direct naar inhoud van Artikel 3 Bedrijventerrein
Plan: De Aam 5 te Elst
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.0096ELSTaam5-ONHE

Artikel 3 Bedrijventerrein

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die staan vermeld in de categorieën 2 t/m 3.2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten, met daaraan ondergeschikt kantoren en dienstverlening;
  • b. het uitoefenen van industriële en ambachtelijke bedrijven die niet vergunnings- of meldingsplichtig zijn op grond van de Wet milieubeheer;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'groen', groenvoorzieningen;
  • d. groothandelsbedrijven;
  • e. laad-, losgelegenheid;
  • f. opslagvoorzieningen;
  • g. productiegebonden detailhandel met uitzondering van detailhandel in textiel, schoeisel, lederwaren, voedingsmiddelen en huishoudelijke artikelen;
  • h. detailhandel in vuurwerk;
  • i. detailhandel in auto’s, boten en caravans met een maximale oppervlakte van 1500 m² brutovloeroppervlak per vestiging;
  • j. internet- /webwinkels;

met de daarbij behorende:

  • k. wegen inclusief bijbehorende voorzieningen, zoals paden en groen;
  • l. paden;
  • m. groenvoorzieningen;
  • n. parkeervoorzieningen, waarbij wordt uitgegaan dat op eigen terrein ten minste 1 parkeerplaats per 50 m² brutobedrijfsvloeroppervlak aanwezig zal zijn;
  • o. (retentie)watergangen;
  • p. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, met dien verstande dat de capaciteit ten behoeve van de waterberging binnen de bestemming bedrijventerrein ten minste 1.240 m³ bedraagt.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen, geen woningen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd.
  • b. De minimale afstand tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt 3 meter.
  • c. De goothoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven.
  • d. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven.

3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter.
  • b. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 meter.

3.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • c. ter waarborging van de verkeersveiligheid;
  • d. ter waarborging van de sociale veiligheid;
  • e. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding.

3.4 Afwijken van de bouwregels
3.4.1 Bedrijfsgebouw buiten bouwvlak

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.1 sub a ten behoeve van het bouwen van bedrijfsgebouwen buiten het bouwvlak, met dien verstande dat:

  • a. een bedrijfseconomische noodzaak aanwezig is;
  • b. de bebouwing niet ten koste gaat van de stedenbouwkundige kwaliteit;
  • c. de ontwikkeling hydrologisch neutraal is;
  • d. bij de overige regels van 3.2.1 wordt aangesloten.

3.4.2 Entreepartijen, portalen e.d. buiten bouwvlak

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.1 sub a ten behoeve van het bouwen van entreepartijen, portalen, luifels e.d. buiten het bouwvlak, met dien verstande dat:

  • a. de overschrijding van het bouwvlak niet meer mag bedragen dan 3 meter;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter;
  • c. de inhoud mag niet meer bedragen dan 50 m³.

3.4.3 Afstand tot de zijdelingse perceelsgrens

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.1 sub b ten behoeve van het bouwen op de zijdelingse perceelsgrens, met dien verstande dat:

  • a. de gebouwen op de naast elkaar gelegen percelen geclusterd worden;
  • b. de bebouwing niet ten koste gaat van de stedenbouwkundige kwaliteit.

3.4.4 Licht- of vlaggenmasten

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.2 sub b ten behoeve van het bouwen van licht- of vlaggenmasten, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 10 meter.

3.4.5 Erf- en terreinafscheidingen

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.2 sub a ten behoeve van het bouwen van erf- en terreinafscheidingen, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 4 meter.

3.5 Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend het gebruik voor:

  • a. inrichtingen als bedoeld in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer;
  • b. detailhandel anders dan bedoeld in 3.1;
  • c. dienstverlening, kantoren en horeca anders dan bedoeld in 3.1;
  • d. woondoeleinden;
  • e. een verkooppunt voor motorbrandstoffen (incl. LPG);
  • f. seksinrichtingen;
  • g. (permanente) opslag van goederen en materialen voor de voorgevellijn.

3.6 Afwijken van de gebruiksregels
3.6.1 Bedrijfsactiviteiten

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.1 sub a ten behoeve van:

  • a. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten die zijn opgenomen in maximaal categorie 4.2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten, indien deze activiteiten gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 3.1 sub a;
  • b. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten, die hoewel gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 3.1 sub a, maar die niet in de Lijst van bedrijven worden genoemd;

Bij de beoordeling van de aard en invloed van de milieubelasting van een bedrijf dienen de volgende milieubelastingcomponenten mede in de beoordeling te worden betrokken: geluid, geurproductie, stofuitworp en gevaar, waarbij tevens kan worden gekeken naar de verontreiniging van lucht en bodem, de diversiteit en het al dan niet continue karakter van het bedrijf en de visuele hinder en verkeersaantrekkende werking.

3.6.2 Opslag

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.5 sub g ten behoeve van (permanente) opslag van goederen en materialen voor de voorgevellijn, met dien verstande dat:

  • a. voor de opslag op deze wijze dient een bedrijfseconomische noodzaak aanwezig te zijn;
  • b. de opslag dient op een zodanige plaats te geschieden dat het de beeldkwaliteit van de omgeving zo min mogelijk aantast.

3.6.3 Parkeerplaatsen

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.1 sub n ten behoeve van het minimum aantal parkeerplaatsen op eigen terrein, met dien verstande dat voldaan moet worden aan het maximale parkeerkencijfer zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2011.