direct naar inhoud van Artikel 4 Bedrijventerrein
Plan: Industrieterrein Budel-Dorplein bestaand
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1706.BDO1004-VAS1

Artikel 4 Bedrijventerrein

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Bedrijventerrein’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven tot en met categorie 5.2, voor zover voorkomend in de Staat van Bedrijven, zoals opgenomen in Bijlage 1 van deze regels, met uitzondering van inrichtingen als bedoeld in artikel 41 Wet Geluidhinder jo. artikel 2.4. van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer van de Wet Milieubeheer en met uitzondering van risicovolle inrichtingen.

alsmede voor:

  • b. bedrijfsgebouwen en kantoren, uitsluitend ten behoeve van de bedrijfsvoering;
  • c. opslag;
  • d. wegen, paden en fietspaden;
  • e. in- en uitritten;
  • f. parkeervoorzieningen;
  • g. groenvoorzieningen;
  • h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • i. windturbines;
  • j. nutsvoorzieningen;
  • k. boven- en ondergrondse bedrijfstransportleidingen;
  • l. pompgebouwen en pompputten in het kader van de aanleg van een geohydrologisch beheersysteem en ten behoeve van de waterzuivering.
4.2 Bouwregels
4.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. het bebouwingspercentage bedraagt niet meer dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven;
  • b. de afstand van gebouwen tot enige perceelsgrens dient ten minste 5 m te bedragen;
  • c. de bouwhoogte van een gebouw bedraagt maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' aangeduide bouwhoogte.
4.2.2 Gebouwen van openbaar nut

Voor het bouwen van gebouwen voor het openbaar nut, gelden de volgende regels:

  • a. de oppervlakte bedraagt maximaal 15 m2;
  • b. de maximale hoogte bedraagt 3 m.
4.2.3 Pompgebouwen en pompputten

Voor het bouwen van pompgebouwen en pompputten in het kader van de aanleg van een geohydrologisch beheersysteem en ten behoeve van de waterzuivering, gelden de volgende regels:

  • a. de oppervlakte van een pompgebouw bedraagt maximaal 25 m²;
  • b. de goothoogte van een pompgebouw bedraagt maximaal 3 m;
  • c. de hoogte van een pompput bedraagt maximaal 2 m.
4.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 3 m bedragen;
  • b. de bouwhoogte van schoorstenen, destillatietorens, silo's en vergelijkbare installaties, alsmede van windturbines mag niet meer bedragen dan 80 m;
  • c. de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 8 m;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 10 m.
4.3 Nadere eisen
  • a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, na afweging van de in het geding zijnde belangen waaronder begrepen planologisch-stedenbouwkundige belangen en verkeersbelangen, nadere eisen te stellen met betrekking tot:
    • 1. de situering van bouwwerken;
    • 2. buitenopslag van goederen en materialen.
  • b. de bevoegdheid onder lid 4.3 onder a wordt toegepast met het oog op:
    • 1. de gebruiksmogelijkheden; ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de zich daarop bevindende bouwwerken en in verband met gewenste parkeer-, laad- en losruimte van voldoende omvang op eigen terrein;
    • 2. de verkeersveiligheid: ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van verkeersveiligheid, in het bijzonder het benodigde uitzicht op hoeken van wegen, bochten en in- en uitritten niet gewenst is;
    • 3. de brandveiligheid: ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van verkeersveiligheid c.q. brand- en rampenbestrijding, niet gewenst is, dient rekening gehouden te worden met het waarborgen, instandhouden c.q. tot stand brengen van een brandveilige situatie en goede bereikbaarheid.
4.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.1 sub b. en toestaan dat de afstand van gebouwen tot enige perceelsgrens minder dan 5 m bedraagt, indien dit noodzakelijk is voor de synergie tussen bedrijven en mits milieutechnisch en vanuit het oogpunt van veiligheid inpasbaar en stedenbouwkundig verantwoord is.

4.5 Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend het gebruik voor:

  • a. wonen, alsmede bedrijfswoningen;
  • b. kantoren, niet zijnde kantoren ten behoeve van de bedrijfsvoering;
  • c. detailhandel, anders dan de verkoop van dranken en etenswaren in bedrijfskantines;
  • d. een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie;
  • e. buitenopslag vóór de op het bouwperceel aanwezige bebouwing;
  • f. opslag van gevaarlijke stoffen;
  • g. risicovolle inrichtingen.
4.6 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken:

  • a. van het bepaalde in lid 4.1 voor de vestiging van bedrijven/inrichtingen c.q. uitoefening van bedrijfsactiviteiten in een andere categorie, wanneer deze bedrijfsactiviteiten naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) geacht kunnen worden te behoren tot de in lid 4.1 toegestane bedrijfscategorieën, met dien verstande dat:
    • 1. bij de beoordeling van de aard en invloed van de milieubelasting van een bedrijf de volgende milieubelastingcomponenten mede in de beoordeling dienen te worden betrokken: geluid, geurproductie, stofuitworp en gevaar, waarbij tevens kan worden gekeken naar de verontreiniging van lucht en bodem, de diversiteit en het al dan niet continue karakter van het bedrijf en de visuele hinder en verkeersaantrekkende werking;
    • 2. de afwijking noodzakelijk is uit een oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en efficiënt gebruik van het bouwperceel of de bouwpercelen;
    • 3. de functionele en ruimtelijke structuur niet onevenredig wordt aangetast;
    • 4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast;
    • 5. de verkeersveiligheid, brandveiligheid c.q. brand- en rampenbestrijding is gewaarborgd;
    • 6. op het bouwperceel parkeer-, laad- en losruimte van voldoende omvang aanwezig is.
  • b. van het bepaalde in lid 4.1 onder a voor de vestiging van bedrijven/inrichtingen c.q. uitoefening van bedrijfsactiviteiten die niet zijn vermeld zijn, voorzover dit noodzakelijk is voor de synergie tussen bedrijven en mits milieutechnisch en vanuit het oogpunt van veiligheid inpasbaar en stedenbouwkundig verantwoord.