Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: RWZI Dodewaard
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1740.bpDOappelenburgse2-vst1

Toelichting

1 Inleiding
1.1 Aanleiding en doelstelling
Waterschap Rivierenland is voornemens de rioolwaterzuiveringsinstallatie (hierna: rwzi) in de gemeente Neder-Betuwe uit te breiden. 
 
Om efficiënter en duurzamer afvalwater te zuiveren gaat het waterschap centraliseren door een aantal kleinere rioolwaterzuiveringen (rwzi's) af te bouwen. Het betreft de rwzi's in Eck en Wiel, Lienden, Zetten en Valburg. Deze rwzi's gaan op termijn sluiten. Als gevolg hiervan moet het afvalwater vanuit die regio's afgevoerd worden naar de rwzi's in Tiel en Dodewaard. Om dit extra afvalwater te kunnen verwerken worden deze rwzi's uitgebreid. Tevens zijn er aanpassingen nodig aan rioolgemalen en moeten er nieuwe persleidingen worden aangelegd om het afvalwater naar de juiste plaats te kunnen verpompen. De uitvoering van dit grootschalige project zal een aantal jaren in beslag nemen.
 
Onderhavig bestemmingsplan heeft betrekking op de uitbreiding van de RWZI in Dodewaard.
  
1.2 Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen tussen de kernen Opheusden en Dodewaard, ten zuiden van de A15. Het plangebied bestaat uit de kadastrale percelen:
- Gemeente Dodewaard, sectie C, nummer 1147;
- Gemeente Dodewaard, sectie C, nummer 909;
- Gemeente Dodewaard, sectie C, nummer 1145;
- Gemeente Dodewaard, sectie C, nummer 1146.
 
Het totale oppervlak van het plangebied bedraagt 40.545 m2.
 
Figuur 1.1 ligging plangebied
 
Figuur 1.2 Begrenzing plangebied
    
1.3 Vigerende bestemmingsplannen
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Buitengebied Dodewaard en Echteld" vastgesteld op 30 mei 2013. In dit bestemmingsplan heeft de locatie de bestemming 'Bedrijf - Rioolwaterzuivering'. Binnen deze bestemming is langs de noord, oost en zuidkant een functieaanduiding 'groen' aanwezig. En is in het midden van het perceel een gebied aangeduid met functieaanduiding 'windturbine'. Verder geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4', 'Waterstaat - Beheerszone watergang' en 'Leiding - Riool'.
 
Daarnaast zijn er nog regelingen opgenomen welke verband houden met het spoor en de weg. Zo valt een gedeelte van het plangebied binnen de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone-weg'. Binnen deze zone mogen geen bouwwerken worden gebouwd tenzij hierover afstemming heeft plaatsgevonden met de wegbeheerder. Het gehele plangebied valt binnen de gebiedsaanduiding 'geluidszone-spoor'. Binnen dit gebied mogen geen woningen worden gebouwd. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede uit het bestemmingsplan "Buitengebied Dodewaard en Echteld" opgenomen ter plaatse van het plangebied.
    
Figuur 1.3 Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied Dodewaard en Echteld.
 
Binnen de bestemming Bedrijf - Rioolwaterzuivering is een bedrijf toegestaan ten behoeve van de zuivering van het rioolwater. In de bestaande situatie is reeds een rioolwaterzuiveringsbedrijf aanwezig. Het bebouwd oppervlak binnen het perceel mag echter niet meer bedragen dan 110% van het bestaande bebouwde oppervlak. Het bestaande bedrijf wenst echter meer dan 10% uit te breiden. De beoogde uitbreiding past dan ook niet binnen de huidige bestemmingsplankaders. De uitbreiding vindt wel plaats binnen de bestemmingsgrenzen.
1.4 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van de bestaande situatie van het plangebied en omgeving beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op de toekomstige situatie. De beleidskaders van rijk, provincie en gemeente worden in hoofdstuk 4 beschreven. Hoofdstuk 5 gaat vervolgens in op de aspecten met betrekking tot het milieu en andere ruimtelijke relevante aspecten. De juridische planbeschrijving volgt in hoofdstuk 6 en in hoofdstuk 7 en 8 komen respectievelijk de financiële uitvoerbaarheid van het plan en de maatschappelijke uitvoerbaarheid aan bod.
2 Gebiedsvisie
 
2.1 Historie
De rioolwaterzuiveringsinstallatie ligt in een landschap dat van oorsprong hoort bij de grootschalige, open komgronden tussen de Waal in het zuiden en de Rijn in noorden. Lange tijd waren deze gronden overwegend in gebruik als hooilanden, doorregen met sloten en greppels. Ook knotwilgen zullen zeker onderdeel zijn geweest van dit landschap. De oeverwallen langs de Rijn en de Waal waren daarentegen uitermate geschikt voor boomgaarden en akkers. Van oudsher waren dit dan ook de plaatsen met hoge dynamiek, waar woonplaatsen als Opheusden en Dodewaard ontstonden. Nog steeds zijn de oeverwallen in trek bij boomkwekerijen, die inmiddels ook steeds verder de komgronden in zijn getrokken.
 
De laatste decennia zijn het echter juist de komgronden die een hoge dynamiek kennen. Eerst de aanleg van de snelweg A15, in de jaren '70-'80 van de vorige eeuw. Later kwam daar nog de aanleg van de Betuwespoorlijn bij, in het begin van deze eeuw. Onvermijdelijk zijn deze grote infrastructurele werken van invloed geweest op meer recente ontwikkelingen in het landschap, zoals het ontwikkelen van bedrijventerreinen, de groei van dorpen en steden en de plaatsing van windturbines.
 
Ergens in de jaren '90 van de vorige eeuw heeft de rioolwaterzuiveringsinstallatie van Dodewaard zich gevestigd in de hoek tussen de A15, de Appelenburgseveldweg en het viaduct van de Pijenkampse Veldweg over de A15. Het laatstgenoemde viaduct is met de aanleg van de Betuwespoorlijn opgeheven. De oorspronkelijke grondwal met beplanting is als relict achtergebleven en geven de rwzi nu als het ware 'rugdekking', het verklaart haar plaats in het landschap en zorgt voor aanhechting met het landschap.
2.2 Bestaande situatie
De omgeving van het plangebied bestaat voor het merendeel uit weiland. Ten zuiden van het plangebied loopt de Appelenburgseveldweg, welke aan beide zijden begeleid wordt door een bomenrij. Tussen deze weg en het plangebied is tevens een sloot aanwezig. Aan de oostzijde van het plangebied is een bosschage aanwezig.
 
De rwzi ligt op een plaats in het landschap die het gevoel van openheid nauwelijks aantast. De ligging bij het voormalige viaduct met bijbehorende begroeiing zorgt ervoor dat de locatie 'natuurlijk' aanvoelt. Dit wordt versterkt door de verspreid staande bomen op het terrein, die als het ware voortkomen uit de beplanting op het voormalige viaduct.  
      
Binnen de rwzi Dodewaard zijn diverse bezinkbassins aanwezig. Naast drie betonnen ronde bakken betreft dit ook diverse natuurlijke bassins met een zandbed waarin natuurlijke vegetatie aanwezig is. Deze natuurlijke bassins worden niet meer als zodanig gebruikt. Verder bevinden zich binnen het plangebied enkele gebouwen. Naast een hoofdgebouw voor het personeel, betreft dit voornamelijk kleine gebouwen voor technische installaties. Het gehele plangebied is afgezet met een hekwerk.
 
Figuur 2.1 Luchtfoto RWZI Dodewaard (bron: Waterschap Rivierenland)
 
Figuur 2.2 Impressie plangebied (bron: quickscan flora en fauna)
 
Figuur 2.3 Impressie plangebied (bron: quickscan flora en fauna)
 
De zuivering bestaat uit ontvangstwerk, beluchtingstank en nabezinktank, Het surplusslib wordt gravitair ingedikt en verzameld in slibbuffers en periodiek op andere zuiveringen verder verwerkt. De huidige capaciteit is 27.000 inwonersequivalenten.
2.3 Toekomstige situatie
De huidige rwzi zal worden uitgebreid en bestaande onderdelen die worden hergebruikt worden gerenoveerd. De capaciteit zal na uitbreiding circa 70.000 inwonersequivalenten bedragen. De nieuwe rwzi zal (deels) gevoed worden door een energie-opwekkingsvoorziening (PV-panelen) op het eigen rwzi-terrein. De jaarlijkse opgewekte energie compenseert het gemiddelde jaarlijkse energieverbruik van de rwzi ("nul-op-de-meter").
 
Door intensivering van het bedrijf dient ook de persleiding van Tiel naar Dodewaard te worden vernieuwd. Voor deze persleiding(en) zal een separate procudere doorlopen worden.
 
Op 23 april 2018 is een initiatiefplan van de uitbreiding van de rwzi voorgelegd aan de gemeente Neder-Betuwe. Het initiatief is op 29 mei 2018 beoordeeld door de regiekamer van de gemeente. De uitbreiding van de rwzi op eigen terrein is hierin akkoord bevonden met daarbij enkele aandachtspunten voor de verdere uitwerking. Deze aandachtspunten zijn hieronder opgenomen:
  • volledige afscherming van het terrein met opgaande beplanting is niet gewenst;
  • de slibvelden met lage dijkjes kunnen worden benut ten behoeve van de inpassing;
  • wanneer nieuwe beplanting noodzakelijk is (bv ter compensatie) dan aan laten sluiten bij beplanting op het voormalige viaduct;
  • bloemrijke begroeiing op het talud;
  • bij voorkeur lage grondwallen en lagunes en geen hoogopgaande beplanting;
  • bestaande beplanting zoveel mogelijk handhaven;
  • nieuwe gebouwen zo dicht mogelijk bij de bestaande grondwal met beplanting (het 'viaduct');
  • bij plaatsing van zonnepanelen op het terrein dient aandacht te zijn voor reflectie;
  • er dient voldaan te worden aan de Nota Parkeernormen.
De exacte invulling van de uitbreiding van de rwzi is nog niet bekend. In april 2018 is een aanbesteding gepubliceerd ten behoeve van het ontwerp en realisatie van de uitbreiding van de rwzi. Bovenstaande uitgangspunten worden meegegeven aan de uitvoerende partij. Het terrein zal landschappelijk worden ingepast waarbij voortgeborduurd wordt op bestaande landschappelijke elementen. Aan alle zijden van het perceel is tevens ruimte gereserveerd in de vorm van een strook van circa 10 meter ten behoeve van een groene invulling en landschappelijke inpassing. Zoals hiervoor benoemd is volledige afscherming van hoogopgaande beplanting niet gewenst. Om de landschappelijke inpassing te waarborgen is in de regels hiervoor een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Dit houdt in dat eerst goedkeuring moet zijn verkregen over de landschappelijke inpassing alvorens een bouwvergunning verleend kan worden.
 
Verkeer
In de bestaande situatie is sprake van 12 tot 14 vrachtwagens per week die het slib afvoeren. In de toekomstige situatie is sprake van circa 25 tot 30 per week. Er is geen sprake van toename van werkzame personen. Er zal derhalve in totaliteit sprake zijn van een lichte toename van het verkeer. Dit is echter voor een dergelijke ontwikkeling verwaarloosbaar. De ontsluiting van het terrein zal niet wijzigen.
 
In het kader van mogelijke realisatie van zonnepanelen dient derhalve wel aandacht te zijn voor de reflectie van de zonnepanelen ten opzichte van de Rijksweg A15. De zonnepanelen worden maximaal 4 meter hoog.
 
   
3 Beleidskader
3.1 Nationaal beleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, de ecologische hoofdstructuur, de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.
 
In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend verankerd.
 
In de structuurvisie worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten. Lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.
   
Planspecifiek
De SVIR richt zich op onderwerpen van nationaal ruimtelijk belang. Het voorliggend initiatief valt hier niet onder. Het Barro stelt in die zin geen regels voor het plangebied. Het project betreft het herstructureren van een bedrijventerrein.
 
Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6, tweede lid)
Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).
 
De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
 
Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenspel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."
 
Per 01 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking herzien. Bij de herziening zijn onder meer de drie afzonderlijke 'treden' van de ladder losgelaten en is het begrip 'acute regionale behoefte' gewijzigd in 'behoefte'.
 
Door het ministerie van Infrastructuur en Milieu is een handreiking gemaakt. Deze 'handreiking ladder voor duurzame verstedelijking' werkt verder uit hoe met de ladder omgegaan moet worden. Voor een verdere uitleg van de ladder duurzame verstedelijking wordt naar die handreiking verwezen.
 
Planspecifiek
De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Beoordeeld moet worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Op basis van jurisprudentie is bekend dat bij toevoeging van bedrijfsgebouwen/-terreinen 'in beginsel' de ondergrens ligt bij 500 m2 bruto vloeroppervlak.
 
In de huidige situatie geldt dat er maximaal 110% van de bestaande situatie bebouwd mag worden binnen het bestemmingsvlak. In de nieuwe situatie mag het gehele bestemmingsplak bebouwd worden (met uitzondering van het bepaalde in de geldende functieaanduidingen). De totale toevoeging van bebouwing zal meer bedragen dan 500 m2. Het betreft dan ook een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
 
Het plan voorziet in een duidelijke behoefte. Om efficiënter en duurzamer afvalwater te zuiveren gaat het waterschap centraliseren door een aantal kleinere rioolwaterzuiveringen (rwzi's) af te bouwen. Deze kleinere rwzi's gaan op termijn dan ook sluiten. Als gevolg hiervan moet het afvalwater vanuit die regio's afgevoerd worden naar onder andere rwzi Dodewaard. Om dit extra afvalwater te kunnen verwerken is het noodzakelijk deze rwzi uit te breiden. Tevens is de uitbreiding noodzakelijk om voor een efficiënter en voordeliger zuiveringsproces te zorgen.
 
In het kader van zorgvuldig ruimtegebruik is het wenselijk om eerst te kijken naar uitbreiding binnen het bestaand eigen terrein. Het eigen terrein, met reeds een bedrijfsbestemming heeft voldoende ruimte om de uitbreiding binnen de bestaande perceelsgrenzen te realiseren. Uitbreiding op een andere locatie zou betekenen dat ook de bestaande bebouwing verplaatst zal moeten worden. Daarnaast is een rwzi geen functie om te realiseren binnen bestaand stedelijk gebied. Uitbreiding binnen de huidige perceelsgrenzen is dan ook als meest geschikt alternatief beschouwd.
 
Structuurvisie Wind op Land
De Structuurvisie Wind op Land (SWoL) is een uitwerking van de SVIR om de doorgroei van windenergie op land tot minimaal 6000 MW in 2020 mogelijk te maken. In de SWoL worden grootschalige locaties, over het algemeen locaties met meer dan 100 MW opgesteld vermogen, voor windenergie aangegeven. In de provincie Gelderland zijn geen grootschalige locaties aangewezen. Naast het aanwijzen van grootschalige locaties wordt er in de SWoL vanuit gegaan dat er ook kleinschaliger windenergie wordt gerealiseerd. Hierover zijn afspraken gemaakt met de provincies die dit vervolgens in hun ruimtelijke beleid vastleggen.
 
3.2 Provinciaal beleid
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Gelderland
Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie en omgevingsverordening van Gelderland. Deze visie en verordening zijn vastgesteld op 9 juli 2014. Op 1 januari 2018 is een geconsolideerde versie in werking getreden ten gevolge van diverse wijzigingen.
 
De provincie kiest er in de omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn: 
  1. een duurzame economische structuur;
  2. het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.
Deze twee doelen beïnvloeden elkaar. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dat is een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Het betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland.
 
In de omgevingsverordening zijn vervolgens regels (randvoorwaarden) opgenomen passend bij de provinciale aanpak van ambities en doelen in de omgevingsvisie. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, verkeer en bodem.
 
Planspecifiek
In de omgevingsvisie is het plangebied gelegen in een gebied dat is aangewezen als 'windenergieaandachtsgebied' en als gebied waar grote zonneparken mogelijk zijn.  Verder zijn er vanuit zowel de omgevingsvisie als de omgevingsverordening geen specifieke aspecten of regels die van toepassing zijn binnen het plangebied.
   
 
3.3 Gemeentelijk beleid
Structuurvisie Neder-Betuwe 2018
Op 31 mei 2018 is de structuurvisie Neder-Betuwe 2018 vastgesteld. De structuurvisie geeft richting aan de gewenste ruimtelijke inrichting van een gebied waardoor voor een ieder in algemene zin duidelijk is of bepaalde initiatieven daarbinnen passen.
  
Figuur 3.1 Uitsnede structuurvisie Neder-Betuwe 2018 (plangebied oranje omcirkeld)  
 
Planspecifiek
In de structuurvisie ligt het terrein van de rwzi in een gebied dat is aangewezen als 'ontwikkeling laanboomteelt'.  In de gehele gemeente wordt laanboomteelt gestimuleerd maar in dit gebied niet. De gemeente kiest hier voor behoud van (de openheid van) het weidevogel- en ganzengebied. Daarom is vanuit landschappelijk en ecologisch oogpunt binnen dit gebied een uitbreiding van laanboomteelt, hoog opgaande beplanting of de realisatie van nieuwe erven met bebouwing niet wenselijk. Er zijn dan ook geen specifieke aspecten benoemd die van invloed zijn op het plangebied of de beoogde uitbreiding.
   
Nota duurzaamheid 2016 – 2020 en Klimaatnota 2018-2023
Neder-Betuwe heeft 'duurzaamheid' hoog in het vaandel staan. Om uitvoering te geven aan haar ambities heeft de gemeenteraad van Neder-Betuwe op 17 september 2015 de nota ´Duurzaamheid 2016-2020´ vastgesteld. Deze nota (en bijhorende visie) is uitgewerkt in een vijftal thema’s; Energie & klimaat, Afval & grondstoffen, Groen & water, Duurzaam ondernemen en Sociale duurzaamheid.
 
Gemeente Neder-Betuwe wil energiebesparing en het opwekken van hernieuwbare energie zoveel mogelijk stimuleren. Het uiteindelijke streven is om in 2050 een energieneutrale gemeente te zijn. Maar de gemeente heeft de intentie om dit doel eerder te realiseren. 
 
Om de af te leggen weg naar een groter aandeel aan duurzame energie in beeld te krijgen zijn enkele energieonderdelen verder uitgewerkt in een Klimaatnota. De gemeente Neder-Betuwe zet in op 2050 Klimaatneutraal met als tussenstappen doelstellingen voor 2020 (16% duurzaam) en 2023 (20%).
Om de gemeentelijke doelstellingen te halen is extra inzet in de vorm van zonne-energie en/of windenergie noodzakelijk. Tot 2020 zal primair ingezet worden op zonne-energie. Vanaf 2020 wordt meer ingezet op windenergie.
 
In het kader van windenergie is een quickscan uitgevoerd naar windenergielocaties binnen de gemeente Neder-Betuwe. Hieruit is gebleken dat voor de locatie van het rwzi-terrein geen harde belemmeringen zijn voor realisatie van windturbines. Er wordt momenteel gewerkt aan een plan voor de realisatie van een windturbine. In het vigerend bestemmingsplan was binnen het terrein reeds een functieaanduiding 'windturbine' opgenomen. Deze blijft derhalve behouden zodat de mogelijkheid voor een windturbine blijft bestaan.
 
Het realiseren van een energie neutrale rwzi sluit naadloos aan bij de ambitie van de gemeente om in 2050 een energieneutrale gemeente te zijn.   
4 Milieu- & omgevingsaspecten
4.1 Milieu Effect Rapportage
Per 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten plan-mer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Wanneer een activiteit genoemd is bij onderdeel D van de bijlage, maar onder de drempelwaarde blijft is een vormvrije m.e.r.-beoordeling van toepassing. Hieronder is het e.e.a. visueel weergegeven.
 
  
De activiteit die met het onderhavige bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, betreft de uitbreiding van een bestaande rioolwaterzuivering. Deze activiteit met bijhorend bestemmingsplan valt binnen onderdeel D. (D18.4 de oprichting, wijziging of uitbreiding van een rioolwaterzuiveringsinstallatie die deel uitmaakt van een inrichting als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, van de Waterwet.).  
 
Deze rwzi heeft een capaciteit van 70.000 inwonerequivalenten en aangezien het besluit betreft uit kolom 4 is derhalve een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Hiervoor zal een m.e.r.-beoordelingsnotitie worden ingediend. Deze notitie dient gaat in op de volgende onderdelen:
  • de kenmerken van het project;
  • de plaats van het project;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.
Op basis van de m.e.r.-beoordelingsnotitie kan het bevoegd gezag nagaan of er sprake is van omstandigheden die alsnog aanleiding geven voor het opstellen van een milieueffectrapportage. Het besluit m.e.r.-beoordeling is een separate procedure en dient genomen te worden alvorens het bestemmingsplan wordt vastgesteld.
 
4.2 Bodem
De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging.
 
 
Conclusie
Er zijn geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de onderzoekslocatie te verwachten. Ten behoeve van het bodemonderzoek is, op basis van het vooronderzoek, een aantal deellocaties geïdentificeerd die onderzocht dienen te worden. De onderzoeksstrategieën per deellocatie is opgenomen in de rapportage. Wanneer een omgevingsvergunning Bouwen aangevraagd wordt zal een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd worden op die locaties waar gebouwd zal gaan worden.
4.3 Waterhuishouding / watertoets
Beleidskader
 
Rijksbeleid
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.
 
Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.
 
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen.
 
Gemeentelijk beleid
Waterplan Neder-Betuwe
De gemeente beschikt over het Waterplan Neder-Betuwe 2014- 2018. Dit beleidsplan geldt voor alle gemeentelijke plannen waarin water een rol speelt. Het waterplan heeft geen directe planologische doorwerking. De waterdoelstellingen dienen een belangrijke rol te spelen in de toekomstige ruimtelijke afwegingen: het waterplan is een belangrijke bouwsteen voor het tot stand komen van een gezond watersysteem in de toekomst. In het waterplan is een cluster van maatregelen opgenomen dat bepaald is aan de hand van de bevindingen uit een analyse. In dit “uitvoeringsplan” zijn alle opgestelde maatregelen ingepland. Geen van de genoemde maatregelen hebben een directe invloed op de gronden binnen het voorliggende (bestemmings)plangebied.
 
Gemeentelijk Rioleringsplan
In het Gemeentelijk Rioleringsplan 2014-2018 van de gemeente Neder-Betuwe is verwoord hoe de gemeente invulling geeft aan zorgtaken rondom afval-, hemel- en grondwater. Dit plan hangt sterk samen met het Waterplan Neder-Betuwe. Bijzonder is de vernieuwde zorgplicht voor hemelwater. Sinds 2005 wordt al aan de basisinspanning voldaan. Voor nieuwbouwprojecten is 100% afkoppeling voorgeschreven, waarbij vuil en schoon water wordt gescheiden. Ten aanzien van grondwater wil de gemeente allereerst zo veel mogelijk inzicht verkrijgen, gelet op het complexe stelsel met sterke fluctuaties door rivierwaterstanden in verschillende seizoenen.
 
Waterschapsbeleid
Waterbeheerplan 2016 - 2021
Het Waterbeheerplan 2016-2021 (WBP) van Waterschap Rivierenland heeft als titel “Koers houden, kansen benutten”. Dit plan heeft betrekking op het waterbeheer in het hele rivierengebied en omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantitieit, waterkwaliteit en waterketen.  Met dit programma blijft het waterschap op koers om de lange termijn doelen te bereiken. Het WBP beschrijft wat het waterschap in de planperiode 2016-2021 willen bereiken en op welke wijze
 
Keur waterkeringen en wateren
In de Keur waterkeringen en wateren (Waterschap Rivierenland) staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.
 
Watertoets
Vanuit de waterwet geldt dat voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een Watertoets doorlopen moet worden. In de watertoets beoordeeld de waterbeheerder het plan op de invloed er van op de verschillende waterhuishoudkundige aspecten zoals water veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt
 
In de voorliggende waterparagraaf zijn de uitkomsten uit de watertoets opgenomen.
 
Planspecifiek
 
Huidige situatie
Zowel rondom als binnen het plangebied zijn diverse watergangen aanwezig. De watergangen langs de noordzijde en westzijde van het plangebied hebben een A-status en zijn in beheer en onderhoud bij het waterschap. De overige wateren hebben een B-status met uitzondering van de greppel op de grens van het huidige terrein van de RWZI met het agrarische perceel aan we westzijde(Zie fig. 1).Het waterpeil in deze watergangen kent een zomerpeil van 5,45 m NAP en een winterpeil van 5,35 m NAP. De watergangen langs de westzijde en zuidzijde (deels) zijn ingericht met een natuurvriendelijke oever (plasdras oever). De watergang langs de westzijde is onderdeel van het slotenstelsel Gebied van Eldik waaraan een Speciaal Ecologische Doelstelling (SED water) is toegekend. De watergangen kennen verder geen specifieke ecologische doelstellingen en zijn niet geclassificeerd als KRW waterlichaam.
 
Figuur 4.1  Watergangen in omgeving
 
Het hemelwater van het bestaande RWZI terrein wordt in de huidige situatie afgevoerd naar de omliggende watergangen. Het effluentwater vanuit de zuivering wordt via een persleiding afgevoerd en verpompt naar de Linge. Deze wijze van afvoeren van het hemel- en effluentwater blijft in de toekomstige situatie gehandhaafd.
 
Gevolgen voor de waterhuishouding
De uitbreiding van de RWZI brengt na verwachting een toename van verhard oppervlak met zich mee. Om te compenseren voor de extra afvoer van hemelwater van dit verharde oppervlak is aanvullende waterberging noodzakelijk (principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen). Deze extra waterberging kan gerealiseerd worden door het opwaarderen en verbreden van de bestaande C-watergang. Bijvoorbeeld door deze te verbreden en te verdiepen en te voorzien van een plasdras-oever overeenkomstig met de inrichting van de natuurvriendelijke oevers aan de west- en zuidzijde van het plangebied.
 
Langs zowel de eventueel op te waarderen watergang als bestaande watergangen wordt verder rekening gehouden met de noodzakelijke ruimte voor doelmatig onderhoud (langs A-watergangen is aan weerszijden een 4 m brede onderhoudsstrook noodzakelijk. Langs B-watergangen is dit 1 m). 
 
Figuur 4.2 Weergave op te waarderen watergang
 
Het hemelwater van schone verharde oppervlak wordt afgevoerd.
 
Afvoer schoon- en vuilwater en duurzaam waterbeheer 
Vanuit het oogpunt van duurzaam waterbeheer en het streven naar een goede waterkwaliteit  is van belang dat zo min mogelijk vervuilende stoffen worden toegevoegd aan het grond- en oppervlaktewatersysteem. Alleen schoon hemelwater van de nieuwe bebouwing en verhardingen wordt afgevoerd naar de bodem en/of het oppervlaktewater. Verontreiniging van hemelwater afkomstig van daken dient primair te worden voorkomen door toepassing van niet-uitlogende materialen (zoals bv lood, koper en zink). Het vuilwater wordt conform de huidige situatie afgevoerd.
 
Met de centralisatie en uitbreiding van de RWZI Dodewaard neemt de hoeveelheid effluentwater vanuit de zuivering Dodewaard toe. De randvoorwaarden die hierbij gelden en de inhoudelijke afstemming zal plaatsvinden in het kader van de waterwetvergunning.
 
Conclusie
Vorenstaande houdt in dat de waterhuishouding geen belemmering vormt voor de realisatie van onderhavig ruimtelijke plan.
4.4 Archeologie
Vanaf 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het Nederlandse bodemarchief is ook via deze wet beschermd. In deze wet is vast gelegd dat archeologisch waardevolle resten in de bodem moeten worden behouden (in situ). 
 
In 2016 is het gemeentelijke archeologiebeleid van Neder-Betuwe geactualiseerd. De Nota Archeologiebeleid 2016 en de daarbij behorende archeologische beleidskaart - die de basis vormt voor het gemeentelijke archeologiebeleid - zijn op 14 april 2016 vastgesteld door de gemeenteraad van Neder-Betuwe.
 
Om de archeologische waarden te beschermen is, conform voornoemde beleidskaart, in het voorliggend bestemmingsplan de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen op delen van het plangebied.
 
Waarde - Archeologie 1 is toegekend aan AMK-terreinen, historische kernen en bekende vindplaatsen. Waarde - Archeologie 2 is toegekend aan de gronden met een hoge archeologische trefkans. Vooralsnog is het niet de intentie te bouwen op de gebieden met deze dubbelbestemmingen.
 
Voor een aantal werkzaamheden op of in deze gronden is een omgevingsvergunning vereist in het kader waarvan een afweging kan worden gemaakt tussen de activiteit en de te beschermen archeologische waarden.    
4.5 Geluid
Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet ge-luidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd dient te worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten. Voor de geluidsgevoelige gebou-wen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de ge-luidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen. De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen.
 
Onderhavig plangebied
In voorliggende situatie worden geen geluidsgevoelige objecten gerealiseerd waardoor toetsing aan weg- en spoorweglawaai niet aan de orde is. De bedrijfsactiviteiten kunnen mogelijk wel effect hebben op nabij gelegen woningen. Hier wordt in navolgende paragraaf aan de hand van VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ nader ingegaan.
 
4.6 Bedrijven en Milieuzonering
Indien door middel van een plan nieuwe functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone dan wel met omliggende milieugevoelige functies.
 
Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de publicatie “Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeente (hierna: VNG) een leidraad voor de milieuzonering. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen.
 
De milieucategorie geeft daarbij een indicatie over de afstand, die tussen de diverse bedrijfstypen en een rustige woonwijk of een milieugevoelig object dient te worden aangehouden, om hinder uit te sluiten of althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De afstanden worden gemeten vanaf de grens van de locatie van de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel (of bouwvlak) van de milieugevoelige functie.
 
Voor rwzi's met minder dan 100.000 inwonerequivalenten geldt een aan te houden afstand van 200 meter als gevolg van geur, 10 meter als gevolg van stof en 100 meter als gevolg van geluid. Het dichtstbijzijnde milieugevoelig object is op circa 400 meter gelegen van het plangebied. Er wordt dan ook voldaan aan de aan te houden afstanden.
 
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt dan ook belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
  
4.7 Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie, of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd:
  • het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers;
  • het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.
Vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden over spoor, weg, water en door buisleidingen. Daarnaast kunnen inrichtingen gevaarlijke stoffen opslaan. Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s voor personen ten gevolge van het gebruik van infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten waarbij het voornamelijk gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets mis gaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen.
 
Onderhavig plangebied
Op de risicokaart (zie navolgende figuur) is te zien dat ten noorden van het plangebied een transportroute (A15) aanwezig is waarover transport van gevaarlijke plaatsvindt. Tevens bevindt zich richting het noorden en westen een buisleiding met transport van gevaarlijke stoffen.
 
 
Figuur 4.3. Uitsnede Risicokaart Nederland.
 
Transport buisleidingen
De afstand tot de buisleidingen bedraagt 370 en ruim 600 m. Het plangebied is niet gelegen binnen de 10-6 pr-contour of het invloedsgebied van deze leiding (200 meter).
 
Transport gevaarlijke stoffen
Uit de risicokaart blijkt dat over de A15 vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van deze transportroute, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische en brandbare stoffen. Het plangebied ligt binnen de basisnetafstand en binnen de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones).
 
Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor: 
  • de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroutes en
  • de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. 
Door de ligging van het plangebied binnen de 200 meter zone van de A15 is artikel 8 van het Bevt van belang. Omdat er geen sprake is van toename van het aantal personen die werkzaam zijn op de rwzi, zal het groepsrisico niet toenemen. Er hoeft derhalve niet te worden ingegaan op de elementen zoals genoemd in het eerste lid van artikel 8 Bevt. Op grond van artikel 9 van het Bevt zal de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om over de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid een advies uit te brengen.
 
Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval
Bij een calamiteit ten gevolge van het vrijkomen van toxische en/of brandbare stoffen zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van adequate bluswatervoorzieningen (conform het Bouwbesluit) door de brandweer worden bestreden. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.
 
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid
Bij een calamiteit, waarbij toxische en/of brandbare stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij een toxisch scenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Bij een scenario, waarbij brandbare stoffen (kunnen) vrijkomen, is het advies om te vluchten van de risicobron af, maar ook schuilen in een gebouw biedt in eerste instantie voldoende bescherming voor personen in het plangebied. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om relevante adviezen tijdig op te volgen.
 
Plasbrandaandachtsgebied
De gronden liggen tevens binnen het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Omdat er hier echter geen sprake is van het bestemmen van gronden voor (beperkt) kwetsbare objecten binnen de basisnetafstand en PAG, leidt dit niet tot een belemmering voor het plan.
 
Conclusie
Het aspect externe veiligheid is relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A15. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er gezien vanuit het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes. Daarnaast worden in de voorwaarden van de omgevingsvergunning de vestiging van bijzonder kwetsbaren objecten uitgesloten. Nadere eisen in het kader van het aspect externe veiligheid zijn dan ook niet noodzakelijk. Het plan is uitvoerbaar voor wat betreft het aspect externe veiligheid.
4.8 Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Daarnaast is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht. Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Er is geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit “niet in betekenende mate” aangetast wordt.
 
Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden luchtkwaliteitseisen (Stb. 2007,141). Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin wordt gereguleerd hoe moet worden omgegaan met overschrijdingen op het gebied van de luchtkwaliteit.
 
Het NSL houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen binnen de voorwaarden van het NSL behoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden die gelden voor luchtkwaliteit. Ook projecten die ´Niet in betekende mate´ (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit behoeven niet te worden getoetst aan deze grenswaarden. Hieronder vallen onder andere 
  • woningbouw: minder dan 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitende weg of 3.000 woningen bij 2 ontsluitende wegen;
  • infrastructuur: minder 3% concentratiebijdrage (verkeerseffecten gecorrigeerd voor minder congestie);
  • kantoorlocaties: minder dan 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij 1 ontsluitende weg, 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij 2 ontsluitende wegen.
Onderhavige ontwikkeling valt niet onder de bovengenoemde categorieën. Er is wel sprake van toename van het vrachtverkeer. In de bestaande situatie is sprake van circa 12 tot 14 vrachtwagens per week die het slib afvoeren. In de nieuwe situatie zal sprake zijn van circa 25 tot 30 vrachtwagens per week. Middels de NIBM-tool is vervolgens aangetoond of het plan alsnog NIBM is. Een plan is namelijk NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2.
 
In onderstaande figuur is een worst-case-berekening (18 extra voertuigen ten opzicht van de huidige situatie) te zien. Hieruit blijkt dat de toename van het vrachtverkeer niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.
 
Figuur 4.4. weergave berekening NIBM-tool
 
Tevens dient de blootstelling aan luchtverontreiniging (lokale luchtkwaliteit) in kaart te worden gebracht en te worden getoetst aan de hierbij gestelde eisen.
 
Via de NSL-Monitoringstool zijn de concentraties van de nabijgelegen rekenpunten voor de jaren 2020 en 2030 afgelezen. Deze zijn in onderstaande tabel weergegeven. hieruit blijkt dat de grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 voor de jaren 2020 en 2030 niet worden overschreden.
 
  
4.9 Flora en fauna
Natuur en groen wordt over het algemeen positief gewaardeerd. Zowel in als buiten de stad vertoeven veel mensen in hun vrije tijd graag in de bossen en de parken in en rond de stad. De aanwezigheid van voldoende groen op een bereikbare afstand bepaalt voor een belangrijk deel de leefbaarheid van een woongebied. Ook de aanwezigheid van dieren, bijvoorbeeld vogels, wordt over het algemeen als positief ervaren. De aanwezigheid van voedsel-, nest- en rustgebied is voor deze dieren van essentieel belang.
 
Om inzicht te krijgen in de aanwezige ecologische waarden is een quickscan flora en fauna 3 opgesteld. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage bij dit bestemmingsplan.
 
Beschermde soorten
 
Broedvogels
De grond- en rooiwerkzaamheden leiden mogelijk tot negatieve effecten op broedvogels, zoals het doden of verwonden van vogels (Wnb artikel 3.1.1.), het vernielen van nesten of eieren (Wnb artikel 3.1.2.). Het is hiernaast tevens mogelijk dat als gevolg van de werkzaamheden vogels verstoord worden (Wnb artikel 3.1.4.). Doordat de staat van instandhouding van de te verwachten vogels binnen het plangebied gunstig is, als gevolg van een grote hoeveelheid geschikt leefgebied in de omgeving, leidt het verstoren van vogels niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming.
 
In gebruik zijnde nesten zijn streng beschermd en mogen daarom niet worden vernield ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van vogels vernield worden bij de werkzaamheden. Het grondwerk en het rooien van vegetatie dient derhalve plaats te vinden buiten het broedseizoen. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli, afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort.
 
Indien niet mogelijk is om te werken buiten het broedseizoen, kan middels een broedvogelschouw onderzocht worden of in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn binnen het plangebied. Indien nesten afwezig zijn, kan het plangebied vrijgegeven worden voor de werkzaamheden.
 
Algemeen voorkomende zoogdieren en amfibieën
Het plangebied is in potentie geschikt als leefgebied voor algemeen voorkomende zoogdiersoorten en als landhabitat voor zwervende, algemeen voorkomende amfibieën. De omgeving van het plangebied biedt ruim voldoende alternatief leefgebied voor een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. Bovendien wordt de toekomstige inrichting weer geschikt gemaakt als leefgebied en landhabitat voor deze soorten. Permanente negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden worden daarom niet verwacht. De werkzaamheden zelf hebben mogelijk wel een negatief effect op individuen van voorkomende soorten. Kleine zoogdiersoorten en amfibieën worden mogelijk gedood (Wnb artikel 3.10.a.) of vaste rust- en verblijfplaatsen worden mogelijk vernield (Wnb artikel 3.10.b.).
 
De mogelijk voorkomende zoogdier- en amfibiesoorten zijn in de provinciale verordening van de provincie Gelderland vrijgesteld van ontheffing voor het vernielen van vaste rust- en verblijfplaatsen. Het doden van individuen van deze soorten blijft verboden, maar het vangen daarentegen is wel vrijgesteld van ontheffing. Door middel van zorgvuldig handelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kan daarom een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen worden. Dit houdt in dat aangetroffen individuen van de soort verjaagd dienen te worden of gevangen en vrijgelaten dienen te worden in het aanliggend gebied, buiten invloed van de  werkzaamheden.
 
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning zal het aspect flora en fauna nader beoordeeld worden. Dan is ook bekend welke werkzaamheden exact uitgevoerd gaan worden.
 
Beschermde gebieden
Er treden geen negatieve effecten op Natura2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en bomen beschermd volgens de Wet Natuurbescherming op. Een vergunning is evenmin noodzakelijk voor de eventuele kap van de meest noordwestelijk gelegen bomen.
 
Middels een Aerius-berekening is inzichtelijk gemaakt of de toename van het vrachtverkeer ten aanzien van de stikstofdepositie een negatief effect heeft op het dichtstbijzijnde gelegen Natura2000-gebied. In de bijlage is deze berekening opgenomen. Uit de berekening blijkt dat er geen natuurgebieden zijn met rekenresultaten die hoger zijn dan de drempelwaarden. Het project heeft dan ook geen invloed op de dichtstbijzijnde gelegen Natura2000-gebieden
4.10 Explosieven
De locatie is, zoals heel de gemeente Neder-Betuwe, verdacht op het voorkomen van niet gesprongen explosieven. Bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem dient men, in het kader van de arbowetgeving, hiermee rekening te houden. In het kader van het de omgevingsvergunning bouwen zal te zijner tijd een detectieonderzoek uitgevoerd worden naar Niet Gesprongen Explosieven (NGE).
5 Juridische planbeschrijving
5.1 Aanleiding
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.
 
In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en de standaardregels van de gemeente Neder-Betuwe. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningsvrije bouwwerken opgenomen. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht
5.2 Inleidende regels
Begrippen
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voor-komen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
 
Wijze van meten
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
 
5.3 Bestemmingsregels
 
5.3.1 Opbouw bestemmingen
In de bestemmingsregels zijn de verschillende bestemmingen opgenomen. Deze zijn als volgt opgebouwd:
 
Bestemmingsomschrijving
Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijf. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies.
 
Bouwregels
In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding.
 
Afwijken van de bouwregels
In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels.
 
Specifieke gebruiksregels
In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving.
 
Afwijken van de gebruiksregels
In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.
 
5.3.2 Bestemmingen
Bedrijf - Rioolwaterzuivering
De bestemming "Bedrijf - Rioolwaterzuivering" is toegekend aan het perceel ten dienste van de rioolwaterzuiveringsintallatie.
 
Waarde - Archeologie 1
De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ is opgenomen ter bescherming van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden. 'Waarde - Archeologie 1' is opgenomen voor de AMK-terreinen, historische kernen en bekende vindplaatsen. Voor een aantal werkzaamheden op of in deze gronden is een omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) vereist in het kader waarvan een afweging kan worden gemaakt tussen de activiteit en de te beschermen waarden.
 
Waarde - Archeologie 2
De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ is opgenomen ter bescherming van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden. Voor gronden met 'Waarde - Archeologie 2' geldt een hoge archeologische trefkans op grond van De Nota Archeologiebeleid 2016. Voor een aantal werkzaamheden op of in deze gronden is een omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) vereist in het kader waarvan een afweging kan worden gemaakt tussen de activiteit en de te beschermen waarden.
 
Waterstaat - Beheerszone watergang
De zogenoemde dubbelbestemming "Waterstaat - Beheerszone watergang" is toegekend aan de "beschermingszones" langs watergangen, zoals deze zijn vastgelegd in de Algemene Keur van het Waterschap Rivierenland (de waterbeheerder). Het betreft hier 7,5 m brede zones uit de insteek van de Linge en 4 m brede zones uit de insteek van de A-watergangen. De bestemming is gericht op de waterstaatkundige belangen, waarbij de mogelijkheid voor het beheer van de aangrenzende watergangen centraal staat. De bestemming regelt het tegengaan van bebouwing en opgaande beplanting die het onderhoud belemmeren. Uiteraard blijft de Keur van het waterschap van toepassing.
   
5.4 Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Om misbruik van de bouwregels te voorkomen is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning tot bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Dit artikel is door artikel 3.2.4 Bro voorgeschreven.
 
Algemene bouwregels
Deze bepaling bevat algemene regels omtrent ondergronds bouwen en ten aanzien van de bestaande situatie. Daarnaast is een regeling inzake parkeren opgenomen. Indien op grond van één van de in het voorliggende plan opgenomen bestemmingen wordt gebouwd dan wel het gebruik wordt gewijzigd, dient voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de Nota Parkeernormen d.d. 30 mei 2013. Indien de parkeernota in de toekomst herzien wordt, dient getoetst te worden aan de rechtsopvolger van de voorgenoemde nota.
 
Algemene gebruiksregels
Deze bepaling bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan. Het gebruik van gronden, gebouwen en andere bouwwerken ten behoeve van de exploitatie van een seksinrichting, een escort-bedrijf en (raam- en straat-)prostitutie is expliciet uitgesloten.
 
Algemene aanduidingsregels
Aanvullend op de regels die bij de bestemmingen zijn gegeven gelden bijzondere bepalingen die met een aanduiding op de geometrische plaatsbepaling zijn weergegeven. Zo zijn er regels opgenomen voor het bouwen in de vrijwaringszone van de weg als ook de geluidzone van het spoor. Binnen deze zones gelden beperkingen ten aanzien bepaalde functies dan wel bouwwerken.
 
Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Er zijn onder meer algemene afwijkingsregels opgenomen voor het oprichten van antennes en masten tot 25 meter hoog én voor nutsvoorzieningen. De afwijkingen zijn enkel mogelijk indien er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de samenhang in straat- en bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.
 
Algemene wijzigingsregels
In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
 
5.5 Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet.
 
Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
 
6 Uitvoerbaarheid
 
6.1 Economische uitvoerbaarheid
In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie (Grexwet) opgenomen. Centrale doelstelling van de Grexwet is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijke kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen.
 
In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij drie ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of afwijkingsbesluit. Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1.
 
Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit artikel is omschreven om welke bouwplannen het gaat, namelijk:
  • de bouw van een of meer woningen;
  • de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen;
  • de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m² of met een of meer woningen;
  • de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;
  • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies tenminste 1.500 m² bedraagt;
  • de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m².  
Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is.
 
Ten behoeve van dit plan is een anterieure overeenkomst gesloten met initiatiefnemer. In deze overeenkomst is het kostenverhaal opgenomen. Het opstellen van een exploitatieplan is derhalve in dit geval niet noodzakelijk.
 
6.2 Overleg
Het conceptontwerpbestemmingsplan is ten behoeve van het vooroverleg, gestuurd naar diverse vooroverlegpartners.
6.3 Zienswijzen
Na het wettelijk vooroverleg is het bestemmingsplan gedurende zes weken ter visie gelegd als ontwerpbestemmingsplan. Binnen deze termijn is eenieder in de gelegenheid geweest om zienswijzen op het plan in te dienen. Hier is geen gebruik van gemaakt. De raad heeft het bestemmingsplan vastgesteld in haar vergadering op 7 maart 2019.
     
  • 1. Verkennend bodemonderzoek RWZI Dodewaard; BOOT organiserend ingenieursburo; 31 mei 2005 (kenmerk: ME05158-53-Rapportage)
  • 2. Historisch Bodemonderzoek, Appelenburgseveldweg 2 te Dodewaard; Econsultancy; d.d. 13 juli 2018 (kenmerk: 7148.001, versie D1)
  • 3. Verkennend flora- en faunaonderzoek RWZI Dodewaard; Kragten; 28 juni 2017 (kenmer: WRL003-FF-Def01)