| Plan: | Omgevingsvergunning woningsplitsing Pastoor Deperinkweg 6-6a Mariënvelde |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | omgevingsvergunning |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1586.PBBUI2031-VG01 |
| Omgevingsvergunning woningsplitsing Pastoor Deperinkweg 6-6a Mariënvelde |
| Verleende omgevingsvergunning |
| Inlichtingen: |
| Afdeling Omgeving - Ruimtelijke Ontwikkeling |
| N. Weelink |
| Telefoonnummer 0544-39 35 56 |
Op 22 maart 2021 is bij de gemeente Oost Gelre een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingekomen voor splitsing en verbouwen van de voormalige boerderij op het perceel Pastoor Deperinkweg 6-6a te Mariënvelde. Er is sprake van een voor- en achterhuis die, door middel van deze omgevingsvergunning, planologisch van elkaar worden gescheiden.
De woning Pastoor Deperinkweg 6-6a in Mariënvelde is gelegen ten zuid-oosten van de bebouwde kom van Mariënvelde. De omgeving is aan te merken als buitengebied alhoewel de bebouwde kom van Mariënvelde in de directe omgeving is gelegen. De directe omgeving bestaat dan ook hoofdzakelijk uit woonpercelen met nog een enkele agrarische bedrijf. In de directe nabijheid van het perceel zijn gelegen sportvelden, alsmede het buurtverenigingsgebouw 'BMV Gebouw Mariënvelde'. Het perceel met het woonhuis is kadastraal bekend als gemeente Lichtenvoorde, sectie V, nummer 397 (nummer 6a) en nummer 725 (nummer 6).
Omgeving plangebied
Plangebied
In dit hoofdstuk worden de uitgangspunten van het voorliggende plan beschreven.
Het perceel Pastoor Deperinkweg 6-6a in Mariënvelde is gelegen in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011', vastgesteld door de gemeenteraad van Oost Gelre op 18 december 2012, met bijbehorende Reparatieplannen 'Buitengebied Oost Gelre', vastgesteld op 15 juli 2014, en 'Buitengebied, Reparatieplan 2016', vastgesteld op 4 april 2017. Binnen dit bestemmingsplan is het perceel bestemd als 'Wonen' met nadere functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - agrarisch medegebruik'. Daarnaast geldt nog de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologische verwachtingswaarde 2'. In het geldende bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor woningsplitsing. In plaats van gebruik te maken van de wijzigingsbevoegdheid kan ook gebruik worden gemaakt van een omgevingsvergunning (projectafwijking Wabo) waarbij in beide gevallen wordt afgeweken van de regels uit het bestemmingsplan. Er wordt wel getoetst naar analogie van de wijzigingsbevoegdheid.
Uitsnede uit geldend bestemmingsplan
Op het perceel Pastoor Deperinkweg 6-6a in Mariënvelde is een voormalig agrarisch bedrijf waar nog hobbymatig dieren worden gehouden. Het woonhuis, de voormalige boerderij, bestaat uit een voor- en achterhuis. Deze boerderij is sinds jaren kadastraal gesplitst en wordt ook sinds jaren dubbel bewoond.
Het geldende bestemmingsplan laat twee zelfstandige woningen op het perceel 'bij recht' niet toe. Wel is er een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan opgenomen om woningsplitsing bij een voormalig agrarisch bedrijf toe te staan. Daarnaast is het mogelijk om door middel van de ingediende omgevingsvergunning Wabo (projectafwijking Wabo) af te wijken van de regels van het geldend bestemmingsplan. Door het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning Wabo wordt gevraagd de woningsplitsing te regelen met een procedure om omgevingsvergunning Wabo (projectafwijking Wabo).
De directe omgeving van de Pastoor Deperinkweg 6-6a te Mariënvelde bestaat hoofdzakelijk uit woningen van derden. Op een wat grotere afstand is nog een agrarisch bedrijf gelegen. Verder bevinden zich in de directe omgeving sportvelden en het buurtverenigingsgebouw 'BMV Gebouw Mariënvelde'.
Er dient te worden beoordeeld wat de impact van de woningsplitsing op de directe omgeving zal zijn. Dit wordt in de volgende hoofdstukken en paragrafen nader omschreven.
Als voorwaarde bij een planologische ontwikkeling geldt dat er een bijdrage wordt geleverd aan de ontwikkeling van het landschap door middel van een erfinrichtings- of landschappelijk inpassingsplan. Verzoeker heeft hiervoor een plan laten opstellen die als Bijlage (1) bij deze ruimtelijke onderbouwing is gevoegd.
Stedenbouwkundig is splitsing van de woning in twee wooneenheden akkoord bevonden. Het plan wordt getoetst door de Welstandcommissie. In haar vergadering van 6 mei 2021 heeft de Welstandcommissie aangegeven met het ingediende bouwplan akkoord te gaan.
Voor het gebied gelden een aantal juridische kaders en beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste samengevat. Op internationaal niveau zijn diverse regelingen van kracht die de duurzame instandhouding van habitats en soorten tot doel hebben. De meest verplichtende regelingen van de Europese unie zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ook op nationaal en provinciaal niveau zijn eveneens een aantal juridische kaders en beleidskaders van toepassing op het plangebied.
Er is slechts sprake van een legalisatie van een bestaande situatie en een interne verbouwing. De Vogel- en Habitatrichtlijn zijn daarom niet van toepassing.
Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed waar mogelijk te behouden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang, beter nog het cultuurhistorisch belang, vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Door het verdrag heeft (ook) de gemeente de inspanningsverplichting de archeologische waarden te beschermen.
De archeologische waarden zijn opgenomen als dubbelbestemming in het geldende bestemmingsplan. Hier zijn regels gesteld ter bescherming van mogelijke archeologische waarden. In paragraaf 4.1 Archeologie en cultuurhistorie wordt dit nader toegelicht.
De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW is sinds december 2000 van kracht en maakt het mogelijk om waterverontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De kaderrichtlijn is geen vrijblijvende richtlijn, ze vormt een Europese verplichting, waar de waterbeheerder (Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten) niet omheen kan. De belangrijkste uitgangspunten van de KRW zijn:
Via de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving.
Een watertoets is beschreven in paragraaf 4.10 Water.
Algemene conclusie internationaal beleid
De internationale en/of de Europese regelgeving vormt geen belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Het Rijk wil ervoor zorgen dat in 2040 een veilige en gezonde leefomgeving met een goede milieukwaliteit wordt geboden. Het verstedelijkings- en landschapsbeleid laat het Rijk over aan provincies en gemeenten. De SVIR doet geen specifieke uitspraken die van belang zijn voor het voorliggende plan.
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Om gebruikers goed te kunnen ondersteunen bij de toepassing van de nieuwe Ladder heeft het Rijk een nieuwe handreiking opgesteld.
De nieuwe handreiking begint met de vraag om wat voor een plan het gaat. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Vervolgens dient bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen in eerste instantie gekeken te worden of er behoefte is aan nieuwe ruimte voor woningen. Als de behoefte voldoende is gemotiveerd, wordt gekeken of aan deze behoefte kan worden voldaan door het benutten van locaties voor herstructurering, intensivering of transformatie binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Als ook dat niet tot de mogelijkheden behoort, wordt – onder voorwaarden - aansluitend aan het bestaand stads- en dorpsgebied een locatie gezocht. Door de ladder voor duurzame verstedelijking toe te passen, wordt verstedelijking zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied geconcentreerd. Hiermee wordt de kwaliteit van het bebouwde gebied behouden en versterkt.
Onderhavige ontwikkeling betreft het splitsen van een voormalige boerderij binnen de bestemming 'Wonen'. In artikel 1.1.1 van het Bro is het begrip 'stedelijke ontwikkeling' nader toegelicht, het gaat hier om 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Het betreft hier een bestaande voormalige boerderij waarbij het voor- en achterhuis, 'de deel', wordt gesplitst in twee zelfstandige wooneenheden. Planologisch is nu nog sprake van één woning, waardoor bij de splitsing een woning wordt toegevoegd. Bij een kleinschalige woningbouwontwikkeling is de ladder niet van toepassing. Waar de grens precies ligt, blijkt niet expliciet uit het Besluit ruimtelijk ordening. Op basis van jurisprudentie blijkt dat bij woningbouw in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724). Voorliggende ontwikkeling betreft het splitsen van een woning in twee wooneenheden. Op het perceel wordt wel een nieuwe woning toegevoegd, maar hierbij is sprake van een dusdanige kleinschalige woningbouwontwikkeling dat hier geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Uit bovenstaande onderbouwing kan worden geconcludeerd dat de splitsing van de voormalige boerderij in twee wooneenheden niet wordt beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. Daarmee vormt de ladder van duurzame verstedelijking geen belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning.
Algemene conclusie rijksbeleid
Het beleid op rijksniveau vormt geen belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning.
De provincie heeft haar visie op de omgeving vertaald in de 'Omgevingsvisie Gelderland'. Deze is vastgesteld op 9 juli 2014. Op 24 september 2014 is de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Provinciale Staten van de provincie Gelderland hebben op 19 december 2018 een geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld en deze doorvertaald in de Omgevingsverordening. De omgevingsverordening is in maart 2021 geactualiseerd. De provincie streeft onder andere naar het versterken en behouden van de vitaliteit van kleinere kernen en dorpen. Om dit te bereiken dienen stedelijke functies waar mogelijk te worden gebundeld en geconcentreerd. Daarnaast ondersteunt de provincie bij de aanpak van leegstand in dorpen en kernen.
In de Omgevingsvisie is de Gelderse Ladder opgenomen. De Gelderse Ladder wordt gebruikt als afwegingskader voor de vestigingsplek van stedelijke ontwikkelingen. Als juridische basis voor de Gelderse Ladder gebruikt de provincie de ladder voor duurzame verstedelijking, genoemd in de vorige paragraaf. De juridische borging van de ladder is geregeld in het Bro en is niet nogmaals opgenomen in de provinciale verordening. Consequenties met betrekking tot de voorliggende ontwikkeling zijn dan ook hetzelfde.
De Omgevingsverordening richt zich op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem.
In hoofdzaak geeft de Omgevingsverordening regels bij nieuwe ontwikkelingen dus ook voor het toevoegen van woningen. In de Omgevingsverordening wordt aangegeven dat er een regionale woonagenda door Gedeputeerde Staten moet zijn vastgesteld.
De gemeenten in de Achterhoek hebben gezamenlijk een visie voor het woonbeleid vastgesteld, om in te spelen op de veranderde behoefte. In het najaar van 2019 is de Regionale Woonagenda op onderdelen aangepast. Daarmee wordt vooruit gelopen op de nieuwe Regionale Woonagenda. Het beleidskader is in lijn met de Koers Ruimte voor goed wonen van de provincie en met het provinciale coalitieakkoord.
Daarnaast heeft de gemeente Oost Gelre een eigen woonvisie vastgesteld voor de periode 2016 – 2025. Deze is door de gemeenteraad vastgesteld op 20 september 2016. In paragraaf 3.5.7 Woonvisie Oost Gelre wordt deze woonvisie nader toegelicht.
Algemene conclusie provinciaal beleid
De splitsing van een voormalige boerderij in twee afzonderlijke wooneenheden past in de regionale woonagenda en de daarbij opgesteld woonvisie voor de gemeente Oost Gelre. Hiermee wordt voldaan aan de regels uit de provinciale Omgevingsverordening.
Omgevingsvisie en -verordening vormen dan ook geen belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning.
Cultuur en erfgoed dragen bij aan de economie en de maatschappij. Zij dragen bij aan het toerisme en aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven en bewoners. Door de gemeenten Winterswijk, Aalten en Oost Gelre is gezamenlijk de erfgoednota opgesteld. Het beleven van erfgoed is een van de ambities in deze nota om daarmee het (economisch) rendement te vergroten.
Het doel van de nota is:
Het vaststellen van ambities voor de ontwikkeling en instandhouding van het erfgoed, zodat dit:
De bestaande voormalige boerderij wordt bouwkundig gesplitst in een tweetal afzonderlijke wooneenheden. Hierbij wordt het silhouet van de boerderij niet aangetast. De voormalige boerderij is niet aangemerkt als monumentaal en/of karakteristiek. De planologische splitsing van de boerderij tast de voormalige boerderij niet negatief aan.
Het perceel Pastoor Deperinkweg 6-6a in Mariënvelde is gelegen in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011' met bijbehorende Reparatieplannen, vastgesteld op 18 december 2012. Binnen dit bestemmingsplan is het perceel bestemd als 'Wonen'. In dit bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor woningsplitsing. In plaats van gebruik te maken van de wijzigingsbevoegdheid kan ook gebruik worden gemaakt van een omgevingsvergunning (projectafwijking Wabo) waarbij in beide gevallen wordt afgeweken van de regels uit het bestemmingsplan.
Door het indienen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning 'handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening' wordt aangegeven om een procedure om een omgevingsvergunning Wabo ex. artikel 2.12, lid 1, onder a sub 3 (projectafwijking) te willen volgen om de voorgenomen woningsplitsing op het perceel mogelijk te maken.
Wel wordt getoetst naar analogie van de wijzigingsbevoegdheid met bijbehorende voorschriften, zoals opgenomen in de regels van het reparatieplan 'Buitengebied, Reparatieplan 2016' van 4 april 2017.
Wijzigingsbevoegdheid splitsen voormalige boerderij in twee woningen
In artikel 19.6.2 zijn regels opgenomen waaraan woningsplitsing moet voldoen. Deze zijn:
In Hoofdstuk 5 zijn bovenstaande regels verder uitgewerkt.
Geluid is een belangrijke bron van hinder en zelfs een mogelijk gevaar voor de volksgezondheid. Naar schatting een miljoen mensen in Nederland ondervinden ernstige hinder van geluid. Belangrijke bronnen zijn wegverkeer en in mindere mate railverkeer en industrielawaai. Ook buren zijn belangrijke veroorzakers van geluidhinder. Het is daarom belangrijk om in het gemeentelijke geluidbeleid hinder ten gevolge van geluid te reduceren. Stilte (het ontbreken van hinderlijk geluid) is een belangrijke kernkwaliteit van de Achterhoek. Deze kwaliteit is het waard om beschermd te worden.
Daarnaast is het een belangrijke gemeentelijke taak om ruimte te bieden aan (geluidproducerende) bedrijvigheid en verkeer. Een goede balans daartussen is de uitdaging van het geluidbeleid.
Op 11 februari 2020 heeft de gemeenteraad het nieuwe 'Geluidbeleid Oost Gelre' vastgesteld. Met dit beleid worden de uitgangspunten en de normen van het Activiteitenbesluit als basis genomen voor het bepalen van de geluidnormen. Uitzondering hierop zijn agrarische bedrijven.
Het Activiteitenbesluit kent wat betreft geluidnormering maar twee gebiedstypes (bedrijventerrein en al het overige) met twee bedrijfstypes (agrarisch en tankstations) als uitzondering. Dit staat in schril contrast met het 'oude' geluidbeleid van Oost Gelre waarin negen verschillende gebiedstypes en vele (streef-, grens- en plafond) waarden werden aangeduid. Het Activiteitenbesluit is nu voor het overgrote deel van de bedrijven van toepassing.
Het geluid is nader beschreven in paragraaf 4.5 Geluid.
De gemeente heeft een inspiratiedocument Ruimte Oost Gelre opgesteld voor de kernen en buitengebied. Dit inspiratiedocument biedt een visie voor de toekomst van Oost Gelre door middel van het weergeven van de kwaliteiten. Het vormt een leidraad voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het inspiratiedocument vormt een belangrijke basis voor het welstandsbeleid. Immers daar zijn onze kernkwaliteiten beschreven. Het inspiratiedocument vormt een bijlage bij het welstandsbeleid. Het plan is voorgelegd aan de Welstandcommissie die toets aan het welstandsbeleid.
Het Rijk en de provincies leggen hun verkeer- en vervoersbeleid vast in een beleidsplan. Gemeenten zijn vrij in de manier waarop zij hun beleid vastleggen. Het is wel een verplichting om aan te geven hoe het verkeer- en vervoersbeleid in de gemeente wordt vormgegeven. Hiervoor heeft de gemeente, in navolging van het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoer Plan 2011-2015 (GVVP), het "Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014-2024" vastgesteld.
Het uitvoeringsprogramma heeft betrekking op de periode 2014-2018 en is geactualiseerd. Waar voorheen het GVVP zich vrijwel uitsluitend beperkte tot een aantal maatregelen die slechts betrekking hadden op de verkeersproblematiek, is nu gekozen voor een opzet die de oplossing van verkeers- en vervoersproblemen in een breder kader plaatst.
De hernieuwde insteek voorziet in een integrale benadering van het verkeer in een landschappelijke en ruimtelijke omgeving. Verkeer is vaak een afgeleide van ruimtelijke ontwikkelingen. Vanuit deze integrale benadering zijn er ambities, aandachtspunten en beleidsprincipes in beeld gebracht. Dit leidt tot een concreet uitvoeringsprogramma om de komende jaren aan te werken. In het uitvoeringsprogramma is ruimte geboden voor het inbrengen van (lokale) aandachtspunten door burgers/belangengroepen. Deze zijn geïnventariseerd en vervolgens opgenomen in het uitvoeringsprogramma.
In paragraaf 4.9 Verkeer en parkeren is het onderwerp verkeer en parkeren nader beschreven.
Het Landschapsontwikkelingsplan is een beleidsnota van de gemeente waarin het landschapsbeleid is vastgelegd. Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) biedt de mogelijkheid de landschappelijke eenheid en kwaliteit in de gemeente te versterken en toch ruimte te bieden aan bestaande bedrijven en nieuwe ontwikkelingen in de toekomst. In het LOP zijn elf landschapsensembles benoemd. Elk landschapsensemble kenmerkt zich door eigen karakteristieke landschapselementen. Het zijn meestal elementen die hier historisch gezien thuishoren, en soms varianten daarop die aansluiten bij het hedendaagse gebruik van het landschap. Die visie in het LOP is in hoofdlijnen: 'Groen licht voor het landschap, maar voor wat hoort wat!'
In het visiedeel van het landschapsontwikkelingsplan is aangegeven dat de Pastoor Deperinkweg 6-6a Mariënvelde in het landschaps-ensemble 'Kampenlandschap' is gelegen.
Hierbij geldt het motto: "Koppel de historische karakteristiek aan het eigentijdse gemengd bedrijf. Dat bevordert de leefbaarheid van deze cultuurlandschappen. Breng het water terug in de haarvaten tussen de buurtschappen met kerkepaden, overlopers en elzensingels'.
Op te poetsen parels
Te behouden en stimuleren landschapselementen:
Voor de voorgenomen ontwikkelingen op het perceel is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Het LOP alsmede de daarin genoemde parels en landschapselementen hebben de basis gevormd voor het opgestelde landschappelijk, voorzover van toepassing.
Het landschapsplan is als bijlage toegevoegd (Bijlage 1).
De gemeenten in de Achterhoek hebben gezamenlijk een visie voor het woonbeleid vastgesteld. Een demografische ontwikkeling in deze regio is dat het aantal inwoners in de komende periode langzaam maar zeker afneemt. In de Regionale Woonvisie wordt ingespeeld op die bevolkingsdaling en afname van het aantal huishoudens. Concreet betekent dit voor iedere gemeente in de Achterhoek dat de aangegeven bouwvolumes in de gemeentelijke woonvisies naar beneden bijgesteld moeten worden.
De gemeente Oost Gelre heeft een eigen woonvisie vastgesteld voor de periode 2016 - 2025 waarin de regionale woonvisie in is verweven. Deze is door de gemeenteraad vastgesteld op 20 september 2016.
Bij het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning is rekening gehouden met de vastgestelde woonvisie. In de Basis Administratie Gemeenten (BAG) is de bestaande voormalige boerderij opgenomen als een woning. De nieuwe wooneenheid wordt afzonderlijk beschouwd als een extra woning welke ten koste zal gaan van het toegekende woningcontingent voor de gemeente Oost Gelre. De gemeenteraad van Oost Gelre heeft aangegeven dat woningsplitsingen van voormalige boerderijen in het buitengebied doorgang moeten vinden. Nu ook de woningcontingenten door de provincie zijn losgelaten is woningsplitsing op dit perceel mogelijk. De ontwikkeling past daarom in de woningbouw- programmering zodat wordt voldaan aan het gestelde in de Woonvisie.
Algemene conclusie gemeentelijk beleid
Het gemeentelijk beleid vormt geen belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning.
Archeologie
Wettelijk kader
De Erfgoedwet bevat de implementatie in de Nederlandse wetgeving van het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed, (ook wel het verdrag van Malta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het Verdrag in 1992 door verschillende EU-lidstaten is ondertekend). De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen gronden, rekening te houden met de in de bodem aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden.
Archeologische waarden zijn in Nederland veelal onzichtbaar, omdat ze grotendeels verborgen liggen in de bodem, waardoor ze niet eenvoudig te karteren zijn. Voor de onbekende waarden heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IWAK) opgesteld. Voor de bekende waarden is de Archeologische Monumentenkaart (AMK) opgesteld.
Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden. De gemeente Oost Gelre heeft een archeologische beleidsadvieskaart. Op deze kaart is aangegeven welke gebieden archeologisch waardevol zijn en welke gebieden de verwachting hebben archeologisch waardevol te zijn. Het beleid dient door te werken in het bestemmingsplan. Bescherming (behoud/conservering) van gebieden met archeologische (verwachtings-)waarden is uitgangspunt bij de zorg voor het archeologische erfgoed in het plangebied.
Afhankelijk van de verstoring moeten de gebieden eerst nader worden onderzocht, voordat hier bebouwing of grondbewerking (=verstoring) plaatsvindt. Tijdens het onderzoek gevonden archeologische resten, moeten zo mogelijk onaangetast in de grond bewaard blijven of anders op verantwoorde wijze worden opgegraven. De kosten hiervan komen voor degene die de grond wil verstoren. Met behulp van een dubbelbestemming wordt voornoemde bescherming van archeologische waarden dan wel archeologische verwachtingswaarden in het bestemmingsplan geregeld.
Situatie plangebied
Het plangebied is gelegen in de in het bestemmingsplan voor 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2' aangewezen gronden. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen waarbij sprake is van het verrichten van bodemingrepen dieper dan 30 cm en een oppervlakte groter dan 2.500 m² dient de aanvrager een rapport te overleggen op basis van nader onderzoek, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.
Op het perceel vinden geen nieuwe bodemingrepen plaats nu alleen het achterhuis van de voormalige boerderij intern wordt verbouwd. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
Cultuurhistorie
Wettelijk kader
Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden meegewogen bij het vaststellen van ruimtelijke ingrepen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek.
Tot de overige cultuurhistorische waarden worden gerekend:
De intentie van het bevoegd gezag is gericht op behoud van bestaande traditionele boerderijen.
Situatie plangebied
De bestaande voormalige boerderij is niet aangemerkt als karakteristiek en/of monumentaal. De realisatie van een wooneenheid in het achterhuis van de voormalige boerderij heeft dan ook geen nadelige gevolgen voor de cultuurhistorie.
Conclusie
De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning.
Wettelijk kader
Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig.
Op 1 juli 2012 zijn in Oost Gelre de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart in werking getreden. De Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart zijn bedoeld om de omgang met grond goed te regelen. Op basis van de Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is het in veel gevallen mogelijk om het hergebruik van grond als bodem zonder extra keuringen toe te staan. Grondverzet op basis van de Nota Bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart is mogelijk binnen de volgende gemeenten: Aalten, Bronckhorst, Berkelland, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. De Nota Bodembeheer met bodemkwaliteitskaart vormt de basis van duurzaam bodembeheer binnen de regio Achterhoek.
Situatie plangebied
Om in beeld te brengen of ter plaatse van de Pastoor Deperinkweg 6-6a te Mariënvelde mogelijk sprake is van een afwijkende bodemkwaliteit, heeft de Omgevingsdienst Achterhoek een inventarisatie uitgevoerd:
Asbestdakenkaart Gelderland
Conclusie
Uit de bodeminventarisatie blijkt dat ter plaatse van de Deperinkweg 6-6a te Mariënvelde sprake is (geweest) van bodembedreigende activiteiten. Niet uitgesloten kan worden dat als gevolg hiervan bodemverontreiniging is ontstaan. Omdat het hier gaat om een inpandige verbouwing en geen sprake is van grondingrepen of kritischer gebruik van de buitenruimte is het uitvoeren van bodemonderzoek echter niet nodig.
Bij eventuele toekomstige bouw van een woon- of verblijfsruimte op het perceel schrijft de Bouwverordening/Woningwet voor dat bodemonderzoek verricht moet worden. Er moet dan verplicht getoetst worden of de bodemkwaliteit ter plaatse voldoet aan de wettelijke normen die gelden voor de gebruiksfunctie Wonen
Wettelijk kader
Bij externe veiligheid gaat het onder meer om productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door voldoende afstand aan te houden tussen deze activiteiten en 'gevoelige objecten' wordt voldaan aan de wettelijke normen.
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 27 oktober 2004 en de hierin opgenomen Regeling externe veiligheid inrichtingen, geeft aan welke activiteiten/bedrijven risicocontouren kennen, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het verlenen van vergunningen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
Het Bevi heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaarde maximum te beperken. Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen. Op vergelijkbare wijze zijn de aanvaardbare risico's, verbonden aan transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en het transport door buisleidingen, vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de daarbij behorende regelingen. Het doel wordt in Bevi, Bevt en Bevb vertaald naar de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico:
In Bevi, Bevt en Bevb zijn de risiconormen (plaatsgebonden risicoafstanden) wettelijk vastgelegd. Binnen deze afstanden mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht. Beperkt kwetsbare objecten mogen alleen onder zwaarwegende motieven binnen deze risicoafstanden. Er is in Bevi, Bevt en Bevb geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Derhalve is de risicokaart geraadpleegd.
Gemeentelijk externe veiligheidsbeleid
De gemeente Oost Gelre heeft in 2008 een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld.
Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten. Het externe veiligheidsbeleid is samengevat in onderstaand figuur.
Situatie plangebied
De N18 is aangewezen als een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Gezien de grote afstand tot de N18 en de hogedruk gasleiding (ruim 650 meter) wordt geen risico verwacht. Daarnaast zijn er in de directe nabijheid van het plangebied geen bedrijven aanwezig welke gevaar, schade of hinder voor de leefomgeving zullen veroorzaken.
Op het perceel Pastoor Deperinkweg 6-6a te Mariënvelde worden ook geen gevaarlijke en/of ontplofbare stoffen opgeslagen of verhandeld, zodat aanvullend onderzoek naar externe veiligheid niet noodzakelijk is.
Rode stippelijn is gasleiding, paarse stip is plangebied
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning.
Wettelijk kader
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wnb. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort.
Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de provinciale Omgevingsvisie en -verordening.
Gebiedsbescherming
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voormalig EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN.
De provincie Gelderland streeft naar het veiligstellen van de verscheidenheid (biodiversiteit) en kwaliteit van de Gelderse natuur. Hiertoe zet de provincie in op de realisatie van een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden. Dit wil de provincie bereiken door de bestaande natuur in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) te beschermen en de samenhang te versterken door het uitbreiden van natuurgebieden in het GNN en het aanleggen van verbindingszones in de Groene Ontwikkelingszone (GO). Dit vindt plaats in de Omgevingsverordening Gelderland. De GNN en GO kennen formeel geen externe werking.
Natura 2000
Natura 2000-gebieden zijn door de Europese Unie (EU) aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Binnen deze gebieden mogen geen significant negatieve effecten optreden vanwege nieuwe ontwikkelingen.
Afbeelding Ligging Natura 2000-gebieden binnen de gemeente en in de omgeving, bron http://natura2000.eea.europa.eu/
Soortenbescherming
Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen:
Voor een groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb.
Situatie plangebied
Door Natuurbank Overijssel is een Quickscan natuurwaarden uitgevoerd. De gegevens zijn opgenomen in een onderzoeksrapport met nummer 3141, versie 1.0, d.d. 24 februari 2021. Doel van het onderzoek is te beoordelen of er kans is op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura2000 en het Gelders Natuurnetwerk.
Het onderzoek is als bijlage toegevoegd (Bijlage 2).
Conclusie
Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geen externe werking kent. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de uitvoering van voorgenomen activiteiten wordt uitgesloten. Nader onderzoek, zoals het uitvoeren van een stikstofberekening wordt niet noodzakelijk geacht.
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten en tot een weinig geschikt leefgebied voor beschermde dieren.
Het plangebied wordt niet benut als foerageergebied door beschermde dieren en beschermde dieren bezetten gaan vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied.
Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van soort- of gebiedsbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeven geen maatregelen genomen te worden in het kader van de zorgplicht.
Programma aanpak stikstof
De overheid wil de hoeveelheid stikstof in de natuur (stikstofdepositie) terugdringen. Daarvoor introduceerde zij in 2015 het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Dit programma was ook gericht op het versterken van de natuur en het maakte tegelijkertijd economische ontwikkeling mogelijk. Dit deed het PAS door:
Op deze manier bood het PAS ruimte aan nieuwe activiteiten die stikstof uitstoten.
Door uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is de PAS vernietigd, met name het rekenprogramma Aerius, en niet meer bruikbaar. Dit wil zeggen dat aan ruimtelijke initiatieven, waarbij een toename van stikstofuitstoot zal plaatsvinden, geen medewerking kan worden verleend.
Per 16 september 2019 is een aangepaste versie van het rekenprogramma Aerius beschikbaar. Met behulp hiervan kan de stikstofuitstoot van een planontwikkeling worden berekend. Heeft de planontwikkeling geen toename van stikstof op nabij gelegen natuurgebieden tot gevolg dan kan aan de planontwikkeling worden meegewerkt.
Ten behoeve van de ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de afvoer van sloopmateriaal en de aanvoer van bouwmaterialen en het vervoer van materieel en personeel. Ook tijdens de gebruiksfase neemt het aantal verkeersbewegingen toe ten opzichte van de huidige situatie. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de forse afstand tussen plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand worden uitgesloten.
Wettelijk kader
Voor de beoordeling van het onderwerp geluid gelden bij ruimtelijke besluiten de volgende uitgangspunten:
Situatie plangebied
1. Wet geluidshinder
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen voor geluidgevoelige bestemmingen (zoals woningen) is de Wet geluidhinder van toepassing. De Wet geluidhinder kent drie geluidbronnen waar geluidzones voor gelden:
railverkeerslawaai;
wegverkeerslawaai:
industrielawaai.
Wanneer een ontwikkeling in een zone valt zoals aangegeven in de Wet geluidhinder, moet akoestisch worden aangetoond dat aan de grenswaarden in deze wet wordt voldaan. Wordt niet voldaan aan deze grenswaarden, dan hebben Burgemeester en Wethouders onder voorwaarden de mogelijkheid hogere grenswaarden vast te stellen. Hierbij wordt een procedure doorlopen die aan de eisen van de Wet geluidhinder moet voldoen.
Woning of ander geluidgevoelig gebouw
De ontwikkeling betreft een woningsplitsing. Hierdoor wordt een nieuwe woning gerealiseerd. De Wet geluidhinder kan van toepassing zijn.
Railverkeerslawaai
In de omgeving van het plan bevindt zich geen spoorweg. Het onderdeel railverkeerslawaai van de Wet geluidhinder is niet van toepassing.
Industrielawaai
In de omgeving van het plangebied bevindt zich geen gezoneerd industrieterrein. Het onderdeel industrielawaai van de Wet geluidhinder is niet van toepassing.
Verkeerslawaai
In de omgeving van het plan bevinden zich wegen met een wettelijk zone. De Pastoor Deperinkweg is buiten de bebouwde kom een 60 km/uur weg met een zonebreedte van 250 meter. Het plangebied ligt binnen deze zone. De Beenekussteeg is buiten de bebouwde kom een 60 km/uur weg met een zonebreedte van 250 meter. Het plangebied ligt binnen deze zone.
| Zonebreedte voor een weg, bestaande uit | stedelijk gebied | buitenstedelijk gebied |
| een of twee rijstroken of een of twee sporen | 200 meter | 250 meter |
| drie of meer rijstroken of drie of meer sporen | 350 meter | 400 meter |
Voor wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt geen wettelijke geluidzone. Voor een ontwikkeling binnen de zone van wegen moet akoestisch onderzoek aantonen dat het verkeerslawaai op de gevel van (bijvoorbeeld) de woning voldoet aan de grenswaarde uit de Wet geluidhinder. Voor woningen en andere geluidgevoelige gebouwen binnen een zone geldt een voorkeurswaarde van ten hoogste 48 dB.
Het plangebied ligt op 210 meter van de Pastoor Deperinkweg en op 230 meter van de Beenekussteeg.
Dit betreffen 60 k/uur wegen. Het wegdek is standaard asfalt. De verkeersintensiteit op deze wegen is gering en is zeker minder van 5.000 motorvoertuigen per etmaal. De geluidbelasting van beide wegen ligt ruimt onder de 40 dB. Een hogere waarde en nader akoestisch onderzoek zijn niet nodig.
2. Belemmering bedrijfsvoering
Door een ruimtelijke ontwikkeling kunnen geluidgevoelige objecten dichter naar bedrijven toe komen. Bedrijven moeten ten aanzien van deze objecten voldoen aan geluidnormen. Het realiseren van geluidgevoelige objecten dichter naar de bedrijven kan een beperking voor de bedrijven betekenen. Of deze beperking ook leidt tot directe gevolgen voor de bedrijfsvoering, dient te worden vastgesteld. In dergelijke gevallen is akoestisch onderzoek nodig om te onderzoeken welke geluidsbelasting het bedrijf op het plangebied heeft.
Blijkt uit het onderzoek dat de bedrijven ook in de nieuwe situatie kunnen voldoen aan de gestelde geluidnormen, dan is in feite voldaan aan dit punt.
In de omgeving bevinden zich op een afstand van meer dan 200 meter bedrijven. Gelet op deze afstand en de aard van de bedrijven worden deze niet belemmerd.
Op ongeveer 80 meter van de af te splitsen woning ligt een voetbalveld. De richtafstand van een veldsportcomplex met verlichting bedraagt voor geluid 50 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan.
3. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat
Afgewogen moet worden of er in en om de geluidgevoelige objecten een goed woon- en leefklimaat blijft gegarandeerd. Dit aspect speelt wanneer geluidgevoelige objecten en geluid producerende objecten als bedrijven en wegen in elkaars nabijheid worden gerealiseerd. Om hierover een goed oordeel te kunnen vormen dient te worden bepaald wanneer sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Wanneer een gemeente geluidbeleid heeft vastgesteld kunnen daarin geluidnormen zijn opgenomen. Voor rail- en wegverkeerslawaai kan aansluiting worden gezocht bij de normen in de Wet geluidhinder. Ook als er sprake is van een industrieterrein in of rond een plangebied kent de Wet geluidhinder normen. Voor het overige lawaai van bedrijven kennen de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Activiteitenbesluit en de Handleiding Industrielawaai en vergunningverlening regels en normen.
Uit vaste jurisprudentie blijkt dat bij ruimtelijke plannen verder moet worden gekeken dan de normen uit de diverse wetten. De VNG-publicatie “bedrijven en milieuzonering” is hiervoor een hulpmiddel. Wanneer aan de richtafstanden van deze publicatie wordt voldaan is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wordt niet voldaan aan de richtafstanden dan dient de situatie akoestisch te worden bepaald en afgewogen.
Bij de afweging of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ook in een nieuwe situatie aanwezig blijft, moet de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' worden betrokken.
Het geluidbeleid is maatgevend voor het bepalen van het woon- en leefklimaat van activiteiten in de omgeving. Hier wordt in volgende paragrafen aan getoetst.
4. Geluidbeleid
Het geluidbeleid van de gemeente Oost Gelre is in 2020 herzien. Het beleid dient als basis voor de vergunningverlening milieu. Bij ruimtelijke procedures moet breder worden getoetst dan alleen dit Geluidbeleid. Ten aanzien van het woon- en leefklimaat wordt in eerste instantie getoetst aan de VNG-publicatie. Als aan deze brochure wordt voldaan kan worden gesteld dat wat betreft geluid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig is. Kan niet worden voldaan aan de brochure dan kan dit geluidbeleid een aanvullend toetsingskader bieden.
Met dit beleid worden de uitgangspunten en de normen van het Activiteitenbesluit als basis genomen voor het bepalen van de geluidnormen bij de vergunningverlening milieu.
Waarden op woningen en geluidgevoelige objecten in dB(A
| Standaard- en grenswaarden gehele gemeente alle gebieden in dB(A) | ||||||
| Aard bedrijf / gebied | LAr,LT 1 | LAmax 2 | LAr,LT 1 | LAmax 2 | LAr,LT 1 | LAmax 2 |
| Agrarische bedrijven3 | 6:00-19:00 | 19:00-22:00 | 22:00-6:00 | |||
| Standaardwaarden | 45 | 70 | 40 | 65 | 35 | 60 |
| Grenswaarden bestaande bedrijven4 | 50 (35*) | 75 (55) | 45 (30*) | 70 (50) | 40 (25*) | 65 (45) |
| Overige bedrijven, overig terrein | 7:00-19:00 | 19:00-23:00 | 23:00-7:00 | |||
| Standaardwaarden | 50 | 70 | 45 | 65 | 40 | 60 |
| Grenswaarden bestaande bedrijven4 | 55 (35*) | 75 (55) | 50 (30*) | 70 (50) | 45 (25*) | 65 (45) |
tussen haakjes de binnenniveaus in een gevoelige ruimte van een geluidgevoelig object die van toepassing zijn bij het op basis van een bestuurlijke afweging toekenning van hogere waarden dan de standaardwaarden.
1 De langtijdgemiddelde geluidniveaus LAr,LT van stemgeluid bij vergunningverlening uitgezonderd, maar wordt bij ruimtelijke beoordelingen niet uitgezonderd.
2 De maximale geluidniveaus LAmax van laden en lossen worden bij vergunningverlening uitgezonderd, maar wordt bij ruimtelijke beoordelingen niet uitgezonderd.
3 De langtijdgemiddelde geluidniveaus LAr,LT van mobiele bronnen wordt bij vergunningverlening en bij en ruimtelijke beoordelingen meegenomen.
4 De grenswaarden kunnen ook van toepassing zijn op voormalige (eigen) bedrijfswoningen en (voormalige) bedrijfswoningen van derden.
*Het college kan, als voorzieningen niet mogelijk zijn, een LAr,LT niet hoger dan 40 dB(A) etmaalwaarde als acceptabel aanmerken.
In de omgeving bevinden zich op een afstand van meer dan 200 meter bedrijven. Gelet op deze afstand en de aard van de bedrijven worden deze niet belemmerd.
De richtafstanden volgens de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is.
Op ongeveer 80 meter van de af te splitsen woning ligt een voetbalveld. De richtafstand van een veldsportcomplex met verlichting bedraagt voor geluid 50 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Voldaan wordt aan de richtafstanden van de VNG-brochure.
Indicatieve berekening
Uit het trainingsschema HMC'17-def.xlxs blijkt dat de donderdagavond maatgevend is.
| Donderdag | Starttijd | Eindtijd | Veld | Personen |
| JO13-1 | 1900 | 2000 | Mariënvelde 2 | 15 |
| MO15-1 | 1900 | 2000 | Mariënvelde 2 | 15 |
| 5 (zon) | 2000 | 2130 | Mariënvelde 2 | 15 |
| 6 (zon) | 2000 | 2130 | Mariënvelde 2 | 25 |
Veld Mariënvelde 2 betreft het veld op 80 meter van de af te splitsen woning. Er zijn 1 uur 30 personen aan het trainen en 1,5 uur 40 personen aan het trainen in de avondperiode. Gemiddeld 2,5 uur 36 personen verspreid over het veld.
In de afbeelding hiernaast zijn 36 puntbronnen (rode *) met een bronvermogen van 75 dB(A) (gemiddelde stemmen van voetballers en trainer) verdeeld over het trainingsveld.
De geluidbelasting bedraagt hooguit 38 dB(A) in de avond op 5 meter hoogte op de af te splitsen woning. Aan de standaardwaarde van 45 dB(A) in de avondperiode wordt voldaan. Ook aan de standaardwaarden voor agrarische bedrijven wordt voldaan. Daarmee wordt voldaan aan het geluidbeleid.
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering op de te verlenen omgevingsvergunning.
In de directe omgeving van het plangebied Pastoor Deperinkweg 6-6a bevinden zich op een afstand van meer dan 200 meter bedrijven. Bij ruimtelijke besluitvorming is het volgende belangrijk:
Hiervoor is het nodig om voldoende afstand aan te houden tussen veehouderijen en geurgevoelige objecten.
De afstand van het nieuwe woonhuis tot aan deze veehouderijbedrijven is dermate groot dat overlast, zijnde geur en geluid, van deze veehouderijen niet is te verwachten. Een goed woon- en leefklimaat is dan ook gewaarborgd. Ook zal de nieuwe wooneenheid geen beperking zijn voor toekomstige ontwikkelingen van omliggende bedrijven..
Conclusie
Het aspect geur vormt geen directe belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning.
Wettelijk kader
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 Rg/m³, NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.
Situatie plangebied
Het voorgenomen plan betreft het wonen in een voormalige boerderij. Hierbij is geen sprake van een significante verkeersaantrekkende werking. Het voorgenomen plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging en is daarmee uitvoerbaar.
Conclusie
Het aspect luchtkwalit vormt geen belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning.
De omgevingsvergunning, waarin ruimtelijke belangen worden geborgd, is het resultaat van een integrale ruimtelijke afweging. In deze integrale afweging worden ook alle milieuonderwerpen meegewogen, los van de wettelijke verplichtingen van de milieueffectrapportage. Welke milieuonderwerpen vanuit een duurzame ruimtelijke ordening voor een plangebied van belang zijn, moet per plan in beeld worden gebracht. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen zijn afhankelijk van het gebied en de opgave en eventuele wettelijke eisen.
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een omgevingsvergunning kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:
Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het omgevingsvergunning genoemd is in kolom 3 (plannen).
Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het omgevingsvergunning genoemd is in kolom 4 (besluiten).
Ad.a: Wanneer uit een toets blijkt dat de activiteit (mogelijk) significante negatieve effecten tot gevolg heeft, dan kan een vergunning alleen worden verleend als uit een passende beoordeling blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast. Onderdeel van de passende beoordeling vormt de ADC-toets. De ADC-toets houdt een onderzoek in naar Alternatieven, het aantonen van Dwingende redenen van openbaar belang en het vooraf en tijdig treffen van Compenserende maatregelen.
Het Natura 2000-gebied, het Korenburgerveen, is gelegen op ruim 11 km van de te splitsen woning op het perceel aan de Pastoor Deperinkweg 6-6a te Mariënvelde. De gesplitste woning heeft geen negatieve effecten op de instandhoudings doelstellingen voor dit Natura 2000-gebied ook mede gezien de relatief grote afstand. Een passende beoordeling is dan ook niet noodzakelijk.
Ad.b. en c.: splitsing van een woning, waarbij een nieuwe wooneenheid wordt toegevoegd, wordt niet als zodanig genoemd in de onderdelen C en D van de bijlage van het besluit milieueffectrapportage genoemde kolommen 3 en 4. Een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht is dan ook niet nodig.
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Voor elk besluit dat betrekking heeft op activiteiten(en) die voorkomen op de D-lijst (kolom 2) die onder de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
Het toevoegen van één woning wordt niet genoemd in kolom 2 van de D-lijst in het Besluit m.e.r. zodat een vormvrije m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk is.
Conclusie
Een milieueffectrapportage, zowel milieueffectrapportageplicht, -beoordeling als -vormvrij, is niet nodig nu de gewenste activiteiten op perceelsniveau niet onder de genoemde drempelwaarden vallen en/of worden genoemd.
Daarnaast is een passende beoordeling op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied niet noodzakelijk.
Verkeer
Het plangebied wordt ontsloten via de Pastoor Deperinkweg. Dit is een doorgaande weg in het buitengebied. Meerdere woningen van derden en agrarische bedrijven worden ontsloten via deze weg. Het verkeer naar en afkomstig van het plangebied maakt hiervan deel uit. Door het gewijzigd gebruik van de voormalige boerderij zal het verkeer op de Pastoor Deperinkweg niet toenemen. Er wijzigt namelijk niets aan de feitelijke situatie.
Parkeren
De nota ‘Parkeernormen gemeente Oost Gelre’ is een nadere uitwerking van het parkeerbeleid zoals dat is opgenomen in het integraal verkeersprogramma. In deze nota is een eenduidig toepassingskader vastgelegd van de parkeernormen. Tevens zijn in deze nota de toe te passen parkeernormen van de gemeente Oost Gelre vastgelegd.
Het hanteren van parkeernormen is van belang om de vraag naar en aanbod van parkeerplaatsen met elkaar in evenwicht te houden. Bij bouwplannen (nieuwbouw, verbouw, herontwikkeling etc.) kan extra parkeerbehoefte ontstaan. De hoeveelheid en de kwaliteit van de extra te realiseren parkeer-plaatsen wordt berekend aan de hand van parkeernormen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet de initiatiefnemer in principe op eigen terrein in de eigen parkeerbehoefte voorzien. Hierdoor wordt een verhoging van de parkeerdruk in de openbare ruimte voorkomen.
Binnen het plangebied is voldoende parkeergelegenheid aanwezig.
Conclusie
Verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning. Er wordt gebruik gemaakt van een bestaande in- en uitrit ontsloten via de Pastoor Deperinkweg. Parkeren geschiedt op eigen terrein.
Wettelijk kader
Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten.
Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.
De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk in het plangebied wordt vastgehouden in de bodem (infiltratie) en in het oppervlaktewater wordt geborgen. Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd.
Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
In de stroomgebiedsvisie (Provincie Gelderland in nauwe samenwerking met de waterschappen en de Directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat) staan zowel bestaand beleid als suggesties voor nieuw waterbeleid, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke aspecten van dit waterbeleid.
De stroomgebiedsvisie geeft inzicht in de aard en omvang van de wateropgaven die relevant zijn. Het accent in de wateropgaven voor de Achterhoek en Liemers ligt op het voorkomen van wateroverlast en herstel c.q. bescherming ecologisch waardevolle wateren en natte landnatuur. Ter voorkoming van huidige en toekomstige wateroverlast is in en langs bestaande waterlopen naar oplossingen gezocht (verbreden, verondiepen, hermeanderen). Het beleid gaat uit van:
een goede kwaliteit van het water (grond- en oppervlaktewater);
Situatie plangebied
Het waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel als hulpmiddel voor het opstellen van de waterparagraaf. De vragen zijn bedoeld om een beoordeling te kunnen geven van de feitelijke, fysiek-technische situatie, maar ook om te kunnen beoordelen of de situatie zich verhoudt tot het waterbeleid van Rijk, provincie en waterschap. De vragen zijn zodanig opgesteld dat als een vraag met ja wordt beantwoord het waterthema relevant is. De relevante thema's worden na de watertoetstabel behandeld. Met de omgevingsvergunning wijzigt het gebruik op de percelen niet. Hierdoor zijn een aantal thema's minder relevant.
| Thema | Toetsvraag | Relevant |
| HOOFDTHEMA'S | ||
| Veiligheid |
1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of regionale waterkering? 2. Ligt in of nabij het plangebied een kade? |
Nee Nee |
| Riolering en Afvalwaterketen | 1. Is er toename van het afvalwater (DWA)? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap? |
Nee Nee Nee |
| Wateroverlast (oppervlaktewater) |
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak? 2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 3. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? |
Nee Nee Nee |
| Grondwater- overlast |
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzone van de Rijn of IJssel? 3. Is in het plangebied sprake van kwel? 4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren? |
Nee Nee Nee Nee |
| Oppervlakte- waterkwaliteit |
1. Wordt vanuit het plangebied water op oppervlaktewater geloosd? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een Strategisch actiegebied? |
Nee Nee Nee |
| Grondwaterkwaliteit | 1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? | Nee |
| Volksgezondheid |
1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde of verbeterde gescheiden stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? |
Nee Nee |
| Verdroging | 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte natuur? | Nee |
| Natte natuur | 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte natuur? |
Nee Nee |
| Inrichting en beheer | 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? |
Nee Nee |
| AANDACHTSTHEMA'S | ||
| Recreatie | 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? | Nee |
| Cultuurhistorie | 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig? | Nee |
Geen van de bovenstaande vragen is beantwoord op 'ja'.
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning.
De voorgenomen ontwikkeling wordt getoetst aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid voor woningsplitsing binnen de bestemming 'Wonen'. De onderzoeksresultaten uit het vorige hoofdstuk worden hierin meegenomen.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het splitsen van een voormalige boerderij in twee woningen, met dien verstande dat:
Ad a. de inhoud van het te splitsen gebouw (dus zonder vrijstaande stallen, schuren en loodsen e.d.) niet minder bedraagt dan 900 m3.
Het woonhuis met deel en voormalig achterhuis heeft een inhoud van meer dan 900 m3. Aan deze voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid wordt dus voldaan.
Ad b. bij alle woningen 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken is toegestaan, met dien verstande dat het achtererfgebied voor niet meer dan 50% mag worden bebouwd; er sprake is van een landschappelijke inpassing door middel van erfinrichtingsplan; uit een door het college goedgekeurd plan voor erfinpassing blijkt dat het erf en de omliggende gronden landschappelijk worden versterkt.
Door splitsing van de voormalige boerderij ontstaan twee wooneenheden waarbij per wooneenheid 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken is toegestaan, in totaal dus 300 m2, gelegen in het achtererfgebied. De al aanwezige bijbehorende bouwwerken zijn gelegen in het achtererfgebied en beslaan een gezamenlijke oppervlakte van minder dan 300 m2.
Aan deze voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid wordt dus voldaan.
Ad c. de wijziging mag niet leiden tot aantasting van landschappelijke waarden en natuurwaarden, waarvan laatstgenoemde door middel van onderzoek dient te worden aangetoond.
Bij het verzoek is een landschappelijk inpassingsplan overlegd. Het perceel wordt hierbij landschappelijk ingepast zodat geen aantasting van natuurwaarden en landschappelijke waarden zal plaatsvinden maar eerder van versterking hiervan. Daarnaast blijkt uit onderzoek dat natuurwaarden niet worden aangetast.
Aan deze voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid wordt dus voldaan.
Ad d. de wijziging geen onevenredige aantasting tot gevolg heeft voor:
Deze genoemde aspecten zijn besproken en uitgelegd in Hoofdstuk 4. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er geen onevenredige aantasting is van deze aspecten.
Aan deze voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid wordt dus voldaan.
Ad e. het (wijzigings-)plan per saldo een positief effect heeft op de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied en de omgeving. Burgemeester en wethouders kunnen voorschriften verbinden aan het wijzigingsplan ter bevordering van de kwaliteit van de omgeving.
Het inpassen van het erf heeft een positieve invloed op de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied en de omgeving.
Aan deze voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid wordt dus voldaan.
Uit bovenstaande blijkt dat het plan voldoet aan de in het geldende bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid.
Het project en bijbehorende procedure worden door verzoeker bekostigd. Indien het project aanleiding geeft tot vergoeding van planschade (artikel 6.1 Wro) zullen de kosten worden doorberekend aan verzoeker. Ten behoeve van het project is een anterieure overeenkomst afgesloten met verzoeker inzake planschade.
De omgevingsvergunning voorziet in splitsing van de voormalige boerderij in twee wooneenheden, waarbij sprake is van een bouwactiviteit zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waardoor voor de betrokken gronden een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro dient te worden vastgesteld. Burgemeester en Wethouders mogen, op grond van artikel 6.12 Wro, echter afzien van een exploitatieplan indien het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderzins verzekerd is. Met verzoeker is een anterieure overeenkomst afgesloten waarin is opgenomen dat de te maken kosten, waaronder eventuele planschade, voor rekening van verzoeker zijn. Burgemeester en wethouders achten het plan economisch uitvoerbaar. Het vaststellen van een exploitatieplan is niet nodig.
Het ontwerp heeft op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegen van 2 juli 2021 tot en met 13 augustus 2021. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Binnen het plan zijn geen nationale en provinciale belangen in het geding. Vooroverleg met de Vrom-inspectie en de provincie Gelderland is dan ook geen verplichting. Daarnaast zijn er geen wateraspecten in het geding waardoor er geen vooroverleg hoeft te worden gevoerd met het Waterschap Rijn en IJssel.
Zowel de Provincie als het Waterschap hebben een kennisgeving ontvangen van het ontwerp. De opmerking van de Provincie over de verkeerde datum van de Omgevingsverordening (maart 2021 in plaats van december 2018) is verwerkt in de ruimtelijke onderbouwing behorend bij de omgevingsvergunning.