direct naar inhoud van Regels
Plan: Bedrijventerrein De Zuidmaten
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1731.ZuidmatenBE-VST1

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 Plan:

Het bestemmingsplan Bedrijventerrein De Zuidmaten van de gemeente Midden-Drenthe;

1.2 Bestemmingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1731.ZuidmatenBE-VST1 met de bijbehorende regels en eventuele bijlagen;

1.3 Aanduiding:

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 Aanduidingsgrens:

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5 Aan huis verbonden beroep:

Het beroep van: accountant, administratieconsulent, advocaat, apotheker, architect, assurantiebemiddelaar, belastingconsulent, bouwkundig architect, dierenarts, fysiotherapeut, gerechtsdeurwaarder, huisarts, interieurarchitect, logopedist, makelaar in onroerend goed, medisch specialist, notaris, oefentherapeut, organisatieadviseur, raadgevend ingenieur, registeraccountant, specialist, tandarts, tandartsspecialist, tuin- en landschapsarchitect, verloskundige, dan wel naar de aard daarmee gelijk te stellen beroep, dat, in combinatie met de (bedrijfs)woonfunctie als hoofdfunctie, kan worden uitgeoefend in een hoofdgebouw en/of bijbehorende bouwwerken en dat is (die zijn) bestemd voor het wonen;

1.6 Aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten:

Het verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke - geheel of overwegend door middel van handwerk uit te oefenen - bedrijvigheid, waarvan de aard, omvang en uitstraling zodanig zijn, dat de activiteiten in de (bedrijfs- of dienst)woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie ter plaatse, kunnen worden uitgeoefend;

1.7 Aan- of uitbouw:

Een gebouw dat in bouwkundig opzicht qua massa en vorm ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, maar functioneel één geheel vormt met het hoofdgebouw;

1.8 Archeologische waarden:

Waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van wetenschappelijk belang zijn en het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigen;

1.9 Bebouwing:

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.10 Bebouwingspercentage:

Een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;

1.11 Bedrijf:

Een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis gebonden beroepen daaronder niet begrepen;

1.12 Bedrijfsgebouw:

Een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

1.13 Bedrijfsinstallatie:

Bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de exploitatie van een ter plaatse gevestigd bedrijf;

1.14 Bedrijfsplan:

Ondernemingsplan;

1.15 Bedrijfs- of dienstwoning:

Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;

1.16 Bedrijfsvloeroppervlak:

De totale vloeroppervlakte van de ruimte binnen een functie die wordt gebruikt voor een bedrijf, een aan huis verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke;

1.17 Beperkt kwetsbaar object:

Een object waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand is bepaald, waarmee rekening moet worden gehouden;

1.18 Bestaand bij gebruiksvoorschriften / bestemmingsbepalingen:

Het gebruik dat bestaat ten tijde van het van kracht worden van het betreffende gebruiksverbod, met uitzondering van gebruik dat in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan;

1.19 Bestaand bouwwerk:

Een bouwwerk, dat ten tijde van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan bestaat, wordt gebouwd, dan wel nadien krachtens een bouwvergunning, waarvoor de aanvraag voor dat tijdstip is ingediend, kan worden gebouwd;

1.20 Bestaand bedrijf:

Een (detailhandels)bedrijf, dat ten tijde van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan aanwezig is danwel wordt genoemd in de bedrijvenlijst in bijlage 1 'Bedrijven en milieuzonering' van de toelichting, met uitzondering van een bedrijf dat in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan;

1.21 Bestemmingsgrens:

De grens van een bestemmingsvlak;

1.22 Bestemmingsvlak:

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.23 Bijgebouwen:

Een gebouw dat in bouwkundig opzicht qua massa en vorm ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen bedrijfswoning en ten dienste staat van de bedrijfswoning, vrijstaand dan wel aangebouwd;

1.24 Bouwen:

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.25 Bouwgrens:

De grens van een bestemmingsvlak;

1.26 Bouwperceel:

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.27 Bouwperceelgrens:

Een grens van een bouwperceel;

1.28 Bouwvlak:

Een geometrisch bepaald vak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegestaan;

1.29 Bouwwerk:

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.30 Dag-, avond- en nachtperiode:

Periodes die lopen voor de dag van 07.00 uur tot 19.00 uur, voor de avond van 19.00 uur tot 23.00 uur en voor de nacht van 23.00 uur tot 07.00 uur;

1.31 Detailhandel:

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.32 Detailhandel in (volumineuze) grootschalige goederen:

Detailhandel die vanwege de omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig heeft voor de uitstalling, in de vorm van de verkoop van auto's, boten, caravans, landbouwwerktuigen, wooninrichtingen, tuininrichtingsartikelen, grove bouwmaterialen, keukens en sanitair en naar de aard daarmee gelijk te stellen artikelen;

1.33 Dienstverlenend bedrijf:

Een bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke diensten (niet zijnde kinderopvang) aan derden, waaronder zijn begrepen kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio's, galerieën en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting;

1.34 Drogen:

De toepassing van warmte onder gecontroleerde omstandigheden om het aanwezige water in vloeibare voedingsmiddelen door middel van verdamping te verwijderen om vaste producten te verkrijgen;

1.35 Erker:

Uitbouw aan een gevel van het hoofdgebouw;

1.36 Erotisch getinte vermaaksfunctie:

Een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop en een seksautomatenhal;

1.37 Equivalent geluidniveau:

Het energetisch gemiddelde van de fluctuerende niveaus van het ter plaatse in de loop van een bepaalde periode optredende geluid. Het energetisch gemiddelde wordt berekend volgens de methode zoals omschreven in de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai (1999);

1.38 Equivalent geluidvermogen:

Het energetisch gemiddelde van het fluctuerende geluidvermogen van het ter plaatse gedurende een bepaalde periode optredende geluid;

1.39 Evenement:

Elke voor publiek buiten de daartoe ingerichte inrichtingen toegankelijke festiviteit, grootschalige sportwedstrijd, auto- of motorcrosswedstrijd, optochten, georganiseerd vuurwerk en alle overige tot vermaak en recreatie bedoelde activiteiten op een locatie die vaker dan tweemaal per jaar wordt gebruikt, met uit zondering van markten als bedoeld in de Gemeentewet, kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen, en betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

1.40 Gebouw:

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.41 Geluidbelasting in dB(A):

Het equivalente geluidniveau in dB(A) voor de dag-, de avond- en de nachtperiode op een bepaalde plaats;

1.42 Geluidemissie:

De geluidproductie van een geluidbron;

1.43 Geluidimmissie:

De geluidbelasting op een bepaalde locatie;

1.44 Geluidruimte:

Equivalent geluidvermogen dat kan worden gemeten als geluidemissiekental in dB(A)/m2 of als geluidimmissiewaarde in dB(A);

1.45 Geluidzone:

Een op grond van artikel 40 van de Wet geluidhinder in het bestemmingsplan vastgelegd gebied rond een industrieterrein waarbuiten de geluidbelasting ten gevolge van dat industrieterrein niet meer mag bedragen dan 50 dB(A);

1.46 Geluidgevoelige objecten:

Gebouwen welke dienen ter bewoning of andere geluidgevoelige gebouwen of terreinen zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, c.q. het Besluit geluidhinder;

1.47 Geluidbelasting vanwege het wegverkeer/railverkeer:

De geluidbelasting Lden in dB op een bepaalde plaats, veroorzaakt door het gezamenlijke wegverkeer op een bepaald weggedeelte of een combinatie van weggedeelten, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder en/of Besluit geluidhinder;

1.48 Geluidgevoelige functies:

In een gebouw of op een terrein aanwezige functies die maken dat een gebouw of terrein als geluidgevoelig terrein of bouwwerk wordt aangemerkt;

1.49 Geluidgevoelige terreinen:

Terreinen zoals bedoeld in de Wet geluidhinder;

1.50 Geluidgevoelige gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde:

Gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, welke dienen ter bewoning, niet zijnde bedrijfswoningen, of andere geluidgevoelige gebouwen als bedoeld in de Wet geluidhinder;

1.51 Geluidzoneringsplichtige inrichting:

Een inrichting, bij welke ingevolge de Wet geluidhinder en/of bijlage I, onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een zone moet worden vastgesteld;

1.52 Hogere waarde:

Een bij een bestemmingsplan in acht te nemen maximale waarde voor de geluidbelasting van geluidgevoelige objecten, die hoger is dat de voorkeursgrenswaarde en die in een concreet geval kan worden vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder;

1.53 Hoofdgebouw:

Een gebouw, dat op een bouwperceel in bouwkundig opzicht qua massa en vorm, dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken;

1.54 Immissietoetspunt:

Een geometrisch bepaald punt waarop een maximaal toegestane geluidimmissie is vastgesteld.

1.55 Kantoor:

Een gebouw, dat dient voor de uitoefening van administratieve werkzaamheden en werkzaamheden die verband houden met het doen functioneren van (semi)overheidsinstellingen, het bankwezen, en naar de aard daarmee gelijk te stellen instellingen;

1.56 Kunstwerk:

Creatieve voortbrengselen van de beeldende kunst zoals beeldhouwwerken, schilderijen en andere kunstzinnige objecten;

1.57 Kwetsbaar object:

Een object waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde voor het risico c.q. een risicoafstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, die in acht moet worden genomen;

1.58 Milieusituatie:

De waarde van een gebied in milieuhygiënische zin die wordt bepaald door de mate van scheiding tussen milieugevoelige en milieubelastende functies, daarbij in het bijzonder gelet op het voorkómen dan wel beperken van hinder door geur, stof, geluid, gevaar, licht en/of trilling. Onderdeel van de afweging van het begrip “milieusituatie” zal ook de bodembescherming zijn;

1.59 Normaal onderhoud:

Het onderhoud, dat gelet op de bestemming regelmatig noodzakelijk is voor een goed beheer en gebruik van de gronden en gebouwen die tot de betreffende bestemming behoren;

1.60 Openbare weg:

Alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen, fietspaden en voetpaden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden of zijkanten;

1.61 Overkapping:

Een bouwwerk voorzien van een plat dak dan wel een kap en met maximaal één wand is uitgevoerd;

1.62 Peil:
  • a. Bij ligging aan een weg: de kruin van de weg;
  • b. Bij ligging aan een anderszins verhard terrein: de bovenkant van dat terrein;
  • c. Bij ligging anders dan een weg of verhard terrein: het maaiveld;
1.63 Perifere detailhandel:

Detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke stoffen en detailhandel in ABC-goederen (auto's, boten en caravans), tuincentra, bouwmarkten, grove bouwmaterialen, keukens en sanitair alsmede woninginrichting waaronder meubels, die vanwege de omvang en aard van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig hebben voor de uitstalling (en uit dien hoofde niet binnen de aangewezen winkelconcentratiegebieden gevestigd kunnen worden);

1.64 Productiecapaciteit:

de maximale productie in een bepaalde tijd;

1.65 Productiegebonden detailhandel:

Detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie;

1.66 Representatieve bedrijfssituatie:

De toestand waarbij de inrichting volledig gebruik maakt van de vergunde capaciteit in de betreffende beoordelingsperiode conform de Handreiking Rekenen en Meten Industrielawaai 1999 (HRMI 1999);

1.67 Risicovolle inrichting:

Een inrichting, bij welke ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde, een richtwaarde voor het risico c.q. een risico-afstand moet worden aangehouden bij het in een bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten;

1.68 Seksinrichting:

Een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.69 Stapelhoogte:

De hoogte van goederen en materialen die in de buitenlucht opgeslagen worden, vanaf het peil tot aan het hoogste punt;

1.70 Stationsgebouw:

Gebouw behorende bij een station;

1.71 Toename stikstofemissie:

Er is sprake van een toename van stikstofemissie wanneer vanuit het bouwvlak de emissie N/ha/jaar meer bedraagt dan de op het tijdstip van vaststelling van het bestemmingsplan bestaande emissie N/ha/jaar afkomstig van het aanwezige legale gebruik van de gronden en opstallen behorend tot het bouwvlak.

Voor de gronden en opstallen ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van bedrijventerrein - zuivelproductiefabriek' en 'specifieke vorm van bedrijventerrein - zuivelproductiefabriek - drogen uitgesloten' wordt onder het 'aanwezige legale gebruik' hier verstaan het gebruik van de gronden en opstallen behorend tot het bouwvlak overeenkomstig het voor tijdelijke stilstand van de WKK gecorrigeerde elektronische milieujaarverslag van FrieslandCampina Domo B.V. in 2015 en de gegevens ten aanzien van de mobiele bronnen in de representatieve bedrijfssituatie uit het akoestisch rapport van DGMR d.d. 18 maart 2011 met kenmerk I.2008.1427.00.R002.

1.72 Verkoopvloeroppervlakte (netto-vloeroppervlakte):

Een voor het publiek zichtbare en toegankelijke (besloten) winkelruimte ten behoeve van de detailhandel;

1.73 Voorgevel:

De naar de weg gekeerde gevel van een woning of, indien een woning met meer dan één zijde naar de weg is gekeerd, de als zodanig door Burgemeester en Wethouders aan te wijzen gevel(s);

1.74 Voorgevellijn:

De lijn waarin de voorgevel van een hoofdgebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan;

1.75 Voorgevelrooilijn:

De voorgevelrooilijn is:

  • a. langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing:
    • 1. de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;
  • b. langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:
    • 1. bij een wegbreedte van ten minste 15 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg;
    • 2. bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg;
    • 3. bij een wegbreedte tussen de 10 en 15 meter, de lijn gelegen op een afstand, die gelijk is aan de wegbreedte, uit de as van de weg;
1.76 Voorkeursgrenswaarde:

De bij een bestemmingsplan in acht te nemen waarde voor de geluidbelasting op de geluidgevoelige objecten, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder;

1.77 Vrijstaand gebouw:

Een niet met het (hoofd)gebouw verbonden gebouw, dat zowel ruimtelijk als functioneel ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw en ten dienste staat van dat (hoofd)gebouw;

1.78 Vuurwerkbedrijf:

Een bedrijf dat in hoofdzaak gericht is op de vervaardiging of assemblage of de handel in vuurwerk, c.q. de opslag van vuurwerk en/of de daarvoor benodigde stoffen;

1.79 Woning:

Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze voorschriften wordt als volgt gemeten:

2.1 De bouwhoogte van een bouwwerk:

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.2 De gebruikte geluidruimte als geluidemissiekental:

De gebruikte geluidruimte als geluidemmissiekental in dB(A)/m2 per etmaalperiode dient als volgt te worden bepaald:

  • 1. De vergunde geluidniveaus worden gebaseerd op de akoestische gegevens van een bedrijf uit het zonebeheermodel zoals naar aanleiding van een akoestisch rekenmodel waarop de vergunning (of maatwerkvoorschriften) is gebaseerd. Bij de berekeningen dient te worden uitgegaan van de representatieve bedrijfssituatie van de bedrijven conform de uitgangspunten van zonebeheer.
  • 2. Op een afstand r van het zwaartepunt van de inrichting die gelijk staat aan de wortel van de oppervlakte van het kavel maal 2,5, dient de geluidsbelasting te worden bepaald. Deze methodiek doet recht aan de rekenvoorwaarde om de totale akoestische energie van een bedrijf als puntbron te definiëren. Er wordt voldaan aan de afstand 1,5 maal d, waarbij d de grootste bronafmeting is (b.v. de diagonaal van het bedrijfskavel).
  • 3. De vergunde geluidniveaus in dB(A) worden berekend op een zestal immissiepunten rondom het bedrijf (verdeeld over 360 graden), op een hoogte van 10 meter en afstand r.
  • 4. De berekende geluidniveaus worden bepaald in vrije veld condities. Dit betekent dat afschermingen en reflecties rond een bedrijfskavel geen invloed hebben op de
    rekenresultaten. Om de vergunde geluidemissie te bepalen op ontvangerpunten rondom, dient de oorspronkelijke bodemfactor van het zonebeheermodel ten worden aangehouden (Bf = 0,5). Deze berekening is gebaseerd op hoofdstuk 5 van module C van de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai (1999) en is uitgevoerd met behulp van de rekensoftware voor industrielawaai Geomilieu (v 2.21).
  • 5. Van de berekende geluidsbelasting op de diverse ontvangerpunten is het gemiddeld berekende geluidniveau als uitgangspunt gebruikt voor de bepaling van het totaal vergunde bronvermogen in dag-, avond- en nachtperiode:

    Lp,gem,(dag, avond, nacht) = 10*LOG(Lp1+Lp2+…Lp,n) – 10*LOG N

  • 6. Er dient tevens een meteocorrectieterm Cmeteo toegepast te worden volgens de formule:

    Cm = 5-(50*(ho + hb)/50)
  • 7. Vervolgens dient een vervangende geluidsbron (puntbron) te worden gedefinieerd die de maximale geluidsuitstraling van het bedrijf op basis van de representatieve bedrijfssituatie weergeeft. De volgende formule dient hiervoor te worden gebruikt:

Lw,totaal,(dag/avond/nacht) = Lp,gem,(dag/avond/nacht) + Dgeo + Cm

  • 8. De geluidbron wordt op een hoogte van 5 meter boven het maaiveld vastgelegd terwijl navolgend spectrum industrielawaai wordt gebruikt:
Frequentie (Hz)   31,5   63   125   250   500   1000   2000   4000   8000  
Standaardspectrum IL   -29,7   -19,7   -14,7   -10,7   -6,7   -5,7   -7,7   -8,7   -10,7  

  • 9. De berekening van de vervangende puntbron naar een emissie per m2 wordt met behulp van de volgende formule berekend:

    Lkavel,(D-A-N) = LW,tot,(D-A-N) – 10*log (Akavel)
  • 10. Teneinde op basis van de oppervlaktebronnen van de percelen op het industrieterrein de
    geluidsbelasting op de zonebewakingpunten te toetsen wordt gerekend met een bodemfactor
    (Bf) van 0,5.
2.3 De gebruikte geluidruimte als geluidimmissiewaarde:

De gebruikte geluidruimte als geluidimmissiewaarde in dB(A) wordt als volgt bepaald:

  • 1. Voor de bestaande geluidruimte wordt, conform de wijze van meten uit artikel 2.2, per etmaalperiode voor elk bouwperceel de vergunde/gemelde geluidemissie, uitgedrukt in dB(A)/m², bepaald. Dit emissiekental wordt middels een standaard kavelbron (hoogte 5 meter boven peil, standaard industrielawaai spectrum) in het rekenmodel opgenomen. Voor het betreffende bouwperceel wordt op de immissiepunten de geluidbijdrage in dB(A) berekend conform de meet- en rekenmethode industrielawaai voor complexe situaties (methode II), zoals beschreven in de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai.
  • 2. Via de rekenmethodiek uit het eerste lid wordt de geluidbijdrage op de immissiepunten bepaald op basis van het rekenmodel behorende bij de vergunde situatie c.q. geaccepteerde melding van het bedrijf.
  • 3. Per etmaalperiode wordt per immissiepunt de hoogste waarde bepaald van de berekende immissiebijdragen uit lid 1 en 2. Deze waarden zijn opgenomen in de toetsingstabellen.
  • 4. Voor nieuwe situaties wordt voor het betreffende bouwperceel op de immissiepunten de geluidbijdrage in dB(A) berekend conform de meet- en rekenmethode industrielawaai voor complexe situaties (methode II), zoals beschreven in de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai.
2.4 De goothoogte van een bouwwerk:

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.5 De dakhelling:

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

(dakhellingsregels zijn niet van toepassing op de horizontale gedeelten van afgeknotte daken, de bovenste dakvlakken van mansharde kappen en op dakvlakken welke niet evenwijdig aan de noklijn zijn gelegen)

2.6 De diepte van een (ondergronds) bouwwerk:

Vanaf het peil tot aan de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het ondergrondse (deel van het) bouwwerk;

2.7 De oppervlakte van een bouwwerk:

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.8 De oppervlakte van een overkapping:

Tussen de buitenwerkse constructiedelen, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.9 De inhoud van een bouwwerk:

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.10 De afstand tot de grens van een bouwperceel:

De kortste afstand vanaf enig punt van een bouwwerk tot de grens van een bouwperceel;

2.11 Het bebouwde oppervlak van een bouwperceel:

De oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen;

2.12 Uitzondering bij wijze van meten:

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen, worden ondergeschikte bouwdelen als:

  • a. Plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten;
  • b. Erkers die voldoen aan de bouwvoorschriften;
  • c. Overstekende daken en/of luifels kleiner dan 0,75 meter;
  • d. Balkons die minder dan 1,00 meter buiten de gevel steken;

buiten beschouwing gelaten.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bedrijventerrein - Industrie

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Bedrijventerrein - Industrie aangewezen gronden zijn bestemd voor het uitoefenen van bedrijven:

  • a. overeenkomstig de bij dit plan in de bijlage opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten en voor zover deze bedrijven qua maximale afstand overeenkomen met de richtafstanden ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van bedrijf - bedrijf tot en met richtafstand 10', 'specifieke vorm van bedrijf - bedrijf tot en met richtafstand 30', 'specifieke vorm van bedrijf - bedrijf tot en met richtafstand 50' of 'specifieke vorm van bedrijf - bedrijf tot en met richtafstand 100';
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a is ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van bedrijventerrein - zuivelproductiefabriek' en 'specifieke vorm van bedrijventerrein - zuivelproductiefabriek - drogen uitgesloten' tevens een zuivelproducten fabriek met de SBI-codes (2008) 1051-1 en 1051-2 toegestaan met een maximale productiecapactiteit van 178.000 ton/jaar, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - zuivelproductiefabriek - drogen uitgesloten' het drogen van voedingsmiddelen niet is toegestaan;
  • c. met dien verstande dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - gasontvangststation' tevens een gasontvangststation, ondergrondse en bovengrondse leidingen en bijbehorende voorzieningen zijn toegestaan;
  • d. met dien verstande dat in afwijking van het bepaalde onder a en b bevi-inrichtingen niet zijn toegestaan met uitzondering van bestaande bevi-inrichtingen;
  • e. met dien verstande dat in afwijking van het bepaalde onder a bestaande (detailhandels)bedrijven ter plaatse van bestaande bouwpercelen zijn toegestaan voor zover deze niet voorkomen op de ter plaatse geldende Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  • f. met dien verstande dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' tevens een bedrijfswoning is toegestaan;

met daaraan ondergeschikt:

  • g. interne ontsluitingswegen ten behoeve van aanliggende functies en aangrenzende bestemmingen;
  • h. tuinen, erven en terreinen;
  • i. wegen en paden;
  • j. parkeervoorzieningen;
  • k. groenvoorzieningen;
  • l. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • m. nutsvoorzieningen, geen gebouwen zijnde;
  • n. geluidwerende voorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • o. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen

Uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming, niet zijnde geluidgevoelige bouwwerken en/of terreinen zijn toegestaan. Bestaande geluidgevoelige bouwwerken en/of terreinen zijn tevens toegestaan, inclusief het terugbouwen van bestaande gebouwen.

3.2.2 Gebouwen ten behoeve van bedrijven

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen ten behoeve van bedrijven gelden de volgende bepalingen:

  • a. de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen dient minimaal 5 meter te bedragen;
  • b. de bouwhoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' aangegeven hoogte dan wel de bestaande hoogte;
  • c. de bebouwde oppervlakte mag per bouwperceel niet meer bedragen dan het ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' toegestane bebouwingspercentage;
  • d. voor de gronden ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van bedrijventerrein - zuivelproductiefabriek' en 'specifieke vorm van bedrijventerrein - zuivelproductiefabriek - drogen uitgesloten' geldt dat een grotere oppervlakte van bebouwing of een wijziging van het bouwvlak ten opzichte van de ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan aanwezige bebouwing alleen is toegestaan, indien er geen sprake is van een toename van stikstofemissie.
3.2.3 Gebouwen ten behoeve van bedrijfswoningen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen ten behoeve van bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen:

  • a. een bedrijfswoning is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
  • b. een bedrijfswoning dient aaneen te worden gebouwd met het hoofdgebouw dan wel dient inpandig onderdeel uit te maken van het hoofdgebouw;
  • c. de maximale goot- en bouwhoogte van een bedrijfswoning bedragen respectievelijk 6 meter en 10 meter;
  • d. de oppervlakte van een bedrijfswoning bedraagt maximaal 150 m²;
  • e. het aantal bedrijfswoningen mag niet meer dan één bedragen per aanduiding 'bedrijfswoning';
  • f. bij een bedrijfswoning zijn aan- en uitbouwen alsmede bijgebouwen toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:
    • 1. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen alsmede bijgebouwen mag maximaal 100% van het oppervlak van de bedrijfswoning bedragen met een maximum van 85 m²;
    • 2. aan- en uitbouwen alsmede bijgebouwen mogen uitsluitend 3 meter achter de voorgevellijn van de bedrijfswoning worden gebouwd;
    • 3. de maximale goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedragen respectievelijk 3 en 7 meter.
3.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevellijn ten hoogste 1 meter en daarachter ten hoogste 2 meter met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - gasontvangststation' de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer mag bedragen dan 3 meter;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, bedraagt voor de voorgevellijn ten hoogste 1 meter en daarachter ten hoogste 3 meter;
  • c. het aantal antennes, (tuin)verlichting, vlaggenmasten en andere vergelijkbare bouwwerken bedraagt per type bouwwerk 1;
  • d. in afwijking van het bepaalde onder b mag achter de voorgevellijn de bouwhoogte van:
    • 1. bedrijfsinstallaties maximaal 50 meter bedragen;
    • 2. bedrijfsinstallaties op een gebouw maximaal 30 meter bedragen gemeten vanaf het gebouw waarop gebouwd wordt;
    • 3. antennes, (tuin)verlichting, vlaggenmasten en andere vergelijkbare bouwwerken maximaal 6 meter bedragen.
3.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de parkeermogelijkheden in de naaste omgeving;
  • c. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • d. ter waarborging van de verkeersveiligheid;
  • e. ter waarborging van de sociale veiligheid;
  • f. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding.
3.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. artikel 3.2.2 onder a voor het verkleinen van de afstand tot een zijdelingse perceelsgrens van minimaal 3 meter;
  • b. artikel 3.2.2 onder a voor het verkleinen van de afstand tot een zijdelingse perceelsgrens tot 0 meter, indien deze zijde van het gebouw aaneen wordt gebouwd met het gebouw op het naastgelegen perceel;
  • c. artikel 3.2.2 onder b voor het vergroten van de bouwhoogte van gebouwen met ten hoogste 5 meter;
  • d. de afwijking als bedoeld in 3.4 onder a en b kan slechts worden verleend, mits:
    • 1. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
    • 2. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad;
    • 3. aangetoond wordt dat het bedrijf voorziet in voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein.
3.5 Specifieke gebruiksregels
3.5.1 Verdeling geluidruimte

De met 'milieuzone – verdeling geluidruimte' aangeduide gronden zijn mede bedoeld voor het veiligstellen van de totale beschikbare geluidruimte op het industrieterrein, alsmede het bevorderen van een efficiënt gebruik van de totale beschikbare geluidruimte. Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - verdeling geluidruimte' gelden de volgende regels:

  • a. de te gebruiken geluidruimte mag niet meer bedragen dan de ter plaatse van de aanduidingen 'maximum geluidemissie dagperiode in dB(A)/m²', 'maximum geluidemissie avondperiode in dB(A)/m²' en 'maximum geluidemissie nachtperiode in dB(A)/m²' aangegeven geluidruimte, gemeten in dB(A)/m², voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode;
  • b. in afwijking van het gestelde onder a mag de gebruikte geluidruimte als geluidimmissiewaarde ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – afwijkende vergunde geluidruimte', ten behoeve van de ter plaatse bestaande bedrijfsactiviteiten (zoals opgenomen in bijlage 3) niet meer bedragen dan de in bijlage 2 opgenomen toetsingswaarden in dB(A) per adres voor de immissietoetspunten, die zijn opgenomen in bijlage 2. Indien sprake is van andere bedrijfsactiviteiten dan het bestaande gebruik, geldt voor het bouwperceel het gestelde onder a;
  • c. inrichtingen dienen middels een akoestisch onderzoek aan te tonen te voldoen aan het gestelde onder a en/of b;
  • d. van het gestelde onder c mag worden afgeweken indien:
    • 1. een inrichting valt onder de categorie 1 of van de Staat van bedrijfsactiviteiten als opgenomen in bijlage 1 van de regels;
    • 2. een inrichting welke op grond van artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer aangemerkt wordt als een type A inrichting.
3.5.2 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik in de zin van artikel 2.1, lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt in ieder geval begrepen het gebruik van de in de bestemming aangegeven gronden en de daarop voorkomende bouwwerken c.q. gebouwen of delen daarvan ten behoeve van:

  • a. een bedrijfswoning, anders dan op grond van het bepaalde in 3.1 onder e is toegestaan;
  • b. detailhandel, met uitzondering van:
    • 1. ondergeschikte en productiegebonden detailhandel;
    • 2. perifere detailhandel
    • 3. bestaande detailhandelsbedrijven als bedoeld in artikel 3.1 onder d;
  • c. opslag van goederen voor de voorgevellijn met een totale stapelhoogte van meer dan 4 meter.
3.5.3 Stikstofemissie zuivelproductiefabriek

Het gebruik van de gronden, bouwwerken en gebouwen ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van bedrijventerrein - zuivelproductiefabriek' en 'specifieke vorm van bedrijventerrein - zuivelproductiefabriek - drogen uitgesloten' is alleen toegestaan indien er geen sprake is van een toename van stikstofemissie.

3.6 Afwijken van de gebruiksregels
3.6.1 Afwijken van toegekende geluidruimte

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. artikel 3.5.1 onder a en b voor het afwijken van de toegekende geluidruimte, met dien verstande dat de gebruikte geluidruimte als geluidimmissiewaarde niet meer mag bedragen dan de in bijlage 2 opgenomen toetswaarden (voor de dag-, avond- en nachtperiode) in dB(A) voor de immissietoetspunten die zijn opgenomen in bijlage 2, onder de voorwaarden dat:
    • 1. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
      • de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden;
      • de totale beschikbare geluidruimte binnen de zone;
    • 2. de bedrijfseconomische noodzaak voor vergroting van de geluidruimte is aangetoond;
    • 3. uit akoestisch onderzoek is gebleken dat:
      • ondanks toepassing van de best beschikbare technieken en een qua milieuhinder zo goed mogelijke terreinindeling, een grotere geluidruimte noodzakelijk is ter optimalisering en/of uitbreiding van de bedrijfsvoering. In het akoestisch onderzoek dient de gewenste geluidruimte te worden aangegeven alsmede een overzicht van de geluidsbronnen, de toegepaste technieken en de bedrijfstijden;
      • door het toestaan van een grotere geluidruimte de geluidzone, dan wel de maximaal toelaatbare geluidbelasting van bestaande en geprojecteerde woningen niet wordt overschreden.
    • 4. de omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend ten behoeve van de betreffende bedrijfsactiviteit en productiecapaciteit;
    • 5. voor zover ten aanzien van de inrichting waarvoor de afwijking wordt gevraagd een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1 sub e Wabo is vereist, wordt de afwijking als onderdeel van deze omgevingsvergunning opgenomen.
3.6.2 Afwijkend bedrijf

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. artikel 3.1 onder a voor het toestaan van een ander bedrijf dan ter plaatse is toegestaan, mits:
    • 1. het bedrijf voor wat betreft de aard en de omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt gelijk kan worden gesteld met een bedrijf genoemd in de Staat van bedrijfsactiviteiten;
    • 2. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

Bij de beoordeling van de aard en invloed van de milieubelasting van een bedrijf dienen in elk geval de volgende milieubelastende componenten mede in de beoordeling te worden betrokken: geluid, geurproductie, stofuitworp en gevaar, waarbij tevens wordt gekeken naar de verontreiniging van lucht en bodem, de diversiteit en het al dan niet continue karakter van het bedrijf en de visuele hinder en verkeersaantrekkende werking.

Artikel 4 Groen

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Groen" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. waterlopen en waterpartijen;

met daaraan ondergeschikt:

  • c. voet en rijwielpaden;
  • d. dagrecreatief medegebruik;
  • e. parkeervoorzieningen;
  • f. geluidwerende voorzieningen;
  • g. speelvoorzieningen;
  • h. infrastructurele voorzieningen;
  • i. ontsluitingswegen ten behoeve van aanliggende functies en aangrenzende bestemmingen;
  • j. kunstwerken;
  • k. nutsvoorzieningen, geen gebouwen zijnde;
  • l. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

en de daarbij behorende:

  • m. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
4.2 Bouwregels
4.2.1 Gebouwen en overkappingen

Op deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 5 meter bedragen;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a mag de hoogte van lichtmasten maximaal 10 meter bedragen.
4.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • c. ter waarborging van de verkeersveiligheid;
  • d. ter waarborging van de sociale veiligheid;
  • e. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding.

Artikel 5 Verkeer

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen en straten met hoofdzakelijk een stroomfunctie;
  • b. voet- en rijwielpaden;
  • c. railverkeer ter hoogte van de kruisingen;
  • d. parkeervoorzieningen en stallingsruimten voor fietsen;
  • e. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - station' tevens voor dienstverlening ten behoeve van reizigers;

met daaraan ondergeschikt:

  • f. groenvoorzieningen;
  • g. openbare nutsvoorzieningen, geen gebouwen zijnde;
  • h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • i. geluidwerende voorzieningen;
  • j. kunstwerken;

met de daarbij behorende:

  • k. bouwwerken;
  • l. straatmeubilair.
5.2 Bouwregels
5.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - station' geldt dat de maximale bouwhoogte 3 meter mag bedragen.

5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mag maximaal 5 meter bedragen;
  • b. overkappingen zijn uitsluitend toegestaan op de gronden direct grenzend aan de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - station';
  • c. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 3 meter;
  • d. in afwijking van het bepaalde onder a mag de hoogte van lichtmasten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer maximaal 12 meter bedragen;
5.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • c. ter waarborging van de verkeersveiligheid;
  • d. ter waarborging van de sociale veiligheid;
  • e. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding.
5.4 Specifieke gebruiksregels

Een overkapping mag uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van het stallen van fietsen.

Artikel 6 Verkeer - Railverkeer

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Verkeer - Railverkeer" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. railverkeer;
  • b. wegen en paden;
  • c. wegverkeer ter hoogte van kruisingen;

met daaraan ondergeschikt:

  • d. groenvoorzieningen;
  • e. geluidwerende voorzieningen;
  • f. spoorwegvoorzieningen;
  • g. parkeervoorzieningen;
  • h. nutsvoorzieningen, geen gebouwen zijnde;
  • i. kunstwerken;
  • j. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • k. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • l. straatmeubilair.
6.2 Bouwregels
6.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt maximaal 3 meter;
  • b. de maximale oppervlakte van gebouwen bedraagt 15 m² per gebouw.
6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 5 meter bedragen;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder 6.2.2 onder a mag een antenne-installatie worden opgericht met een hoogte van 15 meter;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder a mag de hoogte van lichtmasten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer maximaal 12 meter bedragen.

Artikel 7 Water

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Water" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het ontvangen, bergen en/ of afvoeren van water en de bescherming, het beheer en het onderhoud van de waterloop;
  • b. dagrecreatief medegebruik;
  • c. bruggen, dammen en/of duikers en andere waterstaatswerken;
  • d. taluds;

met daaraan ondergeschikt:

  • e. kunstwerken;
  • f. speelvoorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • g. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
7.2 Bouwregels
7.2.1 Gebouwen en overkappingen

Op deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

7.2.2 Bouwwerken geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen en geen overkappingen zijnde gelden de volgende bepalingen:

  • a. de hoogte van een kunstwerk mag niet meer dan 4 meter bedragen;
  • b. hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2 meter bedragen.

Artikel 8 Leiding - Gas

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Leiding - Gas" aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

  • a. voor het transport van aardgas;

met de daarbij behorende:

  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
8.2 Bouwregels
  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 8.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
8.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) indien de veiligheid van de betrokken leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingexploitant. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen kwetsbare objecten worden toegelaten.

8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Leiding - Gas zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    • 1. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
    • 2. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
    • 3. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
    • 4. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
    • 5. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
    • 6. het permanent opslaan van goederen.
  • b. Het verbod is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden:
    • 1. die reeds in uitvoering zijn op het van kracht worden van het plan;
    • 2. die het normale onderhoud ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen;
    • 3. welke graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten vormen.
  • c. Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, kan worden verleend indien de betreffende werken en/of werkzaamheden niet strijdig zijn met de veiligheid van de leiding en van de bijbehorende belemmeringenstrook.
8.5 Adviesprocedure

Alvorens omgevingsvergunning te verlenen als bedoeld in lid 8.3 of lid 8.4 wint het bevoegd gezag advies in bij de leidingbeheerder omtrent de vraag of door de voorgenomen werken of werkzaamheden de belangen van de leiding niet onevenredig worden geschaad en welke voorwaarden gesteld dienen te worden om eventuele schade te voorkomen.

Artikel 9 Leiding - Hoogspanning

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Hoogspanning' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor:

  • a. ondergrondse hoogspanningsleidingen;

met de daarbij behorende:

  • b. veiligheidszones.
9.2 Bouwregels
  • a. In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald, mogen op of in deze gronden geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.
9.3 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de bouwregels dat de in de basisbestemming genoemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, mits:

  • a. vooraf advies wordt ingewonnen van de betreffende leidingbeheerder;
  • b. is aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van de (ondergrondse) nutsleidingen.
9.4 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen het gebruik van de gronden en bouwwerken als risicogevoelig object.

9.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen:
    • 1. het egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen
      van de bodemstructuur;
    • 2. het uitvoeren van graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm;
    • 3. het in de grond brengen van voorwerpen dieper dan 30 cm;
    • 4. het aanleggen of verharden van andere oppervlakteverhardingen;
    • 5. het planten van bomen en het aanbrengen van andere beplantingen die dieper wortelen of kunnen wortelen dan 30 cm.
  • b. Het onder a vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
    • 1. het normale onderhoud betreffen;
    • 2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
  • c. De onder a genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien vooraf advies wordt ingewonnen van de betreffende leidingbeheerder en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van (ondergrondse) nutsleidingen.

Artikel 10 Waarde - Archeologie

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Waarde - Archeologie" aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de mogelijk te verwachten archeologische waarden.

10.2 Bouwregels

In het belang van de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en onder de voorwaarde dat de oppervlakte waarop de aanvraag betrekking heeft groter is dan 1.000 m² en de activiteit op een grotere diepte dan 30 cm wordt uitgevoerd:

  • a. dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. kunnen aan een omgevingsvergunning de volgende regels worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties, tenzij in het rapport als bedoeld onder a naar het oordeel van het bevoegd gezag is aangetoond dat het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van archeologische waarden.
10.3 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 10.2 sub a voor de overlegging van het aldaar genoemd archeologische rapport indien naar hun oordeel de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie voldoende is vastgesteld.

10.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 1.000 m² uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen:
    • 1. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen, ontginnen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur dieper dan 30 cm, met dien verstande dat geen vergunning nodig is wanneer het betreft niet-bodemkerende werkzaamheden ten behoeve van het verbeteren van de verdichte bodemstructuur (woelen) tot ten hoogste 10 cm onder de bouwvoor;
    • 2. het graven en/of baggeren van sloten, vaarten en andere watergangen dieper dan 30 cm;
    • 3. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur dieper dan 30 cm;
    • 4. het aanplanten en/of het rooien van bomen en/of houtgewas, waarbij stobben worden verwijderd op meer dan 30 cm diepte en/of voor zover het gaat om planten waarvan zeker is dat bij de oogst van de plant, dan wel het verwijderen van de gehele plant, de bodem dieper dan 30 cm wordt geroerd.
  • b. De onder a bedoelde vergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden:
    • 1. die plaatsvinden in of op gronden waarvan op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond dat er zich ter plekke geen archeologische waarden bevinden;
    • 2. die reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
    • 3. die het normale onderhoud betreffen;
    • 4. die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;
    • 5. die op archeologisch onderzoek zijn gericht.
  • c. De onder a genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien de plaats waar de werken en/of werkzaamheden zullen worden uitgevoerd voldoende (archeologisch) is onderzocht en er een deskundigenadvies is ingewonnen, vaststaat dat geen onevenredige afbreuk aan de archeologische en cultuurhistorische waarden wordt gedaan, dan wel dat afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud of ontwikkeling van die waarden en eventuele bodemvondsten naar elders zijn overgebracht.

Artikel 11 Waterstaat - Keur

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Waterstaat - Keur" aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

  • a. het onderhoud van de naastgelegen watergang;

met de daartoe behorende:

  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
11.2 Bouwregels
11.2.1 Algemeen

Indien strijd ontstaat tussen het belang van de bescherming van de waarden als bedoeld in dit artikel en het bepaalde in overige artikelen prevaleert de bestemming "Waterstaat - Keur".

11.2.2 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

11.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepaling:

  • a. op of in deze gronden mag niet worden gebouwd met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, welke noodzakelijk zijn voor het beheer en onderhoud van de watergang;
  • b. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2 meter bedragen.
11.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de waterloop, bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 11.2 en toestaan dat mag worden gebouwd ten behoeve van de basisbestemming, mits vooraf advies wordt ingewonnen van de beheerder van de watergang.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 12 Antidubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 13 Algemene bouwregels

13.1 Algemene regels

Geen bouwwerk of complex van bouwwerken mag worden opgericht indien daarvoor een bestaand bouwwerk of complex van bouwwerken met daarbij behorende perceel, hetzij niet langer zou blijven voldoen aan het plan, hetzij in grotere mate zou gaan afwijken van het plan.

13.2 Milieu
13.2.1 Verkeerslawaai en Industrielawaai

Geluidgevoelige functies mogen, onverminderd het bepaalde in de bouwregels per bestemming, slechts worden opgericht indien en voor zover wordt voldaan aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde als bedoeld in de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer.

13.2.2 Externe Veiligheid

(Beperkt) kwetsbare objecten als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen mogen, onverminderd het bepaalde in de bouwregels per bestemming, niet worden opgericht binnen een grenswaarde of richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand van een risicovolle inrichting.

13.3 Algemene regels met betrekking tot ondergronds bouwen
13.3.1 Ondergrondse werken

Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze bestemmingsregels opgenomen bepalingen, geen beperkingen.

13.3.2 Ondergrondse bouwwerken

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken ten dienste van de bestemming gelden, behoudens in deze regels opgenomen bepalingen, de volgende bepalingen:

  • a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan daar waar bovengrondse bouwwerken mogen worden gebouwd, met uitzondering van ondergrondse afvalcontainers;
  • b. de diepte van de bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter;
  • c. bij het berekenen van de blijkens de verbeelding of deze regels geldende bebouwingspercentages, of van het in deze regels maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergrondse gebouwen voor zover niet gelegen onder bovengrondse bouwwerken mede in aanmerking genomen.
13.3.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 13.3.2 onder b voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een diepte van maximaal 10 meter onder de voorwaarden dat:

  • a. de waterhuishouding niet wordt verstoord;
  • b. geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden;
  • c. het woongenot of de gebruiksmogelijkheden op de belendende percelen niet onevenredig wordt aangetast.
13.4 Algemene regels over bestaande afstanden en andere maten
  • a. Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet en/of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden.
  • b. In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet en/of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden.

Artikel 14 Algemene gebruiksregels

14.1 Gebruiksverbod
  • a. Het is verboden de gronden en de bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de aangegeven bestemming(en), zoals bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
  • b. Het is verboden bouwwerken, voor het bouwen waarvan op grond van de bestemmingsbepaling bij een omgevingsvergunning is afgeweken, te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met het doel, waarvoor bij die omgevingsvergunning is afgeweken.
14.2 Geoorloofd gebruik

Onder een gebruik, strijdig met de bestemming, wordt niet verstaan het gebruiken of het laten gebruiken van gronden ten behoeve van kortstondige, incidentele evenementen, festiviteiten en manifestaties, indien en voor zover daardoor ingevolge een wettelijk voorschrift vergunning, ontheffing of vrijstelling vereist is en deze is verleend.

Artikel 15 Uitsluiting aanvullende werking bouwverordening

De planregels van de Bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige aard blijven overeenkomstig het gestelde in artikel 9 lid 2 van de Woningwet buiten toepassing, behoudens ten aanzien van de volgende onderwerpen:

  • a. de richtlijnen voor het bij een omgevingsvergunning afwijken van de stedenbouwkundige bepalingen;
  • b. de parkeervoorzieningen;
  • c. de bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer;
  • d. de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten;
  • e. het bouwen bij ondergrondse hoofdtransportleidingen;
  • f. de ruimte tussen bouwwerken.

Artikel 16 Algemene aanduidingsregels

16.1 Geluidzone - industrie

Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone – industrie’ geldt dat een op grond van de bestemming toelaatbaar geluidgevoelig gebouw, of de uitbreiding daarvan, slechts mag worden gebouwd indien de geluidbelasting vanwege de inrichtingen op het geluidgezoneerde industrieterrein op de gevels van dit geluidgevoelige gebouw niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een verkregen hogere waarde.

16.2 Veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen
16.2.1 Bouwregels

In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald, mogen op of in de gronden ter plaatse van de aanduiding "Veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen" geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten worden gebouwd.

16.2.2 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 16.2.1 en toegestaan dat beperkt kwetsbare objecten worden gebouwd, indien er sprake is van zwaarwegende maatschappelijke, economische en/of planologische redenen en mits is aangetoond dat er hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de veiligheid van personen.

16.2.3 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de aanduiding "Veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen" wordt verwijderd, mits het betreffende vervoer van gevaarlijke stoffen over een bepaalde route ter plaatse is beëindigd.

Artikel 17 Algemene afwijkingsregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van:

  • a. het bepaalde in het plan en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, voor zover de verkeersveiligheid en/of - intensiteit daartoe aanleiding geven;
  • b. het bepaalde in het plan en toestaan dat bestemmings- of bouwgrenzen zullen worden overschreden, voor zover een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  • c. het bepaalde in het plan en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van (de bediening van) kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes zullen worden gebouwd mits de inhoud per gebouwtje ten hoogste 50 m³ bedraagt;
  • d. het bepaalde in het plan en toestaan dat kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot een hoogte van 20 meter worden gebouwd;
  • e. de bestemmingsregels ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van de gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen wordt vergroot, mits:
    • 1. de maximale oppervlakte van de plaatselijke verhoging ten hoogste 10% van het betreffende bouwvlak mag bedragen;
    • 2. de vergroting ten hoogste 1,25 maal de maximale bouwhoogte van het betreffende gebouw bedraagt.

Artikel 18 Overige regels

18.1 Algemene regels

Indien en voor zover in deze bestemmingsregels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, dienen deze regelingen te worden gelezen, zoals deze luidden op het tijdstip van de tervisielegging van het bestemmingsplan.

18.2 Strafregel

Overtreding van het bepaalde in artikel 13.1 is een economisch delict in de zin van artikel 1a, sub 2° van de Wet op de Economische Delicten en als zodanig strafbaar op grond van deze wet.

Artikel 19 Algemene procedureregels

19.1 Procedure nadere eisen

Op de voorbereiding van een besluit tot het stellen van een nadere eis ex artikel 3.6, lid 1 sub d, van de Wet ruimtelijke ordening, is de volgende procedure van toepassing:

  • a. een ontwerp van een besluit tot het stellen van een nadere eis ligt, met de daarop betrekking hebbende stukken, gedurende ten minste twee weken voor belanghebbenden ter inzage ter gemeentesecretarie;
  • b. burgemeester en wethouders geven voorafgaand aan deze terinzagelegging, kennis van het ontwerpbesluit en de terinzagelegging ervan in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen die in de gemeente verspreid worden;
  • c. in deze kennisgeving wordt vermeld dat belanghebbenden gedurende de termijn van terinzagelegging schriftelijk en / of mondeling zienswijzen omtrent het ontwerpbesluit kunnen indienen bij burgemeester en wethouders;
  • d. de overeenkomstig het vorige lid ingediende zienswijzen worden betrokken bij het besluit omtrent de voorgenomen nadere eis.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 20 Overgangsrecht

20.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Eenmalig kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde onder a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%;
  • c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
20.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld als onder a. te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  • c. Indien het gebruik, bedoeld als onder a., na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  • d. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
20.3 Hardheidsclausule

Indien toepassing van het overeenkomstig artikel 20.2 in het plan opgenomen overgangsrecht gebruik zou kunnen leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan op grond en opstallen gebruikten in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan/beheersverordening, kan de gemeenteraad met het oog op beëindiging op termijn van die met het bestemmingsplan strijdige situatie, in het plan persoonsgebonden overgangsrecht opnemen.

Artikel 21 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan Bedrijventerrein De Zuidmaten, gemeente Midden-Drenthe.

Bijlagen

Bijlage 3 Bestaande bedrijfsactiviteiten met afwijkend vergunde geluidruimte

Adres   Bedrijfsnaam   Bedrijfsactiviteit   SBI-code (2008)  
De Zuidmaten 4   Hulzebosch Grondwerken   Verhuren van grondverzet machines en zandauto's, verkoop van zand en grond, aanneming van grondwerk en straatwerk, buitenriolering, natuurbouw en exploitatie van zandputten.   41-3, 42-3 en 43-3  
De Zuidmaten 8   Pon Equipment   Verhuur en verkoop van machines voor o.a. de weg- en waterbouw, recycling etc.   466-1  
De Zuidmaten 11   Sportcentrum Fit & Fun   Sportschool   931  
De Zuidmaten 17, 19, 22
De Perk 34
Edisonweg 2-8
Wattweg 1-5  
FrieslandCampina Domo   Productie en distributie van melkpoeder   1051-1 en 1051-2