direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Maarsbergseweg 18, Leersum
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1581.LSMmaarsbergsewg18-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doelstelling

Op het perceel aan de Maarsbergseweg 18 staan momenteel een voormalige boswachterswoning en een drietal bijgebouwen. Initiatiefnemer heeft het plan opgevat de oude woning te vervangen door een nieuwe (grotere) woning. Eén bijgebouw is inmiddels gesloopt en de drie nog bestaande bijgebouwen worden gesloopt. Vervolgens zal er vergunningsvrij één bijgebouw worden gebouwd.

Het feit dat de voormalige functie "boswachterwoning" was heeft ertoe geleid dat er in het vigerende bestemmingsplan een bestemming "Maatschappelijke en nutsvoorzieningen M1" geldt voor het perceel. Het voornemen om de functie te wijzigen naar een gewone woonfunctie en tegelijkertijd het woonoppervlak en het volume van de woning te vergroten, past niet binnen het vigerende bestemmingsplan.

De gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft een herziening van het vigerende bestemmingsplan in voorbereiding genomen. In overleg met de gemeente is besloten om de functiewijziging en de vergroting van de woning niet mee te laten liften met de procedure van het nieuwe bestemmingsplan. De procedure voor het nieuwe bestemmingsplan is immers nog niet opgestart. Om tijdwinst te behalen is besloten een apart bestemmingsplan te vervaardigen. In de nu voorliggende toelichting wordt aangegeven dat dat ontwikkeling niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Nadat het nieuwe bestemmingsplan het voorgenomen plan mogelijk heeft gemaakt zal vervolgens een omgevingsvergunning worden ingediend.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het "plangebied" waarop het voorliggende bestemmingsplan betrekking heeft is een perceel met het adres Maarsbergseweg 18. Dit plangebied bestaat uit van het kadastrale perceel Leersum, sectie B, nummer 681 en 719.

Afbeelding 1: Het "plangebied" Maarsbergseweg 18.
afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMmaarsbergsewg18-VA01_0001.jpg"

Ten aanzien van de begrenzing van het plangebied valt het volgende op te merken. De locatie maakt onderdeel uit van een grotere kavel ten behoeve van Staatsbosbeheer. De overige delen van de kavel (die buiten het nu bedoelde plangebied vallen) kunnen de huidige bestemming behouden.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Voor het plangebied vigeert het bestemmingsplan “Buitengebied Leersum 2005”. Dit bestemmingsplan is in 2009 partieel herzien. Op basis van de plankaart kan worden gesteld dat het plangebied de bestemmingen “Maatschappelijke- en Nutsvoorzieningen M1” heeft. De op de plankaart als "Maatschappelijke- en Nutsvoorzieningen" aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke- en nutsvoorzieningen, met de nadere bestemming die is vermeld bij de code waarmee het desbetreffende bestemmingsvlak op de plankaart is aangeduid, en voor daarbij behorende voorzieningen, waaronder begrepen afschermende en andere groenvoorzieningen, parkeerplaatsen en tuinen.

De nadere bestemming M1 geldt specifiek voor Maarsbergseweg 18/18a waarvoor de functies "natuurbeheer en natuureducatie" zijn toegestaan. De maximale bebouwde oppervlakte bedraagt 660 m², terwijl de goot- en bouwhoogte van de bebouwing 3 m, respectievelijk 7 m bedraagt. Dit geldt voor het gehele bestemmingsvlak. Er is maximaal één dienstwoning toegestaan. Voorts geldt de dubbelbestemming "Gebied met archeologische waarde of verwachtingswaarde".

Afbeelding 2: Vigerend bestemmingsplan (perceelgrens is aangegeven in blauw).
afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMmaarsbergsewg18-VA01_0002.jpg"

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt een algemene beschrijving van het plan weergegeven. De huidige en toekomstige situatie van het gebied wordt beschreven.

Hoofdstuk 3 geeft vervolgens het algemene ruimtelijke beleidskader weer. Het overkoepelende beleid op divers bestuursniveaus en welke invloed dit beleid heeft op het plangebied wordt hier beschreven. Het volgende hoofdstuk (4) geeft de specifieke wet- en regelgeving weer op de verschillende onderdelen. Hierin zijn alleen de voor het plan relevante aspecten opgenomen. Vervolgens geeft hoofdstuk 5 de juridische uitleg van de bestemmingen die op de verbeelding en in de regels zijn opgenomen. Tenslotte geeft hoofdstuk 6 inzicht in de haalbaarheid van het plan. Hier wordt gekeken naar de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid en ook wordt het aspect handhaving besproken.

Hoofdstuk 2 Het plan

2.1 Huidige situatie

De locatie waar de nieuwe woning gerealiseerd dient te worden is gelegen op de Utrechtse Heuvelrug en bevindt zich tussen de woonkernen Leersum en Maarsbergen. Het perceel heeft een oppervlakte van ongeveer 1.600 m2. Het perceel maakt onderdeel uit van het terrein van Staatsbosbeheer (bezoekers- en informatiecentrum op nummer 18a) De voormalige boswachterswoning dateert uit 1953 en wordt momenteel bewoond door de nieuwe eigenaar.

Het perceel is bereikbaar via een afslag vanaf de Maarsbergseweg, alsmede via het Let de Stigterpad. Dit pad is een doorgaande langzaamverkeersverbinding die via een fietstunnel onder de Maarsbergseweg door loopt in de richting van het Leersumse veld.

Ten westen van het perceel is de VVV Nederland BV gevestigd en bovendien zijn er aan de overzijde van de Maarsbergseweg enkele woningen gesitueerd. De afstand van de voormalige boswachterswoning tot de Maarsbergseweg bedraagt circa 120 meter.

Op de onderstaande foto toont de bestaande woning. Op de voorgrond is het Let de Stigterpad te zien.

Afbeelding 3: De bestaande bebouwing vanaf het Let de Stigterpad.
afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMmaarsbergsewg18-VA01_0003.jpg"

Op het perceel stonden rond de woning bovendien nog bijgebouwen met een totaal oppervlak van ongeveer 100 m2. Inmiddels is een deel van deze bebouwing gesloopt een ook is een tijdelijke container verwijderd. De huidige oppervlakte aan bijgebouwen bedraagt circa 45 m2.

2.2 Projectbeschrijving

Het plan voorziet in de functiewijziging van de maatschappelijke functie naar een woonfunctie. Een definitief ontwerp van de nieuwe woning is nog niet beschikbaar. Wel is er een indicatief ontwerp opgesteld. Daarbij wordt uitgegaan van het vergroten van de woning van ongeveer 75 m2 tot ongeveer 130 m2. Aangezien het terrein voorheen als boswachterswoning dienst heeft gedaan zal het toekomstige gebruik feitelijk niet wijzigen. Het voorliggende bestemmingsplan bevat een bouwvlak dat bepalend zal zijn voor de toekomstige woning.

Ontsluiting en parkeren
De hoofdontsluiting van het perceel vindt plaats via de bestaande uitweg op de Maarsbergseweg. Parkeren vindt geheel plaats op het erf.

Wateraspecten
Het vuilwater wordt afgevoerd op het aanwezige gemeentelijke riool. Het hemelwater dat van de daken stroomt zal worden geïnfiltreerd in de bodem, conform het waterbeleid voor de Utrechtse Heuvelrug. Datzelfde geldt voor de benodigde terrein verhardingen als paden en terrassen. Deze worden uitgevoerd in waterdoorlatende materialen, zodat ook hier het water in de bodem zakt.

Hoofdstuk 3 Algemeen ruimtelijk beleidskader

3.1 Inleiding

In een groot aantal landelijke, provinciale en gemeentelijke plannen en besluiten worden randvoorwaarden en uitgangspunten vermeld die van belang zijn voor de ontwikkeling van het perceel. In de navolgende paragrafen wordt in het kort ingegaan op de plannen en besluiten, voor zover deze van belang zijn voor de ruimtelijke ordening in het algemeen en de onderhavige functiewijziging in het bijzonder.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 in werking getreden. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

Het Rijk stelt heldere ambities voor Nederland in 2040, die inspelen op de (inter)nationale ontwikkelingen die de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven bepalen tot aan 2040. Het Rijk zet blijkens de SVIR het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland.

Het Rijk formuleert in de SVIR drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Buiten de nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en laat verstedelijkings- en landschapsbeleid over aan de provincies en gemeenten. In het ruimtelijk domein gaat het om de ruimtelijke ontwikkeling van stad en platteland in brede zin, waarbij onder meer belangen ten aanzien van mobiliteit, milieu, natuur, water, economie en wonen worden afgewogen.

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen.

Gevolgen voor visie en planopzet
Het rijksbeleid dat voortvloeit uit de SVIR heeft geen consequenties voor de functiewijziging die in deze ruimtelijke onderbouwing aan de orde is.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (1e tranche in werking getreden op 30 december 2011, 2e tranche per 1 oktober 2012) geeft het Rijk algemene regels voor bestemmingsplannen en wordt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen uit de Nota Ruimte en voormalige PKB's in de regelgeving geborgd. Doel van dit Besluit is bepaalde onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) te verwezenlijken, dan wel te beschermen.

3.2.3 Besluit ruimtelijke ordening

In het Besluit Ruimtelijke Ordening is vastgelegd dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen aan de "Ladder voor duurzame verstedelijking" moeten voldoen. Dat houdt in dat de toelichting bij een ruimtelijk besluit dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
  • indien uit de beschrijving, bedoeld in trede 1, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;
  • indien uit de beschrijving, bedoeld in trede 2, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Aangezien het voorliggende plan uitgaat van een functiewijziging en daarop volgende vervangende nieuwbouw van een woning is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. De ladder behoeft dan ook niet te worden doorlopen.

Conclusie
Het project wordt ontwikkeld binnen reeds staand beleid en met inachtneming van de waarden van de omgeving. Het project past daarom binnen de beleidsdoelstellingen van het rijksbeleid.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie

Het provinciale ruimtelijke beleid is recent vastgelegd in de op 4 februari 2013 vastgestelde Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS). Op 10 maart 2014 hebben Gedeputeerde Staten van Utrecht een eerste partiële herziening PRS 2013-2028 vastgesteld. De tweede partiële herziening PRS 2013-2028 is vastgesteld op 3 november 2014. De PRS (en PRV) is op 12 december 2016 integraal vastgesteld, dus met inbegrip van de 1e en 2e partiële herziening.

In de Structuurvisie geeft de provincie Utrecht inzicht in de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de provincie tot 2028.

In het provinciale beleid richt de provincie Utrecht zich nog steeds primair op de ontwikkelingsmogelijkheden in het landelijk gebied. Op die manier blijven de steden, dorpen en kernen aantrekkelijk om te wonen, te werken en te ontmoeten en blijven de karakteristieken van het landelijk gebied bewaard en worden zo nodig ontwikkeld. De provincie zet in op beheerste groei en zorgvuldig ruimtegebruik. Rond steden en dorpen zijn daarom rode contouren gelegd. Het plangebied ligt buiten het stedelijk gebied van Leersum.

3.3.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening

De PRV is op 12 december 2016 herzien vastgesteld. Doel van de PRV is om provinciale belangen op het gebied van de ruimtelijke ordening te laten doorwerken naar het gemeentelijk niveau. De verordening bevat daartoe bepalingen die bij het opstellen van gemeentelijke bestemmingsplannen in acht moeten worden genomen. De PRV heeft alleen betrekking op nieuwe plannen en besluiten. Dit betekent dat geldende bestemmingsplannen niet onder de werking van de verordening vallen. De verordening bevat géén bepalingen die de burger rechtstreeks binden. Normen uit de verordening moeten eerst vertaald worden in een gemeentelijk planologisch besluit. Bij de PRV behoren kaarten. Op enkele daarvan staan aanwijzingen die van belang zijn voor het nu voorliggende plan.

De locatie is niet binnen stedelijk gebied gesitueerd. De locatie ligt binnen het op plankaart 9 aangegeven landelijk gebied (zie onderstaande afbeelding).

Afbeelding 4: Landelijk gebied.
afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMmaarsbergsewg18-VA01_0004.jpg"

Volgens de PRV bevat een ruimtelijk plan in het landelijk gebied geen bestemmingen en regels die verstedelijking toestaan, tenzij de ruimtelijke ontwikkelingen betrekking hebben op en in overeenstemming zijn met één van de specifiek aangegeven gevallen.

Eén van de specifieke gevallen heeft betrekking op bestaande woningen. In het eerste lid van artikel 3.4 van de PRV is aangegeven dat een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als 'landelijk gebied' bestemmingen en regels kan bevatten die uitbreiding van bestaande woningen mogelijk maakt onder de voorwaarde dat de regels voorzien in een maximale inhoudsmaat, zodanig dat de woning landschappelijk goed inpasbaar is. Voorwaarde daarbij is dat de maximale inhoudsmaat landschappelijk goed inpasbaar moet zijn. Hierbij moet gedacht worden aan 600 tot 800 m3. Onder woningen worden zowel burgerwoningen als ook bedrijfswoningen verstaan.

De functiewijziging leidt niet tot verdere verstedelijking van het landelijk gebied en past binnen de voorwaarden van de PRV, datzelfde geldt voor de beoogde maatvoering van het nieuwe woonhuis.

Bodem en Water
Op kaart 2 is aangegeven dat het plangebied buiten de beschermingszone drinkwatervoorziening ligt.

Afbeelding 5: Bodem en Water.
afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMmaarsbergsewg18-VA01_0005.jpg"

In dit plan zijn de beleidskaders met betrekking tot het waterbeleid aangegeven in paragraaf 4.2. De wijze waarop het plan voldoet aan de beleidskaders is beschreven in paragraaf 4.3.8, waarin ook de doorlopen watertoets is beschreven.

Cultuurhistorie
Kaart 4 geeft aan dat de cultuurhistorische waarde van het bekende en verwachte archeologisch erfgoed wordt behouden en versterkt. De toelichting op een ruimtelijk plan bevat een beschrijving van de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden en het door de gemeente te voeren beleid ter zake en van de wijze waarop met eventuele veranderingen wordt omgegaan. Paragraaf 4.3.6 en 4.3.7 geeft de bedoelde beschrijving.

Afbeelding 6: Cultuurhistorie.
afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMmaarsbergsewg18-VA01_0006.jpg"

Verkeer en vervoer
Het gehele grondgebied van de provincie is in artikel 1.6 van de PRV aangewezen als "mobiliteitstoets" dat betekent dat de toelichting op een ruimtelijk plan waarin ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorzien, een beschrijving dient te bevatten van het aantal verplaatsingen die deze ruimtelijke ontwikkelingen tot gevolg hebben en of er door het aantal verplaatsingen knelpunten op het ontsluitende en omliggende verkeersnetwerk voor de diverse modaliteiten kunnen ontstaan. Aangezien het plan de functiewijziging van een dienstwoning naar burgerwoning regelt, heeft het plan echter geen verkeerskundige gevolgen.

Landschap
De planlocatie behoort bovendien tot het landschap Utrechtse Heuvelrug, zoals aangegeven op kaart 5 (landschap) van de PRV. Zoals genoemd in de Bijlage Kernkwaliteiten landschap. Bij ontwikkelingen in het landschap van de Utrechtse Heuvelrug vraagt de provincie aandacht voor het in stand houden van het reliëf en voor het in stand houden van het samenhangend boscomplex. Vanwege het reliëf en de overige kwaliteiten van de Heuvelrug worden in dit gebied geen grootschalige ontgrondingen toegestaan. Kleinschalige ontgrondingen zijn wel mogelijk, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteiten. De toekomstige ontwikkeling is kleinschalig en vindt in beginsel plaats op de plek van bestaande bebouwing, daarom heeft het geen nadelige invloed op de genoemde kwaliteiten.

Afbeelding 7: Landschap Utrechtse Heuvelrug.
afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMmaarsbergsewg18-VA01_0007.jpg"

Natuur
Het plangebied is op kaart 6 aangegeven als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Een ruimtelijk plan bevat geen nieuwe bestemmingen en regels die ruimtelijke ontwikkelingen toestaan, die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden Aangezien het plan de functiewijziging van een dienstwoning naar burgerwoning regelt, heeft het plan echter geen gevolgen voor de NNN (voorheen EHS).

Afbeelding 8: Natuur.
afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMmaarsbergsewg18-VA01_0008.jpg"

De natuurdoelstellingen zijn uitgewerkt in de Natuurvisie en het Beleidskader Wet natuurbescherming.

Gevolgen voor visie en planopzet
Het onderhavige plan gaat uit gebruik van een bestaand bouwperceel zodat sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. De functiewijziging van boswachterswoning naar burgerwoning heeft geen gevolgen voor de omgeving. Ten aanzien van de waterhuishouding wordt gebruik gemaakt van de huidige waterhuishoudkundige voorzieningen.

3.3.3 Natuurvisie en Beleidskader Wet natuurbescherming

De Natuurvisie van de provincie Utrecht is tegelijk met het provinciale Beleidskader Wet natuurbescherming op 12 december 2016 vastgesteld. Daarmee wordt voldaan aan de Wet natuurbescherming (Wnb) die vanaf 1 januari 2017 in werking is getreden.

In de Provinciale Natuurvisie zijn de beschermde gebieden op kaart weergegeven. De opgave is om de leefgebieden en habitats van de Utrechtse Natura-2000 gebieden in een duurzaam gunstige staat van instandhouding te houden of te brengen. Het provinciale Beleidskader is de juridische grondslag waarin de bepalingen uit de Wnb en de doelstellingen uit de provinciale Natuurvisie zijn vertaald naar een aantal uitvoeringsregelingen.

Op grond van de Wet natuurbescherming moeten initiatiefnemers onderzoek doen naar de effecten van hun activiteiten op beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. Bij het vaststellen van (wijzigingen in) een bestemmingsplan moet van tevoren duidelijk zijn dat de Wet natuurbescherming niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Daarnaast moet worden gekeken naar de regels in de Provinciale Ruimtelijke Verordening Provincie Utrecht en de Provinciale Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017.

Vrijwel alle in het wild voorkomende dieren en een aantal planten worden beschermd door de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat bij planvorming uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met de gevolgen die ruimtelijke ingrepen hebben voor de instandhouding van beschermde soorten.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie 2030 'Groen dus vitaal'

De structuurvisie geeft conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de hoofdlijnen van het (ruimtelijk) beleid voor het hele grondgebied van de gemeente Utrechtse Heuvelrug in de periode tot 2030. De ambitie van de gemeente komt tot uiting in het gekozen motto: 'Groen dus vitaal'. Natuur, landschap, cultuurhistorie en archeologie zijn, samen met de sociale kwaliteit van de dorpen, het uitgangspunt. Voor wonen, economische ontwikkeling, sport en recreatie is ruimte als dat in het verlengde van het uitgangspunt gevonden kan worden. Behouden en versterken van de bestaande kwaliteiten is de drager van de vitaliteit van de gemeente. De gekozen ambitie is op twee manieren beleidsmatig uitgewerkt: via zes thema's en via gebiedsgericht beleid. Toekomstige ontwikkelingen worden getoetst aan dit beleid.

De zes thema's zijn:

  • 1. Natuur over de heuvels
  • 2. Op de schouders van ons erfgoed
  • 3. Duurzaam bereikbaar
  • 4. Leefbare dorpen
  • 5. Vrije tijd op de Utrechtse Heuvelrug
  • 6. Maatwerk voor wonen en werken

De mogelijk gemaakte kleinschalige functiewijziging ter plaatse van een bestaande boswachterswoning vormt geen aantasting van waardevol groen en draagt dus ook bij aan het leefbaar houden van de dorpen. De ontwikkeling verzet zich dus niet tegen de uitgangspunten van de Structuurvisie.

Afbeelding 9: Visiekaart Maarn behorende bij de Structuurvisie.
afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMmaarsbergsewg18-VA01_0009.jpg"

Gevolgen voor visie en planopzet
In de voorliggende toelichting wordt gemotiveerd waarom de functie boswachterswoning kan worden gewijzigd in een andere woonfunctie. De wijziging heeft geen gevolgen voor de natuurzone (1.3 Leersumse veld) waarin het gebied is gesitueerd.

Hoofdstuk 4 Specifieke regelgeving en beleid

4.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt het specifieke beleid (4.2) en de wettelijke verplichtingen per sector (4.3) beschreven.

4.2 Specifiek beleid

4.2.1 Milieubeleidsplan 2009-2012

De gemeenteraad heeft in september 2009 het Milieubeleidsplan 2009-2012 vastgesteld. Inmiddels is de looptijd van dit plan verlengd. In het milieubeleidsplan staat wat de gemeente op milieugebied wil bereiken en hoe ze dat gaat doen. Het uiteindelijke doel van dit plan is het realiseren van een gezonde, veilige en duurzame leefomgeving in de gemeente. In 2035 wil de gemeente klimaatneutraal zijn. Het Milieubeleidsplan draagt hiertoe bij door:

  • het begrip duurzaamheid te vertalen naar de gemeentelijke situatie en daarmee de milieu-taakuitvoering voor de lange termijn (2020) richting te geven;
  • expliciet te maken hoe de milieutaakuitvoering verbonden is met andere beleidsterreinen;
  • ambities te benoemen; daar waar relevant gebiedsgericht prioriteiten te stellen;
  • de rol van de gemeente expliciet te maken en samenwerking met derden in kaart te brengen;
  • voor de komende vier jaar concrete doelen te stellen, acties te benoemen en de hiervoor benodigde middelen te reserveren;
  • de voortgang van het uitvoeringsproces te waarborgen door monitoring en evaluatie.

Het milieubeleidsplan beschrijft diverse gebiedstypen. Voor het plangebied geldt het gebiedstype “Landelijk gebied, verweving van functies”. Vrijwel het gehele buitengebied dat niet natuurgebied is, is landelijk gebied met een verweving van functies: landbouw, wonen, werken, natuur en recreatie.

Voor het gebiedstype gelden verschillende milieu-ambities. De vervanging van de boswachterswoning door een nieuwe woning heeft geen gevolgen voor de ambities. Omgekeerd hebben de ambities ook geen gevolgen voor de functiewijziging. In paragraaf 4.3 (Specifieke regelgeving) wordt (indien mogelijk) ingegaan op de relatie met de kwaliteitsniveaus uit het Milieubeleidsplan.

4.2.2 Beleidskaders waterbeheerders

Nationaal Waterplan 2016 - 2021
Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen.

Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan pleit daarom voor meer samenhang tussen het beleid voor water, ruimtelijke ordening en milieu, gericht op de verschillende belangen zoals veiligheid, landbouw, natuur, drinkwatervoorziening, transport, recreatie en visserij, daarbij ruimte scheppend voor gebiedsgericht maatwerk.

Het waterplan werkt door in het provinciale waterbeleid en het beleid van het Waterschap Vallei en Veluwe.

Provinciaal Bodem-, Water- en Milieuplan 2016 - 2021
Het beleid uit het Waterplan 2010-2015 wordt voortgezet en is ondergebracht in het op 7 december 20-15 vastgestelde Bodem-, Water- en Milieuplan 2016 - 2021 van de provincie Utrecht. Het plan beschrijft onder meer wat de provincie wil bereiken op het gebied van waterbeheer. Belangrijke andere spelers zijn het Rijk, de waterbeheerders, de gemeenten en maatschappelijke organisaties. Het Waterplan is gebaseerd op de Waterwet. Voor de Utrechtse Heuvelrug geldt als speerpunt voor verbetering van de waterhuishouding "afkoppelen en herstel infiltratie".

Waterbeheerprogramma met meerjarenraming 2016 - 2021
Op 30 september 2015 heeft het Waterschap Vallei en Eem het Waterbeheerprogramma vastgesteld. Dit Waterbeheerprogramma (WBP), dat op 1 januari 2016 in werking is getreden, geeft de koers van het waterschap aan en wordt bewust neergezet als een 'programma' en niet meer als een waterbeheerplan.

Met het WBP als programma wordt aangesloten bij het Bestuursakkoord Water. Binnen de kaders van de Waterwet, de Europese Kaderrichtlijn Water en de Deltabeslissingen beschrijft het waterschap hoe wordt gewerkt aan de wateropgaven. Ook wordt alvast ingespeeld op de nieuwe wetgeving omtrent ruimtelijke ordening, waarmee dit WBP ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet houdbaar is.

In het WBP is ook de meerjarenraming voor de periode 2016-2021 opgenomen.

Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2012-2015 (VGRP)
Het VGRP is de integrale visie van de gemeente op grondwater, regenwater en stedelijk afvalwater. De gemeente kiest blijkens het plan bewust voor een integraal en duurzaam watersysteem in een uniek, maar kwetsbaar gebied, passend bij ons groene en vitale imago. Hiertoe heeft de gemeente een aantal doelen geformuleerd met betrekking tot grondwater, regenwater en stedelijk afvalwater. In het VGRP heeft de gemeente o.a. de volgende doelen geformuleerd:

  • inzameling van stedelijk afvalwater, dat binnen het gebied is geproduceerd;
  • transport van ingezameld stedelijk afvalwater naar de zuiveringsinstallatie;
  • voorkomen van ongewenste vuilemissie naar oppervlaktewater, grondwater en bodem.

Voor het hemelwater heeft de gemeente de ambitie geformuleerd om zoveel mogelijk van dit hemelwater vast te houden op de plek waar het valt. Dit betekent dat daar waar het mogelijk is het hemelwater moeten worden afgekoppeld van de riolering en lokaal in het milieu (bodem of oppervlaktewater) moet worden gebracht. Dit gaat verdroging van gebieden tegen en is beter voor het milieu, omdat hierdoor overstorten van rioolwater op het oppervlaktewater worden voorkomen en de werking van rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) verbetert (een RWZI werkt beter als rioolwater minder vermengd is met regenwater).

In het gebied ligt drukriolering waarop geen hemelwater mag worden aangesloten.

De kleinschalige functiewijziging heeft geen gevolgen voor de bestaande waterhuishouding (zie paragraaf 4.3.9).

4.3 Specifieke regelgeving

Het Besluit ruimtelijke ordening stelt in artikel 3.1.1.(onder f.) dat inzicht dient te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Bovendien dient het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit (tot vaststelling van het ruimtelijke plan) de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen (AWB, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt verslag gedaan van het onderzoek dat is verricht ten behoeve van de in dit plan mogelijk gemaakte functiewijziging, zodat voldaan wordt aan de onderzoeksverplichtingen van het Besluit ruimtelijke ordening.

Indien mogelijk worden de resultaten tevens getoetst aan de kwaliteitsniveaus van het gemeentelijk milieubeleidsplan.

4.3.1 Bodem

Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's daardoor zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. De functiewijziging heeft niet uitsluitend betrekking op het bestaande gebouw. Geconcludeerd kan worden dat een onderzoek naar de bodemkwaliteit nodig is.

Ten behoeve van de toekomstige ontwikkeling is daarom een verkennend bodemonderzoek1 uitgevoerd. Op basis van het vooronderzoek is aangenomen dat de bodem van de locatie niet of nauwelijks is aangetast en derhalve de hypothese 'onverdacht' geldt.

Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond onder de grindverharding PAK en PCB zijn aangetroffen in een gehalte net boven de achtergrondwaarde. In het grondwater zijn barium en zink aangetroffen in een gehalte boven de streefwaarde. Geen van de overige geanalyseerde parameters is aangetroffen in een gehalte boven de achtergrond-/streefwaarde.

Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'onverdacht' stand houdt. De aangetoonde lichte verontreinigingen zijn niet verontrustend en geven geen aanleiding tot nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische bodemkwaliteit is afdoende bekend. De milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de bestemmingswijziging en het gebruik van het perceel als woonlocatie.

Relatie tot het milieubeleidsplan
Uitgaande van bovenstaande beschrijving zijn de uitkomsten gerelateerd aan de milieukwaliteitsprofielen uit het milieubeleidsplan. Voor het plangebied is het milieukwaliteitsprofielen “Landelijk gebied, verweving van functies” van toepassing. Voor het aspect "bodem" geldt de onderstaande tabel.

Gebiedstype   Landelijk gebied, verweving van functies   Conclusie  
Ambitieniveau   huidig   ambitie    
Bodem   Voldoet deels   Voldoet deels   Voldoet deels  

De geconstateerde lichte overschrijding van de achtergrondwaarde kan worden verklaard. Binnen het gebiedstype heerst niet overal dezelfde huidige kwaliteit. De in de tabel 1.6.3 van het gebiedstype weergegeven waarden zijn de gemiddelde kwaliteit. Deze waarde kan dus afwijken, zoals hier het geval blijkt te zijn.

4.3.2 Luchtkwaliteit

De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met de invoering van de wet is hoofdstuk 5.2 toegevoegd aan de Wet milieubeheer met de titel "Luchtkwaliteitseisen". Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Een belangrijk onderdeel van het instrumentarium is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen het NSL werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het NSL treedt pas in werking als de EU derogatie (verlenging van de termijn om luchtkwaliteitseisen te realiseren) heeft verleend. Op 7 april 2009 is derogatie verleend, waarna op 1 augustus 2009 het NSL in werking is getreden.

De uitvoeringsregels behorend bij de wet zijn vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur (amvb) en ministeriële regelingen die gelijktijdig met de 'Wet luchtkwaliteit' in werking treden. De belangrijkste zijn het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” en de “Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”. In deze laatste regeling zijn categorieën aangewezen waarvan op voorhand vaststaat dat zij niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor deze categorieën geldt een grens van 3% van de betreffende grenswaarde.

Woningbouw is één van de categorieën waarvoor vaststaat dat niet in betekenende mate wordt bijgedragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij geldt dat een omvang van 1.500 woningen overeenkomt met de grens van 3% van de betreffende grenswaarde. Doordat het onderhavige project slechts de vervangende nieuwbouw van 1 woning omvat, wordt gesteld dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het wel zinvol om inzicht te hebben in de luchtkwaliteit om te beoordelen of de toekomstige bewoners niet worden blootgesteld aan te hoge concentraties luchtvervuiling. Om dit te toetsen is de luchtkwaliteit heeft de Omgevingsdienst Regio Utrecht de concentraties stikstofdioxide en fijn stof berekenend met de actuele gegevens (peiljaar 2013) en het rekenmodel GeoMilieu, versie 2.30. In dit rekenmodel is het rekenhart STACKS geïntegreerd, welke voldoet aan de Regeling beoordeling. De uitkomsten hiervan zijn voor het jaar 2025 weergegeven in afbeeldingen 8 en 9.

Afbeelding 10: Concentraties stikstofdioxide in 2015 rond het plangebied.
afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMmaarsbergsewg18-VA01_0010.jpg"

Afbeelding 11: Concentraties fijn stof in 2015 rond het plangebied.
afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMmaarsbergsewg18-VA01_0011.jpg"

Afbeelding 12: Concentraties stikstofdioxide in 2025 rond het plangebied.
afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMmaarsbergsewg18-VA01_0012.jpg"

Afbeelding 13: Concentraties fijn stof in 2025 rond het plangebied.
afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMmaarsbergsewg18-VA01_0013.jpg"

Relatie Milieubeleidsplan
De gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft een milieubeleidsplan met kwaliteitsprofielen. Het relevante profiel “Landelijk gebied, verweving van functies” is hieronder weergegeven, met de bijbehorende ambities.

Luchtkwaliteit   Indicator   Wettelijk niveau   Huidige kwaliteit   Ambitiekwaliteit  
Landelijk gebied, verweving van functies   Concentratie NO2    40 µg/m3   20 – 22 µg/m3   18 – 22 µg/m3  
  Concentratie PM10    31,3 µg/m3   21 – 22 µg/m3   20 – 21 µg/m3  

Toetsing aan de criteria levert de volgende beoordeling.

Gebiedstype   Landelijk gebied, verweving van functies   Conclusie  
Ambitieniveau   huidig   ambitie    
Luchtkwaliteit NO2   Voldoet   Voldoet   Voldoet  
Luchtkwaliteit Pm10   Voldoet niet   Voldoet   Voldoet deels  

Conclusie
De huidige concentraties stikstofdioxide (2015) in het gebied bedragen 0-18 microgram per m3. De huidige concentraties fijn stof (2015) bedragen 22-23 microgram per m3. Dit betekent dat de concentratie voor stikstofdioxide wel voldoet aan de huidige kwaliteit en voor fijn stof niet voldoet aan de huidige kwaliteit. In 2025 bedraagt deconcentratie stikstofdioxide 0-18 microgram per m3. Daarmee wordt voldaan aan de ambitiekwaliteit. De concentratie fijn stof bedraagt in 2025 20-21 microgram per m3, waardoor ook hier voldaan wordt aan de ambitiekwaliteit.

4.3.3 Externe veiligheid

Bij de externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van een risico-opleverende activiteit met gevaarlijke stoffen. Het kan daarbij gaan om industriële activiteiten, transportroutes of buisleidingen. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) van 27 oktober 2004 en de hierin opgenomen Regeling externe veiligheid inrichtingen, geeft aan welke activiteiten/bedrijven risicocontouren kennen, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het verlenen van vergunningen in het kader van de Wet milieubeheer en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De risicokaart toont in de omgeving geen inrichtingen die onder het Bevi vallen. Bovendien neemt het aantal woningen op deze plaats niet toe. Nader onderzoek naar veiligheidsrisico's is dan ook niet aan de orde.

Afbeelding 14: Risicokaart.
afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMmaarsbergsewg18-VA01_0014.jpg"

Andere relevante aspecten die vallen onder externe veiligheid zijn:

  • vervoer van gevaarlijke stoffen (over de weg/spoorweg, buisleidingen);
  • bedrijven die op grond van overige milieuwetgeving afstandsnormen voor veiligheid bezitten, zoals het Vuurwerkbesluit of het Activiteitenbesluit (bijv. propaantanks);
  • elektromagnetische straling.

Deze aspecten komen in de buurt van het plangebied niet voor. Nader onderzoek naar veiligheidsrisico's als gevolg van deze aspecten is dan ook niet aan de orde.

Relatie tot het milieubeleidsplan
Uitgaande van bovenstaande beschrijving zijn de uitkomsten gerelateerd aan de milieukwaliteitsprofielen uit het milieubeleidsplan. Voor het plangebied is het milieukwaliteitsprofielen “Landelijk gebied, verweving van functies” van toepassing. Voor het aspect "externe veiligheid" geldt de onderstaande tabel.

Gebiedstype   Landelijk gebied, verweving van functies   Conclusie  
Ambitieniveau   huidig   ambitie    
Externe
veiligheid  
Voldoet   Voldoet   Voldoet  

4.3.4 Natuur

Gebiedsbescherming
Nederland heeft sinds 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming, deze vervangt de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, De Wet natuurbescherming richt zich mede op de bescherming van Gebieden. De gebieden die door de wet worden beschermd zijn de Habitat- en Vogelrichtlijngebieden. Het voorliggende plangebied valt hier niet onder. Ook liggen er in de omgeving geen Natura2000-gebieden. Het Natura2000-gebied "Kolland & Overlangbroek" ligt namelijk op bijna 4 km afstand van het perceel Maarsbergseweg 18. Vanwege de afstand tot Natura 2000-gebieden, zijn effecten van de voorgenomen ontwikkeling hierop uitgesloten2.

Het plangebied is gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Er rust geen beheertype op het plangebied. Effecten op het NNN kunnen alleen optreden middels externe werking. Uit de EHS-wijzer van de Provincie Utrecht blijkt dat het voor de effectbepaling van de voorgenomen plannen op het NNN van belang is of het gaat om een kleinschalige of grootschalige uitbreiding van de bestaande functie. Het voornemen is om de bestemming bedrijfswoning te wijzigen in woonbestemming. Met deze wijziging vindt er geen uitbreiding van de huidige functie plaats. De functie van het plangebied wijzigt feitelijk niet, het is en blijft bewoond. Gezien het lokale karakter van de voorgenomen ontwikkeling, het slopen van de huidige gebouwen en plaatsen van een nieuwe woning, zijn negatieve effecten op het NNN redelijkerwijs uit te sluiten.

Soortenbescherming
Sinds 1 januari 2017 is de Flora- en faunawet opgegaan in de Wet natuurbescherming die nu de bescherming van in het wild voorkomende inheemse planten en dieren regelt. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende planten en dieren (zorgplicht). Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. De wet heeft dan ook belangrijke consequenties voor ruimtelijke plannen.

Bij ruimtelijke plannen met mogelijke gevolgen voor beschermde planten en dieren is het verplicht om vooraf te toetsen of deze kunnen leiden tot overtreding van algemene verbodsbepalingen. Wanneer dat het geval dreigt te zijn, moet onderzocht worden of er maatregelen genomen kunnen worden om dit te voorkomen, of de gevolgen voor beschermde soorten te verminderen.

Voor het project is een onderzoek uitgevoerd naar de beschermde soorten3. Dit onderzoek is echter nog uitgevoerd toen de Wet natuurbescherming nog niet in werking was getreden. Is middels een oplegnotitie4 geactualiseerd. De uitkomsten van deze actualisatie worden weergegeven aan het einde van deze paragraaf.

In het plangebied komen mogelijk verschillende beschermde soorten voor die vermeld stonden in de tabellen van de Flora- en faunawet.

Soorten van FFtabel 1
Mogelijk wordt het plangebied gebruikt door enkele grondgebonden zoogdieren en amfibieën, die zijn opgenomen in FFtabel 1. De voorgenomen plannen hebben mogelijk een negatief effect op deze zoogdieren en/of amfibieën.

Het is niet uitgesloten dat de beschermde wijngaardslak voorkomt in het plangebied. De voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten hebben op deze soorten.

Voor de soorten van FFtabel 1 geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkeling een algehele vrijstelling. Het is derhalve niet noodzakelijk mitigerende maatregelen te nemen voor deze soorten.

Soorten van FFtabel 2
Mogelijk komt de reptielsoort levendbarende hagedis voor in het plangebied. De voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten hebben op deze soort. Na het plaatsen van het paddenscherm dienen eventueel aanwezige levendbarende hagedissen uit het plangebied weggevangen te worden. Om levendbarende hagedis weg te mogen vangen dient een ontheffing aangevraagd te worden.

Het plangebied vormt mogelijk onderdeel van het leefgebied van de eekhoorn. Indien bosschages of individuele bomen verwijderd worden heeft dit mogelijk een negatief effect op het voorkomen van de eekhoorn. Echter, in de omgeving van het plangebied is veel alternatief geschikt leefgebied aanwezig en bovendien zal rondom de nieuwe woning opnieuw een tuin gerealiseerd worden welke opnieuw geschikt zal zijn als onderdeel van het leefgebied van eekhoorn. Negatieve effecten op eekhoorn zijn redelijkerwijs uit te sluiten.

Soorten van FFtabel 3
Er kan niet worden uitgesloten dat er incidenteel een zwervende rouwmantel, keizersmantel of heideblauwtje kan worden waargenomen in het plangebied. Het plangebied betreft geen essentieel leefgebied voor deze soorten. Het kan uitgesloten worden dat de voorgenomen plannen negatieve effecten hebben op het mogelijk incidenteel voorkomen van rouwmantel, keizersmantel of heideblauwtje.

Mogelijk komen de amfibiesoorten heikikker, poelkikker en/of rugstreeppad en/of de reptielsoorten hazelworm en/of ringslang voor in het plangebied. De voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten hebben op deze soorten.

Door het plaatsen van paddenscherm in de periode april tot en met half juli kan voorkomen worden dat de soorten heikikker, poelkikker en/of rugstreeppad negatieve effecten ondervinden van de voorgenomen werkzaamheden. Na het plaatsen van het paddenscherm dienen eventueel aanwezige levendbarende hagedis, hazelworm en/of ringslang uit het plangebied weggevangen te worden. Om soorten uit FFtabel 3 weg te mogen vangen dient een ontheffing aangevraagd te worden.

De voorgenomen ontwikkelingen hebben geen negatieve effecten op mogelijk aanwezig foerageergebied van vleermuizen. Nader onderzoek moet uitwijzen of daadwerkelijk verblijfplaatsen van vleermuizen in de te slopen gebouwen aanwezig zijn.

Vleermuisonderzoek dient te worden uitgevoerd volgens het vleermuisprotocol middels meerdere veldbezoeken gedurende de periode half mei tot en met eind september.

Indien boommarter voorkomt in de omgeving van het plangebied, vormt het plangebied geen essentieel onderdeel van het leefgebied van de boommarter. Aangezien de functie van het plangebied feitelijk niet wijzigt zijn negatieve effecten op eekhoorn en boommarter uit te sluiten.

Soorten van FFtabel vogels
Het plangebied is geschikt als foerageer- en broedgebied voor algemene vogelsoorten. Als het verwijderen van bomen en struiken buiten het broedseizoen plaatsvindt, wordt voorkomen dat er negatieve effecten optreden ten aanzien van algemeen voorkomende vogelsoorten.

Het is niet uitgesloten dat de huismus voorkomt binnen het plangebied. Om te bepalen of huismus daadwerkelijk voorkomt in het plangebied en welke functie het plangebied voor de huismus heeft dient nader onderzoek plaats te vinden. Het onderzoek naar huismussen kan worden uitgevoerd in de periode april tot en met augustus.

Het plangebied vormt mogelijk onderdeel van het grotere foerageergebied van kerk-, rans-, en/of steenuil. Aangezien de functie van het plangebied niet wijzigt, zijn effecten op foerageergebied van kerk-, rans-, en/of steenuil uit te sluiten.

Nader onderzoek
Uit deze toetsing is gebleken dat de woning mogelijkheden biedt voor verblijfplaatsen van vleermuizen en nestplekken van huismussen. Om eventuele overtreding van de natuurwetgeving te voorkomen, is een nader onderzoek5 uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen en huismussen in het plangebied.

Het onderzoek naar vleermuizen is uitgevoerd in de periode augustus tot en met september 2016 en mei tot en met juni 2017 volgens het vleermuisprotocol 2013 van de Gegevensautoriteit Natuur, de Zoogdiervereniging en het Netwerk Groene Bureaus. Uit het onderzoek blijkt dat in het plangebied gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis voorkomen.

In het plangebied is op 5 september 2016 een foeragerende gewone dwergvleermuis waargenomen. Tijdens het onderzoek zijn verder alleen overvliegende vleermuizen aangetroffen. In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig.

Het plangebied functioneert als foerageergebied voor gewone dwergvleermuis. De voorgenomen plannen zullen geen negatief effect hebben op het foerageergebied van vleermuizen. Binnen het plangebied en in de directe omgeving blijft voldoende foerageergebied voor vleermuizen beschikbaar.

Om de aanwezigheid van nesten van huismussen aan te tonen, zijn twee veldbezoeken uitgevoerd specifiek gericht op huismussen. Deze veldbezoeken zijn uitgevoerd op 12 april en 14 mei 2017. Tijdens de veldbezoeken gericht op huismussen en de onderzoeken naar vleermuizen zijn binnen het plangebied en de directe omgeving hiervan geen huismussen waargenomen. Derhalve kan de aanwezigheid van nestplekken en leefgebied van huismussen in het plangebied worden uitgesloten.

Gevolgen voor het plan
In het plangebied zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig van gewone dwergvleermuis en huismus. Het plangebied functioneert als foerageergebied voor gewone dwergvleermuis.

De voorgenomen plannen zullen geen negatief effect hebben op het foerageergebied van vleermuizen. Binnen het plangebied en in de directe omgeving blijft voldoende foerageergebied voor vleermuizen beschikbaar. De Wet natuurbescherming wordt niet overtreden door de voorgenomen plannen.

Actualisatie onderzoek naar aanleiding Wet natuurbescherming
Vanwege veranderingen in de natuurwetgeving zijn in een oplegnotitie6 de wijzigingen ten opzichte van de uitgevoerde quickscan flora en fauna van 2016 beschreven.

De vlindersoorten heideblauwtje, rouwmantel en keizersmantel zijn onder de nieuwe Wet natuurbescherming niet beschermd. Van de “nieuw” beschermde vlindersoorten komen grote vos en sleedoornpage voor in de omgeving van het plangebied. In het plangebied ontbreken geschikte biotopen voor deze soorten, zodat het voorkomen in het plangebied redelijkerwijs is uit te sluiten.

De slakkensoort wijngaardslak is onder de Wet natuurbescherming niet beschermd.

Onder de Wet natuurbescherming is het verstoren van de mogelijk aanwezige reptielen hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang (alle §3.3 wn) niet (meer) verboden. Opzettelijk doden is wel verboden, maar dat is bij het planvoornemen niet aan de orde.

Het voornemen om de bestemming te wijzigen van bedrijfswoning naar woonbestemming heeft geen overtreding van de Wet natuurbescherming tot gevolg.

4.3.5 Geluid

De Wet geluidhinder heeft tot doel woningen en andere geluidgevoelige objecten te beschermen tegen overmatige geluidsbelastingen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende geluidsbronnen: Industrie, Spoorwegen en Wegverkeer.

Industrie
Het plangebied ligt niet binnen een zone industrielawaai. Dit aspect is dus niet relevant voor de ontwikkeling.

Spoorwegen
Aangezien het plangebied zich op een afstand van ongeveer 2,25 km verwijderd ligt van de spoorweg Utrecht-Arnhem kan met zekerheid worden geconcludeerd dat het plangebied buiten de zone van de spoorweg is gesitueerd en dat derhalve geen akoestisch onderzoek behoeft te worden uitgevoerd.

Wegverkeer
Volgens de Wet geluidhinder bevindt zich aan weerszijden van elke weg een geluidzone, waarbinnen onderzoek dient plaats te vinden naar de geluidsbelasting van geluidgevoelige objecten.

Aangezien het plangebied zich op een afstand van ongeveer 2,2 km verwijderd ligt van de rijksweg A12 kan met zekerheid worden geconcludeerd dat het plangebied buiten de zone van de weg is gesitueerd en dat derhalve geen akoestisch onderzoek behoeft te worden uitgevoerd.

Het plangebied ligt wel binnen de zone van de Maarsbergseweg (N226). De ligging van de nieuwe woning verandert slechts marginaal ten opzichte van de huidige situatie. Dat betekent dat akoestisch onderzoek op basis van de Wgh niet noodzakelijk is. Omdat in het kader van het Bouwbesluit de binnenwaarde niet meer mag bedragen dan 33 dB, is ter controle een akoestisch onderzoek uitgevoerd7.

Wet geluidhinder
Uit de berekeningen blijkt dat ten gevolge van de N226 de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op de gevel van de woning niet wordt overschreden. De berekende gevelbelasting bedraagt maximaal 46 dB (inclusief 2 dB aftrek) op de verdieping.

Bouwbesluit
De geluidbelasting van het wegverkeer van de N226 exclusief de aftrek ex. artikel 110g Wgh, bedraagt maximaal 48 dB op de gevel van de toekomstige woning. Dat betekent dat bij de minimale karakteristieke geluidwering van de gevelconstructie van 20 dB wordt voldaan aan de maximale binnenwaarde van 33 dB. Derhalve dienen er geen extra geluidwerende voorzieningen te worden genomen.

Relatie tot het milieubeleidsplan
Uitgaande van bovenstaande beschrijving zijn de uitkomsten gerelateerd aan de milieukwaliteitsprofielen uit het milieubeleidsplan. Voor het plangebied is het milieukwaliteitsprofielen “Landelijk gebied, verweving van functies” van toepassing. Voor het aspect "geluid" geldt de onderstaande tabel.

Gebiedstype   Landelijk gebied, verweving van functies   Conclusie  
Ambitieniveau   huidig   ambitie    
Geluid weg   Voldoet   Voldoet niet   Voldoet deels  

Conclusie
Het plan voldoet aan de huidige kwaliteit en aan de wettelijke kwaliteit. Het plan voldoet niet aan de toekomstige ambitie van 43 dB. Dat wordt voornamelijk veroorzaakt door de aanwezigheid van de N226 die nadrukkelijk aanwezig is op deze plaats binnen het milieukwaliteitsprofiel "Landelijk gebied, verweving van functies". Het milieukwaliteitsprofiel "Verkeersassen" heeft volgens de bijlagen van het milieubeleidsplan een indicatieve zone van ongeveer 50 meter langs provinciale wegen. Het plangebied ligt ongeveer 120 meter uit de weg. Een dergelijke ligging is niet "gemiddeld" voor het kwaliteitsprofiel "Landelijk gebied, verweving van functies". Gelet op het feit dat de locatie ook in de vigerende situatie reeds een woonfunctie heeft is het afwijken van de ambitiewaarde redelijkerwijs te verantwoorden.

4.3.6 Cultuurhistorie

In het Besluit ruimtelijke ordening is in artikel 3.1.6,lid 5 aangegeven dat een beschrijving dient te worden opgenomen van de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. Deze laatste beschrijving is opgenomen in paragraaf 4.3.7). Het plangebied behoort niet tot een cultuurhistorisch waardevolle complexen, structuren of elementen/objecten. Voor de functiewijziging met bijbehorende wijziging van de bebouwingsmogelijkheden gelden vanuit de cultuurhistorie derhalve geen beperkingen.

4.3.7 Archeologie

In 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. In het kader hiervan dient een gemeente ruimtelijke planvorming te toetsen op archeologische waarden. Indien potentiële archeologische waarden worden verstoord, dient hier nader onderzoek naar te worden verricht. De gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft een archeologische beleidskaart voor haar grondgebied. Op de beleidskaart van de gemeente Utrechtse Heuvelrug uit 2013 staat het plangebied aangegeven als een terrein met een zeer hoge archeologische verwachting.

Afbeelding 15: De gemeentelijke archeologische beleidskaart (plangebied binnen rood kader).
afbeelding "i_NL.IMRO.1581.LSMmaarsbergsewg18-VA01_0015.jpg"

De zeer hoge archeologische verwachting is gebaseerd op de nabije ligging van een grafheuvel in de directe omgeving van het plangebied.

Het voorgaande betekent dat voor de voorgenomen herontwikkeling een archeologische waardestelling nodig is. Hiervoor is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd8. Op basis van het vooronderzoek is vastgesteld dat er binnen het plangebied sprake is van een nagenoeg intacte bodemopbouw en de aanwezigheid van een vindplaats uit de prehistorie. Op basis van het vondstmateriaal (aardewerk, vuursteen en huttenleem) dateert deze vindplaats waarschijnlijk uit het Neolithicum. De aard van de vindplaats kan op basis van dit onderzoek niet worden vastgesteld. In de nabijheid van de locatie ligt een grafheuvel, maar door de lagere landschappelijke ligging van het plangebied kan de vindplaats ook een jachtkamp of nederzetting betreffen.

In aanvulling op het archeologisch booronderzoek is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Hierbij zijn aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een prehistorische grafheuvel in het zuidoostelijk deel van het plangebied. In de noordoostelijke hoek van het perceel zijn bovendien vondsten gedaan die in verband gebracht kunnen worden met bewoning uit de periode late nieuwe steentijd (circa 2850-2000 voor Chr) of het begin van de bronstijd (circa 2000-1500 voor Chr.). De combinatie van beide vindplaatsen (in verband ook met vindplaatsen in de omgeving, denk bijvoorbeeld aan grafheuvel Bankiva direct achter het plangebied) en de zeldzaamheid van met name bewoning uit deze perioden benadrukken het belang van deze archeologische vindplaatsen.

Vanuit het belang van behoud van dit bijzondere archeologische erfgoed mag de aangetroffen grafheuvel niet bebouwd worden. Het proefsleuvenonderzoek heeft aangetoond dat de bodem ter plaatse van het beoogde bouwvlak verstoord is tot ver onder het archeologisch niveau. Nieuwbouw in het plangebied binnen het beoogde bouwvlak is dus niet bezwaarlijk vanuit archeologisch oogpunt.

In het noordoostelijk deel van het plangebied zal een bijgebouw worden geplaatst. Hier zijn vondsten gedaan die wijzen op bewoning in de prehistorie. Omdat sporen hiervan echter tot op heden ontbreken, zijn er op dit moment geen bezwaren tegen plaatsing van een bijgebouw. Hierbij is het wel van groot belang dat alle eventuele vondsten en sporen gedocumenteerd worden en zo behouden voor de toekomst. Dit betekent dat indien er dieper dan 30 cm wordt geroerd in de bodem voor de plaatsing van het bijgebouw archeologisch onderzoek met als doel documentatie van de sporen en vondsten noodzakelijk is.

Conclusie
De bescherming van de grafheuvel, de vondsten en eventuele bewoningssporen komt tot uiting door de dubbelbestemming waarde archeologie die op het hele plangebied ligt.

4.3.8 Milieuzonering

Om hinder tussen bedrijven en woningen te voorkomen is een goede afstemming noodzakelijk. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie ten opzichte van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden.

De Vereniging van Nederlandse Gemeente doet in de publicatie "Bedrijven en milieuzonering" (editie 2009), een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. De publicatie heeft bedrijven ingedeeld in categorieën met bijbehorende gewenste afstand tot milieugevoelige functies. De adviesafstanden hangen samen met gebiedskenmerken.

Veel voorkomende categorieën met bijbehorende gewenste afstand tot milieugevoelige functies in een rustige woonwijk zijn:

  • Categorie 1: grootste afstand 10 meter
  • Categorie 2: grootste afstand 30 meter
  • Categorie 3.1: grootste afstand 50 meter
  • Categorie 3.2: grootste afstand 100 meter

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de bestemmingsgrens van de bedrijven en anderzijds de gevel van een woning.

Ten westen van (zowel de bestaande als de toekomstige) woning ligt het kantoor van de VVV. Ter plaatse geldt de bestemming Bedrijven B2 (kantoor Maarsbergseweg 20). De afstand van de gevel van de woning tot de bestemmingsgrens van het kantoor bedraagt ongeveer 20 meter. Deze bestemming komt echter niet overeen met de feitelijke situatie. De kadastrale grens van het bedrijfspersceel ligt op een afstand van 45 meter en de dichtstbijzijnde bedrijfsbebouwing ligt op een afstand van ongeveer 85 meter van de woning.

Kantoren hebben in de uitgave van de VNG een milieucategorie 1 toebedeeld gekregen. Dat betekent dat de afstand tot een woning in een rustige woonomgeving 10 meter dient te bedragen. De afstand van de woning tot de perceelsgrens voldoet in alle bovengenoemde gevallen. Geconcludeerd kan worden dat de functiewijziging zich niet verzet tegen de aanwezigheid van het kantoor op het adres Maarsbergeseweg 20.

4.3.9 Water

Algemeen
In de toelichting van een plan dient volgens artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Doel daarvan is de uitgangspunten en wensen vanuit duurzame watersystemen en veiligheid te vertalen naar concrete gebiedsspecifieke ruimtelijke uitgangspunten en deze weer te geven in het plan. Als principe geldt dat afwenteling moet worden voorkomen en voor het watersysteem de drie-staps-strategie "vasthouden, bergen en afvoeren" moet worden gehanteerd. In de waterparagraaf kan worden ingegaan op de resultaten van het overleg.

Zowel in het landelijk beleid (Nationaal Bestuursakkoord Water), als in het Provinciaal beleid heeft het water een belangrijke plaats binnen de Ruimtelijke Ordening gekregen.

De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft bij het uitbrengen van haar rapportage de term Watertoets geïntroduceerd. Het Rijk heeft vervolgens een handreiking voor de invulling van de Watertoets afgerond. De Watertoets wordt in deze handreiking beschreven als een proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. De toets is gebaseerd op vigerend beleid. Doel ervan is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten van zowel Rijk, provincies en gemeenten. Hiertoe behoren in elk geval structuurvisies, inpassingsplannen en bestemmingsplannen. De grootste winst van de Watertoets als procesinstrument ligt bij de vroegtijdige, wederzijdse betrokkenheid en informatievoorziening.

De waterbeheerder van het gebied
Het waterschap Vallei en Veluwe in het plangebied. Het waterschap is verantwoordelijk voor zowel het waterkwaliteits- als het waterkwantiteitsbeheer in dit deel van de provincie Utrecht.

Waterhuishouding plangebied
De functiewijziging brengt geen wijziging met zich mee van de huidige waterhuishoudkundige situatie. Het vuilwater zal worden afgevoerd op de bestaande gemeentelijke riolering. De oppervlakte van de woning zal in de toekomstige situatie toenemen van ongeveer 75 m2 tot ongeveer 130 m2. Het water dat afstroomt van verharde oppervlakken zal worden geïnfiltreerd in de bodem conform het beleid voor de Utrechtse Heuvelrug.

Watertoets
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening is voor dit ruimtelijke plan een watertoetsproces doorlopen. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de gemeente en waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren.

Het watertoetsproces is op 24 maart 2016 digitaal doorlopen via www.dewatertoets.nl. Waterschap Vallei en Veluwe is via deze weg door de initiatiefnemer van de ruimtelijke ontwikkeling op de hoogte gebracht van het plan.

Uit de digitale analyse blijkt dat er geen grote waterbelangen zijn. In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A- watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, geeft het waterschap aan dat rekening gehouden moet worden met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water.

Vasthouden - bergen - afvoeren
Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap.

Grondwaterneutraal bouwen
Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken/draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar.

Schoon houden - scheiden - schoon maken
Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het Waterschap vraagt de initiatiefnemer de "beslisboom voor het afkoppelen van verhard oppervlak" toe te passen.

4.3.10 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Sinds enkele jaren is er een verandering opgetreden in de wettelijke bepalingen met betrekking tot milieueffectrapportages (Besluit m.e.r.). Voorheen kon worden volstaan met de conclusie dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde voor m.e.r.(-beoordeling) lag en dus geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling dient er een motivering te worden gegeven.

De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

  • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodza-kelijk;
  • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.

De ontwikkeling aan de Maarsbergseweg 18 kan worden opgevat als "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen" als bedoeld in 11.2 van de D-lijst.

De in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten voldoen niet alleen aan de onderzoeks-verplichting van het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vorm-vrije m.e.r.-beoordeling. Artikel 5, lid 1 van de "Europese richtlijn milieu-beoordeling projecten" geeft aan dat de opdrachtgever in "passende vorm" de in bijlage III bedoelde informatie verstrekt. Gelet op de aard van de nu voorgestelde ontwikkeling kan worden gesteld dat de "Kenmerken van het project", de "Plaats van het project" en de "Kenmerken van het potentiële effect" zo kleinschalig en niet significant voor de omgeving zijn dat met de in dit hoofdstuk beschreven kenmerken en gevolgen voldaan is aan de criteria van 'Bijlage III Europese richtlijn milieu-beoordeling projecten'.

Het in de voorgaande paragrafen beschreven onderzoek naar milieuaspecten geeft aan dat belangrijke nadelige milieugevolgen, als gevolg van de in deze motivering beschreven ontwikkeling, zijn uitgesloten. Er zijn geen significante effecten voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura2000-gebieden. Geconcludeerd kan worden dat er geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is.

Hoofdstuk 5 Wijze van bestemmen

5.1 Algemeen

Dit bestemmingsplan bestaat uit geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1581.LSMmaarsbergsewg18-VA01 met de bijbehorende regels (en bijlagen) en een toelichting hierop. Het GML-bestand (simpel gezegd; de kaart) en de bijbehorende regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Deze beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. In het GML-bestand zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

5.2 Methodiek

5.2.1 Verbeelding

In het GML-bestand hebben alle gronden met hun bebouwing binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere soorten aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels in combinatie met het GML-bestand aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding. In de legenda zijn deze als "verklaringen" aangegeven (bijvoorbeeld kadastrale gegevens).

5.2.2 Regels

De regels van het bestemmingsplan zijn ondergebracht in vier hoofdstukken:

  • Hoofdstuk I (artikelen 1 en 2) bevatten de inleidende regels. Deze regels beogen een eenduidige interpretatie en toepassing van de overige, meer inhoudelijke regels en van de verbeelding te waarborgen.
  • Hoofdstuk II (artikelen 3 tot en met 5) bevat de bestemmingen. Per op de verbeelding aangegeven bestemming bevat dit hoofdstuk regels die specifiek voor die bestemming gelden. Ook zijn in dit hoofdstuk de dubbelbestemmingen opgenomen.
  • Hoofdstuk III (artikelen 6 tot en met 9 bevat de algemene regels, waaronder een anti-dubbeltelregel en de algemene gebruiksregels.
  • Hoofdstuk IV (artikelen 10 en 11) bevat de overgangs- en slotregel.

Regels in verband met de bestemmingen
De bestemmingsregels kennen allemaal dezelfde opbouw:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • afwijken van de bouwregels (indien aanwezig);
  • specifieke gebruiksregels (indien aanwezig);
  • afwijken van de gebruiksregels (indien aanwezig);
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (indien aanwezig);
  • wijzigingsbevoegdheid (indien aanwezig).

Bestemmingsomschrijving
De bestemmingsomschrijving is de centrale bepaling van elke bestemming. In de bestemmingsomschrijving worden de binnen een bestemming toegestane functies genoemd. Het gebruik wordt hier geregeld.

Bouwregels
De bouwregels zijn gerelateerd aan deze bestemmingsomschrijving. In de bouwregels wordt aangegeven welke bebouwingsmogelijkheden er op een perceel bestaan. Zoals bijvoorbeeld de bouw- en de goothoogtes.

Afwijken van de bouwregels
Door het opnemen van een afwijkingsregeling bestaat de mogelijkheid om middels een omgevingsvergunning af te wijken van de algemeen toegestane bouwregels. In een afwijkingsregeling wordt opgenomen waarvan afwijking wordt verleend, de maximale omvang van de afwijking die kan worden toegestaan en eventuele voorwaarden waaronder de omgevingsvergunning tot afwijken wordt verleend. Een voorbeeld is een afwijkende goot- en/of bouwhoogte in een bepaalde situatie.

Specifieke gebruiksregels
Deze regels zijn in feite een aanvulling op de bestemmingsomschrijving. Hier worden vormen van gebruik beschreven die men in strijd acht met de bestemming, maar waarvan niet direct uit de bestemmingsomschrijving blijkt dat dit zo is.

Afwijken van de gebruiksregels
Onder afwijken van de gebruiksregels wordt het mogelijk gemaakt een bepaalde vorm van gebruik toch onder de bestemming te laten vallen. Een afwijking van een gebruiksregel mag echter niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Het betreft dus altijd gebruik dat inherent is aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Specifieke inrichtingsactiviteiten, niet bestaande uit bouwen (dat is immers al onder de bouwregels beschreven), dienen soms aan een omgevingsvergunning te worden gebonden. Hiervan zal sprake zijn als bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden van invloed kunnen zijn op in de specifieke bestemming voorkomende bijzondere omstandigheden. Voorbeelden van deze omstandigheden zijn cultuurhistorische- of landschappelijke waarden. Deze waarden kunnen met omgevingsvergunningstelsel worden beschermd. De regeling is nadrukkelijk niet bedoeld om alle werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden geheel uit te sluiten.

Wijzigingsbevoegdheid
Door het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid is het mogelijk om het bestemmingsplan te wijzigen (binnenplanse wijziging). Het kan dan gaan om het wijzigen van een op een perceel gelegde bestemming, maar ook bijvoorbeeld het wijzigen of vergroten van een bouwvlak (met bijbehorende bouwmogelijkheden).

De inleidende regels (hoofdstuk I) en de overgangs- en slotregel (hoofdstuk IV) worden hier verder niet toegelicht. Voor de overige bestemmingen volgt in de volgende paragraaf een inhoudelijke beschrijving.

5.3 Bestemmingen

In het plangebied is 1 bestemming weergegeven. Daarnaast kent het plangebied 1 dubbelbestemming. Hieronder volgt een beschouwing van deze bestemmingen.

5.3.1 Enkelbestemmingen

Wonen - B1
Functies
In het buitengebied past de gemeente de bestemming Wonen - B1 toe bij vrijstaande woningen.

Binnen de bestemming Wonen - B1 is wonen toegestaan. Tevens mag een beroep of bedrijf aan huis worden uitgeoefend. Het is daarnaast toegestaan om op de gronden met deze bestemming tuinen, erven en paden aan te leggen. Ook zijn waterhuishoudingsvoorzieningen toegestaan en mag er geparkeerd worden op eigen terrein.

Bouwmogelijkheden
De Bouwregels maken onderscheid in regels voor:

1. algemeen (3.2.1);

2. hoofdgebouwen (3.2.2);

3. bouwen van bijbehorende bouwwerken (3.2.3);

4. bouwen van overige bouwwerken (niet zijnde overkappingen) (3.2.4);

  • Algemeen:

In algemene zin wordt bepaald dat het achtererfgebied voor niet meer dan 50% mag worden bebouwd.

  • Hoofdgebouwen:

Binnen de bestemming Wonen - B1 mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd. De woningen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd.
Er mag niet meer dan één woning per bouwvlak worden gebouwd, waarbij het hoofdgebouw in het bouwvlak moet worden gebouwd. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd. Voor de goot- en bouwhoogte is in de regels een specifiek voor dit project een hoogte gegeven (goothoogte maximaal 4,5 meter en bouwhoogte maximaal 10 meter).
Het hoofdgebouw wordt met een kap uitgevoerd en moet voldoen aan de in de regels voorgeschreven dakhelling.
Dakkapellen zijn toegestaan op hoofdgebouwen. Als een dakkapel in het dakvlak van de voorgevel of in een dakvlak van een naar de openbare weg gekeerde zijgevel wordt gebouwd, is de breedte gemaximeerd. In die gevallen mag de breedte van een dakkapel niet meer dan de helft van de breedte van het betreffende dakvlak bedragen. De breedte van het dakvlak moet gerekend worden ter hoogte van de bovenkant van de dakkapel.

  • Bijbehorende bouwwerken:

Uitbreidingen van het hoofdgebouw met aan- of uitbouwen en al dan niet aangebouwde bijgebouwen en overkappingen worden onder de noemer 'bijbehorend bouwwerk' geschaard. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken is zoveel mogelijk aangesloten op de regeling 'vergunningsvrij bouwen' uit de bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht.
De regeling die het bestemmingsplan omvat is echter op een aantal punten ruimer:

Bouwen voor de voorgevel.
Er mag in sommige gevallen op minder dan 1 meter van de voorgevel of voor de voorgevel worden gebouwd:

    • 1. indien de locatie is opgenomen in het bouwvlak;
    • 2. indien de bestaande bebouwing op minder grote afstand dan 1 m van de voorgevel staat;
    • 3. indien de bijgebouwen die voor de voorgevel staan zijn aangeduid op de verbeelding;
    • 4. erkers die voldoen aan de gestelde voorwaarden.

Bouwen tot in de grens met het openbaar gebied.
Er mag binnen de bestemming wonen bij hoekpercelen tot in de grens van het openbaar gebied worden gebouwd, terwijl volgens de regeling uit het Besluit Omgevingsrecht naast de voorgevelgrens ook de zijgevelgrens in acht moet worden genomen. Dit is in sommige gevallen echter onnodig beperkend, bijvoorbeeld wanneer een woning grenst aan een openbare brandgang of een parkeerterrein. Overigens wordt op de meeste hoekpercelen de bestemming Tuin toegepast zodat daar geen bijbehorende bouwwerken kunnen worden gebouwd.

Ondergronds bouwen.
Ondergronds bouwen is toegestaan onder een bijbehorend bouwwerk tot een maximum van 30 m2.

  • Overige bouwwerken

Met het begrip 'overige bouwwerken' wordt bedoeld: een bouwwerk dat geen gebouw is en ook geen overkapping. Concreet zijn maximale hoogtematen voorgeschreven voor erf- en terreinafscheidingen, vlaggenmasten, antennemasten en andere overige bouwwerken.

  • Specifieke gebruiksregels

Zoals in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, is een beroep of bedrijf aan huis toegestaan binnen de woonbestemming. Wel worden er enige voorwaarden aan dit gebruik gesteld. Zo mag 40 % van de bruto vloeroppervlakte van het hoofdgebouw, inclusief bijbehorende bouwwerken, worden gebruikt voor een beroep of bedrijf aan huis. Bij deze oppervlakte wordt ook de oppervlakte van het hoofdgebouw op de verdieping meegerekend.

Het is alleen toegestaan om beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten te verrichten aan huis die opgenomen zijn in de Staat van activiteiten Bedrijf aan huis. De beroeps- of bedrijfsmatige activiteit mag geen horeca of detailhandel inhouden, behalve als het gaat om verkoop die ondergeschikt is aan de uitoefening van het beroep of bedrijf.

De beroeps- of bedrijfsmatige activiteit aan huis mag alleen door, of in combinatie met, de bewoners van de woning waar de activiteit plaatsvindt worden uitgeoefend.

Door de uitoefening van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit mogen de verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen in de directe omgeving. Daarbij moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Dit dient in de eerste plaats op eigen terrein te worden gerealiseerd. In gevallen waar dit niet mogelijk is dient voldoende parkeergelegenheid in de directe nabijheid aanwezig te zijn. Voor de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit mag geen buitenopslag plaatsvinden.

5.3.2 Dubbelbestemmingen

De bestemmingsplanregeling bevat naast de bovengenoemde bestemmingen ook 2 dubbelbestemmingen. Dubbelbestemmingen vallen als het ware over 'onderliggende' (enkel)bestemmingen heen en houden beperkingen en aanvullingen in voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden van die bestemmingen. Dubbelbestemmingen dienen een specifiek ruimtelijk belang dat middels de dubbelbestemming beschermd wordt.

Waarde - Archeologie 1
Volgens de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart bestaat het gemeentelijk grondgebied uit zones met verschillende archeologische verwachting. Binnen de gemeente bestaan gebieden met een zeer hoge, hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting. Voor elke categorie verwachtingswaarde is bepaald vanaf welke planomvang rekening gehouden moet worden met het (laten) uitvoeren van archeologisch onderzoek. Dit geldt voor bodem verstorende activiteiten die plaats zullen vinden in het kader van 'plannen' waarvoor het vereist is een reguliere omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden aan te vragen. De op de aanvraag om een omgevingsvergunning aangegeven oppervlakte die de bodem (nagenoeg) raakt is het oppervlak dat gehanteerd moet worden voor de beoordeling voor de noodzaak van een archeologisch onderzoek.

Terreinen met een bepaalde archeologische verwachting zullen door middel van het stellen van voorwaarden aan de omgevingsvergunning worden beschermd met een passende dubbelbestemming.

In paragraaf 4.3.6 is aangegeven dat het onderhavige plangebied is gesitueerd in een zone met een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde. In dergelijke gevallen past de gemeente de bestemming Waarde – Archeologie 1 toe.

Bij plannen waarbij bodemverstorende activiteiten plaatsvinden van meer dan 50 m2 en dieper dan 30 cm onder maaiveld dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.

In de bestemming zijn uitzonderingen opgenomen voor situaties waarbij geen omgevingsvergunning hoeft te worden aangevraagd en archeologisch onderzoek niet nodig is. Deze uitzonderingen zijn opgesomd in het artikel en hieronder vallen onder andere 'zaken die het normale onderhoud en/of gebruik betreffen'. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het aanleggen/verwijderen van verhardingen, het aanleggen van infiltratievoorzieningen, alsmede het uitvoeren van werkzaamheden in de bij de woning behorende tuin/erf.

Waarde - Ecologie
De dubbelbestemming Waarde - Ecologie is bedoeld om de landschaps- en natuurwaarden van de gronden in stand te houden en te beschermen. Deze bestemming geldt naast de onderliggende (enkel) bestemming en is van toepassing op gebieden die binnen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) vallen. Naast de geldende bouwregels van de enkelbestemming mogen overige bouwwerken ten dienste van de bestemming Waarde - Ecologie worden gebouwd met een maximale hoogte van 3 meter.

Tevens zijn burgemeester en wethouders bevoegd om nadere eisen te stellen aan de situering van de bouwwerken die volgens de andere bestemmingen mogen worden gebouwd. Dit om onevenredige aantasting van de belangen van de landschaps- en natuurwaarden te voorkomen.

Naast de bescherming die de bestemming biedt is ook een omgevingsvergunningstelsel opgenomen om te voorkomen dat de bestaande landschaps- en natuurwaarden onevenredig kunnen worden aangetast.

5.4 Algemene regels

5.4.1 Anti-dubbeltelregel

Om te voorkomen dat grond dubbel wordt meegeteld, is hier geregeld dat grond die eenmaal bij een bouwplan is meegenomen, bij andere aanvragen buiten beschouwing moet blijven.

5.4.2 Algemene bouwregels

Bestaande situatie
In de eerste plaats is hier opgenomen dat bij afwijking van de in de vorige hoofdstukken opgenomen regels/bestemmingen de bestaande situatie of de onherroepelijk vergunde situatie bij inwerkingtreding van dit bestemmingsplan als maximaal toegestane situatie geldt. Deze regel geldt niet voor de voorgenomen ontwikkeling omdat de bouwmogelijkheden in dit bestemmingsplan omvangrijker zijn dan de huidige bestaande bebouwing.

Ondergeschikte bouwdelen
Bij toepassing van alle bouwregels in dit bestemmingsplan mogen de in dit artikel genoemde ondergeschikte bouwdelen maximaal 1 meter afwijken van de gegeven bouw-, aanduidings- en maatvoeringsregels.

Kleinschalige grondgebonden zonnepaneelinstallaties
Het bouwen van grondgebonden zonnepanelen voor eigen gebruik bij een (bedrijfs)woning met een oppervlakte van maximaal 50 m2 is toegestaan indien wordt voldaan aan in de regels op genomen criteria.

Zo dienen de grondgebonden zonnepanelen binnen hetzelfde bouwperceel te worden gerealiseerd als de (bedrijfs)woning;

Bovendien zijn grondgebonden zonnepanelen niet toegestaan indien het perceel is gelegen op:

  • een grafheuvel;
  • ter plaatse van de aanduiding 'beschermde stads- en dorpsgezicht';
  • beschermde historische park- en tuinaanleggen, zoals een landschapspark met solitairen, boomgroepen en open weiden zoals een arboretum of een heidetuin;
  • in een Natura 2000-gebied;
  • in het 'oude engen' gebied zoals opgenomen in de Welstandsnota 2008;
  • op de Grebbelinie.

5.4.3 Algemene gebruiksregels

Verboden gebruik
In deze bepaling is aangegeven dat het verboden is om de in het plan vallende gronden en bouwwerken in strijd met de bestemming(en) te gebruiken. Er is ook een opsomming gemaakt van gebruik dat in ieder geval onder verboden gebruik valt. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het gebruik van gronden voor opslag en/of storten van grond en/of afval.

Parkeren
Er dient in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien overeenkomstig het bepaalde in het "Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan".

Uitoefening Bed & Breakfast
Dit artikel sluit aan bij de Nota Verblijfsrecreatie waar is geregeld dat het uitoefenen van een bed & breakfast in een (bedrijfs)woning is toegestaan, mits wordt voldaan aan de genoemde voorwaarden.

5.4.4 Algemene afwijkingsregels

Algemeen
Onder de in dit artikel genoemde voorwaarden kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van de regels inzake bouwgrenzen, bouwhoogte van specifieke overige bouwwerken.

Afwijking 10% overschrijding
Er kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van de in het bestemmingsplan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen. De maximale afwijking is 10% en alleen mogelijk indien voldaan wordt aan de in het artikel gestelde voorwaarden.

Afwijking extra grondgebonden zonnepanelen voor wko
Op grond van de in de algemene bouwregels opgenomen regeling 'Kleinschalige grondgebonden zonnepaneelinstallaties' worden grondgebonden zonnepanelen reeds toegestaan tot een maximum oppervlak van 50 m2. Deze afwijkingsbevoegdheid maakt het mogelijk om nogmaals maximaal 50 m2 te realiseren indien aangetoond kan worden dat deze nodig zijn in verband met de energiebehoefte van een warmte koude opslaginstallatie (wko) of warmtepominstallatie.

5.5 Overgangs- en slotregels

In artikel 9 is het wettelijk overgangsrecht geregeld. Tot slot is in artikel 10 van het plan de naam van het plan geregeld.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

De functiewijziging zal in de toekomst leiden tot het slopen van bestaande opstallen en het bouwen van een nieuwe woning Deze zal door de initiatiefnemer worden gerealiseerd. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten. Daarin is onder meer vastgelegd dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer zal zijn. Het plan wordt financieel uitvoerbaar geacht.

6.2 Overleg omwonenden

Het voornemen is aan de omwonenden voorgelegd. Het gaat hierbij om overleg over de plannen met de omringende perceeleigenaren en/of gebruikers. Ten eerste heeft op 20 juni 2016 overleg plaatsgevonden met Staatsbosbeheer als eigenaar van de omliggende gronden gereageerd. In lijn met wat besproken is tijdens dit overleg, heeft Staatsbosbeheer toestemming verleend9 voor het slopen en realiseren van nieuwe bebouwing op de erfpachtkavel, met dien verstande dat:

  • de te realiseren bebouwing tenminste 1 meter uit de kadastrale grens dient te worden gesitueerd;
  • de te realiseren bijgebouwen, conform het erfpachtcontract, enkel mogen worden gebruikt voor eigen doeleinden, verhuur aan derden is expliciet niet toegestaan.

Naar aanleiding van het plan is het bouwplan op enkele ondergeschikte punten aangepast, zodat het overeenkomt met de gemaakte opmerkingen.

Ten tweede is in januari 2017 overleg gevoerd met VVV Nederland. Deze organisatie is gevestigd op het perceel Maarsbergseweg 20 dat ten noorden van het plangebied is gesitueerd.

Per brief heeft VVV Nederland aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de ontwikkeling10.

Geconcludeerd kan worden dat de belanghebbenden in de omgeving zich kunnen vinden in de voorgestelde ontwikkeling.

6.3 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

het concept van het ontwerp-bestemmingsplan is naar de verschillende vooroverlegpartners gestuurd, onder meer naar de Provincie en het Waterschap.

De provincie heeft aangegeven dat het bestemmingsplan geen aanleiding geeft opmerkingen te plaatsen in het kader van het provinciaal belang zoals dat is opgenomen in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (herijking 2016) en de Provinciale Ruimtelijke Verordening, Provincie Utrecht 2013 (herijking 2016). Het waterschap heeft geen op- of aanmerkingen op dit concept bestemmingsplan.

6.4 Zienswijzen

Het ontwerp-bestemmingplan heeft met ingang van 1 mei 2017 gedurende zes weken (tot en met 12 juni 2017) ter inzage gelegen. Tijdens deze periode kon eenieder een zienswijze tegen het plan indienen. Er zijn geen zienswijzen kenbaar gemaakt.

6.5 Handhaving

De gemeente heeft een duidelijke taak in de vorm van het toezicht op de naleving van de publiekrechtelijke regelgeving zoals de bouw- en milieuregelgeving. De bestemmingswijziging van deze locatie is dan ook mede ingegeven door de wens om een goed beheersbare situatie te verkrijgen doordat het gebruik aansluit op de bestemmingsregeling. Nu het maatschappelijke gebruik is gestaakt dient nu eenmaal een doelmatige bestemming te worden gerealiseerd. Het nu voorliggende bestemmingsplan zal een belangrijk hulpmiddel zijn bij het bebouwen en gebruiken van de locatie, alsmede het toetsen en handhaven daarvan.

Het betrekken van toezicht en handhavingsaspecten bij het opstellen en vaststellen van bestemmingsplannen is belangrijk, omdat het de manier is om de ruimtelijke ordening ontwikkelingsbestendiger te maken.

De kwaliteit van de preventieve toezicht en handhavingsverplichting beïnvloedt rechtstreeks de impact en de gevolgen van de repressieve toezicht- en handhavingsverplichting11 en daarmee de houdbaarheid van het op te stellen en vast te stellen bestemmingsplan. Het is om die reden dat in het bestemmingsplan de nadruk op de preventieve aspecten is gelegd. Daarvoor is het bestemmingsplan het middel bij uitstek.

Hoofdstuk 7 Bijlagen

  • 1. Vink Milieutechnisch Adviesbureau b.v., Verkennend bodemonderzoek aan de Maarsbergseweg 18 te Leersum, 14 maart 2016.
  • 2. Staro, Quickscan flora en fauna, Maarsbergseweg 18 te Leersum, februari 2016
  • 3. Munsterhuis geluidsadvies, Akoestisch onderzoek, 12 december 2016.
  • 4. Transect, Archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (IVO; karterende fase), 10 maart 2016.
  • 5. Transect, Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P), waarderende fase, 20 september 2016.
  • 6. Watertoets, dossiercode 20160324-10-12685, 24 maart 2016.
  • 7. Brief Staatsbosbeheer, 16 juli 2016.
  • 8. Brief VVV Nederland, 26 januari 2017.
  • 9. Staro, Rapportage onderzoek vleermuis en huismus, 3 juli 2017.
  • 10. Staro, Actualisatie quickscan flora en fauna, 20 juli 2017.