direct naar inhoud van Artikel 7 Wonen - Werken 1
Plan: Reek Zuid - 2011
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1685.bpree2011reekzuid-OH01

Artikel 7 Wonen - Werken 1

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen - Werken 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen in vrijstaande bedrijfswoningen;
  • b. industriële en ambachtelijke verzorgende bedrijven/-inrichtingen en bedrijfsactiviteiten die genoemd staan in milieucategorie 1 en 2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' zijn industriële en ambachtelijke verzorgende bedrijven/-inrichtingen en bedrijfsactiviteiten die genoemd staan in milieucategorie 3.1 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten toegestaan;
  • d. administratieve dienstverlening die ondergeschikt is en ten dienste staat van de bestemmingsomschrijving als bedoeld in sub b;
  • e. productiegebonden detailhandel die ten dienste staan van en ondergeschikt is aan de bedrijven en bedrijfsactiviteiten als genoemd in sub b tot een maximum van 10% van het bedrijfsvloeroppervlak van het bedrijf;
  • f. in- en uitritten;
  • g. parkeervoorzieningen, waarbij minimaal 0,8 parkeerplaatsen per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte op eigen perceel gerealiseerd dienen te worden;
  • h. groenvoorzieningen;
  • i. de bij sub a tot en met sub h behorende: erven, tuinen, terreinen, bouwwerken en voorzieningen.

7.2 Bouwregels
7.2.1 Algemeen

Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. de aanduidingen zijn van toepassing;
  • b. op de in 7.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemmingsomschrijving worden gebouwd;
  • c. de oppervlakte van een bouwperceel mag minimaal 750 m² en maximaal 1.775 m² bedragen.

7.2.2 Tuin

Ter plaatse van de aanduiding 'tuin' gelden de volgende bepalingen:

  • a. uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan;
  • b. in afwijking van het bepaalde in sub a, mag de voorste bouwvlakgrens worden overschreden voor de bouw van portalen of erkers aan de voorgevel met een maximale oppervlakte van 6 m² en een maximale bouwhoogte van 4 meter, mits de diepte niet meer bedraagt dan 50% van de afstand tussen de voorste bouwvlakgrens en de weg of openbaar groen, tot een maximum van 1,2 meter;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, moeten voldoen aan de maatvoeringseisen, zoals aangegeven in onderstaand schema:

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde   Maximale
bouwhoogte  
terreinafscheidingen, voor de voorste bouwvlakgrens   1 meter  
terreinafscheidingen, achter de voorste bouwvlakgrens   2 meter  
vlaggenmasten   8 meter  
overige bouwwerken   2 meter  

7.2.3 Bouwvlak

Binnen het bouwvlak gelden de volgende bepalingen:

  • a. toegestaan zijn gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • b. het bouwvlak mag voor 60% worden bebouwd;
  • c. gebouwen moeten voldoen aan de maatvoerings- en situeringseisen, zoals aangegeven in onderstaand schema:

Bedrijfsgebouwen (hoofdmassa)   Eis  
maximale bouwhoogte   8 meter  
minimale afstand voorgevel tot de voorste bouwvlakgrens   5 meter  
minimale afstand tot zijdelingse perceelgrens aan één zijde   3 meter  
minimale afstand tot achterste perceelsgrens   3 meter  
   
Woning   Eis  
maximale goothoogte   7 meter  
maximale bouwhoogte   11 meter  
maximale afstand voorgevel tot de voorste bouwvlakgrens   5 meter  
minimale afstand tot zijdelingse perceelgrens   3 meter  
maximale bouwdiepte   13 meter  
   
Bijgebouwen bij woning en bedrijfsgebouw   Eis  
totale maximale oppervlakte aan bijgebouwen:
- bouwpercelen tot en met 1.000 m²
- bouwpercelen van meer dan 1.000 m2  

70 m²
85 m2  
maximale goothoogte aangebouwd bijgebouw   hoogte eerste bouwlaag hoofdgebouw, met een maximum van 4 meter  
maximale goothoogte vrijstaand bijgebouw   2,75 meter  
maximale bouwhoogte   5 meter  
minimale afstand tot voorste bouwvlakgrens   5 meter  

  • d. in aanvulling op en/of in afwijking van het bepaalde in sub c geldt dat woningen moeten worden voorzien van een kap. Een kap bestaat uit een hellend dakvlak, waarvan de helling niet meer bedraagt dan 60° en niet minder dan 30°, met dien verstande dat:
    • 1. tussen de aldus bepaalde (denkbeeldige) maximale 60°-contouren van het dak ook afwijkende afdekkingen en dakvlakken zijn toegestaan met een helling van meer dan 60° en minder dan 30°, alsmede voor rechtopstaande gevelconstructies;
    • 2. overschrijding van de (denkbeeldige) maximale 60°-contouren is toegestaan voor dakkapellen, schoorstenen en andere uitstekende bouwdelen, voor zover zij niet meer dan de helft van het dakvlak beslaan;
  • e. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, moeten voldoen aan de maatvoeringseisen, zoals aangegeven in onderstaand schema:

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde   Maximale
bouwhoogte  
terreinafscheidingen, voor de voorste bouwvlakgrens   1 meter  
terreinafscheidingen, achter de voorste bouwvlakgrens   2 meter  
vlaggenmasten   8 meter  
overige bouwwerken   3 meter  

7.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen aan:

  • a. de bouwhoogte en/of de goothoogte van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde;
  • b. de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

indien dit noodzakelijk is ter voorkoming van een onevenredige aantasting van:

  • 1. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • 2. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de directe omgeving;
  • 3. de milieukwaliteit;
  • 4. de verkeersveiligheid;
  • 5. de sociale veiligheid;
  • 6. de brandveiligheid en rampenbestrijding;
  • 7. het woon- en leefklimaat.

7.4 Afwijken van de bouwregels
7.4.1 Afwijken dakhelling kap

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.2.3sub d voor de bouw van een woning met een kap met een afwijkende dakhelling, onder de volgende voorwaarden:

  • a. het bouwplan past in stedenbouwkundig opzicht in de omgeving, daarbij lettend op situering, kapvorm en hoogtedifferentiatie;
  • b. het bouwplan betreft een in architectonisch opzicht afgerond bouwplan dat niet kan worden gerealiseerd binnen het bepaalde in 7.2.3 sub d zonder daarbij in essentieel afzicht af te wijken van de architectonische uitgangspunten welke aan het bouwplan ten grondslag liggen.

7.4.2 Afwijken bouwen voor de voorste bouwvlakgrens

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.2.3sub c voor de bouw van een bijgebouw of overkapping op minder dan 3 meter van de voorste bouwvlakgrens dan wel geheel of gedeeltelijk voor de voorste bouwvlakgrens, onder de volgende voorwaarden:

  • a. het bijgebouw past wat betreft de situering en afmetingen in de stedenbouwkundige opzet van het gebied;
  • b. door de bouw van het bijgebouw geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Dit betekent onder andere dat de bezonning en het uitzicht van de naastgelegen percelen niet onevenredig mogen worden geschaad;
  • c. het bijgebouw is verbonden met het hoofdgebouw aan de voorgevel respectievelijk zijgevel dan wel vormt met de voorgevel respectievelijk zijgevel van het hoofdgebouw één geheel;
  • d. het oppervlak van het bijgebouw bedraagt maximaal 20 m²;
  • e. de goothoogte van het bijgebouw bedraagt maximaal 3 meter;
  • f. het gedeelte van het gebouw dat voor de voorste bouwvlakgrens wordt gebouwd mag geen (geheel of nagenoeg) gesloten wanden hebben.

7.5 Specifieke gebruiksregels
7.5.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het volgende gebruik:

  • a. de uitoefening van enige tak van handel, bedrijf of dienstverlening anders dan volgens het bepaalde in 7.1 is toegestaan;
  • b. voor geluidhinderlijke inrichtingen;
  • c. de opslag en verkoop van motorbrandstoffen;
  • d. de uitoefening/vestiging van een zelfstandig kantoor;
  • e. van bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;
  • f. de uitoefening/vestiging van een seksinrichting;
  • g. het opslaan of bergen van gebruikte, afgedankte c.q. aan de oorspronkelijke bestemming onttrokken goederen, voorwerpen of materialen, behoudens voor zover noodzakelijk in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden;
  • h. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen, behoudens voor zover dat noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden;
  • i. het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens;
  • j. opslag en verkoop van vuurwerk.

7.5.2 Uitzonderingen

Het bepaalde in 7.5.1, sub g en sub h is niet van toepassing voor zover het betreft:

  • a. tijdelijke opslag van materialen en werktuigen, welke nodig zijn voor de realisering en/of handhaving van de in het plan aangewezen bestemming;
  • b. opslag in het kader van het normale onderhoud van de gronden.

7.6 Afwijken van de gebruiksregels
7.6.1 Afwijken milieucategorie

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.5.1, sub a ten behoeve van de vestiging c.q. uitoefening van een bedrijf dat hoewel gelijkwaardig is aan de milieucategorieën die ingevolge 7.1, sub c zijn toegestaan, niet in de Lijst van bedrijfsactiviteiten wordt genoemd.

Bij de beoordeling van de aard en invloed van de milieubelasting van een bedrijf dienen de volgende milieubelastingcomponenten mede in de beoordeling te worden betrokken: geluid, geurproductie, stofuitworp en gevaar, waarbij tevens kan worden gekeken naar de verontreiniging van lucht en bodem, de diversiteit en het al dan niet continue karakter van het bedrijf en de visuele hinder en verkeersaantrekkende werking.

7.6.2 Afwijken parkeernorm

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.1, sub g ten behoeve van het hanteren van een afwijkende parkeernorm, mits:

  • a. uit een parkeeranalyse blijkt dat het beoogd gebruik een afwijkende parkeernorm rechtvaardigt;
  • b. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en bedrijven.

7.6.3 Afwijken mantelzorg
  • a. Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.5.1 sub e voor het gebruik van een bijgebouw bij een reeds bestaande woning als afhankelijke woonruimte, mits:
    • 1. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg, hetgeen aangetoond dient te worden door een verklaring van een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige;
    • 2. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en bedrijven;
    • 3. gebleken dient te zijn dat er geen milieuhygiënische belemmeringen bestaan c.q. bestaande belemmeringen zijn opgeheven;
    • 4. de afhankelijke woonruimte binnen de regeling inzake bijgebouwen per bestemming wordt ingepast, met dien verstande dat:
      • de oppervlakte maximaal 80 m² bedraagt;
      • de ruimte ten hoogste een bouwlaag mag bevatten.
  • b. Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.2.3 sub c voor het vergroten van het oppervlak aan vrijstaande bijgebouwen op een perceel met een woning ten behoeve van mantelzorg tot maximaal 80 m² en het gezamenlijk oppervlak aan bijgebouwen op een dergelijk perceel tot maximaal 110 m².
  • c. Het bevoegd gezag trekt de omgevingsvergunning, verleend op grond van het bepaalde in sub a in, indien de bij het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is.