direct naar inhoud van Toelichting
Plan: 't Parcje
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0957.BP00000260-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding planherziening

Voorliggend initiatief bestaat uit het voornemen om in Roermond een nieuw woongebied met maximaal 90 woningen, 't Parcje, te realiseren. De gemeente heeft middels een intentieovereenkomst aangegeven in principe mee te willen werken aan het initiatief. Het huidige bestemmingsplan kent een vijftal bestemmingen: Woondoeleinden (nader uit te werken), Maatschappelijke doeleinden, Bedrijfsdoeleinden, Groenvoorzieningen en Verkeersdoeleinden. . Binnen deze bestemmingen past voorliggende ontwikkeling niet. Het is daarom noodzakelijk om het bestemmingsplan te herzien, aangezien een nieuw bestemmingsplan de juridische en planologische basis biedt voor het verlenen van de omgevingsvergunning.

1.2 Ligging, begrenzing en juridische status van het plangebied

Voorliggend initiatief is gelegen in de hoek tussen de Heinsbergerweg aan de westzijde en de Sint Wirosingel aan de noordzijde. Aan de zuidkant wordt het plangebied begrensd door de beplanting ten zuiden van de voormalige bebouwing aan de Sint Odgerusstraat en de woningen aan de Ratommerweg. Het fietspad tussen de Ratommerweg en Sint Wirosingel vormt de oostelijke begrenzing. In onderstaande afbeelding is de ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0957.BP00000260-VG01_0001.png"

Luchtfoto met plangebied

Het plangebied is in het verleden reeds bebouwd geweest met een bedrijfscomplex en betreft derhalve een herstructureringslocatie.

De gronden waarop het bouwplan is geprojecteerd zijn gelegen in het bestemmingsplan ‘De Kemp - Kitskensberg/Heide’. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de raad van de gemeente Roermond op 15 maart 2007 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van de Provincie Limburg op 9 oktober 2007.

Het vigerende bestemmingsplan kent een vijftal bestemmingen: Woondoeleinden (nader uit te werken), Maatschappelijke doeleinden, Bedrijfsdoeleinden, Groenvoorzieningen en Verkeersdoeleinden.
Binnen deze bestemmingen past voorliggende ontwikkeling niet.

1.3 Bij het plan behorende stukken

Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen:

  • een verbeelding, waarop onder meer de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven;
  • regels, waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen;
  • en voorliggende toelichting, waarin de keuzes die in het bestemmingsplan zijn gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord worden. Hierin staat ook beschreven wat het vigerend beleid inhoudt en hoe bij de ontwikkeling met (milieu)-planologische aspecten rekening is gehouden.

De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

1.4 Leeswijzer

Na deze inleiding volgt een hoofdstuk waarin de huidige ruimtelijke en functionele situatie van het plangebied wordt beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het initiatief getoetst aan relevant nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de milieuhygiënische en planologische aspecten met betrekking tot de ontwikkeling. In hoofdstuk 5 wordt een planbeschrijving gegeven en is aangegeven hoe het plan vertaald is naar voorliggend bestemmingsplan. Hoofdstuk 6 bevat een uiteenzetting van de inhoud van de bestemmingsregeling. Tenslotte wordt in hoofdstuk 7 de economische en maatschappelijke haalbaarheid besproken.

Hoofdstuk 2 Gebiedsbeschrijving

2.1 Ruimtelijke en functionele structuur

De voormalige schoollocatie ligt ten zuiden van de Sint Wirosingel. Langs deze weg is een langgerekt stadspark met wandelpaden en speelvoorzieningen gerealiseerd. De oostelijke rand van het plangebied wordt begrensd door de Heinsbergerweg, die het dorp Sint Odiliënberg met het stadscentrum van Roermond verbindt. Ten zuiden wordt het plangebied omzoomd door een robuuste groenstrook met daarachter ruim opgezette kavels.

afbeelding "i_NL.IMRO.0957.BP00000260-VG01_0002.jpg"
De ruimtelijke opbouw van het plangebied wordt gedomineerd door de centrale as met volwassen eiken. Door de openheid van het gebied is deze groenstructuur duidelijk zichtbaar vanaf de randen. Daarnaast vormt het reliëf met haar zachte glooiingen een typerend kenmerk voor het gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0957.BP00000260-VG01_0003.jpg" afbeelding "i_NL.IMRO.0957.BP00000260-VG01_0004.jpg"
Foto's huidige situatie Locatie Sint Odgerusstraat

Het plangebied is inmiddels braakliggend met daarin alleen nog de te behouden bomen en boomgroepen.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk is het vigerend beleid dat van belang is voor het bestemmingsplan kort samengevat. Aangezien voorliggend bestemmingsplan met name gericht is op het beheer van de bestaande situatie en slechts zeer beperkt ontwikkelingen mogelijk maakt, is het nationaal beleid niet relevant. Uit het provinciaal beleid, zoals opgenomen in het POL blijkt dat de provinciale bemoeienis met bestaand stedelijk gebied beperkt is. Het gemeentelijk beleid is in deze gebieden richtinggevend.

In paragraaf 3.2 wordt kort aandacht besteed aan de relatie tussen provinciaal beleid en voorliggend bestemmingsplan. In paragraaf 3.4 wordt aandacht besteed aan het relevante gemeentelijke beleid.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die halverwege 2011 als ontwerp naar buiten is gebracht, vormt de nieuwe, overkoepelende rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. In de SVIR is de inhoud van een groot aantal beleidsstukken, waaronder de Nota Ruimte en diverse planologische kernbeslissingen, opgenomen. Deze structuurvisies en pkb's worden vervangen door de SVIR. Specifieke structuurvisies met een hoger detailniveau, zoals het Structuurschema Elektriciteitsvoorziening III en het Nationaal Waterplan, blijven naast het SVIR bestaan.


Het rijksbeleid richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen, zoals de hoofdnetwerken voor personen- en goederenvervoer, energie, natuur, waterveiligheid, milieukwaliteit en bescherming van het werelderfgoed. Het beleid met betrekking tot verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk, onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet', over aan provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen daarbij de ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Alleen in de stedelijke regio's rond de mainports Amsterdam en Rotterdam maakt het Rijk afspraken met decentrale overheden over de programmering van verstedelijking. Overige sturing op verstedelijking, zoals afspraken over binnenstedelijk bouwen, rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering, laat het Rijk los. Er is enkel nog sprake van een 'ladder' voor duurzame verstedelijking (gebaseerd op de 'SER-ladder'), die zal worden vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. In het mobiliteitsbeleid komt de gebruiker centraal te staan en wordt de samenhang tussen de verschillende modaliteiten en tussen ruimtelijke ontwikkeling en mobiliteit versterkt.


Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, door middel van een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Om dit doel te bereiken, werkt het Rijk samen met andere overheden. In de SVIR zijn ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028 geformuleerd. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd:

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur;
  • het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.


In totaal zijn 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd, die bijdragen aan het realiseren van de drie hoofddoelen. Het betreft onder meer het borgen van ruimte voor de hoofdnetwerken (weg, spoor, vaarwegen, energievoorziening, buisleidingen), het verbeteren van de milieukwaliteit, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke ontwikkeling, ruimte voor behoud van unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten, ruimte voor een nationaal netwerk voor natuur en ruimte voor militaire terreinen en activiteiten.

3.1.2 Conclusie Rijksbeleid

Voorliggend initiatief betreft een herontwikkeling van een binnenstedelijk gebied. Gelet op vorenstaande uiteenzetting met betrekking tot het rijksbeleid is voorliggende ontwikkeling niet strijdig met dit beleid.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014

Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) en de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Het POL2014 heeft de status van provinciale structuurvisie, regionaal waterplan, verkeers- en vervoersplan en milieubeleidsplan en geeft een visie op de ontwikkeling van de Limburgse omgeving en de regio's Noord-, Midden- en Zuid-Limburg in de komende 10 tot 15 jaar. In het POL zijn ambities, opgaven en een aanpak voor belangrijke thema's geformuleerd. De ambitie van het POL2014 is het realiseren van een voortreffelijk, grensoverschrijdend leef- en vestigingsklimaat, dat eraan bijdraagt dat burgers en bedrijven kiezen voor Limburg. Het POL is een omgevingsplan, dat focust op de fysieke aspecten van het leef- en vestigingsklimaat. Belangrijke uitdagingen zijn:

  • het faciliteren van innovatie;
  • het aantrekkelijk houden van de regio's voor jongeren en arbeidskrachten;
  • de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen;
  • de kwaliteit van de leefomgeving in steden en dorpen;
  • het inspelen op klimaatverandering.


Kwaliteit staat centraal in het POL2014. Het uitgangspunt is om de grote diversiteit in de aard en kenmerken van de omgeving te koesteren, onder het motto 'meer stad, meer land': een nadrukkelijke keuze voor hoogwaardige steden in een waardevol landschap. Het beleid is gericht op het bieden van ruimte voor de verweving van functies, op het bieden van inspiratie door kwaliteitsbewustzijn en op het gebruikmaken van de grensoverschrijdende context van de provincie. Kwaliteit betekent dat zorgvuldig moet worden omgegaan met de voorraden: de ruimte (steden en dorpen, natuur, landschap), de voorzieningen (gebouwde omgeving, infrastructuur, vervoerssystemen), de natuurlijke hulpbronnen, de milieuruimte en de ondergrond. In het POL2014 is een aantal principes geformuleerd, die uitgangspunt zijn voor de keuzes die worden gemaakt:

  • Grotere stedelijke ontwikkelingen en grootschalige stedelijke voorzieningen worden geconcentreerd in de steden. Dit leidt er niet toe dat er in de dorpen helemaal geen ontwikkelingen plaats kunnen vinden, maar ontwikkelingen met stedelijke allure horen niet in de dorpen thuis.
  • Nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten een plek krijgen binnen het bebouwd gebied. Als dat niet kan, dient de ontwikkeling zoveel mogelijk aansluitend aan stedelijk gebied plaats te vinden en moet een tegenprestatie worden geleverd voor het verlies aan omgevingskwaliteit.
  • Bedrijfsmatige ontwikkelingen van stedelijke proporties horen niet thuis in het landelijk gebied, maar krijgen een plek op bedrijventerreinen.
  • Er wordt gebruikgemaakt van bestaande voorzieningen (bestaande voorraad, optimale benutting van wegen, meervoudig ruimtegebruik en dergelijke).
  • Nieuwe stedelijke functies die veel woon-werkverkeer of bezoekersstromen oproepen dienen goed te zijn aangesloten op het OV-systeem.
  • Bij nieuwe ontwikkelingen worden cultuurhistorische en beeldbepalende panden zoveel mogelijk benut.
  • Er gelden principes voor zorgvuldig gebruik van de ondergrond.
  • Er wordt ingezet op energiebesparing en op een zo groot mogelijk aandeel vernieuwbare energiebronnen.

Op het gebied van woningbouw, bedrijventerreinen, kantoren en winkels liggen grote kwalitatieve opgaven. De uitdaging is om een omslag te maken van kwantiteit naar kwaliteit en meer schaarste te creëren. De sleutel daarvoor ligt in dynamisch voorraadbeheer. Per regio worden visies gemaakt waarin gezamenlijke ambities, principes en werkwijzen worden uitgewerkt. Voor sommige thema's gaat het ook om gezamenlijke programmering. Als basis hiervoor bevat het POL uitgewerkte regiovisies voor Noord-, Midden- en Zuid-Limburg. De regionale visies richten zich onder andere op het verbeteren van de kwaliteit van de bestaande voorraad, de aanpak van overmatige leegstand en het schrappen van plannen die niet goed passen bij de beoogde kwaliteit. Er is onder voorwaarden ruimte voor het toevoegen van goede nieuwe voorraad, maar dan wel in combinatie met het schrappen van bestaande voorraad. Dit moet in de visies nader vorm en inhoud krijgen.

Om recht te doen aan de grote variatie in omgevingskwaliteiten, zijn in het POL2014 op de kaart Zonering Limburg zeven globaal afgebakende gebiedstypen onderscheiden: drie gebiedstypen in het bebouwd gebied en vier gebiedstypen in het landelijk gebied. Het onderhavig plangebied is aangemerkt als 'buitengebied' binnen het landelijk gebied.

In het POL 2014 is aangegeven dat de aanduiding van het buitengebied in deze zoneringskaart indicatief is, dat het gaat om de weergave van de feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling en dat deze kaart zeker geen visiekaart is. De precieze begrenzing van het (bestaand) bebouwd gebied gebeurt op gemeentelijk niveau. In het POL 2014 is over bestaand bebouwd gebied aangegeven dat indien bestemmingsplannen op grond van het oude POL-beleid zijn aangepast en ruimte bieden voor ontwikkelingen buiten het bestaand bebouwd gebied, deze kunnen plaatsvinden. Ook het POL 2014 biedt ruimte voor ontwikkelingen, voor zover die passen binnen de regionale afspraken over woningbouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.0957.BP00000260-VG01_0005.png"

Uitsnede kaart Zonering Limburg (POL2014)

Het onderhavig plangebied betreft een herontwikkelingslocatie wat eerder bebouwd was en in POL 2006 ook als Stedelijke bebouwing was aangegeven, binnen de eerder gehanteerde rode contour en is opgenomen binnen de regionaal afgestemde plancapaciteit. Tevens is voor deze locatie al ver voor POL 2006 woningbouw voorzien in het Bestemmingsplan Kemp Kitskensberg/Heide. Verder is, zoals aangegeven, de Zoneringskaart indicatief en is de bepaling van de grens bebouwd gebied c.q. buitengebied volgens Pol 2014 door de gemeente te bepalen. Het plangebied wordt derhalve door de gemeente beschouwd als 'bestaand stedelijk gebied'.

Visie Midden Limburg

De in POL 2014 omschreven centrale ambitie voor Midden-Limburg is het behouden en versterken van een voortreffelijk vestigingsklimaat voor bewoners en bedrijven en sluit aan bij die voor Limburg als geheel. Het woon- en leefklimaat in Midden-Limburg is van hoog niveau, mensen voelen zich er prettig. De woningmarkt biedt voldoende woningen, van de juiste kwaliteit op de juiste plek. De steden en dorpen hebben zich verder ontwikkeld tot vitale gemeenschappen met een sterke sociale structuur en voldoende beschikbare voorzieningen (sociaal, cultureel, onderwijs), waarbij stad en platteland hand in hand gaan.

Het behouden en versterken van een voortreffelijk vestigingsklimaat voor bewoners en bedrijven vormt een belangrijke uitdaging in Midden-Limburg. De focus in POL2014 is gericht op de fysiek-ruimtelijke opgaven en keuzen. Uiteraard moeten we hierbij het menselijk kapitaal als belangrijk onderdeel van het vestigingsklimaat niet vergeten. Voor Midden-Limburg (en dit geldt voor geheel Limburg) is er zowel een kwalitatieve als kwantitatieve opgave.

Midden-Limburg kenmerkt zich door een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Er is er sprake van een gedifferentieerd woongebied waarin de komende 10-15 jaar een demografische transitie zal plaats vinden. De woningmarkt heeft als opgave mee te bewegen in deze transitie. De regio heeft inmiddels een regionale structuurvisie wonen, zorg en woonomgeving opgesteld, waarin gezamenlijk invulling wordt gegeven aan het dynamisch voorraadbeheer. Dat omvat het werken aan de kwaliteit van de bestaande voorraad door kwaliteitsverbetering, herstructurering (transformatieopgave zorgvastgoed en huursector) en waar nodig sloop en nieuwkomers (waaronder arbeidsmigranten). Maar ook het terugdringen van nog niet gerealiseerde plannen die niet bijdragen aan de beoogde vernieuwing.

3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014

In de Omgevingsverordening Limburg 2014 zijn regels opgenomen die een juridische doorvertaling zijn van het omgevingsbeleid zoals opgenomen in het POL2014. De Omgevingsverordening is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening en is uitgebreid met een nieuw hoofdstuk Ruimte. Het hoofdstuk Ruimte bevat regels die zijn gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van het POL2014 in gemeentelijke bestemmingsplannen.

Het plangebied ligt volgens de kaart 'Duurzame verstedelijking en wonen' in het 'landelijk gebied'. De Omgevingsverordening stelt dat de Ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing is. Een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient rekening te houden met het bepaalde in artikel 3.1.6 , tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening. Toetsing aan dit artikel vindt plaats in paragraaf 3.5.

De gronden die deel uitmaken van het 'landelijk gebied' zijn tevens aangeduid als 'Regionale wateroverlast - normering 1:25'. Dit betreft de norm waaraan de bergings- en afvoercapaciteit van de verschillende regionale wateren moeten voldoen. Het beschermingsniveau is gebaseerd op de landelijke referentienormen en een analyse van kosten en baten van maatregelen, rekening houdend met gebiedsfuncties zoals aangegeven in het POL2014 (Natuurnetwerk, buitengebied, glastuinbouwgebieden, bebouwde kernen). In het algemeen wordt reeds voldaan aan de gestelde normen. De datum vanaf wanneer het waterschap overal moet voldoen, zal door Gedeputeerde Staten nader worden bepaald, rekening houdend met de tijd die redelijkerwijs nodig is om de gesignaleerde knelpunten op te lossen. De aanduiding heeft geen invloed op de voorgestane planontwikkeling.

3.2.3 Limburgs Kwaliteitsmenu

Voor (ruimtelijke) ontwikkelingen buiten de zogenaamde 'rode contouren' is het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) van kracht. Onderhavig planvoornemen is gelegen binnen de 'rode contour' (binnen de grens stedelijke dynamiek) en derhalve is het LKM voor onderhavig planvoornemen niet van toepassing.

3.2.4 Provinciale woonvisie

De provinciale woonvisie vormt een nadere uitwerking van het beleid in het POL en een operationeel kader. In afstemming met de belangrijkste regionale actoren worden op basis hiervan overeenkomsten gesloten in de vorm van afsprakenkaders, inclusief regionale programma's gericht op de woningvoorraadontwikkeling voor een periode van 4 (-10) jaar.

Gedeputeerde Staten van Limburg hebben de provinciale woonvisie 2010-2015 op 1 februari 2011 vastgesteld. Doel van de provinciale woonvisie is om samen met alle partners in de regio's te bereiken dat de juiste woningen op de juiste plaats en op het juiste moment beschikbaar komen. De woonvisie behandelt de woonbehoeften van verschillende doelgroepen en specifieke aandachtspunten voor de verschillende regio's.

De provincie is ervan overtuigd dat een omslag van een aanbodgerichte naar een vraaggerichte woningmarkt noodzakelijk is en bijdraagt aan 'goed leven in Limburg'. Het gaat er om een goed functionerende woningmarkt (en uiteindelijk leefomgeving) te scheppen en in stand te houden, waarin alle betrokkenen in hun behoeften kunnen voorzien, en waarin dat ook in de toekomst voor de toekomstig betrokkenen mogelijk zal zijn.

Om de doelstelling op de langere termijn te realiseren wordt op de kortere termijn gestreefd naar een kwalitatief goede en passende woningvoorraad met voldoende betaalbare woningen die voor de betreffende doelgroepen in voldoende mate beschikbaar zijn. De provincie constateert dat de bestaande woningvoorraad mede gezien de demografische ontwikkelingen voor een deel niet meer voldoet aan de huidige en toekomstige woningbehoefte. De provincie ziet hier voor Limburg zowel een kwantitatieve als een kwalitatieve opgave.

Kwalitatieve opgave

De regio Midden-Limburg Oost, waaronder Roermond, wil inzetten op versterking van de centrumgemeente Roermond en de leefbaarheid van de kernen op het platteland. Er wordt maximaal ingezet op een tijdige aanpassing van de samenstelling van de woningvoorraad waarbij rekening wordt gehouden met de veranderende bevolkingssamenstelling in de regio.

Anticiperend op de afnemende bevolkingsomvang en wijzigende samenstelling van huishoudens, is het van belang te zorgen voor een tijdige aanpassing van de samenstelling van de woningvoorraad. De kwaliteit van de woningvoorraad wordt steeds belangrijker. Herstructureringsmaatregelen (zoals sloop, verkoop en renovatie) zijn nodig om kwalitatieve mismatch tussen bestaande voorraad en behoefte te herstellen. De behoefte aan 'wonen met zorg' neemt toe. Zelfstandig wonen met zorg op afroep heeft de voorkeur. Levensloopbestendig bouwen vergroot de mogelijkheden om zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen blijven wonen.

Kwantitatieve opgave

De regio heeft ten aanzien van de kwantitatieve opgave afwijkend van de prognoses en de daarbij behorende kwaliteitsslag een onderbouwde ambitie ten aanzien van wonen. De provincie wil op basis van de provinciale woonvisie en de bestuurlijk vastgestelde regionale woonvisies per regio jaarlijks prestatieafspraken maken. Deze prestatieafspraken zullen jaarlijks worden geëvalueerd en zonodig bijgesteld op grond van jaarlijkse prognoses van de bevolkingsontwikkeling en jaarlijkse monitoring van de diverse aspecten van de woningvoorraad.

Binnen het plangebied is een diversiteit aan woningbouwtypen mogelijk waarmee ingespeeld kan worden op de aanwezige vraag.

 

3.2.5 Conclusie provinciaal beleid

Gelet op vorenstaande uiteenzetting met betrekking tot het provinciale beleid is voorliggende ontwikkeling niet strijdig met dit beleid.

Wel zal dit bestemmingsplan conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening in vooroverleg worden gezonden.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg

In de Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg wordt de gewenste ruimtelijke ontwikkelingsrichting ten aanzien van het beleidsveld 'Wonen' voor de korte termijn (2014 tot en met 2017) en met een doorkijk naar de lange termijn (2018 tot en met 2023) vastgelegd. De Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving betreft de Midden-Limburgse uitwerking van POL2014 voor wonen. In de structuurvisie zijn afspraken gemaakt over de woningbehoefte. De in de Structuurvisie voor de gemeente Roermond bepaalde woningbehoefte op basis van de prognose uit 2013 komt ongeveer overeen met de totale planvoorraad per 1 januari 2014. Dit betreft zowel harde als zachte plannen, waarbij het plan 't Parcje is meegeteld. Voor Roermond betekent dit vooralsnog dat er nauwelijks bouwplannen hoeven te worden geschrapt, dit in tegenstelling tot de regio gemeenten. Een actualisatie van de planvoorraad van de gemeente Roermond per 1 januari 2015 leidt tot eenzelfde beeld dat er nauwelijks plannen hoeven te worden geschrapt ook hier zijn harde en zachte plannen meegenomen en inclusief 't Parcje.

Onderdeel van de structuurvisie zijn de kwaliteitsenveloppen per gemeente. De kwaliteitsenvelop Roermond zijn onderverdeeld in twee structuurenveloppen. Het onderhavig plangebied is ondergebracht in de structuurenvelop 'gemeente Roermond, wijken' en behoort tot de woonzone 'Woon-werkvallei'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0957.BP00000260-VG01_0006.png"

Structuurenvelop Gemeente Roermond, wijk 'Zuid'

Uit de structuurenvelop blijkt dat huur- en koopwoningen die geschikt zijn voor senioren en koopwoningen in de typologieën gestapeld, twee-onder-één-kap en vrijstaande woningen tot de kansrijke segmenten behoren. Het huidige verkavelingsplan voorziet in tweekappers en vrijstaande woningen waardoor kan worden geconcludeerd dat het plan in lijn is met de nieuwbouwopgave uit de recente structuurvisie.

Met betrekking tot de kwalitatieve woningbehoefte kan tevens worden gerefereerd aan het in de Structuurvisie wonen, Zorg en Woonomgeving opgenomen marktbeeld. Hieruit komt naar voren dat in de categorieën vrijstaand, tweekapper en seniorenwoningen in de koop voor ca. 1.800 woningen behoefte bestaat. De capaciteit per 1 januari 2015 bedraagt ca. 1.600 inclusief 't Parcje.

afbeelding "i_NL.IMRO.0957.BP00000260-VG01_0007.png"

Dynamiek en fricties op de woningmarkt 2013-2023 (Bron: Kaartenboek Structuurvisie wonen, zorg en woonomgeving, pag. 27)

3.3.2 Conclusie regionaal beleid

Gelet op vorenstaande uiteenzetting met betrekking tot het regionale beleid is voorliggende ontwikkeling niet strijdig met dit beleid.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Strategische visie

De Strategische Visie Roermond 2020 beschrijft het gewenste toekomstbeeld van de gemeente Roermond en is vastgesteld op 30 oktober 2008. De visie omvat doelstellingen, standpunten, sterke punten en onderscheidende kenmerken en geeft op hoofdlijnen aan waar de gemeente Roermond in 2020 wil staan. In 2020 dient Roermond een stad te zijn voor alle leeftijden, voor alle bevolkingsgroepen, waar het goed wonen, werken, vertoeven en recreëren is.

De strategische visie is uitgewerkt in een zestal aandachtsgebieden, waarin de komende jaren geïnvesteerd dient te worden:

  • Roermond: Levende stad. Voor alle leeftijdscategorieën dient de stad de juiste voorzieningen te bieden zodat een bijzonder karakter en een grote aantrekkingskracht behouden blijft.
  • Roermond: Regio stad. De functie van Roermond als centrumstad voor de regio dient in de toekomst verder te worden versterkt. Hiervoor wordt onder meer geïnvesteerd in (EU)regionale bedrijventerreinen. Het huidige voorzieningenniveau van de gemeente dient zoveel mogelijk in stand te worden gehouden en waar mogelijk te worden uitgebreid.
  • Roermond: Sociale stad. Er dient geïnvesteerd te worden in veiligheid en sociale problematiek.
  • Roermond: Economisch sterke stad. In dit kader dient onder meer geïnvesteerd te worden in hoogwaardige (ouderen) zorg, verbetering van vestigingsklimaat voor bedrijven door een kwalitatieve woon-, cultuur-, en leefomgeving te creëren en bereikbaarheid.
  • Roermond: Prachtige stad. Kansen ten aanzien van toerisme en recreatie dienen optimaal te worden benut. Hiertoe dient geïnvesteerd te worden in de kwaliteit van de woon-, cultuur-, en leefomgeving.
  • Roermond: De gemeente. Betrokkenheid van de burgers bij besluitvorming en de kwaliteit van besluitvorming dient gewaarborgd te blijven.

Onderhavig planvoornemen voorziet in voorzieningen voor wonen. Deze herstructurering past in de strategische visie doordat toevoeging van de woningen zorgt voor een sterke en levende stad. Het voornemen past dan ook binnen de kaders van deze visie van de gemeente Roermond.

3.4.2 Parkeernota Roermond

De Nota Parkeernormen 2013 is op 13 augustus 2013 door het college van burgemeester en wethouders van Roermond vastgesteld. Doel van deze nota is om voldoende parkeerplaatsen op de juiste locaties in de stad te realiseren. Het parkeerbeleid van de gemeente Roermond vormt zowel een volgend als een sturend beleid.

Met een sturend beleid wil de gemeente het selectief gebruik van de auto bevorderen. Dit wordt toegepast op de functies werken, winkelen en recreëren. Bij de functie wonen wordt een volgend beleid toegepast dat inspeelt op de vraag naar parkeerplaatsen. Een sturend beleid weerhoudt burgers in die situatie er niet van om een tweede auto te kopen waardoor parkeerproblemen ontstaan. Bij het opstellen van bestemmingsplannen en de bouwverordening worden parkeernormen gehanteerd als norm voor het minimum aantal te realiseren parkeerplaatsen voor een gebouw of functie binnen een plangebied. Daarbij gaat het om nieuw te realiseren bestemmingen; bij bestaand gebruik blijft de parkeernorm gehandhaafd die bij het vaststellen van het oorspronkelijke bestemmingsplan is vastgesteld.

Het aantal parkeerplaatsen is afhankelijk van de functie en omvang van het gebouw of de functies binnen het plangebied. De normen uit de parkeernota zijn gebaseerd op de parkeerkencijfers van het CROW en het ASVV 2012. Binnen Roermond geldt een omgevingsadressendichtheid van 1.200 adressen/km2. Daarmee wordt Roermond als matig stedelijk aangemerkt. In Roermond worden drie zones onderscheiden:

  • centrum;
  • schil/overloopgebied;
  • rest van de bebouwde kom;
  • buiten bebouwde kom.

Voor het plangebied gelden de normen uit de categorie 'rest van de bebouwde kom'. De parkeernormen uit de parkeernota zijn verankerd in de regels van dit bestemmingsplan. In paragraaf 4.7 wordt onder andere nader ingegaan op het aspect parkeren.

3.4.3 Bestemmingsplan

De gronden waarop het bouwplan is geprojecteerd zijn gelegen in het bestemmingsplan ‘De Kemp - Kitskensberg/Heide’. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de raad van de gemeente Roermond op 15 maart 2007 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van de Provincie Limburg op 9 oktober 2007.

Het vigerende bestemmingsplan kent binnen het plangebied een vijftal bestemmingen:

  • Woondoeleinden (nader uit te werken);
  • Maatschappelijke doeleinden;
  • Bedrijfsdoeleinden;
  • Groenvoorzieningen;
  • Verkeersdoeleinden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0957.BP00000260-VG01_0008.png"

Uitsnede bestemmingsplankaart

Het ontwikkelingsplan voor het woongebied past niet binnen de vigerende bestemmingen omdat binnen bovenstaande bestemmingen geen geheel woongebied kan worden gerealiseerd. Ook het deel dat ligt binnen de bestemming Woondoeleinden (nader uit te werken) past niet binnen de gestelde uitwerkingsregels.

Om een passende juridische regeling te krijgen, dient een geheel nieuw bestemmingsplan te worden opgesteld.

3.5 Ladder voor duurzame verstedelijking

3.5.1 Algemeen

In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening is de zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking' opgenomen. In dat artikel is bepaald dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient te voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • 1. Het plan dient te voorzien in een actuele regionale behoefte.
  • 2. Indien er sprake is van een actuele behoefte, dient te worden beschreven in hoeverre in die behoefte kan worden voorzien binnen het bestaand stedelijk gebied van de regio, door herstructurering, transformatie of anderszins.
  • 3. Indien blijkt dat de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan plaatsvinden, dient te worden beschreven in hoeverre deze plaatsvindt op een passende locatie buiten het stedelijk gebied.

De 'ladder voor duurzame verstedelijking' ligt mede ten grondslag aan het provinciaal beleid en is opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg 2014. In de voorgaande paragrafen is uitgebreid beschreven hoe het initiatief zich verhoudt tot het provinciale, regionale en gemeentelijke beleid. Hierna wordt het initiatief puntsgewijs getoetst aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

3.5.2 Toetsing initiatief

Op grond van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' is voor onderhavig initiatief de volgende afweging gemaakt.

  • 1. Er bestaat in de regio zowel kwantitatief als kwalitatief behoefte aan de woningen waarin onderhavige ontwikkeling voorziet. In de Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Middel-Limburg zijn afspraken gemaakt over de gemaakt over de woningbehoefte en de planvoorraad. Daaruit komt naar voren dat:
  • de voor de gemeente Roermond bepaalde woningbehoefte op basis van de prognose uit 2013 ongeveer overeen komt met de totale planvoorraad per 1 januari 2014. Dit betreft zowel harde als zachte plannen, waarbij het plan 't Parcje is meegeteld. Een actualisatie van de planvoorraad van de gemeente Roermond per 1 januari 2015 leidt tot eenzelfde beeld. Ook hier zijn harde en zachte plannen meegenomen en inclusief 't Parcje.
  • uit de Structuurenvelop gemeente Roermond blijkt dat huur- en koopwoningen die geschikt zijn voor senioren en koopwoningen in de typologieën gestapeld, twee-onder-één-kap en vrijstaande woningen tot de kansrijke segmenten behoren. Het huidige verkavelingsplan voorziet in tweekappers en vrijstaande woningen waardoor kan worden geconcludeerd dat het plan in lijn is met de nieuwbouwopgave uit de recente structuurvisie
  • in het in de Structuurvisie wonen, Zorg en Woonomgeving opgenomen marktbeeld komt naar voren dat in de categorieën vrijstaand, tweekapper en seniorenwoningen in de koop voor ca. 1.800 woningen behoefte bestaat. De capaciteit per 1 januari 2015 bedraagt ca. 1.600 inclusief 't Parcje.


De toevoeging van het aantal woningen van onderhavig plan is al in de planvoorraad opgenomen en per saldo overschrijden zij de kaders van de structuurvisie niet. In het plangebied worden tweekappers en vrijstaande woningen gerealiseerd die blijkens de structuurvisie tot de kansrijke segmenten behoren. Om zo flexibel mogelijk te blijven in de toekomst zijn in voorliggend bestemmingsplan ook aaneengebouwde woningen mogelijk gemaakt. Deze woningen worden pas in ontwikkeling genomen als er voldoende en concreet draagvlak blijkt te zijn voor dit woningtype.

  • 2. De voorgestane ontwikkeling betreft een herontwikkeling van gronden die reeds bebouwd zijn geweest en gelegen zijn binnen de 'rode contour' uit het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 en wordt hierdoor aangemerkt als 'bestaand stedelijk gebied' (zie ook paragraaf Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014). De voorgestane ontwikkeling past hiermee in de tweede trede van de 'Ladder voor duurzame verstedelijking'.
  • 3. Aangezien de voorgestane ontwikkeling wordt gerealiseerd binnen het bestaand stedelijk gebied, is toetsing aan de derde trede niet aan de orde.

3.6 Conclusie

Op basis van bovenstaande overwegingen kan worden geconcludeerd dat sprake is van een zorgvuldige afweging, die past binnen het nationale, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskader en die voldoet aan het afwegingskader van de in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

Hoofdstuk 4 Omschrijving deelaspecten

4.1 Milieu

4.1.1 Bodem
4.1.1.1 Verkennend en nulsituatie bodem- en asbestonderzoek

Voor elke functiewijziging, al dan niet naar een gevoelige functie, dient een onderzoek te worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. De bodem moet geschikt zijn voor het voorgenomen gebruik. In februari en maart 2014 plus in april 2015 heeft Royal Haskoning DHV een gecombineerd verkennend en nulsituatie bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. De rapportage, d.d. 12 mart 2015, is als bijlage opgenomen, hierna zijn de conclusies vermeld.

De aanleiding voor het verkennend bodem- en asbestonderzoek betrof de voorgenomen bestemmingsplanwijzigingsprocedure. De aanleiding voor het uitvoeren van het nulsituatie bodemonderzoek betrof de wens van opdrachtgever om voorafgaande aan:

  • de sloop van het OML-gebouw op perceel E 6377,
  • het verwijderen van de aanwezige verhardingen rondom het te slopen gebouw en
  • het tijdelijk in depot zetten van slooppuin (afkomstig van het gesloopte gebouw/verhardingen)

inzicht te hebben in de aan- of afwezigheid van asbest(verdachte materialen) op het buitenterrein. Tevens werd inzicht in de bodemkwaliteit van de toplaag als nulsituatie gewenst, speciale aandacht daarbij voor de plek waar het slooppuindepot is gepland (binnen een gebied van circa 2.000 m2).

Doel van zowel het verkennend als het nulsituatie bodem- en asbestonderzoek is de bodemkwaliteit ter plaatse vast te stellen. Afhankelijk van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek kan worden vastgesteld of de bodemkwaliteit voldoet aan de bodemkwaliteitseisen voor de nieuwe functie Wonen.

Daarnaast is op een tweetal plekken binnen de onderzoekslocatie de K-waarde van de ondergrondse bodemlagen bepaald om na te gaan wat de mogelijkheden voor bodeminfiltratie ter plaatse zijn.

De onderzoeksopzet voor het asfaltonderzoek is op basis van de CROW 210 opgesteld. De onderzoeksopzet voor het verkennend en nulsituatie bodem- en asbestonderzoek is op basis van historische gegevens opgesteld en voldoet aan de onderzoeksstrategie en –hypothese onverdacht (ONV), zoals die is weergegeven/bedoeld in de NEN5740, de NEN5707 en/of NEN5897.

Op het maaiveld zijn visueel geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In het opgegraven/- geboorde materiaal uit de asbestinspectiegaten zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Wel zijn lokaal bijmengingen met puinresten aangetroffen.

Het onderzochte asfalt van de geasfalteerde weg op perceel 6660 en
de asfaltverharding in de uiterste noordoosthoek op perceel 6662 is niet teerhoudend en aldus herbruikbaar gebleken.


Perceel 6377: buitenterrein

Lokaal (067) is een verhoogd gehalte tot boven de interventiewaarde Wbb (PAK) aangetroffen. Betreffend onderzocht materiaal wordt niet als bodem aangemerkt in de zin van de Wet bodembescherming. Vanaf 1,0 m –mv is hier geen sprake meer van een verhoogd PAK-gehalte tot boven de interventiewaarde Wbb, daarnaast betreft het vanaf 1,0 m-mv wel bodem in de zin van de Wet bodembescherming. De aard en omvang van dit verhoogde PAK-gehalte is niet exact bekend maar lijkt op basis van de boorpunt/ gatverdeling gering.

Lokaal zijn verder licht verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarden in de bovengrond aangetroffen. Verder zijn in de bovengrond en ondergrond geen verhoogde gehalten aangetroffen.


Perceel 6660:

In de lokaal aanwezige slakkenverharding zijn verhoogde gehalten tot beneden de interventiewaarde (nikkel) aangetroffen. In de fundering (puingranulaat) onder de aanwezige asfaltverharding zijn lokaal verhoogde gehalten (som PCB’s en PAK) tot boven de interventiewaarde aangetroffen. Betreffende onderzochte materialen worden niet als bodem aangemerkt in de zin van de Wet bodembescherming. Verder zijn in de onderzochte bovengrond, overige fundering en ondergrond maximaal licht verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarden aangetroffen.


Perceel 6662:

In de lokaal aanwezige fundering onder de asfaltverharding, de bovengrond en ondergrond zijn licht verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarden aangetroffen.

De totaal gewogen asbestgehalten in de onderzochte grond(meng)monsters van perceel 6377, 6660 en 6662 liggen feitelijk ruim beneden de 100 mg/kg d.s.

De bepaalde gemiddelde k-waarde in boorpunt 034 is 26,41 m/dag en in boorpunt 063 is dat 11,07 m/dag.

De vooraf gestelde hypothese(n), zijnde een onverdachte locatie, wordt op grond van de onderzoeksresultaten niet geheel bevestigd. De onderzoeksresultaten geven echter geen aanleiding tot uitvoering van aanvullend dan wel nader bodemonderzoek.

Er bestaan geen noemenswaardige milieuhygiënische belemmeringen voor de voorgenomen bestemmingsplanwijzigingsprocedure, waarbij de locatie een woonbestemming krijgt. Wel wordt geadviseerd om het - tot boven de interventiewaarde Wbb - aangetroffen PAKgehalte in de bovengrond van gat 067 en vermoedelijk ook de directe omgeving te ontgraven dan wel de beoogde planvorming alhier aan te passen (bijvoorbeeld het aanleggen van een weg/parkeerplaats in plaats van een woonfunctie), indien noodzakelijk. Afhankelijk van de wens om voorafgaand aan ontgraving de aard en omvang van dit verhoogde PAK-gehalte nader te bepalen kan op basis van de bepaalde hoeveelheid te ontgraven materiaal plus een kosten-batenafweging worden afgewogen of hergebruik op de locatie middels bewerking van het materiaal dan wel afvoer van het materiaal naar een erkende verwerker zinvol is.

Ter plaatse van het buitenterrein van perceel 6377 is middels dit onderzoek tevens de nulsituatie vastgelegd.

Conclusie

Vanuit het oogpunt van bodemkwaliteit bestaan geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied.

4.1.1.2 Asbestinventarisatie

Door Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV is in mei 2013 een gecombineerd volledige type A & B inventarisatie waarbij systematisch en volledig de direct waarneembare en niet waarneembare asbestverdachte materialen middels licht destructief en destructief onderzoek zijn geïnventariseerd.

In het onderzochte gebied zijn direct zichtbare asbesthoudende en/of asbestverdachte materialen en/of installaties aangetroffen.

Geadviseerd wordt alle asbestverdachte en asbesthoudende materialen, dus ook de materialen die in risicoklasse 1 zijn ingedeeld, door een SC-530 gecertificeerd bedrijf te laten verwijderen.

Op basis van het uitgevoerde onderzoek zijn visueel secundaire besmettingen waargenomen. Middels kleefmonsters is aangetoond dat de besmetting zich beperkt tot ruimte een specifieke ruimte. Geadviseerd wordt deze ruimte af te sluiten en niet meer te betreden zonder PBM.

Conclusie

Vanuit het oogpunt van aanwezigheid van asbest dient het terrein alle aanwezige asbest verwijderd te worden voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied.

Uit navolgende paragraaf blijkt dat het asbest reeds succesvol verwijderd is.

4.1.1.3 Eindcontrole na asbestverwijdering

Door Fibrecount is in februari 2015 een eindcontrole na asbestverwijdering uitgevoerd. De inspectie heeft alleen plaatsgevonden op de bovenzijde van het maaiveld (zandbed). De inspectieverklaring is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen.

Conclusie

De conclusie is dat het plangebied voldoet aan de eisen gesteld conform NEN 2990 en zonder beschermingsmiddelen kan worden betreden.

4.1.2 Geluid

Wegverkeerslawaai

Conform de Wet geluidhinder (Wgh) dient een akoestisch onderzoek te worden verricht indien er sprake is van het projecteren van nieuwe geluidsgevoelige bebouwing binnen een geluidzone wegverkeerslawaai en/of spoorweglawaai. Uitzondering hierop vormen wegen in een 30 km-zone. Het akoestisch onderzoek is noodzakelijk omdat het plan gelegen is binnen de geluidzone van de Heinsbergweg en Sint Wirosingel.

Door K+ Adviesgroep bv is in maart 2013 een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de optredende gevelbelastingen vanwege verkeerslawaai. De rapportage, d.d. 19 maart 2013, is als bijlage opgenomen, hierna zijn de conclusies vermeld.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat plaatselijk de voorkeurgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder zal worden overschreden.

Het treffen van maatregelen om de gevelbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde stuit op bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige en financiële aard.

De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden.

Er dient een verzoek tot vaststelling van een hogere toelaatbare waarde te worden ingediend. Aan dit verzoek kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld. In het voorliggende plan hebben alle woningen een geluidluwe gevel.

Gezien de bepaalde optredende gevelbelastingen dient er rekening mee te worden gehouden dat plaatselijk zwaardere eisen worden gesteld aan de karakteristieke geluidwering van de gevel(s). In een aanvullend onderzoek voor de bouw van de woningen dienen de te treffen geluidwerende maatregelen te worden bepaald.

Industrielawaai

In het vigerend bestemmingsplan is een 'contour industrielawaai' opgenomen. De geplande bebouwing is gelegen buiten deze contour. Industrielawaai vormt voor voorliggende ontwikkeling geen belemmering.

Conclusie

Vanuit het oogpunt van wegverkeerslawaai en industrielawaai bestaan geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied.

4.1.3 Luchtkwaliteit

Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit') bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer:

  • een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit;
  • ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven;
  • een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de betreffende stoffen in de buitenlucht;
  • een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).

Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip 'niet in betekenende mate' is vastgelegd in het 'Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)'. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als 'niet in betekenende mate' worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor 'woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat'.

De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van maximaal 90 woningen. Hiermee wordt ruimschoots onder de aantallen gebleven zoals genoemd in de 'Regeling niet in betekende mate bijdragen'.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met het bepaalde in de Wet milieubeheer. Er bestaan voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen.

4.1.4 Milieuzonering / bedrijvigheid

Er dient een noodzakelijke ruimtelijke scheiding te worden aangebracht tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming en/of vergroting van de leefkwaliteit. De milieuhinder van bedrijven dient te worden geanalyseerd op hun invloed op mogelijke ontwikkelingen. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te worden gemaakt.

De toelaatbaarheid van bedrijvigheid kan globaal worden beoordeeld met behulp van de methodiek van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (uitgave 2009). In deze brochure is een bedrijvenlijst opgenomen die informatie geeft over de milieukenmerken van typen bedrijven.

Vervolgens wordt in de lijst op basis van een aantal factoren (waaronder geluid, gevaar en verkeer) een indicatie gegeven van de afstanden tussen bedrijfstypen en een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals rustig buitengebied), waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Deze afstand is gebaseerd op de grootste indicatieve afstand. De lijst is algemeen geaccepteerd als uitgangspunt bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

Naast het omgevingstype 'rustige woonwijk' wordt het omgevingstype 'gemengd gebied' onderscheiden. Een gemengd gebied is een gebied met een matig tot sterke functiemenging. Gebieden die direct langs de hoofdontsluiting liggen behoren eveneens tot het omgevingstype 'gemengd gebied'.

Tabel: richtafstanden milieucategorie tot omgevingstype (Bron: Bedrijven en milieuzonering, 2009)

Milieucategorie   Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied   Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6.1   1.500 m   1.000 m  

In de directe omgeving van de planlocatie zijn 3 voorzieningen/bedrijven aanwezig:

Functie   Milieu-
categorie  
Afstand tot rustige woonwijk   Werkelijke afstand  
Crematorium
Kitskensdal 60  
3.2   100   ca. 140 meter m  
Verpleegtehuis St. Camillus
Heinsbergerweg 176  
2   30   > 100 m  
Klooster paters Camillianen
Heinsbergerweg 174  
-   0   > 150 m  

Op basis van beoordeling volgens de stap 1 van de VNG-publicatie kunnen de volgende conclusies getrokken worden:

In de omgeving van het plangebied is een crematorium met milieucatgeorie 3.2 aanwezig. Voor het omgevingstype 'rustig woongebied' betekent dit dat de minimale afstand van de perceelsgrens van het crematorium tot de grens van een bouwvlak voor een hoofdgebouw binnen de planlocatie niet minder dan 100 meter mag bedragen. Het verpleegtehuis St. Camillus heeft milieucategorie 2, derhalve mag de afstand tot het dichtstbijzijnde bouwvlak niet minder bedragen dan 30 meter.
Het klooster is niet als bedrijf gecategoriseerd en vormt geen belemmering.

Het crematorium is op ca. 140 meter van de dichtsbijzijnde woningen gelegen en het verpleegtehuis St. Camilus is op grotere afstand dan 100 m van de woningen gelegen en wordt nog afgeschermd door de rijwoningen aan de Heinsbergerweg. Er zijn in de omgeving dus geen bedrijven die een belemmering vormen voor het plan.

4.2 Externe veiligheid

Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (o.a. van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden.

Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (o.a. l.p.g.-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, waterwegen) en leidingen (o.a. aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit).

Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen.

Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon die (onafgebroken aanwezig en onbeschermd) op een bepaalde plaats overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Het GR bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit.

Uit een inventarisatie van de nationale risicokaart blijkt dat het plangebied niet in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen en van leidingen ligt. Wel ligt het gebied in de nabijheid van een transportroute gevaarlijke stoffen (A73).

afbeelding "i_NL.IMRO.0957.BP00000260-VG01_0009.png"

Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (Bron: nationale risicokaart)

Deze transportroute gaat door de ten noorden van het plangebied gelegen tunnel. In de 'Handleiding Risicoanalyse Transport' (Rijkswaterstaat, november 2011, status concept) is het volgende opgenomen met betrekking tot transportroutes in tunnels. 

Bij langere gesloten tunnels geldt dat ter plaatse van de tunnel, de tunnel de omgeving bescherming biedt tegen de incidenten die in de tunnel kunnen optreden. Dit geldt met name bij plasbranden, fakkelbranden, wolkbranden, gaswolkexplosies en de scenario's met toxische stoffen. Bij de BLEVE is de mate van bescherming sterk afhankelijk van de constructiewijze en diepteligging van de tunnel. Maar de effecten van een aantal van voornoemde scenario's zullen zich in de tunnel naar de tunnelmonden verplaatsen en daar alsnog een extern risico kunnen opleveren.

Recent zijn de externe veiligheidsrisico's van transport van gevaarlijke stoffen door TNO onderzocht. Uit deze studie blijkt dat naast de tunnel alleen EV-effecten zijn te verwachten ten gevolge van een (warme) BLEVE tot op een afstand van circa 30 meter vanaf het ongevalspunt. De gaswolkexplosie, het vrijkomen van toxische vloeistoffen en gassen en BLEVE-scenario's in de tunnel hebben daarnaast ook nog gevolgen bij de tunnelmonden. Voor de BLEVE en gaswolkexplosies geldt dat het schadegebied in het verlengde van de tunnel ligt, in een smalle strook rondom de weg. Deze scenario's zullen in het algemeen niet bijdragen aan de externe veiligheidsrisico's aangezien er op en direct naast de weg geen bebouwing zal zijn. De toxische scenario's kunnen wel in een groter gebied rondom de tunnelmonden tot EV-risico's leiden. Dit wordt in de praktijk echter weer beperkt door het geringe aantal transporten van toxische gassen en vloeistoffen.

 

In de handleiding wordt de volgende werkwijze voorgesteld:

  • Effecten bij tunnelmonden kunnen worden verwaarloosd;
  • Bij tunnels met minimaal één meter gronddekking dient het aantal transporten op het gesloten deel van de tunnel op 0 te worden gezet;
  • Bij tunnels met geen of weinig gronddekking wordt in eerste instantie het risico bij de tunnel wel berekend waarbij in het gesloten deel van de tunnel alleen de transporten van brandbare en toxische gassen worden meegenomen. Indien het dan berekende groepsrisico hiertoe aanleiding geeft, kan in het kader van de verantwoording van het groepsrisico een nadere analyse worden gedaan, gebruikmakend van de aanbevelingen uit het TNO-onderzoek.

Rekening houdend met bovenstaande uit de handleiding kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied de gronddekking op de tunnel varieert van 50 cm tot 1 meter waarbij met een berekening de risico's in nader in beeld zouden kunnen worden gebracht. Echter gelet op het feit dat de dichtstbijzijnde woningen op enige afstand van de tunnel zijn gelegen en de dichtstbijzijnde tunnelmond op meer dan 500 meter ligt is zijn de effecten ten gevolge van een ongeval in de tunnel, en daarmee het externe veiligheidsrisico door de transportroute gevaarlijke stoffen, gering te noemen.

De bouw van de woningen zorgt voor een zeer beperkte toename van het groepsrisico in de omgeving van de A73. Bij een calamiteit met voertuigen die gevaarlijke stoffen over deze weg vervoeren kunnen deze stoffen zich over het plangebied verspreiden.
Door de toename van het groepsrisico (GR) moet het bevoegd gezag aangeven dat het vanuit "externe veiligheid" verantwoord is om medewerking te verlenen aan de ontwikkeling van dit bestemmingsplan. In bijlage 6 'Verantwoording groepsrisico bestemmingsplan ' 't Parcje' is aangegeven of medewerking verantwoord is en welke maatregelen hiervoor genomen moeten worden.


Conclusie

Als gevolg van de ontwikkeling van het bestemmingsplan ' 't Parcje' neemt het groepsrisico niet significant toe. In het afwegingsproces inzake de toename van het groepsrisico zijn de overwegingen gemaakt die in paragraaf 7 van de bijlage beschreven.

Ongeacht de inzet gemeente en hulpverleningsdiensten om de situatie zo veilig mogelijk te maken zal er altijd sprake zijn van een restrisico. Immers, de kans op een ongeval, hoe klein ook, blijft altijd aanwezig.

Verblijfsgebouwen dienen voorzien te worden van een luchtbehandelings installatie die voorzien moet worden van de mogelijkheid om deze installatie met één druk op de knop uit te schakelen. In de regels is hiervoor de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders opgenomen om, aanvullende voorwaarden (nadere eisen) te stellen aan de verlening van een omgevingsvergunning, ter beperking van de gevolgen van een calamiteit waarbij een toxische gaswolk vrijkomt.

Alles overwegende wordt geconcludeerd dat het vanuit het oogpunt van externe veiligheid verantwoord is om het bestemmingsplan ' 't Parcje' te ontwikkelen. Het restrisico is in dit geval onder déze omstandigheden en afgezet tegen een breder kader aanvaardbaar.

4.3 Waterhuishouding

Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling dient te worden verwoord hoe er in het plan met de aspecten water en ruimte rekening wordt gehouden in relatie tot enerzijds het waterbeleid en anderzijds de waterhuishouding.

Het vuilwater wordt onder vrijverval ingezameld en aangesloten op het gemeentelijk rioleringstelsel.

De grondslag van het terrein is gunstig voor infiltratie van hemelwater. De grondwaterstand bevindt zich op meer dan 5 meter onder maaiveld en de doorlatendheid is bepaald op gemiddeld 18,74 m/dag en rekenwaarde 9,37 m/dag.

Aan het ontwerp van het hemelwatersysteem ligt de notitie ‘Regenwater, schoon naar beek en bodem’ (uitgave 2005) ten grondslag. Omdat is gekozen voor infiltratie van hemelwater dient toepassing van uitlogende materialen te worden voorkomen.

De verwerking van het hemelwater gebeurt op de particuliere kavels en onder de openbare weg. Ieder perceel wordt voorzien van een infiltratieput om het hemelwater van dat perceel te kunnen bergen en infiltreren. Er is een overloopvoorziening naar het eigen perceel voor extreme neerslagsituaties. In de regenpijp worden bladvangers geplaatst. Drains en schrobputjes zijn voorzien van zandvang en drijfschot. Zo wordt meespoelend vuil uit de infiltratieput geweerd.

De openbare straten hebben de molgoot in het midden van de weg. Dat heeft voordelen bij extreme neerslag. Tijdelijk water-op-straat geeft nu geen hinder in de loop- en fietsstrook. Vanuit de kolken in de molgoot komt het hemelwater in het IT-riool onder de weg terecht. Het IT-riool heeft over 50% van de lengte een diameter van 600 mm en over de andere 50 % 800mm. Deze riolering trekt zich uit onder alle straten in het bestemmingsplan. Daardoor ontstaat één robuust geheel.

Bij de voorbereiding van een bouwplan dient een uitgebreid infiltratieonderzoek te worden gedaan om de infiltratiecapaciteit van de grond te bepalen. De infiltratiewaarden van de grond worden gebruikt bij het ontwerp van een infiltratievoorziening waarbij wordt uitgegaan van een regenbui die eens in de 25 jaar valt (T=25 ontwerpnorm 35mm in 45min). Daarnaast gelden bij het ontwerp een aantal veiligheidseisen die moeten voorkomen dat de voorziening op korte of langere termijn niet meer functioneert. Alle ontwerp- en veiligheidseisen zijn omschreven in de Leidraad Riolering en de Technische Inrichtingseisen Roermond (TIR) en de rapportage Monitoring en beheer infiltratievoorzieningen.

In toenemende mate krijgen wij te maken met buien die een andere vorm van hemelwateroverlast veroorzaken. Het betreft buien waarbij in een klein gebied veel regen in hele korte tijd valt. Het effect van dergelijke buien op de openbare ruimte en op het watersysteem vereisen een andere manier van denken en handelen. Daarom dient een doorkijk gemaakt te worden naar de effecten die optreden bij een bui die eens in de 100 jaar valt (T=100: 45 mm in 30 min.). Deze bui mag geen overlast voor de omgeving veroorzaken. Dit moet worden aangetoond door middel van een rioleringsberekening en een kaart/tekening hoe de afstroming van het water over het maaiveld plaatsvindt. Bij de verdere uitwerking van de plannen dient deze berekening te worden overlegd.

Conclusie

Er zijn bij toepassing van voorgestelde maatregelen zijn geen belemmeringen vanuit waterhuishouding voor de ontwikkeling van de loactie te verwachten.

4.4 Archeologie

Op grond van de Wet op de archeologische monumentenzorg is de gemeente verplicht om bij het vaststellen van nieuwe bestemmingsplannen of aanpassing(en) van oude plannen, rekening te houden met archeologie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0957.BP00000260-VG01_0010.jpg"

Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Roermond

 afbeelding "i_NL.IMRO.0957.BP00000260-VG01_0011.jpg"

Op de archeologische beleidskaart van de gemeente is voor het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde aangegeven. Er zou daarmee noodzaak zijn tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek.

Het blijkt echter dat het uitvoeren van een archeologisch onderzoek in het bestemmingsplan 'Kemp Kitskensberg/Heide' alleen afgedwongen kan worden in gebieden met een wijzigingsbevoegdheid. Bovendien moet de oppervlakte van de te verrichten graafwerkzaamheden dan meer dan 2.500 m2 bedragen én binnen 50 meter van de locatie van een eerdere vondst liggen. Binnen het plangebied is geen wijzigingsbevoegdheid gelegen. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Daarnaast is een groot deel van de gronden reeds geroerd bij de realisatie van de voormalige bebouwing, waardoor er geen aanleiding is te veronderstellen dat er bij de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied archeologische waarden worden aangetast.

4.5 Cultuurhistorie

Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten of lijnen aanwezig.

4.6 Flora en Fauna

Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving, met name de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna.

4.6.1 Quickscan Flora en fauna

Door Royal Haskoning DHV is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. Doel van deze quick scan is het inzichtelijk maken van het voorkomen van de wettelijk beschermde plant- en diersoorten en de tijdelijke en blijvende effecten van realisatie van het stedenbouwkundig plan hierop. Er wordt beoordeeld of overtreding van de verbodsbepalingen uit de Flora- en faunawet aan de orde is en/of deze gemitigeerd danwel gecompenseerd kan worden.

De rapportage, d.d. 6 mei 2014, is als bijlage opgenomen, hierna zijn de conclusies beschreven.

  • Het plangebied zelf maakt geen deel uit van de EHS; wel grenst het plangebied in het oosten aan een bosgebied dat deel uitmaakt van de EHS.

- Er wordt echter geen afbreuk gedaan aan wezenlijke waarden en kenmerken van het betreffende EHS-gebied.
- Compensatie en mitigatie in het kader van de EHS is daarom niet nodig.

  • Het plangebied maakt geen deel uit van Natura 2000-gebieden en overige gebieden met een beschermde status.
  • Het plangebied maakt deel uit van het leefgebied van de eekhoorn (tabel 2).

- Werken volgens een goedgekeurde gedragscode volstaat om negatieve effecten in voldoende mate te voorkomen.

  • Het plangebied vormt mogelijk (onderdeel van het) leefgebied van vleermuizen.

- Er is aanvullend onderzoek volgens het Vleermuisprotocol noodzakelijk om hier uitsluitsel over te kunnen geven.

  • De wettelijke zorgplicht is relevant in dit project; het is in het kader van een nader te kiezen goedgekeurde gedragscode noodzakelijk om deze uit te werken in een beknopt ecologisch werkprotocol (geschreven door een erkend ecoloog vanuit de opdrachtgever of de opdrachtnemer), opdat aangetoond kan worden dat er tijdens en na de werkzaamheden geen verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet zijn overtreden.

Conclusie

Er is aanvullend onderzoek volgens het Vleermuisprotocol noodzakelijk om uitsluitsel over te kunnen geven over de aanwezigheid van vleermuizen binnen het plangebied.

4.6.2 Vleermuisinventarisatie

Uit de in het voorjaar van 2014 uitgevoerde ecoscan is gebleken dat er aanvullend onderzoek nodig was naar het voorkomen van verblijfplaatsen en foerageergebied van vleermuizen. Dit geldt voor het aanwezige trafohuisje en lijnvormige houtopstanden in het oosten van plangebied 't Parcje in Roermond.

Aanvullende inventarisatie was nodig om exact in kaart te brengen welke soorten in het plangebied aanwezig zijn en welke functies het trafohuisje en de lijnvormige houtopstanden hebben voor de aanwezige soorten. Op basis van deze gegevens kan worden bepaald welke effecten de sloop van het trafohuis en realisatie van nieuwbouw hebben op de aanwezige soorten en functies van deze soorten in het plangebied.

Door RoyalHaskoningDHV is in het voorjaar en de zomer van 2014 een nadere inventarisatie verricht. Hierna zijn de conclusies beschreven. De rapportage, d.d. 23 september 2014, is als bijlage opgenomen, hierna zijn de conclusies beschreven.

In het trafohuis zijn vaste verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen aangetroffen, te weten:

  • een zomerverblijfplaats van een individu en
  • een kraamverblijf of zomerverblijf voor minimaal 5 individuen.

Er is een ontheffing nodig van verbodsbepalingen uit de Flora- en faunawet, voor het vernietigen en/of verstoren van deze vaste verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis.

  • Let op: in het kader van deze ontheffingsaanvraag is het noodzakelijk om reeds voortijdig passende compensatie te ontwikkelen. Deze dient precies een zomercyclus (april t/m oktober) van tevoren gebruiksklaar te zijn, voordat de huidige kraam- en zomerverblijfplaats wordt weggenomen. Dit in het kader van gewenning.
  • Daarnaast zullen er meerdere mitigerende maatregelen nodig zijn, bijvoorbeeld slopen in de minst kwetsbare periode. In dit geval zal dat neerkomen op sloop gedurende de winterperiode, ongeveer van december t/m eind maart.
  • Om een ontheffing te krijgen is een geldig wettelijk belang uit de Habitatrichtlijn nodig, bovendien dient aangetoond te worden dat er geen alternatieven zijn voor de voorgenomen ingreep.

De noodzakelijke maatregelen zullen worden getroffen om vernietigen en/of verstoren van de vaste verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis te voorkomen.

4.7 Verkeer en infrastructuur

Door Royal Haskoning DHV is een verkeerskundige onderbouwing opgesteld. Op basis van de verwachte woningbouwplannen is de verkeersproductie van woonwijk ‘T Parcje berekend. Daarop zijn de verkeersontsluitingen en de verkeerskundige inrichting beoordeeld. Als laatste is ook een parkeerbalans opgesteld.

De rapportage, d.d. juni 2014, is als bijlage opgenomen, hierna zijn de conclusies beschreven.

  • De realisatie van ‘T Parcje levert een toename van het verkeer op in de directe omgeving met circa 800 motorvoertuigen per etmaal (werkdag).
  • Gelet op de te verwachten verkeersintensiteiten op de aansluiting van de nieuwbouwwijk op de St. Wirosingel, zijn hier geen problemen te verwachten. De T-splitsing waarbij de St. Wirosingel de voorrangsweg is kan het verkeer van en naar de `T Parcje goed afwikkelen;
  • De voorgestelde rijbaanbreedte van 5,5 meter voldoet conform de 'ASVV 2012' aan een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom met verkeer in beide richtingen;
  • De inrichting van ‘T Parcje zonder trottoirs is mogelijk doordat de woonstraten worden ingericht als ‘woonerf’;
  • In het plangebied zijn 182 parkeervoorzieningen voorzien, waarvan 91 op eigen terrein. De totale parkeervraag van het plangebied bedraagt 181 parkeerplaatsen. Er is dus een (beperkt) overschot aan parkeervoorzieningen van 1 parkeerplaats, waarmee wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen.

Conclusie

Er zijn geen belemmeringen vanuit verkeer en parkeren te verwachten.

4.8 Explosieven

Door AVG Explosieven Opsporing Nederland is op basis van een quick-scan en de ervaring van de senior OCE deskundige van AVG het gebied verdacht verklaard voor munitie en/of explosieven vanaf het kaliber 20mm tot een diepte van 4,5m –mv. Daarom dient er begeleiding plaats te vinden voor het veilig kunnen uitvoeren van de te verrichten onderzoekswerkzaamheden, waarbij geborgd wordt dat geen boringen worden geplaatst op plaatsen waar mogelijk een CE ligt.

In maart 2014 is er gezocht met behulp van een magnetometer Sensys type SBL10. Met deze apparatuur zijn de aangegeven locaties onderzocht op mogelijk aanwezige CE. De rapportage, d.d. 14 maart 2014, is als bijlage opgenomen, hierna zijn de conclusies beschreven.

De uitgevoerde werkzaamheden door AVG bestond uit het detecteren van 49 boor/sondeerpunten op de door de opdrachtgever aangegeven locaties. Op alle 49 boor/sondeerlocaties heeft een negatiefmeting met magnetometer plaatsgevonden. Tijdens de werkzaamheden waren er enkele detectie verstorende belemmeringen waardoor de locaties indien noodzakelijk zijn verplaatst. Enkele boringen zijn verricht in asfalt en op diverse plaatsen is het terrein ernstig verstoord door het aanwezige puin en sloopafval. Alle boorlocaties zijn vrijgegeven op een meetwaarde van 30 nanotesla.

Resumerend kan gesteld worden dat er door ons, met de gebruikte zoekmethodiek, geen significante verstoringen zijn gesignaleerd op de CE gevrijwaarde 49 boorlocaties in het projectgebied. Derhalve zijn de 49 boorlocaties, volgens navolgende registratie en overzichtstekening, door AVG Explosieven Opsporing Nederland vrijgegeven in munitietechnische zin voor het uitvoeren van bodemonderzoek.

Hoofdstuk 5 Planbeschrijving

5.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan

Het plan is gebaseerd op het optimaal gebruikmaken van de directe ruimtelijke context. Zo wordt het gebied voor gemotoriseerd verkeer vanuit de Sint Wirosingel ontsloten. De zuidelijke rand richting de groenstrook is met royale boskavels vormgegeven zodat het plan in de directe omgeving wordt geïntegreerd.

Naast het aansluiten op de bestaande infrastructuur en de randen is de optimalisatie van het duurzaamheidprincipe een essentieel uitgangspunt van het concept.

Om het gebied tot een duurzame en flexibele woonbuurt te ontwikkelen zijn de volgende aspecten van belang:

  • Zongericht verkavelen,
  • dakenlandschap met energieopwekking,
  • respecteren van bestaande bomen,
  • gebruikmaken van de bestaande infrastructuur,
  • introvert karakter,
  • flexibiliteit in woningtypering
  • en een groene uitstraling.


Het karakter van een duurzame woonbuurt in een parkachtige sfeer leidt tot de naam van het project: 't Parcje Roermond.

5.1.1 Doelgroep

Het accent ligt op duurzaamheid en groen maar tevens op comfort, veiligheid en gewoon lekker wonen voor alle leeftijdsgroepen binnen de financiële kaders van 2014 en later. Door diverse kavelgroottes en woningtypes in een rustige groene en duurzame wijk wordt een brede milieu- en energiebewuste doelgroep aangesproken.

5.2 Ruimtelijke hoofdopzet en planaspecten

5.2.1 Infrastructuur & parkeren

De hoofdstructuur van het plangebied wordt bepaald door de bestaande centrale toegangsweg die de kapstok van 't Parcje vormt. De entree sluit met een breed laanprofiel aan op de Sint Wirosingel. Vanwege rust en eenheid in het straatbeeld is gekozen om geen ontsluitingen (wel een tweede voorgevel) aan de hoofdas te situeren.

De woonstraten worden ontsloten vanuit de centrale toegangsweg. Het straatprofiel heeft een minimaal verhard oppervlak welke is vormgegeven door een rijbaan inclusief centrale goot met aan weerszijden een groene berm (1,5 - 6m breedte). Binnen de bermen zijn de inritten naar de woningen en het openbaar (langs)parken opgenomen. De woonstraten liggen verlaagd ten opzichte van de bouwkavels waarbij het reliëf met zachte glooiingen beleefbaar is. Het benutten van de glooiingen in het terrein zorgt voor afwisseling en verrassing in de ruimtelijke werking van het straatbeeld.

Conform de ASVV voor erftoegangswegen worden de woonstraten ingericht als 30km zone met een rijloper van 5,5 meter. Dit betekend een krap profiel geschrikt voor tweerichtingsverkeer auto welk ook voldoende breed is voor vrachtwagen en vuilniswagen.


Met 192 parkeerplaatsen voldoet het plan aan de gestelde parkeernorm van gemiddeld 2 parkeerplaatsen per woning . 91 van deze parkeerplaatsen zijn voorzien op eigen terrein, de rest is opgenomen in de groene langsparkeerstroken of blokjes haaksparkeren in de straten en aan de randen van het gebied. Vanwege de brede en lange opritten is het mogelijk meer parkeerplaatsen op eigen terrein te positioneren. Dit heeft als voordeel dat er minder auto's in de openbare ruimte worden ged wat het groene karakter van 't Parcje versterkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0957.BP00000260-VG01_0012.png"

Situering parkeerplaatsen binnen plangebied (Bron: Heusschen Copier)


Drie nieuwe fietsverbindingen en vier nieuwe voetgangersverbindingen zorgen voor een goede aansluiting van 't Parcje op het bestaande fiets- en wandelnetwerk en aansluiting op twee bushaltes). Zo sluiten twee verbindingen aan op de bestaande voet- en fietspad aan de oostelijke rand van het plangebied. Om de voet- en fietspaden aan de westelijke rand van het plangebied, inclusief de bushalte aan de Heinsbergerweg, optimaal te kunnen bereiken wordt er een doorsteek ter hoogte van het gasstation aangelegd.

5.2.2 Groen & Spelen

Het gehele plangebied kent een zeer groene uitstraling. De centrale toegangsweg heeft door de groene bermen met brede plantvakken het karakter van een parkachtige entreezone. Bestaande bomen zijn sfeerbepalend en vandaar optimaal in het plan opgenomen. Een voorbeeld hiervan is hoe de prachtige laanbomen de centrale hoofdontsluiting accentueren. Een aantal solitaire bomen vinden hun plek op privé kavels. De bebouwingsstructuur is hierop afgestemd. De kavels zijn voorzien van diepe voor- en zijtuinen met struiken en volwassen bomen die het groen karakter van 't Parcje extra versterken. Door de integratie van de bestaande bomen in voor- en zijtuinen ontstaat al in een vroeg stadium een unieke woonwijk met een eigen karakter en uitstraling.


De beplanting in de openbare ruimte is gebaseerd op de potentieel natuurlijke vegetatie (PNV), waaronder de Berk, Lijsterbes of Gewone Vogelkers. Deze gebiedskarakteristieke bomen en heesters worden aan de randen van de wegen aangeplant en dienen voor een groene parkachtige inrichting. Bij het aanplanten van de nieuwe bomen en heesters wordt er rekening gehouden met voldoende ondergrondse groeiruimte. De groene bermen met breedtes tussen 3-6 meter zijn vlak en strak afgewerkt waardoor de bermen optimaal te onderhouden zijn. Tevens dienen plantvakken met bodembedekkers voor variatie in de beplanting van de bermen. Hagen zorgen voor een begrenzing tussen openbaar groen en het privé eigendom. Tussen twee aangrenzende kavels wordt eveneens een haag aanbevolen. In het midden van de haag kan een standaard afrastering worden geplaatst.


Ondanks de aanwezigheid van een speelterrein langs de Sint Wirosingel is er ook een terrein met speelaanleiding in 't Parcje. Het speelterrein is op een open plek in het zuidoostelijke gedeelte van het plangebied gelegen die met een aantal bestaande en nieuwe bomen optimaal in de woonomgeving is geïntegreerd. Vanwege de ligging in een rustige zijstraat van het plangebied kunnen kinderen veilig en onbekommerd spelen. De speelaanleiding is vanuit de aangrenzende woningen zichtbaar, waardoor de sociale controle wordt vergroot. Door het hoogteverschil naar de bestaande bebouwing langs het Kitskensdal is de geluidshinder gering. Conform afstemming met de gemeente Roermond, en vanwege het feit van bestaande speelvoorzieningen aan de overzijde van de Sint Wirosingel, is deze speelplek geschikt voor de allerkleinsten.

5.2.3 Verkaveling & bebouwingsstructuur

Een optimale oriëntatie op het zuiden bepaald de verkavelingstructuur van 't Parcje. Op een totaaloppervlakte worden ca. 90 zongerichte bouwkavels met nul-energie grondgebonden woningen gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0957.BP00000260-VG01_0013.png"

Stedenbouwkundig plan (Bron: Heusschen Copier, juni 2015)

De kavels aan de noordelijke rand van het plangebied, gelegen aan de Sint Wirosingel, hebben een kavelbreedte van ca. 14 meter en een gemiddelde kavelgrootte van ca. 320 m2. Richting de zuidelijke rand van het plangebied neemt de kavelbreedte en de gemiddelde kaveloppervlakte toe. Zo zijn de percelen gelegen aan de bosrand ruimer opgezet (kavelbreedte ca. 26 meter en een gemiddelde kavelgrootte ca. 990 m2).


In het nu opgestelde stedenbouwkundig plan zijn tweekappers en vrijstaande woningen opgenomen. De tweekappers worden vooral in het noordelijke gedeelte van het plangebied gerealiseerd. Naar het zuiden toe neemt de bebouwingsdichtheid af. Aan de zuidelijke rand zijn vrijstaande woningen op royale boskavels gesitueerd. Om zo flexibel mogelijk te blijven voor de toekomst zijn in voorliggend bestemmingsplan ook aaneengebouwde woningen mogelijk gemaakt. Wel is het maximaal aantal woningen vastgelegd waardoor binnen het plangebied alleen andere typen woningen maar niet meer woningen kunnen worden gebouwd.

De woningen op de hoeken krijgen een tweede voorgevel. Door de overhoekse oriëntatie ontstaan geen blinde gevels wat de sociale controle en allure van de woonwijk ten goede komt.


Verder is een verspringende rooilijn t.b.v. zuid oriëntatie van de bebouwing in het plan opgenomen die voor interessante zichtrelaties met een afwisselend en dynamisch beeld zorgt. Tevens wordt de ruimtelijke werking van de bebouwingsstroken door de aanwezige hoogteverschillen van het terrein versterkt.

5.2.4 Duurzaamheid & Materialisatie

Als inbreidingswijk sluit het gehele plangebied aan op de bestaande infrastructuur, waaronder het infrastructurele netwerk en de riolering. Daarnaast wordt maximaal gebruik gemaakt van de bestaande bomenstructuur. Dit betekent dat de bestaande bomen worden gehandhaafd en dat ze optimaal in het plan worden opgenomen. Voor het gehele plangebied is een volledige waterinfiltratie van toepassing. Dit houdt in dat het regenwater van de gebouwen en wegen in een ondergrondse infiltratievoorziening wordt opgenomen.


Door de zongerichte verkaveling maken de nul-energie woningen optimaal gebruik van het zonlicht. Zo dient het functionele dakenlandschap met pv-cellen voor energieopwekking. Een combinatie van pv-cellen met zonnecollectoren voor warm water is een mogelijke optie. In de hybride gevel aan de zuidkant van de gebouwen zijn pv-cellen en zonweringlamellen geïntegreerd (klimaat adaptatie woningen).

Bij de platte daken kunnen de bewoners kiezen tussen sedumdaken en gewone daken. Daken met een extensieve begroeiing bieden een aantal voordelen op het gebied van milieu en belevingswaarde waaronder langere levensduur, vermindering geluid, vertraagde waterafvoer en groeiplaatsen/biotopen voor flora en fauna. De geplande woningen zijn volledig uitwisselbaar zodat er flexibiliteit binnen 't Parcje ontstaat. Daarnaast worden de woningen levensloopbestendig gemaakt. Dit komt de sociale cohesie van de wijk ten goede.


Bij de sloop van de voormalige school en de aanleg van de nieuwe woningen en infrastructuur wordt gestreefd naar het maximaal hergebruik van afbraakmateriaal. Het puin van het voormalige schoolgebouw zou als funderingsmateriaal bij de wegenstructuur ingezet kunnen worden waardoor op energie en andere grondstoffen kan worden bespaart. De nieuwe verharding is geminimaliseerd, daarentegen wordt de bestaande infrastructuur optimaal gebruikt.

Verder worden er uitsluitend natuurlijke, energiezuinige en duurzame materialen toegepast. Voor de straten en voetpaden wordt een betonverharding toegepast. Beton heeft een aantal voordelen: Een betonverharding is onkruidwerend en praktisch onverslijtbaar. Het materiaal is ongevoelig voor de inwerking van vorst-/dooicycli en is niet op olie gebaseerd. Zo kunnen natuurlijke toeslagmaterialen uit de regio worden toegepast, zoals grind of steenslag van de Maas. Het wegoppervlak kan worden geborsteld of een oppervlaktebehandeling krijgen, bijv. als printbeton met motief. Daardoor is beton een esthetisch materiaal dat een onderhoudsvrije levensduur en geringe onderhoudskosten heeft.


Verder bestaan de inrichtingselementen in de openbare ruimte uit natuurlijke en duurzame materialen, zoals hout en staal voor parkbanken, speelobjecten en vuilnisbakken. De houten lichtmasten zijn voorzien van energie-efficiënte LED-verlichting met een lange levensduur. Tevens is deze verlichting vleermuisvriendelijk. Wat fauna betreft zijn er op een aantal plekken reeds inbouwkasten voor vleermuizen gerealiseerd. De lage vegetatie in de openbare ruimte is bloemrijk met veel nectarhoudende planten. Vandaar zijn deze zones een optimaal leefgebied voor vlinders en overige insecten. De nootdragende bomen en struiken bieden voedsel- en schuilgelegenheid voor eekhoorns.


Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Planvorm

Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen ten behoeve van de ontwikkeling van 't Parcje.

Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening, het Besluit ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geformuleerde uitgangspunten. Daarnaast is aangesloten bij het gemeentelijke Handboek digitale bestemmingsplannen. Hierbij is gestreefd naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels, zoals aangegeven in de Standaard Vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012).

De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer globaal tot gedetailleerd. Het bestemmingsplan biedt voldoende flexibiliteit om op wijzigende omstandigheden en/of nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen te kunnen inspelen. Uitgangspunt van het bestemmingsplan is het bieden van een flexibele juridische regeling, zonder dat hierdoor de rechtszekerheid voor de burger wordt geschaad.

In paragraaf 6.3 wordt inhoudelijk ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen binnen het onderhavige bestemmingsplan.

6.2 Verbeelding

Bij de opzet van de verbeelding is de SVBP2012 als uitgangspunt gehanteerd. SVBP2012 staat voor Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. In de SVBP2012 zijn onder andere bestemmingscategorieën vastgelegd en zijn uniforme kleuren en aanduidingen beschreven.

Het plangebied kent de volgende (dubbel)bestemmingen:

  • Groen
  • Tuin
  • Verkeer - Wegverkeer
  • Wonen– 1
  • Leiding – Gas
  • Waarde – Archeologie

De gronden behorend tot onderhavig bestemmingsplan zijn op de verbeelding begrensd door de plangrens. De bestemming op de verbeelding is in de planregels aangevuld met bouw- en gebruiksregels.

De materiële inhoud van de bestemming is opgenomen in de planregels.

Voor de leesbaarheid zijn op de verbeelding verder aanduidingen opgenomen, zoals straatnamen, bestaande bebouwing, kadastrale gegevens etcetera.

6.3 Planregels

Planregels zijn nodig om het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de bebouwing binnen het plangebied te regelen. De planregels zijn onder te verdelen in:

  • a. Inleidende regels.
  • b. Bestemmingsregels.
  • c. Algemene regels.
  • d. Overgangs- en slotregels.

Ad a) Inleidende regels

De inleidende regels zijn van algemene aard en betreffen de ‘begrippen en de 'wijze van meten’.

Begrippen
Hierin worden de in de planregels voorkomende begrippen omschreven en wordt de interpretatie van de diverse begrippen vastgelegd, zodat duidelijk wordt wat onder de begrippen wordt verstaan.

Wijze van meten
Hierin wordt aangegeven hoe de in het plan voorkomende maten dienen te worden bepaald.

Ad b) Bestemmingsregels

  • Groen

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting, voet- en fietspaden, speelvoorzieningen, waterberging, waterlopen, waterpartijen en nutsvoorzieningen.
Binnen deze bestemming mogen, naast geluidwerende voorzieningen uitsluitend gebouwen worden gebouwd voor voorzieningen van algemeen nut en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ter plaatse van de aanduiding ‘ontsluiting’ mag een ontsluitingsweg ten behoeve van calamiteiten worden gerealiseerd.

  • Tuin

De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor tuinen en groenvoorzieningen bij aangrenzende woningen. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
In deze bestemming zijn de tuingedeelten van de percelen opgenomen voor zover deze mede de ruimtelijke kwaliteit van de entree van het plangebied bepalen. Er mag niet gebouwd worden binnen deze bestemming ten einde te waarborgen dat de openheid van het entreegebied wordt behouden.

  • Verkeer

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor woonstraten, paden, groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen

Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

  • Wonen

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor wonen in woningen, wegen en straten. De uitoefening van aan huis gebonden beroepen is rechtstreeks toegestaan. Door de globale bestemming van de gronden zijn de gronden ook bestemd voor verschillende functies voor de inrichting van openbaar gebied, zoals wegen, paden, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen.

Voor de bebouwing geldt dat hoofdgebouwen uitsluitend binnen de bouwvlakken (= bestemmingsvlakken) mogen worden gebouwd. Op de verbeelding is aangeduid welke bebouwingstype zijn toegestaan. De goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen zijn ook op de verbeelding aangegeven.

De overige bebouwingsregels zijn in de regels bij deze bestemming opgenomen.

  • Leiding -Gas

De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor een gasleiding, met bijbehorende belemmeringenstrook.

  • Waarde - Archeologie

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden.

Ad c) Algemene regels.

Hoofdstuk 3: ‘Algemene regels’ omvat regels en bepalingen die betrekking hebben op het gehele plangebied.

Anti-dubbeltelbepaling
Een anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De opgenomen anti-dubbeltelregel is gelijkluidend aan de in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voorgeschreven formulering.


Algemene gebruiksregels
Deze bepaling is een rechtstreekse uitwerking van het in artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening opgenomen verbod gronden of bouwwerken te laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan.


Algemene afwijkingsregels
In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsregels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Aangegeven wordt van welke regel in welke gevallen kan worden afgeweken


Algemene wijzigingsregels
In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om meerdere bestemmingen te wijzigen. De voorwaarden, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.


Overige regels
Dit artikel bevat een bepaling omtrent de verhouding tussen de regels van voorliggend bestemmingsplan, en overige wettelijke bepalingen. Daarnaast zijn in dit artikel regels opgenomen omtrent het aantal parkeerplaatsen dat op eigen terrein aanwezig dient te zijn.

Ad d) Overgangs- en slotregels.

Hoofdstuk 4 ‘Overgangs- en slotregels’ bevat onder andere de bepalingen die betrekking hebben op:

Overgangsrecht
Bouwwerken welke op het moment van tervisielegging van het plan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd), mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de planregels op het moment waarop het plan rechtskracht verkrijgt, mag gehandhaafd blijven.

Slotregel
Dit artikel geeft de titel van de planregels aan.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Economische uitvoerbaarheid en Grexwet

7.1.1 Uitvoerbaarheid en kostenverhaal

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen,
of indien:

  • het kostenverhaal anderszins is verzekerd;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is.


Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van maximaal 90 woningen in het gebied. Voor de realisatie van dit bouwplan is met de initiatiefnemer een realiseringsovereenkomst gesloten. Op basis van deze overeenkomst realiseert de initiatiefnemer het plan geheel voor eigen rekening en risico. Partijen hebben in deze overeenkomst afspraken gemaakt over de planontwikkeling, de aan de inrichting van de aan te leggen openbare ruimte te stellen eisen, de uitvoering en fasering van de te realiseren bebouwing, de aan de gemeente te vergoeden kosten en te verlenen bijdragen. Hierdoor is het kostenverhaal verzekerd, is het bepalen van een tijdvak of fasering en het stellen van locatie-eisen aan de inrichting van de openbare ruimte, de aanleg van nutsvoorzieningen en regels voor woningbouwcategorieën middels een exploitatieplan niet aan de orde.


Daarmee is het verhaal van de kosten van de grondexploitatie voor dit gebied anderszins verzekerd en is de economische uitvoerbaarheid van het plan gegarandeerd.


Gelet op het vorenstaande kan in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.


7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.2.1 Inspraakprocedure

Het voorontwerpbestemmingsplan ' 't Parcje' heeft voor inspraak ter inzage gelegen van 29 oktober 2014 tot en met 9 december 2014. De bekendmaking is geplaatst op de Gemeentepagina van weekblad de Trompetter van 28 oktober 2014. Op 4 november 2014 is een inloopavond gehouden over het voorontwerpbestemmingsplan. Tevens was het voorontwerpbestemmingsplan gedurende de termijn van terinzagelegging digitaal raadpleegbaar op de website www.ruimtelijkeplannen.roermond.nl.

Tijdens de inspraakperiode zijn 4 inspraakreacties ontvangen. Een samenvatting en reactie op deze inspraakreacties zijn opgenomen in het 'Verslag inspraak en vooroverleg Voorontwerp bestemmingsplan ' 't Parcje'. Het verslag is als bijlage bij dit bestemminhgsplan gevoegd.

7.2.2 Overleg ex artikel 3.1.1. Bro

Het voorontwerpbestemmingsplan ' 't Parcje' is in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening voorgelegd aan de Provincie Limburg, Vrom inspectie, Rijkswaterstaat, Waterschap Roer en Overmaas, Veiligheidsregio Limburg Noord, Nederlandse Gasunie en het Ministerie van Defensie.

Van de Veiligheidsregio Limburg Noord is een reactie ontvangen. De overige instanties hebben geen reactie in het kader van het vooroverleg ingediend.

Naar aanleiding van het advies van de veiligheidsregio is een verantwoordingsrapportage opgesteld welke als bijlage bij dit bestemmingsplan is gevoegd. Uit deze rapportage blijkt dat als gevolg van de ontwikkeling van het bestemmingsplan ' 't Parcje' het groepsrisico niet significant toeneemt. Alles overwegende wordt geconcludeerd dat het vanuit het oogpunt van externe veiligheid verantwoord is om het bestemmingsplan ' 't Parcje' te ontwikkelen.

In de regels is de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders opgenomen om nadere eisen te stellen aan de verlening van een omgevingsvergunning ter beperking van de gevolgen van een calamiteit waarbij een toxische gaswolk vrijkomt.


7.2.3 Zienswijzenprocedure

Het ontwerpbestemmingsplan heeft de procedure van artikel 3.8 en verder van de Wet ruimtelijke ordening doorlopen. Het bestemmingsplan heeft hierbij van woensdag 2 september 2015 tot en met dinsdag 13 oktober 2015 voor een ieder ter inzage gelegen op het gemeentehuis van de gemeente Roermond. Tevens was het plan digitaal te raadplegen op www.ruimtelijkeplannen.nl.

Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. Het bestemmingsplan is ongewijzigd vastgesteld op 17 december 2015.