direct naar inhoud van Ruimtelijke onderbouwing
Plan: Omgevingsvergunning Kerkhoflaan 11 Lichtenvoorde
Status: vastgesteld
Plantype: omgevingsvergunning
IMRO-idn: NL.IMRO.1586.PBLIC102-VG01

Ruimtelijke onderbouwing

Hoofdstuk 1 Algemene gegevens bestemmingsplan

Omgevingsvergunning Kerkhoflaan 11 Lichtenvoorde  
Mei 2016  
 
Inlichtingen:  
Afdeling omgeving  
de heer N. Rondeel  
Telefoonnummer 0544 - 393 482  

Hoofdstuk 2 Ruimtelijk kader

2.1 Aanleiding

Er is een aanvraag om omgevingsvergunning ingekomen voor de activiteiten bouwen en handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening voor het perceel Kerkhoflaan 11 te Lichtenvoorde. De aanvraag behelst de bouw van een vrijstaande woning in de directe nabijheid van de voormalige boerderij.

In 2011 is principe medewerking gegeven voor splitsing van de voormalige boerderij. In plaats van splitsing wil men de tweede wooneenheid nu als vrijstaande woning realiseren in de directe nabijheid van de voormalige boerderij. Als verevening zal er sloop en een zeer ruime landschappelijke inpassing plaatsvinden.

2.2 Ligging en begrenzing

Het perceel is gelegen aan de rand van de bebouwde kom van Lichtenvoorde, in de directe nabijheid van de Provinciale weg N18. De gronden rondom het perceel zijn hoofdzakelijk 'agrarisch' in gebruik. Dit wil zeggen dat de gronden worden gebruikt voor de teelt van maïs en gras.

Op het perceel is een voormalige boerderij gelegen met een voorhuis en een achterhuis (de dael). Aan het voorhuis is een extra wooneenheid gebouwd ten behoeve van inwoning. Aan het achterhuis is een garage gebouwd. Op het perceel is verder een bijbehorend bouwwerk aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.PBLIC102-VG01_0001.png"

Plangebied Kerkhoflaan 11 Lichtenvoorde 

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.PBLIC102-VG01_0002.png"

2.3 Planbeschrijving

In dit hoofdstuk worden de uitgangspunten van het voorliggende plan beschreven.

2.3.1 Aanleiding nieuwbouw woning

In de voormalige boerderij aan de Kerkhoflaan 11 te Lichtenvoorde is principe medewerking gegeven om twee wooneenheden te realiseren. Omdat twee wooneenheden in één woongebouw niet meer wenselijk is, is verzocht om een wooneenheid over te mogen hevelen naar een vrijstaande woning in de directe nabijheid van de voormalige boerderij. Hier is principemedewerking aan gegeven onder de voorwaarden dat er sloop van de aanbouwen aan de voormalige boerderij gaat plaatsvinden en er een zeer ruime landschappelijke inpassing gaat plaatsvinden. Daarbij zal ruimtelijke kwaliteit ontstaan en zal de 'groene long' worden versterkt.

2.3.2 Vigerend bestemmingsplan

De locatie kerkhoflaan 11 te Lichtenvoorde heeft in de bestemming 'Woonwijken Lichtenvoorde' de bestemming 'Wonen' en 'Tuin' met een functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - agrarisch medegebruik' en voorzien van een bouwvlak die om het hoofdgebouw is gelegen. Daarnaast geldt nog de bouwaanduiding 'vrijstaand' en de maatvoering 'maximale goot-en bouwhoogte'. Ook is het perceel gelegen in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2'. De nieuwe woning wordt grotendeels gerealiseerd in de bestemming 'Agrarisch'.

In de regels behorende bij de bestemming 'Wonen' is aangegeven dat naast de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - agrarisch medegebruik' op dit perceel ook sociaal-cultureel en recreatieve activiteiten zijn toegestaan.

In de regels is aangegeven dat hoofdgebouwen binnen het bouwvlak moeten zijn gebouwd. Voor realisatie van een nieuwe woning is nog geen bouwvlak beschikbaar. Middels deze omgevingsvergunning wordt een extra woning buiten het aangegeven bouwvlak toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.PBLIC102-VG01_0003.png"

Geldende bestemming

2.3.3 Gewenste situatie

Het huidige perceel voor de nieuwe woning is agrarisch in gebruik. Op dit perceel vindt dus nieuwbouw van een woning met vrijstaand bijbehorend bouwwerk plaats. Het perceel, en de omliggende percelen worden landschappelijk ingepast.

De gewenste situatie ziet er als volgt uit:

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.PBLIC102-VG01_0004.png"

Inrichtingsschets

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.PBLIC102-VG01_0005.png"

Aanzichten te realiseren woning

Nieuwbouw van een woning op het beoogde perceel aan de Kerkhoflaan 11 past niet in het geldende bestemmingsplan 'Woonwijken Lichtenvoorde'. Voor de nieuwbouw is een herziening van het geldende bestemmingsplan noodzakelijk of een omgevingsvergunning Wabo waarbij wordt afgeweken van het geldende bestemmingsplan. Middels het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning heeft verzoeker aangegeven een procedure om projectafwijking Wabo conform artikel 2.12. lid 1 onder a sub 3 van de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (Wabo) te willen volgen, zodat medewerking kan worden verleend aan het realiseren van de gewenste woning.

2.3.4 Landschappelijke inpassing

Ten behoeve van de bouwkundige nieuwbouw dient er landschappelijke inpassing plaats te vinden. Verzoeker heeft een landschapsplan ingediend waarin de woning en de omliggende percelen zijn betrokken. De landschappelijke inpassing is gebaseerd op het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) met het daarbij behorende ensembleboek 'Lichtenvoorde-midden'. Voor dit gebied zijn verschillende doelen vastgesteld die zijn verwerkt in dit landschappelijk inpassingsplan. In overleg met het Waterschap Rijn en IJssel is een wateropgaaf in het plangebied betrokken. Dit landschapsplan is door de gemeente goedgekeurd en als bijlage bijgevoegd.

2.3.5 Stedenbouwkundig en welstand

Naast de voormalige boerderij wordt op ten hoogste 25 m afstand van de bestaande woning een nieuwe woning gerealiseerd die, om de erfgedachte in stand te houden, ondergschikt moet zijn aan het hoofdgebouw. Ook de richting van het dak is geregeld. Daarnaast wordt een bijbehorende bouwwerk bij de nieuwe woning gebouwd en wordt het bestaande bijbehorende bouwwerk bij de voormalige boerderij enigszins verkleind. Er ontstaat zo een ruimtelijke eenheid in bebouwing.

Aan de zijde van de Varsseveldseweg wordt een modern gebouw gerealiseerd. Dit gebouw past qua uitstraling goed in zijn omgeving. Ten behoeve van de nieuwe functie in het gebouw worden parkeerplaatsen aangelegd. Het perceel wordt nieuw aangeplant. Welstand is op 21 april 2016 akkoord gegaan met het plan. Voor het plan is een omgevingsaanvraag ingediend voor bouwen en strijdig gebruik met regels ruimtelijke ordening. Een afwijking van het bestemmingsplan wordt toegestaan voor dit specifieke bouwplan. De projectafwijking is noodzakelijk vanwege strijdigheid met de huidige bestemming welke nieuwe bebouwing niet toelaat op dit perceel.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Algemeen

Voor het gebied geldt een groot aantal juridische- en beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste samengevat die relevant zijn voor het plangebied.

3.2 Internationaal niveau

Er is getoetst aan het relevant Internationaal beleid voor dit plangebied. Geconcludeerd wordt dat het Internationaal beleid geen problemen geeft voor de geplande planontwikkeling. Getoetst is aan het nagenoemde beleid:

  • Vogelrichtlijn;
  • Habitatrichtlijn;
  • Het Verdrag van Valetta (Malta);
  • Kaderrichtlijn water.

3.3 Rijksbeleid

Er is getoetst aan het relevante Rijksbeleid voor dit plangebied. Geconcludeerd wordt dat het Rijksbeleid geen problemen geeft voor de geplande planontwikkeling. Getoetst is aan het nagenoemde beleid:

  • Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte;
  • Besluit ruimtelijke ordening voor met name de 'ladder voor duurzame verstedelijking';
  • Natuurbeleid;
  • Vierde Nota Waterhuishouding;
  • Flora en fauna
  • Nota Belvedere.

3.4 Provinciaal beleid

3.4.1 Omgevingsverordening Gelderland

Provinciale Staten van de provincie Gelderland hebben op 24 september 2014 de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. De omgevingsverordening richt zich op de fysieke leefomgeving in de Provincie gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsvergunning op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekkening hebben op de fysieke leefomgeving.

In hoofdzaak geeft de Omgevingsverordening regels bij nieuwe ontwikkelingen. Denk hierbij aan nieuwe woningbouw, het oprichten van bedrijventerreinen, et cetera.

Het plangebied is niet gelegen in een maatschappelijke opgave zoals genoemd in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening vormt geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkelingen op het perceel.

3.4.2 Waterplan Gelderland 2010-2015

Het Waterplan dat op 11 november 2009 door Provinciale Staten is vastgesteld, is de opvolger van het derde Waterhuishoudingsplan (WHP3). Het beleid uit WHP3 wordt grotendeels voortgezet. Het Waterplan Gelderland is tegelijk opgesteld met de water(beheer)plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd.

In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provinciebrede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd.

Voor de realisatie van deze specifieke waterdoelen zijn ruimtelijke maatregelen nodig. Hiervoor krijgt het Waterplan Gelderland op basis van de nieuwe Waterwet de status van structuurvisie. In het Waterplan Gelderland is beschreven welke instrumenten uit de Wet ruimtelijke ordening de provincie wil inzetten.

3.4.3 Gelders Milieuplan 3

In het Gelderse Milieuplan ligt de nadruk vooral op een gezonde, schone en veilige leefomgeving voor mens en natuur. De provincie wil een leefomgeving die de huidige en toekomstige generaties kansen biedt om veilig en gezond te wonen, te werken en te recreëren. Om dit te bereiken zijn maatregelen nodig die de milieuverontreiniging tegen gaan. De maatregelen betreffen het verkeer en vervoer, het bedrijfsleven, de landbouw en het wonen.

Hoofdstuk 4 Onderzoeksresultaten

4.1 Watertoets

Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. In het Waterbeheerplan 2010-2015 van Waterschap Rijn en IJssel staat het beleid beschreven op een drietal hoofdthema's. Voor het thema Veiligheid is bescherming tegen hoog water op de rivieren het speerpunt. Het functioneren van de primaire en regionale waterkeringen staat hierbij centraal. Het thema Watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden - Bergen - Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft Waterschap Rijn en IJssel naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.

Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Er is meer ruimte nodig voor het waterbeheer van de toekomst. Ook op andere terreinen, zoals recreatie, wonen en landbouw speelt water een centrale rol. Het waterschap wil in het watertoetsproces vroegtijdig meedenken over de rol van het water in de ruimtelijke ontwikkeling en wil samen met de gemeente op zoek naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving.

Thema   Toetsvraag   Relevant  
HOOFDTHEMA'S  
Veiligheid
 
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade)
2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?  
Nee

Nee  
Riolering en Afvalwaterketen   1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur?
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap?  
Nee
Nee
Nee  
Wateroverlast (oppervlaktewater)
 
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500 m2?
2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2?
3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?  
Nee

Ja

Nee
Nee  
Oppervlakte-
waterkwaliteit  
1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd?   Nee
 
Grondwater-
overlast  
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?
2. Is in het plangebied sprake van kwel?
3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren?  
Nee

Nee
Nee  
Grondwater-
kwaliteit  
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?   Nee  
Inrichting en beheer
 
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?  
Ja

Nee  
Volksgezondheid   1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?
2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?  
Nee

Ja  
Natte natuur   1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur?
4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?  
Nee
Nee
Nee

Nee  
Verdroging   1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?   Nee  
Recreatie   1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?   Nee  
Cultuurhistorie   1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?   Nee  

Wateroverlast (oppervlaktewater)

Een toename in het verharde oppervlak resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater. Als dit hemelwater niet vertraagd wordt afgevoerd, wordt het watersysteem zwaarder belast en het waterbezwaar naar benedenstroomse gebieden afgewenteld. Ook is er geen aanvulling van het grondwater. Uitgangspunt is dat (nieuwe) ontwikkelingen minimaal hydrologisch neutraal zijn of een verbetering ten opzichte van de huidige situatie.

Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het verhard oppervlak op het terrein toe met ongeveer 750 m2. Om het water afkomstig van dit verhard oppervlak niet rechtstreeks te laten lopen in het oppervlaktewater wordt het water behandeld volgens de trits vasthouden - bergen - afvoeren. Het hemelwater wordt ter plaatse geïnfiltreerd in de bodem. Hiervoor worden er rondom de nieuwe woning voorzieningen aangelegd.

Inrichting en beheer

Het beheer en onderhoud van het watersysteem dient met het reguliere onderhoudsmaterieel van het waterschap mogelijk te zijn. Daarnaast dienen wijzigingen aan het watersysteem en werkzaamheden in de keurzone met een watervergunning te worden uitgevoerd.

De voorgenomen ontwikkelingen zijn geen belemmering voor het reguliere beheer en onderhoud van het watersysteem. De inrichting van of aanpassingen aan het watersysteem zijn in overleg met het waterschap bepaald. Het oppervlaktewaterpeil wordt binnen gewenste of vastgestelde marges gehandhaafd.

Volksgezondheid

De oppervlaktewaterkwaliteit en overstorten uit de gemengde riolering kunnen een risico zijn voor de volksgezondheid. Daarnaast zijn verdrinkingsrisico's in het oppervlaktewater van belang.

Het in het gebied aanwezige oppervlaktewater heeft voldoende doorstroming, om ook in het zomerseizoen van voldoende kwaliteit te zijn. Er worden geen voorzieningen getroffen bij de openbare wateroppervlakten om verdrinking te voorkomen. Op deze oppervlaktewateren zijn geen overstorten aanwezig waardoor de milieuhygiënische risico's tot een minimum worden beperkt.

4.2 Bodem

Een bodemonderzoek is nodig om de bodemkwaliteit ter plaatse te bepalen. Worden gronden gebruikt om personen langere tijd te laten verblijven dan dient onderzoek naar de bodemgesteldheid te worden gedaan. Hierbij moet worden gedacht aan woningbouw, kantoren, etc.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling op het bestaande perceel en de mogelijke nieuwbouw van ene woning heeft er op de te ontwikkelen locatie een verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden. De resultaten zijn verwerkt in een onderzoeksrapport met rapportnummer MT.15462 welke hier als bijlage is bijgevoegd.

Op basis van de onderzoeksresultaten bestaan er geen milieuhygiënische belemmeringen voor de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie en wijziging van het bestemmingsplan. Ten behoeve van de verwerking van de vrijkomende grond wordt verwezen naar de uitgangspunten van het Besluit bodemkwaliteit.

4.3 Flora en Fauna

Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet.

In de Flora- en faunawet zijn diersoorten en plantensoorten aangewezen die wettelijk beschermd zijn. De Flora- en faunawet is niet beperkt tot, of gerelateerd aan speciaal aangewezen gebieden, maar geeft soorten overal in Nederland bescherming. Op grond van de Flora- en faunawet gelden algemene verboden tot het verwijderen van groeiplaatsen van beschermde plantensoorten en het beschadigen of verstoren van voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten.

In het kader van de voorgenomen nieuwbouw en wijziging van het bestemmingsplan is een quickscan Flora en fauna uitgevoerd door Ormel Boomverzorging. De bevindingen zijn verwerkt in een onderzoeksrapport van 14 december 2015 welke als bijlage is bijgevoegd.

Op basis van de bevindingen kan geconcudeerd worden dat er in de huidige situatie, in het kader van de Flora- en faunawet, geen gevolgen zijn voor het plangebied. Wel wordt aangegeven dat, indien het rooien van de beplanting en de bouw van de gebouwen binnen het broedseizoen van vogels plaatsvindt, globaal tussen 15 maart en 15 juli, er voor de start gecontroleerd dient te worden of er geen broedgevallen aanwezig zijn.

4.4 Cultuurhistorie en archeologie

Hamaland Advies heeft een bureauonderzoek en Karterend vooronderzoek Archeologie uitgevoerd in verband met de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied. Zowel op de plek van de nieuw te bouwen woning als bij de te graven waterberging heeft onderzoek plaatsgevonden. De resultaten van de onderzoeken zijn opgenomen in een archeologisch rapport met projectnummer 151112., d.d. 25-01-2016, versie 2.0.

Het bureauonderzoek heeft uitgewezen dat er een hoge kans is op archeologische waarden in het plangebied vanaf het Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd.

Uit het karterend booronderzoek is aangetoond dat de bodemopbouw grotendeeld intact is. Tevens zijn relevante archeologische indicatoren aangetroffen uit de Late Middeleeuwen tot en met de Moderne Tijd (globaal vanaf 1300 tot en met 1900). Deze duiden erop dat in de ondergrond mogelijk sprake is van een oud erf met gebouwsporen, karrenpaden, erfgreppels e.d. Omdat er bodemingrepen dieper dan 55 cm-mv voorzien zijn, is geadviseerd een vervolgonderzoek door middel van proefsleuven uit te voeren. Dit wil zeggen dat wordt uitgegaan van 5% van het te onderzoeken oppervlak dat d.m.v. sleuven wordt onderzocht. Dit betekent voor de zuidelijke zone (locatie nieuwbouw woning) 214 m2 en voor de noordelijke zone (waterberging) 266 m2.

Een plan van aanpak ten aanzien van dit vervolgonderzoek is voorgelegd aan de regionaal archeoloog. Hij geeft aan akkoord te gaan met het voorstel van het onderzoeksbureau Econsultancy om, indien de werkzaamheden in het noordoostelijk deelgebied van start gaan, deze archeologisch te laten begeleiden. In het noordoostelijk deelgebied is het graven van een poel gepland.

De resultaten van het uitgevoerde vervolgonderzoek door middel van proefsleuven zijn opgenomen in een onderzoeksrapport met nummer 1132.001, versienummer D1, d.d. 15 juni 2016. Het onderzoek geeft aan dat er op de locatie voor de gewenste woning geen verder onderzoek noodzakelijk is en wordt vrijgegeven voor de geplande werkzaamheden. Uit het onderzoek wordt ook geconcludeerd dat de werkzaamheden voor het graven van de poel onder archeologische begeleiding conform protocol opgraven moet plaatsvinden.

Het archeologisch vervolgonderzoeksrapport is als bijlage bijgevoegd.

Algemene zorgplicht:

Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden zoals bij elke bodemingreep archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 53 en 54 van de Monumentenwet 1988 (herzien in 2007) aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding ARCHIS).

4.5 Geluid

Door Buijvoets Bouw- en Geluidsadvisering is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Doel van het onderzoek was het bepalen van de geluidbelasting door het wegverkeerslawaai op de gevels van de nieuwe woning vanwege de ligging binnen de geluidszone van de aanwezige weg. De resultaten zijn opgenomen in een rapport met werknummer 15.175 d.d. 21 december 2015 welke als bijlage is bijgevoegd.

Uit het onderzoek komt naar boven dat de geluidbelasting op de nieuwe woning, met maximaal 53 dB, hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximale grenswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Voor de nieuwe woning moet een hogere grenswaarde worden aangevraagd waarvoor een procedure moet worden gevolgd die oploopt met het ontwerpbestemmingsplan. Voor vaststelling van het bestemmingsplan moet de hogere grenswaarde al zijn verleend.

Bij besluit van 19 juli 2016 heeft het bevoegd gezag het 'besluit hogere grenswaarde Wgh' voor de woning naast het pand Kerkhoflaan 11 verleend.

4.6 Luchtkwaliteit

Algemeen
De luchtkwaliteit is afhankelijk van de mate van verontreiniging door diverse luchtverontreinigende stoffen waarbij de voornaamste bronnen van luchtverontreiniging het wegverkeer, industriële bedrijven en de landbouw zijn. Vanuit Europese richtlijnen wordt aangegeven welke luchtkwaliteitsnormen voor deze stoffen gelden. In Nederland zijn deze richtlijnen sinds 15 november 2007 geïmplementeerd in de Wet milieubeheer middels een wetswijziging van hoofdstuk 5 (milieukwaliteitseisen) titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, beter bekend als de Wet luchtkwaliteit.

Niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)

Het 'Besluit niet in betekenende mate' (NIBM), legt vast wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Dat is het geval wanneer aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO²) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zovel PM10 als NO².

De systematiek voor het bepalen of een project NIBM is, is voor het grootste gedeelte geregeld in de regeling niet betekende mate (luchtkwaliteitseisen). Deze ministeriële regeling, verder aan de te duiden als regeling NIBM, geeft voor een aantal categorieën van projecten een -getalsmatige- invulling aan de NIBM-grens. Het gaat onder meer om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijv. emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). Als een project binnen de -getalsmatige- begrenzing van de Regeling NIBM valt, dan is geen verdere toetsing aan de 3% grens en de grenswaarde nodig en kan het project doorgaan zonder dat extra maatregelen behoeven te worden genomen.

Resultaten onderzoek

Voor woningbouw is het huidige 3% criterium 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Het aantal van 1 woning in het plangebied is beduidend minder dan het hierboven vermelde criterium. Dit maakt het aannemelijk dat deze woning niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen in de Wet luchtkwaliteit.

Conclusie

De slotconclusie in dit geval kan niet anders zijn dan dat de nieuw te realiseren woning niet leidt tot een ontoelaatbare luchtverontreiniging.

4.7 Geur

Deze locatie is niet gelegen binnen een geurcontour van enig bedrijf, zodat dit aspect geen consequenties heeft voor de realisatie van het plan.

4.8 Externe veiligheid

Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten.

Onder externe veiligheid verstaat met het beheersen van risico's die voortvloeien uit de opslag, productie, het gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen.

Door BJZ.nu is een notitie opgesteld over de (beperkte) verantwoording van het groepsproces. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Beoordeeld moet worden of het plangebied is gelegen binnen geldende risicocontouren en veiligheidsafstanden en indien daarvan sprake is hoe de ontwikkelingen zich verhouden tot de veiligheidsrisico's.

In de opgestelde notitie is de verantwoording van het groepsproces door BJZ.nu onderbouwd. Deze onderbouwing moet worden bevestigd door de Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland.

4.9 Parkeren

In de gewenste situatie is voldoende ruimte om op eigen terrein te parkeren.

Hoofdstuk 5 Economische en maatschappelijk uitvoerbaarheid

5.1 Haalbaarheid

De kosten voor uitvoering van het plan, bestaande uit de procedure om omgevingsvergunning, sloopwerkzaamheden, bouw woonhuis maar ook de landschappelijke inpassing bestaande uit graven poel en aanleggen groenvoorzieningen, worden bekostigd door verzoeker.

5.2 Exploitatieplan

De gemeente is, op grond van artikel 6.12 Wro, verplicht een exploitatieplan vast te stelle. De gemeente kan, op grond van artikel 6.12, lid 2 Wro, besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins is verzekerd. Door middel van een Anterieure overeenkomst worden de kosten van grondexploitatie maar ook van eventuele planschade op verzoeker afgewenteld.

5.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.3.1 Inspraak

Voor het plan wordt de uitgebreide procedure doorlopen zoals bepaald in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit betekent dat de ontwerp projectafwijking voor een periode van zes weken ter inzage wordt gelegd. Een ieder kan gedurende deze periode een zienswijze indienen. Het ontwerp heeft op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegen van 13 mei 2016 tot en met 23 juni 2016. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

5.3.2 Artikel 3.1.1.-overleg

In artikel 6.18 van het Besluit Omgevingsrecht is voor de projectafwijking (artikel 2.12. eerste lid a, onder 3) overeenkomstig artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening van toepassing. Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het tweede lid van artikel 3.1.1 Bro is aangegeven dat in bepaalde gevallen van het vooroverleg kan worden afgezien.

De ontwikkeling op deze lokatie kan worden beschouwd als een inbreidingslokatie grenzende aan de bebouwde kom van Lichtenvoorde. De ontwikkeling is een lokale ontwikkeling waarbij de provincie heeft aangegeven bij lokale ontwikkelingen geen vooroverleg te willen voeren.

Het waterschap Rijn en IJssel heeft belang bij een goede behandeling van het afval- en hemelwater. Dit is in dit plan gewaarborgd door de opslag en afvoer van hemelwater en afvalwater. Vooroverleg in het kader van artikel 3.1.1. Bor lijkt dan ook niet noodzakelijk.

Beide diensten kunnen reageren op het ontwerpplan. Beide diensten hebben hierop geen reactie ingediend.