direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Waterberging Panjerd-Veeningen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1690.BP00320-0401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het gebied Panjerd-Veeningen ligt tussen Hoogeveen en Meppel, ten noorden van de A28, ter hoogte van het dorp Veeningen, en ten zuiden van de Hoogeveensche Vaart.

Panjerd betreft een gebied waar eerder zandwinactiviteiten hebben plaatsgevonden. Het gebied, een oude zandwinplas met omringende oeverlanden, is nu voornamelijk ingericht als natuurgebied, met een deel agrarisch gebied en waterstaatkundige doeleinden.

Waterschap Reest en Wieden werkt in dit gebied aan de realisatie van een waterbergingsgebied. Samen met de provincie Drenthe wil het waterschap Reest en Wieden wateroverlast bij extreme regenval voorkomen en de veiligheid van Zuidwest-Drenthe vergroten. De provincie Drenthe heeft diverse gebieden aangewezen voor gestuurde waterberging, waarvan Panjerd-Veeningen er één van is. Voor een waterbergingsgebied geldt een dubbelbestemming waarin de bestaande functies gecombineerd worden met de doelen voor de regionale wateropgave (WB21). In het gebied wordt waterberging gecombineerd met natuur. De landbouwgronden zullen van functie veranderen en tevens natuur worden. Het gebied zal geschikt gemaakt worden voor waterberging. Het gebied zal worden heringericht met extra kades, meer natuurlijke oevers, meer ondiep open water, een uitzichtpunt en een in- en uitlaatconstructie in combinatie met een vistrap. Stichting Het Drentse Landschap, eigenaar van het niet-agrarische gedeelte van het gebied, zal de terreinbeherende taken op zich nemen.

Een gestuurde waterberging wordt ingezet als “vasthouden” niet meer mogelijk is en het water overal al hoog staat. In de praktijk is dat in extreme weerssituaties. Het waterschap richt haar hele watersysteem zo in, dat een extreme situatie die statistisch gezien één keer in de honderd jaar voorkomt, nog beheersbaar is (afspraak uit het Nationaal Bestuursakkoord Water). Wanneer dat is, en hoe veel tijd later weer, is onvoorspelbaar. In die extreme situatie worden alle bergingen maximaal ingezet. Ook in minder uitzonderlijke situaties kan een bergingslocatie al ingezet moeten worden om wateroverlast te voorkomen. Dan is maximaal vullen doorgaans niet aan de orde. Hierbij zal het gaan om een frequentie van eens in de zoveel decennia. Wanneer en hoe vaak is ook voor deze minder uitzonderlijke situatie onvoorspelbaar.

Daarvoor zijn samen met de provincie gebieden aangewezen om water te kunnen bergen tijdens hoge afvoeren. De provincie streeft naar het formuleren van een dubbelfunctie in combinatie met de bestaande functie. De verankering van de dubbelbestemming waterberging in een gemeentelijk bestemmingsplan is noodzakelijk om uitvoering te geven aan de verplichtingen van het waterschap en om de bijbehorende schaderegeling in werking te kunnen laten treden. De dubbelbestemming waterberging wordt planologisch geregeld in dit bestemmingsplan.

1.2 Vigerende bestemmingsplannen

Op de locatie waar het waterbergingsgebied zal worden gerealiseerd zijn de volgende bestemmingsplannen vigerend:

  • Bestemmingsplan Buitengebied De Wolden, op 30 oktober 2003 vastgesteld en op 15 juni 2004 goedgekeurd door gedeputeerde staten van Drenthe;
  • Bestemmingsplan Buitengebied De Wolden artikel 30 herziening, op 13 maart 2008 vastgesteld en op 28 oktober 2008 goedgekeurd door gedeputeerde staten van Drenthe;
  • Bestemmingsplan Luchtscheidingsinstallatie De Wijk-20, op 30 juni 2011 vastgesteld.

Voor de vaststelling van dit bestemmingsplan waren in het plangebied de bestemmingen 'natuurgebied', 'waterstaatkundige doeleinden', 'agrarisch gebied' en 'maatschappelijke doeleinden' (Bestemmingsplan Buitengebied De Wolden artikel 30 herziening) en 'water' en 'natuur' (Bestemmingsplan Luchtscheidingsinstallatie De Wijk-20) vigerend.

1.3 Ligging plangebied

Het plangebied ligt ten noorden van de A28, ter hoogte van het buurtschap Veeningen en ten zuiden van de Hoogeveensche Vaart. De noordelijke plangrens ligt op de watergrens. Naast het bestaande natuurgebied maken de westelijk gelegen strook met waterstaatkundige doeleinden en de oostelijk gelegen strook agrarisch gebied deel uit van het plangebied. De Hoogeveensche Vaart en de kade ten noorden daarvan zijn meegenomen ten behoeve van het inlaatwerk van de waterberging Traandijk te Echten. De ligging en begrenzing van het plangebied is weergegeven in figuur 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00320-0401_0001.jpg"  
Figuur 1: ligging en begrenzing plangebied  

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is aandacht besteed aan het voor dit bestemmingsplan relevante beleid van Rijk, provincie, waterschap en gemeente. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het plangebied en de voorgenomen ontwikkeling gegeven. In hoofdstuk 4 is vervolgens aandacht besteed aan de omgevingsaspecten en de daaraan verbonden onderzoeken. In hoofdstuk 5 komen de juridisch-bestuurlijke aspecten aan bod. In hoofdstuk 6 komt de economische uitvoerbaarheid aan de orde en inspraak en overleg in hoofdstuk 7.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt het, voor dit bestemmingsplan relevante, vigerende beleid op de verschillende bestuursniveaus uiteengezet. Achtereenvolgens komen aan de orde:

  • rijksbeleid;
  • provinciaal beleid;
  • waterschapsbeleid;
  • gemeentelijk beleid.

2.2 Rijksbeleid

2.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. De structuurvisie is op 13 maart 2012 vastgesteld en heeft de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit vervangen.

Het Rijk laat de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Dit houdt in dat de betekenis van de nationale structuurvisie voor het onderhavige bestemmingsplangebied zeer beperkt is. Het relevante beleidskader wordt gevormd door provincie Drenthe, het waterschap Reest en Wieden en de gemeente De Wolden, zie hiervoor respectievelijk de paragrafen 2.3, 2.4 en 2.5 van deze toelichting.

2.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

De nationale belangen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit besluit is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Met het Barro geeft het Rijk aan dat ingezet wordt op zuinig ruimtegebruik, bescherming van kwetsbare gebieden en bescherming van het land tegen overstroming en wateroverlast. Gezien de ligging van het plangebied en de aard van het plan vormt het Barro geen directe relevantie voor dit bestemmingsplan.

2.2.3 Nationaal Waterplan

Het Nationaal Waterplan (NWP) is het rijksplan voor het waterbeleid voor de periode 2009-2015. Het NWP beschrijft de maatregelen die genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

In het Nationaal Waterplan worden de volgende thema's onderscheiden:

  • Waterveiligheid;
  • Watertekort en zoetwatervoorziening;
  • Wateroverlast;
  • Waterkwaliteit;
  • Gebruik van water.

Voor dit bestemmingsplan is een watertoets uitgevoerd waarbij de thema's aan bod komen. Hier is in paragraaf 4.2 Water nader op in gegaan.

2.2.4 Waterbeheer 21e eeuw

Na het hoge water op de grote rivieren van 1993, 1995 en de wateroverlast van de jaren daarna werd duidelijk dat we anders met water om moeten gaan. Ons klimaat verandert en dit heeft gevolgen voor onze waterhuishouding. Het weer wordt extremer met korte maar hevige regenbuien, meer smeltwater dat via de rivieren ons land binnenkomt en stijging van de zeespiegel. Om te voorkomen dat dit ook tot meer wateroverlast leidt, hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen het Waterbeleid 21e eeuw ontwikkeld. Water moet de ruimte krijgen voordat het die ruimte zelf neemt. In het landschap en in de stad moet ruimte gemaakt worden om water op te slaan.

De kern van het Waterbeheer 21e eeuw richt zich in het bijzonder op:

  • Anticiperen in plaats van reageren. Door nu al maatregelen te nemen wordt overlast in de toekomst voorkomen.
  • Techniek en ruimte worden slim gecombineerd. Het is én zoeken naar ruimte voor water én zorgen dat onze dijken en gemalen technisch gezien voldoen.
  • Vasthouden, bergen, afvoeren. Het Nederlandse waterbeleid in de 21e eeuw breekt met de traditie van zo veel mogelijk pompen en zo snel mogelijk lozen. Alle waterbeheerders kiezen samen voor een drietrapsstrategie, die uitgaat van het principe dat een overvloed aan water wordt opgevangen waar deze ontstaat. Dat betekent dat het water niet meer zo snel mogelijk wordt afgevoerd, maar geprobeerd wordt vast te houden. Is vasthouden niet meer mogelijk, dan wordt water geborgen in gebieden die daarvoor zijn uitgekozen. Uiteraard in goed overleg met alle betrokken partijen. Pas als het niet anders kan, wordt het water afgevoerd.

De regering heeft de adviezen van de commissie Tielrooij (Waterbeheer 21e eeuw) vastgelegd in het kabinetsstandpunt “Anders omgaan met water” (2000), dat in 2001 is goedgekeurd door de Tweede Kamer.

2.2.5 Nationaal Bestuursakkoord Water

Het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen gaan samen de waterproblematiek in Nederland aanpakken. Betrokken partijen hebben hiertoe op 2 juli 2003 het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) ondertekend. Het akkoord heeft tot doel om in de periode tot 2015 het watersysteem in Nederland op orde te krijgen en daarna op orde te houden. Het gaat daarbij om het aanpakken van de gevolgen van de zeespiegelstijging, bodemdaling en een veranderend klimaat.

Nederland krijgt hierdoor steeds meer te maken met extreem natte en extreem droge periodes. Om deze problemen te bestrijden zijn maatregelen nodig met als uitgangspunt het eerst vasthouden, dan bergen en vervolgens afvoeren van water. Met de ondertekening van het NBW onderstrepen alle partijen het belang van een gezamenlijke en integrale aanpak. Ze zetten daarmee de volgende stap: van papier naar uitvoering.

Het nieuwe NBW, het NBW-Actueel 2008 geeft verdere invulling aan de aanpak van knelpunten in het regionale watersysteem (bijvoorbeeld de normering regionale wateroverlast), wateroverlast in het stedelijke gebied, watertekorten en waterkwaliteit.Vanuit het NBW zijn basisnormen gepresenteerd waaraan gebieden met bepaalde functie moeten voldoen. Deze basisnormen houden de toelaatbare kans in dat het peil van het oppervlaktewater het niveau van het laagst gelegen maaiveld overschrijdt (de kans op inundatie vanuit het oppervlaktewater). Voor landelijk gebied is deze norm 1:10 jaar (voor grasland, weidebouw) of 1:25 jaar (voor akkerbouw). Voor stedelijk gebied is deze norm 1:100 jaar.

2.3 Provinciaal beleid

2.3.1 Omgevingsvisie Drenthe

Het ruimtelijk beleid van de provincie Drenthe is verwoord in de Omgevingsvisie Drenthe (vastgesteld juni 2010). In de Omgevingsvisie wordt de volgende missie verwoord: "Het koesteren van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe. Er zijn vier 'systemen' die in de ogen van de provincie de dragers zijn voor de ruimtelijke ontwikkeling van Drenthe:

  • 1. Sociaal-economische systeem;
  • 2. Watersysteem;
  • 3. Natuursysteem;
  • 4. Landbouwsysteem.

Voor de toekomst van Drenthe moeten deze vier systemen 'robuust' zijn. Binnen de robuuste systemen staat de ontwikkeling van de betreffende hoofdfunctie (wonen, werken, water, natuur of landbouw) voorop. Voor alle ontwikkelingen, dus ook die van de hoofdfunctie, geldt dat de ruimtelijke kwaliteit er door moet worden versterkt.

Regionaal waterplan

Hoofdstuk 6 van de Omgevingsvisie vormt tevens het regionaal waterplan op grond van de Waterwet. In dit regionaal waterplan heeft de provincie de strategische doelen voor het regionale waterbeleid geformuleerd. Ook wordt de ruimtelijke vertaling van deze doelen gegeven. Het regionaal waterplan vormt het kader voor de vergunningverlening en de uitvoeringsprogramma’s. Hiermee vormt het een belangrijke schakel tussen het waterbeleid op rijksniveau en de uitvoering op regionaal en lokaal niveau.

In de afgelopen periode zijn al afzonderlijke besluiten genomen over de Kaderrichtlijn Water, de strategische grondwaterwinningen en de waterbergingsgebieden in Zuid-Drenthe (Deelstructuurvisie ‘De aanwijzing van waterbergingsgebieden in Zuid-Drenthe’ met daarin onder meer opgenomen Panjerd-Veeningen, zie paragraaf 2.3.2). Deze besluiten maken integraal onderdeel uit van het regionaal waterplan.

Het provinciale waterbeleid is op veel onderdelen een voorzetting van het voorgaande beleid. Het regionaal waterplan zet sterker in op het op orde krijgen en houden van een watersysteem dat in staat is de gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Daarbij spelen de beekdalen een belangrijke rol. Zo wordt het beleid voortgezet om aan de bovenlopen van de beekdalen een natuurfunctie toe te kennen. Ook worden de beken zo natuurlijk mogelijk ingericht, zodat daar zo veel mogelijk water vastgehouden kan worden. Daarnaast moet de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater verder verbeterd worden.

Van provinciaal belang is onder meer:

  • Een robuust watersysteem, dat zodanig is ingericht dat de risico’s op wateroverlast en watertekort tot een maatschappelijk aanvaardbaar niveau beperkt blijven, met bijzondere aandacht voor de beekdalen.
  • De waterbergingsgebieden zoals deze zijn aangeduid op kaart 9 (Oppervlaktewater), zie figuur 2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00320-0401_0002.jpg"  
Figuur 2: uitsnede kaart 'Oppervlaktewater' (bron: Omgevingsvisie Drenthe)  

Waterbergingsgebied Panjerd-Veeningen

Eén van de maatregelen die hieruit voortvloeit, is de aanwijzing van waterbergingsgebieden. In de Omgevingsvisie Drenthe is het bergingsgebied Panjerd-Veeningen als zodanig aangewezen (op basis van de deelstructuurvisie ‘De aanwijzing van waterbergingsgebieden in Zuid-Drenthe’). Voor het bergingsgebied geldt een dubbelbestemming.

2.3.2 Aanwijzing van waterberging in Zuid-Drenthe

De wateroverlast van 1998 is voor de provincies en de waterschappen aanleiding geweest om gebieden aan te wijzen als waterbergingsgebied.

De provincie Drenthe heeft samen met de provincies Groningen en Overijssel en de inliggende waterschappen onderzoek laten plaatsvinden en overleg gevoerd met als doel het oplossen van de knelpunten en het op orde brengen van de waterhuishouding. In het tweede Provinciaal Omgevingsplan (POP II) van de provincie Drenthe zoals dat is vastgesteld in juli 2004, zijn de uitgangspunten en de criteria opgenomen voor het aanwijzen van bergingsgebieden.

De noodzaak en de ligging van de waterbergingsgebieden in het zuiden van de provincie waren nog niet bekend. Vandaar dat destijds een uitwerkingsopdracht was opgenomen. De uitwerkingsopdracht waterbergingsgebieden in het POP II beperkt zich tot het aanwijzen van zoeklocaties voor (gestuurde) waterberging. Deze bergingsgebieden zijn in principe gericht op het bergen van water in extreem natte situaties. In principe worden deze bergingsgebieden ingezet wanneer andere maatregelen tekort schieten en grootschalige wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden voorkomen dient te worden.

De aanwijzing van waterbergingsgebieden in Zuid-Drenthe – waaronder Panjerd-Veeningen – en de daaraan ten grondslag liggende argumenten is beschreven in de betreffende planuitwerking van het Provinciaal Omgevingsplan en het daaraan ten grondslag liggende planMER. Op basis van beschikbare kennis, beleidsvoornemens en de meest recente hydrologische gegevens zijn in de milieueffectrapportage drie alternatieven samengesteld. Met alle alternatieven kan het watersysteem op orde wordt gebracht en wordt voldaan aan de opgave voor waterberging in 2015.

Panjerd-Veeningen komt voor in alle alternatieven die zijn onderzocht om voldoende waterberging te realiseren. De bergingsgebieden zijn nu ook in de provinciale Omgevingsvisie opgenomen.

2.3.3 Beekdalenvisie 2030

Gedeputeerde staten heeft de beekdalenvisie voor Drenthe in 2013 vastgesteld. Aanleiding is het veranderend klimaat. Daardoor valt er meer en vaker neerslag. Het gevolg is dat de beken vaker zullen overstromen en dat de beekpeilen grotere schommelingen zullen vertonen. Deze ontwikkeling heeft gevolgen voor de gebruikers en ook voor de waterkwaliteit.

De provincie heeft in deze visie beschreven dat zij streeft naar robuuste beekdalen met meer dynamische waterstanden, een meer natuurlijk peilbeheer en betere mogelijkheden voor vispasseerbaarheid. Bestaande functies moeten zich aanpassen aan deze toename van dynamiek maar moeten wel kunnen blijven functioneren.

Het plangebied van Panjerd-Veeningen is aangeduid als gebied waar respect voor cultuurhistorie wordt verwacht. Bij ingrepen dient men creatief en respectvol om te gaan met wat nog resteert aan patronen en waar mogelijk herstel van die patronen.

2.4 Waterschapsbeleid

2.4.1 Waterbeheerplan Reest en Wieden

De nieuwe Waterwet (2009) verplicht de waterschappen om waterbeheerplannen op te stellen met een looptijd van zes jaar. Provinciale plannen zijn kaderstellend voor de waterbeheerplannen van de waterschappen.

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Reest en Wieden, Velt en Vecht, Regge en Dinkel, Groot Salland en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren samengewerkt. Het waterbeheerplan is een resultaat van deze samenwerking.

De hoofdthema’s van het waterbeheerplan zijn: het waarborgen van veiligheid, het watersysteembeheer en het ontwikkelen van de afvalwaterketen. Daarnaast worden maatregelen voor het uitvoeren van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en Waterbeheer 21e eeuw behandeld. De waterschappen hebben voor het uitvoeren van de KRW-maatregelen een resultaatsverplichting. De plannen omvatten een uitvoeringsprogramma op hoofdlijnen voor de periode tot en met 2015.

Het Nationaal Bestuursakkoord Water (zie paragraaf 2.2.5) heeft als doelstelling het op orde brengen van watersystemen in 2015: bestaande situaties van wateroverlast zijn dan opgeheven en het watersysteem als geheel voldoet aan de landelijke risiconormen voor wateroverlast. Waar gebieden afwijken van de norm stellen de waterschappen in Rijn-Oost gebiedstrajecten in. Bij de aanpak van wateroverlast worden onder andere de volgende concrete uitgangspunten gehanteerd en maatregelen nagestreefd:

  • De waterschappen doen een normeringsvoorstel aan de provincie, waarna de provincie deze (gebieds)normen vastlegt in een verordening.
  • De gebiedsprocessen worden zoveel mogelijk gecombineerd met de GGOR- en KWR-maatregelen. Eventuele wijzigingen in het beschermingsniveau worden eveneens via gebiedsprocessen doorgevoerd. Hierbij wordt ingespeeld op veranderingen in klimaat en functie.
  • De waterschappen kunnen voor gebieden als rivier- en beekdalen, beschermde natuurgebieden, maïsland en veenweidegebieden afwijken van de landelijke risiconormen.
  • Als extreme situaties binnen de risiconorm vallen, mag er water uit het oppervlaktewatersysteem op het land of op straat stromen. Ieder (deel)stroomgebied vangt in dat geval zoveel mogelijk het eigen overschot aan water op. Er wordt niet afgewenteld naar benedenstrooms gelegen gebieden.
  • Op plaatsen waar het watersysteem niet voldoet aan de normen, wordt gestreefd naar vasthouden in bovenstrooms gelegen waterlopen, bergen in verruimde watergangen, bergen in bestaande of nieuwe plassen of tijdelijk parkeren in bergingsgebieden.

Het waterbeheerplan 2010-2015 van waterschap Reest en Wieden hanteert een duidelijke doelstelling met betrekking tot het waterbeheer in extreem natte situaties: het voorkomen van ongewenste situaties van wateroverlast. Het waterschap Reest en Wieden wil in de planperiode een aantal gebieden aanpassen aan de regionale normering. In 2003 is vastgesteld dat er voor 26 miljoen m3 een plaats gevonden moeten worden om te kunnen voldoen aan de werknormen voor wateroverlast. Doel is om in 2027 de totale wateropgave gerealiseerd te hebben. Er worden gebieden ingericht om het tijdelijk teveel aan water te bergen. In de grotere natuurgebieden wordt gebiedseigen water langer vastgehouden. Waterschap Reest en Wieden heeft een kaart ‘Vertrekpunt inrichtingsnormen voorkomen wateroverlast’ vastgesteld (d.d. 24 november 2009). De kaart toont het gewenste beschermingsniveau en gehanteerde inrichtingsprincipes. In een Water Op Maat-project en bijbehorend gebiedsproces met belanghebbenden wordt het uiteindelijke beschermingsniveau vastgelegd in een Watergebiedsplan.

2.5 Gemeentelijk beleid

2.5.1 Gemeentelijke structuurvisie

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijk ordening in werking getreden. Hierdoor is het verplicht voor gemeenten om één of meerdere structuurvisies vast te stellen voor het gehele grondgebied van de gemeente.

De gemeente De Wolden kiest er in haar structuurvisie voor om voor de periode 2010-2030 haar grootste kwaliteit, het zijn van een plattelandsgemeente, te behouden en te versterken. Dit betekent dat het aanwezige landschap drager is voor nieuwe ontwikkelingen.

Water

De gemeente De Wolden stelt dat ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water gezocht moet worden in de waterbergingsgebieden, de beekdalen en de natuurlijke overstromingsvlakten die al een natuurfunctie hebben. In de landbouwgebieden wordt het watersysteem niet als leidend gezien, maar wordt het systeem afgestemd op het agrarisch gebruik.

De structuurvisie beschrijft dat er in de gemeente De Wolden ruimte is voor waterbergingsgebieden Panjerd-Veeningen en Echten-Traandijk. Zowel Panjerd-Veeningen als Echten-Traandijk worden een zogenoemde gestuurde waterberging waar gedurende een korte periode water wordt geborgen. Panjerd staat op de structuurvisiekaart aangegeven met de aanduiding 'zoekgebied waterberging' (zie figuur 3).

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00320-0401_0003.jpg"  
Figuur 3: structuurvisiekaart De Wolden  

2.5.2 Waterplan De Wolden

In het Waterplan De Wolden 2008-2012 is de gemeenschappelijke visie op het gebied van water verwoord. Het waterplan is door de gemeenteraad en het bestuur van het waterschap vastgesteld, daarmee is het een gezamenlijk beleid voor het waterbeheer. Doel is het waterbeleid tussen gemeente, waterschap en provincie op elkaar af te stemmen en maatregelen ter verbetering van het waterbeheer te omschrijven. De planperiode voor het waterplan loopt van 2007-2012 met een doorkijk naar 2050. Na het vaststellen van dit waterplan inclusief het uitvoeringsprogramma, kan jaarlijks het uitvoeringsprogramma worden geactualiseerd door de betrokken partijen.

Een van de zeven hoofdthema's is 'Water ten overvloede of waterschaarste', oftewel de waterkwantiteit (grondwater en oppervlaktewater) in de gemeente.

Binnen dit thema wordt onder andere ingezet op:

  • het realiseren van ruimte voor water door onder andere integrale gebiedsprojecten (de Water Op Maat-projecten);
  • het vaststellen en reserveren van gebieden voor het vasthouden en bergen van water onder extreme omstandigheden;
  • het verruimen van waterlopen en het realiseren van meer ruimte voor water in bebouwd gebied.

Als gevolg van het Nationaal Bestuursakkoord Water (zie paragraaf 2.2.5) dient waterschap Reest en Wieden in haar beheersgebied 26 miljoen m3 ruimte voor water te realiseren. Van de wateropgave in het Drentse deel van het stroomgebied (16,2 miljoen m3) wordt ca. 4 miljoen m3 opgelost door middel van gestuurde berging en ca. 12 miljoen door middel van Water Op Maat-projecten en vasthouden in beekdalen, natuurlijke laagten en natuurgebieden. In de gemeente De Wolden liggen twee gebieden die als zoekgebied voor ‘gestuurde waterberging’ (in extreme omstandigheden) in aanmerking komen, namelijk het gebied Panjerd-Veeningen en het gebied Echten-Traandijk.

2.6 Toetsing beleidskader

Rijksbeleid

Het Rijk laat de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. De betekenis van de nationale structuurvisie voor het onderhavige bestemmingsplangebied is zeer beperkt. Tevens vormt de Barro, gezien de ligging van het plangebied en de aard van het plan, geen directe relevantie voor dit bestemmingsplan. Thema's uit het Nationaal Waterplan komen in de voor dit bestemmingsplan uitgevoerde watertoets (zie paragraaf 4.2) aan bod.

Het dubbelbestemmen van het gebied Panjerd tot waterberging past binnen het Waterbeleid 21e eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water. Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen willen samenwerken om in de periode tot 2015 het watersysteem in Nederland op orde te krijgen en daarna op orde te houden. Methode om dit doel te bereiken is het 'vasthouden, bergen en afvoeren' van water. Water bergen op de locatie Panjerd past binnen deze methode.

Provinciaal beleid

Hoofdstuk 6 van de Omgevingsvisie Drenthe vormt tevens het regionaal waterplan op grond van de Waterwet. Besluiten over de Kaderrichtlijn Water, de strategische grondwaterwinningen en de waterbergingsgebieden in Zuid-Drenthe (Deelstructuurvisie ‘De aanwijzing van waterbergingsgebieden in Zuid-Drenthe’ met daarin onder meer opgenomen Panjerd-Veeningen, zie paragraaf 2.3.2). maken integraal onderdeel uit van het regionaal waterplan. In de Omgevingsvisie is het gebied Panjerd als waterbergingsgebied aangewezen. Het realiseren van het gebied Panjerd als bergingsgebied past binnen het provinciale beleid. Het gebied komt zelfs binnen alle alternatieven voor waterberging in Zuid-Drenthe voor en kan daarmee als noodzakelijk gezien worden omdat anders onvoldoende waterberging gerealiseerd kan worden of specifieke knelpunten niet kunnen worden opgelost.

Waterschap Reest en Wieden

In navolging van Het Nationaal Bestuursakkoord Water (zie paragraaf 2.2.5) wil waterschap Reest en Wieden een aantal gebieden aanpassen aan de regionale normering. In 2003 is vastgesteld dat er voor 26 miljoen m3 een plaats gevonden moeten worden om te kunnen voldoen aan de werknormen voor wateroverlast. Doel is om in 2027 de totale wateropgave gerealiseerd te hebben. Het gebied Panjerd maakt onderdeel uit van de wateropgave als zoekgebied voor 'gestuurde waterberging'.

Gemeentelijk beleid

De structuurvisie beschrijft dat er in de gemeente De Wolden ruimte is voor de waterbergingsgebieden Panjerd-Veeningen en Echten-Traandijk. Panjerd-Veeningen staat op de structuurvisiekaart aangegeven met de aanduiding 'zoekgebied waterberging' en de voorgenomen ontwikkeling past zodoende binnen het gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Voorgenomen ontwikkeling

Aanleiding

De wateroverlast van 1998 is voor de provincies en de waterschappen aanleiding geweest om gebieden aan te wijzen als waterbergingsgebied. Doel is water tijdelijk meer ruimte te geven om zo wateroverlast tegen te gaan. Waterberging is het tijdelijk opslaan van grote hoeveelheden water. Deze maatregel wordt ingezet als wateroverlast voorkomen moet worden en alle andere maatregelen tekortschieten. In paragraaf 4.2 is nader ingegaan op de hydrologische aspecten die samenhangen met het gebruik en de inzet van de waterberging.

De voormalige zandwinplas Panjerd is door de provincie Drenthe aangewezen als waterbergingsgebied voor de regio Zuidwest-Drenthe. Bij dreigende wateroverlast kan overtollig water worden opgevangen. Daarna wordt het water via gemalen afgevoerd naar het IJsselmeer.

Om het gebied voor waterberging gereed te maken, is een inrichtingsplan opgesteld (Waterberging Panjerd-Veeningen, Inrichtingsplan, Grontmij, 11 november 2013) waarin waterberging gecombineerd wordt met natuur; de ecologische waarden zijn mede bepalend voor de inrichting en het gebruik van het gebied Panjerd.

Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. In de Waterwet wordt een waterbergingsgebied omschreven als: "een krachtens de Wet ruimtelijke ordening voor waterstaatkundige doeleinden bestemd gebied, niet zijnde een oppervlaktelichaam of onderdeel daarvan, dat dient ter verruiming van de bergingscapaciteit van een of meer watersystemen en ook als bergingsgebied op legger is opgenomen" (artikel 1.1 Waterwet).

Om als bergingsgebied te worden gezien moet een gebied dus zijn opgenomen zijn in het bestemmingsplan van de gemeente en de legger van het waterschap. Beide zijn noodzakelijk voor de status van een gebied als waterbergingsgebied. Door de aanwijzing als waterbergingsgebied vloeit uit de Waterwet rechtstreeks de gedoogplicht voort om als eigenaar en gebruiker de tijdelijke berging van water te dulden (artikel 5.21). Met het opnemen van een gedoogplicht voor het tijdelijk bergen van water is tegelijk de tegemoetkoming voor inundatieschade wettelijk geregeld (artikel 7.11). Op deze wijze ontstaat een wettelijk gesloten stelsel van aanwijzing, gedoogplicht en schadevergoeding bij het realiseren van waterbergingsgebieden.

Waterberging Panjerd-Veeningen

Om het gebied Panjerd geschikt te maken als waterbergingsgebied zijn de volgende inrichtingsmaatregelen nodig:

  • aanleg nieuwe waterkerende kaden (aarden wal);
  • realisatie waterinlaat- en uitlaatvoorziening;
  • aanpassen van sloten;
  • afgraven van gronden;
  • kappen van bomen.

Een gestuurde waterberging wordt ingezet als “vasthouden” niet meer mogelijk is en het water overal al hoog staat. In de praktijk is dat in extreme weerssituaties. Het waterschap richt haar hele watersysteem zo in, dat een extreme situatie die statistisch gezien één keer in de honderd jaar voorkomt, nog beheersbaar is (afspraak uit het Nationaal Bestuursakkoord Water). Wanneer dat is, en hoe veel tijd later weer, is onvoorspelbaar. In die extreme situatie worden alle bergingen maximaal ingezet. Ook in minder uitzonderlijke situaties kan een bergingslocatie al ingezet moeten worden om wateroverlast te voorkomen. Dan is maximaal vullen doorgaans niet aan de orde. Hierbij zal het gaan om een frequentie van eens in de zoveel decennia. Wanneer en hoe vaak is ook voor deze minder uitzonderlijke situatie onvoorspelbaar.

Bij inzet zal het gebied binnen circa 24 uur volstromen. Het water wordt via het inlaatwerk aan de noordzijde van plas ingelaten vanuit de Hoogeveensche Vaart. Het waterpeil in Panjerd kan tijdens een periode van berging stijgen tot maximaal NAP + 5,00 m. De kades worden met 50 cm overhoogte aangelegd. De afvoermogelijkheid van de plas naar de zuidzijde komt te vervallen. Het water zal onder vrij verval via het uitlaatwerk (gecombineerd met vistrap) aan de westzijde van plas uitstromen naar het kanaal.

Het waterschap Reest en Wieden is verantwoordelijk voor de uitvoering van de inrichtingsplannen om deze waterbergingsfunctie mogelijk te maken en ook voor de inzet van het gebied als waterberging. In de huidige situatie heeft de bestaande plas al de bestemming natuurgebied. Het voornemen is om ook de overige delen van het plangebied, die nu nog een agrarische bestemming en een bestemming water hebben, ook onder de bestemming natuur te laten vallen met een dubbelbestemming voor waterberging. Wanneer het totale gebied is ingericht heeft Panjerd een waterbergingscapaciteit van circa 800.000 m3. Het gaat hierbij om een gestuurde waterberging waarbij het gebied in tijden van extreme neerslag, als er sprake is van dreigende wateroverlast, wordt ingezet als overloopgebied. De aanleg draagt bij aan het verbeteren van het watersysteem in Zuidwest Drenthe.

Het voornemen is dat het gebied in eigendom komt bij Het Drentse Landschap en dat deze instantie ook het beheer van het gebied op zich neemt. De plannen voor de inrichting van het gebied zijn dan ook tot stand gekomen in nauw overleg met Het Drentse Landschap. Daarnaast waren Rijkswaterstaat, de gemeente De Wolden en een aantal particuliere grondeigenaren betrokken bij de planontwikkeling.

De verankering van de dubbelbestemming waterberging in een gemeentelijk bestemmingsplan is noodzakelijk om uitvoering te geven aan de verplichtingen van het waterschap en om de bijbehorende schaderegeling in werking te kunnen laten treden. Naar verwachting is de waterberging in 2015 gerealiseerd en inzetbaar.

Waterberging Traandijk te Echten

Aan de noordzijde van de Hoogeveensche Vaart, buiten het plangebied, is zandwinning Traandijk gevestigd. VOF Zandexploitatiemaatschappij Echten exploiteert de zandwinlocatie. De maatschappij zal naar verwachting nog zeker 15-20 jaar zand winnen. Tegelijkertijd werkt het waterschap Reest en Wieden aan de realisatie van een waterbergingsgebied op deze locatie. Voor het waterbergingsgebied geldt een dubbelbestemming waarin de bestaande functies gecombineerd worden met de doelen voor de regionale wateropgave (WB21). De dubbelbestemming waterberging wordt planologisch geregeld als een partiële herziening waarmee de functie van waterberging aan het vigerende bestemmingsplan wordt toegevoegd. De in- en uitlaatwerken ten behoeve van de waterberging Traandijk worden mogelijk gemaakt in dit bestemmingsplan, Waterberging Panjerd-Veeningen.

Tijdelijk onderwaterdepot

VOF Zandexploitatiemaatschappij Echten treft een voorziening om een tijdelijk onderwaterdepot in de plas Panjerd te realiseren. De maatschappij zal zand inbrengen door middel van een diffusor. Dit houdt in dat het zand onder het waterpeil wordt ingebracht om zo vertroebeling tegen te gaan. Het oppervlak dat gebruikt wordt voor het onderwaterdepot is circa 10 hectare. In de plas wordt naar verwachting een totaalvolume van 650.000 m3 zand aangebracht. Het zand zal in drie fasen in de plas Panjerd worden ingebracht, in de periode 2013-2017. De samenstelling van het zand is zand voor zandbed en ophoogzand. Het zand zal fasegewijs binnen een termijn van 15 jaar met behulp van een zandzuiger weer terug worden getransporteerd. De leiding van de zandzuiger zal een diameter hebben van 350/400 millimeter. De leiding zal de Hoogeveensche Vaart ondergronds kruisen. Het tracé zal zo worden aangelegd, dat er geen belemmeringen optreden voor de ontsluiting van de aanwezige landbouwpercelen. Het tracé van de spuitleiding is weergegeven in figuur 4.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00320-0401_0004.jpg"  
Figuur 4: tracé spuitleiding onderwaterdepot  

Inrichtingsplan Panjerd-Veeningen

Het inrichtingsplan van Panjerd-Veeningen streeft twee doelen na:

  • het mogelijk maken van de vereiste waterberging;
  • het ontwikkelen van natuurwaarden.

De keuzes die hierbij gemaakt zijn, zijn enerzijds gebaseerd op een optimale landschappelijke inpassing en anderzijds op het in de toekomst te voeren beheer. Het inrichtingsplan voor Panjerd-Veeningen d.d. 11 november 2013 is opgenomen in bijlage 1.

De landschappelijke inpassing is afgestemd op de karakteristieke openheid van het beekdal. Uitgangspunt hierbij is om zo veel mogelijk aan te sluiten bij de kenmerkende openheid. Dit heeft ertoe geleid dat de bestaande beplanting rondom de plas voor een deel zal worden verwijderd. Dit betreft hoofdzakelijk de bosjes langs de A28 en de beplanting langs de huidige oostoever. De huidige dichte beplanting langs de noordoever wordt plaatselijk opener gemaakt, zodat er doorzichten ontstaan vanaf het fietspad over de kade langs de Hoogeveensche Vaart, richting de plas. Om de toekomstige beheerinspanningen voor het openhouden van het gebied zo laag mogelijk te houden en met het oog op de waterbergingsmogelijkheden, is er voor gekozen om de oppervlakte open water en moeras zo groot mogelijk te maken.

Aan de westkant vindt de vergroting van de plas plaats in de vorm van een moeraszone. Aan de oostkant gebeurt dit in de vorm van open water met brede rietoevers. Langs de noordoever wordt een deel van de bestaande beplanting vervangen door brede rietkragen.

Het meest oostelijk deel van het plangebied wordt niet vergraven tot open water. Dit is enerzijds gebaseerd op de wensen van de aangrenzende bewoners van de museumboerderij en anderzijds op het feit dat het maaiveld hier relatief hoog ligt. Vergraving tot open water leidt hier tot veel grondverzet en ongewenste hydrologische effecten, wat niet in verhouding staat met het beoogde resultaat van extra waterberging. Dit betekent dat het bestaande maaiveld hier slechts 20 cm wordt afgegraven en dat dit deel van het plangebied alleen een waterbergingsfunctie heeft bij zeer hoge waterstanden.

Het huidig plaspeil van Panjerd is circa NAP + 2.70 m. Omdat in het kader van de waterberging het peil in de plas kan stijgen tot maximaal NAP + 5.00 m, wordt er ter bescherming van de omgeving, rondom een deel van de plas een kade (aarden wal) aangelegd met een kruinhoogte van NAP + 5.50 m. Langs de noordkant van de plas wordt hiervoor de bestaande kade langs de Hoogeveensche Vaart gebruikt. Deze heeft een kruinhoogte van circa NAP + 6.00 m. Ter plaatse van de museumboerderij zal de nieuwe kade aan de erfzijde een heel flauw talud krijgen van 1:10, zodat de kade vanaf het erf gezien vrijwel niet opvalt in het landschap. In figuur 5 is de kadehoogte van de nieuw aan te leggen kades ten opzichte van maaiveld weergegeven.

Mitigerende maatregelen

Ten behoeve van de woningen aan de Willem Moesweg 25 en Traandijk 7 en de snelweg A28 worden mitigerende maatregelen getroffen om de grondwatereffecten te minimaliseren en te voldoen aan de gestelde normen. Extra aandacht is tevens besteed aan het effect van de waterbergingen op de omliggende IBA-systemen (Individuele Behandeling Afvalwater).

Aan de oostzijde van het gebied is een woonboerderij gelegen (Willem Moesweg 25). Deze boerderij watert in de huidige situatie af via de watergang langs de kade van de Hoogeveensche Vaart. Deze watergang verliest zijn functie. De woning aan de Willem Moesweg 25 wordt ontwaterd door een nieuwe watergang die via de oost- en zuidzijde van het gebied gaat afwateren.

Door het opwaarderen van de sloot aan de westzijde van de Traandijk zal er tijdens het inzetten van de waterbergingen voldoende ontwatering zijn ter hoogte van de woning Traandijk 7.

De bermsloten langs de A28 worden opgewaardeerd om te voorkomen dat de grondwaterstand onder de A28 te hoog oploopt in een situatie van waterberging. Via de watergang kan tevens het tankstation en parkeerterrein Panjerd afwateren. Een stuw in de oostzijde van het gebied kan in een situatie van waterberging verlaagd ingezet worden om meer water af te voeren.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00320-0401_0005.jpg"  
Figuur 5: kadehoogte ten opzichte van maaiveld  

Met het oog op de natuurontwikkeling zijn in het inrichtingsplan verschillende milieus nagestreefd. Het gaat hierbij om open water, brede rietkragen, moeraszones en spontaan te ontwikkelen bosjes. Het plangebied achter de museumboerderij krijgt een schraal grazig karakter. Omdat het gebied ligt ingeklemd tussen de A28, de Hoogeveensche Vaart en agrarisch gebied is het ambitieniveau relatief laag.

Naast de functie voor natuur en waterberging is er in het inrichtingsplan ook rekening gehouden met extensief recreatief medegebruik. Langs de noordwestoever is de mogelijkheid opgenomen voor een uitzichtpunt over de plas. Dit kan in de vorm van een vogelkijkwand. Ook voorziet het plan in een uitzichtspunt vanaf de parkeerplaats langs de A28. Om overlast te voorkomen is het gebied niet rechtstreeks toegankelijk vanaf deze parkeerplaats. Door de grotere openheid in de beplanting langs de noordoever zal de plas in de toekomst ook bijdragen aan de recreatieve beleving vanaf het fietspad over de kade langs de Hoogeveensche Vaart. In de toekomst kan de plas, evenals in de huidige situatie, een beperkte rol vervullen als visplas. Hiervoor worden echter geen speciale voorzieningen aangelegd.

3.2 Onderbouwing locatiekeuze

Het POP II (juli 2004) bevat een uitwerkingsopdracht bergingsgebieden voor Zuid-Drenthe. De uitwerking dient zoeklocaties voor (gestuurde) waterberging aan te wijzen. Deze bergingsgebieden worden ingezet wanneer andere maatregelen tekort schieten en grootschalige wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden voorkomen dient te worden. Ten tijde van het POP II is het benodigde bergingsvolume en de ligging van bergingsgebieden in Zuid-Drenthe nog onbekend. Als gevolg van de Wro wordt de opdracht uitgewerkt in de vorm van een deelstructuurvisie met bijbehorende Plan-MER. Het POP II bevat uitgangspunten en criteria voor het aanwijzen van de bergingsgebieden.

In het najaar van 2005 is door de waterschappen Reest en Wieden en Velt en Vecht de wateropgave berekend. Het Algemeen Bestuur van waterschap Reest en Wieden heeft op 30 januari 2007 ingestemd met het advies “Bouwstenen Wateropgave” aan de provincie Drenthe. In het advies aan de provincie Drenthe wordt voorgesteld om van de totale wateropgave van 16 miljoen m3, ongeveer 12 miljoen m3 op te lossen door het benutten van de natuurlijke beekdalen en het tijdelijk vasthouden van water in de natuurgebieden. Voor circa 4 miljoen m3 is het noodzakelijk dat op enkele locaties water gestuurd wordt geparkeerd.

Op basis van beschikbare kennis, beleidsvoornemens en de meest recente hydrologische gegevens zijn drie alternatieven samengesteld en afgewogen in een Plan-MER (2008). Met alle alternatieven kan voldoende waterberging worden gerealiseerd zodat het watersysteem op orde wordt gebracht en wordt voldaan aan de opgave voor waterberging in 2015. In haar deelstructuurvisie "De aanwijzing van waterbergingsgebieden in Zuid-Drenthe" kiest de provincie voor alternatief 2. Als gevolg wordt het gebied Panjerd als bergingsgebied aangewezen. De Omgevingsvisie Drenthe (2010) neemt voor Zuid-Drenthe de waterbergingsgebieden zoals aangewezen in de deelstructuurvisie 'De aanwijzing van waterbergingsgebieden in Zuid-Drenthe' over.

3.3 Kenmerken plangebied

Landschap

Het plangebied maakt deel uit van het Drentse esdorpenlandschap. Dit landschapstype is onder te verdelen in esdorpen, beekdalen en jonge veldontgingingen. Panjerd maakt tevens deel uit van het beekdallandschap van het Oude Diep. Dit beekdal gaat hier in noordwestelijke richting over in het beekdal van de Koekanger Aa.

Ter plaatse van Panjerd is het beekdal relatief smal en wordt aan de zuidkant begrensd door de A28 en aan de noordkant door de hogere gronden van het wegdorpenlandschap van Koekange en Oshaar. Ten zuiden van de A28 gaat het stroomdal over in het esdorpenlandschap rondom het dorp Veeningen. Dit wordt aan de westkant begrensd door het esgehuchtenlandschap langs het riviertje De Reest.

Hoewel het Oude Diep als zodanig niet meer te herkennen is in het landschap, omdat deze is vergraven tot de Hoogeveensche Vaart, zijn er toch nog enkele specifieke kenmerken van het oorspronkelijke beekdallandschap aanwezig. De belangrijkste zijn:

  • openheid in de richting van het beekdal;
  • sloten haaks op de beek;
  • grondgebruik in de vorm van grasland.

Verkaveling

Op historische kaarten is goed de ontstaansgeschiedenis van het plangebied te zien (zie Figuur 5). Op de kaart van Pijnacker uit 1634 bestaat het plangebied en de omgeving hiervan nog voornamelijk uit veenmoeras. Het begin van de Hoogeveensche Vaart, de Nieuwe Grift, is al gegraven en ook de eerste ontwateringskanalen zijn al zichtbaar.

Op de kadastrale minuut van 1811-1832 is de oorspronkelijke verkaveling van het plangebied goed zichtbaar. In tegenstelling tot de opstrekkende strokenverkaveling ten noorden van de Hoogeveensche Vaart bestond de percelering in het plangebied, de Veeninger Landen, uit grote blokpercelen. Het gebied was in gebruik als hooi- en weideland, wat impliceert dat het land te vochtig was voor akkerbouw. Door het zuidelijk deel van het plangebied liep een voetpad, ongeveer ter hoogte van de huidige A28. In de Hoogeveensche vaart zijn op de oude minuut een aantal kribben te zien. Klaarblijkelijk had men last van stroming en/of aanslibbing in het kanaal.

Op de topografische kaart uit 1960 is ter plekke van de Veeninger Landen wel een meer stroken- achtige verkaveling aangegeven. Daar dit niet de oorspronkelijke verkaveling is, moet er in de loop der jaren wel enige herverkaveling hebben plaatsgevonden. Een mogelijke reden voor deze herverkaveling is dat het gebied al vroeg is verveend. Doordat het gebied hierdoor lager is komen te liggen dan de omgeving bleef het er mogelijk erg vochtig en bleek het noodzakelijk meer sloten aan te leggen.

Het is op basis van de historische kaarten onwaarschijnlijk dat ter plekke van het plangebied, uitgezonderd van de museumboerderij New Greenwich Village bewoning heeft plaatsgevonden in de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd. Er heeft in het verleden reeds veel herinrichting van het plangebied plaatsgevonden.

Ter plaatse van Panjerd heeft een aantal ingrepen in het landschap plaatsgevonden dat een deel van de hierboven beschreven karakteristiek heeft aangetast:

  • vergraving van het Oude Diep tot Hoogeveensche Vaart en verbreding van de Hoogeveensche Vaart: De benedenloop van het Oude Diep is al vanaf de middeleeuwen aantoonbaar in gebruik als vaarwater. Rond 1632 of 1633 werd het gedeelte tussen Echten en Hoogeveen gegraven en van verlaten voorzien. Het kanaal is in de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw verbreed;
  • de NAM produceert sinds de jaren vijftig aardgas uit het gasveld De Wijk in de gemeente De Wolden: Dit gasveld is gelegen tussen Koekange en Echten in het gebied tussen Meppel en Hoogeveen. Bij het gasveld De Wijk wordt gepland aanvullend gas te winnen door de toepassing van stikstofinjectie;
  • de realisatie van Panjerd zelf: Door de aanleg van deze zandwinning ten behoeve van de aanleg van de A28 is het oorspronkelijke slotenpatroon verloren gegaan. Door de aanplant en de spontane opslag van de beplanting langs een groot deel van de oevers is ook een deel van de kenmerkende openheid van het beekdal verloren gegaan;
  • het tankstation en parkeerplaats Panjerd-Veeningen langs de A28: De aanleg van de dichte en hoge beplanting heeft eveneens een deel van de karakteristieke openheid aangetast;
  • de zandwinlocatie Traandijk: De recente aanleg van een burg over de Hoogeveensche Vaart, de gronddepots met installaties en de realisatie van de plas, maken dat een deel van de openheid en van het oorspronkelijke slotenpatroon aangetast zijn.

De kaart uit circa 1990 laat zien dat de percelen zijn vergroot en het aantal sloten is verminderd. Vergeleken bij de situatie uit circa 1900 is een aantal sluizen verdwenen. Er hebben zich behoorlijke aanpassingen voorgedaan in de waterhuishouding. Het gebied is geheel ingericht ten behoeve van het agrarische gebruik (grasland). Uit bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het oorspronkelijke beekdallandschap ter plaatse van Panjerd in de huidige situatie behoorlijk is aangetast.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00320-0401_0006.jpg"  
afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00320-0401_0007.jpg"  
afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00320-0401_0008.jpg"  
Figuur 6: situatie circa 1600 - 1900 - 1990  

Geomorfologie

Het plangebied wordt op de geomorfologische kaart aangeduid als een dekzandvlakte vervlakt door veen en/of overstromingsmateriaal. Dekzand is afgezet tijdens stormen onder zeer koude omstandigheden. De lagere delen van het dekzandoppervlak zijn soms bedekt met veen of overstromingsmateriaal en de hogere delen zijn soms afgegraven of geëgaliseerd. Hierdoor bezit het gebied een vlak uiterlijk.

Het uiterste zuidoostelijke deel van het plangebied, wordt op de geomorfologische kaart aangegeven als een dekzandrug al dan niet met oud-bouwlanddek. Dekzandruggen zijn terreinverheffingen met flauwe hellingen, die grotendeels onder Arctische omstandigheden door de wind zijn gevormd.

Op basis van het AHN (Actueel Hoogtebestand Nederland) is te zien dat het plangebied op de overgang ligt van het hogere oostelijk gelegen landschap en het lager gelegen westelijke landschap.

Cultuurhistorie

De oudste bekende bewoning in de omgeving van het plangebied bestond uit vroegmiddeleeuwse boerderijplaatsen. Hierbij ontstonden kleine essen, dat zijn door plaggenbemesting opgehoogde akkers. Daar waar de essen wat groter van formaat waren, ontstonden nederzettingskernen. Veeningen is een dergelijke kern. Vanaf de 17e eeuw werd er grootschalig hoogveen afgegraven in het gebied. De Veeninger Landen, waartoe ook het plangebied behoort, is in het begin van de 18e eeuw ontgonnen. De Hoogeveensche Vaart is in het begin van de 17e eeuw aangelegd, op instigatie van graaf Roelof van Echten, ten behoeve van de afvoer van het veen. De Veningerwijk is in 1813 gegraven. Voor de aanleg van de Hoogeveensche Vaart is deels gebruik gemaakt van de Wetering bij Meppel en de Echtener Stroom (Oude Diep).

Huidige bebouwing

Het plangebied ligt ten noorden van de het buurtschap Oud Veeningen en ten zuiden van het buurtschap Oshaar. In het oostelijk deel van het plangebied is een (museum)boerderij gelegen.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan de omgevingsaspecten. Per omgevingsaspect wordt behandeld in hoeverre het aspect in de nieuwe situatie wijzigt ten opzichte van het reeds bestemde gebruik. Daarnaast is elk aspect getoetst aan gewijzigde regelgeving sinds goedkeuring van het bestemmingsplan buitengebied De Wolden. Indien nodig worden de consequenties van gewijzigde regelgeving voor de omgevingsapecten benoemd.

4.2 Water

Op grond van artikel 3.1.6 uit het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In die paragraaf dient te worden uiteengezet of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: "het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten".

Waterbeleid

Het Waterbeheerplan 2010-2015 geeft de koers aan die waterschap Reest en Wieden de komende jaren wil volgen. In dit waterbeheerplan is een belangrijk punt het op orde brengen van het watersysteem, ook voor de toekomst, waarin meer extremen worden verwacht door klimaatverandering. Daarbij ligt voor deze periode de nadruk op veiligheid. Daarvoor zijn samen met de provincie gebieden aangewezen om water te kunnen bergen tijdens hoge afvoeren. Het gebied Panjerd is daar één van. Het combineren van verschillende functies en samenwerking met andere partijen vindt het waterschap daarbij zeer belangrijk. Voor het gebied Panjerd heeft dit geleid tot een open planvormingstraject, waarin belanghebbenden hebben deelgenomen aan het opstellen van een ontwerp. Daarbij zijn alle functies van het gebied steeds in ogenschouw genomen en in het plan verwerkt.

Waterhuishoudkundige situatie plangebied

Huidige situatie

In het gebied Panjerd bevindt zich een voormalige zandwinlocatie. Het overblijfsel van de zandwinlocatie is een plas, die op de diepste plekken meer dan 10 m diep is. De plas wordt gevoed door grondwater. Aan de zuidzijde van de plas bevindt zich een afvoermogelijkheid. Door een duiker op hoogte kan hier overtollig water van de plas worden weggevoerd. De waterstand wordt hiermee lager gehouden dan de diepe grondwaterstand, waardoor de plas een drainerende werking heeft op het gebied. De duiker zorgt voor afvoer wanneer het plaspeil stijgt boven de NAP +2,70 m. In droge perioden zakt de waterstand in de plas onder dit niveau. In natte periodes stijgt de waterstand tot circa NAP +3,00 m. Ten oosten van de plas is een stukje landbouwgrond aanwezig. Deze wordt ontwaterd door de watergang die langs de kade van de Hoogeveensche Vaart ligt. De woning aan de Willem Moesweg 25 wordt ook via deze sloot ontwaterd.

Toekomstige situatie

Waterberging

Het gebied wordt ingericht als waterbergingslocatie. Om het gebied heen worden kades aangelegd. Binnen deze kades kan maximaal circa 800.000 m3 water worden geborgen. Hierbij mag de waterstand in de berging oplopen tot maximaal NAP +5,00 m. De in- en uitlaatwerken van het gebied worden dusdanig ontworpen dan het gebied zich in één dag helemaal kan vullen en in maximaal twee weken weer geleegd kan worden. Tussen het vullen en legen van het gebied wordt rekening gehouden met circa zes dagen vol staan van het bergingsgebied.

Zodra er wateroverlast dreigt, zal per stroomgebied bekeken worden of er maatregelen ingezet gaan worden. De inzet van deze maatregelen wordt voor het hele beheergebied van het waterschap uitgewerkt in het Beslissingsondersteunend Systeem. Het waterschap richt haar hele watersysteem zo in, dat een extreme situatie die statistisch gezien één keer in de honderd jaar voorkomt, nog beheersbaar is (afspraak uit het Nationaal Bestuursakkoord Water). Wanneer dat is, en hoe veel tijd later weer, is onvoorspelbaar. In die extreme situatie worden alle bergingen maximaal ingezet. Ook in minder uitzonderlijke situaties kan een bergingslocatie al ingezet moeten worden om wateroverlast te voorkomen. Dan is maximaal vullen doorgaans niet aan de orde. Hierbij zal het gaan om een frequentie van eens in de zoveel decennia. Wanneer en hoe vaak is ook voor deze minder uitzonderlijke situatie onvoorspelbaar.

Inrichting

De plas wordt naar het oosten toe uitgebreid. Dit deel van de plas zal ondieper worden dan de huidige plas, circa 1 m diep. Verder worden aan de randen natuurvriendelijke oevers gerealiseerd. Het huidige peil wordt gehandhaafd. De kwel- en afvoersloot langs de kade van de Hoogeveensche Vaart verliest zijn functie. In een later stadium wordt besloten of de sloot alleen zijn afvoerfunctie verliest, of ook gedempt wordt.

De afvoermogelijkheid van de plas naar de zuidzijde komt te vervallen. Er wordt een nieuwe afvoermogelijkheid gecreëerd aan de westzijde van het gebied. Deze afvoer kan afgesloten worden wanneer de berging wordt ingezet. Tevens wordt een vistrap gemaakt waardoor vis zich naar de plas kan verplaatsen. Aan de randen van de plas worden ondiepe, luwe zones gecreëerd die kunnen functioneren als paaiplaats voor vis. Deze worden aangelegd ter vervanging van de huidige paaimogelijkheden die er zijn in de watergang langs de snelweg A28. De woning aan de Willem Moesweg 25 wordt ontwaterd door een nieuwe watergang die via de oost- en zuidzijde van het gebied gaat afwateren. Via de watergang kan tevens het tankstation en parkeerterrein Panjerd afwateren.

Vanaf de zandwinning Traandijk zal een leiding aangelegd worden richting de plas Panjerd. Via deze leiding zal zand worden getransporteerd. De leiding wordt onder de Hoogeveense Vaart door gelegd. De leiding heeft geen invloed op de waterbergingsfunctie.

Wateraspecten

Bij het watertoetsproces let de waterbeheerder op alle wateraspecten. De onderstaande aspecten zijn van toepassing op dit plan en worden nader toegelicht.

Veiligheid

Om het gebied worden kades aangelegd. Deze kades beschermen het omliggende gebied tegen inundatie. De kades worden met 50 cm overhoogte aangelegd, uitgaande van een maximale waterstand van NAP +5,00 m betekent dit een kadehoogte van NAP +5,50 m. Binnen het gebied zijn geen functies aanwezig die niet samen gaan met waterberging. Eventueel vee zal wel uit het gebied gehaald moeten worden. De woning aan de oostzijde van het gebied is buiten de kades gehouden om het te beschermen tegen hoog water.

De aanleg van de transportleiding voor zand wordt in overleg met en door de provincie Drenthe vergund. In de vergunning worden afspraken gemaakt over de wijze waarop de leiding onder de Hoogeveense Vaart kan doorlopen en de huidige kades kan passeren.

Overlast

Het aanleggen van de mogelijkheid om water te bergen in het gebied Panjerd draagt bij aan het verhogen van de waterveiligheid, met name benedenstrooms van het bergingsgebied. Door het water tijdelijk in Panjerd te parkeren, kan bij extreme neerslag de afvoerpiek richting Meppel worden verlaagd.

Oppervlaktewater

Het plan is getoetst op wateroverlast voor de omgeving tijdens een waterbergingssituatie. Wat betreft oppervlaktewater heeft het gebied een dusdanig geïsoleerd karakter, dat hierdoor geen overlast plaatsvindt buiten het gebied.

Grondwater

Om de effecten van het inzetten van de waterberging op het grondwater in de omgeving te bepalen zijn grondwaterberekeningen uitgevoerd (zie planMER). De woningen aan de Willem Moesweg 25 en Traandijk 7, de snelweg A28 en de lokale weg de Oshaarseweg komen als aandachtspunten naar voren. Extra aandacht is tevens besteed aan het effect van de waterbergingen op de omliggende IBA-systemen (Individuele Behandeling Afvalwater).

Aan de oostzijde van het gebied is een woonboerderij gelegen (Willem Moesweg 25). Deze boerderij watert in de huidige situatie af via de watergang langs de kade van de Hoogeveensche Vaart. Deze watergang verliest zijn functie. De afvoer van het huis wordt in de nieuwe situatie gewaarborgd door de aanleg van een nieuwe watergang om het gebied heen, langs de snelweg A28. De kwelsloot die om het perceel wordt aangelegd, bestaande kavelsloten worden hiervoor vergraven, zal de grondwatereffecten opvangen.

Voor Traandijk 7 is een aanvullend onderzoek gedaan naar de berekende grondwaterstanden in relatie tot ontwateringsnormen en veiligheidsmarges, zie bijlage 4. Uit dit onderzoek komt naar voren dat met de voorgestelde maatregelen, bestaande uit het opwaarderen van de sloot aan de westzijde van de Traandijk, er voldoende ontwatering is ter hoogte van de woning Traandijk 7 tijdens het inzetten van de waterbergingen.

De bermsloten langs de A28 worden opgewaardeerd om te voorkomen dat de grondwaterstand onder de A28 te hoog oploopt in een situatie van waterberging. Via de watergang kan tevens het tankstation en parkeerterrein Panjerd afwateren. Een stuw in de oostzijde van het gebied kan in een situatie van waterberging verlaagd ingezet worden om meer water af te voeren vanaf het perceel Willem Moesweg 25.

Ter hoogte van de Oshaarseweg wordt een grondwaterstand berekend die boven de norm ligt. Echter zonder de inzet van de waterbergingen wordt dezelfde grondwaterstand berekend. De hoge grondwaterstand is daarmee niet te wijten aan de waterberging, maar hoogstwaarschijnlijk aan de aanwezigheid van keileem in de ondergrond. In het kader van het realiseren van de waterbergingen hoeven hier geen extra maatregelen worden getroffen.

In het hydrologisch onderzoek is aandacht besteed aan de IBA-systemen. Rondom de bergingsgebieden zijn vier woningen gelegen die niet zijn aangesloten op de riolering maar beschikken over een IBA-installatie, die kan lozen op het oppervlaktewater. De grondwaterstand ter plaatse van de IBA's neemt bij inzet van de waterberging licht toe. De grondwaterstand komt in een situatie van berging tot maximaal circa 20 cm beneden maaiveld. De systemen zijn berekend op de nieuwe situatie. Alle vier de IBA's lopen over op een pompput, waar een pomp inzit die het water naar het oppervlaktewater transporteert. Het systeem is gesloten. Het water wordt naar de watergang gepompt. Terugloop vanuit de watergang naar de IBA is daarmee niet mogelijk.

De kans dat een IBA-installatie gaat opdrijven wordt niet aanwezig geacht. Het gewicht van de installatie zelf is ruim voldoende om opwaartse waterdruk te compenseren. Ook opwaartse druk rondom de filterunit wordt gecompenseerd door gronddruk rondom randen van de filterunit, de gronddruk op de bovenkant van de unit, en de gedeeltelijke vulling van de unit zelf.

Er worden dan ook geen maatregelen noodzakelijk geacht ten aanzien van de IBA's. Het waterpeil in de watergangen waar de verschillende IBA's op lozen zal in de toekomstige situatie niet toenemen. Er worden mitigerende maatregelen getroffen om de watergangen zo goed mogelijk af te laten wateren. De situatie verslechtert hiermee niet ten opzichte van de huidige situatie.

Verdroging

Het plan is tevens getoetst voor de reguliere situatie. Hiervoor is onderzocht of er bij de nieuwe inrichting van het gebied ook grondwatereffecten optreden in bestaande natuurgebieden en in landbouwgebieden. In de reguliere situatie zorgt het uitbreiden van de waterplas in oostelijke richting voor een grotere kwelflux richting de plas en een beperkte waterstandsdaling rondom de uitbreiding van deze plas.

Ten oosten van de plas Panjerd zijn twee gebieden te onderscheiden die binnen de provinciale EHS vallen, zie figuur 7a. Rondom het plangebied zijn landbouwpercelen gelegen, waarvan ook het grondwatereffect in beeld is gebracht. Conclusie van de berekeningen is dat de nieuwe inrichting van het gebied in de reguliere situatie een beperkt verdrogend effect heeft op de landbouwgebied aan de zuidzijde van het gebied Panjerd. Dit effect wordt als positief gezien, omdat dit in de huidige situatie een nat gebied betreft. In de gebieden die als EHS zijn begrensd, is de waterstandsdaling zo gering dat hierdoor geen nadelige effecten zullen optreden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00320-0401_0009.jpg"
 
Figuur 7a: provinciale EHS 2013 (vastgesteld door PS op 26-06-2013)  

Natuur

Rondom de plas in het gebied worden natuurvriendelijke oevers aangelegd. Hierdoor krijgen allerlei soorten die foerageren, leven en paaien in ondiep water meer ruimte. Voor vissen worden speciale ondiepe, luwe paaiplaatsen gecreëerd. Tevens wordt de plas uitgebreid. Hiermee wordt de potentiële natuurwaarden van het gebied verhoogd. Er wordt daarbij ook een vispassage aangelegd, waardoor uitwisseling van vissen mogelijk is tussen het hoofdwatersysteem van het waterschap en de plas. Op bestaande natuur is het grondwaterstandseffect gering (zie onder 'verdroging').

Waterkwaliteit

In de huidige situatie is in de plas, die onder invloed staat van kwel vanuit diepere grondlagen, sprake van voedselarme omstandigheden. In de reguliere situatie worden door het plan geen effecten verwacht op waterkwaliteit. De plas blijft onder invloed staan van het grondwater, waarin de kwelstroom zorgt voor helder, voedselarm water.

In de waterbergingssituatie wordt voedselrijker water vanuit het kanaal binnen gelaten. In het gebied vindt door de kwelsituatie en de uitlaat van het gebied verversing van het water plaats, waardoor na inzet van waterberging de voedingsstoffen voor een deel het systeem weer zullen verlaten. Enige verrijking van het water wordt in dit gebied niet als probleem gezien, maar geeft naar verwachting voedingsstoffen af voor plantengroei en voedsel voor de aanwezige watervogels en overige waterdieren.

Bodemdaling en klink

Er wordt door het realiseren van het plan geen bodemdaling verwacht. Er treden weliswaar beperkt lagere waterstanden op in de omgeving, echter is de grondslag voornamelijk zand en daarmee niet gevoelig voor maaivelddaling.

Als gevolg van de verlengde gaswinning is gasveld De Wijk zal naar verwachting van de NAM een extra bodemdaling kunnen optreden. De omvang van deze bodemdaling is weergegeven in kaarten behorend bij het “MER Aardgas+ De Wijk” (zie figuur 7b). Uit deze kaarten blijkt dat de bodem in het studiegebied voor waterberging Panjerd-Veeningen en Traandijk met enkele centimeters kan dalen (onderstaand is een afbeelding van de bodemdaling per 2030 weergegeven).

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00320-0401_0010.png" Figuur 7b: Zwarte lijnen: bodemdaling in 2030 met verlaging in cm (bron: MER Aardgas+ De Wijk)

Conclusies en advies

Waterschap Reest en Wieden is initiatiefnemer van de ontwikkeling van het gebied Panjerd. Daarbij heeft zij advies ingewonnen over de hydrologische effecten van het plan. Door dit onderzoek kon het waterschap keuzes maken over de inrichting van het gebied. De inrichting is tot stand gekomen in samenwerking met de natuurbeherende organisatie (Het Drentse Landschap) en andere betrokken partijen, zoals gemeente, provincie, Rijkswaterstaat en omwonenden. Alle partijen kunnen zich vinden in voorgestelde plan en effecten van dit plan. Op grond van de gedane onderzoeken en bovenstaande waterparagraaf geeft het Waterschap Reest en Wieden daarom een positief wateradvies.

4.3 Bodem

Een historisch onderzoek naar de milieuhygiënische bodemkwaliteit is uitgevoerd ter plaatse van het gebied Panjerd-Veeningen (Milieukundig historisch bodemonderzoek (NEN5725), Waterberging Panjerd-Veeningen (Grontmij, 20 augustus 2012), opgenomen in bijlage 6). Het bodemonderzoek is gebaseerd op de NEN 5725 (Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek) van het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI; januari 2009). Voor de strategie beperkt is gekozen omdat sprake is van een gebied met agrarisch gebruik; Dit wordt in eerste instantie beschouwd als onverdacht.

Doel van het onderzoek is nagaan of op basis van voorinformatie mogelijke verontreinigingen in bodem (grond en grondwater) ter plaatse van de onderzoekslocatie te verwachten zijn. Zo kan worden voorkomen dat mogelijk aanwezige verontreiniging zich kan verspreiden.

De volgende informatiebronnen zijn geraadpleegd om de gewenste informatie te verzamelen: historische kaarten, kadastrale informatie, bodem informatiekaart provincie Drenthe (Globis) en bodemloket, lijst met gevallen bodemverontreiniging gemeente op de locatie en telefonisch overleg met gemeente De Wolden.

Op basis van de verkregen informatie blijkt dat het gebied als geheel nooit intensief gebruikt is. Het was voorheen een moerassig veengebied en is tegenwoordig natuurgebied met aanliggend grasland. In het gebied zijn door de jaren heen slootdempingen uitgevoerd, waarschijnlijk met lokaal vrijgekomen grond. De gedempte sloten worden vooralsnog niet als verdachte locaties beschouwd.

Aan de zuidelijke rand van het gebied zijn twee tankstations gevestigd waar activiteiten plaatsvinden met potentieel verontreinigende stoffen die zich gemakkelijk verspreiden in de bodem. Bij locatie 2 (Texaco) is in 1999 een sanering uitgevoerd. Van locatie 3 (BP) is bekend dat in 1997 een sanering is uitgevoerd. Van beide locaties zijn evaluatierapporten aanwezig die concluderen dat de locaties voldoende gesaneerd zijn. Resterend zijn marginaal verhoogde concentraties in grond en grondwater. De wijzigingen in de geohydrologische situatie ten behoeve van de waterberging zullen nauwelijks meetbaar van invloed zijn op deze geringe restverontreinigingen.

De bodemkwaliteit van het plangebied vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Cultuurhistorie en landschap

De omgevingsaspecten cultuurhistorie en landschap zijn in paragraaf 3.3 (Kenmerken plangebied) behandeld, aan de hand van een beschrijving van landschap, verkaveling, geomorfologie en bebouwing.

In de paragraaf is beschreven dat het plangebied deel uit maakt van het Drentse esdorpenlandschap. Dit landschapstype is onder te verdelen in esdorpen, beekdalen en jonge veldontginningen. Het gebied Panjerd maakt tevens deel uit van het beekdallandschap van het Oude Diep. Hoewel het Oude Diep als zodanig niet meer te herkennen is in het landschap, omdat deze is vergraven tot de Hoogeveensche Vaart, zijn er toch nog enkele specifieke kenmerken van het oorspronkelijke beekdallandschap aanwezig:

  • openheid in de richting van het beekdal;
  • sloten haaks op de beek;
  • grondgebruik in de vorm van grasland.

Het plangebied was oorspronkelijk gelegen in het beekdal van het Oude Diep. In dit beekdal ontstond in de loop van de tijd een veenpakket. Ter plaatse van Panjerd heeft een aantal ingrepen in het landschap plaatsgevonden dat een deel van de hierboven beschreven karakteristiek heeft aangetast, bijvoorbeeld het oorspronkelijke slotenpatroon en de karakteristieke openheid.

Uit bovenstaande kan geconcludeerd worden dat in het plangebied nog enkele cultuurhistorische en landschappelijke waarden zichtbaar zijn, maar deze zijn grotendeels aangetast door ingrepen. Door het wijzigen van het plangebied met het toevoegen van de functie waterberging ontstaat er geen negatieve verandering in deze situatie. Zoals beschreven in paragraaf 3.1 is de landschappelijke inpassing van de waterberging in Panjerd afgestemd op de karakteristieken van het beekdal. Doel is het ontwikkelen van natuurwaarden en uitgangspunt bij het ontwerp is om aan te sluiten bij de kenmerkende openheid van het gebied. Geconcludeerd kan worden dat het inrichtingsplan geen negatieve effecten heeft op de cultuurhistorie en het landschap.

4.5 Archeologie

De bodemingrepen die gepaard gaan met de geplande realisatie van het inrichtingsplan, kunnen eventueel aanwezige archeologische resten in de bodem verstoren en/of vernietigen. Daarom dienen voorafgaand aan die werkzaamheden de archeologische waarden binnen het plangebied in kaart te worden gebracht. Om de reeds bekende archeologische waarden in beeld te krijgen, is een bureauonderzoek uitgevoerd waarbinnen diverse bronnen zijn geraadpleegd, zoals de Archeologische Monumentenkaart, Archis2 en archeologische waardenen/ of beleidskaarten van het betreffende gebied (Archeologisch onderzoek waterberging Panjerd-Veeningen (Grontmij archeologische rapporten 1258, 14 februari 2014), opgenomen in bijlage 6).

Waarnemingen

In het plangebied zijn geen AMK-terreinen en bekende archeologische waarnemingen (Archis2) geregistreerd. Tevens zijn in de directe omgeving geen bewoningssporen bekend. Volgens de IKAW heeft het plangebied een lage tot middelhoge (alleen in het uiterste zuidoostelijke deel) trefkans op het aantreffen van archeologische resten. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat voor vrijwel het gehele plangebied een lage archeologische verwachtingswaarde geldt. Centraal door het plangebied loopt een smalle strook beekdalgronden met een middelhoge tot hoge archeologische verwachtingswaarde. In de uiterste zuidoostelijk punt van het plangebied is sprake van een dekzandopduiking met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Tenslotte ligt in het noordoostelijk deel van het plangebied een historische boerderijplaats.

Archeologische advieskaart

Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt voor gedeelten met een lage archeologische verwachtingswaarde op de archeologische beleidskaart geen vervolgonderzoek aanbevolen.

Indien in het gedeelte met een hoge/middelhoge archeologische verwachtingswaarde toch bodemingrepen gaan plaatsvinden, wordt geadviseerd in die gebieden een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. De vorm van dit vervolgonderzoek is drieledig (zie figuur 8a voor de archeologische advieskaart):

  • hoge/middelhoge archeologische verwachtingswaarde dekzand in de vorm van een verkennend booronderzoek indien ingrepen dieper reiken dan of gelijk zijn aan 0,3 m en een omvang hebben van meer dan 1000 m2, met als doel het toetsen van de archeologische verwachtingswaarde en de mate van bodemverstoring.
  • hoge/middelhoge archeologische verwachtingswaarde beekdal in de vorm van een verkennend booronderzoek indien ingrepen dieper reiken dan of gelijk zijn aan 0,3 m en een omvang hebben van meer dan 1000 m2. Naar verwachting is de bodem in deze zones verstoord. Deze aanpak dient via de gemeente met de provinciaal archeoloog afgestemd te worden.
  • hoge archeologische verwachtingswaarde boerderijplaats in de vorm van een waarderend onderzoek indien ingrepen dieper reiken of gelijk zijn aan dan 0,3 m en een omvang hebben van meer dan 100 m2.

Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden in delen van het plangebied die niet voor vervolgonderzoek in aanmerking komen toch onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 53 en 54 van de Monumentenwet 1988 (herzien in 2007) aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via de bevoegde overheid).

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00320-0401_0011.png"  
Figuur 8a: archeologische advieskaart  

4.6 Ecologie

Sinds 2002 moeten alle ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan bepalingen uit het natuurbeschermingsrecht: de Flora- en faunawet (soortbescherming) en de Natuurbeschermingswet (gebiedsbescherming). De natuurwetgeving in Nederland heeft als belangrijkste component het zorgplichtbeginsel, dat van elke initiatiefnemer verlangt dat hij zich vooraf op de hoogte stelt van eventuele schadelijke effecten op voorkomende beschermde soorten planten en dieren en hun leefomgeving.

Vanuit deze wet- en regelgeving vloeit voort dat bij de planontwikkeling dient te worden nagegaan of ruimtelijke ingrepen een negatieve invloed hebben op planologische begrensde en beschermde natuur- en landschapswaarden (Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Ecologische Hoofdstructuur) en beschermde planten- en diersoorten. Is dat aan de orde, dan is een ontheffing van de Flora- en faunawet en/of een vergunning van de Natuurbeschermingswet vereist. In hoeverre die afgegeven kunnen worden hangt af van de beschermingsstatus van de betreffende soort of het gebied, de aard van de effecten, de mogelijkheden voor compensatie en mitigatie, en het belang van de ruimtelijke ontwikkeling.

Gebiedsbescherming

Het gebied maakt geen onderdeel uit van de Ecologische Hoofdstructuur of een Ecologische verbindingszone. Ook zijn er geen specifieke natuurdoelen voor het gebied opgesteld. Het plangebied behoort evenmin tot een Natura 2000 gebied. Ten zuidoosten van het plangebied zijn enkele percelen als EHS aangewezen (zie figuur 8b). Op basis van de de grondwatermodelberekeningen die ten behoeve van het plan zijn opgesteld, worden geen verdrogende effecten op dit gebied verwacht (zie paragraaf 4.2).

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00320-0401_0012.png"  
Figuur 8b: provinciale EHS 2013 (vastgesteld door PS op 26-06-2013)  

Soortbescherming

Als wordt voorzien dat de uitvoering van het besluit een wezenlijk negatieve invloed heeft op de instandhouding van beschermde soorten, dan zal in het besluit moeten worden aangegeven of gebruik wordt gemaakt van de gedragscode of dat een ontheffing zal worden aangevraagd. Dit geldt zowel voor besluiten in de aanleg- als in de gebruiksfase van een waterstaatswerk (Gedragscode Flora- en faunawet voor waterschappen, 21 september 2011). Effecten op beschermde flora en fauna als gevolg van de gewenste ontwikkeling, kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Buro Bakker heeft middels een verkennende toetsing (quickscan) eventueel aanwezige beschermde flora en fauna in beeld gebracht en de effecten van de gewenste ontwikkeling op deze soorten beoordeeld (Toetsing Flora- en Faunawet voor waterbergingen Panjerd-Veeningen en Traandijk-Oshaar (Buro Bakker, 29 september 2012), opgenomen in bijlage 6). Met de quickscan is eenduidig in beeld gebracht of en welke beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn of kunnen zijn. Op 17 januari 2013 is een aanvullend veldbezoek uitgevoerd door Grontmij naar het mogelijk voorkomen van das in het plangebied en naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten (Aanvullend onderzoek flora en fauna waterberging Panjerd-Veeningen (Grontmij, 2013), opgenomen in bijlage 6). Het uiteindelijke doel is het afstemmen van de ontwikkeling op de aanwezigheid van beschermde soorten, zodat gewerkt wordt binnen de kaders van de Flora- en faunawet.

Voor de beschikbare verspreidingsgegevens van beschermde soorten zijn de meest actuele en relevante bronnen geraadpleegd. Op 2 augustus 2012 is door Buro Bakker een ecologische verkenning in het plangebied uitgevoerd. Daarbij is gelet op de aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Daarnaast zijn inschattingen gemaakt van het (mogelijke) voorkomen van beschermde soorten op basis van terreinkenmerken.

In tabel 1 een overzicht van de (mogelijke) aanwezige zwaar en matig zwaar beschermde soorten per deelgebied:

Tabel 1: (mogelijke) aanwezige zwaar en matig zwaar beschermde soorten per deelgebied  
afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00320-0401_0013.jpg"  

De overige in het plangebied gevonden en te verwachten soorten zijn licht beschermd. Voor deze soorten geldt een vrijstelling. Een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet hoeft voor deze soorten niet te worden aangevraagd. De algemene zorgplicht is dan wel van kracht.

De volgende conclusies gelden voor deelgebied Panjerd:

Flora

Er dient aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd om het voorkomen van zwaar en matig zwaar beschermde soorten in deelgebied Panjerd in kaart te brengen. Hiervoor kunnen deels bekende gegevens worden opgevraagd (Het Drentse Landschap, FLORON) en deels dient veldwerk in de juiste periodes (juni-juli) te worden uitgevoerd om de exacte groeiplaatsen na te gaan om te kunnen beoordelen of de inrichtingsmaatregelen negatieve effecten hebben op eventuele standplaatsen.

Broedvogels - Jaarrond beschermde soorten

Omdat behoud van bomen als gevolg van de ontwikkelingen niet gegarandeerd kan worden, is aanvullend onderzoek naar aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten (bijv. Buizerd, Roek, Ransuil) uitgevoerd op 17 januari 2013.

In het plangebied zijn verschillende nesten van zwarte kraai en mogelijk buizerd aangetroffen. Zwarte kraai is opgenomen op de 'Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' als categorie 5-soort. Dat zijn soorten waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn, maar die wel nader onderzoek vereisen. De nesten zijn namelijk wel beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat vereisen (Ministerie LNV/Dienst Regelingen 2009). Gelet op de aanwezigheid van buizerd in het gebied, kan niet uitgesloten worden dat een of meer nesten gebruikt wordt door deze soort. Dat geldt mogelijk ook voor een soort als sperwer, die hier in het verleden is waargenomen. Van buizerd (en sperwer) zijn de nesten wèl jaarrond beschermd volgens de 'Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten'. De soort is opgenomen als categorie 4-soort: 'vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet in staat zijn een nest te bouwen'.

Met betrekking tot de herinrichting van het plangebied betekent dit, dat in het geval nestbomen van buizerd verdwijnen of het leefgebied rondom de nestboom niet meer functioneel is, er een strijdigheid met art. 11 van de Flora- en faunawet ontstaat. Ontheffing van art. 11 van de Ff-wet is voor vogels alleen mogelijk op grond van de bij wet genoemde belangen. Het belang ruimtelijke inrichting, dat van toepassing is op de herinrichting van het plangebied, is geen geldig belang. Dit betekent dat strijdigheid met de Ff-wet voorkomen moet worden.

Uit het schetsontwerp van maart 2012 blijkt dat 4 tot 5 van de aanwezige nesten in het plangebied zullen verdwijnen. In hoeverre dit leidt tot overtreding van de Ff-wet, kan pas aangegeven worden als bekend is of hier daadwerkelijk gebroed wordt door vogels met jaarrond beschermde nesten, welke nesten het betreft en hoeveel paren aanwezig zijn. Dan kan ook bepaald worden of er voldoende alternatieve nestgelegenheden aanwezig blijven en in hoeverre er bij de uitvoering rekening moet worden gehouden met betreffende soorten. Met kleine aanpassingen in het ontwerp is eventuele strijdigheid met de Flora- en faunawet naar verwachting wel te voorkomen.

Aanbevolen wordt om in de periode maart - half mei een veldbezoek uit te voeren naar het gebruik van de nesten door roofvogels, en zo nodig een omgevingscheck uit te voeren naar alternatieve nestgelegenheid.

Broedvogels - Algemene broedvogels

Wanneer opgaand groen in het broedseizoen wordt verwijderd en graafwerkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, kan dit leiden tot verstoring of vernietiging van nesten. Dergelijke verstoring is niet toegestaan en hiervoor wordt bovendien geen ontheffing verleend. Dergelijke verstorende werkzaamheden dienen daarom buiten het broedseizoen (mei-juli) plaats te vinden. Ook broedgevallen buiten deze periode zijn beschermd. Daarnaast dienen de werkzaamheden buiten de vorstperiode te worden uitgevoerd, om verstoring om mogelijk pleisterende vogels op waterplas Panjerd te voorkomen. Indien in de winterperiode gewerkt wenst te worden, zal een vogeldeskundige de situatie ter plekke moeten beoordelen.

Das

In het verleden zijn sporen van de Das waargenomen in het gebied Panjerd (mededeling Het Drentse Landschap). Onduidelijk is of er sprake is van een verblijfplaats. Tijdens de quickscan zijn geen sporen gevonden die duiden op de aanwezigheid van een Das. Ten noorden van de Hoogeveensche Vaart zijn wel meerdere recente waarnemingen van de das bekend (waarneming.nl). Op 17 januari 2013 zijn geen verblijfsplaatsen van das aangetroffen. Tijdens het veldbezoek bleek dat grote delen van het plangebied minder geschikt zijn voor aanwezigheid van dassenburchten: aan de aard van de begroeiing (els en wilg) en het waterpeil van de plas ten opzichte van maaiveld was te zien dat grote delen van het plangebied in de winter vrij nat zijn.

Vissen

Om te kunnen beoordelen of de werkzaamheden aan de oevers en de ingebruikname van de plas Panjerd als onderwaterdepot negatieve effecten op de soortgroep vissen hebben, is aanvullend onderzoek uitgevoerd (Ecologische inventarisatie de Panjerd, Inventarisatie van aanwezige aquatische waarden (Grontmij, 28 januari 2013), opgenomen in bijlage 6).

Om de effecten van het verondiepen van de plas Panjerd met gewonnen zand in beeld te brengen is onderzoek naar de huidige aquatische natuurwaarden uitgevoerd. Het onderzoek omvat de bepaling van de huidige situatie voor de volgende ecologische parameters:

  • fysisch chemische samenstelling van het water;
  • vegetatie, zowel oevervegetatie als ondergedoken waterplanten;
  • bodemleven in de vorm van een macrofaunabemonstering;
  • visstand.

Tijdens een veldbezoek op 1 oktober 2012 is de water, vegetatie en macrofauna bemonsterd. De visbemonstering is op 22 oktober 2012 uitgevoerd. Het te gebruiken zand bestaat uit schoon zand (zonder vervuiling) met een vrij kleine korrelgrootte. Door de verondieping van de Panjerd verdwijnt uiteindelijk de spronglaag. Hierdoor vermindert het zelfreinigend vermogen. Voor zover bekend lijkt de externe belasting van deze geïsoleerde plas echter dusdanig laag dat dit geen effecten zal hebben voor de ecologie.

De effecten van het verondiepen van de Panjerd zullen beperkt zijn. Het verondiepen zal het diepe habitat doen verdwijnen. In dit deel komen echter geen soorten van waarde voor waar-door het verdwijnen van dit habitat geen probleem is.

De oeverzone kan lokaal door vertroebeling verstoring ondervinden. Sommige soorten kunnen hierdoor lokaal tijdelijk verdwijnen. Er is echter zoveel areaal over dat soorten elders een habitat kunnen vinden.

Op basis van de huidige vrij lage ecologische waarde kan gezegd worden dat verondiepen dus ook niet tot significante ecologische schade zal leiden.

Met betrekking tot de Flora- en faunawet is het voorkomen van de kleine modderkruiper van belang. Er is echter geen noodzaak om maatregelen te nemen aangezien de verondieping een flink eind buiten de oevers plaatsvindt en de modderkruipers weinig effect zullen ondervinden van de verondieping.

4.7 Verkeer

Wat betreft het omgevingsaspect verkeer wijzigt het gebruik in de nieuwe situatie niet ten opzichte van het reeds bestemde gebruik. De functie waterberging heeft geen permanente verkeersaantrekkende beweging.

Een tijdelijke toename van verkeersbewegingen kan ontstaan als gevolg van het dubbelbestemmen van het natuurgebied met de functie waterberging. Deze tijdelijke toename van verkeersbewegingen kan worden veroorzaakt door het werkverkeer benodigd voor de aanleg van extra kades, meer natuurlijke oevers en een in- en uitlaatconstructie. Het streven is een gesloten grondbalans, transport van grond vindt binnen de grenzen van het plangebied plaats.

Het omgevingsaspect verkeer geldt daarom niet als beperkend voor de voorgenomen ontwikkeling tot realisatie van de waterberging Panjerd-Veeningen.

4.8 Geluid

In de Wet geluidhinder (Wgh) is de zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies.

Dit bestemmingsplan voorziet door het dubbelbestemmen van het gebied Panjerd-Veeningen met de functie waterberging echter niet in ruimtelijke ingrepen waarmee een toename van verkeer of milieugevoelige functies mogelijk worden gemaakt. Evenmin worden activiteiten die geluidhinder voor de omgeving kunnen veroorzaken mogelijk gemaakt. De functie waterberging heeft geen permanente verkeersaantrekkende beweging en veroorzaakt daardoor geen (indirecte) hinder van geluid. De transportleiding voor zand zal onderdeel uit gaan maken van de 'inrichting' (term op grond van Wet Milieubeheer) zandwinning Traandijk. Hiervoor is een vergunning benodigd, waarvoor de provincie Drenthe bevoegd gezag is.

4.9 Luchtkwaliteit

Voor de kwaliteit van de buitenlucht in Nederland zijn normen vastgesteld in de Wet milieubeheer (Wm)(hoofdstuk 5, titel 5.2 “Luchtkwaliteitseisen”, ook wel bekend onder de naam “Wet luchtkwaliteit”). Ruimtelijk-economische projecten kunnen worden uitgevoerd onder de volgende voorwaarden:

  • Wanneer er na realisatie voldaan wordt aan de grenswaarden uit de Wm;
  • Wanneer het project niet in betekenende mate bijdraagt of;
  • Wanneer er door maatregelen of saldering voldoende compensatie plaatsvindt.

Het plan biedt de mogelijkheid tot het realiseren van waterberging. In het plangebied zullen geen ruimtelijke ontwikkelingen plaats gaan vinden die leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit (verkeersaantrekkende werking en/of bedrijfsmatige activiteiten). Naar verwachting kan dan ook worden voldaan aan het bepaalde in de Wet luchtkwaliteit. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit in en om het plangebied kan daarom achterwege blijven.

4.10 Externe veiligheid

Bij een bestemmingsplan(wijziging) moet volgens het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het plangebied worden getoetst aan het vigerende beleid voor externe veiligheid. Om de ontwikkeling verder in procedure te kunnen brengen is het noodzakelijk aan te tonen dat:

  • Het plangebied geen onaanvaardbare risico's veroorzaakt voor de omliggende bebouwing;
  • De omgeving geen onaanvaardbare risico's veroorzaakt voor de te ontwikkelen voornemens.

Voor het bepalen van veiligheidsafstanden zijn twee risico's van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. De grenswaarden voor kwetsbare objecten moet in acht genomen worden. Voor beperkt kwetsbare objecten zijn dit richtwaarden, waarvan om gewichtige redenen afgeweken mag worden (verantwoordingsplicht). Het GR is de kans per jaar dat een groep mensen gelijktijdig overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriënterende waarde. Wanneer deze wordt overschreden, geldt de verantwoordingsplicht.

De risicokaart toont de externe veiligheid in en om het plangebied. De A28 wordt gebruikt voor transport van gevaarlijke stoffen. Ten zuiden van het plangebied Panjerd-Veeningen zijn twee LPG-stations gelegen. De rode stippellijn in en om de zandwinning Traandijk toont de NAM-buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. De NAM-leiding zal hoogstwaarschijnlijk medio 2015 verdwijnen. De leiding verliest zijn functie en wordt weggehaald. In 2013 definitieve besluitvorming daarover. De groene stip aan de Oshaarsweg, nummer 9, markeert de groepsaccomodatie in deze boerderij als kwetsbaar object. De rode stip markeert een procesinstallatie in de categorie 'overige inrichtingen gevaarlijke stoffen'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00320-0401_0014.png"  
Figuur 9: uitsnede risicokaart  

Externe veiligheid is niet relevant voor de te ontwikkelen waterberging. Het voornemen behelst niet het ontwikkelen van kwetsbare objecten. Ook levert de waterberging geen risico's op voor de omgeving. Hierdoor verandert het plaatsgebonden risico en het groepsrisico niet.

4.11 Bedrijven en milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening en bescherming van de woon- en leefkwaliteit is het van belang om inzicht te krijgen in relevante milieuhinderaspecten. Milieuzonering is hiervoor een geschikt instrument. Het instrument bestaat uit het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende (bijvoorbeeld zuiginstallaties ten behoeve van de exploitatie van de zandwinning) en milieugevoelige functies (bijvoorbeeld woningen en verblijfsrecreatie).

In het inrichtingsplan voor Panjerd is naast natuur en waterberging rekening gehouden met extensief dagrecreatief medegebruik. Dit bestemmingsplan maakt dit medegebruik mogelijk.

Aangezien de functies natuur, waterberging en dagrecreatie niet aangemerkt worden als hinderfuncties, is milieuzonering hiervoor verder niet relevant. Ten behoeve van de opslag van zand vanuit de zandwinning Traandijk wordt de bestaande plas als onderwaterdepot in gebruik genomen. Daartoe zal zand ingebracht worden in de plas door middel van een diffusor. Dit houdt in dat het zand onder het waterpeil wordt ingebracht om zo vertroebeling tegen te gaan. “De leiding zal deel gaan uitmaken van de 'inrichting' (term op grond van Wet Milieubeheer) zandwinning Traandijk. Voor de aanleg zal een vergunningentraject doorlopen worden bij de provincie Drenthe. De afstand van bestaande woningen tot aan de inrichting wijzigt niet door de aanleg van de leiding.”

4.12 M.e.r.(-beoordeling)

In het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) zijn voor verschillende activiteiten zogenoemde m.e.r.-drempels opgenomen. Als een m.e.r.-drempel wordt overschreden, ontstaat een m.e.r.(beoordelings)-plicht. De activiteit ‘waterbergingsgebied’ valt sinds 1 april 2011 onder Categorie D 3.2. van het Besluit m.e.r. (zie Tabel 2). Om een waterberging in te kunnen richten en te gebruiken dient het bestemmingsplan te worden herzien (artikel 3.1. Wro). Het bestemmingsplan maakt de inrichting en het gebruik van het waterbergingsgebied planologisch mogelijk. Omdat in geval van het project Panjerd-Veeningen het bestemmingsplan wordt herzien, ontstaat een plan-m.e.r.-plicht en een m.e.r.-beoordelingsplicht.

Voorafgaand aan het aanpassen van het bestemmingsplan is een milieueffectrapportage opgesteld (in het kort: Plan-MER) met het doel om milieueffecten van het inrichten en in gebruik nemen van het waterbergingsgebied duidelijk in beeld te brengen. Als voorbereiding op de milieueffectrapportage is de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) opgesteld. De NRD beschrijft de doelstellingen en kenmerken van de waterbergingsgebieden en de milieuaspecten die in de Plan-MER worden behandeld.

De gemeente De Wolden heeft een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen waarin zij hebben aangegeven dat het opstellen van een besluit-MER niet noodzakelijk wordt geacht.

Tabel 2: Categorie D 3.2. van het Besluit m.e.r.

Bijlage MER
besluit  
Kolom 1
Activiteiten  
Kolom 2
Gevallen  
Kolom 3
Plannen   
Kolom 4
Besluiten  
M.e.r.-plicht (C lijst)  
Niet van toepassing  
M.e.r.-beoordelingsplicht (D lijst)  
D 3.2   De aanleg, wijziging of uitbreiding van werken inzake kanalisering of ter beperking van overstromingen, met inbegrip van primaire waterkeringen en rivierdijken.   (alle gevallen)   De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet en het plan, bedoeld in de artikelen 4.1 en 4,4 van de Waterwet.   Het projectplan, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet, of, indien artikel 5.4, vierde lid, van die wet van toepassing is, de vaststelling van het tracé op grond van de Tracéwet of de Spoedwet wegverbreding door de Minister van Infrastructuur en Milieu of het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.  

Hoofdstuk 5 Juridisch-bestuurlijke aspecten

5.1 Inleiding

Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de voorgaande hoofdstukken, hebben in de regels van dit plan hun juridische vertaling gekregen in de vorm van bestemmingen. Het juridische systeem en de gelegde bestemmingen worden in dit hoofdstuk beschreven en toegelicht.

5.2 Bestemmingsplan

Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied en is juridisch bindend. De wijze waarop deze regeling kan worden vormgegeven, wordt in grote lijnen bepaald door de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Het bestemmingsplan bestaat uit de plantoelichting, regels en verbeelding. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende gedeelte van een bestemmingsplan. De regels en verbeelding zijn aan elkaar gerelateerd. Dit betekent dat de verbeelding en de regels altijd in samenhang moeten worden gebruikt. De plantoelichting is bedoeld om de verbeelding en de regels te verduidelijken en om gemaakte keuzen te verantwoorden aan de hand van ruimtelijk beleid.

Voor de verbeelding wordt als ondergrond de Grootschalige Basiskaart van Nederland (GBKN) gebruikt. Met het oog op de volledigheid en nauwkeurigheid van de aanwezige bebouwing is de meest recente versie gehanteerd. De GBKN is aangevuld met kadastrale gegevens. Alle gronden die binnen het plangebied vallen hebben een bestemming en/of aanduiding gekregen op de verbeelding. De begrenzingen van de bestemmingen volgen zoveel mogelijk geografische, topografische en/of kadastrale grenzen. Daar waar dat niet mogelijk bleek, is gekozen voor een meer praktische benadering.

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bebouwing, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bebouwing.

5.3 Artikelsgewijze toelichting

HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS

In hoofdstuk 1 worden enkele in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten.

Artikel 1 Begripsbepaling

In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. De begripsbepalingen zijn noodzakelijk bij de interpretatie van de regels. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik.

Artikel 2 Wijze van meten

De bepalingen over de wijze van meten zijn in artikel 2 opgenomen. Dit artikel geeft aan hoe de hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSREGELS

In hoofdstuk 2 worden de op de kaart aangegeven bestemmingen omschreven. Het plangebied heeft vier hoofdbestemmingen en dubbelbestemmingen gekregen:

  • Groen - Oevers en Kaden;
  • Natuur;
  • Water;
  • Wonen;
  • Dubbelbestemming Leiding - Zand;
  • Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1;
  • Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2;
  • Dubbelbestemming Waterstaat - Waterbergingsgebied.

De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan.

De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen om omgevingsvergunning.

Artikel 3 Groen - Oevers en Kaden

Deze bestemming betreft de oevers en kaden van de Hoogeveensche Vaart, zowel aan de noord- als zuidzijde. Binnen deze bestemming is de aanleg van inlaat- en uitlaatwerken toegestaan ten behoeve van de bergingsgebieden Panjerd-Veeningen (zuidzijde) en Traandijk te Echten (noordzijde). Fiets- en voetpaden maken tevens onderdeel uit van deze bestemming.

Vanwege de aard van de bestemming zijn de bouwmogelijkheden beperkt.

Artikel 4 Natuur

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor het:

  • het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke en de landschappelijke waarden;
  • waterhuishoudkundige doeleinden;
  • oevers en oeverzones;
  • beken, plassen, poelen, vennen, kaden, sloten en/of andere watergangen en/of -partijen;

Tevens zijn de gronden bestemd voor een onderwaterdepot voor de opslag van zand, maar dit uitsluitend ter plaatse van de op de verbeelding aangegeven aanduiding 'specifieke vorm van natuur - onderwaterdepot'. Deze gronden worden gebruikt door de, ten noorden van het plangebied gelegen, zandwinning (Traandijk) voor de opslag van zand dat in de bovenlagen van de winplas gewonnen wordt, maar nog niet op de markt kan worden gezet.

Ondergeschikt aan bovengenoemde functies zijn verder toegestaan extensief dagrecreatief en educatief medegebruik met uitzondering van het gebruik ten behoeve van vaarrecreatie, wegen en paden en openbare nutsvoorzieningen.

Binnen deze bestemming is een verbodsbepaling opgenomen om zonder omgevingsvergunning werken of werkzaamheden uit te voeren. Dit ter bescherming van de natuurlijke en landschappelijke waarden van het gebied.

Artikel 5 Water

De bestemming water betreft het deel van de Hoogeveensche Vaart dat is gelegen tussen de waterbergingsgebieden Traandijk en Panjerd. Binnen deze bestemming zijn toegestaan:

  • kanalen, beken, vaarten, sloten en daarmee gelijk te stellen waterlopen;
  • oeverstroken, kaden en dijken;
  • bruggen, dammen en duikers;
  • dagrecreatief medegebruik

Vanwege de aard van de bestemming zijn de bouwmogelijkheden beperkt. Alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van deze bestemming zijn toegestaan met een bouwhoogte tot maximaal 10 meter.

Artikel 6 Wonen

Deze bestemming heeft betrekking op de bestaande woning en de museumboerderij aan de Willem Moesweg in het plangebied. In beginsel is voor verbouw of herbouw ook de bestaande locatie uitgangspunt, tenzij vanuit milieu-optiek of een goede landschappelijke inpassing enige verschuiving gewenst is. Binnen de woonbestemming is ook kleinschalig agrarisch medegebruik toegestaan, denk hierbij aan het houden van enkele koeien of schapen bijvoorbeeld. Uiteraard blijft het wonen de hoofdfunctie. Daarnaast is binnen de functieaanduiding 'cultuur en ontspanning' het gebruik ten behoeve van culturele activiteiten toegestaan zoals de bestaande museumboerderij, openstelling van de beeldentuin en galerie en akoestische kamerconcerten.

De woonfunctie mag bij recht gecombineerd worden met een aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsactiviteiten. Een zekere functieverbreding is daarvoor oogmerk. Extra functies ten behoeve van het wonen moeten in het hoofdgebouw plaatsvinden, ondersteunende functies kunnen ook in bijgebouwen worden ondergebracht.

Binnen de bebouwingsbepalingen is onderscheid gemaakt in hoofdgebouwen enerzijds, en aan- en uitbouwen en bijgebouwen anderzijds. Uitgangspunt in de regeling is woningen in één bouwlaag en met kap. Verder wordt uitgegaan van woningen met een maximale oppervlakte van 150 m² voor de hoofdgebouwen. Panden kleiner dan 150 m² mogen tot die maat uitbreiden; panden groter dan 150 m² worden in beginsel conserverend bestemd. Als de bestaande omvang al groter is, geldt de aanwezige oppervlakte als uitgangspunt met een beperkte ontwikkelingsruimte (10%).

Voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen geldt een maximale oppervlakte van 100 m² bij recht per woning. Vanwege het belang van een goede ruimtelijke clustering is een belangrijk uitgangspunt, dat de afstand van vrijstaande bijgebouwen tot de hoofdbebouwing maximaal 25 meter mag bedragen. Deze bepaling voorkomt het 'uitwaaieren' van bebouwing over het perceel.

Bij recht is de uitoefening van een aan huis verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit toegestaan. Hierbij is wel van belang dat aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. ten hoogste 50% van het bebouwde oppervlakte wordt gebruikt voor de uitoefening van het aan-huis-verbonden beroep dan wel de kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, tot een maximum van 40 m²;
  • b. het gebruik blijft zowel naar aard als voor wat betreft de visuele aspecten ervan met het woonkarakter in overeenstemming en de woonfunctie blijft in overwegende mate gehandhaafd;
  • c. reclame-aanduidingen dienen beperkt te blijven tot een oppervlakte van maximaal 0,5 m2;
  • d. er dient voldoende parkeergelegenheid het eigen erf aanwezig te zijn;
  • e. er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeers- en/of publieksaantrekkende functie;
  • f. buitenopslag van materieel is niet toegestaan.

Artikel 7 Leiding - Zand

Deze dubbelbestemming maakt de aanleg van een leiding voor het transport van zand en grind tussen de zandwinning en de plas Panjerd mogelijk. Tijdelijke opslag van het zand vindt plaats in het onderwaterdepot. De leiding kan op de noordelijke kade langs de Hoogeveense vaart aanlegd worden, maar dient de Hoogeveense Vaart ondergronds te kruisen.

Artikel 8 Waarde - Archeologie 1

Deze dubbelbestemming plaatst een voorbehoud met betrekking tot archeologie voor delen van het plangebied waar het beekdal, delen van de voormalig watervoerende geul, en een eerdere dekzandrug, in de uiterste zuidoostelijke punt, gelegen zijn. Deze gedeelten van het plangebied kennen een hoge/middelhoge verwachtingswaarde. Bij vergravingen met een diepte van meer dan 30 cm beneden maaiveld, over een oppervlakte van meer dan 1.000 m2 is een vergunning noodzakelijk voor het uitvoeren van bepaalde nader in de regels omschreven werken en werkzaamheden. Deze vergunning kan worden verleend, nadat op basis van een archeologisch terreinonderzoek het terrein wordt vrijgegeven, danwel nadat het bevoegd gezag (gemeentelijk of provinciaal archeoloog) heeft aangegeven dat een terreinonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.

Artikel 9 Waarde - Archeologie 2

Een zone in het oostelijke deel van het plangebied behoort volgens de gemeentelijke beleidskaart tot de eenheid “historische kernen (1832), buitenplaatsen, middeleeuwse begraafplaatsen (in gebruik) en zone rond historische nederzettingslocaties. Voor dit gedeelte van het plangebied ligt er nog een voorbehoud met betrekking tot archeologie. Bij vergravingen met een diepte van meer dan 30 cm beneden maaiveld, over een oppervlakte van meer dan 100 m2 is een vergunning noodzakelijk voor het uitvoeren van bepaalde nader in de regels omschreven werken en werkzaamheden. Deze vergunning kan worden verleend, nadat op basis van een archeologisch onderzoek het terrein wordt vrijgegeven.

Artikel 10 Waterstaat - Waterbergingsgebied

Met deze dubbelbestemming wordt de functie waterbergingsgebied planologisch vastgelegd. Hiermee wordt geregeld dat de gronden tevens zijn bestemd voor de berging van water in noodsituaties. Wanneer er sprake is van een noodsituatie is toegelicht in de begripsbepaling. Op basis van deze bestemming kunnen dijken, kaden, watergangen, pompen, inlaten en overige voorzieningen met als doel het gecontroleerd inlaten en tijdelijk bergen en uitlaten van water zoals omschreven in de toelichting van dit bestemminsplan.

Het bouwen op basis van de bestemming is beperkt tot bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een maximale bouwhoogte van 3 meter. Verder is een verbod opgenomen om zonder omgevingsvergunning werkzaamheden uit te voeren, die mogelijk het functioneren van het waterbergingsgebied kunnen verstoren of onmogelijk maken. Het normale agrarische gebruik en werkzaamheden met betrekking tot het normale onderhoud vallen niet onder deze vergunningplicht.

HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS

In hoofdstuk 3 van de regels is een standaardbepaling opgenomen namelijk de anti-dubbeltelbepaling.

Artikel 11 Anti-dubbeltelregel

De anti-dubbeltelbepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Artikel 12 Algemene gebruiksregels

Enkele vormen van gebruik zijn in alle bestemmingen niet toegestaan. Het gaat dan bijvoorbeeld om het gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting of voor prostitutiedoeleinden. Maar ook is verboden om gronden te gebruiken voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen. Dit soort van gebruik staat vermeld in de algemene gebruiksregels.

Artikel 13 Algemene aanduidingsregels

Binnen het bestemmingsplan komen drie zogenaamde gebiedsaanduidingen voor. Binnen deze gebieden gelden dan bepaalde beperkingen (of juist mogelijkheden) ten opzichte van de 'onderliggende' gebiedsbestemmingen. In dit bestemmingsplan betreft het aanduidingen vanwege:

  • De nabijgelegen 'grote lawaaimaker' (dat is geluidzoneringsplichtige luchtscheidingsinstallatie bij de gaswinlocatie De Wijk-20 van de NAM) in verband waarmee een geluidzone (voor een klein deel) is opgenomen in dit bestemmingsplan (de zone ligt voor het grootste deel in het bestemmingsplan Luchtscheidingsinstallatie De Wijk-20 van de gemeente De Wolden, NL.IMRO.1690.BP00256-0401).
  • De Hoogeveensche Vaart in verband waarmee een vrijwaringszone is opgenomen (ligt aan weerszijden van de vaart). Binnen die zone gelden bouwbeperkingen.

Artikel 14 Algemene afwijkingsregels

In dit artikel is een aantal regels opgenomen, om het mogelijk te maken dat het plan op ondergeschikte punten wordt aangepast. Dit evenwel met het voorbehoud dat de belangen van derden in redelijkheid niet mogen worden aangetast. Ook kleine afwijkingen (maximaal 10%) van in het plan aangegeven maten en aantallen, kunnen volgens dit artikel mogelijk worden gemaakt. Omdat een en ander zich niet beperkt tot één bestemming maar bij diverse bestemmingen gewenst of noodzakelijk kan blijken, zijn deze regels in beginsel op alle bestemmingen van toepassing.

Artikel 15 Overige regels

In dit artikel is een bepaling opgenomen in verband met verwijzingen die her en der in de regels zijn opgenomen naar wet- en regelgeving.

HOOFDSTUK 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS

In hoofdstuk 4 zijn twee artikelen opgenomen, het overgangsrecht ten aanzien van gebruik en bebouwing en de slotregel waarin de citeertitel van het bestemmingsplan wordt aangehaald.

Artikel 16 Overgangsrecht

In deze bepaling is vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht.

Artikel 17 Slotregel

Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze bepaling omschrijft de titel van het plan.

5.4 Verbeelding

Tot dit bestemmingsplan behoort de verbeelding met nummer NL.IMRO.1690.BP00320-0401.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

6.1 Inleiding

Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient er in het kader van het uitwerkingsplan een onderzoek te worden gedaan naar de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. De maatschappelijke aspecten worden aan de hand van de procedure in hoofdstuk 7 toegelicht.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Realisatiekosten

De kosten voor de realisering van het plan en de (her)inrichting van het plangebied Panjerd-Veeningen zijn geraamd op €2.170.000. De kosten worden gedragen door het waterschap Reest en Wieden en de provincie Drenthe.

Op grond van de opgestelde begroting kan de economische uitvoerbaarheid van het plan in voldoende mate gewaarborgd worden geacht.

Planschade

Het waterschap is verplicht om de wateropgave te realiseren onder meer door middel van waterbergingsgebieden. Hiervoor is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Wanneer een gebied als zodanig wordt bestemd kunnen eigenaren van gronden in een planologisch nadeliger situatie terechtkomen waardoor zij mogelijk schade lijden (bijvoorbeeld inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak). Degenen die deze schade lijden kunnen op grond van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening een tegemoetkoming in planschade aanvragen bij de gemeente.

In de invoeringswet Waterwet is echter een voorrangsregeling opgenomen in de Waterwet (artikel 7.16). Deze regeling houdt in dat als er een beroep op de wettelijke nadeelcompensatieregeling uit de Waterwet mogelijk is, de wettelijke regels ten aanzien van de vergoeding van planschade in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) buiten toepassing blijven. Dat betekent dat als een benadeelde verzoekt om nadeelcompensatie het waterschap ook een oordeel moet geven over het al dan niet aanwezig zijn van nadeel als gevolg van de wijziging van het bestemmingsplan. Als er sprake is van nadeel wordt deze door het waterschap vergoed en is de schade in de terminologie van in artikel 6.1 Wro 'anderszins verzekerd'. Bij afwijziging van een dergelijk verzoek kan vervolgens niet opnieuw een planschadeverzoek bij de gemeente worden ingediend. Eventuele financiële risico's met betrekking tot planschade zijn dan ook geheel voor rekening van het waterschap als initiatiefnemer.

6.3 Grondexploitatie

Binnen dit bestemmingsplan wordt de realisatie mogelijk gemaakt van een waterbergingsgebied. Er is geen sprake van een bij algemeen maatregel van bestuur aangewezen bouwplan (artikel 6.12 Wro). Het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden is anderszins verzekerd. In het kader van dit bestemmingsplan is het daarom niet nodig een anterieure overeenkomst tussen gemeente en de initiatiefnemer te sluiten of een exploitatieplan vast te stellen. De procedurekosten voor het bestemmingsplan worden gedekt door de leges.

Hoofdstuk 7 Inspraak en vooroverleg

7.1 Bro-overleg

Ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) plegen burgemeester en wethouders overleg met besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie (en Rijk) die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. In dit kader is het voorontwerp van het bestemmingsplan aan de hieronder genoemde instellingen, diensten en organisaties toegezonden:

  • Provincie Drenthe
  • Waterschap Reest en Wieden
  • Nederlandse Aardolie Maatschappij
  • Rijkswaterstaat

In de bijlage bij dit bestemmingsplan zijn de binnengekomen overlegreacties bijgevoegd. In nota van inspraak en overleg is aangegeven of en tot welke aanpassingen deze reacties hebben geleid.

7.2 Procedure

Het voorontwerp bestemmingsplan en het Plan-MER hebben voor zes weken ter inzage gelegen. De inspraakreactienota in bijlage 3 vat de ingekomen schriftelijke inspraakreacties overzichtelijk samen. Hierin is aangegeven hoe met de reacties is omgegaan en of dit leidt tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Het ontwerp bestemmingsplan wordt voor zes weken ter inzage gelegd, waarbij door een ieder zienswijzen bij de gemeenteraad kunnen worden ingediend. De zienswijzen worden vervolgens bij de besluitvorming in het kader van de vaststelling door de gemeenteraad betrokken. Na een beroepstermijn van zes weken treedt het bestemmingsplan in werking, tenzij conform artikel 8.4 Wet ruimtelijke ordening een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State.