direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Heuvelenweg 34 Dwingeloo
Status: vastgesteld
Plantype: TAM Imro
IMRO-idn: NL.IMRO.1701.509TAMHeuvweg-0002

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Heuvelenweg 34 te Dwingeloo staat bebouwing waar voorheen een supermarkt gevestigd was. Daarnaast zijn er binnen het plangebied een bedrijfswoning en diverse gebouwen aanwezig waar detailhandel is toegestaan en plaatsvindt. Initiatiefnemer is voornemens om het plangebied te herontwikkelen. De bestaande bebouwing zal in zijn geheel gesloopt worden en hiervoor in de plaats is de realisatie van 9 woningen met bijbehorende infrastructuur beoogd. Er worden met het plan 5 vrijstaande woningen en 4 levensloopbestendige twee-onder-één-kapwoningen gerealiseerd.

Op grond van het geldende omgevingsplan van rechtswege is de beoogde herontwikkeling van het perceel aan de Heuvelenweg 34, waarbij 9 woningen gerealiseerd worden, niet mogelijk, aangezien het perceel voorzien is van de hoofdfunctie 'Detailhandel'. Om het voorgenomen bouwplan mogelijk te maken, dient het omgevingsplan gewijzigd te worden. Voorliggende TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld om de voorgenomen herontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Ligging van het plangebied

Ligging

Het plangebied ligt aan de Heuvelenweg 34 in het westelijke gedeelte van het dorp Dwingeloo. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Dwingeloo, sectie K, percelen 1867, 1975, 2028 en 2031 met een gezamenlijke oppervlakte van 6.652 m². Figuur 1.1 toont de ligging van het plangebied aan de Heuvelenweg 34 te Dwingeloo.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMHeuvweg-0002_0001.png"

Figuur 1.1: Ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Kadastralekaart.com)

Begrenzing

De begrenzing van het plangebied staat in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd) op een luchtfoto. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door het Kerkpad. De zuidzijde wordt begrensd door de Heuvelenweg en bestaande woonpercelen. Aan de oostzijde wordt het plangebied ook begrensd door een woonperceel. Ten westen wordt het plangebied begrensd door woonpercelen en een pand met een horecabestemming.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMHeuvweg-0002_0002.png"

Figuur 1.2: Begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: Kadastralekaart.com)

1.3 De bij het plan behorende stukken

Het onderhavige TAM-omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Heuvelenweg 34 Dwingeloo' bestaat uit de volgende stukken:

  • Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1701.509TAMHeuvweg-0002) en een renvooi;
  • Motivering;
  • Bijlagen bij de motivering;
  • Regels;
  • Bijlagen bij de regels.

Op de verbeelding zijn de functies en gebiedsaanwijzingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld met een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van de wijziging van het omgevingsplan “TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Heuvelenweg 34 Dwingeloo” en de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van de wijziging.

1.4 Het omgevingsplan

1.4.1 Geldend omgevingsplan

Het perceel ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Westerveld. Ter plaatse van het plangebied is sprake van het tijdelijke omgevingsplan zoals deze in werking is getreden op 1 januari 2024. Het tijdelijke omgevingsplan bestaat uit de volgende documenten:

  • Dwingeloo, vastgesteld 3 mei 2018;
  • Dwingeloo - Aldi Valderseweg, vastgesteld 26 oktober 2021;
  • Kleinschalige hernieuwbare energie, vastgesteld 20 december 2022;
  • Omgevingsplan gemeente Westerveld, in werking vanaf 1 januari 2024.

Voor de duiding van het planologische regime van het plangebied zijn met name "Dwingeloo" en "Dwingeloo - Aldi Valderseweg" van belang. Het plan "Kleinschalige hernieuwbare energie" is niet relevant voor het voorliggende plan. Het omgevingsplan bevat in de huidige situatie uitsluitend de regels van de bruidsschat. Figuur 1.3 en figuur 1.4 tonen de plankaarten die van toepassing met het plangebied in het zwart omkaderd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMHeuvweg-0002_0003.png"

Figuur 1.3: Uitsnede omgevingsplan van rechtswege, onderdeel Dwingeloo (bron: Omgevingsloket 'Regels op de kaart')

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMHeuvweg-0002_0004.png"

Figuur 1.4: Uitsnede omgevingsplan van rechtswege, onderdeel Dwingeloo - Aldi Valderseweg (bron: Omgevingsloket 'Regels op de kaart')

1.4.2 Beschrijving bestemmingen

Op grond van het omgevingsplan van rechtswege gelden voor het plangebied de hoofdfuncties 'Horeca', 'Wonen' en 'Detailhandel'. Daarnaast is de archeologische functie 'Waarde - Archeologie 3' van toepassing.

'Horeca'

De functie 'horeca' is opgenomen voor horeca(bedrijven) als bedoeld in categorie I tot en met VI van de lijst van horecabedrijven die als bijlage bij de regels is toegevoegd. Daarnaast is één (bedrijfs)woning per bestemmingsvlak toegestaan. Er is een bouwvlak opgenomen waarbinnen gebouwen gebouwd mogen worden. Da maximale goot- en bouwhoogte bedraagt hier respectievelijk 3 m en 8 m.

'Wonen'

De functie 'Wonen' is opgenomen ten behoeve van het wonen in woonhuizen en een aan-huis-verbonden-beroep. Voor de functie 'Wonen' is binnen het plangebied geen bouwvlak opgenomen, waardoor het bouwen van hoofdgebouwen niet is toegestaan.

'Detailhandel'

Het grootste gedeelte van het plangebied is voorzien van de functie 'Detailhandel'. Er zijn verschillende bouwvlakken opgenomen. Binnen de functie 'Detailhandel' is detailhandel toegestaan, met daaraan ondergeschikte en daarbij behorende dienstverlening en/of horeca. Verder mag er één (bedrijfs)woning aanwezig zijn.

De gebouwen mogen uitsluitend binnen de bouwvlakken worden gebouwd. Op de plankaart zijn aanduidingen opgenomen voor de maximale goot- en bouwhoogte die variëren van 3 m tot en met 6 m voor de goothoogte en 5 m tot en met 9 m voor de bouwhoogte.

Met het plan 'Dwingeloo - Aldi valderseweg' is de supermarkt wegbestemd. In dit plan zijn de gronden in hoofdzaak aangewezen voor detailhandel, met uitzondering van supermarkten.

'Waarde - Archeologie 3'

De functie 'Waarde - Archeologie 3' is opgenomen voor het behoud van de archeologische waarden. Wanneer de bodem dieper dan 0,3 m onder het maaiveld wordt geroerd en met een grotere oppervlakte dan 70 m², dan dient een archeologische onderzoek uitgevoerd te worden.

1.4.3 Volledige beschrijving strijdigheden met geldend omgevingsplan

Op basis van het geldende omgevingsplan is woningbouw niet toegestaan binnen de ter plaatse geldende bestemmingen 'Horeca', 'Detailhandel' en 'Wonen'. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in de gewenste juridische planologische kaders om het voornemen te kunnen realiseren.

Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik maken van onderdelen van het DSO. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAM-omgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. Juridisch maakt het TAMomgevingsplan deel uit van het omgevingsplan van de gemeente. Technisch is het dat niet, waardoor aanvullende (voorrangs)regels noodzakelijk zijn. Hier wordt in hoofdstuk 6 nader op ingegaan.

1.5 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de gewenste situatie, de planbeschrijving. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie Drenthe en de gemeente Westerveld beschreven. In hoofdstuk 5 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten in de fysieke leefomgeving de revue. In hoofdstuk 6 wordt de ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Tot slot wordt in hoofdstuk 8 vooroverleg, inspraak en zienswijzen besproken.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

In de huidige situatie zijn er op het perceel aan de Heuvelenweg 34 te Dwingeloo verschillende gebouwen aanwezig. Direct aan de Heuvelenweg bevindt zich een bedrijfswoning. Op het oostelijke gedeelte van het plangebied staat een langwerpig gebouw, waar detailhandel is toegestaan en verschillende kleine bedrijven gevestigd zitten. In het noordelijk gelegen gebouw was een supermarkt (Aldi) gevestigd.

De ontsluiting van het perceel vindt plaats aan de Heuvelenweg, langs de bedrijfswoning. Het perceel is verhard en voor een groot gedeelte in gebruik als parkeerplaats ten behoeve van de supermarkt en bedrijven.

Op het meest westelijke gedeelte van het perceel is een gebouw met een horecafunctie aanwezig. Deze schuur was voorheen gekoppeld aan een voormalige horecalocatie, maar is deze functie al lange tijd geleden verloren.

Figuur 2.1 toont de bedrijfswoning, in-/uitrit en het bedrijfsgebouw met verschillende kleine bedrijven, gezien vanaf de Heuvelenweg.

Op figuur 2.2 luchtfoto van het plangebied weergegeven, waar de voormalige supermarkt te zien is.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMHeuvweg-0002_0005.png"

Figuur 2.1: Huidige situatiie, gezien vanaf de Heuvelenweg (bron: Google Maps)

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMHeuvweg-0002_0006.png"

Figuur 2.2: Huidige situatie, gezien vanaf het Kerkpad (bron: Google Maps)

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 De ontwikkeling

Met de beoogde ontwikkeling wordt alle bestaande verharding op het perceel verwijderd en bebouwing gesloopt. Enkel de bestaande bedrijfswoning blijft behouden. De bedrijfswoning aan de Heuvelenweg wordt met voorliggend plan omgezet naar een reguliere woning.

Het verdere plan bestaat uit de ontwikkeling van 9 nieuwe woningen. Er worden 4 twee-onder-één-kap-woningen en 5 vrijstaande woningen gerealiseerd. Elke kavel wordt voorzien van een eigen oprit, waar tevens ruimte is om te parkeren op het eigen terrein.

Er wordt een nieuwe toegangsweg aangelegd waarmee de woningen bereikbaar zijn. Deze toegangsweg sluit aan op de Heuvelenweg. Aan de noordzijde wordt nog een calamiteiten toegang, aansluitend op het Kerkpad gerealiseerd.

Het plangebied wordt ingepast met groen. Zo worden er op verschillende plekken nieuwe bomen aangeplant. De bestaande bomenrij aan de noordzijde langs de Kerkweg blijft behouden.

Figuur 3.1 toont het schetsontwerp van de beoogde ontwikkeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMHeuvweg-0002_0007.png"

Figuur 3.1: Schetsontwerp beoogde ontwikkeling (bron: Plankaart Stedenbouwkundig Tekenwerk)

3.2 Verkeer en parkeren

Het beleid voor verkeer en parkeren heeft de gemeente Westerveld verwoord in het 'Gemeentelijk Verkeer- en vervoerplan 2020-2030 (GVVP)'. In de GVVP staat de visie van de gemeente op het gebied van verkeer en vervoer tot ca. 2030. De leidraad van de visie is het principe 'duurzaam veilig verkeer'.

Verkeer

Om de verkeersgeneratie die veroorzaakt wordt vanwege de beoogde ontwikkeling kan gebruik gemaakt worden van de kencijfers verwoord in de CROW-publicatie 'Parkeerkencijfers 2024'. Volgens de GVVP moet daarbij uitgegaan worden van de stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk'. Daarnaast wordt uitgegaan van de categorie 'rest bebouwde kom'.

Het beoogde plan maakt in totaal 9 nieuw woningen mogelijk en de bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een reguliere woning. In onderstaande tabel staat een overzicht van de verkeersgeneratie op basis van de kencijfers van de CROW-publicatie 'Parkeercijfers 2024' weergegeven.

Soort woning   Aantal woningen   CROW kencijfer (gemiddeld)   Verkeersgeneratie  
Om te zetten Bedrijfswoning, koop, huis, vrijstaand   1   8,2   8,2  
koop, huis, vrijstaand   5   8,2   41,0  
koop, huis, twee-onder-één-kap   4   7,8   31,2  
Totaal       80,4  

In totaal bedraagt de verkeersgeneratie van de 9 nieuwe woningen en bestaande bedrijfswoning die omgezet wordt naar een reguliere woning afgerond 81 verkeersbewegingen per etmaal.

Het plangebied wordt ontsloten aan de Heuvelenweg, langs de om te zetten bedrijfswoning. Er wordt een nieuwe toegangsweg aangelegd die zal worden beheerd door de gemeente. Door middel van deze weg zijn de 9 nieuwe woningen bereikbaar.

Gelet op de relatief lage verkeersgeneratie die de ontwikkeling met zich meeneemt, kan gesteld worden dat de Heuvelenweg de verkeersgeneratie kan opvangen.

Parkeren

Voor het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt uitgegaan van de kencijfer van de CROW-publicatie 'Parkeercijfers 2024'. In de navolgende tabel staat een overzicht van de benodigde parkeerplaatsen weergegeven.

Soort woning   Aantal woningen   CROW kencijfer (gemiddeld)   Aantal parkeerplaatsen  
Om te zetten Bedrijfswoning, koop, huis, vrijstaand   1   2   2  
koop, huis, vrijstaand   5   2   10  
koop, huis, twee-onder-één-kap   4   1,9   7,6  
Totaal       19,6  

Voor de 9 nieuwe woningen en bestaande bedrijfswoning die wordt omgezet naar een reguliere woning zijn afgerond 20 parkeerplaatsen nodig. Voor de nieuwe woningen worden er bij elke woning op het eigen terrein 2 parkeerplaatsen gerealiseerd. Voor de om te zetten bedrijfswoning geldt dat er voldoende ruimte op het perceel is om te voorzien in 2 parkeerplaatsen. Er worden dan ook voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd en er wordt voldaan aan de parkeerbehoefte.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande kan gesteld worden dat het aspect 'verkeer en parkeren' geen belemmeringen veroorzaakt voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Instructieregels Rijk

De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's):

  • het Omgevingsbesluit (Ob);
  • het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);
  • het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
  • het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. Het Rijk geeft in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (afdeling 5.1 Bkl). Bovenlokale belangen werken daarmee door in de vaststelling en wijziging van een omgevingsplan.

Ten aanzien van de instructieregels wordt onderscheid gemaakt tussen drie soorten instructieregels: 'betrekken bij', 'rekening houden met' en 'in acht nemen'. De eerste twee geven gemeenten ruimte voor eigen overwegingen. De laatste - ‘in acht nemen’ - is dwingend. Voor de volgende onderwerpen gelden rijksinstructieregels:

  • waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2 Bkl);
  • beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3 Bkl);
  • Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (paragraaf 5.1.4 Bkl);
  • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (paragraaf 5.1.5 Bkl);
  • Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden (paragraaf 5.1.6 Bkl);
  • Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (paragraaf 5.1.7 Bkl);
  • Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8 Bkl).

Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.

Planspecifiek

Het voorliggende omgevingsplan houdt rekening met de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl. In deze motivering wordt onder andere ingegaan op de uitvoerbaarheid van het project ten aanzien van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, ten aanzien van (externe) veiligheid, waterbelangen en de bescherming van gezondheid en het milieu.

De volgende instructieregels zijn voor onderhavig project van toepassing:

  • Paragraaf 5.1.2 Bkl Waarborgen van veiligheid (zie paragraaf 5.4)
  • Paragraaf 5.1.3 Bkl Beschermen waterbelangen (zie paragraaf 4.3)
  • Paragraaf 5.1.4 Bkl Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (zie paragrafen 5.11, 5.2, 5.1, 5.3 en 5.9)
  • Paragraaf 5.1.5 Bkl Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (zie hoofdstuk 3 en paragrafen 4.1.3 en 5.6).
4.1.2 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Conclusie

Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad (vooral in en bij de stedelijke regio’s) in een fijne, leefbare omgeving. Tussen 2019 en 2035 moet de woningvoorraad met circa 1,1 miljoen woningen worden vergroot. De primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving, de woningvoorraad en de leefbaarheid ligt bij gemeenten en provincies. Het Rijk is systeemverantwoordelijk. Het is de rol van het Rijk om de kaders te stellen, te stimuleren, eventueel te sanctioneren, waar nodig middelen ter beschikking te stellen – bijvoorbeeld via de huurtoeslag, hypotheekrenteaftrek of de regeling woningbouwimpuls voor gemeenten – en met gemeenten en provincies samen te werken om (bovenlokale, inclusief grensoverschrijdende) knelpunten op te lossen en realisatie van de nationale belangen te waarborgen.

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de herontwikkeling van het perceel aan de Heuvelenweg 34 te Dwingeloo, waarbij in totaal 9 nieuwe woningen worden mogelijk gemaakt en een bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een reguliere woning.

Zoals is beschreven ligt de primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving en de woningvoorraad bij de gemeenten en provincies. In de navolgende paragrafen wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan het provinciale- en gemeentelijke beleid. Daarin wordt aangetoond dat het plan past binnen het provinciale- en gemeentelijke beleid ten aanzien van wonen. Concreet voorziet het plan in 9 nieuwe woningen en het omzetten van een bestaande bedrijfswoning naar een reguliere woning, waarmee een bijdrage geleverd wordt aan de ambitie van het Rijk om meer woningen te realiseren. Daarmee past het plan binnen de prioriteiten van de NOVI en kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving staat dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.

Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak over de Ladder (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724). De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen.

De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of er een nieuw of groter beslag op de ruimte is. Het gaat dus om een stedelijke ontwikkeling die een nieuw of groter planologisch beslag legt op de ruimte. Of, als er alleen een wijziging van de gebruiksfunctie is, op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten heeft. Voor de Ladder is van belang in hoeverre het plan:

  • in vergelijking met het vorige plan, voorziet in een functiewijziging;
  • en welk planologisch beslag op de ruimte het plan mogelijk maakt in vergelijking met het vorige plan. Daarbij gaat het enerzijds over bestaande bebouwing en ook over de bebouwing die op grond van het geldende omgevingsplan nog gebouwd kan worden, inclusief verleende omgevingsvergunningen voor een omgevingsplanactiviteit waarbij is afgeweken van het omgevingsplan.

Ook als de Ladder niet van toepassing is. Dan moet wel de evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden gemotiveerd.

Planspecifiek

Met het voorliggende plan worden in totaal 9 nieuwe woningen gerealiseerd en wordt er een bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. Artikel 5.129g van het Bkl bepaalt dat de ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Op grond van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921) wordt de realisatie van 11 nieuwe woningen niet aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. De laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.

Gelet op het feit dat er met het voorliggende plan 9 nieuwe woningen worden gerealiseerd (de om te zetten bedrijfswoning is reeds bestaand) is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Ook wanneer de ladder niet van toepassing is met gemotiveerd worden dat de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De voorliggende motivering toont aan dat hier sprake van is.

4.2 Provinciaal beleid Drenthe

4.2.1 Omgevingsvisie Drenthe 2022

De 'Omgevingsvisie Drenthe 2022' is vastgesteld op 28 september 2022. De missie van de provincie Drenthe luidt als volgt: 'Het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe, passend bij deze kernkwaliteiten'.

Kernkwaliteiten

De kernkwaliteiten zijn de kwaliteiten die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe. Het provinciaal belang is het behouden en, waar mogelijk, ontwikkelen van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten zijn landschap, natuur, cultuurhistorie, archeologie, aardkundig erfgoed en rust (stilte en duisternis). In de Omgevingsvisie zijn de volgende kernkwaliteiten uitgewerkt:

  • Landschap
  • Natuur
  • Cultuurhistorie
  • Archeologie
  • Rust

Zorgvuldig Ruimtegebruik

De provincie gaat zuinig en zorgvuldig om met de ruimte. Veel ingrepen in de ruimte hebben gevolgen voor de langere termijn en beperken ontwikkelingsmogelijkheden in de toekomst. Het zorgvuldig gebruikten van de ruimte is van provinciaal belang.

Milieu- en leefomgevingskwaliteit

Het beschermen van de milieukwaliteit van de leefomgeving is veelal op Europees en nationaal niveau geregeld. Daarbij zijn diverse taken en verantwoordelijkheden bij de provincies neergelegd. Deze taken, gericht op het beschermen van de kwaliteit van lucht, water en bodem en het verbeteren van verkeersveiligheid, waterveiligheid en externe veiligheid, zijn van provinciaal belang.

Wonen

De leefbaarheid in dorpen en wijken is belangrijk, met basisvoorzieningen die voldoende op peil blijven, goede bereikbaarheid, culturele initiatieven en een betaalbaar en aantrekkelijk woningaanbod. Wonen is voor onze inwoners belangrijk. De provincie wil toekomstbestendige woningen voor jong én oud. Toekomstbestendig betekent duurzaam, betaalbaar en passend bij de woonwens.

De ambities voor de woningmarkt zijn nader uitgewerkt in de Drentse Woonagenda. Er wordt gestreefd naar een balans tussen aanbod voor wonen en de demografische behoefte. Er zal ruimte moeten zijn voor ten minste 16.200 woningen.

Planspecifiek

De voorgenomen herontwikkeling van het perceel aan de Heuvelenweg 34 te Dwingeloo sluit aan op de ambities en doelen van de provincie Drenthe. Er wordt een locatie in het binnenstedelijk gebied herontwikkeld. Daarbij worden er 9 nieuwe woningen gerealiseerd en wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. Het plan is stedenbouwkundig ingepast en sluit aan op de bebouwing en functies in de omgeving. Door middel van een goede stedenbouwkundige opzet wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met de kernkwaliteiten van de provincie Drenthe.

Doordat er sprake is van een herontwikkeling in bebouwd gebied, kan gesteld worden dat er zorgvuldig met het ruimtegebruik in de provincie omgegaan wordt. Tevens gaat de herontwikkeling de leegstand van de bestaande gebouwen op het perceel tegen.

Ook wordt rekening gehouden met de milieu- en leefkwaliteit. Voor een nadere uitwerking van de verschillende milieuaspecten wordt verwezen naar Hoofdstuk 5. Hieruit is gebleken dat vanuit dit oogpunt geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling.

In de provincie Drenthe bestaat er een behoefte aan nieuwe woningen. Aangegeven wordt dat er ten minste 16.200 woningen nodig zijn op de middellange termijn. De realisatie van 9 nieuwe woningen en het omzetten van de bestaande bedrijfswoning naar een reguliere woning dragen hieraan bij.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling aansluit op de ambities en doelen van de provincie Drenthe.

4.2.2 Provinciale Omgevingsverordening Drenthe

Om uitvoering te kunnen geven aan het omgevingsbeleid beschikt de provincie Drenthe over de 'Provinciale Omgevingsverordening'. Het omgevingsbeleid omvat vele aspecten, onder andere ruimtelijke ordening, duurzame energie, bodemsanering, bescherming van het grondwater en verkeer en vervoer.

In de Provinciale Omgevingsverordening zijn met betrekking tot deze onderwerpen regels opgesteld. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen dient rekening gehouden te worden met de regels uit de Provinciale Omgevingsverordening.

Planspecifiek

Voor de beoogde herontwikkeling van het perceel aan de Heuvelenweg 34 te Dwingeloo zijn de volgende artikelen van toepassing:

  • artikel 3.1 Kernkwaliteit landschap
  • artikel 3.16 Woningbouw

Artikel 3.1 Kernkwaliteit landschap

  • 1. De landschappelijke kernkwaliteiten zijn voor elk gebied uitgewerkt in de Bijlage 1 Kernkwaliteiten Landschap.
  • 2. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een locatie gelegen in de Kernkwaliteit landschap:
    • a. Houdt rekening met het behoud van de aanwezige kernkwaliteiten, en;
    • b. bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan.
  • 3. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een stads- of dorpsrand houdt rekening met de aanwezige landschappelijke waarden.

De planlocatie ligt aan de dorpsrand in het dorp Dwingeloo. Echter gaat het in onderhavig geval om de herontwikkeling van een locatie in het bebouwd gebied. De bestaande bebouwing wordt gesloopt. Hiervoor in de plaats worden 9 nieuwe woningen gerealiseerd en wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. Met de ontwikkeling wordt rekening gehouden met de stedenbouwkundige structuur en de functies in de omgeving. Ondanks dat de planlocatie aan de dorpsrand ligt, zijn er rondom de planlocatie al voornamelijk woningen en andere 'dorpse' functies. Er komen geen ontsluitingen op het bestaande zandpad (Kerkpad), waardoor dit zandpad zijn cultuurhistorische waarde behoudt. De bomenrij langs dit zandpad blijft in tact door ook de situering van de woningen hierop aan te passen. De beoogde ontwikkeling heeft nauwelijks invloed op de kernkwaliteiten van het landschap.

Artikel 3.16 Woningbouw

Een omgevingsplan dat in Landelijk Gebied aansluitend op Bestaand Stedelijk Gebied voorziet in nieuwe woningbouw, toont de behoefte aan op basis van de gemeentelijke woonvisie. De gemeentelijke woonvisie ten aanzien van de woningvoorraad:

  • a. draagt bij aan balans tussen vraag en aanbod in de gehele Drentse woningvoorraad op de lange termijn en is hiertoe afgestemd binnen de woningmarktregio's;
  • b. benoemt ten minste de kwaliteit, kwantiteit, doelgroepen, duurzaamheid en kernenstructuur;
  • c. schetst de opgaven in de bestaande woningvoorraad;
  • d. geeft aan op welke wijze balans op lange termijn wordt gerealiseerd, en
  • e. geeft een lange termijnbeeld.

Het voorliggende plan maakt 9 nieuwe woningen en het omzetten van de bestaande bedrijfswoning naar een reguliere woning mogelijk. De gemeentelijke woonvisie wordt behandeld in paragraaf 4.4.2. Hieruit blijkt dat er een behoefte bestaat aan nieuwe woningen. De realisatie van het plan levert een bijdrage aan het toevoegen van nieuwe woningen aan de woningmarkt.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er voldaan wordt aan de regels zoals verwoord in de Provinciale Omgevingsverordening van de provincie Drenthe.

4.3 Beleid Waterschap

Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

4.3.1 Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).

4.3.2 Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).

4.3.3 Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Drenthe wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.

4.3.4 Waterschap Drents Overijsselse Delta

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft het waterbeheerplan 2016-2021 opgesteld. Hierin aangegeven hoe uitvoering wordt gegeven de wettelijke waterschaptaken als zorgen:

  • Een goede bescherming tegen hoog water;
  • Een goed functionerend regionaal watersysteem;
  • Het zuiveren van afvalwater.
4.3.5 Gemeentelijk beleid

De gemeente Westerveld beschikt over het Watertakenplan 2016 – 2021 en bijbehorende Grond- en Hemelwaternotitie.

In het watertakenplan worden de gemeentelijke watertaken van Westerveld verder uitgewerkt. Het is tevens de invulling van de wettelijke zorgplicht en voldoet daarmee aan de eisen die aan een verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) worden gesteld. De term “verbreed” duidt op de gemeentelijke watertaken, zoals grondwaterbeheer, baggeren en stedelijke waterkwaliteit. Na invoering van de Wet Gemeentelijke Watertaken en de Waterwet zijn deze taken onder de rioolheffing gebracht. In de artikel 10.33 van de Wet milieubeheer zijn de zorgplichten van de gemeenten geregeld. In de Wet op de Gemeentelijke Watertaken is de ruimte voor gemeenten vergroot ten aanzien van de wijze waarop ze de zorgplichten invult. In het ‘Verbreed GRP Westerveld 2010 t/m 2014’ is hier al op een goede wijze invulling aangegeven. Het beleid blijft daarin ongewijzigd. In het kort worden de drie zorgplichten als volgt ingevuld:

  • Zorgplicht voor inzameling en transport van stedelijk afvalwater
  • Zorgplicht voor doelmatige inzameling en verwerking van hemelwater
  • Zorgplicht voor voorkomen/beperken van schade door grondwateroverlast

In de beleidsnotitie Grond- en hemelwater gemeente Westerveld worden de keuzes ten aanzien van grond- en hemelwater geconcretiseerd en vastgelegd, zodat duidelijk is wat de gemeente redelijkerwijs van bewoners verwacht en wat bewoners redelijkerwijs van de gemeente mogen verwachten.

4.3.6 Watertoets

Paragraaf 5.1.3 van het Bkl bevat instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. Er wordt gesteld dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van het watersystemen. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 tot en met 5.49 van het Bkl rijksregels met betrekking tot:

  • het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen;
  • het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied;
  • het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de watertoets vervangen door de term 'weging van het waterbelang'. Het begrip houdt in dat de gemeente bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente is verplicht om de waterbelangen mee te nemen in het omgevingsplan. Dit is een instructieregel van het Rijk die volgt uit artikel 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving.

Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de opvattingen van de waterbeheerder betrokken worden bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:

  • Grondwater;
  • Oppervlaktewater;
  • Regenwater en;
  • Afvalwater.

Op 8 november 2024 is de digitale watertoets uitgevoerd, zie Bijlage 5. Op basis van de locatie en antwoorden op de vragen blijkt dat er waterschapsbelangen geraakt worden. De korte procedure is van toepassing.

Invloed op de waterhuishouding

Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het plan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1.500 m2. De oppervlakte aan verharding neemt ten opzichte van de huidige situatie flink af. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lager gelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater.

Voorkeursbeleid hemelwater

Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi’s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Voor het plangebied geldt dat het in de huidige situatie volledig verhard is. In de nieuwe situatie wordt de oppervlakte aan verharding aanzienlijk verminderd. Hierdoor heeft het hemelwater meer kans om te infiltreren in de bodem. Op het gebied van hemelwaterafvoer zal de situatie dan ook verbeteren binnen het plangebied en de omgeving. Binnen het plangebied is verder geen ruimte om oppervlaktewater toe te voegen.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het beoogde plan voldoet aan het beleid van het Waterschap. Het Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft aangegeven dat het voorliggende plan in principe akkoord is. Er zullen nadere afspraken gemaakt worden tussen de gemeente het het Waterschap Drents Overijsselse Delta over de technische invulling van het waterbeheer en de waterhuishouding.

Het aspect 'water' vormt geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.4 Gemeentelijk beleid

4.4.1 Omgevingsvisie Westerveld

De 'Omgevingsvisie Westerveld' is door de raad van de gemeente Westerveld op 1 februari 2024 vastgesteld. De Omgevingsvisie bevat het toekomstbeeld van en voor de gemeente Westerveld. Het is een integrale langetermijnvisie op de ontwikkeling van de gemeente en gaat over de hele fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie geeft de richting aan wat de gemeente in 2040 bereikt wil hebben.

In de Omgevingsvisie zijn vijf gemeentebreede en integrale ambities geformuleerd:

  • 1. ... een bereikbaar en veilig Westerveld
  • 2. ... een bedrijvig en gastvrij Westerveld
  • 3. ... een leefbaar en inclusief Westerveld
  • 4. ... een gezond en groen Westerveld
  • 5. ... een herkenbaar en toekomstgericht Westerveld

Naast de gemeentebreede ambities en keuzes heeft de gemeente Westerveld ook haar visie per deelgebied beschreven. Het plangebied van het voorliggende plan ligt in het deelgebied 'Dwingeloo'.

Dwingeloo

Dwingeloo is een voorzieningendorp met, naast de functie wonen, een grote diversiteit aan centrale voorzieningen. In Dwingeloo zijn verschillende waarden aanwezig:

  • veel groen in het dorp
  • toeristisch aantrekkelijk
  • hoge kwaliteit van de openbare ruimte, in het bijzonder rond de
  • brink/beschermd dorpsgezicht
  • brede middenstand en horeca
  • cultuurhistorisch waardevol dorpscentrum
  • actief verenigingsleven, veel sportvoorzieningen
  • cultuurhistorisch waardevolle landgoederengordel (Enthinge, Bathinge en Oldengaerde)
  • de brink als belangrijke plek voor ontmoeting en activiteiten
  • economische waarde vanwege bedrijventerrein De Valderse

Op het gebied van woningbouw ziet de gemeente kansen in een beperkte uitbreiding van hoge kwaliteit op inbreidingslocaties. Woningbouw op uitbreidingslocaties worden niet op voorhand uitgesloten.

Planspecifiek

Het voorliggende plan maakt de herontwikkeling van het perceel aan de Heuvelenweg 34 te Dwingeloo mogelijk. De bestaande bebouwing op het perceel wordt gesloopt en hiervoor in de plaats worden 9 nieuwe woningen gerealiseerd, bestaande uit 5 vrijstaande woningen en 4 twee-onder-één-kapwoningen. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning.

De herontwikkeling vindt plaats op een inbreidingslocatie in het dorp Dwingeloo. De ruimte voor inbreiding in Dwingeloo en de gemeente Westerveld is beperkt. Met de realisatie van 9 nieuwe woningen wordt op een duurzame wijze een bijdrage geleverd aan het toevoegen van nieuwe woningen aan de woningmarkt. De woningen worden stedenbouwkundig ingepast en ten opzichte van de huidige situatie vindt er tevens vergroening plaats. Gesteld kan worden dat er sprake is van een kwaliteitsverbetering.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling aansluit op de ambities van de gemeente Westerveld en in lijn is met de 'Omgevingsvisie Westerveld'.

4.4.2 Woonvisie 2019-2025

De 'Woonvisie 2019-2025' van de gemeente Westerveld geeft een vooruitblik naar 2025. Westerveld heeft een aantrekkelijk woonklimaat en is wat betreft natuur, groen, en landelijk wonen onderscheidend ten opzichte van de omgeving. De mensen wonen in een mooi, groen en landelijk gebied. Voorzieningen in de grotere dorpen maar ook saamhorigheid worden gewaardeerd en maken deel uit van een aantrekkelijk woonmilieu. Westerveld is aantrekkelijk vanwege gunstige huizenprijzen, goede bereikbaarheid en doet vaak dienst als goede uitvalsbasis waar wonen en werken goed gecombineerd kunnen worden.

De Woonvisie biedt handvatten om dit te behouden en eventueel waar mogelijk te versterken. Daarbij kijken we niet alleen naar nieuwbouw maar ook naar mogelijke inbreiding en waar mogelijk het aanjagen van verbetering van de huidige woningvoorraad. Dat laatste heeft uiteraard ook te maken met het verduurzamen van de woningvoorraad.

Op 25 oktober 2022 is het 'Addendum op de Woonvisie 2019-2025' vastgesteld. Omdat de woningmarkt de laatste paar jaar flink in beweging is gekomen was het nodig om een Addendum op de woonvisie vast te stellen. De gemeente wil met het Addendum beter inspelen op veranderingen in de woningmarkt en een groter percentage sociale huurwoningen en goedkopere koopwoningen gaan bouwen. De gemeente wil hierbij meer regie pakken en niet alles aan marktpartijen overlaten. De doelstelling is om tot 2030 plannen te ontwikkelen voor in totaal 750 - 1000 woningen.

Planspecifiek

Met de beoogde herontwikkeling worden 9 nieuwe woningen gerealiseerd, bestaande uit 5 vrijstaande woningen en 4 twee-onder-één-kapwoningen. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand bebouwd gebied, waardoor er sprake is van inbreiding. Met de realisatie van de 9 nieuwe woningen wordt een bijdrage geleverd aan de behoefte aan nieuwe woningen in de gemeente en wordt er herinvulling gegeven aan een leegkomende plek in het dorp.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de 'Woonvisie 2019-2025' en het 'Addendum op de Woonvisie 2019-2025'.

Hoofdstuk 5 Aspecten van de fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke manier bij de voorgenomen activiteiten rekening is gehouden met diverse aspecten uit de fysieke leefomgeving om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een aantal aspecten zijn nadere onderzoeken uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in dit hoofdstuk. De rapportages zijn als bijlage aan deze ruimtelijke motivering toegevoegd.

5.1 Geluid door activiteiten

Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.

Geluidsgevoelige gebouwen

In artikel 3.20 van het Bkl zijn de geluidsgevoelige gebouwen aangewezen. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond de woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.

Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:

  • woningen
  • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied.

Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in artikel 5.78t van het Bkl. Mocht er door een gemeente nog geen geluidaandachtsgebied in het omgevingsplan zijn opgenomen, dan gelden de afstanden uit artikel 17.5 Omgevingsregeling:

  • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 meter;
  • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 meter;
  • voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 meter.

In het Bkl zijn eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. In onderstaande tabel zijn de standaardwaarden en grenswaarden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMHeuvweg-0002_0008.png"

Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld worden (artikel 5.78u tot en met 5.78ad Bkl). Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken.

Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde zal beschouwd moeten worden welke maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting te verlagen tot de standaardwaarden. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze:

  • 1. geluidbeperkende maatregelen niet mogelijk zijn;
  • 2. de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk beperkt zijn door het treffen van geluidbeperkende maatregelen;
  • 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overwogen zijn die financieel doelmatig en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan;
  • 4. het gecumuleerd geluid de grenswaarde niet overschrijdt;
  • 5. het gezamenlijke geluid is bepaald en de grenswaarde niet overschrijdt;
  • 6. besluit tot het treffen van geluidwerende maatregelen.

Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.

Geluid door activiteiten

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een BOPA op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.

Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel.

De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.

Toets

Wegverkeerslawaai

Met dit plan worden 9 nieuwe woningen mogelijk gemaakt en wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. Het plangebied ligt in het dorp Dwingeloo, waar in de directe omgeving van het plangebied enkel 30 km/uur wegen aanwezig zijn. Figuur 5.1 toont een uitsnede van de geluidskaart wegverkeer van Atlas Leefomgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMHeuvweg-0002_0009.png"

Figuur 5.1: Uitsnede geluidskaart wegverkeer, projectgebied zwart omkaderd (bron: Atlas Leefomgeving)

Uit het raadplegen van de geluidskaart wegverkeer blijkt dat voor vrijwel het gehele plangebied geldt dat de geluidbelasting minder bedraagt dan, of gelijk is aan 45 dB. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB die geldt voor gemeentelijke wegen. Om die reden wordt het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai niet noodzakelijk geacht. Voor de nieuwe woningen en de bedrijfswoning geldt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Railverkeerslawaai

In de omgeving van het plangebied zijn geen relevante spoorwegen aanwezig die invloed kunnen hebben op de beoogde ontwikkeling. Een akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai is dan ook niet noodzakelijk.

Industrielawaai

In de nabijheid van het plangebied zijn geen geluidgezoneerde bedrijven- of industrieterreinen aanwezig. Een akoestisch onderzoek naar industrielawaai is niet noodzakelijk. Voor een toetsing aan de overige bedrijven en functies in de omgeving wordt verwezen naar paragraaf 5.7.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geluid' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

5.2 Bodemkwaliteit

Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem.

Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.

Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

Toets

Met dit plan worden nieuwe woningen gebouwd en vinden er werkzaamheden in de bodem plaats. Woningen zijn bodemgevoelige gebouwen. Om die reden is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 1. Uit dit verkennend bodemonderzoek zijn de volgende resultaten naar voren gekomen.

Zintuigelijk

Ter plaatse van de westzijde van het terrein is sprake van toegepast menggranulaat (laagdikte circa 0,5 m). Het materiaal bevat zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal.

De bodemopbouw is niet geheel eenduidig. De bodem bestaat uit zand en leem.

Verspreid over de locatie zijn in de bodemlagen tot 1,0 m-mv lichte bijmengingen met baksteenpuin en grind aanwezig (< 5%). Verder is zeer plaatselijk een lichte bijmenging met menggranulaat aanwezig. In de bodem zijn geen asbestverdachte materialen aanwezig.

Analytisch verhardingsmateriaal

Op basis van een indicatieve monstername en analyse wordt verwacht dat het fundatiemateriaal geschikt is voor hergebruik als niet-vormgegeven bouwstof. Verder is voor het materiaal een asbestconcentratie van 13 mg/kg ds. vastgesteld. Dit is gebaseerd op één asbesthoudend deeltje in de fractie 8-20 mm. Dit deeltje betreft hechtgebonden materiaal met 10-15% chrysotiel. Formeel gezien is er geen sprake van met asbest verontreinigd fundatiemateriaal.

Analytisch grond

Uit de resultaten van de grond blijkt dat geen van de gemeten gehalten van de onderzochte parameters de interventiewaarde bodemkwaliteit en of de voormalige achtergrondwaarde overschrijdt. Alle grond is indicatief beoordeeld als klasse landbouw/natuur.

Analytisch grondwater

Geen van de onderzochte parameters overschrijdt de signaleringsparameter en of d e voormalige interventiewaarde. Wel overschrijdt de gemeten concentratie kobalt de voormalige streefwaarde.

Conclusie

De vooraf gestelde hypothese verdachte locatie wordt op basis van de onderzoeksresultaten bevestigd. De onderzoeksresultaten geven echter geen aanleiding tot de uitvoering van een nader bodemonderzoek en vormen vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmering voor de voorgenomen sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden en het toekomstig gebruik als woonlocatie.

Na indicatieve toetsing volgens de Regeling bodemkwaliteit 2022 wordt alle grond indicatief aangemerkt als klasse landbouw/natuur.

Indien grond vanaf de locatie wordt afgevoerd, is bij hergebruik elders de Regeling bodemkwaliteit van toepassing. Indien de grond elders wordt toegepast, dient toestemming te worden verkregen van het bevoegd gezag en kan onderzoek conform het Besluit bodemkwaliteit gevraagd worden.

Indien grondverzet wordt uitgevoerd met een volume van meer dan 25 m³ (< interventiewaarde), worden de werkzaamheden volgens het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal) gezien als een milieubelastende activiteit (MBA). In dat geval dienen de graafwerkzaamheden vijf werkdagen voorafgaand aan de uitvoering gemeld te worden bij het Digitaal Omgevingsloket (https://omgevingswet.overheid.nl). Graafwerkzaamheden met een volume minder dan 25 m³ (< interventiewaarde) hoeven niet worden gemeld. Wel gelden de algemene regels bij grondverzet die zijn opgenomen in de Omgevingswet.

Gelet op het vorenstaande kan gesteld worden dat het aspect 'bodem' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

5.3 Luchtkwaliteit

Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof.

In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaan over:

  • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden;
  • ammoniakemissies van veehouderijen;
  • geologische opslag van CO2.

Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Toets

Met dit plan worden in totaal 9 woningen mogelijk gemaakt, bestaande uit 4 twee-onder-één-kapwoningen en 5 vrijstaande woningen. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. Het omzetten van de bedrijfswoning naar een reguliere woning neemt echter geen extra verkeersbewegingen met zich mee. Als gevolg van de 9 nieuwe woningen vinden er minimaal 69 en maximaal 76 verkeersbewegingen plaats (niet stedelijk, rest bebouwde kom). Er zullen enkele zware verkeersbewegingen plaatsvinden, bijvoorbeeld vanwege vuilniswagens, waardoor het aandeel vrachtverkeer op 2% wordt gezet. In figuur 5.1 staat de 'worse-case' berekening weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMHeuvweg-0002_0010.png"

Figuur 5.1: Worst-case berekening NIBM-tool

Uit de berekening volgt dat de bijdrage van het verkeer niet in betekende mate bedraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden voor wat betreft de luchtkwaliteit aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet noodzakelijk.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'luchtkwaliteit' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

5.4 Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning.

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:

  • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl;
  • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;
  • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl);
  • Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).

Toets

Aan hand van de kaarten met betrekking tot het thema 'Veilige omgeving' zoals opgenomen in de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op deze kaarten staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Figuur 5.2 toont een uitsnede van de risicokaart met het projectgebied in het zwart omkaderd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMHeuvweg-0002_0011.png"

Figuur 5.2: Uitsnede risicokaart (bron: Atlas Leefomgeving)

Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn. Nader onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'omgevingsveiligheid' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

5.5 Ecologie

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Natura 2000-gebieden

Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk.

Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:

  • de leefgebieden van vogels;
  • de natuurlijke habitats of habitats van soorten;

De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt.

Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.

Natuurnetwerk Nederland

In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven.

Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.

Soortenbescherming

In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:

  • Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal);
  • Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal);
  • Andere soorten (artikel 11.54 Bal).

Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.

Toetsing 

In het kader van de herontwikkeling is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd, zie Bijlage 2. Uit de quickscan zijn de volgende resultaten en conclusies naar voren gekomen.

Gebiedsbescherming

Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkel- en gebruiksfase. Het aspect stikstofdepositie wordt later in deze paragraaf behandeld. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen wél worden uitgesloten.

Soortenbescherming

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren en vleermuizen er een (winter)rust en/of voortplantingsplaats. Het plangebied wordt niet als functioneel leefgebied van amfibieën beschouwd.

Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk nestelen er huismussen het gebouw aan de oostkant op het terrein die gesloopt gaat worden. Aangezien nesten van huismussen jaarrond beschermd zijn moet er nader onderzoek uitgevoerd worden naar dit gebouw om vast te kunnen stellen hoeveel nesten er aanwezig zijn en of er een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd moet worden voor het slopen van het gebouw.

Daarnaast nestelen er mogelijk vogels in de beplanting en opgeslagen goederen op het terrein. Als gevolg van het rooien van beplanting en het opruimen van opgeslagen goederen wordt mogelijk een vogelnest beschadigd of vernield. Van de vogels die mogelijk in de beplanting en opgeslagen goederen nestelen is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Het rooien van beplanting en het opruimen van goederen dient buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. De bebouwing mag, indien er een Omgevingsvergunning aangevraagd moet worden, pas gesloopt worden, nadat de Omgevingsvergunning is verleend en de voorschriften uit de Omgevingsvergunning zijn nageleefd.

Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de bosmuis en huisspitsmuis die een vaste rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats'. Deze vrijstelling geldt niet voor steenmarter, voor deze soort dient nader onderzocht te worden of er verblijfplaatsen aanwezig zijn op het erf.

Voor de andere beschermde grondgebonden zoogdieren op het erf geldt geen vrijstelling voor het doden. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood. Er dient wel nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de functie van de bebouwing voor steenmarters.

Door het slopen van de bebouwing worden mogelijk vleermuizen of verblijfplaatsen van vleermuizen negatief beïnvloed. Vleermuizen zijn strikt beschermd en mogen alleen met een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit negatief beïnvloed worden. Om vast te kunnen stellen of vleermuizen negatief beïnvloed worden, dient de functie van de bebouwing voor vleermuizen vastgesteld te worden. Geadviseerd wordt om aanvullend onderzoek uit te voeren naar de functie van de bebouwing voor vleermuizen, conform het vleermuisprotocol 2021. Dat houdt in dat de bebouwing meermaals onderzocht dient te worden in de periode half mei – september.

Stikstofdepositie

Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ligt op een afstand van ca. 1,6 km van het plangebied. Om te bepalen of er sprake is van significante negatieve effecten op de omliggende Natura 2000-gebieden is er een AERIUS-berekening uitgevoerd, zie Bijlage 3. Uit de berekening zijn de volgende resultaten naar voren gekomen.

Aanlegfase

De totale NOx-emissie bedraagt in totaal 25,5 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,9 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.

Gebruiksfase

De totale NOx-emissie bedraagt 16,1 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 1,9 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.

Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling komt er zowel NOx als NH3 vrij. Door uitvoering van de voorliggende AERIUS-berekening is aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In de aanleg- en gebruiksfase ligt de emissie dan ook niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de aanleg- en gebruiksfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx of NH3 plaats in Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden.

Conclusie

In het kader van de herontwikkeling van het perceel aan de Heuvelenweg 34 te Dwingeloo dient nader onderzoek naar huismussen, steenmarters en vleermuizen uitgevoerd te worden.

5.6 Archeologie en cultuurhistorie

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

Cultureel erfgoed

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:

  • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • Verplaatsing van beschermde monumenten;
  • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
  • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Archeologische resten

Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst.

Toets

Archeologie

Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Westerveld ligt het plangebied binnen een AMK-terrein van hoge archeologische waarde. Figuur 5.2 toont een uitsnede van deze archeologische beleidskaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMHeuvweg-0002_0012.png"

Figuur 5.2: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Westerveld (bron: Aalbersberg 2010)

Voor een gebied binnen een AMK-terrein geldt dat bij bodemingrepen groter dan 70 m² in historische kernen een archeologische onderzoek noodzakelijk is. In het verleden zijn er verschillende archeologische onderzoeken uitgevoerd op het plangebied.

Soort onderzoek   Uitvoerder   Periode  
Archeologisch bureau onderzoek en inventariserend veldonderzoek   ARC B.V.   2009  
Verkennend booronderzoek   ARC B.V.   2009  
Proefsleuvenonderzoek   ARC B.V.   2009  
Opgraving, variant archeologische begeleiding   Transect   2020  
Programma van eisen IVO-P   Hamaland Advies   2023  
Bouwdossieronderzoek   Hamaland Advies   2023  

Omdat in delen van het plangebied eerder een archeologische opgraving heeft plaatsgevonden zijn op 31 oktober 2023 door Hamaland Advies verspreid door het plangebied controleboringen gezet om de mate van intactheid van het bodemprofiel te bepalen. Hieruit is gebleken dat in het westen en zuidoosten van het plangebied nog een intact bodemprofiel met een humeuze eerdlaag en oud plaggendek aanwezig is. In het centrale deel rondom het voormalige filiaal van Aldi is de bodem verstoord en ontbreken de eerdlaag en het plaggendek. Uit funderingstekeningen blijkt dat de bodem onder de Aldi (noorden plangebied) verstoord is tot minstens 1,1 m-mv, waardoor binnen het bouwvlak geen intacte archeologische resten worden verwacht. Omdat de exacte omvang van de bodemverstoring buiten het bouwvlak onbekend was, is in overleg met de regioarcheoloog (dhr. O. Satijn) bepaald dat een proefsleuvenonderzoek noodzakelijk was met een doorstartmogelijkheid naar een opgraving indien sprake is van een behoudenswaardige vindplaats. Hiervoor is een Programma van Eisen opgesteld door Hamaland Advies (Van der Kuijl 2023a). In december 2023 is het proefsleuvenonderzoek uitgevoerd door MUG Ingenieursbureau b.v. (Ansems 2023). Op basis van de resultaten van het onderzoek is, na overleg met en middels een selectiebesluit van de gemeente Westerveld, besloten om op drie locaties binnen het plangebied een archeologische opgraving uit te voeren.

Naar aanleiding van de voorgaande onderzoeken dient vervolgonderzoek plaats te vinden in de vorm van een opgraving. Hiervoor is er een Programma van Eisen (PVE) opgesteld door MUG Ingenieursbureau, zie Bijlage 4. Het PvE geldt als officieel (door de gemeente als bevoegd gezag goedgekeurd) document op basis waarvan de uitvoering van het noodzakelijke archeologische onderzoek volgens de daartoe geldende regels (de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie) dient plaats te vinden. In het licht van de huidige terreininrichting komen er drie terreindelen in aanmerking voor vervolgonderzoek. Figuur 5.2 toont de drie gebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMHeuvweg-0002_0013.png"

Figuur 5.2: Terreindelen die in aanmerking komen voor vervolgonderzoek (bron: PVE opgraving Heuvelenweg, MUG Ingenieursbureau)

Het onderzoeken van terrein 1 heeft als doel om vast te stellen of dit terrein, zoals nu wordt vermoed, gebruikt werd voor de winning van leem. Terrein 2 kan duiding geven aan de verdere inrichting van het noordelijk gelegen erf. Wellicht dat ten oosten van de door ARC aangetroffen schuren zich ook hoofdgebouwen bevinden. Terrein 3 kan wellicht bevestigen of zich hier eveneens een verwerkingserf bevindt met opstallen.

Terrein 1 ligt direct ten zuiden van de Aldi en heeft een oppervlakte van circa 700 m2. Terrein 2 ligt ten oosten van de Aldi en heeft een oppervlakte van 375 m2. Terrein 3 ligt bij de inrit van de voormalige parkeerplaats, direct grenzend aan de Heuvelenweg, en heeft een oppervlakte van 225 m2.

Tijdens het onderzoek zal per werkput in principe één vlak aangelegd worden, onder het esdek in de top van het dekzand (C-horizont). Indien er sprake is van een complex sporenvlak, kan een tweede controlevlak aangelegd worden.

De resultaten worden vastgelegd in een evaluatierapport. Een evaluatierapport bestaat uit de verzameling voorstellen voor de uitwerking, deponering, deselectie en conservering van vondstmateriaal.

Cultuurhistorie

Dwingeloo, gelegen in de provincie Drenthe, is een esdorp met een rijke cultuurhistorie die teruggaat tot de vroege middeleeuwen. Het dorp wordt gekenmerkt door zijn karakteristieke brink (een open grasveld omringd door oude eiken en boerderijen) dat eeuwenlang het hart van het dorp vormde. Deze brinkstructuur is typerend voor Drentse dorpen en weerspiegelt een eeuwenoud agrarisch samenlevingsmodel waarbij gemeenschapszin en gedeeld landgebruik centraal stonden. Een van de cultuurhistorische hoogtepunten van Dwingeloo is de Sint-Nicolaaskerk, waarvan de oorsprong ligt in de 15e eeuw. Deze gotische dorpskerk, met haar opvallende, met leien bedekte torenspits in de vorm van een ui, is uniek in Nederland. De kerk en haar ligging aan de brink onderstrepen het belang van religie en gemeenschapsleven in de geschiedenis van het dorp. Ook op het gebied van landgebruik en landschap heeft Dwingeloo veel behouden. Het omliggende Nationaal Park Dwingelderveld, met zijn uitgestrekte heidevelden, vennetjes en schaapskuddes, is niet alleen een natuurgebied, maar ook een levend cultuurlandschap. Het werd eeuwenlang door boeren en herders gebruikt en vormgegeven. Elementen als houtwallen, grafheuvels en oude karrensporen getuigen nog altijd van deze historische verbondenheid tussen mens en landschap.

Aan de noordzijde van het plangebied, bevindt zich langs het kerkpad een groenstrook om de vorm van een bomenrij. Deze bomenrij blijft behouden. Er wordt een groenfunctie opgenomen voor deze gronden, waardoor dit gewaarborgd wordt. Middels deze groenstrook is er sprake van een natuurlijke overgang tussen de dorpsrand en esrand.

Binnen het plangebied zijn geen gemeentelijke- en/of rijksmonumenten aanwezig. In de omgeving van het plangebied zijn enkele monumentale gebouwen aanwezig. Zo is ten zuidwesten van het plangebied aan de Heuvelenweg 29 een gemeentelijk monument aanwezig. De achterzijde van het perceel grenst aan het plangebied. De zichtbaarheid van het pand aan de Heuvelenweg wordt niet beperkt door het plan. De cultuurhistorische waarden van dit pand worden dan ook niet geschaad. Overige monumentale panden in Dwingeloo liggen op een grotere afstand en worden dan ook niet beïnvloed door het plan.

Conclusie

In het kader van het voorliggende plan is het plangebied momenteel voldoende onderzocht. Voorafgaand aan de werkzaamheden op het perceel dient conform het door MUG ingenieursbureau opgestelde en door de gemeente goedgekeurde Programma van Eisen een archeologische opgraving uitgevoerd worden. De aspecten 'Archeologie' en 'Cultuurhistorie' staan de beoogde herontwikkeling niet in de weg.

5.7 Milieubelastende activiteiten

De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Het maatschappelijk doel hierbij is 'ruimte voor ontwikkeling en waarborgen voor kwaliteit'. Om dit doel te bewerkstelligen is het ruimtelijk- en milieuspoor verder geïntegreerd.

In de bijlage bij artikel 1.1. van de Ow wordt het begrip Milieubelastende activiteit (Mba) als volgt gedefinieerd: 'activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringstechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit'.

Dit heeft betrekking op alle activiteiten die mogelijk een negatief effect op het milieu kunnen hebben. Om te bepalen of er sprake is van een Mba moet een check worden gedaan of er instructieregels uit het Bkl, Bal of Bbl van toepassing zijn op het project. Hieronder vallen ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten, dit kunnen ook beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis zijn. De instructieregels in het Bkl zijn bijvoorbeeld niet van toepassing op het wonen zelf, maar wel op beroepen en bedrijven aan huis.

Naast de instructieregels hebben gemeenten zelf de beleidsvrijheid om in het omgevingsplan aanvullende milieuregels en/of voorwaarden te stellen voor Mba's. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld het houden van huisdieren of het gebruik van kachels en openhaarden.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met één afstandsstap verkleind worden. Uitzondering hierop is de richtafstand voor externe veiligheid. Deze wordt niet verkleind. In figuur 5.3 zijn de richtafstanden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMHeuvweg-0002_0014.png"

Figuur 5.3: Richtafstanden VNG-Uitgave Bedrijven en Milieuzonering (Bron: VNG)

Toets

Het plangebied is gelegen in het dorp Dwingeloo. In de directe omgeving van het plangebied zijn verschillende functies aanwezig, zoals horeca, detailhandel, wonen en een evenemententerrein. Gelet op de verschillende functies in de directe omgeving kan het gebied aangemerkt worden als 'gemengd gebied'. Om die reden kunnen de richtafstanden met één afstandstap worden verminderd.

Interne werking

Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie 'wonen' hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving. Voor de nieuwe woningen zijn met name de bestaande horecafunctie aan de Heuvelenweg 29 en het ten noorden gelegen evenemententerrein van belang.

Horeca

Ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich aan de Heuvelenweg 29 een pand met een horecafunctie. Het achterste gedeelte van dit horecaperceel wordt gewijzigd naar een woonfunctie met het voorliggende plan. Daarmee wordt de horecafunctie verkleind, wat een positief effect veroorzaakt op de bestaande woningen direct naast deze horecafunctie. Voor een horecafunctie (café, bar, restaurant, snackbar, etc.) geldt de milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 m in een gemengd gebied. Voor de nieuwe woningen geldt dat er voldaan wordt aan deze richtafstand. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat er reeds woningen direct naast de horecafunctie aanwezig zijn. In de huidige situatie dient hier al rekening mee gehouden te worden.

Evenemententerrein

Ten noorden van het plangebied zijn agrarische gronden aanwezig die enkele keren per jaar gebruikt worden als evenemententerrein. De afstand tussen de nieuwe woningen en het evenemententerrein bedraagt ca. 30 m.

In 2016 heeft de gemeente Westerveld haar 'Evenementenbeleid' vastgesteld. Er heeft een evaluatie plaatsgevonden, wat geresulteerd heeft in het (concept) 'Evenementenbeleid 2024'. Met name het aspect 'geluid' kan bij evenementen vaak voor overlast zorgen in de omgeving. De gemeente neemt in de vergunningen voor de evenementen voorschriften omtrent geluid op, zoals voorschriften over het toegestane geluidsniveau, de situering van geluidsbronnen, defrequentie en tijden. Om de grens van 'onduldbare hinder' niet te overschrijden, worden als maximaal toelaatbare gevelbelasting de in onderstaande tabel aangegeven waarden aangehouden. Onderstaande tabel is opgenomen in het (concept) 'Evenementenbeleid 2024'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMHeuvweg-0002_0015.png"

Zoals hiervoor aangegeven dient er bij evenementen op het evenemententerrein rekening gehouden te worden met de maximale geluidbelasting op de gevels van woningen. In de huidige situatie zijn er rond het evenemententerrein reeds bestaande woningen aanwezig die zich op een kortere afstand van het evenemententerrein bevinden ten opzichte van de nieuwe woningen. De dichtstbijzijnde bestaande woning bevindt zich zelfs op slechts 4 m afstand van het evenemententerrein. Aangezien er al rekening gehouden moet worden met de bestaande woningen die dichterbij het evenemententerrein aanwezig zijn, kan gesteld worden dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen niet overschreden zal worden.

Tot slot dient opgemerkt te worden dat er slechts enkele evenementen per jaar (2-3 keer) plaatsvinden, waardoor slechts sprake zal zijn van incidentele overlast.

Gelet op het vorengaande kan gesteld worden dat de ligging ten opzichte van de horeca en het evenemententerrein geen belemmeringen veroorzaken voor het beoogde initiatief.

Externe werking

Bij de externe werking gaat het om de vraag of de realisatie van onderhavig plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de omgeving. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.

De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is derhalve geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'Milieubelastende activiteiten' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

5.8 Gezondheid

De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om:

  • Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?);
  • Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

Toets

Met dit project worden in totaal 9 nieuwe woningen mogelijk gemaakt en wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. De woonfunctie kan als een passende functie in de omgeving gezien worden. Uit de voorliggende onderbouwing blijkt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor zowel de nieuwe als bestaande woningen. Een woonfunctie heeft verder vrijwel geen invloed op het aspect 'gezondheid'.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'gezondheid' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogd ontwikkeling.

5.9 Duurzaamheid

Het onderwerp duurzaamheid is van steeds groter belang, zo ook in de gemeente Westerveld. Bij de verdere uitwerking van de woningen zal dan ook aandacht worden besteed aan het onderwerp duurzaamheid.

De nieuwe woningen dienen te voldoen aan de BENG-norm (Bijna energie neutrale gebouwen) en worden gasloos uitgevoerd. De woningen zullen voor een groot gedeelte zelf moeten voorzien in de opwek van de energiebehoefte. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van bijvoorbeeld zonnepanelen. Daarnaast worden de nieuwe woningen voorzien van hoogwaardige isolatie en duurzame systemen zoals bijvoorbeeld een warmtepomp. Ook voor de openbare ruimte binnen het plangebied zal zoveel als mogelijk gebruik gemaakt worden van duurzame materialen.

5.10 Besluit Milieueffectrapportage

Met de Omgevingswet verandert de grondslag van de milieueffectrapportage (mer). Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit.

De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Omgevingswet. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen:

  • de EU-richtlijn mer (mer-richtlijn): richtlijn over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en private projecten
  • de EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (smb-richtlijn): richtlijn over de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's

De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project.

In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen:

  • De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma (artikel 16.34, eerste lid Omgevingswet). In de Omgevingswet is opgenomen dat een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing aan die vereisten voldoen.
  • De tweede eis is dat het plan of programma een kader vormt voor besluiten voor mer-(beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36 Omgevingswet) of dat er een passende beoordeling voor een plan of programma nodig is. In kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de mer-(beoordelings)plichtige projecten opgenomen.

De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het ecther mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een plan-milieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn:

  • 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan. Het plan is niet direct plan-mer-plichtig, maar er moet wel een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. De mer-(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
  • 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V Omgevingsbesluit. Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit. Er kan dan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling als:
    • a. het plan een kleine wijziging van een plan of programma is;
    • b. het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is.

In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 en 4 Omgevingswet) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten:

  • Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt.
  • Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt.

Toets

Het voorliggende plan voorziet in de realisatie van 9 nieuwe woningen en het omzetten van de bestaande bedrijfswoning naar een reguliere woning. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. De meest logische aansluiting kan echter wel worden gevonden onder nummer J11, een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'.

Het begrip 'Stedelijk ontwikkelingsproject' is niet nader gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject:

  • de aard en omvang van de ontwikkeling;
  • de vormgeving en opzet;
  • de schaalgrootte;
  • de ligging;
  • de voorgenomen functie(wijziging), en;
  • de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk.

Als gevolg van dit plan wordt de bestaande bebouwing op het perceel gesloopt en hiervoor in de plaats worden 9 nieuwe woningen gerealiseerd. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. Onder verwijzing van de uitspraken van de Raad van State van 15 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:694), 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) en 17 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1253) hangt het antwoord op de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling een rol spelen. Uit deze uitspraken volgt eveneens dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom 1, nummer J11 van bijlage V van het Ob, niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.

Gelet op bovengenoemde uitspraken van de Raad van State kan onderhavig plan - de realisatie van 9 woningen en het omzetten van een bestaande bedrijfswoning naar een reguliere woning- niet worden aangemerkt als een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject. De herontwikkeling van het perceel leidt dit niet tot negatieve milieueffecten. In Hoofdstuk 5 (Aspecten van de fysieke leefomgeving) is aangetoond dat de ontwikkeling van de 9 woningen en het omzetten van de bestaande bedrijfswoning naar een reguliere woning geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Op basis hiervan geldt dat het plan geen nieuw stedelijk ontwikkelingsproject betreft en dat er derhalve geen sprake is van een project-m.e.r. plicht of project-m.e.r. beoordelingsplicht.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'Besluit Milieueffectrapportage' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

5.11 Geur

In paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:

  • Zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2)
  • Het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3)
  • Andere agrarische activiteiten

In artikel 5.92 Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening.

Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Dit betekent dat er sprake is van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.

Toets

In de omgeving van het plangebied zijn enkele agrarische bedrijven aanwezig. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf (Westeinde 5) bevindt zich op een afstand van ca. 370 m ten zuidwesten van het plangebied. Gelet op de ruime afstand tussen de agrarische bedrijven en het plangebied is er geen sprake van geuroverlast.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geur' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten en planverantwoording

6.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-IMRO Omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-IMRO omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is.

Met het TAM-IMRO omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Heuvelenweg 34 Dwingeloo’ wordt herontwikkeling van het perceel aan de Heuvelenweg 34 te Dwingeloo mogelijk gemaakt, waarbij 9 woningen gerealiseerd worden en de bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een reguliere woning.

Deze wijziging op het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Westerveld is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.

6.2 Opzet van de regels

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.

Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.

Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO.

Werkingsgebied

De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Heuvelenweg 34 in Dwingeloo, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1701.509TAMHeuvweg-0002 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In hoofdstuk 1 van deze ruimtelijke motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.

6.2.1 Preambule

In de preambule is opgenomen dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.

6.2.2 Inleidende bepalingen

Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit:

  • artikel 1.1 Begripsbepalingen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen.
  • artikel 1.2 Toepassingsbereik: Dit artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan.
  • artikel 1.3 Meet- en rekenbepalingen: Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
  • artikel 1.4 Algemeen gebruiksverbod: Dit artikel geeft aan dat gebruik zoals niet omschreven in de regels van dit hoofdstuk, als strijdig wordt aangemerkt.
6.2.3 Functies en activiteiten

In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan.

6.2.4 Algemene bepalingen

Hoofdstuk 3 bevat de algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

  • Anti dubbeltelbepalingen:
  • Algemene bouwbepalingen: dit artikel bevat regels ten aanzien van het bouwen van ondergrondse bouwwerken en de voorwaarde tot het voorzien in voldoende parkeergelegenheid in het kader van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.
  • Algemene gebruiksbepalingen: in dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze regels gaan uit van het principe dat gebruik uitsluitend is toegestaan in overeenstemming de ter plekke toegestane functies. Dit artikel bevat algemeen geldende bepalingen ten aanzien van strijdig en toegestaan gebruik volgens de in het omgevingsplan toegekende functies.
  • Beschermen van waarden: Dit artikel bevat bepalingen voor het beschermen van specifieke waarden die binnen het werkingsgebied van het omgevingsplan voorkomen. Het gaat daarbij voor dit plan specifiek om de bescherming van archeologische waarden.
  • Algemene aanduidingsbepalingen: In dit artikel worden gebieden aangeduid waarvoor specifieke, sectorale regels gelden. Dit betreffen onder meer voorwaardelijke verplichtingen voor beeldkwaliteit, aanvullend bodemonderzoek en onderzoek gevelwering.
  • Algemene afwijkingsbepalingen: Dit artikel bevat bepalingen ten aanzien van beperkte afwijkingen ten opzichte van de in hoofdstuk 2 toegestane functies en bouwmogelijkheden. Voor deze afwijkingen geldt een omgevingsvergunningplicht.
6.2.5 Overgangsregels

In Hoofdstuk 4 van de regels bij dit TAM-omgevingsplan staan de overgangsregels. Hierin is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.

6.3 Verantwoording van de regels

Artikel 5 'Tuin'

De functie 'Tuin' is opgenomen voor de voortuinen van de woningen. Deze gronden zijn bestemd voor tuinen en erven, behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen. Voor de functie 'Tuin' geldt dat het bouwen van gebouwen niet is toegestaan.

Artikel 6 'Verkeer'

De gronden die zijn voorzien van de functie 'Verkeer' zijn in hoofdzaak bestemd voor wegen, fiets- en voetpaden. Voor de calamiteitenonstluiting is de aanduiding 'ontsluiting' opgenomen. Binnen deze functie is het bouwen van gebouwen niet toegestaan.

Artikel 7 'Wonen'

Voor de woningen is de functie 'Wonen' opgenomen. Ter plaatse van deze functie zijn de gronden hoofdzakelijk bestemd voor wonen in woonhuizen. De woningen dienen binnen het bouwvlak gebouwd te worden. Voor de maximale goot- en bouwhoogte is een aanduiding op genomen. De gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken is afhankelijk van de perceelgrote en is opgenomen in de regels.

Artikel 8 'Waarde - Archeologie 3'

De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden. Bij het oprichten van gebouwen met een oppervlakte van 70 m² of meer en dieper dan 0,3 m dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Economische uitvoerbaarheid

Kostenverhaal

Afdeling 13.6 van de Omgevingswet bevat de regeling voor kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan wordt bepaald of kostenverhaal verplicht is en hoe de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald. De verplichting tot kostenverhaal geldt voor particuliere grondeigenaren die een bouwplan als bedoeld in artikel 13.11 Omgevingswet en artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit kunnen realiseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de bouw van een of meerdere woningen of een nieuw hoofdgebouw.

Uit artikel 13.11 Ow volgt dat het verhaal van kosten via een anterieure overeenkomst mag plaatsvinden. De initiatiefnemer heeft met de gemeente een anterieure overeenkomst afgesloten.

Nadeelcompensatie

Nadeelcompensatie heeft betrekking op vergoeding van schade veroorzaakte door rechtmatige besluiten en handelen van de overheid. Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen:

  • die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten;
  • die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.

De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de wet de schadeoorzaken uitputtend regelt. Er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de Omgevingswet staan. Schadeoorzaken zijn onder meer: een omgevingsvergunning, een regel in het omgevingsplan met rechtstreekse rechten of verplichtingen voor burgers en bedrijven of een maatwerkvoorschrift.

In de anterieure overeenkomst zijn afspraken vastgelegd over nadeelcompensatie.

Hoofdstuk 8 Vooroverleg, inspraak en zienswijzen

8.1 Vooroverleg

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het wettelijke vooroverleg (op basis van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) vervallen. Echter is er wel een algemeen artikel opgenomen waarin staat dat bestuursorganen onderling moeten afstemmen (artikel 2.2 Ow). In dat kader wordt het vooroverleg door de verschillende bestuursorganen alsnog gehanteerd.

Provincie Drenthe

Het project wordt in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan de provincie Drenthe.

Veiligheidsregio Drenthe

In het kader van het vooroverleg is het plan voorgelegd aan de Veiligheidsregio Drenthe (VRD). De VRD heeft aangegeven op het gebied van omgevingsveiligheid geen op- of aanmerkingen te hebben.

Waterschap Drents Overijsselse Delta

Via de digitale watertoets is het waterschap geïnformeerd in het kader van de 'weging van het waterbelang'. Uit de digitale watertoets is gebleken dat de korte procedure van toepassing is. Daarnaast is het plan in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan het waterschap Drents Overijsselse Delta. Het waterschap heeft advies uitgebracht welke verwerkt is in voorliggende motivering. Vanuit het waterschap zijn er geen bezwaren op de ontwikkeling.

8.2 Inspraak

Op grond van artikel 10.2, lid 2 van Omgevingsbesluit geldt een participatieverplichting bij het vaststellen van een wijziging van het omgevingsplan. In het vaststellingsbesluit moet staan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat met de resultaten gedaan is.

Participatie

Initiatiefnemer heeft in het kader van de participatie een logboek bijgehouden, zie Bijlage 6. In dit logboek is bijgehouden wanneer en op welke wijze er geparticipeerd is. Naar aanleiding van de inloopavond zijn geen inhoudelijke reacties ontvangen. Daarnaast hebben er persoonlijke gesprekken plaatsgevonden. Voor het overige wordt verwezen naar het logboek.

8.3 Zienswijzen

Binnen 6 weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan kan iedereen zienswijzen inbrengen. Dit kan schriftelijk of mondeling.

Het ontwerp-omgevingsplan heeft met ingang van 6 februari 2025 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit omgevingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn twee zienswijzen binnengekomen. De zienswijzen zijn beantwoord in de Nota Zienswijzen, Bijlage 7.