluit moet nemen of het opstellen van een milieueffectrapportage nodig.
 
Derhalve zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
 
4.2 Bodem
In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.
 
Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk.
 
Planspecifiek
Met het voorliggende plan wordt de bestemming van het plangebied gewijzigd. Om die reden is in maart 2020 een milieuhygiënisch vooronderzoek uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat er een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem is, door de aanwezigheid van puinverhardingen, slakkenverharding en slootdempingen. Om te bepalen of de huidige milieuhygiënische bodemkwaliteit voldoet aan de eisen voor het beoogde gebruik (wonen) is een verkennend bodemonderzoek inclusief asbest-, asfalt- en puinfunderingsonderzoek uitgevoerd (Inventerra, 28 mei 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1).
 
Verkennend bodemonderzoek
Op grond van de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken wordt het volgende geconcludeerd:
  • De bodem onder het oostelijke puinpad is niet verontreinigd.
  • Het zand en veen onder de aanwezige puinverharding onder het asfalt en rond de kleedkamers/kantine is licht verontreinigd met diverse zware metalen. In het zwak baksteenhoudende zand bij boring 213 (0,3 – 0,5 m-mv) zijn geen verontreinigingen aangetoond.
  • Bij de uitgevoerde boringen (301 t/m 330) ter bepaling van de ligging van en opbouw van de slootdempingen is geen afwijkende bodemopbouw waargenomen, wat kan duiden op (potentieel verontreinigd) dempingsmateriaal.
  • Het matig puinhoudende veen bij boring 401 (0,5 – 1,0 m-mv) is licht verontreinigd met PAK.
  • Het veen onder de kunstgrasvelden is licht verontreinigd met enkele zware metalen.
  • Bij het onderzoek van de algemene bodemkwaliteit / overig terrein zijn in de bovengrond lichte verontreinigingen met enkele zware metalen aangetoond, respectievelijk geen verontreinigingen. In de ondergrond zijn eveneens plaatselijk lichte verontreinigingen met zware metalen aangetoond, respectievelijk geen verontreinigingen.
  • In alle grondwatermonsters zijn licht verhoogde concentraties barium vastgesteld; deze worden echter beschouwd als natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden. In het grondwater uit peilbuis 402 aan de zuidzijde van de kunstgrasvelden is tevens sprake van matig tot sterk verhoogde concentraties van enkele PAK. Aan de noordzijde (peilbuis 401) is sprake van een licht verhoogde concentratie van fenanthreen. 
Op basis van de onderzoeksresultaten is de hypothese ‘verdacht voor verontreiniging’ (strikt genomen) bevestigd vanwege de aangetoonde verhoogde gehalten in de grond en/of in het grondwater. De matig tot sterk verhoogde concentraties aan PAK in het grondwater uit peilbuis 402 vormen aanleiding tot het uitvoeren van aanvullend of nader onderzoek. De aangetoonde verhoogde gehalten van de overige stoffen zijn zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen ons inziens niet noodzakelijk worden geacht. Het aanvullende onderzoek naar de verhoogde concentraties aan PAK in het grondwater dient voorafgaand aan de beoogde ontwikkeling uitgevoerd te worden.
 
Verkennend asbestonderzoek
In inspectiegat 208 is visueel asbestverdacht materiaal aangetroffen in de fractie > 20 mm, wat na analyse asbesthoudend blijkt. In de fijne fractie (<20 mm) is geen asbest aangetoond. Uit de berekening van het totale asbestgehalte blijkt dat het totale gewogen asbestgehalte ca. 64 mg/kgds bedraagt. Dit is lager dan de interventiewaarde, maar hoger dan de waarde van 50 mg/kgds waarboven de uitvoering van een nader onderzoek noodzakelijk is. Echter omdat bij het onderzoek in de andere graafgaten geen asbestverdachtmateriaal is aangetroffen in de grove fractie, heeft de Omgevingsdienst Midden-Holland aangegeven dat nader onderzoek naar asbest in puin niet noodzakelijk is. 
Bij het uitgevoerde asbestonderzoek is voor het overige zowel visueel als analytisch geen asbest aangetoond.
 
Asfalt- en puinfunderingsonderzoek
Uit het uitgevoerde asfaltonderzoek blijkt dat het asfalt niet-teerhoudend is en derhalve geschikt is voor recycling. Uit het indicatieve onderzoek van het puin blijkt dat het puin voldoet aan de eisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen en dus geschikt is voor hergebruik.
 
Conclusie
Voorafgaand aan de ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar de verhoogde concentraties aan PAK in het grondwater uitgevoerd te worden. Aanvullend onderzoek naar asbest wordt niet noodzakelijk geacht. In het kader van het bestemmingsplan is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem voldoende onderzocht. De bodemkwaliteit vormt op basis van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen bezwaren voor de bestemmingsplanwijziging.
 
4.3 Bedrijven en milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
 
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
 
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
 
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
  • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. 
Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen).
 
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling op deze locatie voorziet in de realisatie van 85 woningen. Een woning wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige bestemming. Derhalve is gekeken naar milieubelastende activiteiten in de omgeving van de locatie.
 
De omgeving van het plangebied bestaat in de huidige situatie uit een mix van functies, zoals wonen, sport, maatschappelijk. Echter wordt met de voorgenomen ontwikkeling de sportfunctie weggenomen. De maatschappelijke functie ten oosten van het plangebied is reeds gewijzigd naar een woonfunctie. Daarmee heeft de omgeving in de toekomstige situatie voornamelijk een woonfunctie. Volgens de VNG-publicatie kan het plangebied dan ook aangemerkt worden als een 'rustige woonwijk'.
    
In de navolgende tabel staat een overzicht van de milieubelastende activiteiten in de omgeving van het plangebied weergegeven.
 
Activiteit
SBI-2008
Adres
Milieucategorie (maximaal toegestaan)
Richtafstand 
'rustige woonwijk' 
Minimale afstand tot de woningen (m)
Autobedrijf gericht op de reparatie en onderhoud
451, 452, 454
Meester Lallemanstraat 131
2
30 m
100 m
 
Autobedrijf 
Op het perceel Meester Lallemanstraat 131 geldt de bestemming 'Gemengd', waar bedrijven binnen de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn toegelaten. Ter plaatse is een onderhoudsbedrijf gevestigd, passend binnen categorie 2. Met een afstand van ca. 100 m tot de beoogde woningen wordt er ruimschoots voldaan aan de gestelde richtafstand.
    
Verder moet worden nagegaan of de beoogde ontwikkeling milieubelastende activiteiten omvat. In onderhavig plan gaat het om de ontwikkeling van uitsluitend een woonfunctie en worden geen milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt.   
          
Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
 
4.4 Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
  • woningen;
  • geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
  • andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh):
    • verzorgingstehuizen;
    • psychiatrische inrichtingen;
    • medisch centra;
    • poliklinieken;
    • medische kleuterdagverblijven.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
 
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 85 woningen. Een woning wordt in het kader van de Wet geluidhinder gezien als een gevoelige functie. Voor het toevoegen van een dergelijke functie binnen de onderzoekszone van een weg, spoorweg of geluidsgezoneerd industrieterrein moet een akoestisch onderzoek uitgevoerd worden. Het plangebied is niet gelegen in de buurt van het spoor of een geluidsgezoneerd industrieterrein. Op ca. 1,75 km van het plangebied ligt de snelweg A20, die een onderzoekszone van 600 m heeft en op een afstand van ca. 1,4 km ligt een spoorlijn. De aangrenzende wegen betreffen 30 km/uur-wegen: deze zijn niet onderzoeksplichtig. Ook zijn er, gelet op de relatief lage intensiteiten, geen aanwijzingen dat een goed woon- en leefklimaat hier in het geding is
 
Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeer-, spoorweg- of industrielawaai is niet noodzakelijk. Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
 
4.5 Externe veiligheid
Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico’s op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) vormen het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico’s. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico’s zoveel mogelijk beperkt.
 
Plaatsgebonden risico (PR)
Als “harde” afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd.
 
Groepsrisico (GR)
Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron. De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld.
De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht.
 
In de ‘Visie Externe Veiligheid’ van de gemeente Zuidplas (maart 2011) is per gebiedstype aangegeven hoe om te gaan met ruimtelijke ontwikkelingen nabij risicobronnen.
 
Omgevingsveiligheid onder de Omgevingswet (anticiperen op)
Met de komst van de Omgevingswet (verwachting 01-01-2021) komt er ook een gemoderniseerde aanpak van het externe veiligheidsbeleid. Belangrijk element hierin is de introductie van zogenaamde aandachtsgebieden. Het uitgangspunt is dat mensen, zonder aanvullende maatregelen, binnen deze aandachtsgebieden onvoldoende zijn beschermd (ook binnen). Het is aan de gemeente om de kernvraag te beantwoorden: is de veiligheid voldoende gewaarborgd en zijn milieu en gezondheid voldoende beschermd?
 
Om deze vraag te beantwoorden moet de gemeente de volgende punten overwegen:
  • afstand houden tot de risicobron;
  • risicocommunicatie;
  • beperken personendichtheden in de omgeving van de risicobron;
  • vlucht- en schuilmogelijkheden;
  • omgevingsmaatregelen;
  • aanvullende bouwmaatregelen (verplicht voor nieuwe ‘zeer kwetsbare gebouwen’, zoals basisscholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, enz..). 
 
De kern is dat het bevoegd gezag veiligheid, veel meer dan nu het geval is, meeneemt als ontwerpvariabele in de planvorming.
 
Planspecifiek
In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat woningen kwetsbare objecten zijn. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart: 
 
Uitsnede risicokaart (globale ligging plangebied: zwarte cirkel)
 
Transportroutes voor gevaarlijke stoffen
De A20 en het spoor Rotterdam – Gouda zijn hoofdtransportroutes en vallen onder het landelijke Basisnet weg en spoor. Over deze routes worden gevaarlijke stoffen vervoerd. De afstand bedraagt voor beiden meer dan 1.500 meter. Het explosieaandachtsgebied voor weg en spoor is 200 meter. Het plangebied is dus ruim buiten deze aandachtsgebieden gelegen. Op deze afstand is alleen het scenario relevant waarbij er giftige stoffen vrijkomen bij een incident op de weg of spoor. Onder de juiste (weers)omstandigheden kan dit effect hebben op het plangebied.
 
In dit kader is het relevant dat de woningen worden uitgevoerd met de mogelijkheid om de mechanische ventilatie handmatig uit te zetten, zodat wordt voorkomen dat bij een incident giftige (rook)gassen naar binnen worden gezogen. Dit wordt ook een verplichting vanuit het ‘Besluit bouwwerken leefomgeving’ (vierde lid van artikel 4.124 Bbl) onder de Omgevingswet.
  
Risicovolle inrichtingen
Op grote afstand van het plangebied zijn meerdere propaantanks gelegen. Gezien de afstand tot het plangebied leveren deze propaantanks geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling. Ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich zwembad de Baan op een afstand van ca. 1 km. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied of aandachtsgebied van deze inrichting.
       
Buisleidingen
Op een afstand van ca. 340 m van het plangebied liggen twee hogedruk aardgasleidingen van de Gasunie. Daarmee is het plangebied gesitueerd in het brandaandachtsgebied (1% letaliteitszone) van de volgende hogedruk aardgasleidingen:
  • A-803: diameter 48 inch, 80 bar druk
  • A-553: diameter 36 inch, 66 bar druk
 
Binnen het aandachtsgebied moet rekening worden gehouden met externe veiligheid voor nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen (art. 5.15 ‘Besluit kwaliteit leefomgeving’) in 3 stappen: 
  1. Afstand houden van het aandachtsgebied
  2. Waarderen al bestaande bescherming
  3. Overwegen aanvullende bescherming 
 
In dit geval gaat het om nieuwbouw van 85 woningen. Dit zijn ‘kwetsbare gebouwen’ conform de definitie van het ‘Besluit kwaliteit leefomgeving’ (bijlage VI). Hieronder worden de 3 stappen behandeld aan de hand van het ingewonnen advies van de Veiligheidsregio Hollands Midden. 
 
1. Afstand houden van het aandachtsgebied
Het plangebied is volledig gelegen binnen het brandaandachtsgebied van de hoge druk gasleidingen. Bij het ontstaan van een breuk in een hogedruk aardgasleiding kan een fakkelbrand ontstaan. De effecten van een fakkelbrand zijn hittestraling en rook. Echter is de kans op een dergelijk incident zeer klein en zijn er preventieve maatregelen genomen. Op een grotere afstand van de buisleiding bouwen is in onderhavig geval niet mogelijk.
 
2. Waarderen al bestaande bescherming
De kans op een breuk van een hogedruk aardgasleiding is afhankelijk van diameter, wanddikte, druk, type materiaal en kerfslagwaarde. De kans op een breuk van de aardgasleiding is vanwege de al getroffen maatregelen klein.
 
3. Overwegen aanvullende bescherming
Bij stap 3 zijn er een aantal substappen:
 
3a. Binnen aandachtsgebied afstand houden
Het plangebied is volledig gelegen binnen het brandaandachtsgebied. Meer afstand tot de buisleiding is niet mogelijk.
 
3b. Aanvullende risicocommunicatie
De standaard risicocommunicatie (artikel 46 Wet veiligheidsregio's) biedt mensen in een aandachtsgebied onvoldoende bescherming tegen de gevaren van brand, explosie en gifwolk. Daarom is het nodig dat binnen aandachtsgebieden aanvullende risico- en crisiscommunicatie wordt georganiseerd. Het plangebied ligt binnen het brandaandachtsgebied maar de kans op een incident is klein. Ondanks dat gegeven kunnen de bewoners aanvullend worden geïnformeerd over het scenario van een fakkelbrand bij de gasleiding en de verschillende handelingsperspectieven. Voor een snelle en effectieve waarschuwing tijdens een ongeval met gevaarlijke stoffen is het van belang dat een waarschuwingssysteem de mensen in het effectgebied kan bereiken (NL-Alert, WAS palen). Er wordt geadviseerd om de rookmeldersdichtheid in de woningen te verhogen. Tevens wordt geadviseerd om de woningen te voorzien van een mechanische ventilatie die met één druk op de knop uitgeschakeld kunnen worden, bijvoorbeeld door middel van een schakelaar of een stekker op een goed bereikbare plek.
 
3c. Beperken aantal aanwezige personen
Met de ontwikkeling worden 85 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Inperking van het aantal woningen is gelet op de omvang van het plangebied niet wenselijk en geen optie.
 
3d. Voldoende vlucht- en schuilmogelijkheden
Er worden geen woningen gerealiseerd voor kwetsbare personen. Uitgaande van zelfredzame personen is de ontvluchting vanuit het plangebied naar de openbare weg voldoende mogelijk.
 
3e. Omgevingsmaatregelen
Ondanks dat het plangebied binnen het brandaandachtsgebied gelegen is worden er, gelet op de aanzienlijke afstand en de mogelijkheden tot ontvluchting, geen omgevingsmaatregelen genomen.
 
3f. Meerwaarde aanvullende bouwmaterialen
Er wordt geadviseerd om geen brandgevaarlijke daken of brandbare isolatiematerialen te gebruiken. Bij het gebruik van mechanische ventilatie voor de woningen of appartementen wordt geadviseerd dat deze met één druk op de knop uitgeschakeld kan worden. Hiermee kunnen de gevolgen bij het vrijkomen van giftige stoffen worden beperkt. Daarnaast worden rookmelders geadviseerd voor een tijdige alarmering. 
 
Op 14 april 2020 heeft de Veiligheidsregio Holland Midden een advies gegeven op het aspect externe veiligheid. Dit advies in als bijlage bij dit bestemmingsplan toegevoegd (Veiligheidsregio Hollands Midden, 14 april 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). In het kader van de omgevingsvergunning zal het advies van de Veiligheidsregio Holland Midden gevolgd worden.
  
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er voldoende mogelijkheden zijn voor het schuilen binnen de woningen of het ontvluchten van het plangebied bij een mogelijk incident. Daarnaast is de kans op een incident zeer klein. Gesteld kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
 
4.6 Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
 
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
 
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
 
Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt.
 
Besluit gevoelige bestemmingen
Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening.
 
Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt.
 
De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
  • scholen;
  • kinderdagverblijven;
  • verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
 
Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten.
 
In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.
 
Planspecifiek
De ontwikkeling van 85 woningen kan gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft ‘niet in betekenende mate’ invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse.
 
Wel is, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2019 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 18 μg/m³ PM10, 10 μg/m³ PM2,5 en 19 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Tevens worden de advieswaarden van de GGD en WHO (20 μg/m³ PM10 en 10 μg/m³ PM2,5) niet overschreden.
       
Derhalve kan gesteld worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
 
4.7 Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ een vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.
 
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
 
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Derhalve is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Blom Ecologie B.V., 27 april 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3).
 
Soortenbescherming
Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: vleermuizen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming.
 
Gebiedsbescherming
De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk.
 
Gelet op de aard van de ingreep, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden middels een AERIUS-calculatie.
 
Houtopstanden
Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
 
Aanvullend onderzoek vleermuizen
Uit de quickscan flora en fauna is gebleken dat de planlocatie mogelijk geschikt is voor vleermuizen. Om  die reden is een aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd (Regelink ecologie & landschap, 4 november 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Uit het aanvullende onderzoek blijkt dat het beoogde project niet leidt tot een verlies van essentieel leefgebied en verblijven van vleermuizen. Negatieve effecten op vleermuizen zijn uitgesloten. Om lichtverstoring voor overvliegende en/of foeragerende vleermuizen te voorkomen kan de volgende maatregel genomen worden:
  • Richt in de periode maart t/m oktober geen continue lichtbron op de werkzaamheden tussen zonsondergang en zonsopkomst.
 
Stikstofdepositie
In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent de PAS. De PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’. Hiermee is de PAS buiten werking gesteld. In de nieuwe AERIUS Calculator van oktober 2020 zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen.
 
Voor de beoogde ontwikkeling is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (Buro SRO, 23 oktober 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). In deze berekening zijn zowel de gebruiksfase als de bouwfase meegenomen. Uit de uitgevoerde berekening blijkt dat er voor de gebruiksfase en bouwfase geen depositie hoger dan 0,00 mol/ha/j op de omliggende Natura 2000-gebieden is. Een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming is derhalve niet noodzakelijk.
 
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect ecologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
 
4.8 Archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
 
Archeologische beleidsadvieskaart
Voor de verschillende archeologische verwachtingswaarden is een archeologie beleid opgesteld. De archeologische beleidsadvies kaart is afgeleid uit de archeologische verwachtingskaart, waarbij de beleidsadviezen in de legenda zijn opgenomen. Door nieuwe inzichten, ontwikkelingen en uitgevoerde onderzoeken is deze kaart aan verandering onderhevig en hebben diverse actualisaties plaatsgevonden. Het meest recente geactualiseerde archeologiebeleid is vastgelegd in de in juni 2017 opgestelde nota “Actualisatie archeologische beleidskaart gemeente Zuidplas”, dat als aanvulling op de in 2010 vastgestelde beleidsnota gezien dient te worden. In januari 2018 zijn nog enkele redactionele wijzigingen aan deze nota aangebracht. Op 6 maart 2018 is het paraplubestemmingsplan 'Parapluherziening Archeologie' vastgesteld. Dit paraplubestemmingsplan vormt de juridische vertaling van het geactualiseerde archeologiebeleid, waarbij de vastgestelde archeologische beleidskaart de basis vormt voor de bij deze parapluherziening behorende verbeelding.
   
Aan de hand van de archeologische verwachtingenkaart en beleidskaart is per gebied bepaald of en wanneer archeologisch (voor)onderzoek verplicht is. Het gemeentelijk archeologisch beleid voorziet in vier categorieën, met bijbehorende oppervlakte- en dieptecriteria.
 
Planspecifiek
Voor de gronden van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Parapluherziening Archeologie'. De gronden van het plangebied zijn voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3'. Dit houdt in dat archeologisch onderzoek verplicht is bij werkzaamheden groter dan 1000 m² en dieper dan 3 m -Mv. Gezien de bestemmingsplanwijziging is een waardestelling van het terrein noodzakelijk en is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (Transect, 1 juli 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6).
 
Uit het bureauonderzoek blijkt dat in het plangebied sprake is van een hoge verwachting op het aantreffen van resten uit het Laat-Mesolithicum – Vroeg-Neolithicum. Dit is gebaseerd op het vermoedelijk voorkomen van oever- of crevasse-afzettingen van de Gouderak en Zuidplas stroomgordels. Na het inactief worden van deze stroomgordels (vanaf circa 4450 v. Chr.) heeft onafgebroken veengroei plaatsgevonden in het gebied. Gedurende de Nieuwe Tijd is het veen tot onder het grondwater afgegraven voor turfwinning, waarna de Zuidplas is ontstaan. Deze is tussen 1825 en 1840 drooggemaakt en ingepolderd. Sindsdien maakt het plangebied deel uit van de Zuidplaspolder. Gezien de ligging in een veengebied en veenplas en het ontbreken van bebouwing op historisch kaartmateriaal vanaf de drooglegging van de polder geldt een lage verwachting op het aantreffen van resten uit het Midden-Neolithicum – Nieuwe Tijd.
 
Op basis van het booronderzoek kan de archeologische verwachting naar beneden worden bijgesteld. Er zijn geul- en beddingafzettingen van de Gouderak en Zuidplas stroomrug aangetroffen tussen 290 en 370 cm -Mv (8,3 – 9,2 m -NAP). Deze zijn afgezet onder invloed van stromend water en worden daarom niet bewoonbaar geacht. Bewoonbare oever- of crevasse-afzettingen ontbreken. De geulafzettingen zijn afgedekt met een pakket veen en recent opgebracht zand en grind. Op basis van het ontbreken van bewoonbare (archeologisch relevante) niveaus kan de verwachting voor de periode Laat-Mesolithicum – Vroeg-Neolithicum naar beneden worden bijgesteld. De lage verwachting voor het Midden-Neolithicum – Nieuwe Tijd kan worden gehandhaafd.
 
Conclusie
Op basis van het archeologisch vooronderzoek geldt een lage archeologische verwachting. Om die reden wordt in dit bestemmingsplan geen dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Wel geldt als er tijdens de graafwerkzaamheden toch zaken aan het licht komen, deze op grond van de Erfgoedwet artikel 5.10 bij de gemeente dienen te worden gemeld.
 
4.9 Waterparagraaf
 
4.9.1 Generiek beleid
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
 
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
 
Waterwet
Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.  
 
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
 
Waterplan Zuidplas
Het waterplan, een gezamenlijk project van de gemeente Zuidplas en het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, is opgesteld om maatregelen te nemen die zorgen voor droge voeten en een goede waterkwaliteit in de gemeente Zuidplas. Dat laatste is belangrijk voor de in en om het water levende planten en dieren, de landbouw en het recreatief medegebruik.
Het waterplan heeft als resultaat een gezamenlijke visie en de uitwerking van de visie tot een concreet maatregelenprogramma met hierin een tijdsplanning, kostenraming en kostenverdeling. Ook de ruimtelijke consequenties van het waterbeleid worden aangegeven in het waterplan.
In het waterplan wordt ingegaan op de bouwstenen: waterkwantiteit, waterveiligheid, waterketen en riolering, grondwater, oppervlaktewater en ecologie, beheer en onderhoud stedelijk water, waterbeleving en recreatie en water en Ruimtelijke Ordening.
 
Watertoets
De watertoets omvat het afstemmingproces tussen de planontwikkelaar en de waterbeheerder. Het doel van deze afstemming is het element water een volwaardige plek te geven bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit is nodig om eventuele negatieve effecten op de waterhuishouding te voorkomen en kansen voor een betere waterhuishouding te benutten. De meest belangrijke onderdelen van de watertoets zijn: een advies van de waterbeheerder bij ruimtelijke ontwikkelingen en een waterparagraaf.
 
4.9.2 Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard
Waterbeheerplan Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard 'Met mensen en water'
Het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard is waterbeheerder in het gebied tussen Rotterdam, Zoetermeer, Gouda en Schoonhoven. In het waterbeheerplan worden de ambities en doelen  voor de periode 2016-2021 weergeven. Het streven is het watersysteem zo goed mogelijk geschikt te houden voor alle functies. Daarnaast is er aandacht voor de aantrekkelijkheid van het woon- en leefgebied voor alle gebruikers.
De hoofddoelen van het beheer zijn:
  • Waterveiligheid: beschermen van burgers en bedrijven tegen overstromingen middels stevige dijken.
  • Watersysteem: het duurzaam en slim besturen, beheren en onderhouden van het samenhangende systeem van watergangen en kunstwerken. Een optimaal waterpeil, voldoende water van goede kwaliteit en goed onderhouden sloten, vaarten en plassen zijn hierbij van belang. Geanticipeerd dient te worden op klimaatverandering en bodemdaling en ruimtelijke ontwikkelingen. Op gebiedsniveau wordt samengewerkt met andere partijen aan integrale oplossingen voor de verschillende wateropgaven.
  • Afvalwaterketen en emissies: efficiënt en gebruiken van afvalwaterzuiveringsinstallaties en transportsystemen ten behoeve van maatschappelijke winst in de vorm van energieterugwinning en kostenbesparing. Met optimalisatie en innovatie van de zuiveringsprocessen wordt ingezet op duurzaamheid.
  • Wegen: bijdragen aan een betrouwbaar netwerk binnen de regio Midden-Holland middels veilige, doelmatig onderhouden wegen.
 
Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012
De Verenigde Vergadering van het hoogheemraadschap heeft op 27 juni 2012 het Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 vastgesteld. Dit beleid heeft tot doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect van verhardingstoename is de versnelde afvoer van neerslag. Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren.
 
Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke ontwikkelingen. Onderstaand is per type toegelicht hoe HHSK omgaat met de typen ruimtelijke ontwikkelingen:
  1. Kleine plannen: Plannen met een verhardingstoename tot 500 m²
  2. Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m² en 
    kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak
  3. Grote plannen: Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak
 
Keur en Beleidsregels
Op grond van de Waterwet is van Schieland en de Krimpenerwaard als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:
  • waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden);
  • watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken);
  • andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen);
  • de bodem van kwelgevoelige gebieden;
Maar ook aan:
  • Onttrekken en lozen van grondwater;
  • Het aanbrengen van verhard oppervlak.
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bv. op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (én een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt.
 
Planspecifiek
Watercompensatie
Het voorliggende plan valt onder de categorie 'Middelgrote plannen'. Voor middelgrote plannen past HHSK een gestandaardiseerde berekeningsmethode toe op basis van de normen voor waterkwantiteit. Door middel van de volgende berekening kan de benodigde watercompensatie bepaald worden: Netto norm (%) = bruto norm (%) * oppervlakte plangebied (m²) / oppervlakte verhardingstoename (m²). Om de toename van de verharding en de benodigde watercompensatie te bepalen is een verhardingsbalans opgesteld. De navolgende tabel toont de verhardingsbalans voor het project.
 
Verhardingsbalans (bron: Adcim)
 
In totaal wordt er 7.252 m² aan verharding toegevoegd. Daarvan dient 15% gecompenseerd te worden, wat neerkomt op 1.088 m² aan oppervlaktewater.
 
Naast het toevoegen van verharding dient er ook rekening gehouden te worden met het graven en/of dempen van water. De navolgende tabel toont het wateroppervlak in de bestaande en nieuwe situatie.
 
Water
Bestaande situatie788 m²
Nieuwe situatie1.142 m²
Toename354 m²
 
Met de ontwikkeling wordt 354 m² aan nieuw oppervlaktewater toegevoegd. Dit is niet genoeg om te voldoen aan de benodigde watercompensatie. Er dient nog eens (1.088 - 354 m²) 734 m² waterberging plaats te vinden. De overige watercompensatie vindt plaats door middel van alternatieve berging zoals wadi's. Er wordt gerekend met een maximale hoogte van 40 cm, gelijk aan de maximale peilsteiging en is 294 m³ aan waterberging nodig. De navolgende tabel toont de benodigde afmetingen van de wadi's.
 
Afmetingen wadi's (bron: Adcim)
 
Het aanpassen van de maximale stijfhoogte in de wadi's zal samen met het vergroten van enkele wadi's en watergangen leiden tot voldoende berging om aan de watercompensatie te voldoen. Daarnaast is er een vrijstelling van 500 m² aan toename van verharding. Er komt een totale berging van 316 m³ beschikbaar, waardoor er een 'overschot' van 22 m³ is.
 
Waterafvoer
Het voornemen is om de nieuwe woningen aan te sluiten op een gescheiden rioleringsstelsel, waarbij het afvalwater aangesloten wordt op het gemeentelijk rioolstelsel. De hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem en afgevoerd naar de naastgelegen watergangen. Hierbij worden geen uitlogende materialen gebruikt.
     
Waterkeringen
Uit het raadplegen van de legger van hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard blijkt dat er binnen en in de directe omgeving geen regionale en/of primaire waterkeringen aanwezig zijn.
 
Conclusie
Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
 
4.10 Verkeer en parkeren
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogde nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.
 
4.10.1 Verkeer
Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
  
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt
 
Planspecifiek 
Voor het aspect verkeer is door de gemeente Zuidplas een memo opgesteld met de bestaande en nieuwe verkeerssituatie in Moordrecht (Gemeente Zuidplas, 6 april 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7).
 
Binnen de gemeente Zuidplas staat verkeersveiligheid hoog op de agenda, zowel bij bestaande situaties als bij nieuwe ontwikkelingen. Hierin staat de gemeente niet alleen. Er wordt nauw samengewerkt met de politie, de lokale afdeling van Veilig Verkeer Nederland en bewoners om het veiliger te maken op de weg. Door goede wegen aan te leggen, maar bijvoorbeeld ook door educatie. Kwetsbare weggebruikers, denk aan scholieren, senioren en fietsers, worden beschermd. De gemeente pakt mensen die zich asociaal gedragen in het verkeer uiteraard aan en daarbij wordt gestreefd naar minder verkeersslachtoffers.
 
Momenteel spelen er veel ontwikkelingen binnen de dorpen van Zuidplas. Uiteraard moeten de ontwikkelingen goed op elkaar worden afgestemd en hierbij moet er aandacht zijn voor de leefbaarheid en verkeersveiligheid binnen de bestaande wijken en infrastructuur. Het lastige bij nieuwe ontwikkelingen is dat verkeer zich moeilijk laat geleiden en dat het daarmee ook altijd een inschatting blijft van de gevolgen van een ontwikkeling.
 
Bestaande verkeerssituaties worden echter structureel gemonitord. Er worden tellingen verzameld om inzicht te krijgen in de hoeveelheid, samenstelling en snelheid van het verkeer. Op basis van deze uitkomsten wordt ingeschat hoe de verkeerssituatie functioneert en of maatregelen benodigd zijn. Deze informatie wordt ook gebruikt als input voor een onderbouwing van een eventuele nieuwe ontwikkeling.
 
Huidige situatie Moordrecht
Het verkeersmodel 2030 (zie navolgende afbeelding) laat zien dat er geen straten zijn waar problemen op gaan treden. De Middelweg richting de A20 is relatief druk met 6500 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etm), dit is logisch aangezien dit de enige ontsluitingsweg is vanuit het dorp richting de snelweg.
 
Verkeersmodel 2030 Moordrecht (bron: gemeente Zuidplas)
  
't Lage
Door de verplaatsing van VV Moordrecht komt er ruimte beschikbaar voor een ontwikkeling met woningen. In het voorgenomen plan worden 85 woningen gerealiseerd. De navolgende tabel geeft de bijbehorende verkeersgeneratie weer, gebaseerd op de CROW-publicatie 381. Conform het gemeentelijk parkeerbeleid wordt aangesloten op de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'matig stedelijk'. 
 
Programma
Aantal woningen
Gemiddelde verkeersgeneratie per woning
Totale verkeers-generatie
Koop, huis, tussen/hoek
40
7,2
288,0
Koop, huis, twee-onder-één-kap67,846,8
Koop, huis, vrijstaand28,216,4
Huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur)
27
3,6
97,2
Huur, huis, sociale huur104,949,0
Totaal
85-497,4
   
De totale verkeersgeneratie die de ontwikkeling van de 85 woningen met zich meebrengt bedraagt ca. 500 voertuigbewegingen per etmaal. In het drukste spitsuur betekent dit een toename van ca. 50 voertuigbewegingen dat zich via de wijk ontsluit op de Middelweg.
  
De ontsluiting van de nieuwe woonwijk is voorzien via de huidige infrastructuur op de Sportlaan en Stevenstraat richting de Middelweg (en dan vervolgens linksaf richting A20 of rechtsaf richting dorp). Daarnaast zal een beperkt aandeel zal via de Mr Lallemanstraat richting de West Ringdijk rijden.
 
Naast de ontwikkeling op ‘t Lage zijn er nog een aantal kleinschalige ontwikkelingen in Moordrecht. De oude scoutinglocatie wordt ontwikkeld, hier worden 12 appartementen gerealiseerd. De verkeersgeneratie voor deze ontwikkeling bedraagt circa 72 voertuigbewegingen per etmaal.
Een andere ontwikkeling is de realisatie van vier woningen op de Sjaloomlocatie. De verkeersgeneratie voor deze ontwikkeling bedraagt circa 24 voertuigbewegingen per etmaal. De ontsluiting van deze woningen is rechtstreeks op de 4e Tochtweg.
 
Conclusie
De verkeersintensiteiten in Moordrecht blijven ook met de extra verkeersgeneratie van de ontwikkelingen acceptabel. Ook tijdens de spits ontstaan er geen problemen, de verkeerstoename in de spits is dermate laag (ca. 500 voertuigbewegingen per etmaal = ca. 50 voertuigbewegingen per etmaal in het drukste spitsuur), dat deze toename verwaarloosbaar is ten opzichte van huidige situatie. De verkeersintensiteiten, incl. de extra verkeerstoename als gevolg van de reeds bekende ontwikkelingen, blijven ruim binnen de normen die gelden voor een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom.
Het aspect 'verkeer' vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
 
4.10.2 Parkeren
Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
 
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
 
De gemeenteraad van Zuidplas heeft op 5 november 2019 de 'Nota Parkeernormen 2019' vastgesteld. Deze nota vervangt de Beleidsnota Parkeernormen uit 2013. Er is rekening gehouden met de nieuwe parkeerkencijfers van het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW). Bovendien zet de nieuwe nota in op meer flexibiliteit in de toepassing van kencijfers en parkeernormen door meer gebiedsgerichte en meer doelgroep specifieke normen.
 
Planspecifiek
In verband met de beoogde ontwikkeling van de woonwijk is een parkeeronderzoek uitgevoerd (Datacount, 23 september 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 8). In dit onderzoek is een in januari 2021 uitgevoerd parkeeronderzoek aangevuld. Het betreft een tweetal ontwikkelingen:
  1. uithuizing Voetbalvereniging Moordrecht en de Duivenvereniging; Hier wordt een nieuwe woonwijk gerealiseerd (‘t Lage) met 85 woningen.
  2. uithuizing scouting (Stevensstraat) en het realiseren van een appartementencomplex met 12 kleine appartementen.
 
In de huidige situatie zijn in het gebied de voetbalvereniging Moordrecht en de Duivenvereniging aanwezig. Bij de voetbalvereniging zijn 36 plaatsen aanwezig, welke bij de ontwikkeling van de woonwijk zullen vervallen. Doordat de voetbalvereniging en duivenvereniging echter ook verdwijnen, heeft dit geen consequenties voor de vraag rondom ’t Lage.
 
Met de ontwikkeling van 't Lage worden 37 huurwoningen, 40 koopwoningen in rijvorm en 8 koopwoningen in andere vorm (6 twee-onder-één-kap en 2 vrijstaand) gerealiseerd. Voor deze woningtypes zijn respectievelijk de normen van 2,0, 2,6 en 2,6 parkeerplaats per woning van toepassing, welke uiteenvallen in respectievelijk 1,7, 2,3 en 2,3 voor het bewonersaandeel en 0,3 voor het bezoekersaandeel. In de navolgende tabel staat de parkeerbehoefte weergegeven.
 
Type woning
Toelichting
Norm p.e
Aantal
Uitgangswaarde
Woningen, bewoners
Huur1,73762,9
Woningen, bezoekersHuur0,33711,1
Woningen, bewoners
Koop, rij2,34092
Woningen, bezoekers
Koop, rij0,34012
Woningen, bewonersKoop, 2/1 en 12,3818,4
Woningen, bezoekers
Koop, 2/1 en 10,382,4
Totaal, bewoners---173,3
Totaal, bezoekers---25,5
Subtotaal---198,8
 
De ontwikkeling van 't Lage zorgt voor een parkeervraag van 199 parkeerplaatsen. Met de ontwikkeling worden in totaal 199 parkeerplaatsen gerealiseerd. Er worden 22 parkeerplaatsen op het eigen terrein, 38 op ter plaatse van het schaatsbaantje en de resterende 139 parkeerplaatsen worden in de openbare ruimte binnen het plangebied gerealiseerd. De navolgende afbeelding toont de parkeerplaatsen in het plangebied. 
 
Beoogde parkeerplaatsen (bron: IMOSS)
 
Naast het bepalen van de parkeerbehoefte vanwege de ontwikkeling is met het parkeeronderzoek de parkeerdruk in de omgeving bepaald. De navolgende afbeelding toont de afbakening van het onderzoek naar de parkeerdruk in de omgeving, waarbij 'appartementencomplex' betrekking heeft op de geplande woningbouw ter plaatse van Scouting Moordrecht aan de Stevensstraat.
 
Afbakening onderzoek parkeerdruk in de omgeving (bron: DataCount, 23-09-2021)
 
In theorie bestaat bij ontwikkelingen de mogelijkheid om gebruik te maken van al aanwezige parkeercapaciteit in de omgeving van de ontwikkeling. In dit geval is dit niet nodig, gezien de parkeervraag al volledig opgelost wordt in het plan.
 
Om echter alsnog vast te stellen hoeveel parkeerplaatsen in de huidige situatie gebruikt zouden kunnen worden rondom de ontwikkelingen, vóórdat de toegestane grenswaarde van 85% bezetting bereikt wordt, is de volgende navolgende tabel opgesteld, waarin het drukste moment is afgezet tegen de maximale toegestane druk.
 
Tabel parkeerdruk (bron: Datacount, 23-09-2021)
 
Het onderzoek wijst uit dat voor het totale gebied, op het drukste moment, nog 84 vrije parkeerplaatsen beschikbaar zouden zijn om te gebruiken, voordat de drempelwaarde wordt bereikt. Voor de losse gebieden zijn dat respectievelijk 63 plaatsen voor de woonwijk en 47 plaatsen voor het appartementencomplex aan de Stevensstraat. Aangezien deze echter in een overlappend gebied vallen, zijn gezamenlijk in totaal nog 84 plaatsen beschikbaar.
 
Het totale gebied bevat momenteel de ruimte voor 84 extra parkeerders, zonder dat de grenswaarde van 85% bezetting bereikt wordt. In de nieuwe situatie dient het huidige aanbod van parkeerplaatsen echter verrekend te worden, omdat deze plaatsen verdwijnen/vervangen worden door nieuwe/andere plaatsen. In onderstaande overzicht wordt de situatie samengevat met de bijbehorende mogelijkheden:
  • De nieuwe ontwikkelingen creëren samen een vraag van 223 plaatsen in een grotendeels overlappend gebied. Hiervoor zijn momenteel 218 plaatsen gepland.
  • Het huidige gebied heeft volgens alle metingen een maximale vraag van 365 plaatsen, terwijl er 529 plaatsen aanwezig zijn.
  • Na ontwikkeling zijn er in het huidige gebied 529 – 36 + 218 = 711 plaatsen beschikbaar.
  • De drempelwaarde ligt daarmee op 604 bezette plaatsen, om onder de 85% bezetting te blijven.
  • De verwachte maximale vraag is 223 + 365 = 588 plaatsen. Dit levert een bezettingspercentage van 83% op. Hiermee is in theorie alsnog een aanvullende belasting van 16 bezette plaatsen mogelijk zonder de grens van 85% te overschrijden.
  • In theorie zouden er daarmee 16 plaatsen minder gerealiseerd kunnen worden in de ontwikkelingen.
 
Geconcludeerd kan worden dat het aspect parkeren geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling van de 85 woningen.
 
4.11 Niet gesprongen explosieven
Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de gebruikte Conventionele Explosieven (CE) uit de WOll-tijd niet functioneerde en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Een blindganger vormt een wezenlijk risico tijdens grondroerende werkzaamheden. In 2014 is historisch vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven (NGE) voor het beheergebied van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Hieruit blijkt dat het plangebied onverdacht is voor wat betreft het voorkomen van NGE. Verder onderzoek naar NGE is dan ook niet noodzakelijk. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van NGE, kan niet met zekerheid worden gesteld dat die er niet zijn. Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig.
 
Uit onderzoek naar NGE blijkt dat er geen belemmering is voor het voorgenomen initiatief.
 
4.12 Duurzaamheid
Het belangrijkste doel uit het Klimaatakkoord is de CO2-uitstoot in 2030 met 49% verminderd ten opzicht van 1990. In 2050 is de uitstoot van broeikasgassen zelfs met 95% afgenomen. Om de klimaatdoelen voor 2030 te behalen moet het tempo van verduurzaming omhoog.
 
Nederland in 2050 vrij van aardgas
Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren.
De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden.
 
Energie (BENG)
De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Tot 31 december 2020 wordt de energie-efficiëntie uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Hierbij werd gestreefd naar EPC = 0,0, waarbij een gebouw energieneutraal is. Vanaf 1 januari 2021 moeten alle gebouwen voldoen aan de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vervangen de EPC en zijn dus ook van toepassing op het voorliggende initiatief.
  
MilieuPrestatie Gebouwen (MPG)
De MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw en is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m². Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik.
De gebruikte impact van de gebruikte materialen wordt in kaart gebracht aan de hand van productiewijze van de gebruikte bouwmaterialen, het transport, de levensduur van de materialen en de manier van afdanken. Vervolgens worden alle materialen bij elkaar opgeteld. Het resultaat van een dergelijke analyse wordt uitgedrukt in de zogenaamde ‘schaduwkosten’ van het materiaal. Hoe lager de schaduwkosten, hoe duurzamer het gekozen materiaaltype. Per 1 januari 2018 geldt een maximale totale schaduwprijs van 1,0€ / m² bvo.
  
Provinciaal energiebeleid
Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Provinciale Structuurvisie. Bijbehorende kaders zijn vastgelegd in de Omgevingsvisie Zuid-Holland. Het plangebied is gelegen binnen stedelijk gebied. Ten aanzien hiervan geldt dat bij de toelichting op een ruimtelijk plan een beschrijving bevat op welke wijze rekening is gehouden met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen.
 
GPR Gebouw
Een meetinstrument voor duurzame ontwikkeling en het benutten van het besparingspotentieel is GPR Gebouw. GPR Gebouw is een manier om duurzaam bouwen te concretiseren en doet dit door een rapportcijfer te geven op vijf thema’s: Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde. Hierbij geldt, hoe hoger het cijfer, hoe duurzamer het gebouw. Door de GPR Gebouw in te vullen wordt meer nagedacht over duurzaamheid tijdens het ontwerpen en (ver)bouwen van gebouwen. GPR Gebouw kan ook gebruikt worden om bestaande woningen en gebouwen te verduurzamen. Na invoering van gegevens in GPR Gebouw betreffende de woningen worden prestaties zichtbaar op de thema’s Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde.
 
Planspecifiek
Uit toelichting paragraaf 3.3.4 blijkt dat het voorgenomen plan past binnen het 'Programma Duurzaamheid en Klimaatadaptatie' van de gemeente Zuidplas. Daarnaast zullen de woningen voldoen aan de BENG-normen en zal er gebruik gemaakt worden van duurzame installaties, goede isolatie en duurzame materialen. De woningen worden gasloos uitgevoerd.
 
Het openbaar gebied wordt klimaatadaptief ingericht. Er worden op verschillende plekken binnen het plangebied wadi's toegepast. Langs de wegen wordt er ruimte tussen de trottoirbanden gehouden om bij zware neerslag het regenwater af te kunnen voeren naar de wadi's.
 
In enkele parkeerkoffers worden enkele parkeerplaatsen voorzien van grasbetontegels om het water vast te houden en in de ondergrond te laten zakken. Daarnaast de ijsbaan in grasbeton uitgevoerd. Hierdoor blijft de functie als ijsbaan behouden en kan er ook geparkeerd worden.
       
4.13 Bezonning
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient bij wijziging van een planologische situatie, bijvoorbeeld ten behoeve van nieuwbouw, gemotiveerd te worden of de wijziging ruimtelijk acceptabel is. Omdat er met voorliggend bestemmingsplan nieuwe bebouwing wordt toegestaan moet beoordeeld worden of deze bebouwing effect heeft op de omgeving. De bruikbaarheid van omliggende tuinen en terrassen mag door schaduwwerking niet onaanvaardbaar afnemen. Ook bij de nieuwbouw zelf moet sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.  
Afhankelijk van de opgave kan het wenselijk zijn om een bezonningstudie op te stellen. In een bezonningsstudie wordt bekeken wat de effecten zijn van de voorgenomen ontwikkeling op de omliggende bebouwing. Voor zowel de toepassing als de inhoud van een bezonningstudie bestaat geen directe wettelijke basis en geen wettelijk vastgestelde normen. Wel zijn door TNO minimum- en streefnormen voor bezonning voorgesteld, afgeleid van de Engelse wetgeving. Er bestaan twee normen van TNO:
  1. een ‘lichte’ norm, die minimaal twee uur zon per dag in de periode 19 februari tot en met 21 oktober voorschrijft,
  2. een ‘strenge’ norm, die drie uur zon per dag in de periode 21 januari tot en met 22 november voorschrijft.
 
Planspecifiek
Om het effect van de realisatie van de woningen in beeld te brengen is een bezonningsstudie uitgevoerd: 'Bezonningsstudie Locatie ’t Lage Sportlaan Moordrecht' (zie bijlagen bij toelichting bijlage 10). Hierbij is de 'lichte TNO-norm' onderzocht: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden ) in midden vensterbank binnenkant raam.
 
Naast de begin- en einddata van de 'lichte norm' (resp. 19 februari en 21 oktober) zijn de volgende dagen onderzocht:
  • 21 maart; begin van de lente, de dag dat de zon op 'half' staat, namelijk precies tussen de stand van 22 december en 21 juni in (zomertijd);
  • 21 juni; begin van de zomer, de dag dat de zon het hoogst staat);
  • 23 september; begin van de herfst, de dag dat de zon op 'half' staat, namelijk precies tussen de stand van 21 juni en 22 december in (wintertijd).
Het maximaal toegestane volume is voor de berekeningen in een 3D-programma gezet. Door het invoeren van de
coördinaten en een tijdstip is de exacte zoninstraling per plaats en per dag te bepalen, aan de hand van het verloop
van de zon over deze dag. Hierbij is rekening gehouden met de zomer- en wintertijd. De tijdstippen waarop de bezonning volgens de 'lichte norm' is bepaald zijn: 8.00, 9.00, 10.00, 11.00, 12.00, 13.00, 14.00, 15.00, 16.00, 17.00 en 18.00 uur.
 
Uit de bezonningsstudie blijkt dat de nieuwe ontwikkeling beperkt invloed heeft op de bezonning van de omliggende woningen aan de Nicolaas Beetslaan en aan de Dokter van Westendorplaan en dat voldaan wordt aan de 'lichte norm'.
 
Conclusie
Gelet op de omvang en hoogte van de toekomstige bebouwing in combinatie met de afstand van die bebouwing tot de omliggende woningen zal er geen sprake zijn van een onaanvaardbare beperking van de lichtinval bij deze omliggende woningen in vergelijking tot de bestaande situatie en is een voldoende daglichttoetreding gewaarborgd.
 
hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving
5.1 Algemeen
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
 
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
 
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
 
Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Toelichting op de planregels
De planregels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de geldende bestemmingsplannen. In onderstaande paragrafen zullen de regels nader worden uiteengezet.
5.3 Bestemmingen
De regels van het voorliggende bestemmingsplan zijn afgestemd op de gemeentelijke standaarden en sluiten aan op recente bestemmingsplannen van de gemeente Zuidplas. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
 
Groen
De groenzones in het plangebied zijn veiliggesteld via de bestemming 'Groen'. De gebruikelijke gebruiksmogelijkheden worden geboden, waaronder ook voorzieningen ten behoeve van waterafvoer en waterberging. Verder zijn in verband met de bestemming, behoudens nutsvoorzieningen, alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegelaten, zoals terreinafscheidingen en lichtmasten.
Ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' is parkeren toegelaten. Tevens is geregeld dat dit terrein gebruikt kan worden als ijsbaan.
    
Verkeer - Verblijfsgebied
Ten behoeve van de ontsluiting en parkeerplaatsen wordt de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' gehanteerd. Binnen deze bestemming zijn bijvoorbeeld ook groenvoorzieningen en straatmeubilair e.d. toegelaten. Er zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals lichtmasten e.d. toegelaten.
 
Water
De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor watergangen met natuurlijke oevers of oeverbeschoeiingen en waterpartijen, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer en waterberging, bermen en groenvoorzieningen en kunstwerken, waaronder begrepen bruggen en dammen ter ontsluiting van woonpercelen in het plangebied. Er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd.
 
Wonen
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen. Er wordt voor de bewoner ruimte geboden voor aan-huis-verbonden beroepen en aan-huis-verbonden bedrijven, tot maximaal 30% van het grondvloeroppervlak van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken, met een maximum van 50 m².
Tevens zijn de daarbij behorende tuinen, bijbehorende bouwwerken, parkeervoorzieningen, fiets- en voetpaden, speeltoestellen, water en kunstwerken toegestaan.
 
Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken worden gebouwd, waarbij ook de woningtypologie (vrijstaand, twee-aaneen, aaneengebouwd en gestapeld), het maximum aantal wooneenheden en de maximum goot- en bouwhoogten zijn vastgelegd. Bij de vrijstaande en twee-aaneengebouwde woningen is een 'gevellijn' aangeduid: de voorgevel van het hoofdgebouw dient ter plaatse van deze aanduiding te worden gebouwd, dan wel daarachter. In de regels wordt verder geregeld dat de inhoud van een hoofdgebouw van vrijstaande en twee-aaneengebouwde woningen niet meer mag bedragen dan 750 m³. Dit is exclusief uitbouw/aanbouw/kelder. 
Voorts is een regeling opgenomen voor bijbehorende bouwwerken, inclusief een regeling voor erkers.
 
Voor wat betreft de woningen aan de Vierde Tochtweg zijn aanduidingen 'specifieke vorm van wonen - openheid' opgenomen. Daarmee is bepaald dat ter plaatse geen bijbehorende bouwwerken gerealiseerd mogen worden en dat deze gronden niet aangemerkt worden als erf zoals bedoeld in artikel 1 bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht waarmee hier ook geen vergunningsvrije bouwwerken zijn toegestaan.
 
In de Algemene regels is een regeling voor het parkeren opgenomen, met een verwijzing naar de op 5 november 2019 vastgestelde 'Nota Parkeernormen 2019'. Daarbij is bovendien bepaald dat op de gronden die op de verbeelding zijn voorzien van de aanduiding “specifieke vorm van wonen - parkeren” een instandhoudingsplicht voor parkeervoorzieningen op eigen terrein rust.
  
hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan.
 
Planspecifiek
De betreffende gronden zijn eigendom van de gemeente Zuidplas. Er zijn voorts voor de gemeente geen bijzondere bijkomende kosten verbonden aan de herontwikkeling van het terrein. De economische uitvoerbaarheid is dan ook niet in het geding.
 
hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.1 Algemeen
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van Provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
 
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt vervolgens met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
 
7.2 Participatie
Bij het besluit over de intenties van partijen over de herontwikkeling van het achterblijvende sportpark ’t Lage zijn in maart 2018 al de uitgangspunten en de eerste schetsen van een stedenbouwkundige verkaveling en programmatische invulling weergegeven. Deze zijn daarna op een eerste inloopavond op 23 mei 2018 aan de omgeving gepresenteerd en toegelicht. Tijdens die bijeenkomst zijn diverse vragen gesteld en opmerkingen gemaakt. Via de gemeentelijke website is het bestand 'Vraag & antwoord 23 mei 2018 - 't Lage' in te zien, waarin de vragen en opmerkingen voorzien zijn van een reactie. Met deze input zijn het aangepaste stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan opgesteld en door het college vastgesteld.
 
Op maandag 23 november 2020 heeft de gemeente Zuidplas een online-informatieavond over de ontwikkelingen rondom 't Lage (en ook Het Ambacht) georganiseerd. Tijdens deze informatieavond zijn het uitgewerkte en aangepaste stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan toegelicht en werden geïnteresseerden bijgepraat over de ontwikkelingen, de huidige status én stonden medewerkers klaar om vragen te beantwoorden.
 
Op 2 juni 2021 is er een online-informatieavond gehouden over het bestemmingsplan en het stedenbouwkundige plan van 't Lage, door middel van een (video)presentatie. Op de avond is ook teruggeblikt op de eerder gestelde vragen en reacties op het stedenbouwkundig plan en de wijzigingen die naar aanleiding daarvan zijn doorgevoerd. Er was op die avond de mogelijkheid om vragen te stellen.
 
7.3 Vooroverleg
In het kader van het vooroverleg, zoals bedoeld in artikel 3.1.1 lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening, is het voorontwerpbestemmingsplan verstuurd naar verschillende vooroverlegpartners.
Reacties zijn ontvangen van Dunea, Gasunie, GGD Hollands Midden, Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK), Oasen, Qirion en TenneT. De opmerkingen zien hieronder samengevat en van een gemeentelijke reactie (in cursief) voorzien.
 
1. Dunea (mail d.d. 28 mei 2021)
Dunea geeft aan dat er in het gebied geen transportleidingen van Dunea liggen. Derhalve zijn er geen op- of aanmerkingen op het plan.
Deze opmerking geeft geen aanleiding tot aanpassingen.
 
2. Gasunie (mail d.d. 4 mei 2021)
Voor Gasunie geldt dat het toegestuurde plan geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.
Deze opmerking geeft geen aanleiding tot aanpassingen.
 
3. GGD Hollands Midden (mail d.d. 7 mei 2021)
De GGD Hollands Midden heeft voor het plan een gezondheidskundig advies opgesteld (d.d. 4 juni 2021).
In het advies wordt geadviseerd over luchtkwaliteit, geluid, binnenklimaat, elektromagnetische velden, groen en blauw, hittestress en bodemkwaliteit. In de verdere planontwikkeling zal dit gezondheidskundig advies meegenomen worden. Echter geeft het gezondheidskundig advies van de GGD Hollands Midden geen aanleiding tot aanpassingen.
 
4. Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) (mail 7 juni 2021)
Het HHSK heeft twee opmerkingen op het voorontwerpbestemmingsplan. De wadi’s in dit gebied zijn ten behoeve van waterberging en om te voldoen aan de watertoets. Deze staan onder bestemming groen, terwijl alle voorzieningen ten behoeve van waterafvoer en waterberging onder bestemming water vallen. In de watervergunning zullen we dit uiteindelijk ook borgen, maar wellicht is het voor de gemeente ook handig om deze functie expliciet te benoemen.
 
Daarnaast is op 6 mei een nieuwe versie van de berekening voor de watercompensatie ontvangen. Deze berekening is iets aangepast ten opzichte van degene in de toelichting van het voorontwerpbestemmingsplan.
 
De opmerkingen van het HHSK geven aanleiding tot het aanpassen van de toelichting en regels.
- Voor de regels geldt dat in artikel 3.1 in de bestemmingsomschrijving, d. voorzieningen ten behoeve van waterafvoer en waterberging, is opgenomen.
- In de toelichting is paragraaf 4.9.2 de nieuwe berekening voor de watercompensatie opgenomen.
 
5. Oasen (mail d.d. 28 mei 2021)
Oasen geeft aan geen opmerkingen te hebben op het voorontwerpbestemmingsplan.
Deze opmerking geeft geen aanleiding tot aanpassingen.
 
6. Qirion/Liander (mail d.d. 4 mei 2021)
Er zijn vanuit Qirion/Liander geen opmerkingen op het voorontwerpbestemmingsplan.
Deze opmerking geeft geen aanleiding tot aanpassingen.
 
7. TenneT (mail d.d. 6 mei 2021)
Binnen de grenzen van het plan heeft TenneT noch bovengrondse-, noch ondergrondse hoogspanningsverbindingen in beheer. Er zijn geen opmerkingen op het plan.
Deze opmerking geeft geen aanleiding tot aanpassingen.
 
7.4 Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan “'t Lage, Moordrecht” heeft vanaf donderdag 2 september 2021 tot en met woensdag 13 oktober 2021 ter inzage gelegen in het gemeentehuis, via www.ruimtelijkeplannen.nl en via de website van de gemeente Zuidplas.
Er zijn drie zienswijzen binnengekomen. In de Nota van Beantwoording Zienswijzen (en Wijziging) zijn de zienswijzen samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien: zie bijlagen bij toelichting, bijlage 11.
  
hoofdstuk 8 Handhaving
Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen.
Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Woningwet.
Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke aanlegvergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een ontheffing.
 
Handhaving wordt onderscheiden in preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen. Voorts bestaat preventieve handhaving uit het opstellen van duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels en uit communicatie en voorlichting.
Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijke actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet.