direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Havendiep 2016
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0995.BP00053-VG01

Toelichting

De plantoelichting bevat achtereenvolgens de volgende hoofdstukken:

Hoofdstuk 1 Inleiding

Hoofdstuk 2 De huidige situatie

Hoofdstuk 3 Kader

Hoofdstuk 4 Milieu-aspecten

Hoofdstuk 5 Waterparagraaf

Hoofdstuk 6 Planbeschrijving

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

*Algemeen

Het gemeentebestuur van de gemeente Lelystad heeft voor reeds een overgroot gedeelte het bestand aan geldende bestemmingsplannen geactualiseerd. Daarbij sluit zij aan bij verschillende landelijke doelstellingen op het gebied van de actualisering, standaardisering en digitalisering van bestemmingsplannen. Vanuit de gemeentelijke praktijk is de wens uitgesproken om te komen tot actuele bestemmingsplannen, wat concreet inhoudt dat de planregels moeten aansluiten bij de huidige en eventuele toekomstige ontwikkelingen in het plangebied. Verder is het van belang dat de planregels van dit bestemmingsplan zowel qua inhoud als qua systematiek overeenkomen met de andere bestemmingsplannen die in Lelystad gelden. De aanleiding voor het opstellen van dit bestemmingsplan is drieledig. In eerste instantie gaat het om een actualisering van "de planologische regeling". Daarnaast is het de gemeentelijke wens zo veel als mogelijk de regeling(en) globaal en flexibel te stellen. Hierbij wordt het mogelijk om functies uit te wisselen en wordt flexibeler omgegaan met bijvoorbeeld de afmetingen van gebouwen en bepaalde functies. Dit bestemmingsplan is zoveel als mogelijk volgens deze methode opgesteld. Voorts dienen alle bestemmingsplannen gedigitaliseerd te zijn (vaste landelijke afspraken), met alle voordelen van dien, zoals te bezien op de landelijke site ruimtelijkeplannen.nl Tot slot is bij de gemeente ook gekozen voor een indeling in logische gebiedsvlakken, zodat - zoals hier - een (deel-)bestemmingsplan wel eens in eerder stadium wordt herzien, dan noodzakelijk is (zie 1.3).

Opmerking - waar mogelijk abusievelijk nog wordt gesproken over [of middels afbeelding wordt getoond] het bedrijventerrein of winkelcentrum Tjalk [dus niet de woonwijk Tjalk], gelieve men in gedachten te houden dat deze bestemming uit het plan is genomen.

*Opbouw toelichting

Na de inleiding wordt de huidige situatie in hoofdstuk 2 beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op relevant beleid. In hoofdstuk 4 worden milieuaspecten behandeld en in hoofdstuk 5 komt het water aan de orde. In de hoofdstukken 6 en 7 worden achtereenvolgens de planbeschrijving en uitvoerbaarheid doorgenomen. Daarbij wordt ook ingegaan op de grondexploitatie regeling van de Wet ruimtelijke ordening. De maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan is eveneens hieronder gebracht. Daarbij wordt aandacht besteed aan de bestemmingsplanprocedure en de mogelijkheden voor het indienen van zienswijzen en beroep.

*Digitale plannen

Het gemeentebestuur van Lelystad heeft in 2011 het besluit genomen om alle nieuwe bestemmingsplannen globaler en flexibeler van opzet te maken. Hierbij wordt het mogelijk om functies uit te wisselen en wordt flexibeler omgegaan met bijvoorbeeld de afmetingen van gebouwen en bepaalde functies. Dit bestemmingsplan is opgezet als een digitaal bestemmingsplan zoals de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dit sinds 1 januari 2010 voorschrijven: IMRO gecodeerd. Van het bestemmingsplan is ook een analoog exemplaar beschikbaar, dit is een uitdraai van het digitale plan. Het digitale plan voldoet aan alle wettelijke eisen die hieraan worden gesteld. Door de digitalisering kan het bestemmingsplan in automatiseringssystemen worden verwerkt voor bijvoorbeeld ontsluiting via internet (www.ruimtelijkeplannen.nl). Ook kan het plan gemakkelijk worden uitgewisseld met andere overheden zoals de provincie, het Rijk en Waterschappen.

1.2 Ligging en begrenzing

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0001.png"

fig. 1

Plangebied Havendiep 2016

Het plangebied ligt ten westen van het Stadshart (winkelcentrum, NS-station). De begrenzing wordt gevormd door de drevenstructuur in en rondom Lelystad. In het noorden door de Visarenddreef; de verbinding kust-stadshart, in het oosten door de Middendreef; de Campuszone, in het zuiden door de Larserdreef (N302); de nieuwbouwwijk Warande en tot slot in het westen door de Westerdreef (N302) en het aangrenzende bedrijventerrein Noordersluis. Het plangebied wordt verder doorsneden door een belangrijke watergang Havendiep. Deze watergang ontsluit het naast gelegen bedrijventerrein Noordersluis, en is de toegang tot het Markermeer en het IJsselmeer. De watergang het Havendiep deelt het plangebied in twee grote woongebieden, waarin de bouwtijd duidelijk is af te lezen. Het gebied ten noorden van het Havendiep, gebouwd in de jaren '80 met zijn kenmerkende bloemkoolstructuur, kleine profielen, hofjes en veel groen. Het karakter van de bloemkoolwijken is vrij introvert en eenzijdig van opbouw. In dit deel van het plangebied bevinden zich de wijken/buurten Tjalk, Botter en Schoener. Het gebied ten zuiden van het Havendiep, de Landstrekenwijk - gebouwd begin 2000, heeft een kenmerkende orthogonale structuur (rechthoekig van aard). Brede en lange profielen met grote groene doorsnijdingen en grote aaneengesloten bouwblokken met binnenhoven. Het karakter is modern van opzet met bouwblokgebonden architectuur.

1.3 Te herziene bestemmingsplannen

Met dit bestemmingsplan worden de volgende geldende bestemmingsplannen geheel of gedeeltelijk herzien:

* Stadsplantsoenen (vastgesteld 25-06-2008)

* Schoener - West (vastgesteld 25-06-2009)

* Lelystad Midden West {delen: Kop Havendiep, Landstrekenwijk (vastgesteld 29-01-2013)}

Het gaat hier niet om nieuwe gebieden. Het gaat hier voornamelijk om bestendiging met hooguit hier of daar een aanpassing; qua woningen is dat in het reeds bestemde gebiedje Schoener- West.

Los van de hieronder beschreven ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied, is regelgewijs sprake van enerzijds de overname van het "oude" maar digitale deel Lelystad Midden West, en anderzijds de overname van het analoge deel Stadsplantsoenen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0002.png"

fig. 2

Hoofdstuk 2 De huidige situatie

In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied. De ruimtelijke structuur van Lelystad is aan de hand van de zogeheten wijkgedachte opgezet. Dit betekent dat Lelystad uit min of meer zelfstandig functionerende gebieden bestaat: ook wel eilanden genoemd.

In het plangebied is sprake van twee “eilanden” ontstaan uit doorsnijding door het Havendiep (figuur 3 en 4). Het eerste eiland ligt ten noorden van het Havendiep - een eiland, met als hoofdkenmerk de bloemkoolstructuur van de jaren '70-'80. Dit eiland heeft een 3-tal woonwijken/buurten (Botter, Tjalk en Schoener) met een introvert karakter. Het (tweede) eiland, ten zuiden van het Havendiep, is juist het tegenovergestelde. Dit kenmerkt zich als een strak en modern geregisseerde eenheid met een uitgesproken stijl van inrichting en beleving (extravert). Vanwege de verschillende karakters in het plangebied volgt een korte beschrijving op basis van de aanwezige ruimtelijke en functionele structuren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0003.png"

fig. 3 Eiland 1

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0004.png"

fig. 4 Eiland 2

2.1 Ruimtelijke hoofdstructuur

*Groen- en waterstructuur

Eiland 1

De hoofdgroenstructuur (figuur 5) wordt gevormd door de ruime bermen en beplantingen langs de dreven, het Havendiep, de spoordijk én de centraal in het gebied gelegen oost-west lopende singel, de begeleidende beplantingen van de hoofdroutes langzaam verkeer en het parkgebied. Daarnaast liggen er grotere en kleinere openbare of semi-openbare binnenterreinen en groenvoorzieningen verspreid over het hele gebied, gekoppeld aan scholen of andere speciale voorzieningen dan wel centraal gelegen in de woongebieden. In de oostelijke helft van het plangebied komt een groot aantal hofjes voor. Dit zijn collectieve achtergebieden, omgeven door privétuinen. Vanaf de straat zijn ze nauwelijks zichtbaar.

De groene hoofdas, die het plangebied van oost naar west doorkruist is een groenzone die van grote waarde is voor de woonbuurten in de zin van woonkwaliteit en woonbeleving. Op deze waterloop takken parkstroken aan op regelmatige afstanden. Zowel in het midden als aan de randen komen plantsoenachtige verbredingen van deze parkstroken voor.

Belangrijk zijn:

  • een heuvelachtig plantsoen aan de zuidrand;
  • het wijde groengebied ten noordoosten van het complex voor verstandelijk gehandicapte kinderen “AC de Schoener ” Triade;
  • de speelvelden aan de oostrand;
  • de wat meer met bomen beplante groene ruimte grenzend aan het winkelcentrum;
  • de weelderig begroeide opritten naar de fietsviaducten over de dreven;
  • een groene verbindingszone in het zuidwesten die in “kamers” met verschillende gebruiksmogelijkheden is opgedeeld.

De belangrijkste waterlopen in het plangebied zijn het Havendiep - de vroegere vaarverbinding tussen Lelystad en Dronten, en een waterloop in het midden van het plangebied. Beide lopen in oost-west richting. Naast de dreven en langs de spoorlijn liggen randsloten. In de groengebieden liggen ondergeschikte waterpartijen met gebogen vormen. Alle waterstructuren zijn gekoppeld aan de groenstructuur. Langzaam verkeersroutes kruisen het water in het algemeen met bruggen, autoroutes meestal met duikers, behalve over de centrale waterloop.

fig. 5 Eiland 1

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0005.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0006.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0007.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0008.png"

Eiland 2

De hoofdgroenstructuur (fig.6) van de Landstrekenwijk wordt gevormd door een brede groenzone (Rijnland) evenwijdig aan het Havendiep. In deze groenzone, die bestaat uit gras met bomen zijn diverse voorzieningen zoals scholen en speelplekken opgenomen. De groenzone wordt verder nog eens op twee plaatsen doorsneden (Salland en Delfland). Deze doorsnijding deelt de Landstrekenwijk in 3 wooneilanden. Het groen op de wooneilanden wordt gevormd door het groen van de tuinen, waarbij de drager van de tuin bestaat uit een hagenstructuur. Het overige openbaar groen treft men aan in de grote woon hoven. De woonhoven in het westen wordt omringd en doorsneden door een waterstructuur aansluitend op het Havendiep. Deze watergangen zijn van belang voor de waterhuishouding in Lelystad.

fig. 6

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0009.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0010.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0011.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0012.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0013.png"

*Infrastructuur

De hoofdstructuur van wegen in Lelystad voor gemotoriseerd verkeer wordt gevormd door een netwerk van dreven, met in hoofdzaak 2x2 rijstroken en ruime profielen met brede bermen en tussenbermen. De toegangen vanaf de dreven zijn weliswaar niet altijd goed herkenbaar, bijvoorbeeld door het ontbreken van markante bebouwing, maar bij de aanpassingen die mogelijkerwijs zullen plaatsvinden aan de hoofdwegen structuur als gevolg van de ombouw tot een hiërarchisch systeem met buitenring en radialen, zal dit aspect te zijner tijd worden betrokken en in stedenbouwkundige en/of landschappelijke voorstellen worden uitgewerkt.

Eiland 1

Het gemotoriseerd verkeer (fig.7) in het zuiden van het plangebied maakt gebruik van een buurt ontsluitingsweg via Schoener, Tjalk en Botter. Deze loopt dwars door het plangebied en verbindt de Westerdreef en Middendreef met elkaar. De bovengenoemde doorgaande route vormt eigenlijk een afwijking van het interne ontsluitingssysteem, aangezien over het algemeen is gekozen voor een zogenaamd “cul de sac systeem”. Dit brengt met zich mee dat het gemotoriseerd verkeer het plangebied niet in alle richtingen kan doorkruisen; de deelgebieden zijn in principe van elkaar gescheiden en voor gemotoriseerd verkeer te bereiken middels één 'wooneiland' ontsluitingsweg. De individuele woningen zijn te bereiken via buurtontsluitingswegen. Deze ontsluitingswegen vertakken binnen de buurt al snel en lopen over het algemeen dood in de hoeken van de buurt. De snelheid wordt door kruispunten en zigzag routing goed afgeremd. Voor bezoekers zijn de ontsluiting en detaillering binnen de deelgebieden erg onoverzichtelijk:

  • veel richting veranderingen;
  • geen eenheid in materialen;
  • straatnamen en huisnummers per deelgebied, niet per straat.

De vrijliggende fietsroutes zijn als de belangrijkste structuren binnen het wooneiland vorm-gegeven. De hoofdroutes voor langzaam verkeer zijn gekoppeld aan de water- en groen-structuren. De opritten naar de viaducten zijn ruim en groen van opzet. Op de viaducten is in beide richtingen steeds een verrassend vergezicht mogelijk langs de grootschalige dreven. De hoofdroutes kruisen de belangrijkste waterlopen (inclusief het Havendiep) met bruggen. Deze bruggen bieden aantrekkelijke uitzicht plekken langs grootschalige ruimten. De routes van de tweede orde zijn minder constant vormgegeven. De breedte varieert sterk (van steeg tot park) en de asfalt verharding wordt afgewisseld door tegels en/of klinkers, vooral waar de fietsroute parkeerterreinen of straten kruist. Tot slot is het vaak onduidelijk of en zo ja, waar de fietsroute verder gaat door een slechte bewegwijzering.

fig. 7

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0014.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0015.png"

Drevenstructuur

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0016.png"

Wijkontsluiting

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0017.png"

Fietsontsluiting

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0018.png"

Buurtontsluiting

Eiland 2

Langs de Landstrekenwijk loopt de hoofdring van Lelystad, de Larserdreef (fig 8). Deze weg bestaat uit twee maal twee rijbanen met een groenberm. De weg heeft een stroomfunctie. Vanwege gevaar en geluidhinder houdt het woongebied (letterlijk) afstand tot de wegen. Er zijn ruime groenzones met geluidwallen en waterlopen aanwezig. De maximale snelheid die op deze dreef geldt is 50 km/uur. Om het verkeer te regelen zijn bij deze wegen onder andere rotondes aangebracht en is in sommige gevallen sprake van verkeers regelinstallaties (waaronder verkeerslichten). De toegangen vanaf de dreven zijn niet altijd goed herkenbaar, bijvoorbeeld door het ontbreken van markante bebouwing. Vanaf de ring is een aantal inprikkers de wijk in, welke aansluiten op de Rijnland. De Rijnland heeft op het lagere schaalniveau een verdeelfunctie. Vanwege de orthogonale structuur is de indeling, herkenbaarheid en de materialisering van de wegen duidelijk. De fietsroutes vanuit het woongebied worden via hellingbanen en viaducten over de dreven heen geleid naar de aangrenzende woongebieden. Op de viaducten is in beide richtingen steeds een verrassend vergezicht mogelijk langs de grootschalige dreven. De hoofdroutes kruisen de belangrijkste waterlopen (inclusief het Havendiep) met bruggen. Deze bruggen bieden zeer aantrekkelijke uitzichtplekken langs de grootschalige ruimten.

fig. 8 

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0019.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0020.png"

Drevenstructuur

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0021.png"

Wijkontsluiting

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0022.png"Buurtontsluiting

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0023.png"

Fietsontsluiting

Het uitgangspunt voor openbaar vervoer binnen de wooneilanden is dat alle woningen binnen een afstand van maximaal 500 m van een halte liggen. Er zijn diverse busroutes, die onder andere over de doorgaande weg midden door het wooneiland een route en haltes hebben. Dit betreft de wijk ontsluitingswegen. Ook over de dreven rijden bussen; de haltes liggen vlak naast fietsviaducten. Aandachtspunt was dat de herkenbaarheid en de sociale controle op deze haltes te beperkt was. Voor de gehele stadsdienst is inmiddels in het kader van de geoormerkte sociale veiligheidsgelden een plan uitgewerkt voor alle bushaltes. Alle bushaltes zijn reeds aangepakt en in sociaal opzicht veilig en herkenbaar gemaakt. Het NS-station Lelystad Centrum bevindt zich ten noordoosten in de nabijheid van het plangebied. Het spoortracé loopt aan de oostzijde van het plangebied, de Hanzelijn (richting Dronten, Kampen en Zwolle)

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0024.png"

Trein- en busstation

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0025.png"

OV buslijn

*Wonen

Het plangebied bestaat uit meerdere woonbuurten met ieder een eigen uitstraling. Hoewel de hoofdfunctie in de betreffende wijken wonen is, is een combinatie met andere functies in sommige gevallen aanwezig. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een beroep aan huis. De woningen zijn over het algemeen de structuur bepalende elementen in de verschillende buurten. De locatie van woningen is daarom van belang voor de ruimtelijke hoofdstructuur van de buurt. De woningen variëren sterk in architectuur en afmeting. Dit komt door de verschillende perioden waarin de woonbuurten zijn ontstaan.

Binnen de eilanden zijn verschillende woonbuurten, waarbij de volgende kenmerken worden onderscheiden:

  • per buurt in principe één auto-ontsluiting vanaf de dreven;
  • buurten gescheiden door groenstructuren;
  • eenheid in inrichtingsdetails openbare ruimte, niet overal vooral in de oudere buurten;
  • per buurt één straatnaam.

Eiland 1

Het eiland, met als hoofdkenmerk de woonerf wijken uit de jaren '70-'80 (fig. 9). De woonerf wijken zijn volledig gericht op wonen, waarbij de nadruk op eengezinswoningen ligt; de voorzieningen zijn centraal gegroepeerd in buurt winkelcentra. Deze wijken bieden beslotenheid, gezelligheid en veiligheid. De bebouwing is grotendeels georganiseerd rond ingesloten openbare ruimte met veel groen. Intieme woon erven met veel speelruimte en weinig verkeersvoorzieningen. Parkeren geschiedt voornamelijk op eigen erf of in geclusterde parkeerruimte tussen groen en direct aan de ontsluitingsstructuren of in parkeerhofjes. De woon erven zijn aan elkaar geschakeld in kronkelende bloemkoolachtige structuren, waarin het makkelijk verdwalen is. Enkele brede doorgaande verkeerswegen verbinden de woonerf wijken met de stad. De eengezinswoningen hebben één of twee etages met of zonder kap. Alle huizen zijn seriematig gebouwd. De architectuur is eenvoudig, net als de detaillering en het materiaalgebruik: baksteen, hout en dakpannen of shingles. Aan de “voorkant'' van het huis ligt vaak een carport of een garage en een schuur. De “achterkant'' met tuin is gericht op de doorgaande wegenstructuur. Hoge schuttingen en brede groenzones isoleren de wijk letterlijk van de omgeving. Sommige woningen voldoen inmiddels niet meer aan de huidige woonwensen en wooneisen. De woningbouwcorporaties die veel van de huurwoningen in deze wijken beheren zijn al bezig met grootschalige renovatie of gaan binnenkort beginnen. Particulieren worden hierdoor vaak geïnspireerd om ook te gaan verbouwen. Het verbouwen en uitbreiden van de woningen betekent dat mensen langer tevreden in de wijk kunnen blijven en willen wonen. De bouw- en renovatieplannen kunnen een grootte bijdrage aan de levendigheid en diversiteit in de buurt leveren.

fig. 9 

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0026.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0027.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0028.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0029.png"

Eiland 2

Het eiland, bouwtijd jaren 2000 kenmerkt zich als een strak en modern geregisseerde eenheid met een uitgesproken stijl van inrichting en beleving qua architectuur (fig.10). Bontgekleurde en veelvormige huizenblokken rijgen zich aaneen. De huizen zijn onmiskenbaar seriematig gebouwd, maar per blok of straatwand heeft een architect zich ingespannen voor een uitgesproken ontwerp. Per straat, of straatwand is er een eenheid in architectuur, maar tussen de straten onderling zijn er grote verschillen. De eenheid in de wijk wordt voornamelijk gevormd door de stedenbouwkundige opzet van straten, pleinen en groene singels. De stedenbouwkundige opzet en de architectuur varieert per buurt. Overeenkomst is er wel in de toegepaste woning typologie, voornamelijk grondgebonden woningen, met op markante plekken appartementenblokken. Parkeren geschiedt voornamelijk op eigen terrein. Naast in serie gebouwde woonstraten komen in deze wijken ook veelvuldig particulier uitgegeven kavels voor. De kavels zijn over het algemeen niet groot. De bewoners bakenen hun verder terrein af met stevige, soms hoge erfafscheidingen. Soms zijn deze mee ontworpen, maar vaak ook niet. De tuinbeplanting en het openbaar groen zijn nog jong en lopen door in elkaars verlengde. De strenge straatgebonden architectuur en het kleine eigen terrein maakt dat de mogelijkheid tot aanpassing van het huis aan de voorzijde eigenlijk bij voorbaat is ingeperkt.

fig. 10

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0030.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0031.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0032.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0033.png"

*Wonen en bevolking

De hoofdfunctie van beide eilanden is voornamelijk gericht op wonen. Er wonen ruim 10.000 mensen in dit deel van Lelystad. 57% van de mensen woont in de oudere bloemkoolwijken en 43 % woont in de Landstrekenwijk. De bevolkingsopbouw in Havendiep is als volgt: 25% van de bevolking is tussen de 0-19 jaar, 38% is tussen de 20-64 jaar en 37% van de bevolking is ouder dan 65 jaar. De verdeling per buurt is evenredig. Wat opvalt is dat de categorie ouderen aan het toenemen is. Ten aanzien van de verhouding koop-huur is op te merken dat 70% koop is en 30% huur. Dit wordt voornamelijk bepaald door dat ruim 90% van de Landstrekenwijk uit koopwoningen bestaat. De meest voorkomende woningtypen zijn de grondgebonden eengezinswoningen. Gestapelde woningen in de vorm van galerijflats komen er slechts voor in de buurt Botter, overige gestapelde woningen zijn aanwezig in de buurt Schoener. In de Landstrekenwijk zijn een 4-tal grote appartementen complexen te vinden. Ten aanzien van voorzieningen zijn er binnen de eilanden verschillen te vinden in de typologie van voorzieningen. In wooneiland 1 (fig.11) zijn voorzieningen te vinden die er voor zorgen dat het eiland zelfvoorzienend kan zijn namelijk: in onderwijs, gezondheid, eerste levensbehoeften, cultureel, maatschappelijk en overige voorzieningen. Eiland 2 is specifiek gericht op wonen (fig. 12). Vanwege de grote van dit eiland en de bevolkingsopbouw, veel jonge gezinnen met kinderen is hier een aantal scholen gevestigd in de centrale strip van het eiland. Voor de overige voorzieningen is men aangewezen op eiland 1 en op het Stadshart (de Gordiaan).

*Winkel- en horeca

fig. 11 Eiland 1

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0034.png"

De aanwezige winkelvoorzieningen bevinden zich in het buurt winkelcentrum de Botter. Het betreft hier een supermarkt, kapper, tijdschriften en sigarenzaak, kledingzaak, fietsenwinkel, bakker en speelgoedzaak. De enige horecavoorziening in het plangebied bevindt zich hier ook: een café. Het buurt winkelcentrum is goed bereikbaar voor langzaam verkeer en openbaar vervoer.

Wijkcentrum Botter

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0035.png"

*Bedrijven en kantoren

Ten noordoosten van het plangebied (spoorzijde, Visarenddreef) zijn diverse zelfstandige bedrijfs- en kantoorpanden gesitueerd, waaronder het provinciehuis alsmede de kantorenstrip de Botter. In het woongebied Landstrekenwijk zijn geen zelfstandige bedrijven en/of kantoren aanwezig. Wel oefenen sommige bewoners een zogenaamd aan huis verbonden beroep uit; het gaat hier om dienstverlening van beperkte omvang, zoals een accountant die een deel van zijn woning gebruikt als kantoor. In de bijlage is een lijst van aan huis verbonden beroepen opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0036.png"

Provinciehuis met kantorenstrip

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0037.png"

Datacentrum KPN

*Overige voorzieningen

In het plangebied zijn de volgende (sociaal-)educatieve voorzieningen aanwezig. Er is een aantal scholen die verspreid over de wooneilanden 1 en 2 liggen. Van deze scholen is er één voor bijzonder onderwijs en zijn er vier scholen voor basisonderwijs. De scholen liggen in een groen omgeving. Verder is er een aantal kinderdagverblijven aanwezig. In de zuidwesthoek van het wooneiland 1 ligt een complex voor verstandelijk gehandicapten. In de noordoost hoek ligt het ouderencomplex de Buizerd. In het wijk winkelcentrum de Botter zijn naast een apotheek, huisartsen, en dentalspecialisten ook nog een praktijk voor orthodontie, manuele therapie en een praktijk voor fysiotherapie. Verder zijn er twee kerken op korte afstand van elkaar binnen het wooneiland 1 gesitueerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0038.png"

Scholen in de groenzones

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0039.png"

Gehandicapten voorziening

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0040.png"

Ouderen voorziening (Wooncentrum De Buizerd)

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0041.png"

Medische voorzieningen (hier: apotheek)

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0042.png"

fig. 12 Eiland 2

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0043.png"

2.1.1 Uitgangspunten globaal/flexibel

In de voorgaande hoofdstukken is van het plangebied de huidige situatie weergegeven en is de gewenste situatie voor de komende tien jaren beschreven. De relevante structuren met uitgangspunten voor dit bestemmingsplan wordt nader geformuleerd in het kader van globaal en flexibel (bestemmen). Uiteindelijk krijgen deze een juridische vertaling in een (digitale) verbeelding van het bestemmingsplan met daarbij behorende planregels.

2.1.1.1 Ruimtelijk

*Stedenbouwkundige structuur

Het plangebied maakt deel uit van de bestaande stedelijke structuur van Lelystad. Het uitgangspunt is dat de hoofdopzet van de stedenbouwkundige structuur behouden blijft en daar, waar mogelijk wordt versterkt. Dit geldt met name voor de hoofdgroen- en waterstructuur, de infrastructuur en het woongebied.

Uitgangspunten

Binnen het plangebied zijn thans geen grootschalige uitbreidingen voorzien. Een bijzonder aandachtspunt is wel de verdere ontwikkeling van het voormalige zwembad complex de Schoener en de aansluiting van het nieuwe stadsdeel Warande aan de Landstrekenwijk. Aanvullend: mogelijkheden voor toekomstige uitbreidingen en/of kleinschalige herstructurering bestaand woongebied te zijner tijd te onderzoeken.

*Groen- en waterstructuur

Op stadsniveau wordt gestreefd naar meer samenhang tussen de verschillende groengebieden (als uitwerking van de Groene Stad). Dit kan worden bereikt door meer differentiatie aan te brengen in het groen, om de kwaliteit, duidelijkheid en herkenbaarheid van de woonomgeving te verbeteren. Het uitgangspunt voor de groen- en waterstructuur van het plangebied sluit hier op aan. Er wordt dus gestreefd naar een eenduidige, herkenbare groenstructuur, waarbij de essentiële groenelementen worden behouden. In het plangebied vallen hieronder: het groen langs de dreven, het parkgebied tussen de Botter en de Tjalk, het parkgebied in de Schoener en de duidelijke groen- en waterstructuur van de Landstrekenwijk.

Uitgangspunten

In het kader van globaal en flexibel bestemmen gelden onderstaande uitgangspunten: -de bestemming maakt behoud van (grootschalige) groenelementen mogelijk;

-behoud van de structurerende functie van de grotere groengebieden;

-ondergeschikt toegestaan zijn waterlopen en -partijen, ontsluitingswegen, voet- en fietspaden, parkeer voorzieningen en dergelijke ;

-extensieve vormen van (dag)recreatie moeten mogelijk zijn;

-gebouwen zijn niet toegestaan, wel mogen bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd; onder andere nutsvoorzieningen van beperkte omvang

-de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, hebben een beperkte omvang.

Door het toestaan van deze functies is flexibiliteit in het gebruik van de groenstructuren mogelijk.

*Infrastructuur

Voor de wegenstructuur geldt dat de wegen in en rondom het plangebied qua inrichting en functie moeten voldoen aan de opbouw van de wegenstructuur in Lelystad. Verder geldt dat eventuele nieuwe ontwikkelingen langs de dreven moeten voldoen aan de voorkeursgrenswaarde voor geluid (48 dB); de situering op voldoende afstand van de weg is van belang.

Op dit moment is voor parkeren in met name de oudere bloemkoolwijken niet overal voldoende ruimte in het plangebied. Bij groot onderhoud wegen , straten, pleinen en mogelijk nieuwe toekomstige ontwikkelingen is de realisatie van voldoende parkeerplaatsen een belangrijk uitgangspunt.

Uitgangspunten

In het kader van globaal en flexibel bestemmen gelden onderstaande uitgangspunten:

  • er moet optimaal van de bereikbaarheid en de nabijheid van het station gebruik worden gemaakt, zowel per voet, fiets, auto als OV;
  • naast verkeersvoorzieningen worden bijbehorende voorzieningen mogelijk gemaakt;
  • grotere parkeerterreinen vallen niet binnen deze bestemming, vanwege de verblijfsfunctie daarvan;
  • gebouwen zijn niet toegestaan;
  • bouwwerken ten behoeve van de geleiding en veiligheid van het verkeer zijn wel toegestaan;
  • het bestaande wegprofiel van de grootste ontsluitingswegen is vastgelegd, zodat de effecten op de omgeving niet wijzigen;
  • rekening houden met de geluidscontouren rond de wegen (dreven);
  • hoofd fietsroutes dienen een eenduidige uitstraling te krijgen in materialisering en bewegwijzering;
  • naast andere bouwwerken zijn ook nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, water, paden, tuinen, erven en parkeer voorzieningen mogelijk. Door het toestaan van deze functies is flexibiliteit in het gebruik van de gronden met deze bestemming mogelijk.

2.1.1.2 Functioneel

*Wonen en bevolking

De bewoners wonen over het algemeen met veel plezier in hun wijk. De openbare inrichting laat wel wat te wensen over. De opbouw van de bevolking is in de ene wijk wat meer aan het vergrijzen dan in de andere wijk. Aandacht voor de sociale context en opbouw van de wijken is van belang voor de woon- en leefbaarheid in de wijken. Voor de oudere wijken Botter, Tjalk, Schoener (Eiland 1) is de belangrijkste opgave de verbetering van de woningen en de sfeer van de woonomgeving. In ruimtelijk opzicht hebben de verbeteringen enerzijds betrekking op de verbetering van de openbare ruimte op straat- en/of buurtniveau (groot onderhoud) en anderzijds op meer woning gebonden ontwikkelingen, zoals de plaatsing van aan-/uitbouwen, bijgebouwen, dakkapellen (individuele woningverbetering en/of grootschalige renovatie door de woningcorporaties). Bij dergelijke wijzigingen of toevoegingen geldt als uitgangspunt dat deze moeten bijdragen aan het herstel of de versterking van de relatie tussen de bebouwing en de openbare ruimte. Daarnaast zijn het vaak de erfscheidingen (vooral schuttingen) in bestaande woonwijken die gedurende de jaren het ruimtelijk beeld zijn gaan bepalen. Voor het plangebied geldt als uitgangspunt voor erfscheidingen dat deze moeten voldoen aan de standaard eisen van de gemeente. Dat wil zeggen dat erfscheidingen, afhankelijk van de plaatsing, tot een bepaalde hoogte mogelijk zijn, mits ze voldoen aan een aantal eisen voor de vormgeving. De eisen die voor de vormgeving gelden, zijn opgenomen in de gemeentelijke welstandsnota welke thans wordt herzien. Verder kan de dynamiek in de woonomgeving worden verbeterd door meer mogelijkheden te bieden voor de combinatie van de woon- en werkfunctie. Uitgangspunt in dit bestemmingsplan is huisverbonden beroepen, passend in een woonomgeving, mogelijk te maken. Voor de Landstrekenwijk (Eiland 2) geldt: dat de bestaande kwaliteit van de openbare ruimte gehandhaafd wordt en dat individuele woningverbetering gestimuleerd wordt met in achtneming van de architectonische uitstraling van de bebouwing.

Uitgangspunten

Bouwinitiatieven krijgen veel ruimte. Ze kunnen bijdragen aan de levendigheid en diversiteit van de wijk en ondersteunen de ruimtelijke samenhang in de straat.

  • sociale en economische structuren in de wijk moeten versterkt worden;
  • de bestaande woonfunctie in de vorm van eengezinswoningen, meergezins- woningen mogelijk maken, differentiatie in het woningaanbod;
  • bij de woningen horende functies, zoals erven en tuinen en groenvoorzieningen, mogelijk maken;
  • in geringe mate, reeds aanwezige, afwijkende functies mogelijk maken, echter alleen binnen die gebouwen waar deze afwijkende functies al aanwezig zijn;
  • aan-huis-verbonden beroepen mogelijk maken, mits de woonfunctie de hoofdfunctie blijft.
  • de bebouwing moet binnen het bouwvlak worden gebouwd, om de ruimtelijke hoofdstructuur van de buurt te behouden en een toename van hinder vanuit de omgeving te voorkomen;
  • de bouwvlakken moeten voldoende ruimte bieden voor aan- en uitbouwen bij de woningen;
  • de bouwvlakken van de geldende planologische regelingen zijn overgenomen in de gebieden direct langs (spoor)wegen met een wettelijke geluidzone, om zo een verslechtering van de geluidsituatie bij vervangende nieuwbouw te voorkomen;
  • geen uniforme bouwregeling, bouwmogelijkheden per gebouw regelen, de bestaande bebouwing bepaalt de mogelijkheden;
  • garageboxen zijn buiten het bouwvlak bij recht mogelijk, wanneer hiervoor een gebied is aangeduid;
  • binnen de bestemming zijn bij recht erf- en terreinafscheidingen, palen en masten en overige bouwwerken mogelijk;
  • daar waar een onderdoorgang van belang is voor de ontsluiting, hier bebouwing van de eerste bouwlaag uitsluiten;
  • na beëindiging van de woonfunctie mag het bestemmingsplan gewijzigd worden naar andere functies, mits voldaan wordt aan bepaalde voorwaarden;
  • stimuleren van een combinatie van wonen en zorg, het gebruik van een vrijstaand bijgebouw als woning voor maximaal één huishouden, waarbij aangetoond kan worden dat er sprake is van een zorgbehoefte die van tijdelijk aard is.
  • dat toevoegingen de binding van de woning met het erf en de openbare ruimte gaan versterken. Verbouwingen en uitbreidingen dienen geen afbreuk te doen aan de architectuur van het bestaande gebouw en zijn omgeving;
  • gestimuleerd wordt dat verbouwingen, uitbreidingen, nieuwbouw van en aan de woningen deze opener en toegankelijker te maken naar de omgeving en de openbare ruimte toe. Relatie openbaar-privé is daarbij wel van groot belang.

*Winkel- en horecavoorzieningen

Het belangrijkst bij Botter winkelcentrum en voor het gebied Tjalk is de handhaving van de bestaande situatie, zowel op ruimtelijk als functioneel gebied. Hierbij zijn de bestaande functies bepalend voor de inrichting van het gebied.

Uitgangspunten

In het kader van globaal en flexibel zal functiemenging een positieve bijdrage kunnen leveren aan de versterking van het wijk winkelcentrum Botter en de Tjalk. Binnen de Botter zal deze functiemenging zich meer op de buurt richten en bij de Tjalk zich meer op de omliggende wijken richten.

*Bedrijven en kantoren

Ten noord- en zuidoosten van het plangebied, eiland 1 zijn diverse zelfstandige bedrijfs- en kantoorpanden gesitueerd langs het spoortracé, waaronder bijvoorbeeld het provinciehuis en de kantorenstrip Botter. Verder ligt aan het spoortracé het KPN Datacentrum. Op eiland 2 zelf zijn geen zelfstandige bedrijven en kantoren aanwezig. Wel oefenen sommige bewoners een zogenaamd aan huis verbonden beroep uit; het gaat hier om dienstverlening met een beperkte omvang, zoals een accountant die een deel van zijn woning gebruikt als kantoor. Hiertoe is een lijst van aan huis verbonden beroepsactiviteiten in de voorschriften opgenomen.

Uitgangspunten

Het uitgangspunt is om niet meer bedrijven en kantoren toe te laten op de reeds bestaande locaties. Daar waar [structureel] leeg staande kantoorpanden zijn, die niet meer als zodanig functioneren, biedt dit bestemmingsplan de mogelijkheid om deze om te vormen tot mogelijke woon-werk complexen en/of tot woon-zorg complexen. Een goed voorbeeld is het voormalige Grontmij gebouw (adviesbureau) aan de Westerdreef [Gondel], dat nu een woon-zorg complex is geworden. Ten aanzien van het veelvuldige gebruik van internetwerken, telewerken et cetera, is een groeiende vraag naar woon-werk combinatie aan huis. Voor deze ontwikkeling moeten goede ruimtelijke voorwaarden worden gecreëerd;

opnemen van mogelijkheden voor passende werkfuncties in het bestemmingsplan;

inbrengen van meer woon-werkcombinaties voor specifieke doelgroepen in woning- bouw programma's;

het stimuleren van bouw van woonruimte waar (makkelijker) werkfuncties in onder te brengen zijn (maatvoering, uitbreidingsruimte et cetera;

combinaties van wonen en werken, kleinschalige werkgelegenheid, en starters faciliteiten kenbaar maken.

*Overige voorzieningen

Uitgangspunt is dat de bestaande voorzieningen worden gehandhaafd en als dusdanig worden bestemd. Eventuele, al voorziene, ingrepen worden in het bestemmingsplan mogelijk gemaakt.

Uitgangspunten globaal en flexibel

mogelijk maken van een combinatie van verschillende (maatschappelijke) voorzieningen en welzijnsfuncties;

afwijkende functies alleen toestaan wanneer deze daadwerkelijk aanwezig zijn;

bij de hoofdfunctie horende, maar ondergeschikte, voorzieningen bij recht mogelijk maken;

flexibelere regeling voor de situering van de bebouwing, binnen bouwvlakken;

alleen bouwen wanneer het parkeren voldoende geregeld is, zodat geen parkeeroverlast optreedt door nieuwe ontwikkelingen;

geen uniforme bouwregeling, bouwmogelijkheden per gebouw regelen.

Hoofdstuk 3 Kader

In dit hoofdstuk komen het relevante beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap aan de orde.

3.1 Rijksbeleid

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is begin 2012 in werking getreden. Deze visie treedt in de plaats van onder meer de Nota Ruimte. Het Rijk kiest voor een selectiever inzet van rijksbeleid en daarom een aantal nationale belangen. Hierbuiten hebben de decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Rijk gaat er van uit dat de nationale belangen die via wet- en regelgeving opgedragen worden aan de andere overheden goed door hen worden behartigd. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, dat wil zeggen door tussenkomst van de provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. In 2012 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) van kracht geworden.

Waar de bepalingen zijn gericht op gemeentelijke bestemmingsplannen gaat het Rijk dus er van uit dat deze doorwerking krijgen.

Desgevraagd zal het Rijk wel zonodig in de voorbereidingsfase van de bestemmingsplanprocedure haar nationale belangen toelichten en zo nodig kennis en advies geven daarover. Het Rijk blijft wel opkomen voor de directe belangen vanuit de rol van weg- en waterbeheerder (Rijkswaterstaat), eigenaar van defensie terreinen (ministerie van Defensie) en projecten in het kader van rijkscoördinatieregeling rond rijksinpassingsplannen op het terrein van de Infrastructuur en Waterstaat (ministerie van I en W).

Conclusie: binnen deze herziening zijn de laatstgenoemde belangen niet aan de orde.

3.2 Provinciaal beleid

Op 2 november 2006 is het Omgevingsplan Flevoland 2006 door Provinciale Staten vastgesteld. In het Omgevingsplan Flevoland 2006 is het integrale omgevingsbeleid van de provincie Flevoland voor de periode 2006-2015 neergelegd, met een doorkijk naar 2030. Het Omgevingsplan is een samenbundeling van de vier wettelijke plannen op provinciaal niveau: Streekplan, Milieubeleidsplan, Waterhuishoudingsplan en Provinciaal Verkeer- en Vervoerplan. Door de vier plannen in één integraal plan samen te voegen, zijn de hoofdlijnen van het beleid van de provincie Flevoland compact en is de samenhang tussen de diverse beleidsterreinen het best gewaarborgd. Het Omgevingsplan bevat tevens de hoofdlijnen van het economische, sociale en culturele beleid.
De provincie stelt als voorwaarden voor een evenwichtige groei: het behoud en het
verbeteren van de kwaliteit van de samenleving, het milieu, het water, de natuur en het landschap. In het Omgevingsplan wordt ingegaan een aantal beleidsuitgangspunten,
waarvan enkele hier worden genoemd.

Stedelijk gebied

Het doel van het verstedelijkingsbeleid is de ontwikkeling van vitale steden en dorpen. Het beleid is gericht op behoud en versterking van de kwaliteit van de fysieke omgeving via efficiënt ruimtegebruik, kwaliteitsverbetering en herstructurering van het stedelijk gebied en versterking van het draagvlak voor voorzieningen. Deze doelen worden gediend door de stedelijke ontwikkeling van de kernen te bundelen waarmee nieuwe bebouwing wordt geconcentreerd in of aansluitend aan het bestaande bebouwde gebied. Dit ondersteunt tevens de optimale benutting van infrastructuur en centrumvorming rondom belangrijke vervoersknooppunten.

Wonen

Een belangrijke opgave voor Lelystad is het creëren van gevarieerde woonmilieus, waarbij het niet gaat alleen om de toevoeging van nieuwe, maar ook om tijdige vernieuwing van bestaande woonmilieus. Naast kwantitatieve doelstellingen op het gebied van bevolkingstoename en woningbouw, heeft de provincie ook tot doel om een kwaliteitsslag voor de woonomgeving na te streven. Het beleid is er op gericht om bij de bouw van nieuwe woningen te zoeken naar een balans tussen uitbreiding en herstructurering. De provincie ziet op die manier mogelijkheden om goed in te kunnen spelen op de behoefte aan gedifferentieerde woonmilieus, de verweving van functies en het zoeken naar de combinaties van wonen, werken en zorg op wijk- en/of buurtniveau. De verdere invulling van deze opgave laat de provincie aan de gemeenten zelf over. Wel wordt speciaal aandacht besteed aan de behoefte aan specifieke woonmilieus binnen Lelystad. Volgens de provincie kan de ontwikkeling van waterfronten hier een bijdrage aan leveren.

Bedrijventerreinen en overige werklocaties

De provincie beschouwt de ontwikkeling en de realisatie van werklocaties als een verantwoordelijkheid van gemeenten en private partijen dat sterk afhankelijk is van marktontwikkelingen. In het provinciaal beleid gaat het om de afstemming van ontwikkelingen op de bedrijven- en kantorenmarkt in regionale zin, waarvoor de provincie locatiebeleid heeft opgesteld. Dit locatiebeleid is gericht op een voldoende gedifferentieerd aanbod van werklocaties in Flevoland, waarbij gestreefd wordt naar een zodanige vestiging van bedrijven, kantoren en voorzieningen, dat een optimale bijdrage wordt geleverd aan de vitaliteit van steden en dorpen. De provincie verlangt van de verschillende gemeenten dat zij de variëteit en spreiding van werklocaties nader concretiseren en afstemmen op de behoeften van de verschillende soorten bedrijven en instellingen. Bovenstaande visie is verder uitgewerkt in de Beleidsregel Locatiebeleid Stedelijk gebied 2011, de Visie Werklocaties 2030+ en de Structuurvisie Werklocaties Flevoland 2011. Tevens is afgesproken dat de gemeenten zogenaamde Gemeentelijke Vestigingsvisies (GVV) opstellen. Een GVV is een strategische visie op werklocaties, waarin voor zowel bestaande als toekomstige werklocaties een profiel wordt geschetst van de mogelijkheden voor vestiging aan functies en bedrijvigheid. De gemeente Lelystad heeft dit uitgewerkt in de vorm van een thematische structuurvisie, de Structuurvisie Locatiebeleid Lelystad 2013-2025.

Recreatie en toerisme

De provincie ziet goede mogelijkheden om de sector recreatie en toerisme in Flevoland verder te ontwikkelen. Flevoland kan hierin een opvangfunctie voor de Veluwe en de Noordvleugel gaan vervullen. De concurrentiekracht van Flevoland als vakantiebestemming kan worden versterkt door de ontwikkeling van de luchthaven, vergroting van de hotelcapaciteit, goede en veilige fietspaden,wandelroutes en vaarroutes, aantrekkelijk en veilig vaarwater, attractieve stranden en bossen, toegankelijke natuurgebieden, versterking van de belevingswaarde van Flevoland voor de recreant en ontwikkeling van nichemarkten op het gebied van cultuurtoerisme.

De provincie heeft op dit beleidsterrein geen wettelijke taken, maar wil een stimulerende rol vervullen en wil vooral de belangen op bovengemeentelijk niveau bundelen. Voor alle ontwikkelingen geldt dat deze goed worden ingepast in het landschap en dat de bestaande landschappelijke kwaliteit behouden blijft dan wel wordt hersteld.

Omgevingsvisie

De ontwerp Ontwerp Omgevingsvisie FlevolandStraks is door Provinciale Staten vrijgegeven voor inspraak en ligt van 15 juni 2017 tot en met 26 juli 2017 ter inzage. De Ontwerp Omgevingsvisie FlevolandStraks en de bijbehorende kaart vervangen het visiedeel van het Omgevingsplan Flevoland 2006. Kern van de aanpassing is dat de Omgevingsvisie de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn duidt waaraan provincie Flevoland met diverse partners gaat werken.

Conclusie

De voorliggende planherziening is in overeenstemming met de hierboven gestelde doelen en streefpunten, en wordt niet in strijd geacht met de belangen die voor de Provincie gelden: zaken die provinciale belangen in het geding brengen zijn hier niet aan de orde. De herziening laat overigens bijzonder weinig veranderingen zien ten opzichte van de herziene plannen zodat deze bestendigend van aard mag worden genoemd.

 

3.3 Waterschapsbeleid

Waterbeheerplan 2016-2021

Voor Waterschap Zuiderzeeland is het Waterbeheerplan een belangrijk strategisch
document dat een leidraad voor de organisatie is. Het is het beleids- en visiedocument van het waterschap en geeft richting aan de samenwerking met andere organisaties en de uitvoering van het (provinciaal) waterbeleid. De missie van Waterschap Zuiderzeeland luidt: Samen werken aan integraal waterbeheer, een veilige, kwalitatief goede en aantrekkelijke leefomgeving, op een open en verantwoorde werkwijze. Deze missie is vertaald in drie belangrijke inhoudelijke strategische doelen:


1. Veiligheid
*primaire waterkeringen op orde

*regionale waterkeringen op orde


2. Voldoende water

*voorkomen wateroverlast

*anticiperen op watertekort

*goed functioneren watersysteem

*goed grondwaterbeheer


3. Schoon water

*goede structuurdiversiteit

*goede oppervlaktewaterkwaliteit

*goed omgaan met afvalwater


Met bestaand beleid (aanleg regelbare stuwen, aanleg duurzame oevers, gebiedsprocessen) is het grootste deel van de wateropgave voor 2015 opgelost. In hoofdstuk 5 wordt nader ingegaan op wateraspecten.

3.4 Gemeentelijk beleid

Voor zover bij deze herziening van belang wordt ingegaan op een aantal beleidsaspecten.

Structuurplan Lelystad 2015 en Lichte actualisatie van het structuurplan (2014)

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0044.png"

Structuurbeeld 2015

Het structuurplan is vastgesteld op 7 april 2005 en bevat een visie op de integrale leefomgeving, waarvan behalve het ruimtelijk beleid, ook bijvoorbeeld duurzaamheid,

milieu en verkeer deel uitmaken. Lelystad ziet daarbij de handhaving en versterking van de kernkwaliteiten rust, ruimte, groen en water als één van de belangrijkste opgaven. Groei is daarbij noodzakelijk om te kunnen blijven investeren in de stad. In dit structuurplan wordt de verwachting uitgesproken dat Lelystad in 2015 80.000 inwoners en 32.000 arbeidsplaatsen telt. Gestreefd wordt naar een diversiteit in woningaanbod, door de ontwikkeling van woongebieden met een eigen sfeer en uitstraling.

Actualisatie Structuurplan Lelystad 2015

In januari 2014 is de 'Structuurvisie Lelystad 2023' vastgesteld. Het is een actualisatie van het uit 2005 daterende 'Structuurplan Lelystad 2015'. Belangrijk verschil tussen de nieuwe Structuurvisie en het voormalige Structuurplan is de veranderde focus: van accent op groei en ontwikkeling naar onderhoud en beheer van de bestaande stad. Inherent daaraan is dat kwaliteit belangrijker is dan kwantiteit. In de nieuwe visie is rekening gehouden met alle gemeenteraadsbesluiten tot en met 2013, maar ook van provinciaal- en rijksbeleid dat een doorwerking heeft op de (mogelijke) inrichting van de openbare ruimte. De geactualiseerde visie geeft een doorkijk tot 2023 en formuleert een aantal nieuwe beleidsrichtingen die voortvloeien uit al eerder besproken of in de lijn der verwachting liggende beleidsuitspraken of voornemens:

-de ontwikkeling van Lelystad Airport met aangrenzend bedrijventerrein “Airport Garden City” wordt niet enkel meer gezien als een structurele verbetering van de Lelystadse economie, maar als een ontwikkeling van 'bovenregionaal belang';

-de 'Vista' (een ontwikkelingszone van centrum tot kust) zoals opgenomen in het Structuurplan uit 2005, wordt niet langer als ontwikkeling opgenomen;

-de recreatieve mogelijkheden en kansen nabij Trintelhaven (halverwege dijk Enkhuizen-Lelystad) in relatie tot de ontwikkeling van natuur- en moerasgebied 'Marker Wadden' worden nader onderzocht;

-functieverbreding van jachthavens om Lelystad als vaardoel aantrekkelijker te maken;

-de toeristisch-recreatieve knooppunten worden duidelijk gemarkeerd: de 'MarkerWadden', Batavia Stad, Oostvaardersplassen, Aviodrome en Natuurpark Lelystad;

-heroriëntering vindt plaats op de invulling van de Campuszone (zuidelijke centrumdeel).

 Werken

-De termen Werkeilanden en Knooppunten zullen niet meer gehanteerd worden;

-Zorgen voor voldoende aanbod aan werklocaties voor de kansrijke sectoren;

-Tegengaan van leegstand werklocaties door schrappen planvoorraad, herstructurering en transformatie;

Toerisme en recreatie

-Prioriteit aan recreatieve ontwikkeling van de Kust;

-Positieve grondhouding tegenover grootschalige ontwikkeling recreatiewoningen;

-Focus op 5 toeristisch-recreatieve gebieden

Voorzieningen

-Commerciële voorzieningen onderbrengen in Stadshart en in het Bataviagebied;

-Winkelvoorzieningen; versterken van het Stadshart De reservering voor onderwijsvoorzieningen vervalt.


Woonomgeving / woningvoorraad


Het beleid is voor de bestaande woongebieden in Lelystad, waaronder voor de woonbuurten in het plangebied, is in het algemeen gericht op de handhaving van de kernkwaliteiten en daar waar noodzakelijk de verbetering van de woonomgeving door middel van herstructurering of herontwikkeling. In het Structuurplan is Lelystad ingedeeld in elf samenhangende gebiedseenheden, de zogenaamde wooneilanden. Voor elk wooneiland zijn de gewenste identiteit en sfeer en de daarbij horende (transformatie)opgaven beschreven. Het uiteindelijke doel is om voor elk eiland een prettige, veilige en duurzame woon- en leefomgeving te behouden/te creëren.

Woonvisie

De Woonvisie Lelystad is geactualiseerd.

De Woonvisie Lelystad 2016-2020, "samen aan de slag, zoals die nu voorligt, gaat uit van (het behoud van) de kwaliteiten van Lelystad als woonstad met veel ruimte, groen en water, centraal in Nederland en onderdeel uitmakend van de Metropoolregio Amsterdam.

Ontwikkelingen – met daaraan gekoppeld een actieprogramma – die in de Woonvisie aandacht krijgen zijn:

De kwaliteit van de bestaande stad: de fysieke kwaliteit van de woningvoorraad met name in de oudere woonwijken en de leefbaarheid staan onder druk.

De betaalbaarheid en de bereikbaarheid van het wonen: voor steeds meer ouderen die langer zelfstandig moeten blijven wonen; voor de toename van het aantal vergunninghouders, voor mensen die zich geen koopwoning kunnen permitteren.

Realisering van bevolkingsgroei: de stad is vanaf 2020 afhankelijk van een vestigingsoverschot.

De opgave is dus om als totale stad aantrekkelijk te zijn en te blijven. De Woonvisie is daarom opgehangen aan twee doelstellingen:

  • 1. Goede en betaalbare woningen voor iedereen
  • 2. Goede woningen in prettige en gewilde woonwijken.

Om dat te realiseren zijn beleidsuitgangspunten en actiepunten in de Woonvisie geformuleerd. Daarbij zijn de in de consultatiefase ingebrachte reacties verwerkt.

Op korte termijn zal de Woonvisie worden vastgesteld.

Beleid Gebruik van de openbare ruimte - Terrassen

Op 27 oktober 2009 heeft het college het gemeentelijk “Beleid Gebruik van de openbare ruimte – Terrassen” vastgesteld. In dit beleid is de terrasfunctie opgenomen. Het beleid geeft aan dat terrassen in beginsel horen bij horeca-inrichtingen. In de Drank- en horecawet is opgenomen dat een terras onderdeel is van de horeca inrichting.

In de nieuwe Algemene plaatselijke verordening, artikel 2:10, is opgenomen dat geen vergunning meer nodig is voor terrassen en uitstallingen. In 2:10, lid 2 is aangegeven dat er algemene regels kunnen worden opgesteld voor terrassen en uitstallingen. Het “Beleid gebruik van openbare ruimte – Terrassen” geeft daaraan invulling. Uitstraling, bereikbaarheid voor hulpdiensten, voorkoming van overlast van geluid en andersoortige overlast zijn in de Algemene plaatselijke verordening bepalingen opgenomen, eveneens als de locaties waar terrassen zijn toegestaan.

Beleidsregel Kamerverhuur

In maart 2013 is de beleidsregel Kamerverhuur in Lelystad vastgesteld. De beleidsregel geeft de kaders aan waarbinnen kamerverhuur kan worden toegelaten in een woonfunctie zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit van de woonomgeving. Door middel van een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bestemmingsplan indien voldaan wordt aan de voorwaarden die in de beleidsregel gesteld worden. Deze voorwaarden betreffen voornamelijk de invloed op de omgeving, het aantal huurders en parkeren. De regeling is bedoeld voor gebieden met een woonbestemming, niet zijnde een bedrijfswoning. In 2016 is de beleidsregel geactualiseerd.

Beleidsregel Bed & Breakfast

Overeenkomstig het huidige beleid is een bed-and-breakfast regeling opgenomen. In september 2010 heeft de gemeenteraad deze beleidsregel vastgesteld. De beleidsregel geeft voorwaarden waaronder een bed & breakfast in een woonwijk of een agrarisch gebied mogelijk wordt gemaakt. Deze voorwaarden gaan over de omvang, het aantal kamers en de realisatie van parkeergelegenheid op eigen terrein. De regeling is bedoeld voor gebieden met een woonbestemming (niet zijnde bedrijfswoning) of een agrarische bestemming en is om die reden in dit bestemmingsplan overgenomen. Medewerking aan het vestigen van een Bed & Breakfast kan alleen verleend worden door middel van een afwijking (ontheffing).

Werken aan huis

Steeds meer mensen werken thuis, ook nieuwe bedrijven worden gestart vanuit huis. Het betreft hier met name bedrijven in de zakelijke dienstverlening en persoonlijke
dienstverlening.
Voor deze ontwikkeling dienen goede ruimtelijke voorwaarden te worden gecreëerd, om daarmee een bijdrage te leveren aan de werkgelegenheidstaakstelling. De rol van de
gemeente ligt met name op het gebied van:
*opnemen van mogelijkheden voor passende werkfuncties in bestemmingsplannen;
*inbrengen van meer woon-werk-combinaties voor specifieke doelgroepen in
woningbouwprogramma's;
*stimuleren van bouw van woonruimte waar (makkelijker) werkfuncties onder te
brengen zijn (maatvoering, uitbreidingsruimte, et cetera).

Aan huis verbonden beroepen

Binnen de woonbestemming is tevens een regeling opgenomen voor het uitoefenen van toegelaten aan huis verbonden beroepen in woningen. Voor de beroepen geldt een aantal ruimtelijke criteria en criteria die een goede inpassing in de woonomgeving moeten waarborgen. In Bijlage 2 bij de voorschriften is daartoe opgenomen een lijst "Randvoorwaarden aan huis verbonden beroepen".

Voor beroepen die niet worden genoemd en voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten geldt dat deze worden getoetst aan het "Beleid voor het afwijken van bestemmingsplannen", gepubliceerd op 13 maart 2013 en in werking getreden 14 maart 2013.

Webshops/webwinkels :

1. De vestiging van webshops met bezoekmogelijkheid wordt toegestaan in reguliere

winkelgebieden;

2. afhaal- en servicepunten en webshops zonder bezoekmogelijkheid zijn toegestaan

op bedrijventerreinen;

3. onder strikte voorwaarden is vestiging van een webwinkel in de woonwijk mogelijk:

de bewoner is tegelijkertijd de ondernemer, wat inhoudt dat de ruimte niet mag worden verhuurd; er vindt geen verkoop plaats in de woning; goederen worden elders bezorgd; goederen worden niet opgehaald bij de woning;

Hier is immers geen sprake van detailhandel. De webwinkel (en de bijbehorende voorwaarden) is opgenomen in de lijst van aan huis verbonden beroepen. De hier genoemde voorwaarden zijn aanvullend.

Groen en water

De identiteit van Lelystad wordt mede bepaald door de duidelijke groenstructuur, de grootschalige groenelementen en de samenhang tussen groen en water in de stad en in het buitengebied. Een belangrijke opgave is het vergroten van de recreatieve waarde, toegankelijkheid en bruikbaarheid en het tegengaan van versnippering van natuur en landschap. De herkenbaarheid van de groen- en waterstructuur wordt vergroot door in het westelijk deel van de stad het accent op water te leggen (de Blauwe Stad) en in de oostkant het accent juist op groen te leggen (de Groene Stad).

Handhaving

Met de Nota Integrale Handhaving 2015-2018 beoogt de gemeente Lelystad samen met haar ketenpartners vast te leggen welke integrale visie, uitgangspunten en werkwijze de komende jaren gelden bij het handhaven van wet- en regelgeving en aan welke randvoorwaarden dient te worden voldaan.

Handhaven

Hierbij wordt uitgegaan van het ‘nieuwe handhaven’. Het gaat dan om integraal handhaven, responsief optreden tegenover burgers, samen inspecteren binnen verschillende domeinen en samenwerken in de handhavingsketen. De basis van toezicht en handhaving is het bewerkstelligen van een gedragsverandering gericht op goede naleving.

Ketenpartners

Om samenhang en samenwerking in de handhaving in Lelystad te bevorderen hebben de ketenpartners die hebben meegewerkt aan de Nota Integrale Handhaving 2015-2018 in een aantal bijeenkomsten hierover gesproken. In deze nota zijn de visie en uitgangspunten uitgewerkt. De visie die is benoemd door alle partners is: ”De leefomgeving is van ons allemaal. Het is dan ook onze gezamenlijke verantwoordelijkheid er op toe te zien dat deze leefomgeving zo gezond, leefbaar en veilig mogelijk is.”. De partners in de nota zijn, samen met alle afdelingen van de gemeente Lelystad die met handhaving te maken hebben, bijvoorbeeld de Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek (OFGV), Brandweer Flevoland, politie, Werkbedrijf Lelystad, Centrada Lelystad en Welzijn Lelystad.

Gebieden

Deze nota heeft betrekking op diverse wettelijke handhavings- en toezichttaken. Lelystad onderscheidt drie verschillende handhaving gebieden, namelijk de Fysieke leefomgeving, de Openbare ruimte en het Sociaal domein. Tevens is op grond van de visie een aantal algemene uitgangspunten geformuleerd die van toepassing zijn op alle deelnemers van deze nota, namelijk de eigen verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gestimuleerd, de gemeente voert regie over handhaving, voorlichten als het kan, handhaven als het moet, handhaving verloopt waar mogelijk integraal, de verschillende partijen kennen elkaar en werken daar waar nodig samen, handhaving verloopt op programmatische wijze, handhaving kent een innovatief karakter en handhaving vindt zodanig plaats dat er zo min mogelijk (administratieve) lasten zijn voor burgers en bedrijven.

Actualisatie

Inmiddels wordt gewerkt aan een actualisatie, genaamd Vergunningen, Toezicht en Handhaving Uitvoeringsprogramma (VTHUP) 2017 heten. Deze zal naar verwachting in komend kwartaal (2e 2017) inwerking treden.

Kantoren en winkelcentrum

Structuurvisie Locatiebeleid Lelystad 2013-2025

De Structuurvisie Locatiebeleid Lelystad 2013-2025 biedt, rekening houdend met beleid op rijks-, regionaal en provinciaal niveau, inzicht in de manier waarop de gemeente invulling geeft aan de bestaande en toekomstige werklocaties en het beleid waarmee dit gepaard gaat. In dit locatiebeleid wordt onderscheid gemaakt tussen een zevental locatietypen die onderverdeeld zijn in drie categorieën: centrummilieus (grootstedelijk centrummilieu, overige centra), gemengde milieus (overige gebied) en specifieke milieus (kantoren, voorzieningen, reguliere bedrijventerreinen, industrieterreinen). Tot welk locatietype de werklocatie behoort geeft aan welke goedkeuringscriteria, richtlijnen en aanbevelingen voor vestiging op de locatie gelden. Het detailhandelsbeleid van de gemeente Lelystad heeft tevens een plek binnen deze visie gekregen.

-Kantorenstrategie

De kantorenstrategie voor Lelystad bestaat uit het onderzoeksrapport “Onderzoek Kantorenmarkt 2010” en het daarop genomen collegebesluit (10 mei 2011, B10-06502). Door conjuncturele en structurele ontwikkelingen op de kantorenmarkt staat deze markt onder druk. Om goed in te kunnen spelen op deze wijzigende omstandigheden is in 2010 kritisch naar het toenmalige kantorenprogramma en het functioneren van de lokale kantorenmarkt gekeken. De uitkomsten hiervan zijn vastgelegd in “Onderzoek Kantorenmarkt 2010”. Geconcludeerd werd dat onverkorte realisatie van het kantorenprogramma zou leiden tot een ongewenst aanbodoverschot aan kantoren. Vervolgens heeft het college besloten om het programma aan te passen om dit overschot tegen te gaan. Deze aanpassing betekende allereerst het schrappen van een aantal plannen om daarmee de planvoorraad terug te brengen. Daarnaast is besloten om een ander deel van het programma uit te faseren tot na 2030, al dan niet in combinatie met reductie van structurele leegstand door sloop, transformatie en/of herbestemming - een en ander na zorgvuldige afwegingen. Om diversiteit in het aanbod te houden en ook in de toekomst te kunnen voldoen aan de eisen vanuit de markt (vervangingsvraag) is besloten om een aantal kansrijke nieuwbouwlocaties in het programma te houden.


-Kantorenlocatie nabij Botter

Het kantorengebied (waarbinnen bijvoorbeeld het Provinciehuis en de Getronics- gebouw locatie] gelegen in dit plangebied is binnen de Structuurvisie Locatiebeleid Lelystad 2013-2025 aangewezen als "specifiek milieu-kantoren". Tevens is in het locatiebeleid een handelingsperspectief meegegeven dat de ontwikkelingsmogelijkheden met betrekking tot de verschillende werklocaties weergeeft. De kantorenlocatie in dit plangebied is aangemerkt als balansgebied, wat betekent dat er voor deze functie geen uitbreiding meer is voorzien. Indien zich kansen voordoen om leegstand door middel van sloop of transformatie tegen te gaan, wordt dit wenselijk geacht.

Uitgangspunten die daarbij horen:
* bestaande kantoorfunctie behouden wanneer het gaat om zelfstandige kantoorgebouwen;
* uitbreiding van kantooroppervlak wordt niet mogelijk gemaakt;
* structurele leegstand indien mogelijkheden zich voordoen oplossen door transformatie en/of sloop;


-Buurt winkelcentrum Botter

Winkelcentrum Botter wordt binnen de Structuurvisie Locatiebeleid Lelystad 2013-2025 aangeduid als "specifiek milieu-voorzieningen" met handelingsperspectief "balansgebied". Het is een buurtverzorgend winkelgebied bedoeld voor dagelijkse aankopen (koopmotief: boodschappen doen) voor de lokale bevolking in de buurten om het centrum heen. Deze positie neemt het centrum ook in binnen de gewenste detailhandelsstructuur die de gemeente voor ogen heeft. Voor dit buurtverzorgend centrum wordt ingezet op consolidatie, wat betekent dat er ruimte wordt geboden voor kwalitatieve verbeteringen en modernisering met behoud van de huidige positie binnen de detailhandelstructuur. Kwantitatieve toevoeging van detailhandel wordt dan ook als ongewenst beschouwd.

-Integraal horecabeleid

Met het horecabeleid wil de gemeente Lelystad de kwaliteit en aantrekkelijkheid van de horeca in Lelystad verbeteren. Hierdoor moet een kwaliteitslag van de stad als geheel en de horecasector in Lelystad plaatsvinden. Concreet worden maatregelen en projecten op een rij gezet, die uitvoering moeten geven aan het in de nota verwoorde beleid. Uitgangspunten voor het toekomstbeleid zijn:

  • een concentratie van de horeca rond één of meer locaties;
  • het creëren van meer diversiteit in het gehele aanbod in Lelystad, gericht op specifieke doelgroepen;

rekening houden met randvoorwaarden die vanuit milieu en openbare orde, zodat het leefmilieu niet onevenredig wordt aangetast.

-Ambulante handel

Binnen dit algemene begrip vallen eveneens (standplaatsen voor) snackkarren en/of snackwagens. De APV (Algemene plaatselijke verordening) is nog de basis voor standplaatsen. Het gaat hier om niet-vaste standplaatsen; deze standplaatsen worden dan ook niet specifiek aangewezen in het openbaar gebied. Eén van de overwegingen hierbij is dat gemeente en ondernemer een gewenste standplaats moeten afwegen tegen de reële situatie ter plekke [bereik, verkeerssituatie, verkeersveiligheid, winkelconcurrentie en dergelijke]

Ladder voor duurzame verstedelijking

De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd:

'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.'

In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat:

  • 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden.

Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Voor overige stedelijke functies wordt in de overzichtsuitspraak gesteld, dat voor andere stedelijke ontwikkelingen als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 onder i van het Bro in de vorm van een terrein 'in beginsel' geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het ruimtebeslag minder dan 500 m2 bedraagt. Bestaat de andere stedelijke ontwikkeling uit de toevoeging van een gebouw, dan ligt de ondergrens 'in beginsel' bij een bruto-vloeroppervlakte van minder dan 500 m2. Door de toevoeging van 'in beginsel' bij iedere ondergrens, lijkt de Afdeling duidelijk te willen maken dat geen sprake is van ‘harde’ ondergrenzen.

De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd.

Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden.

In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat ontwikkelingen en regelingen die geen extra verstedelijking mogelijk maken, maar bebouwing reduceren of verplaatsen, zoals de Ruimte voor ruimteregelingen, niet gezien worden als stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. In de jurisprudentie is bijvoorbeeld uitgemaakt dat het anders situeren van bedrijfsfunctie op een bedrijventerrein, waarbij het aantal vierkante meters per saldo afneemt, niet wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dus salderen binnen een plangebied, of reductie van onbebouwde plancapaciteit, is in beginsel Laddervrij. Op voorwaarde dat er geen sprake is van Laddergevoelige functies zoals winkels en kantoren, waarbij ruimtelijk relevante effecten op de omgeving optreden (bijvoorbeeld effecten op leegstand, geen of zeer beperkte uitbreidingsvraag).

Als de Ladder niet van toepassing is, is wel een motivering nodig waaruit blijkt dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet onder andere aandacht worden besteed aan de uitvoerbaarheid van het plan. In het kader van uitvoerbaarheid moet aandacht worden besteed aan de behoefte. De uitvoerbaarheidstoets lijkt lichter te zijn dan de Laddertoets. Verschil tussen de Laddertoets en de uitvoerbaarheidstoets is, dat in het kader van de uitvoerbaarheidstoets de behoefte niet zonder meer aan de hand van een vraag- en aanbodanalyse onderbouwd behoeft te worden. Bovendien komt minder betekenis toe aan de, in het kader van de Laddervereiste, inventarisatie van de ontwikkelmogelijkheden binnen bestaand stedelijk gebied (voor zover het planologisch besluit betrekking heeft op een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied). Door in het kader van de uitvoerbaarheid zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij de Ladder, kunnen procesrisico's geëlimineerd worden.

De conclusie voor dit plan is dat de Ladder "niet van toepassing is". Alhier is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het gebied betreft actualisering/digitalisering van regelgeving voor bestaand gebied op een bestendigende wijze. Ook voor het gebied Schoener West bestaat regelgeving, dus ook hier is niets "nieuws".

Hoofdstuk 4 Milieu-aspecten

4.1 Milieueffectrapportage

Om de milieubelangen volwaardig mee te laten wegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. Voor besluiten en plannen die ontwikkelingen bevatten, die (mogelijk) belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen hebben, geldt de plicht voor het opstellen van een milieueffectrapportage.

Het Besluit m.e.r. geeft namelijk aan voor welke activiteiten er een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Mocht een activiteit wel voorkomen in de D-lijst van het Besluit m.e.r., maar ligt deze lager dan de drempelwaarden die gelden voor een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht dan kan er sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. In dat laatste geval dient er beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r. voor het bestemmingsplan.

Op grond van het Besluit m.e.r. hoeft voor dit bestemmingsplan geen milieueffectrapportage te worden opgesteld. In het plangebied is nauwelijks sprake van nieuwe ontwikkelingen en is het bestemmingsplan bestendigend van aard en laat marginale ontwikkelingen toe. De geringe uitbreidingen die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, liggen (individueel en cumulatief) onder de drempelwaarden, zoals die genoemd zijn in het Besluit m.e.r. en geven daarnaast geen aanleiding tot het vrijwillig opstellen van een m.e.r..

4.2 Ecologie

Om inzicht te krijgen in de huidige natuurwaarden in het plangebied, de eventuele gevolgen van geplande ontwikkelingen en/of activiteiten die in het plan mogelijk gemaakt worden op aanwezige natuurwaarden in het plangebied en de omgeving, dient in het kader van het bestemmingsplan een toets op de Wet Natuurbescherming plaats te vinden. Hierbij wordt getoetst op beschermde gebieden, beschermde soorten en leefgebieden en op het behoudt van houtopstanden. Daarnaast wordt getoetst op vigerend beleid op het gebied van flora en fauna en op het Nationaal Natuur Netwerk (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur, EHS, geheten) uit de Nota Ruimte.

Gebiedentoets

Op 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet, Flora- en Faunawet en de Boswet. Hoofdstuk 2 van de Wnb regelt de bescherming van gebieden. Op landelijk niveau zijn hierin de ruimtelijke bepalingen van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn verwerkt. De Wnb biedt de mogelijkheid aan provincies om eigen beschermde gebieden aan te wijzen. De provincie Flevoland heeft hier (nog) geen uitvoering aan gegeven.

Binnen het grondgebied van de gemeente Lelystad zijn de Oostvaardersplassen, Markermeer en IJsselmeer aangewezen als Natura 2000 – gebied. Binnen de gemeentegrenzen kennen deze gebieden alleen doelen voor vogels. In het kader van de soortbescherming kan het noodzakelijk zijn om naar meer soorten te kijken dan alleen de soorten waar de beschermde gebieden voor aangewezen zijn. Er komen geen aangewezen habitattypen voor en invloed van dit bestemmingsplan op beschermde habitattypen buiten de grenzen van de gemeente is op voorhand uitgesloten.

In de Nota Ruimte is de aanwijzing en bescherming van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) geregeld. De benaming van de EHS is in 2016 gewijzigd in het NNN (Nationaal Natuur Netwerk). De begrenzing van de NNN – gebieden is een taak van de provincie. In Flevoland is de begrenzing definitief vastgesteld op 17 juni 2010.

*Natura 2000

De Vogelrichtlijn is gericht op het beschermen van in het wild levende vogelsoorten en op de instandhouding van de habitat die het leefmilieu voor deze soorten vormt. De Habitatrichtlijn is gericht op het in stand houden van natuurlijke en halfnatuurlijke habitat en de bescherming van wilde flora en

fauna. In dit kader zijn Speciale Beschermingszones (SBZ) aangewezen op basis van kwalificerende soorten of habitats. De aangewezen gebieden vormen samen het Europese netwerk Natura 2000. Wanneer zich in of in de buurt van een Natura 2000 gebied een (nieuwbouw)plan aandient, zal moeten worden beoordeeld of dit plan negatieve gevolgen voor de kwalificerende soorten en/of habitats heeft.

*Havendiep 2016

Bestemmingsplan Havendiep 2016 is een bestendigend bestemmingsplan. In de ruimte die de vorige bestemmingsplannen boden zal niets wijzigen. De Natura 2000 – gebieden zullen als gevolg van dit bestemmingsplan geen significant negatieve effecten ondervinden.

Om het verlenen van omgevingsvergunningen te vereenvoudigen is door de gemeente een voortoets gedaan van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van bepaalde typen bouwwerken. Hieruit is een kaart en toetsingskader met “binnen en buiten externe werking” voor verschillende bouwwerken en evenementen gemaakt. Via de GISviewer van de gemeente zijn deze kaart en toetsingskader te raadplegen. Een negatieve invloed op de Natura 2000 – gebieden ten gevolge van dit bestemmingsplan is uitgesloten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0045.png"

Nationaal Natuur Netwerk (NNN)

De Natura 2000 - gebieden maken deel uit van het NNN in de status van prioritair gebied. Daarnaast wordt onderscheid gemaakt in ecologische verbindingszones, waardevolle gebieden en overig NNN. De ecologische verbindingszones zorgen ervoor dat afzonderlijke natuurgebieden met elkaar verbonden worden en planten en dieren zich kunnen verspreiden. De waardevolle gebieden hebben een hoge actuele of potentiële natuurwaarde. Deze gebieden zijn essentieel voor de samenhang en kwaliteit van het NNN. De prioritaire en waardevolle gebieden vormen samen de kerngebieden van het NNN. De provincie heeft het NNN begrensd, gemeenten zijn verplicht om deze begrenzing in bestemmingsplannen te verwerken.

In bestemmingsplan Havendiep of de directe omgeving bevinden zich geen NNN-gebieden. Een negatieve invloed op de wezenlijke waarden is daarom uitgesloten.

*Wetland

Onder wetlands worden waterrijke gebieden verstaan, bijvoorbeeld moerassen of veengebieden. Deze natuurgebieden hebben belangrijke functies, onder andere voor trekvogels, vissen en andere waterdieren. Wetlands en de planten- en diersoorten die erin leven, worden beschermd door het Ramsar Verdrag uit 1971

Bestemmingsplan Havendiep heeft geen negatieve invloed op wetlands.

Bewaren houtopstanden

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0046.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0047.png"

Hoofdstuk 4 van de Wet Natuurbescherming regelt de instandhouding van (productie)bos in Nederland. De Wet Natuurbescherming stelt regels voor herplant van bos bij kap en/of oogst van bos, waarbij de provincie nog aanvullende regels kan stellen. De provincie Flevoland heeft aanvullende regels vastgesteld, onder andere dat een bestaande boskern niet kleiner dan 15 ha mag worden bij kap en herplant elders. In principe dienen gekapte percelen binnen drie jaar ter plaatse herplant te worden. Is dit niet mogelijk, dan kan ontheffing verleend worden om elders te herplanten. Hoofdstuk 4 van de Wet Natuurbescherming heeft alleen werking buiten de 'bebouwde komgrens houtopstanden'.

In het bestemmingsplan Havendiep is alles binnen de bebouwde kom gelegen. Hoofdstuk 4 van de Wet Natuurbescherming is hier niet van toepassing.

*Beleid

Met ingang van 1 januari 2009 beheert de gemeente Lelystad haar groenvoorzieningen conform de Gedragscode Beheer Gemeentelijk Groenvoorzieningen. Als onderdeel hiervan heeft het College de 'Natuurstatuskaart' vastgesteld op 25 november 2008. Daarmee zijn de beschermde gebieden vastgesteld en is tevens een status gegeven aan gebieden die van belang zijn voor (beschermde) planten en dieren.

In het plangebied bevindt zich een aantal gebieden en structuren die van belang zijn voor het behoud van soorten en biodiversiteit in de stad

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0048.png"

Compensatiegebieden

Er zijn geen gebieden waarop een compensatieverplichting rust gelegen binnen het BP Havendiep. Net buiten dit bestemmingsplan is wel een compensatiegebied aanwezig. Het betreft een verleende ontheffing ten behoeve van de realisatie van Warande (FF/75C/2014/0301A). De compensatie houdt een voortplantings- en overwinteringsgebied voor de Rugstreeppad (Bufo calamita) in. De Rugstreeppad is een zeer mobiele soort. De kans is daarom groot om exemplaren van deze Europees beschermde soort aan te treffen binnen het bestemmingsplangebied.

Locale ecologische verbinding

Langs de Westerdreef ligt een locale ecologische verbinding. Deze verbinding is aangewezen in het gemeentelijk waterplan en loopt van de Hollandse Hout naar het Zuigerplasbos. Met name oevergebonden soorten, zoals de Ringslang (Natrix natrix), zullen van deze verbinding kunnen profiteren. In deze verbinding dienen oevers zoveel mogelijk natuurvriendelijk ingericht te zijn, duikers vervangen te worden door duikers met faunarichel en de beplanting op de oevers dient gevarieerd te zijn en aangepast aan de functie ecologische verbindingszone.

Voor flora en fauna belangrijke gebieden

De grotere groengebieden en brede bermen langs de dreven zijn belangrijke leefgebieden voor planten en dieren. De dreven zijn, vanwege hun groene inrichting, belangrijk als verbinding voor diersoorten. Voor zwemmende en lopende soorten vormen de kruisingen echter een gevaarlijke passage. Bij groot onderhoud aan de watergangen langs de dreven moet getracht worden duikers te vervangen door duikers met faunarichel. De spoorberm is met name van belang als verspreidingsroute voor planten en vliegende insecten.

> Soortentoets

Soortbescherming hoofdstuk 3 Wet Natuurbescherming

Op grond van de Wet Natuurbescherming gelden algemene verboden tot het verwijderen van groeiplaatsen van beschermde plantensoorten en het beschadigen of verstoren van voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten. Naast specifieke bescherming van bepaalde soorten, is in artikel 1.10 en 1.11 van de Wnb een algemene zorgplicht voor alle in het wild levende planten en dieren en natuur en leefgebieden in het algemeen opgenomen.

In principe zijn alle zoogdieren, vogels, amfibieën, reptielen en vissen die in Nederland voorkomen, beschermd. De aanvraag van een ontheffing en de toetsing aan de Wet Natuurbescherming gebeurt niet in het kader van het bestemmingsplan, maar in de vergunningenfase van een initiatief. Om te beoordelen of dit bestemmingsplan ook uitvoerbaar is, zal hierop vooruitlopend, een verwachting worden uitgesproken over de eventuele gevolgen voor de beschermde planten- en diersoorten in het plangebied.

In de wet is een differentiatie aangebracht in niveau van bescherming. De beschermde soorten zijn rechtstreeks in de Wet Natuurbescherming vermeld, met een eigen beschermingsregime, waarbij de bescherming van de categorieën 1 en 2 het hoogste niveau hebben.

  • 3. § 3.1 soorten van de Vogelrichtlijn
  • 4. § 3.2 soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV en de verdragen van Bern bijlage II en Bonn bijlage I
  • 5. § 3.3 overige soorten

Voor het verstoren van vogelnesten wordt geen ontheffing verleend. Indien er broedvogels aanwezig zijn dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te vinden. Daarnaast vallen de nesten van een aantal soorten jaarrond onder de bescherming als vaste verblijfplaats.

In BP Havendiep bevinden zich parkbossen, bloemrijke bermen, struweel en rietruigte, poelen en open water. Op basis van de terreintypen en waarnemingen kan een inschatting gemaakt worden van de voorkomende beschermde soorten.

De volgende soorten zijn bekend uit het gebied:

Categorie 1, soorten van de Vogelrichtlijn:

Als broedvogel (ook vallend onder de verdragen van Bern en/of Bonn) kunnen de volgende soorten aangetroffen worden: boerenzwaluw, boomkruiper, boomklever, bosrietzanger, braamsluiper, buizerd, fitis, gekraagde roodstaart, grasmus, groenling, grote bonte specht, havik, heggenmus, huiszwaluw, ijsvogel, kleine karekiet, koolmees, nachtegaal, oeverzwaluw, pimpelmees, roodborst, sperwer, spotvogel, tjiftjaf, winterkoning, witte kwikstaart, zwarte roodstaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0049.png" braamsluiper

De nesten van de volgende soorten worden gerekend tot (jaarrond) vaste verblijfplaats: huismus, ransuil, sperwer, buizerd, gierzwaluw, havik

De nesten van de volgende soorten zijn jaarrond beschermd als er onvoldoende alternatieve nestlocaties voorhanden zijn: boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, ekster, gekraagde roodstaart, grote bonte specht, huiszwaluw, ijsvogel, koolmees, oeverzwaluw, pimpelmees, spreeuw, loopmees, zwarte kraai, zwarte roodstaart.

De cursief aangegeven soorten zijn (ook) nestelend in gebouwen aan te treffen.

Categorie 2, soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn:

Vleermuizen: Alle deelgebieden uit dit plan kunnen fungeren als leefgebied voor diverse soorten vleermuizen. In ieder geval zijn foeragerend in het gebied de Gewone Dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en de Laatvlieger (Eptesicus serotinus) te verwachten. Zowel in gebouwen als in bomen of parkbospercelen kunnen zich kolonies bevinden, deze zijn als vaste verblijfplaats strikt beschermd. De Meervleermuis (Myotis dasycneme) heeft zijn belangrijkste Europese verspreiding in Nederland, waardoor Nederland voor deze soort een belangrijke verantwoordelijkheid heeft. De grote lijnvormige wateren worden door de Meervleermuis gebruik als vliegroute. Verstoring als gevolg van (extra) verlichting langs deze wateren dient voorkomen en/of beperkt te worden.

In de watergangen en waterpartijen zijn sporen van de Europese Bever (Castor fiber) en de Otter (Lutra lutra) aangetroffen. Bij werken langs en in het water dient met de mogelijke aanwezigheid van deze soorten rekening gehouden te worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0050.png" europese bever

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0051.png" otter

Categorie 3, overige soorten:

In Lelystad is de Alpenwatersalamander (Triturus alpestris) in veel tuinvijvers en kleine wateren aangetroffen.

In het gebied zijn diverse algemeen beschermde soorten aan te treffen. Het gaat onder meer om de volgende soorten; Egel (Erinaceus europaeus), ware- en woelmuizen, Bunzing (Mustela putorius), Bruine kikker (Rana temporaria), Groene kikker complex (Rana ridibunda/lessonae), Gewone pad (Bufo bufo) en Kleine watersalamander (Triturus vulgaris).

Voor de meeste soorten is door de Provincie Flevoland een vrijstellingsbesluit genomen voor de uitvoering van ruimtelijke plannen en ontwikkeling.

Aangezien dit bestemmingsplan consoliderend is, mag verwacht worden dat er geen grote negatieve effecten optreden. Het voortbestaan van de populaties van beschermde soorten in dit gebied komt niet in gevaar. Bij eventuele ruimtelijke procedures zal, vanwege het voorkomen van beschermde soorten, een aanvullende inventarisatie verricht dienen te worden. Tevens dient, vanwege het voorkomen van vleermuizen in gebouwen, bij sloopwerkzaamheden van gebouwen altijd een vleermuisinventarisatie verricht te worden. In sommige gevallen zal ook bij aanbouw aan bestaande bouw een vleermuisinventarisatie noodzakelijk zijn.

Rode Lijst

Soorten vermeld op de Rode Lijst zijn niet wettelijk beschermd, maar vallen wel onder de zorgplicht uit de Flora- en Faunawet (art. 2 lid 1). In het plangebied zijn diverse soorten te verwachten met een vermelding op de Rode lijst.

4.3 Archeologie

Archeologische Monumentenzorg in Lelystad

Op 28 augustus 2008 heeft de gemeenteraad van Lelystad het archeologische beleid vastgesteld. Dit beleid is opgesteld om vorm te geven aan het rijks- en provinciaal beleid voor archeologie en cultuurhistorie. Het beleid bestaat uit beleidsafspraken en een beleidsadvieskaart. Bij toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met op de kaart aangemerkte gebieden.

In het beleid is ook de doorwerking van het beleid voor bestemmingsplannen opgenomen. Daarbij is een lijst opgenomen met categorieën van archeologische waarden en de manier waarop deze in het bestemmingsplan opgenomen moeten worden.

Wat onder andere voor Havendiep 2016 van toepassing is, is dat archeologische vindplaatsen, zoals scheepswrakken, in het bestemmingsplan opgenomen moeten worden. Deze vindplaatsen worden gelijk gesteld met Provinciaal Archeologische Kerngebieden (Park'en). Bij ontwikkelingen in dergelijke gebieden moet altijd archeologisch onderzoek plaatsvinden. Deze gebieden moeten in het bestemmingsplan een passende regeling krijgen.

Archeologische waarden

In 1992 werd het Europese Verdrag van Malta ondertekend door een groot aantal EU-landen, waaronder ook Nederland, met als doel om het (Europese) archeologische erfgoed veilig te stellen. Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is in 2007 de Monumentenwet gewijzigd. De bescherming van archeologische waarden is geregeld in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ); een wijziging in de Monumentenwet. De kern van de WAMZ is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven. Naast het inventariseren van de te verwachten archeologische waarde, moet het bestemmingsplan uiteindelijk, indien nodig, een bescherming bieden voor archeologisch waardevolle gebieden. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een omgevingsvergunning voor werken en/of werkzaamheden.

Achtergrondinformatie

Voordat de Zuiderzee ontstond was het grondgebied van de provincie Flevoland ook al eens bewoond. Duizenden jaren geleden hebben deze eerste bewoners sporen achtergelaten, die bewaard zijn gebleven in de bodem van Flevoland. Deze archeologische waarden zijn uniek.

Het Europees verdrag op het gebied van de bescherming van het archeologisch erfgoed verplicht de deelstaten om archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem te behouden. Indien behoud in de bodem niet mogelijk is moeten belangrijke archeologische waarden door middel van opgravingen en onderzoek veilig worden gesteld. Het provinciaal beleid sluit aan bij het Europese verdrag en legt de nadruk op het vergroten van het maatschappelijk rendement van de archeologische monumentenzorg. Deze verplichting geldt voor heel Flevoland.

In het provinciaal archeologiebeleid is onderscheid gemaakt in Provinciaal Archeologische en Aardkundige Kerngebieden (PArK'en), archeologische aandachtsgebieden en top 10-locaties.

Deze gebieden en locaties acht de provincie van provinciaal belang. De PArK'en en top-10-locaties zijn door de provincie uitgewerkt, de uitwerking van de archeologische aandachtsgebieden is een gemeentelijke verantwoordelijkheid.

Archeologische aandachtsgebieden zijn gebieden met een relatief hoge dichtheid aan goed geconserveerde archeologische waarden. Zij omvatten delen van de prehistorische stroomgebieden van de Vecht, IJssel en Eem, waarin onder andere nederzettingen van de Swifterbantcultuur liggen. Deze aandachtsgebieden bevinden zich onder andere in het noordelijke en zuidelijke deel van gemeente Lelystad.

De vermoedelijke archeologische waarden in het noordelijke gebied zijn dusdanig groot dat dit gebied, dat grenst aan het PArK Rivierduingebied Swifterbant, in gemeentelijk beleid als te onderzoeken gebied is aangewezen.

Naast PArK'en, aandachtsgebieden en top-10-locaties zijn door de provincie ook aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. In de aardkundig waardevolle gebieden bevinden zich naast oude menselijke sporen ook sporen van vroegere landschappen. Elementen als oude geulsystemen en rivierduinen, zeldzame veenresten en zeer oude bodems vormen onderdelen van deze zeer oude, fossiele landschappen. Uit deze aardkundige elementen is de ontstaansgeschiedenis van de Flevolandse ondergrond af te lezen. De provincie heeft een eerste inventarisatie en waardering van de aanwezige aardkundige waarden uitgevoerd. Dit heeft geresulteerd in de globale begrenzing van aardkundig waardevolle gebieden. Binnen de gemeentegrenzen van Lelystad bevinden zich onder andere de aardkundig waardevolle gebieden “Rivierduinen en stroomgeulen Swifterbant 1 en 2”.

In het gemeentelijk archeologiebeleid wordt in de aandachtsgebieden onderscheid gemaakt tussen gebieden met hoge en middelhoge archeologische waarde en gebieden met een lage archeologische waarde. In de gebieden met een lage archeologische waarde is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Het gemeentelijk beleid is op 28 augustus 2008 vastgesteld en sinds 11 september 2008 in werking.

Conclusie

Het plangebied valt buiten het in het Provinciaal omgevingsplan 2006 opgenomen PArK en aandachtsgebied. Volgens de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW 2.0) bevindt het plangebied zich in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde.

Op grond van het Provinciaal omgevingsplan 2006, de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (2.0) en het gemeentelijk beleid “Archeologische monumentenzorg in Lelystad” is voor dit bestemmingsplan geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0052.png"

figuur 8.IKAW Flevoland

Vondsten in het plangebied

Vondst nummer 12.502 blijkt bij navraag een vondst in Overijssel te zijn. Dit is dus niet relevant bij dit plan.

Waarneming 23.948 betreft een vuursteenafslag uit het Paleolithicum. Dit is waarschijnlijk een losse vondst uit opgespoten zand uit het IJsselmeer. Dit is voor de beoordeling van dit plan niet relevant.

In het plangebied ligt ook waarnemingsnummer 230010. Ook dit is een afslag vuursteen uit secundair opgebrachte grond en is dus niet van belang voor het bestemmingsplan.

Uit de beschikbare informatie blijkt dat er in het gebied dus al enige archeologische vondsten zijn gedaan. De aanwezigheid van archeologische sporen kan nooit volledig worden uitgesloten. Bij de uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden is alertheid op de aanwezigheid van archeologische resten nodig.

Scheepswrakken kunnen in principe overal op de huidige en voormalige IJsselmeerbodem worden aangetroffen. De meeste scheepswrakken liggen relatief dicht aan het oppervlak van de voormalige Zuiderzeeafzettingen. Het zijn momenteel vooral de dieper gelegen wrakken die nu nog tevoorschijn komen. Dit zijn echter vaak beter geconserveerde schepen en ook oudere scheepstypen.

Indien tijdens de bodemverstorende werkzaamheden archeologische resten of (delen van) een scheepswrak worden aangetroffen moet het werk onmiddellijk worden stilgelegd. Op grond van artikel 53 van de Monumentenwet 1988 moet melding worden gemaakt van de vondst bij de Minister. In de Flevolandse praktijk fungeert het archeologisch depot in het Nieuwland Erfgoedcentrum als centraal meldpunt van archeologische vondsten.

4.4 Geluid

Wegverkeer

Op grond van de Wet geluidhinder worden langs wegen geluidszones vastgesteld, waarbinnen de regels van de Wet geluidhinder gelden. De breedte van de zone is afhankelijk van de ligging van de weg in (buiten)stedelijk gebied en van het aantal rijstroken. Wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt, hebben geen zone.

Binnen het plangebied is onder andere deels de Visarenddreef, Westerdreef en de Larserdreef gelegen, welke tot zoneringsplichtige wegen behoren. De Middendreef en de Middenweg zijn ook zoneringsplichte wegen, maar liggen net buiten het plangebied en kunnen mogelijk nog wel invloed hebben op het plangebied.

Bij de voornoemde dreven hoort een geluidszone (aandachtsgebied voor geluid) van 350 meter, conform artikel 74 van de Wet geluidhinder. Voor de Middenweg geldt een zone van 200 meter. Voor de eenduidigheid is voor het gehele bestemmingsplangebied een akoestisch onderzoek uitgevoerd en wordt de contour van de voorkeursgrenswaarde 48 dB(Lden) opgenomen in het bestemmingsplan. Daarnaast is nog ingezoomd op het gebied Schoener West, aangezien dit het enige gebied is waar nog woningbouw mogelijk is en is gelegen naast een zoneringsplichtige weg (Westerdreef).

Voor Schoener West is getoetst of er voldaan kan worden aan de in 2009 vastgestelde hogere grenswaarde van 53 dB(Lden). Voor bestaande woningen geldt op grond van artikel 76 lid 1 en 3 van de Wet geluidhinder geen onderzoeksplicht.

Voor de berekening van de 53 dB(Lden) contour is uitgegaan van de huidige rijsnelheden. Voor de verkeersintensiteit is het prognosejaar 2030 aangehouden.

De conclusie van het akoestisch onderzoek is dat binnen het gebied Schoener West voldaan kan worden aan de in 2009 vastgestelde hogere grenswaarde. Het vaststellen van een hogere grenswaarde of het nemen van akoestische maatregelen is niet aan de orde.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00053-VG01_0053.png"

Contouren wegverkeerslawaai in dB(Lden) (incl. artikel 110g Wgh).

Spoorweggeluid

Aan de oostzijde van het plangebied is de spoorweg de Hanzelijn gelegen. De Hanzelijn heeft een geluidszone aan weerszijden van het spoor van 500 meter, gerekend vanaf de buitenste spoorstaaf. Deze geluidszone heeft het karakter van een onderzoeksgebied waar bij het plannen van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen of het wijzigen van bestaande geluidsgevoelige bestemmingen rekening gehouden moet worden met het geluid van spoorweglawaai.

Binnen de geluidszone van de Hanzelijn worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Derhalve is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek of het vaststellen van hogere grenswaarden of het nemen van akoestische maatregelen niet noodzakelijk.

Bedrijvigheid

In Lelystad wordt bij bedrijventerreinen en bedrijven een systeem van inwaartse milieuzonering toegepast. De bedoeling is om daarmee een adequate ruimtelijke scheiding aan te brengen tussen milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen. In deze vorm van milieuzonering wordt rondom het bedrijventerreinen een denkbeeldige contourlijn getrokken die uitgaat van de te beschermen milieugevoelige bestemmingen. Vervolgens wordt binnen de contourlijn gelegen bedrijventerrein verdeeld in zones voor bepaalde categorieën van bedrijven. Hoe verder die zones van de contourlijn liggen, hoe zwaarder de toegelaten bedrijven mogen zijn.

Bij de indeling van bedrijven in bedrijfscategorieën wordt in het algemeen de VNG-uitgave “bedrijven en milieuzonering” als richtlijn toegepast. Daarin worden voor ieder soort bedrijf indicatieve afstanden bepaald voor de milieuaspecten geluid, stank, stof en gevaar.

Het systeem van milieuzonering is een goed instrument om een adequate ruimtelijke scheiding aan te brengen tussen milieubelastende bedrijvigheid en gevoelige bestemmingen zoals woningen en natuurgebieden. Daarnaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer vallen van de Wet milieubeheer, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder.

In het plangebied bevinden zich geen bedrijven die vanuit milieu oogpunt op een hinderlijke wijze van invloed zijn op de omgeving. De aanwezige bedrijven worden gelet op de aard en de invloed op de (woon) omgeving, ook in de toekomst toelaatbaar geacht binnen het plangebied. Daarbij dient te worden opgemerkt dat het niet alleen gaat om de bedrijven die in het bestemmingsplan een bedrijfbestemming hebben, maar bijvoorbeeld ook om de voorzieningen. In het plangebied is geen geluid gezoneerd bedrijventerrein aanwezig.

  Industriegeluid

Ten westen van het plangebied ligt het bedrijventerrein Noordersluis, wat op grond van de Wet geluidhinder is gezoneerd. Volgens het bestemmingsplan “Noordersluis” zijn op het bedrijventerrein bedrijven tot en met maximaal categorie 5 toegestaan. Op het terrein is het principe van inwaartse milieuzonering toegepast.

Voor dit bedrijventerrein is het bestemmingsplan “Noordersluis” (2013) opgesteld. Met de vaststelling van dit bestemmingsplan is ook het akoestisch onderzoek geactualiseerd. De eerder vastgestelde geluidszone biedt nog voldoende geluidsruimte voor de bedrijven gelegen op de het bedrijventerrein.

De vastgestelde geluidszone van de Noordersluis overlapt een deel van het plangebied Havendiep 2016. Ondanks dat binnen deze smalle zone tussen bestaande bebouwing en dreef het vanwege fysieke belemmeringen niet of nauwelijks mogelijk is woningbouw of andere geluidgevoelige bebouwing te realiseren, wordt in de regels toch aangegeven dat het bouwen of uitbreiden van geluidgevoelige objecten slechts voorwaardelijk mogelijk is.

4.5 Bodemkwaliteit

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is, wanneer sprake is van een nieuwe ontwikkeling, een beoordeling van de haalbaarheid verplicht. Het bodemonderzoek, en dan vooral onderzoek naar de bodemkwaliteit, maakt deel uit van deze afweging. Bovendien is wettelijk bepaald dat een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk niet mag worden gebouwd op een zodanig verontreinigd terrein, dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu.

Bij de verkenning van de mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren moet de bodemkwaliteit worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk. Ook moeten de mogelijkheden en kosten, om deze beperkingen door middel van actief bodembeheer weg te nemen, worden aangegeven.

In het kader van dit bestemmingsplan, is een historisch onderzoek uitgevoerd naar het bodemgebruik in het plangebied. In het onderzoek is nagegaan waar bodemverontreiniging of vermoedelijke verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, die een belemmering kunnen opleveren voor het beoogde gebruik van het plangebied. De resultaten van het onderzoek worden hierna beschreven.

In het plangebied hebben de volgende activiteiten plaatsgevonden. Na de drooglegging heeft het gebied een agrarische bestemming gehad. Vervolgens is het gebied opgespoten om tot woonwijk ontwikkeld te worden.

In de woonwijk bevindt zich een winkelcentrum en een klein bedrijventerrein. De wijk is vanaf het begin aangesloten op het gasnet, respectievelijk stadsverwarming. In het gebied bevinden zich geen zware bedrijven.

Voor zover bekend bevinden zich in het gebied geen gevallen van bodemverontreiniging.

Op basis van het historische gebruik valt te verwachten dat de bodem geschikt is voor het toekomstige gebruik.

Voor dit gebied is een uitgebreider historisch onderzoek naar het bodemgebruik uitgevoerd. De relevante gegevens worden hieronder vermeld.

Het terrein is opgehoogd met ± 1,5 à 2,0 meter zwak humeus kleiig zand. De bodemsamenstelling is voorzover bekend niet gewijzigd. Onder de ophooglaag bestaat de bodem uit zwak zandige klei tot m.v. – 3,0 à 3,5 meter gevolgd door veen. De ophooglaag ter plaatse van de wijk Schoener lijkt iets dunner, te weten 1,0 à 1,5 meter.

Op de locatie hebben geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden zoals op- en overslag van bodembedreigende stoffen of lozingen van afvalwater en hebben geen bodembedreigende installaties zoals tanks, werkplaatsen, wasplaatsen of afleverpunten gestaan.

Uitzondering hierop vormt Tjalk 23-01 waar een autoreparatiebedrijf is gevestigd. Hier heeft geen bodemonderzoek plaatsgevonden. In het bedrijf ligt een vloeistofdichte vloer en er zijn ons geen calamiteiten bekend. Derhalve bestaat er geen vermoeden van bodemverontreiniging op deze locatie.

Ook zijn er twee kantoorgebouwen die een opslagtank hebben (gehad) voor een noodstroomvoorziening. Ook bij deze bedrijven is geen verontreiniging bekend.

In het plangebied zijn enkele kleine calamiteiten bekend waarvan de gevolgen volledig zijn weggenomen.

Op de locatie bestaat geen vermoeden van bodemverontreiniging. De geregistreerde bedrijven geven geen aanleiding tot het vermoeden van mogelijke bodemverontreiniging. In het gehele plangebied zijn vanaf 1987 circa 45 bodemonderzoeken uitgevoerd en één waterbodemonderzoek. De bodemonderzoeken geven alle min of meer hetzelfde beeld, te weten ten hoogste een lichte verontreiniging met één of meerdere (zware) metalen en ten hoogste een lichte verontreiniging met voornamelijk arseen en één of meerdere vluchtige aromatische koolwaterstoffen. Het verontreinigingsbeeld komt hiermee in grote lijnen overeen met de achtergrondconcentraties zoals deze op meerdere plaatsen in Lelystad wordt aangetroffen.

Geconcludeerd kan worden dat het plangebied op basis van de afwezigheid van bodembedreigende activiteiten en de afwezigheid van bodemverontreiniging geschikt is voor het toekomstig gebruik. De waterbodem in het gebied is zeer summier onderzocht. Er is voor zover bekend geen onderzoek naar asbest in de bodem uitgevoerd volgens de huidige maatstaven. Hiermee dient bij verdere inrichting wel rekening te worden gehouden.

Conclusie

Op basis van de beschikbare gegevens is de conclusie dat de huidige bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de vaststelling van dit bestemmingsplan

4.6 Externe veiligheid

Hoewel het nieuwe bestemmingsplan Havendiep 2016 geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt en er daarmee geen wijziging optreedt in de externe veiligheid, wordt in deze paragraaf beschreven op welke risicobronnen er zijn.

Plaatsgebonden risico

De risico's, risicobronnen binnen, maar ook in de nabijheid, van het plangebied zijn geïnventariseerd. Beoordeelde risicobronnen kunnen bedrijven zijn maar ook transportroutes over de weg, rail of vaarwater en buisleidingen. Beoordeeld is of wordt voldaan aan de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico ten opzichte van de oriënterende waarde. Het besluit "Externe Veiligheid inrichtingen" (Bevi), de regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi), de handreiking verantwoording groepsrisico, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het Basisnet zijn bij deze beoordeling toegepast. Bedrijven zoals geregistreerd in het "Risico Register Gevaarlijke Stoffen", het RRGS, zijn in de beoordeling van het plaatsgebonden en groepsrisico voor zover aanwezig meegenomen.

Verantwoording groepsrisico

Het groepsrisico GR kent geen vaste norm waaraan dient te worden voldaan maar een oriënterende waarde waarop getoetst dient te worden. Bij het vaststellen van bestemmingsplannen dient elke (mogelijke) toename van het groepsrisico verantwoord te worden (de verantwoordingsplicht). Deze verantwoordingsplicht geldt ook als het groepsrisico wijzigt maar wel onder de oriënterende waarde blijft.

De verantwoordingsplicht omvat een aantal onderdelen waarop beoordeeld dient te worden.

1. Aanwezige dichtheid van personen in het invloedsgebied van de betrokken risicobronnen:

a. Functie-indeling.

b. Gemiddelde personendichtheid.

c. Verblijfsduur.

d. Verschil bestaande en toekomstige situatie.

2. De omvang van het groepsrisico

a. De omvang voor het van kracht worden van dit plan.

b. De omvang na het van kracht worden van dit plan.

c. De verandering van het groepsrisico ten gevolge van dit plan.

d. De ligging van de groepsrisicocurve ten opzichte van de oriënterende waarde.

3. De mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen ter beperking van het groepsrisico bij de in dit plan betrokken risico-inrichtingen en/of transportroutes.

4. De mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen ter beperking van het groepsrisico in dit ruimtelijke besluit.

5. De mogelijkheden tot voorbereiding op en bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval:

a. Pro-actie.

b. Preventie.

c. Preparatie.

d. Repressie/zelfredzaamheid.

6. De mogelijkheden van personen die zich binnen de het invloedsgebied van de risicobron bevinden om zichzelf in veiligheid te brengen.

7. De voor- en nadelen van andere mogelijkheden tot ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico.

8. De mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst.

Per risicobron wordt zowel het plaatsgebonden risico als het groepsrisico besproken.

A) Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg

Het plangebied grenst aan de Larserdreef en de Westerdreef, die beiden (deels) onderdeel uitmaken van de vastgestelde Route gevaarlijke stoffen door Lelystad. Uit onderzoek is gebleken (Inzicht in transport gevaarlijke stoffen HRT (PUEV2 TG-P1)" 9S4799.01/R0002/Nijm, Royal Haskoning, 3 juni 2008) dat in Lelystad, en daarmee ook op de Larser- en Westerdreef er geen sprake is van een benadering van de PR10-6 contour als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen. Eveneens is er geen sprake van een benadering van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico.

B) Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor

Het plangebied grenst aan de spoorlijn. In 2012 is de Hanzelijn in gebruik genomen. Omdat over deze spoorlijn gevaarlijke stoffen worden vervoerd worden, is er sprake van een PR10-6 contour waarbinnen geen (beperkt) kwetsbare objecten gebouwd mogen worden. Deze contour ligt op 6 meter uit het spoor. Binnen een lijn van 30 meter gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf is sprake van het plasbrandaandachtsgebied. Binnen deze contour moeten nieuwe ontwikkelingen afgewogen worden tegen het risico. Binnen 200 meter moeten de gevolgen voor het groepsrisico in kaart worden gebracht. Omdat het bestemmingsplan Havendiep 2016 geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt zullen er geen (beperkt) kwetsbare objecten worden toegevoegd. Evenmin wijzigt het groepsrisico.

C) Risicovolle bedrijven.

In en om het plangebied zijn geen bedrijven gevestigd die worden aangemerkt als risicovol, zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Evenmin vallen over het plangebied veiligheidscontouren van bedrijven die buiten het plangebied gevestigd zijn.

Conclusie

Over het plangebied liggen geen risicocontouren voor het plaatsgebonden risico. Er is geen sprake van een toename van het groepsrisico, zodat een verantwoording van het groepsrisico achterwege kan blijven.

Het aspect externe veiligheid geeft geen belemmeringen voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

4.7 Luchtkwaliteit

Hoewel het nieuwe bestemmingsplan Havendiep 2016 geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt en er daarmee geen wijziging optreedt in de externe veiligheid, wordt in deze paragraaf beschreven op welke risicobronnen er zijn.

Plaatsgebonden risico

De risico's, risicobronnen binnen, maar ook in de nabijheid, van het plangebied zijn geïnventariseerd. Beoordeelde risicobronnen kunnen bedrijven zijn maar ook transportroutes over de weg, rail of vaarwater en buisleidingen. Beoordeeld is of wordt voldaan aan de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico ten opzichte van de oriënterende waarde. Het besluit "Externe Veiligheid inrichtingen" (Bevi), de regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi), de handreiking verantwoording groepsrisico, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het Basisnet zijn bij deze beoordeling toegepast. Bedrijven zoals geregistreerd in het "Risico Register Gevaarlijke Stoffen", het RRGS, zijn in de beoordeling van het plaatsgebonden en groepsrisico voor zover aanwezig meegenomen.

Verantwoording groepsrisico

Het groepsrisico GR kent geen vaste norm waaraan dient te worden voldaan maar een oriënterende waarde waarop getoetst dient te worden. Bij het vaststellen van bestemmingsplannen dient elke (mogelijke) toename van het groepsrisico verantwoord te worden (de verantwoordingsplicht). Deze verantwoordingsplicht geldt ook als het groepsrisico wijzigt maar wel onder de oriënterende waarde blijft.

De verantwoordingsplicht omvat een aantal onderdelen waarop beoordeeld dient te worden.

1. Aanwezige dichtheid van personen in het invloedsgebied van de betrokken risicobronnen:

a. Functie-indeling.

b. Gemiddelde personendichtheid.

c. Verblijfsduur.

d. Verschil bestaande en toekomstige situatie.

2. De omvang van het groepsrisico

a. De omvang voor het van kracht worden van dit plan.

b. De omvang na het van kracht worden van dit plan.

c. De verandering van het groepsrisico ten gevolge van dit plan.

d. De ligging van de groepsrisicocurve ten opzichte van de oriënterende waarde.

3. De mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen ter beperking van het groepsrisico bij de in dit plan betrokken risico-inrichtingen en/of transportroutes.

4. De mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen ter beperking van het groepsrisico in dit ruimtelijke besluit.

5. De mogelijkheden tot voorbereiding op en bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval:

a. Pro-actie.

b. Preventie.

c. Preparatie.

d. Repressie/zelfredzaamheid.

6. De mogelijkheden van personen die zich binnen de het invloedsgebied van de risicobron bevinden om zichzelf in veiligheid te brengen.

7. De voor- en nadelen van andere mogelijkheden tot ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico.

8. De mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst.

Per risicobron wordt zowel het plaatsgebonden risico als het groepsrisico besproken.

A) Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg

Het plangebied grenst aan de Larserdreef en de Westerdreef, die beiden (deels) onderdeel uitmaken van de vastgestelde Route gevaarlijke stoffen door Lelystad. Uit onderzoek is gebleken (Inzicht in transport gevaarlijke stoffen HRT (PUEV2 TG-P1)" 9S4799.01/R0002/Nijm, Royal Haskoning, 3 juni 2008) dat in Lelystad, en daarmee ook op de Larser- en Westerdreef er geen sprake is van een benadering van de PR10-6 contour als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen. Eveneens is er geen sprake van een benadering van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico.

B) Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor

Het plangebied grenst aan de spoorlijn. In 2012 is de Hanzelijn in gebruik genomen. Omdat over deze spoorlijn gevaarlijke stoffen worden vervoerd worden, is er sprake van een PR10-6 contour waarbinnen geen (beperkt) kwetsbare objecten gebouwd mogen worden. Deze contour ligt op 6 meter uit het spoor. Binnen een lijn van 30 meter gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf is sprake van het plasbrandaandachtsgebied. Binnen deze contour moeten nieuwe ontwikkelingen afgewogen worden tegen het risico. Binnen 200 meter moeten de gevolgen voor het groepsrisico in kaart worden gebracht. Omdat het bestemmingsplan Havendiep 2016 geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt zullen er geen (beperkt) kwetsbare objecten worden toegevoegd. Evenmin wijzigt het groepsrisico.

C) Risicovolle bedrijven.

In en om het plangebied zijn geen bedrijven gevestigd die worden aangemerkt als risicovol, zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Evenmin vallen over het plangebied veiligheidscontouren van bedrijven die buiten het plangebied gevestigd zijn.

Conclusie

Over het plangebied liggen geen risicocontouren voor het plaatsgebonden risico. Er is geen sprake van een toename van het groepsrisico, zodat een verantwoording van het groepsrisico achterwege kan blijven.

Het aspect externe veiligheid geeft geen belemmeringen voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

4.8 Bedrijven en milieuzonering

In het kader van de Wet milieubeheer dient in nieuwe situaties rekening te worden gehouden met (wenselijke) afstanden tussen bepaalde milieubelastende functies en milieugevoelige functies. In de VNG circulaire Bedrijven en Milieuzonering (2009) zijn richtafstanden opgenomen. In de lijst is voor allerlei soorten milieubelastende activiteiten aangegeven welke richtafstanden vanwege geur, stof, geluid en gevaar bij voorkeur aangehouden moeten worden ten opzichte van milieugevoelige activiteiten. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie.

Het verband tussen de afstand en de milieucategorie voor een rustige woonwijk

1 10 meter

2 30 meter

3.1 50 meter

3.2 100 meter

4.1 200 meter

4.2 300 meter

De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd, dan kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Benadrukt moet worden dat de richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype) en dat de richtafstanden bij een omgevingstype gemengd gebied (een gebied met een matige tot sterke functiemenging) met één stap kunnen worden verlaagd zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Het waar nodig scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige gebieden en functies bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen:

a. Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;

b. Het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Het bestemmingsplan en de milieuregelgeving vullen elkaar aan. Voor zover met behulp van een zonering eventuele overlast voor de omgeving niet voldoende kan worden beperkt, kan de toepassing van milieuregelgeving uitkomst bieden.

Bestaande functies in het plangebied

Het plangebied wordt aangemerkt als een rustige woonwijk. Binnen dit plangebied komen naast de woonfunctie ook andere functies voor zoals onder andere maatschappelijke voorzieningen als een winkelcentrum, gezondheidscentrum, scholen en een kerk. Het bestemmingsplan Havendiep 2016 is een bestendigend plan waarbij uitgangspunt is dat elk bedrijf een omgevingsvergunning (milieuvergunning) heeft die is afgestemd op de huidige situatie. Voor de bedrijvigheid geldt dat de vigerende vergunningen, voor zover van toepassing, en het Activiteitenbesluit afdoende moeten worden geacht. In woongebieden worden in principe alleen bedrijven tot en met milieucategorie 2 toegestaan.

Bedrijvigheid aan huis

Bij diverse woningen is sprake van een combinatie van wonen en een vorm van werken. In het woongebied mag slechts lichte aan huis verbonden bedrijvigheid plaatsvinden. Voor de bedrijvigheid geldt dat de vigerende vergunningen, voor zover van toepassing, en het Activiteitenbesluit afdoende moeten worden geacht.

4.9 Programmatische Aanpak Stikstof (PAS)

Het programma aanpak stikstof 2015-2021 is op 1 juli 2015 inwerking getreden. Met de PAS wordt gewerkt aan een evenwicht tussen een veerkrachtige natuur en een gezonde economie. Natura-2000 gebieden kunnen als gevolg van stikstofdepositie achteruit gaan in de natuurkwaliteit. Met de PAS wordt beoogd om de natura-2000 gebieden te herstellen en anderzijds om ruimte te bieden aan economische activiteiten.

Dit bestemmingsplan is bestendigend van aard, laat marginale ontwikkelingen toe en behoeft daarmee niet getoetst te worden aan de PAS.

Hoofdstuk 5 Waterparagraaf

Algemeen

In het plangebied Havendiep 2016 wordt gestreefd naar een duurzaam, veilig en gezond waterbeheer.

Waterplan en beleid

Voor de gehele gemeente Lelystad is een beleidsnota, het waterplan (Haskoning) in het eerste kwartaal van 2002 vastgesteld. In dit plan zijn kwaliteit, kwantiteit, vormgeving en ecologisch waterbeheer van het open water meegenomen. Dit plan bevat de vertaling van het gewenste waterbeheer ('watervisie') naar inrichtingsmaatregelen op hoofdlijnen. In het waterplan is rekening gehouden is met het vigerend beleid in de Vierde Nota Waterhuishouding (ministerie van V&W), de startovereenkomst “Waterbeleid 21e eeuw”, de “Handreiking watertoets” (ministerie van VROM), het Provinciaal Omgevingsplan (Provincie Flevoland) en het Waterbeheersplan 2002 - 2005 “Water in beweging” (Waterschap Zuiderzeeland). Basisprincipes van dit beleid zijn: meer ruimte voor water en het voorkomen van afwenteling van de waterproblematiek in ruimte of tijd. Dit is in WB21 geconcludeerd in de twee drietrapsstrategieën voor:

1. Waterkwantiteit (vasthouden, bergen, afvoeren);

2. Waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren).

In deze paragraaf zijn de maatregelen aangegeven welke in Havendiep zijn voorzien.

 

Watersysteem

De functies in dit bestemmingsplan hebben geen veranderingen voor het watersysteem tot gevolg. Er is immers geen sprake van ontwikkelingen die invloed hebben op de hoeveelheid oppervlaktewater en het rioolsysteem.

 Peilbeheer

Voor het watersysteem van Havendiep heeft het waterschap Zuiderzeeland het waterpeil van -5,40m t.o.v. NAP vastgesteld.

Berging

Het watersysteem van het Havendiep is gedimensioneerd op de toen geldende afvoernorm van 1,5 l/s/ha. Een toename aan verharding dient te worden gecompenseerd op basis van de vigerende bergingsnorm.

Wateraf- en aanvoer

Schoon hemelwater en schone kwel worden gebruikt voor het oppervlaktewatersysteem. Het circulatiesysteem houdt dit schone water vast, zodat zo min mogelijk voedselrijk polderwater hoeft te worden ingelaten.

Overtollig water verlaat het oostelijk deel van het Havendiep (-5,40 m t.o.v. NAP) middels een (overlaat)stuw naar het lager gelegen westelijke deel van het Havendiep dat in verbinding staat met de Lage Dwarsvaart. De Lage Dwarsvaart maakt deel uit van de 'lage afdeling' welke wordt bemalen op een peil van N.A.P. –6,20 m t.o.v. NAP.

Watergangen en oevers

In de huidige situatie hebben de singels in de Havendiep een watervoerende breedte variërend van 4 tot 8 m bij een waterdiepte van respectievelijk 0,8 tot 1,25 m. De oevers hebben in het algemeen een plasberm met een lichte beschoeiing van hout, staal of kunststof en een talud variërend van 1:2 tot 1:4.

Kunstwerken

Aanpassingen of nieuw te realiseren kruisingen met infrastructuur zijn niet voorzien. Derhalve zijn geen directe aanpassingen aan duikers of bruggen noodzakelijk. In het geval van het realiseren van de, in het waterplan voorziene, ecologische verbindingszone zal rekening gehouden worden met kunstwerken (ecoduiker e.d.) bij kruisingen met infrastructuur.

Riolering en afkoppelen

Havendiep is voorzien van een gescheiden rioolstelsel. Het (vuile huishoudelijke) afvalwater wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie Lelystad aan de westzijde van Lelystad. Het regenwater wordt afgevoerd naar open water.

Waterveiligheid

In het stedelijk waterplan is berekend dat met de Westlandbui nergens in het stedelijk gebied water op het maaiveld komt en dat de peilstijging nauwelijks hoger dan 30 cm wordt. Dit terwijl de Westlandbui een zwaardere bij was dan de bui die tegenwoordig gehanteerd dient te worden. Bij nieuwe berekeningen wordt namelijk uitgegaan van een bui met een herhalingstijd van 1 keer per 100 jaar, volgens het zogenaamde middenscenario (+10%). Geconcludeerd mag worden dat voor dit gebied het veiligheidsniveau van 1:100 gehaald wordt.

Grondwater

De drooglegging in de Havendiep bedraagt bij het streefpeil gemiddeld 1,2 m met een minimum van 1,0 m. Rekening houdend met het opbollen van de grondwaterstand wordt ter plaatse van de plannen voor herinrichting en nieuwbouw een ontwateringsdiepte van minimaal 0,7 m gewaarborgd. Indien nodig zal drainage worden aangelegd in openbaar gebied. In het geval van het realiseren van flexibel peilbeheer zal rekening gehouden worden met de hoogteligging van de bestaande drainage. Omdat de verhogingen van het waterpeil beperkt en van tijdelijke aard zijn, worden geen (grond)wateroverlastproblemen verwacht.

Waterkwaliteit

Er worden geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zinken dakgoten) gebruikt. Voor de waterhuishoudkundige kunstwerken worden alleen milieuvriendelijke en niet-uitlogende materialen gebruikt.

 Conclusie

In het gebied zijn geen ernstige milieuproblemen die aandacht behoeven in het kader van het bestemmingsplan.

 

Hoofdstuk 6 Planbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt wordt kort ingegaan op enkele bestemmingen die in dit plan voorkomen.

*Bedrijventerrein 

Deze bestemming is uit het plan genomen. In de Nota van wijzigingen, behorende bij het raadsbesluit omtrent vaststelling van het plan, is de achterond en de reden hiervan iaangegeven.

*Gemengd

Reguliere detailhandel wordt gedreven in het Winkelcentrum Botter hetwelk fungeert als een buurtcentrum met ook maatschappelijke (para]medische functies, als dentale heelkunde, fysiotherapie. Op de gronden en in de gebouwen binnen deze bestemming mogen gemengde functies een plaats hebben. Het gaat daarbij onder meer om de menging van de functies maatschappelijke voorzieningen, welzijnsdoeleinden en andere (ondergeschikte) voorzieningen als groen en water. Door dit mogelijk te maken kunnen de gronden en gebouwen maximaal benut worden voor de hoofdfunctie. Hiermee kunnen de hoofdfuncties gehandhaafd blijven.

Een bijzondere functie is die van Wellness aan het Havendiep in de wijk Schoener. Het Wellnesscenter is als bestemming opgenomen in het plan Stadsplantsoenen. Binnen het voorliggende bestemmingsplan Havendiep 2016 is het center onderdeel geworden van de bestemming Gemengde doeleinden, maar wel met de speciale functie en met behoud van wat al was toegestaan, zoals een bedrijfswoning.

*Groen

Binnen deze bestemming is nabij Tjalk 17-60 en Botter 33-55 een gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. De stations passen in de bestemming middels een aanduiding nutsvoorzieningen. Op verzoek van Liander zijn deze stations op de verbeelding specifiek aangeduid omwille van zichtbaarheid en veiligheidsredenen. Tevens zijn de locaties omgeven door een veiligheidscontour (Gebiedsaanduiding veiligheidszone - kaststations)

*Kantoor

Op twee plekken in het plangebied in het noordoosten, langs de Visarenddreef en de spoorlijn, zijn kantoorfuncties te vinden. De meest in het oog springende kantoren zijn die van provincie Flevoland en het Getronicsgebouw - kortgesteld - schuin daartegenover. Direct ten zuidwesten en westen van het Provinciehuis wordt kleinschalige kantoorruimte aangetroffen.

*Verkeer

Functionele mogelijkheden

De bestemming is volledig bedoeld voor verkeerskundige doelstellingen, daarom worden wegen en straten, voet- en rijwielpaden en daarbij horende groenvoorzieningen (bermen) toegestaan.

Daarnaast zijn andere bouwwerken, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen en water, paden, tuinen, erven en parkeervoorzieningen mogelijk. Door het toestaan van deze functies is flexibiliteit in het gebruik van de gronden met deze bestemming mogelijk.

Bouwmogelijkheden

Binnen deze bestemming is de bouw van gebouwen niet toegestaan. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn wel mogelijk. In dit geval gaat het bijvoorbeeld om erf- en terreinafscheidingen, palen en masten, bruggen en overige bouwwerken geen gebouwen zijnde.

Daarbij mogen erf- en terreinafscheidingen een maximale bouwhoogte van 3,00 meter hebben. Palen en masten zijn maximaal 6,00 meter hoog, bruggen en vergelijkbare bouwwerken en overige bouwwerken zijn maximaal 5,00 meter hoog. De genoemde hoogten zijn van belang voor een optimaal functioneren ervan.

Flexibiliteitsbepalingen

In de bestemmingsregeling is een mogelijkheid opgenomen om met een omgevingsvergunning af te wijken van de bouw- en gebruiksregels. Met deze omgevingsvergunning kunnen bijvoorbeeld gebouwen voor nutsvoorzieningen of andere openbare voorzieningen worden gebouwd. Bij de verlening van de omgevingsvergunning moet voldaan worden aan de voorwaarden die daarbij gesteld zijn.

Hierdoor is het mogelijk om, door toepassing van een relatief korte planologische procedure, ruimte te bieden aan nieuwe ontwikkelingen op de gronden of in de gebouwen in deze bestemming.

Uitgangspunten

  • De verkeersfunctie blijft mogelijk;
  • naast verkeersvoorzieningen worden bijbehorende voorzieningen mogelijk gemaakt;
  • grotere parkeerterreinen vallen niet binnen deze bestemming, vanwege de verblijfsfunctie daarvan;
  • gebouwen zijn niet toegestaan;
  • bouwwerken ten behoeve van de geleiding en veiligheid van het verkeer zijn toegestaan;
  • het bestaande wegprofiel van de grootste ontsluitingswegen is vastgelegd, zodat de effecten op de omgeving niet wijzigen;

Huidige situatie

De hoofdontsluiting van Lelystad wordt onder meer gevormd door de dreven. Langs het plangebied zijn meerdere van deze dreven aanwezig, bijvoorbeeld de Larserdreef, de Westerdreef en de Visarenddreef. Deze wegen bestaan veelal uit twee maal twee rijbanen en hebben een stroomfunctie. De maximale snelheid die op deze dreven is toegestaan varieert tussen 50 en 70 km/uur. Om het verkeer te regelen zijn bij deze wegen onder andere rotondes aangebracht en is in sommige gevallen sprake van verkeersregelinstallaties (waaronder verkeerslichten).

*Water

Het plangebied wordt west-oost doorsneden door het Havendiep, welke watergang een belangrijke rol speelt in het watersysteem van Lelystad, mede inzake recreatievaart. Hiernaast zijn watergangen en tochten aanwezig in het plangebied die naast het bieden van fauna en flora en recreatieve mogelijkheden, uiteraard eveneens een belangrijke rol spelen in het waterbeheer.

*Wonen - Woongebouw

De bestemming staat woongebouwen en daarbij horende bijgebouwen toe. Ondergeschikt zijn voor de hoofdfunctie van belang zijnde voorzieningen, zoals parkeer-, groen- en speelvoorzieningen, mogelijk.
In verband met de mogelijke geluidsoverlast op het gebouw aan de kop van het Havendiep, is in dat gebouw een dove gevel toegepast. Deze is specifiek geregeld in dit bestemmingsplan. Hierdoor is de dove gevel bij eventuele nieuwbouw ook nog nodig.

De maatvoering van een woongebouw wordt daarnaast bepaald door de op de ruimtelijke verbeelding aangeduide maximale goot- en bouwhoogte. Een plat dak is mogelijk bij deze gebouwen, wanneer deze specifiek is aangeduid. Daar waar de eerste bouwlaag (begane grond) vrij moet blijven van bebouwing is de aanduiding 'onderdoorgang' opgenomen. Het vrijhouden van de eerste bouwlaag kan nodig zijn voor de bereikbaarheid van het achter de bebouwing liggende gebied.

*Woongebied

Alle functies die bij de functie wonen horen, worden in deze bestemming mogelijk gemaakt. Allereerst gaat het om eengezinswoningen, deze vormen de hoofdfunctie, met de daarbij horen aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. Een combinatie met een ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep is mogelijk. Daarnaast zijn onder andere bij het woongebied horende woonstraten, speelvoorzieningen, groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen mogelijk. Hierdoor is uitwisseling tussen functies mogelijk, wat de nodige flexibiliteit biedt.
Enkele functies zijn uitgesloten, een voorbeeld hiervan is het gebruik van gebouwen als dierenverblijf, groter dan 12 m2.

Ten aanzien van nog een stukje "nieuwbouwgebied" in de Schoener (West), geldt dat hier nog wat vrijstaande woningen en tweekappers kunnen komen. Het gebied was al aangewezen als woongebied in het bestemmingsplan Schoener-West uit 2009.

Binnen deze bestemming is tevens een regeling opgenomen voor het uitoefenen van toegelaten aan huis verbonden beroepen in woningen. Voor de beroepen geldt een aantal ruimtelijke criteria en criteria die een goede inpassing in de woonomgeving moeten waarborgen. In bijlage 1 bij de voorschriften is daartoe opgenomen een lijst "Randvoorwaarden aan huis verbonden beroepen".

Voor beroepen die niet worden genoemd, en voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, geldt dat deze worden getoetst aan het "Beleid voor het afwijken van bestemmingsplannen", gepubliceerd op 13 maart 2013 en in werking getreden 14 maart 2013.

Overeenkomstig het huidige beleid is eveneens een bed-and-breakfast regeling opgenomen

*Leiding - Riool

Als belangrijke dubbelbestemming is opgenomen Leiding-Riool.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk worden beschreven het (maatschappelijk) overleg en de economische uitvoerbaarheid.

*Het overleg

Overeenkomstig artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is overleg gepleegd met externe partners. Bij dit plan zijn het Waterschap Zuiderzeeland, de Provincie Flevoland en de Veiligheidsregio Flevoland aangeschreven.

Hieronder zijn de reacties opgenomen.

I. Waterschap Zuiderzeeland

Het Waterschap heeft meegedeeld dat, gezien de aard van het plan, de Waterparagraaf is voorzien van voldoende inhoud.

II. Provincie Flevoland

a. De provincie heeft aangegeven dat het plan niet in strijd is met het provinciaal belang.

b. De provincie heeft daarnaast aangaande de toelichting en regels een aantal inhoudelijke opmerkingen geplaatst, benevens een redactionele opmerking.

Op de belangrijkste opmerkingen wordt hieronder ingegaan.

b. Toelichting

1. Waarom is er belang bij om B&B's toe te staan in de wijk? Is dit wenselijk?

Standpunt:

Toeristisch economisch gezien is de toename van verblijfsaccommodatie binnen Lelystads grondgebied al lang een belangrijk speerpunt. Bed & Breakfasts kunnen hierin een rol spelen en zorgen ook voor meer diversiteit in het toeristisch aanbod en meer diversiteit in functies binnen de woonwijken en agrarisch gebied. De mogelijkheid tot het hebben van een Bed & Breakfast is momenteel niet opgenomen in de voorgangers van deze nieuwe bestemmingsplanregelgeving. Het B&B-beleid is gepubliceerd in september 2010.

2. De Ladder voor duurzame verstedelijking ontbreekt.

Standpunt:

De Ladder is opgenomen in de toelichting. De conclusie voor dit plan is dat de Ladder "niet van toepassing is". Alhier is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het gebied betreft actualisering/digitalisering van regelgeving voor bestaand gebied op een bestendigende wijze. Ook voor het gebied Schoener West bestaat regelgeving, dus ook hier is niets "nieuws".

3. Er wordt omschreven wat het provinciale beleid is, maar er wordt niet uitgelegd waarom/hoe dit bestemmingsplan voldoet aan het provinciaal belang. Dit wordt echter wel gedaan voor de andere overheidslagen.

Standpunt:

De conclusie, op te nemen in de toelichting, is, dat de voorliggende planherziening in overeenstemming is met provinciale doelen en streefpunten, en wordt niet in strijd geacht met de belangen die voor de Provincie gelden: zaken die provinciale belangen in het geding brengen zijn hier niet aan de orde. De herziening laat overigens bijzonder weinig veranderingen zien ten opzichte van de herziene plannen zodat deze bestendigend van aard mag worden genoemd.

Regels

1. Bedrijventerrein: overal ambulante handel toegestaan?

Standpunt:

De gemeente hecht er aan om buiten de vaste geregelde (dus structurele) standplaatsen ook ruimte te bieden voor variabele plekken in het openbaar gebied voor de verkoop van waren (zoals bij evenementen, goede doelen)

Het gaat hier om niet-vaste standplaatsen; deze standplaatsen worden dan ook niet specifiek aangewezen in het openbaar gebied. In de toelichting is een belangrijke overweging hiervoor aangegeven.

2. Groen: gebouwen in openbaar gebied ook 50 m2 – is dit niet groot?

Standpunt:

De oppervlakte van ten hoogste 50 m2 voor een nuts- of andere openbare voorziening is als afwijking van de bouwregels opgenomen, geldt niet als recht. De maat is overigens een “overname” van het voorgaande plan, tegen welke maat geen stedenbouwkundige bezwaren golden of gelden.

3. Moet men in alle woonfuncties B&B willen (ook in woongebouwen? En overal in de woonwijk)

Standpunt:

De in het bestemmingsplan opgenomen bepalingen zijn overeenkomstig de gepubliceerde beleidsregel Bed&Breakfast uit september 2010.

De bestaande Bed & Breakfast voorzieningen in Lelystad zijn door middel van ontheffingen geregeld. Binnen de beleidsregel is geen onderscheid gemaakt tussen woongebouwen en gewone woonbebouwing.

III. Veiligheidsregio Flevoland

Van de Veiligheidsregio is geen respons ontvangen. Aangenomen wordt dat de aard van het plan niet leidt tot veranderde opvattingen, in vergelijking met de voorgaande regelgeving.

*De Inspraak

Op 26 oktober 2017 is de inspraakprocedure gestart. Gedurende een periode van zes weken konden ingezetenen en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen schriftelijk of zonodig mondeling een reactie op het plan geven. Binnen de termijn zijn geen reacties ontvangen.

*Zienswijze

Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet op de ruimtelijke ordening heeft het ontwerpbestemmingsplan Havendiep 2016 met ingang van 15 februari 2018 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode zijn twee zienswijzen ontvangen: Liander BV te Amsterdam, en Haakmeester Advocatuur namens Bun te Almere / vestiging Neringpassage Lelystad. De Nota van zienswijzen die deel uitmaakt van het raadsbesluit hetwelk weer gevoegd is bij dit plan, gaat in op beide zienswijzen. De zienswijze van Liander leidde direcht tot wijziging in het plan, anderzijds is gemeentelijk een wijziging doorgevoerd door uitname van de bestemming Bedrijventerrein.

*Economische uitvoerbaarheid.

Grondexploitatie

Bij een bestemmingsplan moet aangetoond worden of het plan economisch uitvoerbaar is. Door middel van de grondexploitatieregeling in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten. Hierbij valt te denken aan kosten voor het bouw- en woonrijpmaken en kosten voor het bestemmingsplan. Daarnaast hebben gemeenten sturingsmogelijkheden, omdat in het geval van grondexploitatie door derden diverse eisen en regels gesteld kunnen worden.

Indien sprake is van bepaalde bouwplannen, dient de gemeente hiervoor in beginsel een exploitatieplan op te stellen. Van het opstellen van een exploitatieplan kan worden afgezien als voornoemde kosten “anderszins verzekerd” zijn, bijvoorbeeld door middel van het privaatrechterlijke spoor middels overeenkomsten en het stellen van eisen met betrekking tot kwaliteit en fasering niet noodzakelijk wordt geacht. Een combinatie van een exploitatieplan en overeenkomsten is ook mogelijk.

Van een exploitatieplan kan alleen sprake zijn in het geval het bestemmingsplan bouwplannen in het kader van het Bro mogelijk maakt. Dit bestemmingsplan maakt bij recht geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. De bouwmogelijkheden die al in het geldende bestemmingsplan zijn opgenomen zijn in dit bestemmingsplan overgenomen; daarvoor geldt dat geen exploitatieplan nodig is. Een kleine ontwikkeling in het plangebied is mogelijk; deze echter is niet nieuw maar wordt feitelijk vastgelegd in dit bestemmingsplan. Financieel is hierin voorzien - dit is aangegeven in het navolgende stukje inzake financiële haalbaarheid.

Bij dit bestemmingsplan wordt daarom geen exploitatieplan vastgesteld.

Financiële haalbaarheid

*Het nieuwbouw project Schoener-West ontwikkelt de gemeente Lelystad zelf. Zij doet dit via een actief grondbeleid en geeft zelf de grond uit. De gronden zijn al in eigendom bij de gemeente. Voor de ontwikkeling van de plannen heeft de gemeente financiële middelen beschikbaar die de benodigde kosten kunnen dekken. De overige kosten worden gedekt uit de verkoop van grond. Het project/plan is daarmee financieel haalbaar.

*Het opstellen van het bestemmingsplan en de daarbij horende onderzoeken zijn geïnitieerd en gefinancierd door de gemeente Lelystad. Voor de actualisering van bestemmingsplannen zijn financiële middelen beschikbaar gesteld, dit bestemmingsplan wordt daaruit bekostigd. Hiermee wordt het bestemmingsplan financieel haalbaar en economisch uitvoerbaar geacht.