| Plan: | omgevingsvergunning uitbreiden schuur de Stegge 8 Lievelde |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | omgevingsvergunning |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1586.PBBUI1514-VG01 |
| omgevingsvergunning uitbreiden schuur de Stegge 8 Lievelde |
| omgevingsvergunning |
| februari 2017 |
| Inlichtingen: |
| Afdeling Omgeving |
| Mevr. H. Smeenk |
| Telefoonnummer 0544-393478 |
Op 21 februari 2017 is bij de gemeente Oost Gelre een aanvraag om omgevingsvergunning ingekomen voor de uitbreiding van een schuur op het perceel de Stegge 8 te Lievelde. De schuur wordt momenteel gebruikt als bouwlocatie voor corsowagens. Omdat de huidige omvang van de schuur onvoldoende is, is gevraagd om de schuur te mogen verlengen. De afgelopen jaren is gewerkt met een tent die aan de achterzijde van de schuur werd geplaatst. Om veilige werkomstandigheden te kunnen bieden is het wenselijk de tent te vervangen door een permanente schuur. De uitbreiding sluit qua bouwstijl en goot- en nokhoogte aan op de bestaande bebouwing.
Het perceel de Stegge 8 ligt op circa 700 meter ten westen van Lievelde. De omgeving wordt gekenmerkt voor een combinatie van wonen en agrarische bedrijven.
Omgeving plangebied
Plangebied
In dit hoofdstuk worden de uitgangspunten van het voorliggende plan beschreven.
Eén van de schuren op het perceel wordt momenteel gebruikt als bouwlocatie voor corsowagens. Corsogroep Teeuws maakt gebruik van deze locatie. Op het perceel is momenteel ruim 400 m2 aan bijbehorende bouwwerken bij de woning aanwezig.
Omdat de huidige omvang van de schuur onvoldoende is, is gevraagd om de schuur te mogen verlengen. De afgelopen jaren is gewerkt met een tent die aan de achterzijde van de schuur werd geplaatst. Corsowagens worden steeds groter, de huidige schuur met tent volstaan niet meer. De bestaande deuren leveren een breedtebeperking voor de wagen op. Om veilige werkomstandigheden te kunnen bieden is het wenselijk de tent te vervangen door een permanente schuur. De steigers kunnen in een schuur hoger opgeboouwd worden. Zo kan kan ook veilig gewerkt worden aan het hoogste deel van de corsowagen. Daarnaast biedt een schuur de mogelijkheid om de bouwlocatie af te sluiten.
De uitbreiding sluit qua bouwstijl en goot- en nokhoogte aan op de bestaande bebouwing en is ruim 70 m2 groot.
Links het huidige aanzicht (bouwen in een tent), rechts het aanzicht na de gewenste uitbreiding.
Maten van de uitbreiding.
De bestemmingsplannen "Buitengebied Oost Gelre 2011" en "Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre" zijn van toepassing op dit perceel. Het perceel heeft de bestemming "Wonen". Binnen deze bestemming is maximaal 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken bij een woning toegestaan. Daarnaast ligt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2' op het perceel.
Plankaart uit vigerende bestemmingsplan
Voorwaarde voor de uitbreiding is dat er landschappelijke inpassing plaatsvindt. Het perceel de Stegge 8 zelf is al goed ingepast. Daarom is gekeken of er in de omgeving mogelijkheden liggen om het landschap te versterken. Deze mogelijkheid is gevonden op het nabijgelegen perceel de Stegge 4. Op dit perceel gaat in het kader van functieverandering (stallen slopen in ruil voor een nieuwe woning en een nevenfunctie) landschappelijke inpassing. In overleg met de eigenaren van dit perceel is overeengekomen dat zij een groter deel van hun grond beschikbaar stellen voor landschappelijke inpassing. Corsogroep Teeuws neemt samen met een corsogroep Lansink-Bluimink een deel van deze landschappelijke inpassing op zich. De in het landschapsplan opgenomen singels met een lengte van 110 meter en 57 meter en een 14-tal solitaire bomen worden aangeplant door beide groepen. Zij betalen daarvoor ook een deel van de kosten.
Daarmee voldoet het plan aan de eis dat landschappelijke inpassing plaats moet vinden. Het landschapsplan is opgenomen als Bijlage 4 Landschapsplan. De afspraken zijn daarnaast vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst met de betrokken partijen.
De bestaande schuur wordt aan de achterzijde verlengd. Qua bouwstijl en goot- en nokhoogte sluit de uitbreiding aan op de bestaande bebouwing. De in het bestemmingsplan toegestane nokhoogte wordt met 2 meter overschreden. Daarmee wordt aangesloten bij de bestaande hoogtes en wordt voorkomen dat een storende verspringing in de hoogtes plaats gaat vinden. De welstandscommissie is op 9 maart 2017 akkoord gegaan met het bouwplan.
Voor het gebied geldt een groot aantal juridische- en beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste samengevat die relevant zijn voor het plangebied.
Provinciale Staten hebben op 22 december 2015 de Omgevingsverordening vastgesteld. In de Omgevingsverordening staan de regels die horen bij de Omgevingsvisie. De regels uit de Omgevingsverordening stellen de provinciale belangen veilig omdat bestemmingsplannen en projectafwijkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen hieraan moeten voldoen.
Het plangebied ligt niet in een gebied waarvoor de regels van de Omgevingsverordening van toepassing zijn.
De bestemmingsplannen "Buitengbied Oost Gelre 2011" en "Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre" zijn van toepassing op dit perceel. Het perceel heeft de bestemming "Wonen". Binnen deze bestemming is maximaal 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken bij een woning toegestaan. Daarnaast ligt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2' op het het perceel.
Op 20 september 2016 heeft de gemeenteraad de beleidsregels 'maatwerk nieuwbouw voor bloemencorso' vastgesteld. De beleidsregels zijn opgesteld omdat in een aantal gevallen de maximale toegestane oppervlakte bijbehorende bijgebouwen niet volstaat. In een aantal gevallen is het wenselijk om een grotere oppervlakte toe te staan. In de beleidsregels zijn voorwaarden voor dit soort situaties opgenomen. Het hoofdprincipe is dat om de toegestane oppervlakte bijbehorende bouwwerken te verruimen op een andere locatie gesloopt moet worden. De voorwaarden om een grotere oppervlakte dan 200 m2 bijbehorende bouwwerken luiden als volgt:
Toetsing aan de beleidsregels:
Op de locatie de Stegge 8 is momenteel ruim 400 m2 aan bijbehorende bouwwerken aanwezig. Om uit te kunnen breiden ten behoeve van de corsowagenbouwlocatie moet de beleidsregel toegepast worden.
Om op de locatie de Stegge 8 uit te kunnen breiden wordt op het naburige perceel de Stegge 4 circa 300 m2 aan stallen (deze zijn niet karakteristiek) gesloopt. Op de slooplocatie vindt daarnaast landschappelijke inpassing plaats. Het oorspronkelijke landschapsplan (dat alleen voor de plannen van de Stegge 4 ingezet zou worden) is verruimd. De extra landschappelijke inpassing die op de gronden ten noorden van de Stegge 4 plaatsvindt wordt ingezet om de vereiste landschappelijke inpassing voor de corsowagenbouwlocaties de Stegge 8 en de Oude Aaltensweg 41 bij Lichtenvoorde te realiseren. Op deze manier kan voor drie plannen/locaties in de landschappelijke inpassing worden voorzien. Het landschapsplan heeft door het combineren van drie opgaven een dusdanige omvang dat het een flinke bijdrage kan leveren aan de ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden in de omgeving van de Stegge. Uitvoering van dit landschapsplan versterkt ook de bestaande natuurgebiedjes die in de omgeving liggen.
Aan de voorwaarden die betrekking hebben op het gebouw wordt ook voldaan.
Voor het perceel de Stegge 4 wordt een bestemmingsplan voorbereid. Met dat bestemmingsplan wordt het agrarisch bouwvlak omgezet in een woonbestemming. In dat bestemmingsplan wordt geregeld dat een groot deel van de bestaande bebouwing gesloopt wordt. De bouwtitel op de slooplocatie komt daarmee te vervallen.
Het landschapsplan is als Bijlage 4 Landschapsplan bij deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen.
De afspraken over de landschappelijke inpassing worden daarnaast in een privaatrechtelijke overeenkomst met de betrokken partijen vastgelegd.
Met deze vergunning wordt geen permanente verblijfsruimte voor mensen opgericht. Het historisch gebruik van het perceel geeft geen aanleiding om te vermoeden dat er sprake zou kunnen zijn van een bodemverontreiniging. Het is dan ook niet nodig om een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren.
Eind 2000 heeft het kabinet het standpunt "Anders omgaan met water" vastgesteld. Het op een andere manier omgaan met water én ruimte is nodig om in de toekomst bescherming te bieden tegen overstromingen en wateroverlast. De watertoets is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. De toets heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De watertoets heeft betrekking op alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik van de grond in het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied. Voorbeelden van deze aspecten zijn: veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie "Vasthouden-Bergen-Afvoeren" staat hierbij centraal. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt "stand still - step forward". Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvaten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem.
Het waterschap streeft naar schoon water, levend water en functioneel water. Het watersysteem dient optimaal afgestemd te zijn op de ruimtelijke functies van een gebied. Aandachtspunten zijn het verbeteren van waterkwaliteit (terugdringen van oppervlaktewatervervuiling) en het voorkomen van wateroverlast. In zowel landelijk- als stedelijk gebied kunnen ruimtelijke ontwikkelingen een positief maar ook een negatief effect hebben op het watersysteem. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling per waterthema afgewogen.In het stedelijke gebied is de waterhuishouding in eerste instantie gericht op het voorkomen van (grond)wateroverlast.
| Thema | Toetsvraag | Relevant |
| HOOFDTHEMA'S | ||
| Veiligheid |
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering (primaire waterkering, regionale waterkering of kade)? 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? |
Nee Nee |
| Riolering en Afvalwaterketen | 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap? |
Nee Nee Nee |
| Wateroverlast (oppervlaktewater) |
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2.500 m2? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen en overstromingsvlaktes? |
Nee Nee Nee Nee |
| Oppervlaktewater-kwaliteit | 1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? |
Ja |
| Grondwater- overlast |
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? |
Nee Nee Nee |
| Grondwater- kwaliteit |
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? |
Nee |
| Inrichting en beheer |
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? |
Nee Nee |
| Volksgezondheid | 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functie, in of nabij het plangebied die milieuhygienische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? |
Nee Nee |
| Natte natuur | 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? |
Nee Nee Nee Nee |
| Verdroging | 1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? | Nee |
| Recreatie | 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? | Nee |
| Cultuurhistorie | 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig? | Nee |
Het plan gaat uit van de uitbreiding van een bestaande schuur met 70 m2. De bestaande schuur wordt verlengd. De oppervlakte bebouwing neemt beperkt toe. Uitgangspunt bij nieuwe ontwikkelingen is dat het afstromende hemelwater niet op de riolering wordt geloosd. De initiatiefnemer zal er voor zorgen dat het hemelwater van het dak via een infiltratievoorziening langzaam worden afgevoerd naar een naburige sloot.
In verband met deze ruimtelijke ontwikkeling is het noodzakelijk om na te gaan of beschermde soorten aangetast kunnen worden door de ingreep. Het gaat hier om het vervangen van een tijdelijke uitbreiding (tent) aan een bestaande schuur door een permanente aangebouwde uitbreiding van de schuur. De huidige achtergevel van de schuur is al verstoord door deze tijdelijke voorziening. Deze tent wordt bovendien 5 tot 6 maanden per jaar gebruikt. Het is niet aannemelijk dat hier soorten zoals vleermuizen of vogels aanwezig zijn.
Ten aanzien van de ingrepen is nog een algemeen geldende voorwaarde van toepassing: Op basis van de zorgplicht dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit houdt in dat bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd rekening moet worden gehouden met aanwezige planten en dieren. Dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood.
Het te ontwikkelen perceel is gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Dit wil zeggen dat bij bodemingrepen dieper dan 30 cm onder maaiveld en meer dan 2.5000 m2 groot er een inventariserend archeologisch onderzoek moet plaatsvinden. De uitbreiding en de bijbehorende verstoring van de bodem tijdens de bouw bedraagt hoogstens 100 m2. Daarnaast is de grond in het verleden al geroerd geweest door de bouw van de boerderij. Een inventariserend archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
Op basis van de Wet geluidhinder moeten nieuwe geluidgevoelige funties getoetst worden aan de geluidnormen uit de Wet geluidhinder. Omdat in dit geval geen geluidgevoelige functie wordt opgericht (een schuur is geen geluidgevoelige functie) hoeft geen akoestisch onderzoek plaats te vinden.
Een aantal maanden per jaar vinden in de schuur werkzaamheden plaats ten behoeve van het bouwen van corsowagens. De werkzaamheden beperken zich tot de vroege avonduren en de weekenden. Een deel van de werkzaamheden gebeurt machinaal (lassen, zagen etc.) en een deel zonder machines. De eventuele overlast is daarmee beperkt. De locatie is al enkele jaren (voor zover bekend zonder klachten) in gebruik.
De verkeersaantrekkende werking ten behoeve van de corsobouwlocaties is beperkt tot een aantal maanden per jaar. Een groot deel van de mensen die aan de wagen komt werken komt op de fiets omdat ze in de buurt wonen. Parkeren vindt plaats op het eigen terrein.
De luchtkwaliteit is afhankelijk van de mate van verontreiniging door diverse luchtverontreinigende stoffen waarbij de voornaamste bronnen van luchtverontreiniging het wegverkeer, industriële bedrijven en de landbouw zijn. Deze stoffen zijn zwaveldioxide (SO2), stikstofdioxide (NO2), lood, koolmonoxide (CO), fijn stof (PM10), en benzeen (C6H6) Vanuit Europese richtlijnen wordt aangegeven welke luchtkwaliteitsnormen voor deze stoffen gelden. In Nederland zijn deze richtlijnen sinds 15 november 2007 geïmplementeerd in de Wet milieubeheer middels een wetswijziging van hoofdstuk 5 (milieukwaliteitseisen) titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, beter bekend als de Wet Luchtkwaliteit.
Artikel 5.16 lid 1 en 2 van de Wet milieubeheer geeft aan dat bestuursorganen bevoegdheden of wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de luchtkwaliteit kunnen uitoefenen of toepassen, tenzij:
De hierboven aangegeven grenswaarden zijn in de onder staande tabel aangegeven
| Stof | Grenswaarde |
| SO2 | 350 µg/ m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 24 maal per kalenderjaar mag worden overschreden |
| 125 µg/ m³ als 24 uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 3 maal per kalenderjaar mag worden overschreden | |
| NO2 | 200 µg/ m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 18 maal per kalenderjaar mag worden overschreden |
| 40 µg/ m³ als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010 | |
| PM10 | 40 µg/ m³ als jaargemiddelde concentratie |
| 50 µg/ m³ als 24 uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden | |
| Lood | 0,5 µg/ m³ als jaargemiddelde concentratie |
| CO | 10.000 µg/ m³ als 8 uursgemiddelde concentratie |
| C6H6 | 10 µg/ m³ tot 1-1-2010 en 5 µg/ m³ na 1-1-2010 als jaargemiddelde concentratie |
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen):
Dit Besluit NIBM, legt vast wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Dat is het geval wanneer aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. De systematiek voor het bepalen of een project NIBM is voor het grootste gedeelte geregeld in de regeling niet in betekende mate (luchtkwaliteitseisen).
De Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen).
Deze Ministeriële Regeling, verder aan te duiden als de Regeling NIBM, geeft voor een aantal categorieën van projecten een - getalsmatige - invulling aan de NIBM-grens. Het gaat ondermeer om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijv. emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). Als een project binnen de - getalsmatige - begrenzing van de Regeling NIBM valt, dan is geen verdere toetsing aan de 3% grens en de grenswaarden nodig en kan doorgaan zonder dat extra maatregelen worden genomen. Voor woningbouw is het huidige 3% criterium 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Met de voorgenomen ontwikkeling blijft het aantal woningen gelijk. De vergunning heeft betrekking op de uitbreiding van een bestaande schuur, waarbij het bestaande gebruik niet wijzigt (de locatie was en blijft in gebruik als locatie voor het bouwen van corsowagens). Het gaat hier dus om een ontwikkeling die ruim binnen de hiervoor genoemde criteria valt, waardoor het aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening of toepassing niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen. Er is geen sprake van ontoelaatbare luchtverontreiniging als gevolg van de ontwikkelingen aan de Stegge 8 te Lievelde.
Het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het BEVI heeft als doel zowel individuele als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het BEVI legt veiligheidsafstanden vast tussen bedrijven die risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen verrichten (zoals LPG-tankstations en chemische fabrieken) en zogenoemde kwetsbare objecten (zoals woningen en scholen). Tevens beperkt het BEVI het totale aanwezige personen in de directe omgeving van een risicovol bedrijf. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle bedrijven gevestigd of routes voor vervoer van gevaarlijke stoffen aangewezen. Een nader onderzoek naar dit aspect is dan ook niet noodzakelijk.
Het project en bijbehorende procedure worden door verzoeker bekostigd. Indien het project aanleiding geeft tot vergoeding van planschade (artikel 6.1 Wro) zullen de kosten worden doorberekend aan verzoeker. Ten behoeve van het project wordt een anterieure overeenkomst afgesloten met verzoeker inzake planschade.
Voor het plan wordt de uitgebreide procedure doorlopen zoals bepaald in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit betekent dat de ontwerpvergunning met de bijbehorende ruimtelijke onderbouwing voor een periode van zes weken ter inzage heeft gelegen. In deze periode konden zienswijzen ingediend worden. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
In artikel 6.18 van het Besluit Omgevingsrecht is voor de projectafwijking (artikel 2.12. eerste lid a, onder 3) overeenkomstig artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening van toepassing. Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan (een projectafwijking valt hier ook onder) overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Omdat er geen provinciale belangen in het geding zijn is vooroverleg met de provincie niet noodzakelijk.
Het waterschap Rijn en IJssel heeft bij de naastgelegen planontwikkeling reeds advies uitgebracht. Vooroverleg in het kader van artikel 3.1.1. is dan ook niet noodzakelijk.
Beide diensten hebben kunnen reageren op het ontwerpbesluit. Het waterschap is akoord met de waterparagraaf. Van de provincie is geen reactie ontvangen.