Plan: | Wonen Holten, Drostenstraat-Akker |
---|---|
Status: | vastgesteld |
Plantype: | bestemmingsplan |
IMRO-idn: | NL.IMRO.1742.BPHW2017003-0401 |
Burgemeester en wethouders van de gemeente Rijssen-Holten hebben op 8 juni 2015 aan Bouwbedrijf Roosdom Tijhuis B.V. in Rijssen een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van 16 rijenwoningen in 2 blokken van elk 8 woningen. De aanvraag betreft de adressen Drostenstraat 29, 29A t/m 43 en 43A t/m 55 in Holten, op het perceel kadastraal bekend gemeente HTN03, sectie F, nummer 6194. De vergunning is geregistreerd onder nummer 1742-HZ_WABO-141102.
Situatietekening (verleende omgevingsvergunning 1742-HZ_WABO-141102)
De verleende omgevingsvergunning wijzigt het onderliggende bestemmingsplan niet. Hierdoor ontbreekt op een deel van de percelen een goed planologisch regiem. Daarbij komt dat uit de opzet van het plan voortvloeit dat er op een aantal percelen op eigen terrein parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. Dit vraagt om een nieuw en helder planologisch-juridisch kader.
Het plangebied is gelegen binnen de begrenzing van het nieuwe woongebied ‘De Kol’, in het noordoostelijke deel van Holten. Het projectgebied bevindt zich tussen de Drostenstraat en de Akker.
Het bestemmingsplan 'Wonen Holten, Drostenstraat-Akker' bestaat uit de volgende stukken:
Op de verbeelding zijn de bestemmingen en overige aanduidingen aangegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen.
Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het bestemmingsplan.
Binnen het plangebied geldt in de huidige situatie het bestemmingsplan 'Wonen Holten, De Kol' vastgesteld door de gemeenteraad op 30 april 2015. Daarnaast is relevant de verleende omgevingsvergunning van 8 juni 2015 met referentienummer 1742-HZ_WABO-141102. Binnen deze ruimtelijke besluiten is de realisatie van de beoogde woningbouw reeds toegestaan.
Met betrekking tot de motivatie en de toetsing van de haalbaarheid valt dit bestemmingsplan terug op de reeds verleende omgevingsvergunning met Ruimtelijke onderbouwing.
De ontwikkeling betreft een gewijzigde stedenbouwkundige opzet binnen de begrenzing van het projectgebied, wat de verkoopbaarheid van de woningen ten goede moet komen. In vergelijking met hetgeen planologisch reeds wordt toegestaan, neemt het aantal woningen niet toe.
Verdiepen achtertuinen
De afgelopen tijd is gebleken dat de beoogde rijenwoningen aan de noordzijde moeilijk zijn af te zetten in de huidige markt vanwege de ondiepe achtertuinen. Daarom is gekeken naar een stedenbouwkundige oplossing, waarbij wordt voorzien in een achtertuin van voldoende omvang. Op deze wijze worden de kavels beter verkoopbaar en worden onverkochte braakliggende kavels voorkomen. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt bestaan er geen bezwaren tegen het beperkt vergroten van de achtertuinen.
Realisatie twee-onder-1-kapwoningen
Op een tweetal locaties binnen de begrenzing van het projectgebied worden in totaal vier twee- onder-1 kap woningen gerealiseerd. Het gaat daarbij om een locatie aan de zuidwest- en zuidoostzijde. De woningen zijn met de voorgevel georiënteerd op de Akker. Gebleken is dat er meer vraag bestaat naar dit type woningen dan de woningen die eerder op deze locatie waren voorzien.
Gewijzigde parkeeroplossing
Door het verdiepen van de achtertuinen is de ruimte (die in eerste instantie was beoogd voor de realisatie van parkeerplaatsen en woningen) komen te vervallen. Om toch te voorzien in voldoende parkeergelegenheid en problematische situaties te voorkomen, is aan de zuidzijde van het projectgebied een grotere ruimte gereserveerd om de parkeerbehoefte op te vangen. Ter plaatse wordt ruimte gereserveerd voor 22 parkeerplaatsen.
De parkeercapaciteit
Op eigen terrein is er bij de rijwoningen ruimte voor 8 parkeerplaatsen. Op eigen terrein bij de 2^1 kapwoningen 4 parkeerplaatsen. In de parkeerkoffer is ruimte voor 22 parkeerplaatsen. De totale parkeercapaciteit komt daarmee op 8+4+22 = 34 parkeerplaatsen.
Invulling parkeren (Bron: Roosdom Tijhuis – BJZ.nu)
De parkeerbehoefte
De behoefte is volgens bestemmingsplan De Kol (Gebied 2) totaal 7,2 + 25,6 = 32,8 afgerond 33 parkeerplaatsen.
Met inbegrip van het parkeren op eigen terrein voldoet het plan aan de gevraagde parkeerbehoefte als gevolg van het woningbouwprogramma.
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het beleid vanuit het Rijk, de provincie Overijssel en gemeente Rijssen-Holten.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.
In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland (de provincies Gelderland en Overijssel) zijn:
Het 'Besluit algemene regels ruimtelijke ordening' (Barro) is als Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) direct gekoppeld aan de SVIR. In het Barro is concreet aangegeven welke nationale belangen geborgd worden in bestemmingsplannen en andere plannen van de overheden.
In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geintroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. De ladder kent drie treden die achter elkaar worden doorlopen.
Ladder voor duurzame verstedelijking (Bron: Ministerie van Infrastructuur en Milieu)
De SVIR laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkeling. De ontwikkeling raakt geen rijksbelangen zoals opgenomen in de SVIR.
Ten aanzien van de ladder voor duurzame verstedelijking en de gewenste ontwikkeling wordt het volgende geconstateerd:
Trede 1: er is sprake van een behoefte. Er is sprake van een behoefte aan nieuwbouwwoningen. Door te voldoen aan de vraag naar deze behoefte wordt onder andere voorkomen dat jongeren vertrekken uit de kern Holten, dan wel uit de gemeente Rijssen-Holten.
Trede 2: bestaand stedelijk gebied wordt in de Bro gedefinieerd als 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Het plangebied betreft een oud bedrijventerrein en is gelegen in de bebouwde kom c.q. stedelijk gebied. Daarnaast is het plangebied opgenomen in een bestemmingsplan voor stedelijk gebied. De invulling van de gewenste ontwikkeling sluit aan bij het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.
Trede 3: Niet van toepassing
Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat dit project voldoet aan de ladder van duurzame verstedelijking.
Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel en is verankerd in de Omgevingsverordening.
De Omgevingsvisie Overijssel is het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. In 2009 is de Omgevingsvisie en -verordening 2009 vastgesteld. Naar aanleiding van monitoring en evaluaties is de Omgevingsvisie en -verordening op onderdelen geactualiseerd. De Actualisatie Omgevingsvisie en -verordening is op 3 juli 2013 vastgesteld door Provinciale Staten en is op 1 september 2013 in werking getreden.
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd.
Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Ecologische Hoofdstructuur en verbindingszones etc. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend.
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag ‘hoe’ een ontwikkeling invulling krijgt.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
Bij de afwegingen in de eerste fase “generieke beleidskeuzes” is met name artikel 2.1.3 van de Omgevingverordening Overijssel van belang. Op dit artikel zal hierna nader worden ingegaan.
Artikel 2.1.3 SER-ladder voor de Stedelijke omgeving
Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:
In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip 'groene omgeving' nader gedefinieerd als: de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied.
In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip 'bestaand bebouwd gebied' nader gedefinieerd als: de gronden die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg.
Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel
De realisatie van de woonwijk betreft een binnenstedelijke ontwikkeling die voldoet aan de SER-ladder. Zoals genoemd is de woonwijk al reeds opgenomen in het bestemmingsplan 'De Kol', een bestemmingsplan dat is opgesteld voor de herontwikkeling van de voormalige bedrijventerrein de Kol tot woongebied. Het geldende ontwikkelingsperspectief en het ter plekke geldende gebiedskenmerk van de 'Stedelijke laag' geven tevens aan de het projectgebied is gelegen in bestaand bebouwd gebied. Er vindt geen extra ruimtebeslag plaats op de groene omgeving. In verband hiermee is het voorliggende bestemmingsplan in overeenstemming met artikel 2.1.3 uit de Omgevingsverordening Overijssel.
In dit geval zijn vooral de ontwikkelingsperspectieven voor de stedelijke omgeving van belang. In de stedelijke omgeving is de uitdaging om de economische centra bereikbaar te houden en door herstructurering de kwaliteit van de woonomgevingen en bedrijfslocaties te vergroten. In onderstaand figuur is een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen.
Uitsnede Ontwikkelingsperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
“Bedrijventerrein”
De provinciale ambitie voor dit ontwikkelingsperspectief richt zich op de bestaande bedrijventerrein en de harde plannen. Er is ruimte voor herstructurering van bestaande monofunctionele werkmilieusom zodoende de kwaliteit en efficiëntie van de bedrijfslocatie te vergroten.
Toetsing van het initiatief aan het “Ontwikkelingsperspectief”
Ter zake van het ontwikkelingsperspectief kan een zekere nuancering worden gemaakt, aangezien het ontwikkelingsperspectief uitgaat van de voorheen geldende bestemming c.q. gebruik, namelijk bedrijventerrein. Dit is echter niet meer actueel. Voor het hele gebied is een paar jaar geleden een herstructureringsopgave uitgewerkt, waarbij het gebied is getransformeerd tot een woongebied. Feitelijk is het ontwikkelingsperspectief “Woonwijk” op dit gebied van toepassing. De voorgestane invulling van het projectgebied met woningen brengt in het kader van de ontwikkelingsperspectieven geen belemmeringen met zich mee. Gesteld wordt dat met de voorgenomen ontwikkeling bij wordt gedragen aan de vraag naar woningen.
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De “Natuurlijke laag” en de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” kunnen in dit geval buiten beschouwing blijven aangezien de oorspronkelijke waarden van deze lagen niet meer voorkomen in het plangebied. Daarnaast wordt de “Lust- en leisurelaag” buiten beschouwing gelaten omdat er geen kenmerken of elementen vanuit deze laag op het projectgebied van toepassing zijn.
De “Stedelijke laag”
In de stedelijke laag ontstaat de koppeling van de sociale en fysieke dynamiek van de stedelijke functies aan het verbindende netwerk van wegen, paden, spoorwegen en kanalen. Elke stad of dorp bezit zijn eigen karakteristieke ruimtelijke, sociale en functionele opbouw en kwaliteiten. Het projectgebied is gelegen in het gebiedstype “bedrijventerreinen”, dit is in onderstaand figuur weergegeven. Gezien het feit dat er geen sprake meer is van een bedrijventerrein , maar van een woonwijk, kan een nadere beschrijving ten aanzien van de stedelijke laag “bedrijventerreinen” feitelijk achterwege blijven.
Uitsnede van de ‘Stedelijke laag’ (Bron: Provincie Overijssel)
Toetsing van het initiatief aan de “Stedelijke laag”
Ook ten aanzien van de stedelijke laag kan een nuancering worden gemaakt, aangezien deze stedelijke laag niet meer van toepassing is. Ook voor de stedelijke laag geldt dat uit is gegaan van de voorheen geldende bestemming c.q. gebruik, namelijk bedrijventerrein. In voorliggend geval is de stedelijke laag ‘Woonwijken 1955 – nu’ meer van toepassing, gezien recente en huidige ontwikkelingen. De feitelijke ontwikkeling, de realisatie van een woongebied, sluit goed aan bij de vraag vanuit de markt en voorkomt dat inwoners wegtrekken uit de kern Holten. Dit sluit goed aan bij de provinciale ambities voor wat betreft de stedelijke laag ‘Woonwijken 1955 – nu’, waar ruimte wordt gebonden voor de ontwikkeling van gedifferentieerde woonmilieus. Tot slot sluit de ontwikkeling stedenbouwkundig gezien ook goed aan op de omliggende bebouwingsstructuur.
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel en is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
De structuurvisie voor de gemeente Rijssen-Holten kent een looptijd van ongeveer 10 jaar, tot 2020. De structuurvisie is een visie met een korte termijnplanning, met een actualisatie van het bestaande beleid en met afgestemd nieuw beleid. Daarnaast biedt de structuurvisie tevens een doorkijk naar de langere termijn, om transformaties voor de langere termijn nu al in te kunnen zetten.
Deze structuurvisie is tot stand gekomen op basis van een verkenning van de gemeente en haar beleid. Op basis van de verkenning is een nota van uitgangspunten opgesteld. Op basis van de nota van uitgangspunten zijn verschillende scenario’s geformuleerd en vervolgens een visie met de majeure projecten. Samen hebben de verschillende stappen tot de structuurvisie Rijssen-Holten geleidt. Het doel van deze structuurvisie is het behouden en versterken van de eigen economische kracht van de gemeente Rijssen-Holten, het bundelen van verstedelijking, het veiligstellen van de groene ruimte en het bereiken van een goede ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid.
De ambitie van de gemeente Rijssen-Holten is om haar bovenlokale functie te behouden en vervolgens een kwaliteitsslag te maken. De gemeente wil haar bovenlokale functie voor zichzelf en de omgeving behouden en uitbreiden omdat dat belangrijk is voor de leefbaarheid en het voorzieningenniveau in de gemeente. De inwoners dienen ook trots te zijn op hun gemeente, daarvoor wil de gemeente haar identiteit en samenhang uitbouwen en versterken. Het benutten van gelaagdheid, de economische transformatie, de nadruk op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid staan centraal.
Ten aanzien van het thema 'Wonen' zijn de volgende uitgangspunten opgenomen:
In het uitvoeringsprogramma van de structuurvisie komt De Kol terug als onderdeel van meerdere projectprogramma's . Het gaat om de projectprogramma's Koppellaan en Heerlijk Holten. De Koppellaan is een aaneenschakeling van landelijke en stedelijke kwaliteiten aan een
verbindende route. Heerlijk Holten betreft de draaiing van het dorpscentrum van Holten, brengt verandering van de verkeersstructuur en herstructurering met zich mee. Aangrenzend aan het centrum vindt de herstructurering plaats van de Kol. Ingezet wordt op de versterking van het toeristische verblijfsklimaat.
De beleidsnota woningbouw 2014 - 2020 Rijssen-Holten "Evenwichtig Groeien" vormt de basis voor het vaststellen van een nieuw woningbouwprogramma voor de periode 2014 t/m 2019, het actualiseren van de woonvisie en het maken van prestatieafspraken met provincie en woningbouwcorporaties
De woonvisie geeft aan dat het woningbouwproject De Kol voortzet kan worden op grond van de vastgestelde exploitatie met bijbehorende woningbouwplanning. In de periode 2014 - 2020 worden dan circa 150 woningen gebouwd en na 2020 circa 50 woningen.
De gemeenteraad van Rijssen-Holten heeft een nota geluidsbeleid vastgelegd in rapport M.2006.0718.08.R001 'Gebiedsgericht geluidsbeleid gemeente Rijssen-Holten, Nota geluidsbeleidf, versie 004 d.d. 29 september 2008.
Op grond van de nota is het gemeentelijk grondgebied in gebiedstypen ingedeeld. De nota bevat uitspraken met betrekking tot het gewenste ambitieniveau (voorkeurswaarde) en de bovengrens voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten gevolge van industrielawaai voor nieuwe situaties in die gebieden. De nota bevat geen uitspraken over maximale geluisniveaus.
De woningen in het gebied ‘De Kol’ zijn gelegen in een gebied dat is aan te merken als woonwijk. Voor industrielawaai geldt hier een ambitiewaarde van 45 dB(A) (‘rustig’) en een bovengrens van 50 dB(A) (‘redelijk rustig’). De bovengrens voor ‘woonwijk’ komt overeen met de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit. De ambitiewaarde is 5 dB(A) lager.
Voor wat betreft de milieu-aspecten zie de Ruimtelijke onderbouwing.
Voor wat betreft de flora & fauna, cultuurhistorie en archeologie en de watertoets zie de Ruimtelijke onderbouwing.
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. Ook de Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2008 (SVBP2008) is vanaf deze datum verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid.
De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Vanaf 1 juli 2013 zijn de RO Standaarden 2012 verplicht. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.
Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. De bestaande situatie is hierbij het uitgangspunt. De basis voor de bestemmingen komen voort uit het bestemmingsplan 'Wonen Holten, De Kol'.
Het bestemmingsplan wil een sturend instrument zijn voor de ruimtelijke en functionele inrichting van het plangebied. Aan de hand van de in het bestemmingsplan opgenomen regels worden voorgenomen activiteiten (bouwactiviteiten en gebruik van gronden en gebouwen) getoetst.
Middels het stelsel van vergunningsverlening worden de regels toegepast. Als blijkt dat zonder of in afwijking van de regels activiteiten plaatsvinden, is handhaving in enge zin aan de orde, gericht op het ongedaan maken van een overtreding. Handhaving is belangrijk om de sturing die het bestemmingsplan beoogt tot haar recht te laten komen.
Handhaving heeft echter alleen zin wanneer de noodzaak en het nut hiervan kunnen worden aangetoond, een grondige inventarisatie van de feitelijke situatie (grondgebruik en bebouwing) heeft plaatsgevonden en draagvlak onder betrokkenen kan worden verkregen voor het beleid.
De gemeente Rijssen-Holten hanteert een strikt handhavingsbeleid. In dit beleid worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Handhavend optreden tegen overtredingen van bestemmingsplannen kan niet alleen plaatsvinden via publiekrechtelijke, maar ook via de strafrechtelijke weg. In de regels is daartoe de zogenaamde strafbepaling opgenomen, waarin overtredingen van de regels worden aangemerkt als een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, aanhef en lid 2 van de Wet op de Economische Delicten. Bij ernstige overtredingen zal handhaving ook via de strafrechtelijke weg plaatsvinden. De opsporingsambtenaren van de gemeente of politie zullen in die gevallen proces-verbaal van de overtreding maken. Het (reguliere) bestuursrechtelijk traject zal gelijktijdig worden ingezet.
De gemeenteraad stelt een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen en waar sprake is van een kostenverhaal.
Met particuliere partijen zijn in een eerder stadium afspraken gemaakt. De eventuele kosten voor het aanleggen en het onderhoud van voorzieningen van openbaar nut en het risico op planschadevergoeding worden door de gemeente verhaald op basis van respectievelijk een privaatrechtelijke overeenkomst dan wel een planschadeovereenkomst.
Met het sluiten van de overeenkomst tussen gemeente en particuliere partijen is de financiële haalbaarheid van het plan gewaarborgd. Een exploitatieplan kan daarom achterwege blijven.
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe beleidsmatige uitgangspunten. Het bestemmingsplan neemt de bestaande planologisch-juridische situatie over van de verleende omgevingsvergunning en koppelt hier nu gebruiks- en bouwregels aan. Hierdoor wordt afgezien van een inspraakprocedure.
Gezien de beperkte wijzigingen in het bestemmingsplan wordt afgezien van vooroverleg met de provincie en met de in het plan betrokken waterschappen.
Mochten er tijdens de terinzagelegging van het ontwerpplan zienswijzen binnenkomen dan worden deze door de gemeenteraad bij de vaststelling van het bestemmingsplan afgewogen. Tijdens de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan zijn in eerste instantie 8 zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn met een verwijzing naar de voorgestelde gewijzigde vaststelling weer ingetrokken.