| vastgesteld |
| NL.IMRO.1586.PBBUI003-VG01 |
| Omgevingsvergunning voor gedeeltelijke wijziging gebruik Kamperweg 5 te Lievelde |
| Verleende omgevingsvergunning |
| November 2011 |
| Inlichtingen: |
| Afdeling Ruimtelijke ontwikkeling en Beheer |
| N. Rondeel |
| Telefoonnummer 0544-393482 |
Op 15 september 2010 heeft mevrouw I. klein Avinck - Reijerink, Kamperweg 5 te Lievelde een verzoek ingediend tot wijziging van het gebruik van een op het perceel aanwezig bedrijfsgebouw. Het huidige gebruik van dit bedrijfsgebouw, het houden van kalkoenen, moet worden gewijzigd in het ontwikkelen, specialiseren en construeren van technische verbeteringen aan bedrijfsgoederen oftewel een combinatie van landbouwmechanisatie en reparatie aan gebruiksgoederen.
Genoemde activiteiten in het bedrifjsgebouw passen niet in het geldende bestemmingsplan. Het project kan gerealiseerd worden met een projectafwijking zoals bepaald in artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (WABO). Deze afwijking kan alleen toegepast worden indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hiervoor is de voorliggende ruimtelijke onderbouwing opgesteld.
Het plangebied is gelegen aan de Kamperweg 5 te Lievelde welke is gelegen in het buitengebied van Oost Gelre nagenoeg grenzend aan de spoorlijn Winterswijk - Zutphen. De (globale) begrenzing van het plangebied is hieronder weergegeven.
Een aanzicht van het huidige perceel waarbij het derde bedrijfsgebouw, bekeken vanaf de spoorlijn, van functie wordt gewijzigd:
Het plangebied is in het geheel gelegen in bestemmingsplan "Buitengebied 1998". Het perceel is voorzien van een agrarisch bouwperceel. De huidige woning is de bedrijfswoning van het agrarisch bedrijf. Daarnaast is een tweede bedrijfswoning gelegen nl. Kamperweg 7. Deze woning wordt particulier bewoond en is kadastraal gesplitst van het agrarisch bedrijf.
Op 24 september 2009 is een revisievergunning ingevolge de Wet milieubeheer verleend voor het houden van 630 vleesvarkens, 370 opfokgeiten tot en met 60 dagen, 870 opfokgeiten van 61 dagen tot en met 1 jaar en 4.835 ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok van 6 tot 30 weken in een zestal bedrijfsgebouwen.
In dit hoofdstuk worden de uitgangspunten van het voorliggende plan beschreven. Er wordt ingegaan op de omgeving en hoe het plan ingepast wordt in de omgeving.
Het perceel is gelegen in het geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1998" en voorzien van een agrarisch bouwperceel. Binnen het agrarisch bouwperceel zijn de bedrijfsgebouwen gelegen en de hoodfunctie op het perceel dient agrarisch te zijn. De activiteiten ten behoeve van het ontwikkelen, specialiseren en construeren van technische verbeteringen aan bedrijfsgoederen oftewel een combinatie van landbouwmechanisatie en reparatie van gebruiksgoederen worden niet als agrarisch aangemerkt en zijn derhalve niet toegestaan. De gewenste activiteit op het bouwperceel kan worden aangemerkt als nevenactiviteit naats de agrarische hoofdactiviteit. Wel dient te worden voldaan aan de beleidsnotitie 'Functies zoeken plaatsen zoeken functies'.
In de beleidsnotitie 'Functies zoeken plaatsen zoeken functies' worden nevenactiviteiten naast hoofdactiviteiten mogelijk gemaakt indien wordt voldaan aan een aantal criteria. Het bedrijf is gelegen in Multifunctioneel gebied met landschapswaarden, overige gebouwen. Naast de hoofdactiviteit agrarisch is er een nevenactiviteit op het perceel mogelijk tot maximaal 750 m2. In de gewenste situatie worden de activiteiten uitgeoefend in een schuur met een oppervlakte van 420 m2. De gewenste nevenactiviteit valt onder 'Overige nevenfuncties' waarbij de toegestane functies in een aparte bijlage staan genoemd. De door verzoekster omschreven uit te oefenen nevenactiviteit, zoals in paragraaf 2.3.1. reeds omschreven, komt overeen met de omschrijving 'reparatiebedrijven gebruiksgoederen' zoals opgenomen in genoemde bijlage. Daarbij dient er verevening plaats te vinden. Dit zal geschieden door middel van landschappelijke inpassing.
In opdracht van verzoekster is door De Hofmeesters een landschappelijk inpassingsplan opgesteld voor het perceel Kamperweg 7 te Lievelde. Dit landschappelijk inpassingsplan kan als verevening worden gezien ten behoeve van de nieuw uit te voeren nevenactiviteit op genoemd perceel. Uitvoering van het landschappelijk inpassingsplan geschiedt via een anterieure overeenkomst alsmede de planregels.
Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage bijgevoegd.
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste juridische kaders en beleidskaders samengevat. Het plan betreft een kleinschalige ontwikkeling op een enkel agrarisch perceel dat niet gelegen is in een beschermd gebied in het kader van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Voor zover andere Europese en/of nationale wet- en regelgeving van toepassing is op deze ontwikkeling wordt deze hieronder verder uitgewerkt.
Op achtereenvolgens 17 mei 2005 en 17 januari 2006 hebben de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal ingestemd met de Nota Ruimte. De Nota Ruimte bevat de visie van het kabinet op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland en de belangrijkste bijbehorende doelstellingen voor de komende decennia. Het kabinet gaat daarbij uit van een dynamisch, op ontwikkeling gericht ruimtelijk beleid en een heldere verdeling van verantwoordelijkheden tussen rijk en decentrale overheden. In de Nota Ruimte is de verantwoordelijkheid van kleinschalige ontwikkelingen op perceelsniveau overgedragen aan de decentrale overheden.
Voor geheel Nederland is een basiskwaliteit geformuleerd waaraan voldaan moet worden. De gebieden en netwerken die het kabinet van nationaal belang acht zijn bestemd als Ruimtelijke Hoofdstructuur. Zo heeft het rijk in de Nota Ruimte een aantal Nationale Landschappen aangewezen. Nationale landschappen zijn gebieden met (inter-)nationaal zeldzame of unieke kenmerkende landschaps- kwaliteiten, en in samenhang daarmee bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. Het dichtstbijzijnde Nationaal landschap is het Nationaal Landschap Winterswijk. Het plangebied is niet op grote afstand gelegen van dit landschap. De nieuwe nevenactiviteit zal echter geen negatieve invloed hebben op dit landschap.
Sinds 1 april 2002 is de Flora- en Faunawet in werking getreden. Deze wet biedt het juridisch kader voor de bescherming van dier- en plantensoorten in Nederland en bevat onder andere de implementatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de gebieden waar deze richtlijnen betrekking op hebben. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde plant- en diersoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister van LNV (artikel 75, lid 3). In verband daarmee heeft de gemeente een inventarisatie laten verrichten teneinde duidelijk te krijgen welke ecologische waarde het plangebied vertegenwoordigt. In ieder geval is het plan niet gelegen binnen maar wel aan de rand van de ecologische hoofdstructuur.
Gedeputeerde Staten van Gelderland hebben op 29 juni 2005 het Streekplan Gelderland 2005 vastgesteld. De nieuwe Wet ruimtelijke ordening kent geen streekplannen meer, maar een structuurvisie, met een zelfbindende werking. Dat wil zeggen dat ze geen juridische status hebben en geen rechtstreekse doorwerking naar gemeentelijke plannen. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening per 1 juli 2008 heeft het Streekplan Gelderland 2005 de status van structuurvisie gekregen. Op de streekplankaart is Gelderland onderverdeeld in een 'groenblauw' raamwerk, een 'rood' raamwerk en een multifunctioneel gebied. Het plangebied is gelegen in het multifunctioneel gebied en daarbinnen specifiek aangewezen als Waardevol landschap. Voor deze gebieden geldt conform het generiek beleid een 'ja-mits' benadering voor het toevoegen van bouwlocaties en andere ruimtelijke ingrepen, waarbij recht wordt gedaan aan de kernkwaliteiten van de betreffende landschappen. Voor deze gebieden geldt dat de kernkwaliteiten worden versterkt. Genoemd Waardevol Landschap maakt geen deel uit van het Nationaal Landschap Winterswijk.
De uit te voeren werkzaamheden vinden intern plaats in het bedrijfsgebouw. Werkzaamheden buiten en/of buitenopslag is niet toegestaan. De ruimtelijke ingreep zal hierdoor miniem zijn. Versterking van de kernkwaliteiten zal plaatsvinden door de landschappelijke inpassing.
In het Reconstructieplan Achterhoek en Liemers is het perceel Kamperweg 5 te Lievelde gelegen binnen het verwevingsgebied. Het perceel ligt buiten de gebieden die specifiek aangewezen zijn als ontwikkelingslocaties voor de landbouw. Binnen verwevingsgebieden worden kansen geboden aan verschillende functies om naast elkaar te bestaan. In het Reconstructieplan Achterhoek en Liemers wordt verwezen naar het Streekplan Gelderland 2005 waarin de functieverandering is verwoord en waarin rekening wordt gehouden met de in het Reconstructieplan genoemde denklijnen. Een functiewijziging waarbij naast de agrarische hoofdactiviteit een nevenactiviteit wordt uitgevoerd op dit perceel ligt voor de hand, temeer daar de nevenactiviteit de toekomstige ontwikkelingen van omliggende agrarische bedrijven niet belemmerd. Te meer gezien het feit dat het perceel gelegen is binnen het verwevingsgebied.
De gemeenteraad van Oost Gelre heeft op 27 april 2006 besloten de regionale beleidsnotitie 'Functies zoeken plaatsen zoeken functies' met bijbehorend erratum van 8 maart 2006 vast te stellen. Tevens is het Dagelijks bestuur van de regio Achterhoek verzocht om het provinciaal bestuur van Gelderland te verzoeken het Streekplan Gelderland 2005 voor wat betreft de Achterhoek conform aan te passen. Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland hebben op 19 december 2006 een positief besluit hieromtrent genomen, waardoor deze beleidsnotitie gezien moet worden als een nadere uitwerking van het streekplan.
1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) met de daarbij behorende Invoeringswet in werking getreden. Hierbij is een nieuw stelsel van verantwoordelijkheidsverdeling tussen Rijk, provincies en gemeenten ontstaan. Belangrijke uitgangspunten van de Wro zijn het duidelijke onderscheid tussen beleid, normstelling en uitvoering en het beginsel dat normstelling plaatsvindt door het meest geschikte overheidsorgaan. Normstelling op een hoger niveau vindt plaats indien een beleidsonderdeel niet op doelmatige of doeltreffende wijze door een lager overheidsorgaan kan worden behartigd, gezien de aard van de betrokken taak of de schaal waarop een aangelegenheid moet worden geregeld. Voor de formulering van het provinciale ruimtelijke beleid is de provinciale structuurvisie ingevolge artikel 2.2 Wro voor het streekplan in de plaats gekomen. Het streekplan Gelderland 2005 heeft op grond van het overgangsrecht de status gekregen van structuurvisie ingevolge artikel 2.2 lid 1 van de Wro. Daarnaast kunnen, indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud en toelichting van bestemmingsplannen. Op 25 november 2008 is door de provincie besloten voor een aantal onderwerpen, conform de Wro-agenda, de voorbereiding van de ruimtelijke verordening ter hand te nemen. Daarnaast is ook het Rijk bezig algemene regels neer te leggen in het "Ontwerp Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (hierna te noemen Amvb). In deze Amvb worden zowel rechtstreeks, richting de gemeentebesturen, werkende algemene regels neergelegd (algemene regels ter zake van bestemmingsplannen) als ook algemene regels die door de provincie in de verordening neergelegd dienen te worden (algemene regels te stellen door provincies). Op grond hiervan zijn naast de reeds uit de Wro-agenda voortvloeiende onderwerpen nog enkele andere onderwerpen in de verordening opgenomen, te weten: verstedelijking (wonen en werken) buiten bestaand bebouwd gebied, hergebruik van bebouwing in het buitengebied en nationale landschappen. Onder de Wro heeft de provincie geen bemoeienis meer met lokale belangen. Gemeenten worden nu vrij gelaten de lokale aspecten naar eigen inzicht te regelen. In het verleden diende ieder bestemmingsplan door GS te worden goedgekeurd. Onder de Wro is het instrument van de goedkeuring komen te vervallen en heeft dit plaats gemaakt voor algemene regels. Gemeenten dienen deze algemene regels weliswaar in hun bestemmingsplannen te verwerken, maar behouden enige vrijheid in de wijze waarop zij dit doen. Deze algemene regels betreffen alleen onderwerpen met een duidelijk provinciaal c.q. nationaal belang.
Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied en aangemerkt als waardevol landschap. De door verzoekster aangevraagde activiteit wordt niet genoemd in de in de provinciale verordening genoemde hoofdstukken. De provinciale verordening staat de gevraagde planvorming niet in de weg.
Het doel van de beleidsnotitie 'Functies zoeken plaatsen zoeken functies' is om de leefbaarheid, de vitaliteit én de ruimtelijke kwaliteit van het Achterhoekse buitengebied te versterken. Om dit te bereiken is in regionaal verband een aantal algemene uitgangspunten voor functieverandering opgesteld in de hierboven genoemde beleidsnotitie. Op lokale schaal hebben de Achterhoekse gemeenten de beleidsvrijheid om deze notitie nader uit te werken. Binnen de gemeente Oost Gelre heeft de gemeenteraad de beleidsnotitie tot nu toe drie keer, bij vergadering van 12 maart 2008, 14 april 2009 en 10 mei 2011, aangevuld c.q. aangepast. In paragraaf 2.3.2 is reeds bescheven op welke manier dit plan past binnen het functieveranderingsbeleid.
De functieverandering van een bedrijfsgebouw van agrarisch naar het ontwikkelen, specialiseren en construeren van technische verbeteringen aan bedrijfsgoederen oftewel een combinatie van landbouwmechanisatie en reparatie aan gebruiksgoederen geeft geen aanleiding om diverse onderzoeken te laten uitvoeren. Omdat er geen nieuw- cq. verbouw plaatsvindt zijn er geen aanvullende onderzoeken gevraagd behalve een landschappelijk inpassingsplan wat verplicht wordt gesteld door de beleidsnotitie functies zoeken plaatsen zoeken functies. Per milieu-aspect is aangegeven waarom er geen onderzoeksplicht is opgelegd.
Het bedrijfsgebouw waarin de nieuwe activiteiten gaan plaatsvinden is voorzien van een vaste betonnen vloer. Op basis van het gebruik, de aanwezigheid van een enkele persoon gedurende de dagperiode in dit gebouw bestaat er geen milieuhygiënische belemmeringen voor de voorgenomen activiteiten in dit bedrijfsgebouw en is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek niet noodzakelijk.
De gewenste activiteit vindt in de bestaande bebouwing plaats. Hierdoor zal het verhard oppervlak in de inrichting niet toenemen. Wateropvang en -afvoer wijzigt niet ten opzichte van de huidige situatie. Het van het bedrijfsgebouw afkomstige hemelwater wordt naast de schuur geinfiltreerd. Een aanvullende watertoets is hierbij niet noodzakelijk.
Sloop en/of nieuwbouw vindt niet plaats ook niet intern. Ten opzichte van de bestaande situatie zal, behalve het nieuwe gebruik, er niets wijzigen.
Doordat er geen nieuwbouw activiteiten plaatsvinden zal de bodem in takt blijven. Een archeologisch vooronderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
De uit te voeren werkzaamheden kunnen geluidsoverlast met zich meebrengen bijv. door gebruik van machines. Het bedrijf dient te voldoen aan de voorschriften zoals gesteld bij de verleende milieuvergunning.
De luchtkwaliteit is afhankelijk van de mate van verontreiniging door diverse luchtverontreinigende stoffen waarbij de voornaamste bronnen van luchtverontreiniging het wegverkeer, industriële bedrijven en de landbouw zijn.
Vanuit Europese richtlijnen wordt aangegeven welke luchtkwaliteitsnormen voor deze stoffen gelden. In Nederland zijn deze richtlijnen sinds 15 november 2007 geïmplementeerd in de Wet milieubeheer middels een wetswijziging van hoofdstuk 5 (milieukwaliteitseisen) titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, beter bekend als de Wet Luchtkwaliteit.
Artikel 5.16 lid 1 en 2 van de Wet milieubeheer geeft aan dat een project, waarvan de uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, mogelijk is als:
De hierboven aangegeven grenswaarden uit bijlage 2 (Wet milieubeheer) zijn voor de luchtverontreinigende stoffen zwaveldioxide (SO2), stikstofdioxide (NO2), lood, koolmonoxide (CO), fijn stof (PM10), en benzeen (C6H6) en worden in de hieronder staande tabel aangegeven
| Stof | Grenswaarde |
| SO2 | 350 µg/m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 24 maal per kalenderjaar mag worden overschreden |
| 125 µg/m³ als 24 uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 3 maal per kalenderjaar mag worden overschreden | |
| NO2 | 200 µg/m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 18 maal per kalenderjaar mag worden overschreden |
| 40 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010 | |
| PM10 | 40 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie |
| 50 µg/m³ als 24 uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden | |
| Lood | 0,5 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie |
| CO | 10.000 µg/m³ als 8 uursgemiddelde concentratie |
| C6H6 | 10 µg/m³ tot 1-1-2010 en 5 µg/m³ na 1-1-2010 als jaargemiddelde concentratie |
Het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen (luchtkwaliteitseisen)
Dit Besluit NIBM, legt vast wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Dat is het geval wanneer aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. De systematiek voor het bepalen of een project NIBM is, is voor het grootste gedeelte geregeld in de regeling niet in betekende mate (luchtkwaliteitseisen).
De Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)
Deze Ministeriële Regeling, verder aan te duiden als de Regeling NIBM, geeft voor een aantal categorieën van projecten een - getalsmatige - invulling aan de NIBM-grens. Het gaat ondermeer om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijv. emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). Als een project binnen de - getalsmatige - begrenzing van de Regeling NIBM valt, dan is geen verdere toetsing aan de 3% grens en de grenswaarden nodig en kan doorgaan zonder dat extra maatregelen worden genomen.
Voor woningbouw is het huidige 3% criterium 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
De functiewijziging in het bedrijfsgebouw zal niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 (Wet milieubeheer) een grenswaarde is opgenomen.
Conclusie:
Er is geen sprake van ontoelaatbare luchtverontreiniging als gevolg van de functiewijziging in een bedrijfsgebouw op het perceel kamperweg 5 te Lievelde.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader bij vergunningverlening voor geur veroorzaakt door dierenverblijven van veehouderijen. Indirect heeft de Wgv consequenties voor de ruimtelijk ordening, dit wordt wel de omgekeerde werking genoemd. Voor het beoordelen van ruimtelijke plannen moet een toets op de 'omgekeerde werking' van de Wgv worden uitgevoerd. De 'Handreiking Wgv paragraaf 3.4, Beoordeling ro-plannen, (SenterNovem, d.d. 23-05-2007)' beschrijft de wijze waarop dit moet gebeuren.
In het desbetreffende bedrijfsgebouw worden na de nieuwe functie geen dieren meer gehouden. De Wgv is derhalve niet van toepassing op de nieuwe functie. Daarnaast is de uit te voeren activiteit niet aan te merken als een activiteit waarop de Nederlandse emissierichtlijn van toepassing is.
Het bouwplan en de bijbehorende procedures worden door de verzoeker bekostigd. Het plan is financieel haalbaar.
Met het voorliggende plan wordt de functie van een bedrijfsgebouw op een agrarisch bedrijf gewijzigd. Omdat er geen nieuwbouw plaatsvindt en er geen nieuwe woning(en) worden opgericht geldt er voor het perceel geen exploitatieplanplicht.
Voor het plan wordt de uitgebreide procedure doorlopen zoals bepaald in de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit betekent dat de ontwerp projectafwijking voor een periode van zes weken ter inzage wordt gelegd. Een ieder kan gedurende deze periode een zienswijze indienen. Het ontwerp heeft op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegen van 9 september 2011 tot en met 20 oktober 2011. Gedurende deze termijn zijn geen zienswijzen ingekomen.
In artikel 6.18 van het Besluit Omgevingsrecht is voor de projectafwijking (artikel 2.12. eerste lid a, onder 3) overeenkomstig artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening van toepassing. Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een projectafwijking overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het plan ligt in multifunctioneel gebied, waardevol landschap. Initiatieven in waardevolle landschappen zijn van provinciaal belang. Het plan is in het kader van artikel 3.1.1. vooroverleg dan ook voorgelegd aan de provincie en aan het waterschap.
Reactie provincie Gelderland:
Bij brief van 9 augustus 2011 heeft de provincie aangegeven dat in het voorontwerp geen provinciale belangen aan de orde zijn. Zij zien daarom geen reden hierover advies uit te brengen.
Reactie Waterschap Rijn en IJssel:
Van het waterschap is geen reactie ontvangen.