direct naar inhoud van Ruimtelijke onderbouwing
Plan: Woerdblok fase 4
Status: vastgesteld
Plantype: omgevingsvergunning
IMRO-idn: NL.IMRO.1783.pbp00000021g01-VA01

Ruimtelijke onderbouwing

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

In het noordwesten van Naaldwijk ligt de nieuwbouwwijk Woerdblok. Woerdblok is een grote uitbreidingswijk die na voltooiing uit ca. 1000 woningen zal bestaan. De wijk bestaat uit vier delen, namelijk Waterwijk, Zandstrand, Waterrijk en Zandheuvel. Het deel Zandheuvel wordt momenteel aangelegd. Binnenkort wordt gestart met bouwen van de laatste fase in dit deel. Dit laatste deel betreft de realisatie van een gebouw met 16 appartementen. Met deze laatste fase komt het totaal aantal woningen op 245. Echter, op basis van het geldende bestemmingsplan zijn 230 woningen toegestaan. Op dit punt is de laatste fase van de ontwikkeling dus in strijd met het bestemmingsplan.

Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is een afwijking van het bestemmingsplan vereist. Deze afwijking wordt mogelijk gemaakt door een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. Deze vergunning doorloopt de uitgebreide Wabo-procedure. Bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning is een goede ruimtelijke onderbouwing één van de indieningsvereisten. Deze rapportage bevat deze onderbouwing. Hiermee wordt aangetoond dat de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Deze ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin. De toevoeging van 15 extra woningen wordt getoetst aan relevante beleidskaders en diverse omgevingsaspecten.

1.2 Ligging projectgebied

Het projectgebied ligt ten noordwesten van de kern van Naaldwijk in de gemeente Westland. Het gebied waar de afwijking betrekking op heeft bestaat uit het appartementengebouw.

De locatie van het appartementengebouw ligt bij de entree van Zandheuvel bij de rotonde van de Zand- en Waterweg. Deze locatie wordt omsloten door de Zandheuvelweg en een groenstrook met waterberging.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.pbp00000021g01-VA01_0001.png"

Figuur 1.1: Ligging projectgebied (bron: Arcgis luchtfoto 2018)

1.3 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan 'Zandheuvel (fase 4 Woerdblok) te Naaldwijk', vastgesteld op 21 februari 2012 door de gemeenteraad van Westland.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.pbp00000021g01-VA01_0002.png"

Figuur 1.2: Bestemmingsplan Zandheuvel (fase 4 Woerdblok) te Naaldwijk (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Hier geldt de bestemming Woongebied. Voor heel Zandheuvel is deze bestemming opgenomen om de uiteindelijke invulling niet meteen vast te leggen, maar flexibel te houden voor wisselende marktomstandigheden. Wel zijn op enkele locaties typen woningen aangewezen en is de maatvoering geregeld. Daarbij is de Zandheuvelweg en het groen direct bestemd om zo de beoogde hoofdstructuur te borgen. In de bouwregels van deze bestemming is vastgelegd dat het maximum aantal woningen ten hoogste 230 bedraagt.

Strijdigheid bestemmingsplan

De beoogde ontwikkeling betreft de bouw van fase 4 van Woerdblok. Door verdichting in het bouwplan van deze fase komt het totaal aantal woningen op 245. Op dit punt is de ontwikkeling in strijd met het bestemmingsplan. In deze rapportage is onderbouwd dat deze toevoeging voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.

1.4 Leeswijzer

Deze ruimtelijke onderbouwing bestaat uit:

Wettelijke vereisten   Waar in dit document?  
Een beschrijving van het project   Hoofdstuk 2  
De conclusies van het onderzoek naar het beleid en de omgevingsaspecten   Hoofdstuk 3 en 4  
De maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid, inclusief het kostenverhaal   Hoofdstuk 5  

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie projectgebied

Het projectgebied betreft de laatste fase in de ontwikkeling van de nieuwbouwwijk Woerdblok. Woerdblok bestaat uit vier delen, namelijk Waterwijk, Zandstrand, Waterrijk en Zandheuvel. De wijk zal na afronding bestaan uit circa 1.000 woningen met bijbehorende voorzieningen. Een veertig meter brede groenzone vormt samen met de ontsluitingsweg de "natuurlijke" scheiding tussen de vier verschillende woonbuurten met ieder hun eigen karakter.

Er is reeds gestart met de bouw van Zandheuvel, de eerste woningen staan er al. De laatste fase betreft de ontwikkeling van het appartementengebouw, waarmee heel Woerdblok voltooid is.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.pbp00000021g01-VA01_0003.png"Figuur 2.1: Impressie woningen Zandheuvel (bron: woerdblok-zandheuvel.nl)

In de huidige situatie ligt het projectgebied braak. Omdat de locatie reeds bestemd is voor wonen, wordt het momenteel niet gebruikt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.pbp00000021g01-VA01_0004.png"

Figuur 2.2: Huidige situatie projectgebied (bron: Google maps)

2.2 Beoogde ontwikkeling

Zandheuvel betreft het laatste plandeel van de ontwikkeling Woerdblok. In Zandheuvel zijn reeds 229 woningen gebouwd of in ontwikkeling. De laatste fase van Zandheuvel bestaat uit een appartementengebouw van 16 woningen. Samen met de eerdere fasen komt dit totaal aantal woningen uit op 245. Dit is meer dan in het bestemmingsplan is voorzien. Dit komt door de vraag uit de markt ten tijde van de vastgoedcrisis. Er kwam meer vraag naar kleinere en dus goedkopere woningen. Dit terwijl het bestemmingsplan is gemaakt in de periode voor de crisis waarin is uitgegaan van de bouw van grotere woningen. Een groot deel van de woningen die op basis van het bestemmingsplan mogelijk zijn, zijn al gerealiseerd en de ontwikkeling zit nu in de afrondingsfase. Nu de markt is aangetrokken is er extra vraag naar woningen en met name appartementen. Dat betekent dat er behoefte is om 15 extra woningen te realiseren. Dit is echter niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan. Daarom wordt voor deze laatste fase afgeweken van het bestemmingsplan. In deze onderbouwing is aangetoond dat dit ruimtelijk aanvaardbaar is. In figuur 2.3 staat het bouwplan weergeven.

Verdichting fase 4

Doordat er in de gehele wijk sprake is van verdichting van het bouwplan, wordt het maximum aantal woningen overschreden. In heel Zandheuvel zijn meer rijwoningen gebouwd in plaats van de geplande twee-onder-een-kapwoningen Binnen het projectgebied zou daarom theoretisch gezien nog één appartement mogen worden gerealiseerd. Met het appartementengebouw, waarin 16 appartementen komen, is het aantal woningen dat op basis van het bestemmingsplan mogelijk is, met 15 overschreden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.pbp00000021g01-VA01_0005.png"

Figuur 2.3: Appartementen blok Woerdblok (bron: CV Woerdblok)

Stedenbouwkundige inpassing

Voor de ontwikkeling van de wijk Zandheuvel is een stedenbouwkundig plan en een Beeldkwaliteitsplan opgesteld. Samen vormt dit de ruimtelijke onderlegger voor de ontwikkeling. In het stedenbouwkundige plan is reeds rekening gehouden met de gefaseerde ontwikkeling en is daarom flexibel in opzet. De hoofdstructuur van Woerdblok heeft de vorm van een assenkruis bestaande uit de Zand- en Waterweg in oostwestrichting en de Parkstrip in noordzuidrichting. De hoofdroute van Zandheuvel heeft de vorm van een meander.

De toevoeging van de extra woningen zorgt niet voor een verandering van de structuur in de wijk. Het profiel zoals beschreven in het stedenbouwkundig plan (exterieur, interieur en meander) blijft behouden door de verdeling van de verschillende woningtypen over de drie sferen. Daarnaast zijn de afstandsmaten en bouwmaten geborgd in de bouwregels van het bestemmingsplan. Hiermee is een deel van de uitstraling in de wijk geborgd. De verdichting doet geen afbreuk aan de stedenbouwkundige opbouw van de wijk, omdat dit nog steeds voldoet aan het beeldkwaliteitsplan.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan relevante beleidskaders op Rijksniveau, provinciaal en gemeentelijk niveau.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. De ambities die tot 2028 zijn geformuleerd luiden als volgt:

  • 1. het vergroten van de concurrentiepositie door de ruimtelijk- economische structuur te versterken;
  • 2. het verbeteren van de bereikbaarheid;
  • 3. zorgen voor een leefbare en veilige omgeving, met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.
3.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro)

Artikel 3.1.6. van het Bro: Ladder voor duurzame verstedelijking (SVIR/Bro)

Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied moet de behoefte in de relevante regio worden beschreven. Voor stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied moet daarnaast worden gemotiveerd waarom deze niet binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd kunnen worden.

Het planvoornemen betreft de toevoeging van 15 extra woningen. Gelet op dit aantal woningen wordt de ontwikkeling gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied. Daarom is de behoefte beschreven.

Beschrijving behoefte
Voorliggend plan maakt 15 nieuwe woningen mogelijk. Deze woningen maken deel uit van Zandheuvel, Woerdblok.

De relevante woonregio is de regio Haaglanden. Uit het rapport 'Actueel en realiseerbaar woningbouwprogramma Haaglanden, Herijking RSP 2009-2020 Kwantitatief en kwantitatief woningbouwprogramma' (2014) blijkt dat:

  • er in deze regio fors minder wordt gebouwd dan de kwantitatieve behoefte in de regio;
  • kleinschalige ontwikkelingen (maximaal 50 woningen) die een inpassing in bestaand stedelijk gebied betreffen door de regio bij voorbaat al worden gezien als welkome aanvulling;
  • door middel van herstructurering meer differentiatie moet worden aangebracht zodat de eenzijdigheid van wijken wordt doorbroken.

Uit de actuele provinciale woningbehoefteprognose (WBR 2016) blijkt dat de woningbehoefte in de Haaglanden en met name in Den Haag groot is. In de periode 2017 - 2027 zijn in Haaglanden meer dan 52.000 woningen nodig, waarvan bijna ruim 6.155 in de gemeente Westland.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.pbp00000021g01-VA01_0006.png" Figuur 3.1 Uitsnede provinciale woningbehoefteprognose (WBR 2016)

Conclusie
Uit bovenstaande toetsing blijkt dat met de ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. De voltooiing van de wijk Woerdblok voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking. Het rijksbeleid staat de ontwikkeling niet in de weg.

3.3 Provinciaal beleid

 

3.3.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland (geconsolideerd 20-04-2019)

Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit.

De provincie heeft zes richtinggevende ambities geformuleerd in de fysieke leefomgeving. Door in te

zetten op de zes ambities wordt bijgedragen aan het sterker maken van Zuid-Holland.

Deze ambities zijn:

  • Naar een klimaatbestendige delta;
  • Naar een nieuwe economie: the next level;
  • Naar een levendige meerkernige metropool;
  • Energievernieuwing;
  • Best bereikbare provincie;
  • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Deze ambities zijn vertaald in beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving.

Toetsing

Voor de beoogde ontwikkeling is de opgave "Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact,

samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied". Deze opgave betreft de zorg voor een

goede ruimtelijke ontwikkeling, binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. Onderdeel van deze

opgave is het bevorderen van een optimaal gebruik van de binnenstedelijke ruimte.

De beleidskeuze hierbij is verstedelijking en wonen:

De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en

woningbouwcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen,

waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw

binnen bestaand stads- en dorpsgebied en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer. De

provincie is terughoudend met het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied en vraagt om de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied expliciet mee te wegen.

De provincie heeft de ambitie om alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO²-neutraal en vóór 2050

klimaatrobuust ingericht en ingepast te laten zijn. Nieuwe woningen dragen bij aan een aantrekkelijke

woon- en leefomgeving in Zuid-Holland. Nieuwe woningen zijn bij voorkeur energieneutraal of leveren

energie en zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering (heftige regenbuien, perioden van

droogte en hittestress) en bodemdaling. Gemeenten maken in samenspraak met de provincie regionale

woonvisies en regionale woningbouwprogramma's waarin bovengenoemde doelstellingen zijn

uitgewerkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.pbp00000021g01-VA01_0007.png"

Figuur 3.1: Uitsnede kaart 59 Omgevingsvisie Zuid-Holland (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

In paragraaf 3.2.2 is reeds de behoefte aangetoond. De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. De beoogde ontwikkeling is in lijn met het provinciaal beleid.

3.3.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland (geconsolideerd 20-04-2019)

De omgevingsvisie Zuid-Holland is vertaald in de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

Voor de beoogde ontwikkeling zijn artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit en artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen relevant.

Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit

  • 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:
    • a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);
    • b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:
      • zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en
      • het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid;
  • a. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:
    • 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en
    • 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid.

Toetsing

De projectlocatie valt binnen de bestaande bebouwde ruimte. Op de kaart stedelijke occupatie valt dit binnen de steden en dorpen.

De relevante richtpunten voor dit gebied zijn:

  • Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp.
  • Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur.
  • Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving.
  • Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur.
  • Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand.
  • Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd.
  • Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt.
  • Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied.

De beoogde ontwikkeling is in lijn met de richtpunten van de kwaliteitskaart en de ontwikkeling past qua maat en schaal bij de directe omgeving.

Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen

  • 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:
    • a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening;
    • b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.
  • 2. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening.
  • 3. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie.

De ontwikkeling is in paragraaf 3.2.2 getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Hiermee

voldoet het bestemmingsplan aan de provinciale regelgeving.

3.4 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Westland 2025-Perspectief 2040

In de structuurvisie van de gemeente Westland worden de ruimtelijke ambities van de gemeente geschetst. De gewenste ruimtelijke ontwikkelingen staan hierin genoemd en de lijn die de gemeente wil inzetten.

Op de visiekaart staan de verschillende kernen met daarin de gewenste ontwikkelingen geschetst.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.pbp00000021g01-VA01_0008.png"

Onderzoek en conclusie

In de structuurvisie is de projectlocatie aangewezen als 'te ontwikkelen woongebied (uitleglocatie)'. De beoogde ontwikkeling sluit hierbij aan.

3.4.1 Woonvisie Westland (2016)

De Woonvisie Westland is een actualisatie van de Woonvisie Westland 2008 en werkt de woonaspecten van de vastgestelde structuurvisie 2013 verder uit. De hoofdthema's in deze woonvisie zijn:

  • Betaalbaarheid;
  • Doorstroming en wooncarrière met nadruk op "scheef woners" en senioren;
  • Ruimtelijke verdeling in en om de kernen;
  • Kwaliteit van de woningvoorraad.

Binnen de gemeente Westland zijn mensen op het gebied van verhuisbewegingen vooral gefocust op eigen kern en de kernen in die directe omgeving. Naaldwijk heeft de grootste verhuisrelatie met de overige kernen. Dit betekent dat deze kernen binnen Westland een meer centrale positie innemen.

Onderzoek en conclusie

Binnen de gemeente Westland zijn er mogelijkheden tot bouwen voor de regio op uitleglocaties in Naaldwijk en 's Gravenzande. De vraag vanuit de regio richt zich het meest op grondgebonden woningen, variërend van rij-hoekwoningen tot meer luxere woningtypen. Woerdblok is een dergelijke uitleglocatie. De extra woningen die worden toegevoegd zijn appartementen. Hier is veel vraag naar vanuit de groep boven de 60 jaar. Hiermee sluit de ontwikkeling aan bij de Woonvisie.

Hoofdstuk 4 Toetsing aan de omgevingsaspecten

4.1 Milieueffectrapportage

Toetsingskader

De omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan wordt aangevraagd voor 15 extra woningen.

Dit aantal valt onder categorie D11.2, ofwel de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het project betrekking heeft op 2.000 of meer woningen. De beoogde ontwikkeling blijft ruimschoots onder deze drempelwaarde.

Omdat de beoogde ontwikkeling onder de drempelwaarde blijft wordt volstaan met een vormvrije m.e.r-beoordeling. Deze paragraaf voorziet daarin. Op basis van deze beoordeling kan door de gemeente een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.

Plaats van het project

Het projectgebied ligt aan de noordzijde van Naaldwijk in de gemeente Westland. Het projectgebied betreft een momenteel braakliggend terrein. Het projectgebied ligt niet in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status en heeft geen bijzondere rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen. Daarnaast ligt het plangebied en omgeving niet in een gebied waar de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen (EU-normen, bijvoorbeeld met betrekking tot luchtkwaliteit) inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden.

Kenmerken van het project

Met deze ruimtelijke onderbouwing worden 15 extra woningen mogelijk gemaakt.

De ontwikkeling is onderdeel uit van de afronding van plandeel Zandheuvel. In totaal worden er 88 woningen gerealiseerd. Voor 15 woningen, die niet mogelijk zijn op basis van het geldende bestemmingsplan, wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Het stedenbouwkundig plan is toegelicht in paragraaf 2.2. Voor de realisatie van de woningen worden de gebruikelijke bouwmaterialen en natuurlijke hulpbronnen benut. Afvalstoffen zullen ontstaan tijdens de aanleg- en gebruiksfase. Afvalstromen zullen zoveel mogelijk worden gescheiden ten behoeve van hergebruik.

Cumulatie met andere projecten

De extra woningen worden mogelijk gemaakt binnen de laatste fase van de buurt Zandheuvel van de wijk Woerdblok. Woerdblok bestaat uit ca. 1000 woningen verdeeld over vier buurten, namelijk Waterwijk, Zandstrand, Waterrijk en Zandheuvel.

Daarnaast ligt circa 700 m ten westen van het projectgebied de wijk 'Waelpark'. Binnen een gebied van 65 ha worden circa 1.200 woningen gerealiseerd. Door het hart van het plan komt een ecologische verbindingszone van 25 meter breed. Het eerste deel van dit plan is reeds gerealiseerd, dit is Dijckerwaal fase 1 en 2. De volgende fase die wordt mogelijk gemaakt is Waelplas, dit bestemmingsplan is in de fase ontwerp.

Gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling, is geen sprake van relevante cumulatie van effecten. In de omgeving zijn verder geen vaststaande autonome ontwikkelingen voorzien die van invloed kunnen zijn op de effectbeoordeling van de beoogde ontwikkeling in het plangebied.

Kenmerken van de milieueffecten

Verkeer en parkeren

In het kader van het bestemmingsplan is onderzoek naar verkeersgeneratie uitgevoerd. De 15 extra woningen vallen binnen de scope van dit onderzoek. De Zand- en Waterweg en de overige ontsluitende wegen kunnen de totale verkeersgeneratie van de wijk verwerken.

Bij het appartementengebouw wordt het parkeren opgelost op eigen terrein.

Geluid

De beperkte verkeerstoename leidt niet tot relevante uitstralingseffecten.

Luchtkwaliteit

De beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Daarnaast blijkt uit de NSL-Monitoringstool dat langs de maatgevende wegen in 2017 ruimschoots aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer wordt voldaan.

Risico's op zware ongevallen of rampen en risico's voor de menselijke gezondheid

Externe veiligheid

De beoogde ontwikkeling betreft geen risicobron en zal dan ook geen negatief effect hebben op de omliggende (beperkt) kwetsbare objecten. De beoogde woningen liggen niet in een PR10-6 contour van een risicobron.

Risico's op rampen door klimaatverandering

De beoogde woningen bevinden zich in bestaand stedelijk gebied. Risico's op rampen door klimaatadaptatie nemen niet toe.

Risico's voor de menselijke gezondheid

Uit toetsing van de verschillende milieuthema's op het gebied van leefomgevingskwaliteit en verkeer blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot belangrijke toename van risico's voor de menselijke gezondheid. Er wordt voldaan aan de normen voor geluid, externe veiligheid en luchtkwaliteit.

Bodem

In het kader van het bestemmingsplan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de grond slechts licht is verontreinigd. Echter is er geen sprake van saneringsnoodzaak. De kwaliteit van de bodem is voldoende om woningbouw mogelijk te maken. Daarnaast hebben de beoogde woningen geen nadelige gevolgen voor de bodem.

Water

Ten gevolge van de realisatie van de beoogde woning neemt de verharding toe. De watercompensatie van 10% is reeds meegenomen in de realisatie van fase 1 en 3. Hiermee wordt voldaan aan de verplichtingen vanuit de Keur.

Het afvalwater afkomstig van de nieuwe woningen zal worden afgevoerd via een gescheiden rioolstelsel. Aan de zuidkant van het projectgebied ligt een secundaire waterkering die dienst doet als waterberging. Er worden geen aanpassingen gedaan aan het bestaande watersysteem.

Natuur

Gebiedsbescherming

Het plangebied bevindt zich niet in beschermd natuurgebied (zie paragraaf 4.7). Gelet op de afstand tot beschermde gebieden zijn significant negatieve effecten uitgesloten.

Soortenbescherming

De grond ter plaatse ligt braak in afwachting tot ontwikkeling van woningen. Deze grond is begroeid geraakt met gras. Er worden geen beschermde diersoorten verwacht. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Archeologie en cultuurhistorie

Ter plaatse van de projectlocatie geldt een hoge archeologische verwachtingswaarde. Daarom is in het kader van het bestemmingsplan een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt er in het gehele projectgebied geen archeologische waarden aanwezig zijn waarmee rekening dient te worden gehouden. Daarnaast zijn ter plaatse van het projectgebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig.

Aanlegwerkzaamheden

Gelet op de tijdelijkheid van aanlegwerkzaamheden kunnen blijvende negatieve milieueffecten uitgesloten worden. Tevens zal vanwege de kleinschaligheid ook geen sprake zijn van significante negatieve milieueffecten, zoals geluid- en stofoverlast, ten tijde van de werkzaamheden.

Mitigerende maatregelen

Uit de voorgaande sectorale analyse blijkt dat geen mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn.

Conclusie

Uit de informatie in deze paragraaf blijkt dat gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten geen belangrijke negatieve milieugevolgen kunnen optreden. Er is dan ook geen aanleiding voor het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure. Dit moet door de gemeente worden bevestigd in de vorm van een Besluit.

4.2 Geluid

Toetsingskader

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient het voornemen getoetst te worden aan de Wet geluidhinder. Er dient te worden aangetoond of kan worden voldaan aan wettelijke geluideisen (akoestisch onderzoek en geluidswerende maatregelen) indien er sprake is van een geluid producerende en/of geluidsgevoelige functie.

Onderzoek en conclusie

In het kader van het bestemmingsplan is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai. Hierbij is de geluidsbelasting ter plaatse van de nieuwe woningen onderzocht. Dit akoestisch onderzoek is uitgegaan van de theoretisch maximale aantal woningen van 259. Voor de woningen in dit plan zijn hogere waarden aangevraagd. Hierbij is gerekend op de bebouwingslijnen, het appartementengebouw blijft binnen deze bebouwingslijnen. De beoogde ontwikkeling blijft binnen dit aantal woningen waarvoor hogere waarden zijn aangevraagd. Omdat deze hogere waarden reeds zijn aangevraagd is het aspect geluid geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.3 Bedrijven en milieuhinder

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Hierbij wordt gebruik gemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten

zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.

Onderzoek en conclusie

Aan de noordzijde van de Kleine Achterweg liggen verschillende glastuinbedrijven. Voor deze bedrijven geldt een richtafstand van 30 meter ten op zichte van een rustige woonwijk. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Het aspect bedrijven en milieuhinder vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.4 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.2 weergegeven.

Stof   Toetsing van   Grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³  
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg /m³  

Tabel 4.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

Onderzoek en conclusie

Door de geringe grootte van de ontwikkeling (15 woningen) draagt dit 'niet in betekenende mate' bij aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen en is vrijgesteld aan het toetsen aan de grenswaarden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt wel een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2017 (https://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg is de Verspycklaan. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2017 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden uit de WM liggen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen 28,5 µg/m³ voor NO2, 20,0 µg/m³ voor PM10 en 11,3 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 is 8 dagen. Hierdoor is ter plaatse van het projectgebied sprake van een aanvaardbaar leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.5 Externe veiligheid

Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken,

namelijk:

  • bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen.


In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het

groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als

rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd

op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of

langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een

bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR

geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of

de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Risicorelevante inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe

veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten

aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid

gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking

getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg,

het spoor of over het water. De concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van

het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de

lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal

transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag

veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.

Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties.

Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes.

Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met

deze plasbrandaandachtsgebieden.

Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen

beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Buisleidingen

Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat

Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij

de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

Onderzoek en conclusie

Uit de risicokaart blijkt dat in en rondom het projectgebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Wel ligt ten westen van het projectgebied een aardgasleiding. Uit de risicokaart blijkt dat de PR-10-6 contour op 10 meter vanaf de leiding ligt. De projectlocatie ligt buiten deze contour. Ook het invloedsgebied valt hier buiten. Er is dus geen sprake van een groepsrisico, een verantwoording van het groepsrisico is daarom niet nodig. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Water

Toetsingskader

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer.

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de

waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze

paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota's, waarbij het beleid van het

waterschap nader wordt behandeld.

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW)

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW)
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
  • Waterwet

Provinciaal:

  • Provinciaal Waterplan
  • Provinciale Structuurvisie
  • Verordening Ruimte

Waterschapsbeleid

Het projectgebied valt binnen het gebied van het Hoogheemraadschap van Delfland. Een van de kerntaken van Delfland is de zorg voor voldoende oppervlaktewater van voldoende kwaliteit. Ze zet zich in op een op de gebruikers afgestelde watervoorziening om de nadelige gevolgen van incidentele en structurele watertekorten zo beperkt mogelijk te houden.

Onderzoek en conclusie

In het kader van de ontwikkeling van het gehele woongebied Woerdblok is reeds overleg gevoerd met het Hoogheemraadschap van Delfland. Voor het gehele gebied is conform afspraken minimaal 10% waterberging aangelegd. Dit is reeds gedaan in fase 1 en 3.

Het afvalwater afkomstig van de nieuwe woningen zal worden afgevoerd via een gescheiden rioolstelsel. Aan de zuidkant van het projectgebied ligt een secundaire waterkering die dienst doet als waterberging. Er worden geen aanpassingen gedaan aan het bestaande watersysteem. Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van 15 extra woningen.

4.7 Ecologie

Toetsingskader

Bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling dient onderzocht te worden of de Wet

natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van

dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van de

ruimtelijke ontwikkeling niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of

ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen

voor de activiteiten die met dit project mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb

voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt.

Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en

plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke

regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:

  • a. Natuurnetwerk Nederland (NNN);
  • b. Natura-2000 gebieden.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • a. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • b. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en
  • c. de bescherming van overige soorten.

Onderzoek en conclusie
Op 700 meter afstand ligt een Natuurnetwerk Nederland gebied en op 3 kilometer afstand. Gezien de afstand en de toevoeging van de 15 woningen worden significant negatieve effecten op deze gebieden uitgesloten. De grond ter plaatse ligt braak in afwachting tot ontwikkeling van woningen. Deze grond is begroeid geraakt met gras. Er worden geen beschermde diersoorten verwacht. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.pbp00000021g01-VA01_0009.png"

Figuur 4.1: Uitsnede kaart Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000 provincie Zuid-Holland (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

4.8 Bodem

Toetsingskader

Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (hierna: Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.

Wet bodembescherming

De Wbb regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt

meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen:

  • a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik;
  • b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging;
  • c. het wegnemen van actuele risico's.

Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak.

Onderzoek en conclusie

Het plangebied is momenteel braakliggend. Er zijn geen opslagtanks bekend ter plaatse van het plangebied. Ook is het plangebied niet gelegen in een milieubeschermingsgebied voor grondwater.

Op basis van de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Westland zijn de boven- en ondergrond respectievelijk geclassificeerd als klasse wonen en klasse AW2000.

Ter plaatse van het plangebied is in 2012 bodemonderzoek (Ingenieursbureau Mol, met kenmerk NEN.2012.0137 van 28 augustus 2012) uitgevoerd. Dat onderzoek is verjaard (ouder dan 5 jaar) en dient geactualiseerd te worden.

4.9 Archeologie en cultuurhistorie

Toetsingskader

Erfgoedwet

Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De

uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse

omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem,

de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden

waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse

archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen

archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen

vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de

bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

Onderzoek en conclusie

Ter plaatse van de projectlocatie geldt een hoge archeologische verwachtingswaarde. Daarom is in het kader van het bestemmingsplan een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt er in het gehele projectgebied geen archeologische waarden aanwezig zijn waarmee rekening dient te worden gehouden. Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Verkeer en parkeren

Toetsingskader

De verkeersgeneratie van een ontwikkeling wordt bepaald op basis van kencijfers van het CROW (publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie', 2012). De gemeente heeft een matig stedelijk karakter op basis van de adressendichtheid. Voor het bestemmingsplan 'Zandheuvel (fase 4 Woerdblok) Naaldwijk' zijn aparte parkeernormen opgenomen. Voor woningen met een garage geldt een parkeernorm van 2,5 parkeerplaatsen per woning waarbij de parkeergarage als 1 parkeerplaats geldt. Voor overige woningen geldt een parkeernorm van 1,5 parkeerplaatsen per woning.

Onderzoek en conclusie

Ontsluiting

Het autoverkeer wordt ontsloten via de Zandheuvelweg naar de Zand- en Waterweg en sluit in oostelijke richting aan op de Grote Woerdlaan. Het fietsverkeer kan tevens gebruik maken van de Zand- en Waterweg. Deze weg beschikt over vrijliggende fietspaden.

Op circa 750 meter afstand liggen diverse bushaltes waar bussen van en naar Naaldwijk station pendelen.

Verkeersgeneratie en parkeerbehoefte

Deze onderbouwing voorziet in de toevoeging van 15 woningen ten opzichte van de toegestane 230 woningen. Uitgaande van een kencijfer van 7,8 mvt/etmaal op een weekdag per woning (koop, etage, duur), neemt de verkeersgeneratie toe met 117 mvt/etmaal.

In het bestemmingsplan is het onderzoek naar verkeersgeneratie uitgevoerd op basis van een worst-case situatie van maximaal 260 woningen. Uit de berekende verkeersgeneratie blijkt dat aantal woningen geen problemen op te leveren op de Zand- en Waterweg en de overige ontsluitende wegen.

Bij het appartementengebouw wordt het parkeren opgelost op eigen terrein.

Gelet op bovenstaande vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.11 Kabels en leidingen

Toetsingskader
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke

beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • 1. gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • 2. aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch;
  • 3. defensiebrandstoffen;
  • 4. warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.

Onderzoek en conclusie
Ter plaatse van het projectgebied liggen geen planologisch relevante kabels of leidingen. Het aspect kabels en leidingen vormt daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

De beoogde ontwikkeling betreft een ontwikkeling waarvoor tussen de initiatiefnemer en de gemeente een privaatrechtelijke overeenkomst is afgesloten. Daarom is er geen exploitaitieplan zoals bedoeld in het Bro vereist, maar is de economische uitvoerbaarheid anderzijds geborgd.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1 Omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan

De beoogde ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan (zie Hoofdstuk 1). Op grond van artikel 2.12 Wabo kan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken worden van het geldende bestemmingsplan. Een belangrijke voorwaarde om te mogen afwijken is dat er wordt aangetoond dat de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met de beginselen van een goede ruimtelijke ordening. Deze ruimtelijke onderbouwing toont aan dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.

5.2.2 Wettelijk vooroverleg

De concept ontwerp omgevingsvergunning wordt in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegezonden aan de overlegpartners van de gemeente Westland.

5.2.3 Procedure

Bij een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan is de uitgebreide

Wabo-procedure van toepassing. Bij de uitgebreide procedure moet binnen 6 maanden op een aanvraag worden beslist. Bij afwijken van het bestemmingsplan moet de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen afgeven voordat het college van B&W op de aanvraag kan beslissen. De gemeenteraad heeft categorieën van gevallen aangewezen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen noodzakelijk is. De beoogde ontwikkeling past binnen deze aanwijzing.

Tegen een omgevingsvergunning kan door belanghebbenden in twee instanties beroep worden

ingesteld, eerst bij de Rechtbank en in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad

van State.