Type plan: wijzigingsplan
Naam van het plan: Denekamp, Diekmanweg 3
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1774.DENWPDIEKMANWEG3-0401

Toelichting

 

1 Inleiding

1.1 Aanleiding wijzigingsplan

Op het perceel Diekmanweg 3 heeft initiatiefnemer jarenlang een kwekerij geëxploiteerd. In 2006/2007 is de uitoefening van de kwekerij echter beëindigd. Op het perceel bevindt zich, naast de (bedrijfs)woning met bijbehorende schuur van 250 m², nog steeds een groot deel van de kassen van de voormalige kwekerij.
Deze kassen hebben een oppervlakte van circa 7000 m².
Voor de kern van Denekamp is in 2009/2010 het bestemmingsplan geactualiseerd, waarna het  bestemmingsplan "Denekamp Kern" op 9 oktober 2012 door de gemeenteraad van Dinkelland is vastgesteld. In dit plan is rekening gehouden met de gestopte activiteiten ter plaatse van de kwekerij op het perceel Diekmanweg 3 te Denekamp.
In de betreffende regels is namelijk voor deze locatie een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waarbij de bestemming  'Agrarisch Cultuurgrond' gewijzigd kan worden in de bestemming 'Wonen'. Met dit wijzigingsplan wordt invulling gegeven aan die wijzigingsbevoegdheid. In paragraaf 1.3 wordt uitgebreider stilgestaan bij deze wijzigingsbevoegdheid.

1.2 Ligging

Het perceel is gelegen aan de Diekmanweg 3 te Denekamp. Op de volgende afbeelding is het wijzigingsgebied aangegeven. Binnen dit wijzigingsgebied liggen echter ook gronden van anderen, waardoor het wijzigingsgebied voor de in dit plan beschreven ontwikkeling kleiner is.
 
Fragment bestemmingsplan "Denekamp Kern" met ligging wijzigingsgebied, blauw omlijnd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
 
Het perceel ontsluit op de Diekmanweg die aan de noordzijde uitkomt op de Sombeekweg en aan de zuidzijde op de Brandlichterweg. Het wijzigingsgebied ligt ten westen van de wijk het Remerman en ten noorden van de wijk 't Pierik. Dit gebied heeft het wonen als de belangrijkste functie.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Het wijzigingsgebied ligt binnen de grenzen van het bestemmingsplan "Denekamp Kern", waarin het betreffende perceel de bestemming 'Agrarisch - Cultuurgrond' heeft met de gebiedsaanduiding wro-zone-wijzigingsgebied 2. Dit plan is vastgesteld door de gemeenteraad van Dinkelland op 9 oktober 2012.
Het bestemmingsplan heeft betrekking op vrijwel de gehele bebouwde kom van Denekamp. Het karakter van dit bestemmingsplan is vooral conserverend, omdat het grootste gedeelte bestaand is.
In het plan zijn enkele ontwikkelingslocaties opgenomen, waaronder de locatie aan de Diekmanweg 3 te Denekamp.
 
Voor de herinvulling van deze locatie is het volgende in de toelichting op het bestemmingsplan "Denekamp Kern" opgenomen:
"Op deze locatie is nu nog sprake van een groot oppervlak aan kassen van een (voormalig) glastuinbouwbedrijf.
De locatie is vanwege de ligging in het dorp en goede ontsluitingsmogelijkheid geschikt voor herinvulling met woningbouw of een maatschappelijke voorziening waarbij gedacht wordt aan een brede school. In de (concept) Structuurvisie is de locatie ook als zodanig aangegeven. Ook hiervoor is in dit bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen."
Van de hier genoemde en in de regels opgenomen wijzigingsbevoegdheid wordt nu gebruik gemaakt.
Het bevoegd gezag (burgemeester en wethouders) mag onder de volgende voorwaarden de bestemming 'Agrarisch - Cultuurgrond' wijzigen in de bestemming 'Wonen':
  1. deze wijziging uitsluitend wordt toegepast ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 2a";
  2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ontwikkelingsmogelijkheden van aangrenzende functies;
  3. de gebouwen op een verantwoorde wijze worden ingepast in de omgeving;
  4. er sprake is van sanering van de bestaande kassen;
  5. de gebouwen aansluiten bij het woningbouwprogramma conform de prestatieafspraken met de provincie Overijssel;
  6. de inrichting van het gebied aansluit bij de inrichting en het gebruik van de (openbare) ruimte in de directe omgeving;
  7. het parkeren op eigen terrein plaatsvindt;
  8. de verkeersdruk op de naaste omgeving niet onevenredig toeneemt;
  9. na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels van artikel 21 van toepassing zijn. 
Artikel 21 zoals hiervoor genoemd betreft de regels van de bestemming 'Wonen'.
Aan de west- en zuidzijde van het wijzigingsgebied ligt een groene buffer dat in het huidige bestemmingsplan is bestemd als 'Bos'. Direct ten noorden van de planlocatie ligt de bestemming 'Wonen'. Deze bestemming ligt ook aan de oostzijde waar nieuwe vrijstaande woningen zijn gebouwd.

1.4 Digitaal uitwisselbare ruimtelijke plannen

Het bestemmingsplan "Denekamp Kern" is opgesteld onder het regime van de Wet ruimtelijke ordening en het bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Dit brengt met zich mee dat het wijzigingsplan eveneens onder de Wet ruimtelijke ordening opgesteld dient te worden. Het wijzigingsplan wordt dan ook opgesteld conform de voorwaarden uit de SVBP 2012 (StandaardVergelijkbareBestemmingsPlannen) zoals de wet deze voorschrijft. Om het plan geschikt te maken voor digitale uitwisseling, is het voorzien van IMRO-coderingen. Het bestemmingsplan voldoet daarmee ook aan de vormvereisten voor digitale beschikbaarheid die sinds 1 juli 2013 gelden.

1.5 De bij het plan behorende stukken

Het voorliggende wijzigingsplan omvat naast de toelichting, een verbeelding en regels.

1.6 Opzet van de toelichting

Het wijzigingsplan wordt in de volgende hoofdstukken toegelicht.
In hoofdstuk 2 worden de bestaande en toekomstige situatie beschreven. Hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 bevatten het kader voor dit bestemmingsplan, dat gevormd wordt door relevante rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid (hoofdstuk 3) en de randvoorwaarden op het gebied van de diverse milieu- en omgevingsaspecten (hoofdstuk 4). Tezamen zijn deze bepalend voor de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden binnen het plangebied. In hoofdstuk 5 worden deze mogelijkheden concreet beschreven aan de hand van de randvoorwaarden voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid.
Hoofdstuk 6 belicht de financiële uitvoerbaarheid van het plan. In hoofdstuk 7 volgt een korte verantwoording van de maatschappelijke uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

2 Gebiedsbeschrijving

 

2.1 Beschrijving bestaande situatie

Op de locatie Diekmanweg 3 is jarenlang een kwekerij in functie geweest. De nu nog aanwezige kassen laten dit zeer duidelijk zien. Op de volgende afbeelding is een luchtfoto weergegeven waarop de kassen te zien zijn.
 
Aanwezige kassen (blauw omlijnd) Diekmanweg 3 Denekamp (bron: Google Earth)
 
Zoals op de afbeelding is weergegeven is er naast de kassen ook een bedrijfswoning aanwezig. De oppervlakte van de aanwezig kassen bedraagt circa 7.000 m2. Deze oppervlakte wordt geheel gesloopt.

2.2 Beschrijving toekomstige situatie

Door herstructurering van de belangrijke doorgaande wegen en het centrum van Denekamp komt in het centrum van Denekamp relatief weinig groen voor. Aan de randen van het centrumgebied en de overige delen van het dorp is de situatie anders. Hier komt wel veel groen voor, vooral in de vorm van grotere groenstroken. Op de volgende afbeelding is de groenstrook bij het wijzigingsgebied weergegeven. 
 
Groenstrook nabij wijzigingsgebied, blauw omcirkeld (bron: bestemmingsplan "Denekamp Kern")
 
Deze groenstroken zijn belangrijk voor de leefbaarheid van het dorp. Door de kassen te slopen en de vrijkomende gronden tot een parkachtige tuin in te richten, wordt deze groenstrook versterkt.
Aan de zijde van de Diekmanweg komt met de sloop van het glasareaal voldoende grond vrij voor de bouw van twee vrijstaande woningen. Het vrijstaande karakter komt goed overeen met de woningen aan de overzijde (oostzijde) van de Diekmanweg 3. De nieuw te bouwen woningen komen op ruime kavels te liggen, waarbij het terrein met een oppervlakte van circa 3.000 m2 in twee afzonderlijke kavels worden verdeeld. Deze kavels ontsluiten direct op de Diekmanweg. De volgende afbeeldingen geven een mogelijke inrichting van de betreffende gronden weer en de groene ruimte achter de bestaande (bedrijfs)woning.
 
Mogelijke situering twee vrijstaande woningen en achterzijde vanaf bedrijfswoning (bron: Building Design Architectuur)
 
De nieuwe functie past goed in het gebied dat vooral het wonen als belangrijkste functie heeft.
 
Ten zuiden van de nieuwe woningen is ruimte om met gebruikmaking van de in het bestemmingsplan "Denekamp Kern" opgenomen wijzigingsbevoegdheid maatschappelijke voorzieningen te realiseren.

3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.
In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.
Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland ( de provincies Gelderland en Overijssel) zijn:
  • Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol;
  • Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma’s zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw;
  • Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe);
  • Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet.
Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over wijzigingsplannen als hiervoor beschreven. Het initiatief raakt geen rijksbelangen zoals opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Derhalve wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel en de daarbij behorende Omgevingsverordening Overijssel.
 
Uitgangspunten van de Omgevingsvisie Overijssel
In het ‘Omgevingsvisie Overijssel’ zijn de beleidskaders aangegeven voor de ruimtelijke ontwikkeling in Overijssel voor de komende jaren. Deze omgevingsvisie is in juli 2009 vastgesteld door Provinciale Staten van Overijssel en is in september 2009 in werking getreden.
In 2013 is de Omgevingsvisie op een aantal onderwerpen aangepast. Provinciale Staten hebben op 3 juli 2013 de actualisatie Omgevingsvisie vastgesteld. Reden voor deze actualisatie is de evaluatie van de Omgevingsvisie en het Hoofdlijnenakkoord uit 2011. De actualisatie richt zich alleen op de volgende onderwerpen: de ecologische hoofdstructuur (EHS), het streefbeeld Wegencategorisering, windenergie (rol provincie), nieuwvestiging van intensieve veehouderijen in landbouwontwikkelingsgebieden (LOG's), kantorenbeleid, definitie van lokaal gewortelde bedrijvigheid, ruimtelijke reservering gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente e.o. en tot slot de aanpassing van de verordening op basis van eerder uitgevoerde evaluatie. Wanneer hieronder wordt gesproken over de Omgevingsvisie, dan is dat de geactualiseerde versie.
 
De Omgevingsvisie bevat de volgende leidende thema's:
  • Duurzaamheid;
  • Ruimtelijke kwaliteit.
Deze thema's zijn in de Omgevingsverordening in definities verankerd. De definitie van duurzaamheid luidt: "
duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte aan de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien". Duurzaamheid vraagt om een transparante afweging van ecologische, economische en sociaal-culturele beleidsambities. De definitie van ruimtelijke kwaliteit luidt: "het resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is". Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat
(bedoeld en onbedoeld) van menselijk handelen en natuurlijke processen. De provincie wil ruimtelijke kwaliteit realiseren door, naast bescherming, ook vooral in te zetten op het verbinden van bestaande kwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen. De essentiële gebiedskenmerken zijn daarbij uitgangspunt.
 
De hoofdambitie van de provincie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare hulpbronnen en voorraden. Dit werkt door in een aantal centrale beleidsambities:
  • door meer aandacht voor herstructurering wordt ingezet op een breed spectrum aan woon-, werk- en mixmilieu's; dorpen en steden worden gestimuleerd hun eigen kleur te ontwikkelen;
  • investeren in een hoofdinfrastructuur voor wegverkeer, trein, fiets en waarbij veiligheid en doorstroming centraal staan;
  • zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik waarbij ervan uitgegaan wordt dat eerst het gebruik van de ruimte wordt geoptimaliseerd, dan de mogelijkheid van meervoudig ruimtegebruik wordt onderzocht en dan pas de mogelijkheid om het ruimtegebruik uit te breiden, wordt bekeken;
  • ruimtelijke plannen ontwikkelen aan de hand van gebiedskenmerken en keuzes voor duurzaamheid.
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
  
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel   
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel 2009 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel die hierna wordt toegelicht en waar aan het plan wordt getoetst.
   
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel 2006
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel 2009 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
  1. generieke beleidskeuzes;
  2. ontwikkelperspectieven; 
  3. gebiedskenmerken.
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
 
Generieke beleidskeuzes.
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase de zgn. “SER-ladder" gehanteerd. Deze komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaande bebouwing en herstructurering worden benut, voordat er uitbreiding kan plaatsvinden.
Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Ecologische Hoofdstructuur en verbindingszones etc. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend.
 
Ontwikkelingsperspectieven.
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.
 
Gebiedskenmerken.
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisure-laag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag “hoe" een ontwikkeling invulling krijgt.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling realiseerbaar is.
 
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
 
Toetsing van het initiatief aan het uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Indien het concrete initiatief, het realiseren van twee nieuwe woningen binnen bestaand stedelijk gebied van het dorp Denekamp, wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
 
Generieke beleidskeuzes
Bij de afwegingen in de eerste fase "generieke beleidskeuzes" wordt opgemerkt dat de locatie aan de Diekmanweg een zogenaamde inbreidingslocatie is. De wijzigingsbevoegdheid wordt binnen bestaand stedelijk gebied ingevuld. Er is sprake van een woongebied. De functieverandering van glas naar wonen is mitsdien aanvaardbaar. De nieuwe mogelijkheden hebben nauwelijks tot geen invloed op de omgeving.
 
Ontwikkelingsperspectieven
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Omdat het plangebied binnen bestaand stedelijk ligt, zijn in deze situatie alleen de ontwikkelingsperspectieven voor het stedelijk gebied van belang.
 
Gebiedskenmerken 
Bij toetsing van het ruimtelijke initiatief aan de gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) is van belang dat de locatie is gelegen in stedelijk gebied. Bij het raadplegen van de specifieke lagen blijkt dat de betreffende lagen enkele kenmerken aan het gebied geven waarbinnen het plangebied ligt:
  • Natuurlijke laag (geomorfologie en bodem): op deze kaart is Denekamp aangegeven als ‘dekzandvlakte- en ruggen’;
  • Laag van het agrarisch cultuurlandschap: op deze kaart is Denekamp aangegeven als ‘hoevenlandschap’;
  • Stedelijke laag (bebouwing en infrastructuur): Denekamp wordt op deze kaart als volgt omschreven: ‘woonwijk 1955 - nu en bedrijventerreinen. De woonwijken zijn grotendeels planmatig ontworpen en gerealiseerd. Dat heeft geleid tot een per wijk kenmerkende hoofdstructuur met een eigen aard, maat en karakter van het grote geheel. Functies zijn meestal ruimtelijk gescheiden;
  • Lust & Leisure-laag (toerisme, recreatie en landgoederen): Van deze kaart maakt Denekamp geen deel uit. Wel wordt het dorp omsloten door het kenmerk ‘donkerte’. Hier is het contrast tussen lichte en donkere en drukke en stille gebieden groot. Donkere gebieden vragen om een minimaal noodzakelijke toepassing van kunstlicht. 
De kassen hebben de kenmerken van met name de natuurlijke laag en de laag van agrarisch cultuurlandschap al aangetast. Met de sloop van de kassen en de bouw van twee woningen worden de hiervoor beschreven lagen niet meer geweld aangedaan. De bouw van de twee woningen is wel in overeenstemming met de stedelijke laag.  
 
Wonen
Als aanvulling op de woonmilieus in de steden en dorpen is er ruimte voor ontwikkeling van aanvullende woonmilieus in het buitengebied onder voorwaarden van generiek instrumentarium (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik), ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken. Over het woonprogramma voor Denekamp is overleg gepleegd met de provincie Overijssel. In het woningbouwprogramma is opgenomen dat tot 2015 110 woningen gebouwd kunnen worden. De bouw van twee woningen past hierin.
 
Conclusie ten aanzien van het provinciale beleid:
Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende wijzigingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel 2009/2013 verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
    

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Archeologie

In mei 2008 heeft de gemeente (eigen) archeologisch beleid vastgesteld. Dit beleid bestaat uit een archeologische verwachtings- en advieskaart en geeft voor het grondgebied van de gemeente de verwachtingswaarde voor archeologische resten aan. Aan de hand van deze kaart kan bepaald worden of archeologisch onderzoek nodig is. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet hiermee rekening gehouden worden. In paragraaf toelichting paragraaf 4.5 is op dit onderdeel nader ingegaan.

3.3.2 Welstandsnota

Het gemeentelijk welstandsbeleid is vastgelegd in de 'Welstandsnota gemeente Dinkelland' (mei 2004). De welstandsnota bevat de welstandscriteria waaraan bouwaanvragen getoetst worden. Afhankelijk van de waarde van een gebied en de gemeentelijke ambitie zijn de criteria meer of minder streng.
De welstandsnota onderscheid drie niveaus van welstandtoezicht:
  • Basisniveau van welstand;
  • Plusniveau van welstand;
  • Bijzonder niveau van welstand.
Voor het merendeel van de bestaande woongebieden in Denekamp geldt een basisniveau van welstand. Hierbij worden gebouwen en bouwwerken niet op detailniveau beoordeeld. Voor het historische dorpscentrum geldt een plusniveau van welstand.
Het welstandsbeleid is hier gericht op het handhaven van de ruimtelijke kwaliteit van het dorpse eslint en het bewaren van de eenvoud in hoofdbouwvormen en kleurgebruik. Van gebieden met een bijzonder niveau van welstand is in Denekamp geen sprake.

3.3.3 Externe veiligheid

In 2007 is het rapport "Externe veiligheidsbeleid, hoe veilig wil de gemeente Dinkelland zijn?" vastgesteld.
Doel van het externe veiligheidsbeleid is om een transparant toetsingskader te hebben voor het omgaan met huidige maar ook eventuele toekomstige externe veiligheidssituaties. Dit betekent dat onder meer invulling wordt gegeven aan de wettelijke verplichting om het groepsrisico en plaatsgebonden risico te overwegen.
De gemeente Dinkelland kent voor wat betreft risicobronnen:
  • Eén CPR 15-2 inrichting (opslag met meer dan 10 ton aan gevaarlijke stoffen). De opslag geeft op dit moment geen plaatsgebonden risico knelpunten of overschrijding van de oriënterende waarde. De PR-contour blijft binnen de inrichtingsgrens.
  • Elf LPG tankstations; waarvan vijf in Denekamp, één in Ootmarsum en Rossum, twee in Weerselo en drie in Deurningen. 
  • Binnen de gemeente bevindt zich een opslagbunker van de NAM voor de opslag van springstof. De bunker wordt al 3 jaar niet meer gebruikt. 
  • Twee chlooropslagen voor zwembaden en bijbehorende chloortransporten. Het zwembad in Denekamp heeft besloten om in 2007 over te stappen op een andere zuiveringsmethode dan chloor, namelijk zoutelektrolyse. Hierdoor vindt er minder chloortransport en –opslag plaats.
Het vervoer van gevaarlijke stoffen binnen de gemeente vindt plaats over de weg. Hierbij bestaan geen risicovolle aandachts- of knelpunten. Na het treffen van eventuele bronmaatregelen van een LPG-tankstation resteren geen knelpunten vanuit het plaatsgebonden risico. Wel dient aandacht aan de mogelijkheid van vestiging van objecten binnen de resterende PR 10-6 contouren besteed te worden. Hierdoor worden nieuwe saneringssituaties voorkomen. 
Binnen een woongebied wordt het algemene uitgangspunt gehanteerd dat geen nieuwe risicobronnen worden toegelaten. Andere uitgangspunten die voor woongebieden gelden zijn:
  • Kwetsbare objecten mogen (ook in nieuwe situaties) niet binnen de PR 10-6contour van een risicobron liggen (wettelijk eis). Aanvullend hierop mogen ook beperkt kwetsbare objecten in nieuwe situaties niet binnen de PR 10-6contour van een risicobron liggen.
  • Toename van het groepsrisico door risicobronnen is niet toegestaan. 
  • Toename van groepsrisico door een structurele toename van het aantal personen in het invloedsgebied is onder voorwaarden wel toegestaan, mits:
    • Invulling wordt gegeven aan de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico zoals opgenomen in het BEVI.
    • De oriënterende waarde voor het groepsrisico in deze situaties niet wordt overschreden (oriënterende waarde wordt als grenswaarde beschouwd). Overschrijding van de oriënterende waarde van het groepsrisico wordt dus niet geaccepteerd.
Voor het wijzigingsgebied spelen geen risico's als hier bedoeld. Een nadere uitsplitsing in inrichtingen, buisleidingen en vervoer van gevaarlijk stoffen vindt plaats in paragraaf toelichting paragraaf 4.8.

3.3.4 Geluid

In 2008 is de nota Geluidsbeleid vastgesteld.
Het doel van het gemeentelijk geluidsbeleid is het behouden van de goede kwaliteiten en het benutten van kansen om voor de verschillende gebieden binnen de gemeente de geluidskwaliteit te verbeteren.
De gemeente Dinkelland is hiertoe opgedeeld in verschillende gebieden. In regionaal verband is gekozen voor de gebiedsindeling volgens de MILO-systematiek (Milieukwaliteit In de LeefOmgeving). De MILO-systematiek houdt bij de gebiedsindeling rekening met het functioneel ruimtegebruik van een gebied. Op basis van het functioneel gebruik van de ruimte is de gemeente onderverdeeld in een zevental gebieden:
  • natuur;
  • extensiveringsgebied;
  • buitengebied;
  • woongebied;
  • centrum;
  • gemengd gebied;
  • bedrijventerrein. 
Voor ieder gebied is het geluidsbeleid voor de thema's 'bedrijven' en 'verkeer' een passende geluidskwaliteit opgenomen. De geluidskwaliteit geeft aan wat de ambitie is voor dat gebied.
Het wijzigingsgebied is in deze nota aangemerkt als 'woonwijk'. Voor een woongebied geldt de ambitie 'redelijk rustig' (weg- en railverkeer) en 'rustig' (bedrijven). De bovengrens voor beide thema's is 'onrustig'. Voor wegen met een verkeersfunctie (gebiedontsluitingsweg) geldt de bovengrens 'zeer onrustig'.

3.3.5 Water

Het waterbeleid van de gemeente is in december 2009 vastgelegd in het 'Rioleringsplan 2009 – 2011, met als ondertitel ‘Watertakenplan’. Dit beleidsplan beschrijft naast het rioleringsbeleid ook het hemelwater- en grondwaterbeleid. Het plan is afgestemd met het betrokken Waterschap Regge en Dinkel. De gemeentelijke taken op het gebied van afval-, hemel- en grondwater die relevant zijn voor de kern Denekamp zijn als volgt omschreven. 
  
Afvalwater
De gemeente zorgt vanaf de erfgrens voor (vuilwater)riolering en transporteert dit naar een rioolgemaal of rioolzuivering van het waterschap.
 
Hemelwater
Waar mogelijk zal de gemeente de hemelwateraansluitingen afkoppelen van de (vuilwater)riolering. Schoon hemelwater moet gescheiden van afvalwater aan de
erfgrens worden aangeboden, met uitzondering van bestaande situaties met een
gemengd rioolstelsel. Bij nieuwbouw moet hemelwater altijd gescheiden worden
aangeboden, ongeacht het stelseltype van de riolering. In het beleidsplan is de
‘beslisboom systeemkeuze’ opgenomen. Aan de hand daarvan wordt bij alle infrastructurele projecten en ruimtelijke ontwikkelingen nagegaan of daarbij het
hemelwater kan worden afgekoppeld van de riolering.
 
Grondwater
Ook bij deze taak wordt geprobeerd waterketen en watersysteem gescheiden te
houden. De gemeente hanteert de volgende voorkeursvolgorde:
  1. grondwater in de bodem laten (niet onttrekken / niet inzamelen);
  2. ingezameld overtollig grondwater infiltreren in de bodem (zo mogelijk lokaal maar op plaatsen waar dit niet tot overlast leidt);
  3. ingezameld overtollig grondwater (zonodig vertraagd) op het oppervlaktewater lozen;
  4. ingezameld overtollig grondwater afvoeren.
Inmiddels is het grondwatermeetnet operationeel waarmee de grondwaterstanden op cruciale punten in stedelijk gebied worden gemonitord.
 
Bij de bouw van de woningen dient rekening te worden gehouden met de uitgangspunten van de gemeente Dinkelland en zal het hemelwater losgekoppeld moeten worden van het vuile water.

4 Onderzoek

4.1 Algemeen

Om conflictsituaties te voorkomen moet een ruimtelijk plan getoetst worden aan de wetgeving op het gebied van de omgevingsaspecten. Doel van deze wetgeving is de bescherming van de menselijke en natuurlijke omgeving. Europese richtlijnen met betrekking tot deze aspecten zijn steeds meer in de landelijke wetgeving verankerd.
Wat betreft de menselijke omgevingskwaliteit is een ‘milieutoets’ met betrekking tot geluidhinder, bodem, veiligheid en luchtkwaliteit verplicht. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening geldt voor ruimtelijke plannen een verplichte watertoets en op grond van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg een verplichte archeologische toets. Tot slot verplichten de Flora- en faunawet en de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 tot een ecologische toets van ruimtelijke plannen. In de onderstaande paragrafen wordt aan al deze aspecten aandacht besteed.
De herinvulling van het kwekerijbedrijf aan de Diekmanweg dient, nu de wijzigingsbevoegdheid toegepast wordt, concreet te worden getoetst aan de genoemde aspecten. In de volgende paragrafen worden de diverse aspecten belicht.

4.2 Waterhuishouding / watertoets

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Daarom is het belangrijk om, waar mogelijk, te werken volgens de volgende principes:
  1. afkoppelen van schoon hemelwater zodat dit niet in het vuilwaterriool komt en waardoor het vuile water geconcentreerder wordt waardoor verwerking ervan beter verlopen kan;
  2. opvangen en vasthouden van gebiedseigen water. Dit door middel van infiltratie in de bodem in het plangebied (als dat kan) of anders infiltratie in de omgeving en / of het 'getrapt' afvoeren via opvangbekkens naar het oppervlaktewater;
  3. goed zorgen voor (de mogelijkheden voor) waterinfrastructuur zoals dijken langs de kust, rivieren en andere waterwegen.
Op landsniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt. Denk aan de Waterwet uit 2009, het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW).
Ten aanzien van de omgang met hemelwater wordt er in het plan naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen.
Op 20 oktober 2011 (code 20111020-5-3630) is de digitale watertoets uitgevoerd. Uit deze toets bleek dat de normale procedure van toepassing is. Dit heeft vooral te maken met het gegeven dat het wijzigingsgebied een beperkingsgebied raakt. Het is hierom dat voor alle inbreidingen en uitbreidingen de volgende beleidsregels in principe gelden.
 
Algemeen
  • Bij de keuze voor de locatie van het plangebied wordt rekening gehouden met de wateropgave en de eigenschappen van het watersysteem.
  • Bij het stedenbouwkundig plan moet notie worden genomen van het feit dat water van hoog naar laag stroomt. Water is daarmee ordenend voor het plan.
  • Per project moet in het overleg tussen gemeente en waterschap worden bezien of maatwerkoplossingen nodig en/of wenselijk zijn.
Afvalwater
  • Het afvalwater (het zwarte afvalwater van toilet, het grijze afvalwater van keuken, wasmachine en douche en het eventuele bedrijfsafvalwater) wordt afgevoerd naar de RWZI door middel van riolering.
Hemelwater
  • De afvoerpiek uit het plangebied door de toename van verhard oppervlak wordt afgevlakt door berging van hemelwater in wadi's of retentievijvers met een gedoseerde afvoer.
  • De norm voor de maximale hoeveelheid te lozen water bedraagt 2,4 l/sec.ha bij een maatgevende neerslaghoeveelheid van 40 mm in 75 minuten.
  • Het hemelwater wordt zo min mogelijk verontreinigd en komt ten goede aan het lokale water- of grondwatersysteem.
  • Zichtbare oppervlakkige afvoer van hemelwater heeft de voorkeur boven afvoer van hemelwater door buizen, vanwege het grotere risico op ongewenst lozingsgedrag en foutieve aansluitingen bij buizen.
  • Infiltratie van hemelwater in de bodem via een graspassage is de beste optie, omdat hiermee zuivering, retentie en grondwateraanvulling worden gerealiseerd.
  • Op kleine schaal kan dit goed door middel van individuele voorzieningen, op grotere schaal verdient de toepassing van wadi's de voorkeur.
  • Afvoer van hemelwater vindt bij voorkeur plaats via de reeks regenpijp - perceelsgootje - straatgoot - wadi.
  • Bij het ontwerp van het bouwwerk wordt een zodanig samenspel van dakvlakken, dakgoten, regenpijpen en perceelsgoten gekozen dat het water niet in riolen onder de grond hoeft.
  • Goede alternatieven in geval van nauwelijks verontreinigd hemelwater zijn regenwaterhergebruik op individuele schaal of directe oppervlakkige afvoer naar sloten of vijvers met retentievoorzieningen op grotere schaal.
  • In het geval van bedrijventerreinen met risico op vervuiling verdient hemelwaterafvoer via een verbeterd gescheiden rioolstelsel met retentievijvers de voorkeur.
  • Het ontwerp van een verbeterd gescheiden stelsel wordt afgestemd op het risico op verontreiniging van het verhard oppervlak en het uitgangspunt dat de afvoer van relatief schoon hemelwater naar de rwzi wordt geminimaliseerd.
Grondwater
  • Het grondwater wordt zoveel mogelijk aangevuld met schoon infiltrerend water.
  • Te hoge grondwaterstanden in natte winterperioden mogen worden beteugeld met drainage in de openbare weg en eventueel op de kavels zelf, mits dit niet leidt tot een permanente grondwaterstandsverlaging in of buiten het plangebied.
  • De drainage voert af naar een wadi of naar oppervlaktewater; dus niet naar de RWZI.
  • Vochtoverlast door hoge grondwaterstanden wordt geminimaliseerd door te bouwen zonder kruipruimten en door kelders waterdicht te maken.
Oppervlaktewater
  • Bij de herinrichting van het oppervlaktewatersysteem zijn de benodigde afvoercapaciteit, de streefbeelden en de kwaliteitsdoelstellingen van het waterschap Regge en Dinkel leidend.
  • Het oppervlaktewater wordt liefst op fraaie wijze geïntegreerd in het stedenbouwkundig plan, zodanig dat het water beleefbaar is en goed te beheren.
Bij de realisatie van het plan zal nadrukkelijk rekening worden gehouden met deze uitgangspunten.
De woningen zullen voor wat betreft de riolering aangesloten worden op een gescheiden stelsel, waarbij het hemelwater vooral in de bodem geïnfiltreerd zal worden. Met de sloop van de kassen ontstaan voldoende mogelijkheden om het hemelwater te laten infiltreren. De oppervlakteverharding neemt immers aanzienlijk af.
Hiermee wordt voldaan aan de uitgangspunten van het waterschap.

4.3 Luchtkwaliteit

Het aspect luchtkwaliteit is per 15 november 2007 geregeld in de Wet luchtkwaliteit. Deze wet maakt deel uit van de Wet milieubeheer. De wet is enerzijds bedoeld om negatieve effecten van luchtverontreiniging op de volksgezondheid aan te pakken. Anderzijds schept de wet ruimte voor ruimtelijke ontwikkeling, ondanks de (landelijke) overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.
De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.
Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als een project “niet in betekenende mate” bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project draagt “niet in betekenende mate” bij aan de luchtverontreiniging als de 3%-grens niet wordt overschreden. De 1%-grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Projecten die “niet in betekenende mate” bijdragen aan de luchtverontreiniging zijn onder andere:
  • woningbouwlocaties met niet meer dan 1500 nieuwe woningen bij één ontsluitingsweg en 3000 nieuwe woningen bij twee ontsluitingswegen;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen;
  • bepaalde landbouwinrichtingen.  
Dit wijzigingsplan biedt de mogelijkheid twee vrijstaande woningen te bouwen.
Het plan draagt derhalve niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Hiermee wordt voldaan aan de eisen zoals gesteld in de Wet milieubeheer.

4.4 Geluid

In een bestemmingsplan moet rekening gehouden worden met geluidhinder. Ten aanzien van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) bepalend. Deze onderscheidt drie vormen van geluidhinder:
  • wegverkeerslawaai;
  • industrielawaai en;
  • spoorweglawaai.  
De wet geeft (voorkeurs) grenswaarden voor de geluidbelasting op de gevel van geluidgevoelige functies zoals woningen. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan dienen deze grenswaarden in acht te worden genomen. Voor dit bestemmingsplan is uitsluitend het aspect wegverkeerslawaai relevant. Op grond van de Wgh hebben alle wegen een geluidzone waarbinnen in principe akoestisch onderzoek moet plaatsvinden. De breedte van de geluidzone van wegen is afhankelijk van de ligging van de weg in (buiten)stedelijk gebied en van het aantal rijstroken.
Wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt, hebben geen zone. De meeste wegen binnen het plangebied zijn 30-km-wegen. Op de doorgaande wegen geldt een maximum snelheid van 50 km per uur. Ook bij de voorgenomen nieuwe ontwikkelingen mag er - gezien de ligging (ruime afstand van wegen) van de betreffende locaties en/of het voorgenomen beleid voor een autoluw karakter van het centrum waardoor de beperkingen vanwege verkeerslawaai gering zullen zijn - van worden uitgegaan dat geen strijdige situaties ontstaan met de Wet geluidhinder. Daarbij komt dat het wijzigingsgebied al afgeschermd wordt door woningbouw aan de west- en oostzijde.

Nader onderzoek en de eventuele vaststelling van een hogere grenswaarde, is voor in deze situatie dan ook niet noodzakelijk.

4.5 Archeologie

Voor het aspect archeologie vormt de Wet op de archeologische monumentenzorg (1988) het wettelijk kader. Kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven.
Naast het inventariseren van de te verwachten archeologische waarden, moet het bestemmingsplan, indien nodig, een bescherming bieden voor archeologisch waardevolle gebieden.
In mei 2008 heeft de gemeenteraad de nota 'Archeologiebeleid gemeente Dinkelland' vastgesteld. Dit beleid bestaat onder meer uit een archeologische verwachtings- en advieskaart en geeft voor het grondgebied van de gemeente de verwachtingswaarde voor archeologische resten aan.
 
Op de volgende afbeelding is een fragment van de archeologische verwachtings- en advieskaart weergegeven. De locatie waar gebouwd wordt ligt binnen de blauwe cirkel.
 
Fragment archeologische verwachtings- en advieskaart (bron: gemeente Dinkelland)
 
De bouwlocatie van de woningen binnen het wijzigingsgebied is aangeduid als 'dekzandwelvingen en -vlakten'.
 
Voor de dekzandwelvingen en -vlakten ( vooral in het oostelijk deel van Denekamp) geldt een middelmatige verwachting voor archeologische resten uit alle perioden. Omdat de archeologische resten zich vlak onder het maaiveld bevinden zijn ze kwetsbaar voor bodemingrepen en zijn ze vaak minder goed geconserveerd. Op de hoogste delen van dekzandwelvingen geldt een verhoogde kans op archeologische resten uit de Steentijd, langs de randen van dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek een verhoogde kans op archeologische resten uit de Late middeleeuwen.
 
Het beleidsadvies binnen deze zone is dat bij ontwikkelingen groter dan 5000 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Binnen de Beekdalen en overige laagten geldt een lage verwachting voor archeologische resten uit alle perioden. Binnen deze zone geldt een vrijstelling voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Dit met uitzondering van gebieden met een lage verwachting binnen plangebieden met meerdere verwachtingszones én gebieden met een lage verwachting die grenzen aan terreinen met waardevolle archeologische resten.
 
Het wijzigingsgebied is weliswaar groter dan 5.000 m2, maar de oppervlakte van de bouwlocatie bedraagt 3.000 m2. Met de sloop van de opstallen wordt de grond niet anders geroerd dan dat deze is geroerd ten tijde van de bouw van de kassen. Is de onderhavige situatie geldt vrijstelling van de onderzoeksplicht.

4.6 Flora en fauna

Ecologie is een belangrijk aspect in de ruimtelijke planvorming. Daarbij gaat het niet alleen om de effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op beschermde soorten, maar ook om de effecten op beschermde gebieden De gebiedsbescherming en soortenbescherming zijn wettelijk vastgelegd in respectievelijk de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. Vanuit nationaal ruimtelijk beleid is ook de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) van belang.
 
Gebiedsbescherming
Bij gebiedsbescherming moet gekeken worden naar de effecten van het bestemmingsplan op Natura 2000-gebieden en gebieden  die behoren tot de EHS. Activiteiten die Natura 2000-gebieden kunnen schaden zijn verboden, tenzij de provincie hiervoor een vergunning verleend. Wanneer er activiteiten in of rond een Natura 2000-gebied gaan plaatsvinden, moet vooraf worden onderzocht of deze significante effecten op de specifieke instandhoudingsdoelstellingen van het betreffende gebied (kunnen) hebben. De instandhoudingsdoelstellingen zijn/worden vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten die voor de Natura 2000-gebieden worden vastgesteld. In de EHS mogen geen activiteiten plaatsvinden die afbreuk doen aan de wezenlijke natuurwaarden. Hoofddoel van ruimtelijk beleid voor EHS is het bijdragen aan een samenhangend netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden in natuurrijke cultuurlandschappen door bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige bijzondere ruimtelijke waarden en kenmerken.  
Het dorp Denekamp vormt geen onderdeel van een Natura 2000- en/of EHS-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-(en EHS)gebied is het beekdalgebied "Dinkelland", op circa 3 km ten zuidoosten van de dorpskern. Het beekdal en bosgebied rond Singraven, direct aan de westzijde van het dorp, maakt deel uit van de (provinciale) EHS.
Mede gelet op de ligging van het wijzigingsgebied zal de bouw van twee vrijstaande woningen geen negatieve effecten hebben op de nabijgelegen beschermde natuurgebieden.
 
Soortenbescherming
In de Flora- en faunawet zijn planten- en diersoorten aangewezen die beschermd moeten worden. De bescherming houdt in dat het verboden is beschermde, inheemse planten te beschadigen en om beschermde inheemse dieren te doden, te verontrusten, dan wel hun nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen te beschadigen, te vernielen, uit te halen of te verstoren. Binnen de soortenbescherming bestaan drie soortcategorieën:
  • soorten waarvoor vrijstelling mogelijk is (licht beschermde soorten);
  • soorten waarvoor vrijstelling mogelijk is mits aantoonbaar wordt gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode;
  • soorten waarvoor ontheffing moet worden aangevraagd (zwaar beschermde soorten).   
Voor de onderhavige locatie is door Hamabest een quickscan flora en fauna verricht. De bevindingen van deze quickscan zijn vastgelegd in het rapport van 7 november 2011 (rapport R11.491-JMW-F01). Omdat het gehele rapport als bijlage bijlagen bij toelichting sub 1 bij dit wijzigingsplan is gevoegd, wordt hieronder volstaan met een samenvatting van de quickscan.
 
De aanleiding voor het uitvoeren van onderhavige quickscan is de gewenste bouw van twee vrijstaande woningen met bijgebouwen. In dit kader zal het kassencomplex worden geamoveerd en enkele groenstructuren gerooid. In dit onderzoek is ook de woning met huisnummer drie meegenomen. De hierboven beschreven activiteiten kunnen negatieve gevolgen hebben voor aanwezige flora- en faunasoorten op de locatie. In verband met het inwerktreding van de Flora- en Faunawet op 1 april 2002 en de vigerende regelgeving in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 is het noodzakelijk om voorafgaande aan bouw- en of/sloopactiviteiten te toetsen of de geplande activiteiten geen negatief effect hebben op beschermde plant- en/of diersoorten en leefgebieden.
 
Vogels
Binnen het plangebied zijn potentiële broedlocaties aanwezig voor diverse (algemeen voorkomende) soorten.
  • De sloop- en rooiwerkzaamheden zullen buiten het broedseizoen moeten plaatsvinden (hoofdstuk 6; vogels).
  • Er kunnen alternatieve verblijfplaatsen voor de huismus gecreëerd worden in de nieuw te bouwen woningen (hoofdstuk 6; vogels en bijlage één). 
Bosuil (advies)
De bosuil gebruikt het plangebied om te roesten. Er vindt door de voorgenomen activiteiten geen overtreding plaats met betrekking tot deze soort.
  • In het belendende bosperceel kan een nestkast worden opgehangen voor deze uil (hoofdstuk 6; vogels en bijlage twee).
Steenmarter
De steenmarter komt voor in het plangebied en de directe omgeving. Het plangebied zal, zover duidelijk is geworden tijdens het veldbezoek, met name gebruikt worden om te foerageren. Er zijn voldoende alternatieve foerageerplekken (en eventuele verblijfplaatsen) aanwezig in de directe omgeving.
  • De sloop- en rooiwerkzaamheden dienen buiten de kwetsbare kraamperiode te gebeuren (hoofdstuk 6; zoogdieren);
  • Voor de werkzaamheden dienen eventueel aanwezige steenmarters verjaagd te worden (hoofdstuk 6; zoogdieren);
  • In het belendende bosperceel kan een steenmarterhuis worden gerealiseerd (hoofdstuk 6; zoogdieren en bijlage vier). 
Flora- en faunawet
Er zijn verder geen (strikt) beschermde plant- en diersoorten aangetroffen binnen het plangebied.
Op basis van de bevindingen kan geconcludeerd worden dat er in de huidige situatie geen procedurele gevolgen zijn, mits voldaan wordt aan de aangegeven voorwaarden en de gedragscode uit de Flora- en faunawet goed wordt nageleefd. Ten aanzien van de ingrepen is nog een algemeen geldende voorwaarde vanuit de Flora- en faunawet van toepassing:
 
Op basis van de zorgplicht volgens artikel 2 van de Flora- en faunawet dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit houdt in dat bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd rekening moet worden gehouden met aanwezige planten en dieren. Dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood.

4.7 Verkeer en vervoer

De vrijstaande woningen zullen rechtstreeks ontsluiten op de Diekmanweg. De huidige ontsluiting van de woning Diekmanweg 3 blijft gehandhaafd en wordt, indien nodig, mogelijk iets verbreed. In de nu bekend zijnde opzet wordt er van uitgegaan dat de bestaande oprit ingericht wordt voor gezamenlijk gebruik.
Na een paar meter vindt er een vertakking plaats naar de nieuw te bouwen woning.
Op eigen terrein is voldoende parkeergelegenheid aanwezig, waardoor de verkeersdruk op de openbare weg niet toeneemt.

4.8 Externe veiligheid

De risico’s van activiteiten met gevaarlijke stoffen dienen tot een aanvaardbaar minimum te worden beperkt. Daartoe zijn regels gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Bevi. In het kader hiervan moet bij het opstellen van een bestemmingsplan onderzocht worden of:
  • er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen (beperkt) kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen, maar ook bepaalde bedrijfsgebouwen) enerzijds en risicovolle inrichtingen anderzijds in verband met het plaatsgebonden risico;
  • er (beperkt) kwetsbare objecten liggen binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen en zo ja, wat de bijdrage is aan het groepsrisico. 
De risico’s worden in twee maten gemeten: het plaatsgebonden risico (voor individuen) en het groepsrisico (voor groepen mensen).
Een bestemmingsplan moet voldoen aan de wettelijke grenswaarden voor het plaatsgebonden risico en aan de oriënterende waarde voor het groepsrisico.
 
Voor de bepaling van risicovolle en risicogevoelige inrichtingen in een gebied, kan gebruik worden gemaakt van de (provinciale) Risicokaart. Uit deze kaart blijkt dat zich in het wijzigingsgebied geen Bevi-inrichting bevindt. Buiten het wijzigingsgebied ligt op circa 450 m een buisleiding van de Nederlandse Gasunie. Volgens de bijbehorende informatie gaat het om een buisleiding met een maximale werkdruk van 40 bar. De risicoafstand ligt op 0 m. De afstand van ongeveer 450 m ten opzichte van deze leiding vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
 
Eveneens buiten het plangebied gelegen, op ruim 700 m ligt Autobedrijf Wiefferink, Kloppendijk 44 te Denekamp. Dit autobedrijf beschikt over een LPG vulpunt, waardoor een afstand van 150 m  in acht dient te worden genomen. Gelet op de genoemde afstand vormt de aanwezigheid van dit autobedrijf evenmin een belemmering voor de gewenste ontwikkeling. Er is geen sprake van een toename van het groepsrisico.

4.9 Bodem

Ten behoeve van een goede ruimtelijke onderbouwing van het bestemmingsplan is het zaak door middel van een bodemonderzoek de bodemgesteldheid van het plan inzichtelijk te maken. Indien sprake is van bodemverontreiniging dient een afweging plaats te vinden over de te realiseren functies op dan wel nabij de  betreffende verontreiniging alsmede voor de mogelijke kosten omtrent bodemsanering. De kwaliteit van de bodem dient uiteindelijk zodanig te zijn, dat zij geen belemmering oplevert voor de ter plaatse te realiseren bebouwing, c.q. functies.
Ten behoeve van de bouw van twee nieuwe vrijstaande woningen is door Krusse Milieu een verkennend bodemonderzoek verricht. De bevindingen van dat onderzoek zijn vastgelegd in de rapportage van augustus 2013 (projectcode 13031710). De rapportage is als bijlage bijlagen bij toelichting sub 2 aan de toelichting gekoppeld.
 
Van een verontreiniging is sprake als in een (meng)monster een component aanwezig is met een concentratie hoger dan de (gecorrigeerde) achtergrondwaarde (AW 2000) of streefwaarde. Voor een aantal stoffen kan de rapportagegrens bepalend zijn voor de achtergrondwaarde of streefwaarde. De locatie wordt niet verontreinigd verklaard als geen van de onderzochte stoffen in de bodem aanwezig is met een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde of streefwaarde.
 
Voor de onderzochte locatie aan de Diekmanweg zijn in het grondwater enkele (zeer) lichte verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader
onderzoek uit te voeren. De boven- en ondergrond is niet verontreinigd. De locatie is niet asbestverdacht.
 
Uit milieukundig oogpunt is geoordeeld dat er geen bezwaren bestaan tegen de voorgenomen nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde (zeer) lichte verontreinigingen in het grondwater geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).
 

5 Planbeschrijving

5.1 Randvoorwaarden

In het bestemmingsplan "Denekamp Kern" zijn in artikel 4 de randvoorwaarden opgenomen voor de toepassing van de in dat plan beschreven wijzigingsbevoegdheid. Aan de hand van de volgende voorwaarden wordt beschreven op welke wijze voldaan is aan die betreffende voorwaarde.  
  • Deze wijziging uitsluitend wordt toegepast ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 2a".
Dit wijzigingsplan ziet alleen toe op het gebied waarop de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 2a" rust. De wijzigingsbevoegdheden die ten noorden en ten zuiden van dit wijzigingsgebied liggen, zijn niet in dit plan meegenomen. Ook de bestaande woningen zijn niet in dit wijzigingsplan meegenomen. De grens van het plangebied volgt de lijn van het wijzigingsgebied zoals dat is vastgelegd in het bestemmingsplan "Denekamp Kern".  
  • Geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ontwikkelingsmogelijkheden van aangrenzende functies.
In de directe omgeving van het wijzigingsgebied liggen de volgende planologische functies:
  • Agrarisch Cultuurgrond, ten behoeve van agrarisch gebruik, cultuurgrond;
  • Wonen, ten behoeve van het wonen;
  • Verkeer, voor ontsluiting van de woningen;
  • Bos, bestaande groenstrook;
  • Groen, tussen de woningen aan de oostzijde van de Diekmanweg.
Met de bouw van twee vrijstaande woningen, met daaraan gekoppeld de planologisch functie 'Wonen' wordt er geen onevenredige afbreuk gedaan aan de ontwikkelingsmogelijkheden van aangrenzende functies. De beoogde ontwikkeling past naadloos in het gebied.
  • De gebouwen op een verantwoorde wijze worden ingepast in de omgeving.
De woningen met een landelijke uitstraling passen voor wat betreft maat en vormgeving bij de woningen aan de oostzijde van de Diekmanweg 3. De twee nieuwe kavels worden door middel van nieuwe groenvoorzieningen van elkaar gescheiden. Deze groenvoorzieningen zorgen ook voor de landschappelijke inpassing in het gebied. De nieuwe parkachtige tuin die ten westen van de bestaande woning wordt ontwikkeld, sluit aan op het bosgebied, waardoor de groenstrook versterkt wordt. Het geheel wordt op een verantwoorde wijze ingepast.
De voorgestelde situering van de twee woningen is op 20 november 2013 voorgelegd aan de kwaliteitsgroep Dinkelland/Tubbergen. Aangegeven is dat de meest noordelijke woning in westelijke richting verschoven dient te worden. De afstand tot de weg dient groter te worden. Bovendien dient de nokrichting van deze te bouwen woning haaks op de weg te staan.
  • Er sprake is van sanering van de bestaande kassen.
Zoals hiervoor is beschreven, worden de bestaande kassen gesloopt. Hierdoor neemt het bebouwd oppervlak aanmerkelijk af en vindt er een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit plaats.  
  • de gebouwen aansluiten bij het woningbouwprogramma conform de prestatieafspraken met de provincie Overijssel.
In het bestemmingsplan "Denekamp Kern" is beschreven hoeveel woningen in Denekamp tot 2020 nog gebouwd kunnen worden. De in dit wijzigingsplan opgenomen aantal van 2 woningen blijft daar ruim onder, waardoor voldaan wordt aan de prestatieafspraken met de provincie Overijssel.
  • De inrichting van het gebied aansluit bij de inrichting en het gebruik van de (openbare) ruimte in de directe omgeving.
De twee nieuwe woningen hebben hun ontsluiting op de Diekmanweg. Naast de bestaande inrit, dient één nieuwe inrit gemaakt te worden. De bestaande inrit wordt, indien dit voor een goede en veilige ontsluiting nodig wordt geacht, iets verbreed. De openbare ruimte in de directe omgeving ondergaat met dit wijzigingsplan geen wijzigingen.
  • Het parkeren op eigen terrein plaatsvindt.
Het parkeren vindt plaats op eigen terrein. De kavels hebben voldoende ruimte om enige auto's te stallen.
  • De verkeersdruk op de naaste omgeving niet onevenredig toeneemt;
Het aantal verkeersbewegingen op de Diekmanweg zullen vooral veroorzaakt worden door de gebruikers en bezoekers van de woningen aan de oostzijde van de Diekmanweg. Met de bouw van twee nieuwe woningen zal die verkeersdruk niet onevenredig toenemen. Hierbij wordt tevens opgemerkt dat de kwekerij de benodigde verkeersbewegingen met zich meenam. Het aantal verkeersbewegingen zal ten opzichte van de oude situatie niet of nauwelijks toenemen.
  • Na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels van artikel 21 van toepassing zijn.
In dit wijzigingsplan worden de regels van artikel 21 overgenomen, voor zover deze van toepassing zijn op het wijzigingsgebied. Regels die wel van toepassing zijn op andere locaties binnen het plan gebied van het bestemmingsplan "Denekamp Kern", maar niet op het wijzigingsgebied, worden niet meegenomen.

5.2 Opbouw regels

De opbouw van de regels per bestemming is (conform SVBP 2012) als volgt:
  • Bestemmingsomschrijving
    • Hierin staat voor welke functie(s) de gronden mogen worden ingericht en hoe de onderlinge rangorde van functies is.
  • Bouwregels
    • Hierin is aangegeven welke gebouwen en andere bouwwerken in principe toegestaan zijn en welke maatvoering daarbij moet worden aangehouden.
  • Nadere eisen
    • Hierin wordt aangegeven dat burgemeester en wethouders (bevoegd gezag) nadere eisen kunnen (kan) stellen aan de plaats en de afmeting(en) van de bebouwing. Deze eisen kunnen alleen gesteld worden wanneer er ten aanzien van de plaats en de afmetingen van de bebouwing reeds een hoofdeis is opgenomen binnen de bestemming.
  • Afwijking met omgevingsvergunning (bouwen)
    • In de toekomst kunnen zich omstandigheden voordoen (die nu nog niet zijn voorzien) waarbij de bouwregels niet voldoen. Daarom kunnen Burgemeester en Wethouders voor ondergeschikte aspecten binnen de bestemming een afwijking met omgevingsvergunning verlenen van de bouwregels c.q. gebruiksregels (zie onder f.) Van geval tot geval zal een afweging worden gemaakt.
  • Specifieke gebruiksregels
    • In principe moeten gronden en gebouwen worden gebruikt overeenkomstig de bestemming. Waar nodig zijn voor de duidelijkheid en voor het aangeven van de reikwijdte van de bestemming gebruiksvormen genoemd, die in ieder geval als strijdig met de bestemming worden aangemerkt.
  • Afwijking met omgevingsvergunning (gebruik)
    • Van een aantal gebruiksvormen kan nu nog niet worden gezegd of ze aanvaardbaar zijn of niet. Voor dergelijke gebruiksvormen is een afwijking met omgevingsvergunning opgenomen. Er zijn ook gebruiksvormen die beleidsmatig al wel mogelijk zijn, maar die vanwege een zorgvuldige afweging onder een ontheffing zijn gebracht. De ontheffing wordt afgegeven na een zorgvuldige afweging van waarden en functies in de bestemmingen.
  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden (facultatief). Dit vergunningstelsel is niet opgenomen in dit wijzigingsplan.
  • Algemene afwijkingsregels (10%-regeling)
    • Bij hoge uitzondering kan via afwijking worden toegestaan dat van de bij recht gegeven maten, afmetingen en percentages, ten hoogste 10% wordt afgeweken. Het gaat dan om incidentele gevallen, waarbij het om bouwtechnische redenen en/of redenen van doelmatigheid noodzakelijk en aantoonbaar is, dat in geringe mate van de gegeven maten moet worden afgeweken.
  • Wijzigingsbevoegdheden (facultatief)
    • Het plan bevat voor een aantal gevallen mogelijkheden om bestemmingen te wijzigen binnen de in de regels aangegeven grenzen. Voor zo’n wijziging bestaan aparte procedureregels. Deze bevoegdheid is niet opgenomen in het onderhavige bestemmingsplan.
  • Overgangsbepaling
    • Het overgangsrecht heeft betrekking op bouwwerken die ooit met een bouwvergunning zijn gebouwd, of een gebruik dat ooit is toegestaan, maar die nu, vanwege een bestemmings- of beleidswijziging onder het overgangsrecht zijn gebracht. Ook reeds tientallen jaren aanwezige bouwwerken, die niet met vergunning zijn gebouwd, of langdurig aanwezig gebruik, worden met het overgangsrecht beschermd. Het overgangsrecht is erop gericht dat deze bouwwerken uiteindelijk verdwijnen of het gebruik ervan wordt beëindigd. In beginsel mogen de bouwwerken slechts in ondergeschikte mate gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd. Het is niet mogelijk om hiermee geheel of in stappen tot een nieuw bouwwerk te komen.
Voor alle regels wordt zoveel mogelijk aangesloten op de regels die gehanteerd zijn in het bestemmingsplan "Denekamp Kern". Hierdoor ontstaat er een juridische eenheid met de andere percelen binnen het plangebied van het genoemde bestemmingsplan.

5.3 Verantwoording bestemmingskeuze

Zoals uit de vorige paragraaf blijkt, dient toepassing te worden gegeven aan de bestemming 'Wonen'. Dit ligt ook voor de hand, nu sprake is van de bouw van twee vrijstaande woningen.
'Wonen' is dan ook de enige enkelbestemming in dit wijzigingsplan, waarbij de regels uit het 'moederplan' 'Denekamp Kern', voor zover van toepassing op de onderhavige situatie, in dit wijzigingsplan zijn opgenomen.
   

6 Financiële uitvoerbaarheid

Conform artikel 3.1.6. van het Bro geeft de toelichting inzicht in de uitvoerbaarheid van het plan. Ingevolge het bepaalde in artikel 6.12 van de Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij een besluit tot vaststelling kan de raad besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is.
De beoogde ontwikkeling ten behoeve waarvan dit wijzigingsplan wordt opgesteld is een particulier initiatief en wordt door de initiatiefnemer voor eigen rekening en risico ontwikkeld. Voor de gemeente zijn daar verder geen kosten aan verbonden, afgezien van kosten van het ambtelijk apparaat voor de begeleiding en toetsing van aanvragen om omgevingsvergunning. Die kosten worden door middel van leges gedekt.
Eventuele planschadekosten komen voor rekening van de initiatiefnemer. Hiervoor is een kostenverhaalsovereenkomst met initiatiefnemer gesloten, waardoor het kostenverhaal in het kader van de Grondexploitatiewet verzekerd is.
Samenvattend kan gesteld worden dat het plan financieel haalbaar is en voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen zal hebben. Een verdere uiteenzetting van de financiële aspecten van deze ontwikkeling kan daarom in dit kader achterwege blijven.

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Zienswijzen

Om rechtskracht te krijgen moet dit wijzigingsplan de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vastgelegde procedures doorlopen. Daarbij worden de volgende stappen doorlopen.
 
Zienswijzen
Het ontwerpwijzigingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd, zoals bepaald in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Hierbij wordt eenieder gedurende de genoemde termijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. De zienswijzen worden voorzien van een gemeentelijke reactie. De indieners van de zienswijzen worden hiervan op de hoogte gesteld.
 
Het ontwerpwijzigingsplan “Denekamp, Diekmanweg 3” heeft met ingang van 14 februari 2014 voor een ieder gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegen.
Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingebracht.