direct naar inhoud van Artikel 3 Agrarisch
Plan: Partiële herziening buitengebied Wisch 2009
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1509.BP000028-DE01

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. agarische bedrijvigheid;
  • b. een grondgebonden agrarisch bedrijf ter plaatse van de aanduiding 'grondgebonden agrarisch bedrijf';
  • c. een intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij';
  • d. een paardenfokkerij ter plaatse van de aanduiding 'paardenfokkerij';
  • e. het hobbymatig houden van dieren ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - hobbymatig';
  • f. één bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
  • g. twee bedrijfswoningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - twee bedrijfswoningen';
  • h. een kampeerterrein ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein';
  • i. een geluidwal ter plaatse van de aanduiding 'geluidwal';
  • j. een weerstation ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - weerstation';
  • k. bed and breakfast;
  • l. productiegebonden detailhandel als nevenactiviteit;
  • m. instandhouding van de aldaar voorkomende danwel daaraan eigen landschappelijke waarden;
  • n. extensief (dag)recreatief, medegebruik;
  • o. bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, parkeer- en groenvoorzieningen, kunstwerken, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, straatmeubilair en nutsvoorzieningen.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen

Gebouwen, bedrijfswoningen, bijbehorende gebouwen bij een bedrijfswoning en bouwwerken geen gebouwen zijnde moeten, conform de aangegeven aanduiding, binnen het bouwvlak worden gebouwd.

3.2.2 Gebouwen
  • a. De goothoogte van bedrijfsgebouwen is maximaal 6 meter;
  • b. De bouwhoogte van bedrijfsgebouwen is maximaal 10 meter;
  • c. De bouwhoogte voor mestopslag en kassen bedraagt maximaal 6 meter;
  • d. De gezamenlijke oppervlakte van kassen met een hoogte van meer dan 1 meter is maximaal 300 m².
3.2.3 Bedrijfswoningen
3.2.4 Bijbehorende gebouwen bij een bedrijfswoning
3.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen op ten minste 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw is maximaal 2 meter;
  • b. De bouwhoogte van overige erf- en terreinafscheidingen is maximaal 1 meter;
  • c. De bouwhoogte van masten is maximaal 10 meter;
  • d. De bouwhoogte van silo's is maximaal 15 meter;
  • e. De bouwhoogte van windmolens is maximaal 15 meter;
  • f. In afwijking van het bepaalde onder 3.2.1 mogen uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd buiten het bouwvlak, niet zijnde bouwwerken voor mestopslag, andere silo's, tunnelkassen en windmolens met een bouwhoogte van maximaal 1,5 meter;
  • g. De bouwhoogte van bouwwerken ten behoeve van een weerstation is maximaal 10 meter.
3.2.6 Ondergronds bouwen
  • a. Ondergronds bouwen is alleen toegestaan onder hoofd- en bijbehorende gebouwen;
  • b. De verticale diepte is maximaal 3,50 meter.
3.3 Specifieke gebruiksregels
3.3.1 Bed and Breakfast
  • a. De ruimte die wordt gebruikt voor bed and breakfast is maximaal vijf slaapruimten;
  • b. De accommodatie maakt deel uit van de woning;
  • c. De oppervlakte van de gehele accommodatie beslaat maximaal 30% van de woning, met een maximum van 50 m2;
  • d. De bewoner van de woning woont in het hetzelfde gebouw als de accommodatie.
3.3.2 Productiegebonden detailhandel als nevenactiviteit
  • a. De oppervlakte van de ruimte voor detailhandel is 30% is van het bedrijfsvloeroppervlak met een maximum van 100 m2;
  • b. Een zelfstandige vorm van detailhandel is niet toegestaan.
3.3.3 Horeca als nevenactiviteit voor extensieve recreatie
  • a. Horeca als nevenactiviteit is naar aard en omvang gelijk aan categorie I van de staat van Horeca-activiteiten;
  • b. De oppervlakte van de ruimte voor horeca is 30% van het bedrijfsvloeroppervlak met een maximum van 100 m2;
  • c. De activiteit moet worden uitgeoefend door de ondernemer van de bijbehorende hoofdactiviteit;
  • d. Een zelfstandige vorm van horeca is niet toegestaan.
3.3.4 Kampeerterrein
  • a. Een kampeerterrein biedt ruimte aan maximaal 25 kampeermiddelen;
  • b. Ten behoeve van het kamperen zijn alleen mobiele kampeermiddelen toegestaan;
  • c. Van 15 maart tot 31 oktober mag het kampeerterrein in gebruik worden genomen. Buiten deze periode dient het kampeerterrein volledig te zijn ontruimd.
3.3.5 Geluidwal
  • a. De hoogte van een geluidwal is maximaal 5 meter vanaf maaiveld.
3.3.6 Opslag buiten bouwvlak

Het is verboden de in deze bestemming begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken ten behoeve van de opslag van hooi- en grasrollen buiten het bouwperceel.

3.3.7 Verbod meerdere bouwlagen voor intensieve veehouderij

Onder verboden gebruik als bedoeld in artikel 7.10 eerste lid Wro wordt mede verstaan het gebruiken van meer dan één bouwlaag van een bouwwerk voor het houden van dieren ten behoeve van intensieve veehouderij, met dien verstande dat deze bepaling niet van toepassing is op pluimveehouderijen.

3.4 Ontheffing van de gebruiksregels
3.4.1 Ontheffing voor kampeerterrein

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen voor het toestaan van een kampeerterrein. De ontheffing wordt verleend onder de voorwaarden dat:

  • a. het kampeerterrein binnen een bouwperceel of direct aansluitend bij het bouwperceel ligt;
  • b. het aantal kampeermiddelen maximaal 25 is;
  • c. uitsluitend binnen het bouwperceel niet voor bewoning bestemde gebouwen, zoals sanitaire ruimten, en bouwwerken geen gebouw zijnde, mogen worden gebouwd met een maximale goothoogte van 3 meter en een maximale bouwhoogte van 6 meter;
  • d. van 15 maart tot 31 oktober het kampeerterrein in gebruik mag worden genomen. Buiten deze periode dient het kampeerterrein volledig te zijn ontruimd;
  • e. wordt voorzien in een redelijke inpassing van een en ander in het landschap, al of niet met behulp van opgaande beplanting.
3.4.2 Ontheffing tweede bedrijfswoning

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen voor het bouwen van een tweede bedrijfswoning met bijbehorende gebouwen. De ontheffing wordt verleend onder de voorwaarden dat:

  • a. dit noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering;
  • b. het agrarisch bedrijf naar omvang en activiteiten aan twee volwaardige arbeidskrachten een volledige of nagenoeg volledige dagtaak biedt;
  • c. het bedrijf een zodanig toezicht vereist dat het wonen van twee volwaardige arbeidskrachten bij het bedrijf noodzakelijk is;
  • d. het bedrijf niet reeds beschikt of heeft beschikt over een tweede agrarische bedrijfswoning.

Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen:

  • e. de bepalingen in lid 1 en 2;
  • f. de afstand van de tweede bedrijfswoning tot de bestaande bedrijfswoning mag niet meer dan 40 m bedragen;
  • g. op geen van de gevels van de woning mag, bij voltooiing, de geluidbelasting vanwege een weg of spoorweg de ter plaatse toegestane grenswaarde krachtens de Wet geluidhinder overschrijden.
  • h. voorafgaand aan de ontheffing winnen burgemeester en wethouders advies in bij een onafhankelijke deskundige betreffende agrarische aangelegenheden.
3.4.3 Ander gebruik bebouwing binnen bouwvlak

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen ten behoeve van het uitsluitend als nevenactiviteit gebruiken van bebouwing binnen een bouwperceel voor:

  • a. bewerking van agrarische producten, die in het eigen bedrijf of in agrarische bedrijven in de directe omgeving zijn geproduceerd;
  • b. natuurvoorlichting en -educatie;
  • c. zorg als nevenactiviteit;
  • d. opslag en stalling van volumineuze goederen.

Bij het verlenen van ontheffing worden de volgende bepalingen in acht genomen:

  • e. de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing binnen het betreffende bouwperceel mag niet worden vergroot, ten behoeve van het met ontheffing toegestane, andere gebruik;
  • f. de agrarische functie van aangrenzende, niet bij het betreffende bedrijf behorende gronden en bebouwing mag niet worden geschaad;
  • g. het andere gebruik mag in vergelijking met het agrarisch gebruik geen onevenredig grotere verkeersbelasting op aangrenzende wegen en paden tot gevolg hebben;
  • h. het parkeren behorende bij het andere gebruik moet binnen het betreffende bouwperceel plaatsvinden;
  • i. buitenopslag, behorende bij het andere gebruik, is niet toegestaan;
  • j. het andere gebruik mag naar visuele aspecten, zoals reclameuitingen en technische installaties, het landelijke karakter en het landschap van de omgeving niet onevenredig aantasten.
3.5 Wijzigingsbevoegdheid
3.5.1 Verschuiven of vergroten bouwvlak

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het op de verbeelding aangegeven bouwvlak te verleggen en/of te vergroten. De wijziging wordt toegepast onder de voorwaarden dat:

  • a. het bouwperceel voor ten minste 50% van de oppervlakte van de daarin begrepen gronden, dezelfde gronden blijven omvatten als ten tijde van het onherroepelijk worden van het plan;
  • b. geen gebouw door het wijzigen buiten het bouwperceel komt te liggen;
  • c. de landschaps- en natuurwaarden (in aangrenzende gebieden) niet worden geschaad;
  • d. de oppervlakte van het bouwperceel tot maximaal 1,5 ha wordt vergroot voor grondgebonden agrarische bedrijven en indien de oppervlakte van het bouwperceel ten tijde van het onherroepelijk worden van het plan meer dan 1,2 ha bedraagt, de oppervlakte met ten hoogste 25% wordt vergroot;
  • e. de oppervlakte van het bouwperceel tot maximaal 1 ha wordt vergroot voor intensieve veehouderij en indien de oppervlakte van het bouwperceel ten tijde van het onherroepelijk worden van het plan meer dan 1 ha bedraagt, de oppervlakte met ten hoogste 25% wordt vergroot;
  • f. voorafgaand aan de wijziging winnen burgemeester en wethouders advies in bij een onafhankelijke deskundige betreffende agrarische aangelegenheden.
3.5.2 Horeca binnen bouwvlak

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan zodanig te wijzigen, dat op gronden met een agrarische bestemming, de bebouwing en gronden binnen een bouwperceel gebruikt mogen worden voor horeca ten dienste van extensieve recreatie, zoals een theehuis, een terras, een speeltuin en een pannenkoekenrestaurant. De wijziging wordt toegepast onder de voorwaarden dat:

  • a. de gezamenlijke vloeroppervlakte binnen gebouwen voor deze functie maximaal 100 m² bedraagt;
  • b. op de verbeelding de aanduiding 'horeca als nevenactiviteit' opgenomen wordt;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing binnen het betreffende bouwperceel niet wordt vergroot, ten behoeve van het door wijziging toegestane, andere gebruik;
  • d. de agrarische functie van aangrenzende, niet bij het betreffende bedrijf behorende gronden en bebouwing niet onevenredig wordt aangetast;
  • e. de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad;
  • f. het parkeren behorende bij het andere gebruik binnen het betreffende bouwperceel moet plaatsvinden;
  • g. de horeca als nevenactiviteit naar aard en omvang gelijk is aan categorie I van de staat van Horeca-activiteiten;
  • h. de activiteit wordt uitgeoefend door de ondernemer van de bijbehorende hoofdactiviteit;
  • i. het geen zelfstandige vorm van horeca betreft;
  • j. geen buitenopslag, behorende bij het andere gebruik, plaatsvindt;
  • k. het andere gebruik naar visuele aspecten, zoals reclame uitingen en technische installaties, het landelijke karakter en het landschap van de omgeving niet aantast.
3.5.3 Bed and breakfast appartementen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigigen van het gebruiken van één bestaand gebouw, te weten de woonruimte met aangrenzende deel of soortgelijke inpandige ruimte, binnen een bouwperceel waar sprake is van agrarische bedrijvigheid als hoofdactiviteit. De wijziging wordt toegepast onder de voorwaarden dat:

  • a. het aantal bed and breakfast appartementen maximaal vijf eenheden bedraagt;
  • b. per eenheid de inhoud maximaal 200 m³ bedraagt;
  • c. er maximaal één daarbij behorende gemeenschappelijke ruimte met een oppervlakte van maximaal 30 m² is toegestaan;
  • d. de agrarische of andere aanwezige functies van aangrenzende, niet bij het bedrijf behorende gronden en bebouwing onevenredig worden belemmerd;
  • e. in vergelijking met het agrarisch gebruik geen onevenredig grotere verkeersbelasting op aangrenzende wegen en paden plaatsvindt;
  • f. het parkeren behorende bij het andere gebruik binnen het bouwvlak op eigen terrein plaats te vinden;
  • g. er geen opslag van goederen, behorende bij het andere gebruik, in de open lucht plaatsvindt;
  • h. het andere gebruik door de visuele aspecten, zoals reclameuitingen en technische installaties, het landelijk karakter van de omgeving niet onevenredig aantast.