| Plan: | Buitengebied |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0917.BP050700W000001-0401 |
Binnen het grondgebied van de gemeente Heerlen vigeren nog verschillende bestemmingsplannen ouder dan 10 jaar, die daarom op grond van de Wet ruimtelijke ordening moeten worden geactualiseerd. Voor deze actualisatieopgave wordt een bepaalde gebiedsindeling gehanteerd, waarbij één nieuw bestemmingsplan verschillende oudere bestemmingsplannen kan vervangen. Eén van de te actualiseren plangebieden is het plangebied Buitengebied. Het plan omvat het gehele als landelijke te typeren gebied van de gemeente Heerlen.
Bestemmingsplan Buitengebied heeft het karakter van een beheerplan en maakt dus geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Dit betekent dat in eerste instantie enkel de vigerende rechten in het nieuwe plan worden overgenomen. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is de wijze van bestemmen afgestemd op actueel vastgesteld beleid en geldende wetgeving. In voorliggende toelichting zijn de gemaakte keuzes gemotiveerd.
Met het bestemmingsplan Buitengebied wordt voor het plangebied voor de komende 10 jaar een actueel juridisch-planologisch kader geboden.
Het plangebied van bestemmingsplan Buitengebied is hoofdzakelijk bepaald door de begrenzing van het stedelijk gebied en de gemeentegrenzen. Als gevolg hiervan bestaat het plangebied uit twee deelgebieden: oost en west.
Luchtfoto gemeente Heerlen met begrenzingen deelgebieden
Deelgebied Oost
Dit deelgebied ligt in de noordoostpunt van de gemeente en bevat de Schrieversheide (onderdeel van de Brunssummerheide) en het bebouwingslint aan de oostzijde van de Heerenweg. De gemeentegrens vormt de noordelijke en oostelijke begrenzing van het deelgebied. Uitzondering hierop betreffen enkele percelen aan de Helseviersweg op de grens met de gemeente Landgraaf. Deze percelen zijn in het kader van natuurcompensatie meegenomen in het provinciaal inpassingsplan voor de Buitenring en mogen daarom niet worden opgenomen in dit bestemmingsplan.
Aan de zuidzijde vormt de terreingrens van de zandgroeve van Sibelco de plangrens. Aan de westzijde wordt de plangrens (van zuid naar noord) gevormd door de achterste perceelsgrenzen van de percelen aan de Buizerdstraat, Kievitstraat en de Fazantstraat. De Heerenweg vormt verder in noordelijke richting de westelijke grens van dit deelgebied.
Deelgebied West
Het westelijk deelgebied is langgerekt gebied strekt zich uit langs de gemeentegrens, beginnend in het noorden vanaf het buitengebied bij Hoensbroek tot aan het 'Miljoenenlijntje' bij de Beitel. Binnen dit deelgebied valt het Geleenbeekdal, met onder andere landgoed Terworm en het buurtschap Benzenrade.
In de uiterste noordpunt bestaat het plangebied uit het buitengebied dat Hoensbroek aan deze zijde omsluit. De Vaesraderbosweg, de Randweg, het terrein van Adelante en de woonbuurt Schuureik vormen hier de grens van het stedelijk gebied en daarmee ook de planbegrenzing. De Buitenring, die dit gebied aan de noordzijde doorsnijdt, en enkele natuurcompensatiepercelen aan de Schurenbergsweg zijn meegenomen in het provinciaal inpassingsplan voor de Buitenring en mogen daarom niet worden opgenomen in dit bestemmingsplan.
De Geleenbeek vormt vervolgens de verbindende schakel met het gebied bij kasteel Hoensbroek. Het kasteel ligt binnen het plangebied, inclusief het omliggende gebied dat is omsloten door Laervoetpad, Juliana-Bernhardlaan, Kasteel Hoensbroeklaan, Ridder Hoenstraat, Onderste Wehr en Overbroekerstraat/Terlindenweg.
Verder in zuidelijke richting volgt het plangebied het Geleenbeekdal tot aan bedrijventerrein Coriopolis en de bebouwing aan de Valkenburgerweg. Aan de oostelijke zijde loopt de plangrens parallel aan de N281. Buurtschap Ten Esschen en landgoed Terworm vallen binnen dit deel van het plangebied.
Vervolgens vormt knooppunt Kunderberg de verbindende schakel met het zuidelijk deel van het Geleenbeekdal. Buurtschap Benzenrade en het Imstenraderbos vallen binnen dit deel van het plangebied. De plangrens volgt de John F. Kennedylaan, voorbij de N281, tot aan de Zandweg. Vanaf hier loopt de plangrens in zuidelijke richting over de Zandweg, buiten Parc Imstenrade om, en takt vervolgens aan op de N281. De plangrens volgt deze weg in zuidelijke richting tot aan de Imstenraderweg.
De Imstenraderweg vormt tevens een groot gedeelte van de zuidelijke grens van het plangebied. Ter hoogte van de Hondsrug is nog een stuk buitengebied grenzend aan bedrijventerrein de Beitel meegenomen. Dit gebied wordt onder andere begrensd door de Sourethweg en de bestaande bedrijfspercelen. De museumspoorlijn 'Miljoenenlijntje' vormt de uiterste zuidelijke begrenzing van het plangebied.
De gehele westelijke grens van het plangebied wordt gevormd door de gemeentegrens en de rijksweg A76 die daar parallel aan loopt.
Voorafgaand aan bestemmingsplan Buitengebied waren binnen het plangebied diverse bestemmingsplannen van kracht. De onderstaande tabel geeft een overzicht van de bestemmingsplannen per deelgebied, waarvan sommige slechts voor een (klein) gedeelte van het plangebied golden.
Verder zijn in de loop van de tijd diverse afwijkingen van de vigerende bestemmingsplannen toegestaan, in de vorm van verleende vrijstellingen en ontheffingen. Een overzicht hiervan is niet opgenomen, maar de inhoud van deze afwijkingen is wel meegenomen in de juridisch-planologische regeling van het onderhavige bestemmingsplan Buitengebied.
Deelgebied Oost
| Bestemmingsplan | Vastgesteld door gemeenteraad | Goedgekeurd door Gedeputeerde Staten Limburg |
| Woonwagenlocaties | 06-06-1994 | 27-09-1994 |
| Vrieheide de Stack 1999 | 29-06-2000 | 13-02-2001 |
| Schrieversheide | 08-03-2005 | 31-05-2005 |
| Prostitutie | 19-09-2006 | 24-04-2007 |
| Heerlerheide Schil | 12-02-2008 | 20-05-2008 |
| Beheersverordening Snipperlocaties | 07-01-2014 | nvt |
Deelgebied West
| Bestemmingsplan | Vastgesteld door gemeenteraad | Goedgekeurd door Gedeputeerde Staten Limburg |
| Hoofdzakenplan Hoensbroek* | 07-11-1963 | 16-11-1964 |
| Geleendal | 13-09-1971 | 17-04-1972 |
| Geleendal 1e herziening | 03-02-1976 | 22-11-1976 |
| Wijnandsrade | 18-03-1977 | 13-02-1978 |
| Voerendaal | 22-11-1977 | 06-02-1979 |
| Ten Esschen Voerendaal | 28-06-1979 | 29-04-1980 |
| Buitengebied Hoensbroek | 11-12-1980 | 13-04-1982 |
| Bedrijfsterrein Ten Esschen | 03-12-1985 | 10-06-1986 |
| Welten-Kommert IV | 02-02-1988 | 19-07-1988 |
| Geleendal Eyckholt | 07-05-1996 | 10-12-1996 |
| Zandweg 126-128 | 02-05-2000 | 05-12-2000 |
| Crama-Husken-de Vrank | 08-01-2002 | 23-07-2002 |
| Terworm-Prickenis | 11-05-2004 | 30-11-2004 |
| Hoensbroek-West | 07-12-2004 | 28-06-2005 |
| Beitel-Noord | 10-05-2005 | 19-07-2005 |
| Kasteel Hoensbroek | 07-02-2006 | 05-09-2006 |
| Prostitutie | 19-09-2006 | 24-04-2007 |
| Heerlen-West | 05-07-2006 | 27-02-2007 |
| Heerlerbaan - deelgebied Parc Imstenrade | 19-09-2006 | 19-12-2006 |
| Heerlerbaan | 06-11-2007 | 26-02-2008 |
| Hotel van der Valk | 01-02-2011 | nvt |
| Aansluiting A76/A79 - Kunderberg | 01-11-2011 | nvt |
| Overbroekerstraat 110 | 05-06-2013 | nvt |
| Beheersverordening Snipperlocaties | 07-01-2014 | nvt |
* Ingevolge artikel 9.3.2 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening is dit bestemmingsplan per 1 juli 2013 vervallen, aangezien deze is vastgesteld vóór de eerste Wet op de Ruimtelijke Ordening (1965).
Provinciaal inpassingsplan Buitenring
Zowel bij de grens met de gemeente Landgraaf als in het gebied rondom de Schurenbergsweg geldt voor enkele percelen het provinciaal inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg 2012. De binnen dit plangebied gelegen percelen kunnen niet in het onderhavig bestemmingsplan worden meegenomen, aangzien bij de vaststelling van het inpassingsplan door Provinciale Staten is bepaald dat de bestemmingsplanbevoegdheid van de gemeente Heerlen voor de gronden gelegen binnen het inpassingsplan tot 8 oktober 2020 is uitgesloten.
De regels en de verbeelding vormen de juridische bindende onderdelen van het bestemmingsplan. De toelichting geeft een nadere uitleg van de gemaakte beleidskeuzen en invulling van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen juridische status.
Elk bestemmingsplan is te onderscheiden door een landelijk uniek identificatienummer. Onderhavig bestemmingsplan is geregistreerd en vindbaar op het landelijke portaal onder www.ruimtelijkeplannen.nl nummer NL.IMRO.0917.BP050700W000001-0401
In de toelichting wordt de opzet van het plan beschreven en zijn de aan het plan ten grondslag liggende gedachten vermeld. Ook wordt verslag gedaan van de resultaten van het over het plan gevoerde overleg en de geboden inspraak.
Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden aan de gronden, die in het plan zijn gelegen, bestemmingen toegewezen met bijbehorende doeleinden of functies. Aan deze bestemmingen zijn regels gekoppeld, die regelingen bevatten over het gebruik van deze gronden en van de opstallen die zich daarop bevinden.
Met het oog op de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen schrijft de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (hierna:SVBP) de wijze waarop een planregel is opgebouwd en hoe de regels worden ingedeeld (vaste hoofdstukindeling) voor.
De verbeelding geeft een grafische weergave van het plangebied. In de verbeelding zijn de plangrens, de bestemmingen en de aanduidingen weergegeven. Het bestemmingsplan onderscheidt een digitale en een analoge verbeelding. Beide verbeeldingen zijn rechtsgeldig, echter bij interpretatieverschillen is de digitale verbeelding doorslaggevend.
De digitale verbeelding is een interactieve raadpleegomgeving via het internet die de gehele inhoud van het bestemmingplan (grafische weergave, regels en toelichting) toont. Door een muisklik op de kaart te geven verschijnen de bijbehorende regels voor die locatie in beeld. Tevens is het mogelijk om te meten op de kaart en door middel van coördinaten (het Rijksdriehoekscoördinatenstelsel) de exacte locatie te bepalen.
De analoge verbeelding bestaat uit 7 bladen en heeft een schaal variërend van 1:1500 tot 1:4000. Omwille van de duidelijkheid zijn voor enkele gebieden deelkaarten gemaakt met een lager schaalniveau.
De legenda legt een verbinding tussen de bestemmingen, aanduidingen en de regels en geeft een verklaring van de maatvoering, symbolen en topografische ondergrond(en).
De ondergrond is een samenstelling van de Grootschalige Basiskaart Nederland (landmeetkundig ingemeten topografie) en kadastrale begrenzingen.
Na vaststelling van het bestemmingsplan is de gehanteerde ondergrond onlosmakelijk met het bestemmingplan verbonden. De ondergrond is zichtbaar op de analoge verbeelding, echter deze wordt niet standaard getoond in combinatie met de digitale verbeelding. De topografische kaarten en luchtfoto's die worden getoond op www.ruimtelijkeplannen.nl zijn niet altijd up to date en slechts bedoeld als oriëntatiemiddel. Bij interpretatieverschillen is de vastgestelde ondergrond bepalend.
Hoofdstuk 2 bevat een opsomming van de planologische beleidskaders bestaande uit rijksbeleid, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 3 is het plangebied beschreven. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op enkele specifieke aandachtspunten binnen het plangebied. Hoofdstuk 5 gaat in op de verschillende omgevingsaspecten. Hoofdstuk 6 beschrijft de juridische opzet van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 7 is de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan beschreven en hoofdstuk 8 geeft een beeld van de doorlopen bestemmingsplanprocedure en het gevoerde overleg.
In dit hoofdstuk wordt het beleidskader voor het rijksbeleid, het provinciaal en regionaal beleid en het gemeentelijk beleid, van toepassing voor het bestemmingsplan Buitengebied, toegelicht.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vormt de overkoepelende rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, door middel van een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Om dit doel te bereiken, werkt het Rijk samen met andere overheden. De SVIR is op 13 maart 2012 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Milieu.
Het rijksbeleid richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd:
In totaal zijn 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd, die bijdragen aan het realiseren van de drie hoofddoelen. Het betreft onder meer het borgen van ruimte voor de hoofdnetwerken (weg, spoor, vaarwegen, energievoorziening, buisleidingen), het verbeteren van de milieukwaliteit, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke ontwikkeling, ruimte voor behoud van unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten, ruimte voor een nationaal netwerk voor natuur en ruimte voor militaire terreinen en activiteiten.
Ten aanzien van bestemmingsplan Buitengebied verdient het nationale belang voor het creëren van een nationaal netwerk van natuur extra aandacht. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora en faunasoorten: landelijk wordt gestreefd naar de realisatie van van een natuurnetwerk met de juiste ruimtelijke, water- en milieucondities voor kenmerkende ecosystemen van (inter)nationaal belang. Dit provincie- en landsoverschrijdende netwerk is de herijkte nationale Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Bij de realisatie van de EHS zal aandacht zijn voor de toegankelijkheid, de recreatieve waarde en de cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Ook wordt aansluiting gezocht bij de realisatie van andere maatschappelijke opgaven zoals waterberging. Een gedeelte van het plangebied van bestemmingsplan Buitengebied valt binnen de EHS.
Het beleid zoals neergelegd in de SVIR laat het Rijk, onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet', over aan provincies en gemeenten. Voor het bovenstaande nader beschreven nationale belang is de provincie het verantwoordelijk bestuurlijk orgaan. Verderop in dit hoofdstuk komt het beleid op provinciaal en gemeentelijk niveau (al dan niet in regionaal verband) aan bod.
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. Deze ladder is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zodat de ruimte in stedelijke gebieden optimaal wordt benut. De ladder is per 1 oktober 2012 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid Bro). Op 12 mei 2017 is de nieuwe (gewijzigde) Ladder voor duurzame verstedelijking gepubliceerd in het Staatsblad. De gewijzigde Ladder is op 1 juli 2017 in werking treden.
De ladder is van toepassing op stedelijke ontwikkelingen. Hieronder wordt de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen verstaan. Deze laatste categorie is in de handreiking bij de ladder voor duurzame verstedelijking (ministerie van Infrastructuur en Milieu) nader gespecificeerd in accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure.
Kern van de ladder is dat de stedelijke ontwikkeling op een locatie pas doorgang kan vinden als op regionaal niveau is aangetoond dat er daadwerkelijk een behoefte aan is en dat de beschikbare ruimte in het stedelijk gebied optimaal wordt benut. Van belang daarbij is of elders in de regio een soortgelijke ontwikkeling is gepland die reeds in de behoefte kan voorzien.
Dit betekent dat als in een bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk
wordt gemaakt, de behoefte aan die ontwikkeling moet worden beschreven. Indien de
ontwikkeling is voorzien buiten het bestaand stedelijk gebied, dan moet worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd.
Indien een nieuwe stedelijke ontwikkeling middels een uitwerkingsplicht of
wijzigingsbevoegdheid mogelijk wordt gemaakt dan kan worden bepaald dat de Laddertoets pas hoeft te worden verricht in het kader van de vaststelling van het uitwerkings- of
wijzigingsplan.
Het onderhavige bestemmingsplan betreft een actualisatie van de bestaande planologische situatie en maakt geen nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk. Het doorlopen van de ladder is daarmee niet aan de orde.
Ter bescherming van de nationale belangen is door het Rijk het "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (Barro) opgesteld. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen.
In het Barro zijn regels opgenomen voor de volgende nationale belangen:
Zoals in paragraaf 2.1.1 is vermeld ligt in het plangebied van bestemmingsplan Buitengebied een gedeelte van de ecologische hoofdstructuur (EHS). In het Barro is de verantwoordelijkheid voor het vastleggen van de begrenzing en het beschermen van de wezenlijke kenmerken en waarden van de betreffende gebieden volledig neergelegd bij de provincies. Zij dienen dit vast te leggen in hun provinciale verordening. De provincie Limburg heeft dit gedaan in de Omgevingsverordening Limburg 2014 (paragraaf 2.2.2).
De overige nationale belangen hebben geen betrekking op het plangebied. In dit bestemmingsplan is bij de keuze voor de bestemmingen uitdrukkelijk rekening gehouden met reeds aanwezige en nog te ontwikkelen waarden.
Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL) 2014, de Omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal Verkeers- en Vervoersprogramma 2014 vastgesteld. Gezamenlijk vormen deze beleidsdocumenten een integrale omgevingsvisie, die vier wettelijke functies vervult: Structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet), Provinciaal Verkeer- en Vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer).
In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering.
De centrale ambitie komt voort uit de Limburg agenda: een voortreffelijk grensoverschrijdend leef- en vestigingsklimaat, dat eraan bijdraagt dat burgers en bedrijven kiezen voor Limburg: om er naar toe te gaan en vooral ook om hier te blijven.
Verder staat in het POL kwaliteit centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen.
Visie Zuid-Limburg
De aantrekkelijkheid van Zuid-Limburg wordt in sterke mate bepaald door de aanwezigheid van relatief op korte afstand van elkaar gelegen, dichtbevolkte stedelijke gebieden (vergelijkbaar met de dichtheid in de Randstad) en het daartussen gelegen unieke Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Dit heuvellandschap geeft samen met de historische binnenstad van Maastricht een bijzondere kwaliteit aan deze regio. In Zuid-Limburg wonen ruim 600.000 mensen, meer dan de helft van alle inwoners in Limburg. Het maakt onderdeel uit van een Europese regio met een rijk palet van economische topsectoren.
Tegelijkertijd is Zuid-Limburg in economisch opzicht te typeren als een 'tussenregio', tussen de metropoolregio's Randstad, Vlaamse Ruit en Ruhrgebied. Er zijn relatief weinig bereikbare banen binnen de landsgrenzen en daarmee is sprake van een beperkte veerkracht van de regionale en lokale economie. Daarbij kampt Zuid-Limburg met leegstandsproblematiek op het gebied van woningbouw, kantoren, verblijfsrecreatie, bedrijventerreinen en detailhandel: er is van alles teveel, en dat vraagt om een heldere visie en bovenal sturing.
Zonering
De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, zijn in het POL zeven globaal afgebakende gebiedstypen onderscheiden. Dit zijn zones met elk een eigen karakter, herkenbare eigen kernkwaliteiten, en met heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.
Het plangebied van bestemmingsplan Buitengebied is nagenoeg volledig aangemerkt als landelijk gebied. Hierbinnen is sprake van vier verschillende gebiedstypen.
Goudgroene natuurzone
Gebieden waar natuur en natuurontwikkeling het primaat hebben vanwege de voorkomende waardevolle flora en fauna, vaak van (inter)nationale betekenis, zoals de Natura2000-gebieden.
In de goudgroene natuurzone staat beschermen en versterken van de natuur centraal, met bijzondere aandacht voor de Natura2000-gebieden en de natuurbeken. Ook de hydrologisch gevoelige natuurgebieden, waaronder de natte parels, vragen om aandacht. Recreatief medegebruik van de natuur dient te worden geoptimaliseerd. Van belang is een goede maatschappelijke verankering van natuur(beleid).
Zilvergroene natuurzone
De zilvergroene natuurzone omvat landbouwgebieden met grote kansen voor natuurontwikkeling en natuurbeheertaken, die vooral met regionale middelen benut zullen moeten worden. Onomkeerbare ontwikkelingen moeten hier worden voorkomen.
Bronsgroene landschapszone
De bronsgroene landschapszone, veelal geconcentreerd in en rond beekdalen en langs steilere hellingen in Zuid-Limburg, bestaat uit landschappelijk aantrekkelijke gebieden met een veelheid aan functies. De beken en beekdalen moeten klimaatbestendig zijn, dus toekomstige pieken en droogteperioden in de regionale waterafvoer kunnen opvangen, en invulling geven aan de Europese doelen. Ze bieden ruimte voor een duurzame ontwikkeling van grondgebonden land- en tuinbouw. Het is belangrijk om de specifieke kwaliteiten van het landschap, de kernkwaliteiten, te koesteren en monumentaal erfgoed optimaal te gebruiken.
Buitengebied
Dit zijn alle andere gronden in het landelijk gebied, vaak met een agrarisch karakter. Het buitengebied biedt de meeste ruimte voor land- en tuinbouw en vrijetijdseconomie.
Uitsnede POL-kaart 'Zonering' met aanduiding plangebied
Hoewel het overgrote deel van het plangebied valt binnen de categorie landelijk gebied, vallen enkele percelen aan de Heerenweg (deelgebied Oost) en aan de Overbroekerstraat en Zandweg (deelgebied West) binnen het bebouwd gebied en zijn deze locaties aangemerkt als 'overig bebouwd gebied'. De opgaven voor dit gebied liggen in de volgende accenten:
Overige opgaven
Behalve de gebiedsopgaven vanuit de zonering zijn op het plangebied ook de volgende onderdelen van het POL van toepassing.
Nationaal Landschap Zuid-Limburg
Een groot gedeelte van deelgebied West ligt binnen het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Het unieke karakter van het Nationaal Landschap dient hersteld, onderhouden en doorontwikkeld. Daarbij ligt de focus op tien kernwaarden. Het omgevingsbeleid is er op gericht om de (huidige) landschappelijke kernkwaliteiten als onderdeel van de kernwaarden van het Nationaal Landschap te behouden, te beheren, te ontwikkelen en te beleven. Ontwikkelingen binnen de ruimte die het beleid voor de verschillende thema’s biedt zijn mogelijk, mits de kernkwaliteiten behouden blijven of versterkt worden (‘ja-mits’).
Infrastructuur en bereikbaarheid
Binnen deelgebied West ligt de A76. Dit is één van de hoofdwegen binnen Limburg, en een internationale verbinding vormt. De provincie houdt bij deze wegen een vinger aan de pols (monitoring) om tijdig knelpunten te signaleren en te agenderen.
Ook ligt binnen dit deelgebied de N281 en wordt het plangebied bij Hoensbroek doorsneden door de nieuwe Buitenring. Beide wegen zijn aangemerkt als zeer belangrijke wegen in het regionaal verbindend wegennet in verband met hun belangrijke bereikbaarheids- en doorstroomfunctie.
Voor deze wegen hanteert de provincie aan weerszijden reserveringsstroken, zodat op termijn een verbreding eventueel mogelijk is. Aanleiding kan dan zijn de (verwachte) verkeersgroei, wegontwerpeisen voortkomend uit het streven naar een duurzaam veilig wegverkeerssysteem, of maatschappelijk-bestuurlijke overwegingen (de weg moet ‘toekomstvast’ zijn).
Ten aanzien van de spoorlijnen Heerlen-Sittard en Heerlen-Maastricht, die beiden deelgebied West doorsnijden, is in het POL vermeld dat de succesvolle aanpak van het regionale openbaar vervoer, via een samenhangend netwerk van bus en treinverbindingen -(visgraatmodel)- wordt gecontinueerd en dat voor de verbetering van het treinverkeer de Railagenda is geformuleerd.
Energie
Ten aanzien van de aanpak van windenergie zijn in het POL voorkeursgebieden en uitsluitingsgebieden voor windturbines aangeduid. Een groot deel van het plangebied is aangeduid als uitsluitingsgebied in verband met de ligging binnen het Nationaal Landschap Zuid-Limburg of vanwege de status van Natura2000-gebied. Het resterende deel van het plangebied (omgeving kasteel Hoensbroek) is niet aangeduid als voorkeursgebied.
Natuur
Hierboven is reeds ingegaan op de zonering van het plangebied in de gebiedstypen goud-, zilver- en bronsgroen, met elk een eigen beleidsdoelstelling. Zoals is aangegeven is een groot deel van het plangebied aangemerkt als 'goudgroene natuurzone'. Dit is direct het gevolg van de aanwezigheid van twee Natura2000-gebieden, die onderdeel uitmaken van een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deelgebied Oost is dit de Brunssummerheide en in deelgebied West het Geleenbeekdal. Daarnaast grenst Natura2000-gebied Kunderberg -(gelegen binnen de gemeente Voerendaal)- aan deelgebied West. Een nadere beschrijving van de Natura2000-gebieden en de inpassing daarvan in bestemmingsplan Buitengebied is opgenomen in paragraaf 5.5.
Uitsnede POL-kaart 'Natuur' met aanduiding plangebied
Water
Door beide deelgebieden stromen beken die in het POL zijn aangemerkt als 'natuurbeek'. Op de Brunssummerheide ontspringt de Rode Beek. In deelgebied West vormt de Geleenbeek de landschappelijke structuurdrager voor het gehele deelgebied. De bron van deze beek ligt bij het buurtschap Benzenrade. De beek stroomt in noordelijke richting en ter hoogte van Terworm takken meerdere zijbeken aan op de Geleenbeek. De Caumerbeek, de derde natuurbeek in het plangebied, mondt ter hoogte van kasteel Hoensbroek uit in de Geleenbeek. Helemaal in het zuiden, bij bedrijventerrein de Beitel, ligt tenslotte nog een vierde natuurbeek binnen het plangebied: de Sourethbeek.
Waardevolle 'natte' natuurgebieden rondom de beken, waaronder het gehele Natura2000-gebied Brunssummerheide en het brongebied van de Geleenbeek, zijn aangeduid als 'natte parels'.
Gestreefd wordt naar ontwikkeling, herstel en behoud van de kwaliteit van de natuurbeken en natte natuurgebieden binnen het provinciaal natuurnetwerk, waarbij tenminste voldaan wordt aan de normen van de Kaderrichtlijn Water (KRW). In en rond de natuurbeken staat het ecologisch functioneren en de natuurfunctie centraal. Inrichting, beheer en onderhoud hiervan dient zoveel mogelijk op de natuurfunctie te zijn afgestemd. Vanuit de KRW geldt een resultaatsverplichting voor het herstel van deze beken, uiterlijk per 2027 dienen al deze beken te zijn heringericht. De beekdalen vervullen in de aanpak een cruciale functie als strategische waterberging. Die functie mag niet worden aangetast. De functie strategische waterberging betekent dat de ruimte voor natuurlijke inundaties in beekdalen in stand moet blijven en de infiltratiecapaciteit van de bodem niet verder afneemt.
Landbouw
De provinciale opgave voor de land- en tuinbouw richt zich onder andere op het bieden van ruimte aan doorgroei van bestaande land- en tuinbouwbedrijven en aan nieuwvestiging van bedrijven. Bij intensieve veehouderij- en glastuinbouwbedrijven wordt daarbij gefocust op een beperkt aantal geschikte locaties in het landelijk gebied. Het gehele plangebied van het bestemmingsplan Buitengebied is niet aangemerkt als ontwikkelingsgebied voor intensieve veehouderijen en glastuinbouw.
Conclusie
Het bestemmingsplan Buitengebied is een beheerplan en heeft daardoor een conserverend karakter. Voor zover in het POL ontwikkelingen zijn voorzien binnen het plangebied, kunnen deze enkel doorgang vinden indien deze al mogelijk waren binnen het voorgaande juridisch-planologisch regime.
Aangezien het plangebied dermate landschappelijk waardevol is, is er bij het toekennen van de bestemmingen zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de bestemmingen 'Natuur' en 'Agrarisch met waarden'. Deze bestemmingen bevatten een aanlegvergunningenstelsel, zodat voor alle werkzaamheden altijd een omgevingsvergunning is vereist.
Ook de andere provinciale belangen dienen in het bestemmingsplan te worden ingepast. Hiervoor heeft de provincie de Omgevingsverordening Limburg vastgesteld, waarop in de volgende paragraaf 2.2.2 wordt ingegaan.
De Omgevingsverordening Limburg 2014 bevat de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL 2014 juridische binding te geven. Specifiek voor de doorwerking van het ruimtelijk beleid is in de verordening een hoofdstuk Ruimte opgenomen. Dit hoofdstuk bevat uitsluitend instructiebepalingen die zijn gericht tot gemeentebesturen. Zij moeten deze regels in acht nemen bij het vaststellen van bestemmingsplannen, beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen.
In het hoofdstuk Ruimte zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het POL-beleid regels opgenomen. Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de Provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale ruimteverordening. Met name gaat het dan om de regels voor de ecologische hoofdstructuur, die zijn ondergebracht in het onderdeel Goudgroene natuurzone.
In de verordening is onder andere bepaald dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen in beginsel een plaats moeten krijgen binnen het bestaande stedelijk gebied (overeenkomstig de Ladder voor duurzame verstedelijking). Herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen krijgt hierbij bijzondere aandacht.
Verder bevat de Omgevingsverordening de bepaling dat een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg niet zal voorzien in de toevoeging van nieuwe woningen aan de bestaande planvoorraad (ofwel de woningen die zijn opgenomen in de voor 5 juli 2013 vastgestelde ruimtelijke plannen en die nog niet zijn gerealiseerd). Uitzondering hierop vormt een woningbouwplan dat voldoet aan de door Gedeputeerde Staten vastgestelde 'Kwaliteitscriteria nieuwe woningen Zuid-Limburg'.
Reserveringszone langs provinciale wegen N281 en Buitenring (artikel 2.3)
"1. Een ruimtelijk plan geeft de aanduiding ‘reserveringszone’ grenzend aan de buitenste kantstreep van de bestaande weg of gerekend vanuit het hart van het bestaande spoor van respectievelijk een provinciale weg of een spoorweg.
2. De breedte van een reserveringszone als bedoeld in het eerste lid, wordt gemeten vanaf de buitenste kantstreep of vanuit het hart van het bestaande spoor en bedraagt 15 meter aan weerszijden."
"Een ruimtelijk plan bevat geen bestemmingen krachtens welke het is toegestaan in een reserveringszone een bouwwerk te bouwen waarvoor een omgevingsvergunning is vereist."
Doorwerking in het bestemmingsplan Buitengebied
De betreffende reserveringszones langs beide provinciale wegen zijn vastgelegd met de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - weg 3'.
Goudgroene natuurzone (artikel 2.6)
"Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat deel uitmaakt van de Goudgroene natuurzone, maakt geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten."
Doorwerking in het bestemmingsplan Buitengebied
Het voorliggend bestemmingsplan heeft een conserverend karakter en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Tevens is de gehele goudgroene natuurzone bestemd als 'Natuur' of 'Agrarisch met waarden'. Deze bestemmingen bevatten een aanlegvergunningenstelsel, zodat voor alle werkzaamheden, uitgezonderd werkzaamheden in het kader van de normale bodemexploitatie, altijd een omgevingsvergunning is vereist.
Bronsgroene landschapszone en Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg
(artikel 2.7 en 2.8)
"De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Bronsgroene landschapszone of in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg, bevat een beschrijving van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd."
Doorwerking in het bestemmingsplan Buitengebied
Hoofdstuk 3 van deze toelichting bevat een uitgebreide beschrijving van het plangebied, inclusief een analyse van de kernkwaliteiten van het landschap. Aangezien het plangebied dermate landschappelijk waardevol zijn, is er bij het toekennen van de bestemmingen zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de bestemmingen 'Natuur' en 'Agrarisch met waarden'. Deze bestemmingen bevatten een aanlegvergunningenstelsel, zodat voor die werkzaamheden die de onderscheidelnlijke waarden aan zouden kunnen tasten, altijd een omgevingsvergunning is vereist.
Zone natuurbeek (artikel 2.9)
"De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Zone natuurbeek, bevat een beschrijving van de wijze waarop:
Doorwerking in het bestemmingsplan Buitengebied
Hoofdstuk 3 van deze toelichting bevat een uitgebreide beschrijving van het plangebied, inclusief een beschrijving van de aanwezige beken. Door toepassing van de bestemming 'Water' en de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterlopen met een waterhuishoudkundige en/of waterstaatkundige functie' zijn de waarden van de beken met hun omliggende zone voldoende beschermd.
Uitsluitingsgebieden windturbines (artikel 2.10)
"Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in het Uitsluitingsgebied windturbines, voorziet niet in de plaatsing van een windturbine, bestaande uit een mast met een minimale hoogte van 25 m met daarop aangebracht een rotor."
Doorwerking in bestemmingsplan Buitengebied
Windturbines zijn in de regels van dit bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt.
Intensieve veehouderij en glastuinbouw (artikel 2.11 en 2.12)
"Een ruimtelijk plan voorziet niet in de nieuwvestiging van een intensieve veehouderij/glastuinbouwbedrijf buiten een op de kaarten behorende bij deze verordening als ontwikkelingsgebied intensieve veehouderij/glastuinbouw aangewezen gebied."
Doorwerking in het bestemmingsplan Buitengebied
Uitsluitend het bestaande aanwezige glastuinbouwbedrijf en de intensieve veehouderij (zie paragraaf 3.4.3) zijn toegestaan. Nieuwvestiging van dergelijke bedrijven is in de regels van dit bestemmingsplan uitgesloten.
Conclusie
Bij het opstellen van de bestemmingsregeling van het bestemmingsplan Buitengebied is rekening gehouden met bovengenoemde bepalingen. Het plan voldoet daarmee aan de Omgevingsverordening Limburg 2014.
Op 11 november 2016 hebben Provinciale Staten de Wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014 geamendeerd vastgesteld. Met de Wijzigingsverordening Omgevings-verordening Limburg 2014 wordt nu, zoals in POL2014 is vastgelegd, invulling gegeven aan de borging van de bestuursafspraken regionale uitwerking POL 2014 in de Omgevingsverordening door middel van zogenoemde voorzorgsbepalingen. Concreet komt het er op neer, dat gemeenten geen nieuwe woningen meer mogen toevoegen aan de voorraad, tenzij de raad van die gemeente de SVWZL heeft vastgesteld waarin is geregeld dat er een regionale programmering dient te zijn en waarin afspraken zijn gemaakt over compenserende maatregelen in geval van nieuwe toevoegingen aan de woningvoorraad.
Conclusie
Bij het opstellen van de bestemmingsregeling van het bestemmingsplan Buitengebied is rekening gehouden met de bovengenoemde bepalingen. Het bestemmingsplan voorziet niet in het creeeren van nieuwe woningen. Het plan voldoet daarmee aan de Omgevingsverordening Limburg 2014.
Op 1 februari 2011 hebben Provinciale Staten van Limburg de Provinciale Woonvisie 2010-2015 vastgesteld. In deze visie is de ambitie van de provincie op het gebied van wonen uiteengezet en is de rol van regisseur die de provincie binnen dit beleidsveld wil vervullen nader beschreven.
In de woonvisie is nadrukkelijk rekening gehouden met de gevolgen van de bevolkingsdaling voor het woonbeleid van de verschillende woonregio's. Dit leidt tot een gedifferentieerde benadering per regio.
Zuid-Limburg wordt nu al sterk beïnvloed door de krimp. Voor heel Zuid-Limburg wordt voor de periode 2010-2030 een afname van de woningvoorraad met 16.000 woningen verwacht. De Stadsregio Parkstad neemt hierbij binnen Zuid-Limburg een bijzondere positie in. De kwantitatieve sloopopgave in Parkstad is becijferd op ruim 13.000 woningen tot 2020. Om dit te bereiken hanteert de provincie voor Parkstad m.b.t. de woningvoorraadontwikkeling een beleid met als kwantitatief uitgangspunt: "een erbij is twee eraf".
Zowel Heerlen als Parkstad hebben van meet af aan bedenkingen geuit tegen dit kwantitatieve uitgangspunt. Reden daarvoor is, dat een rigide toepassing van dit principe, investeringen in het verbeteren van de woningvoorraad per definitie financieel onhaalbaar maakt. De regio Parkstad heeft het provinciaal woonbeleid - met uitzondering van dit principe - verder uitgewerkt in haar eigen woonbeleid, dat tevens het woonbeleid voor de gemeente Heerlen vormt. Een samenvatting van dit beleid is opgenomen in paragraaf 2.3.
Het POL2014 bevat de hoofdlijnen van het provinciaal verkeers- en vervoersbeleid. Deze zijn verder geconcretiseerd in het Provinciaal Verkeers- en Vervoersprogramma 2014 (PVVp2014). Het gaat om thema’s als regionale infrastructuur, waaronder het provinciale wegennet, regionaal openbaar vervoer (trein- en busdiensten), verkeersveiligheid, verkeers- en vervoersmanagement, fietsverkeer, logistiek en goederenvervoer.
De prioriteit van het mobiliteitsbeleid ligt bij de economische bereikbaarheid. De doorontwikkeling van de Limburgse economie en arbeidsmarkt naar nieuwe, moderne richtingen en sectoren kan in belangrijke mate worden ondersteund door adequate infrastructuurvoorzieningen en mobiliteitsmogelijkheden. Een goede bereikbaarheid en (verkeers)leefbaarheid zijn positieve vestigingsplaatsfactoren voor bedrijven en werknemers. Zij kunnen hierdoor op basis van zelfstandigheid en onafhankelijkheid maatschappelijk acteren.
Tegelijkertijd moet deze toekomstige ontwikkeling van Limburg nadrukkelijk in een duurzaam
perspectief geplaatst worden. Keuzes voor de korte termijn dienen de mogelijkheden op langere termijn niet te blokkeren of ernstig te hinderen. Het beleid voor een optimale bereikbaarheid moet op lange termijn aansluiten op de te verwachten bevolkingsontwikkeling en de sociaal-economische ontwikkelingen in Limburg. Goede afwegingen hierbij, in combinatie en afstemming met de aspecten ruimtelijke inrichting, leefbaarheid, omgevingskwaliteit en veiligheid, leveren een bijdrage aan een duurzaam verkeers- en vervoerssysteem.
Het plangebied van het bestemmingsplan Buitengebied bestaat grotendeels uit natuurgebied en enkele woongebieden. Derhalve beschrijft Het Provinciaal Verkeers- en Vervoersprogramma 2014 geen specifieke aandachtspunten voor het plangebied
De regio Parkstad Limburg heeft een eigen intergemeentelijke structuurvisie vastgesteld: 'Ruimte voor park & stad' (2009). De visie beoogt de missie van de regio, 'het in duurzame samenhang ruimtelijk-economisch ontwikkelen van de regio en het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit', te verwezenlijken. Als alle partijen hun krachten bundelen, moet het mogelijk zijn om in 2030 deze kwaliteiten in Parkstad Limburg te ervaren:
De intergemeentelijke structuurvisie zet de toekomstlijnen uit voor twee structuurdragers: ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit en de economisch-maatschappelijke ontwikkeling. Deze dragers zijn uitgewerkt door middel van vier hoofdthema's:
Ruimtelijke identiteit - regionale ontwikkeling met de natuur als goede buur
Natuur en landschap, inclusief het rijke erfgoed, beek- en rivierdalen vormen de basis voor een duurzame versterking van identiteit en vitaliteit. De stad krimpt, verdicht en laat zo de natuur ruimte voor groen en waterstructuren.
Economie - meer vitaliteit vanuit historische en huidige kracht
Hoofdambitie is economische structuurversterking met als strategie ruimtelijke concentratie en revitaliseren van locaties die niet aan moderne eisen voldoen, onder toepassing van de SER-ladder. Bij revitalisering van bestaande locaties krijgt kleinschalige bedrijvigheid nadrukkelijk de ruimte.
Wonen - meer kwaliteit voor een veranderende bevolking
Herstructurering gaat voor uitbreiding: het bedienen van de veranderende wensen van bestaande en nieuwe doelgroepen verloopt dus vooral via een kwalitatieve vervangingsopgave. In principe geen uitbreiding buiten huidige stedelijke contour.
Mobiliteit - meer samenhang, betere bereikbaarheid
De ambitie is een betere bereikbaarheid via weg en spoor, zowel regionaal als internationaal. De nieuwe ringstructuur ontlast de oude radiale wegenstructuur. Hierbij hoort een heldere, eenduidige categorisering van wegen naar hun functie. Dit is in de structuurvisie vertaald naar een XL t/m S-aanduiding.
|
|
|
|
| Uitsnede ontwikkelingskaart Structuurvisie Parkstad Limburg | |
De structuurvisie onderscheidt zeven belangrijke ontwikkelingszones: de zes projectgebieden en de herstructurering van het stedelijk gebied. Deze gebieden zijn zones die, vanuit regionale schaal bekeken, een belangrijke rol vervullen in de ruimtelijke en uiteindelijk de economische ontwikkeling. Het zijn gebieden waar integrale ontwikkelingen evident zijn of mogelijk worden geacht.
Binnen deze ontwikkelingszones spelen zich tal van kleine en grote deelprojecten af met bijbehorende programma’s en activiteiten. Per ontwikkelingszone wordt een profiel en programma geschetst met een bijbehorend kaartbeeld. Naast de toetsing op grond van het Limburgs Kwaliteitsmenu en contourenbeleid dienen ontwikkelingen met betrekking tot woningbouw en werklocaties te worden getoetst aan lokaal én regionaal beleid en dienen zowel kwalitatief als kwantitatief binnen de lokale en regionale programmering te passen.
Deelgebied Oost van het bestemmingsplan Buitengebied maakt onderdeel uit van het projectgebied Oostflank. De visie op dit gebied is versterking van het landschap tot het grootste openbare groenareaal van Parkstad Limburg: 2000 hectare groot en het groene middelpunt van Parkstad Limburg. Herstel van het beekdal en renaturering van de Roode Beek staat centraal in dit projectgebied.
Het andere projectgebied dat relevant is voor het bestemmingsplan Buitengebied is de Westflank. Belangrijke opgave voor dit gebied is het beschermen, versterken, vergroten en verbinden van de twee natuurlijke gebiedseenheden, Terworm en Imstenrade, inclusief het ontwikkelen van de Geleenbeek als bindende factor. Concreet houdt dit in dat de zone van Imstenrade en de Geleenbeek wordt opgewaardeerd, met aandacht voor het inrichten en ontwikkelen van een parkachtige ecologische beekzone met nieuwe verbindingen naar het Heuvelland, het renatureren van beken en het herkenbaar maken van reliëf.
Conclusie
De opgaven vanuit de structuurvisie kunnen plaatsvinden binnen het vigerende planologische kader, dat met het bestemmingsplan Buitengebied wordt voortgezet. Indien een gewenste ontwikkeling niet past binnen het bestemmingsplan, zal te zijner tijd een aparte planologische procedure doorlopen moeten worden.
De gemeenten in Parkstad willen inzetten op het vergroten van de aantrekkelijkheid van het wonen in de regio, door samen met bewoners, marktpartijen en maatschappelijke partners te komen tot een aanbod van woningen dat aansluit bij de behoefte in de toekomst. De grootste opgave ligt daarbij in het kwalitatief op peil houden van de bestaande woningvoorraad en het kwantitatief in balans brengen van de woningvoorraad. Het gelijktijdig werken aan een kwantitatief en kwalitatief evenwicht is noodzakelijk, ook om problemen in zwakke woningmarktgebieden te voorkomen.
De Parkstadgemeenten hebben in samenwerking met de Provincie Limburg en het Rijksvastgoedbedrijf een filosofie uitgewerkt om in de transformatieopgave op de woningmarkt, met beperkte financiële middelen, zoveel mogelijk resultaat te boeken. Hiertoe zijn zeven leidende principes benoemd, waarlangs op een zo rendabel mogelijke wijze kan worden gewerkt aan de totstandkoming van een gezonde woningmarkt:
De Parkstadgemeenten willen de woonaantrekkelijkheid in de regio versterken, door aanwezige woonmilieus beter positioneren en profileren voor de woonconsument. Op deze wijze wordt het woon- en werkklimaat in de regio verbeterd. Dit betekent dat ontwikkelingen in woongebieden recht moeten doen aan de verschillen tussen woonmilieus. Op sommige plekken kunnen nog woningen worden toegevoegd, terwijl in met name het suburbaan gebied een overschot optreedt. Door de overschotten weg te werken moeten vraag en aanbod van woningen meer in evenwicht met elkaar worden gebracht en ontstaat er bovendien een kans om meer ruimtelijke kwaliteit van deze gebieden toe te voegen.
Buiten de kwalitatieve ontwikkeling van woonmilieus, heeft de gehele regio een overkoepelende volkshuisvestelijke opgave: het voorkomen van concentraties van leegstand en ruimtelijke segregatie en de spreiding van kansen van doelgroepen over de regio.
Algemene visie op wonen in Heerlen
Heerlen maakt onderdeel uit van de Tripool Maastricht, Sittard, Heerlen die samen het economische hart van Zuid-Limburg vormen. Regionaal economische ontwikkelingen hebben belang bij een sterke centrumstad met stedelijke woonmilieus. Een aantrekkelijk woonklimaat is namelijk een van de randvoorwaarden voor het vestigingsklimaat in de regio. Wonen ondersteunt ontwikkelingen rondom de Campussen, RWTH, etc. Deze ontwikkelingen leiden tot een andere additionele woonvraag van kenniswerkers en expats. Dit komt tot uitdrukking in het versterken van de woonmilieus in Heerlen:
Het centrum van Heerlen biedt binnen de regio een uniek centrumstedelijk woonmilieu. De gemeente wil dit woonmilieu versterken door cultureel aanbod, kwaliteit van de openbare ruimte en goede voorzieningen. De woonfunctie moet in het centrum meer ruimte krijgen. Door toevoeging van appartementen en stadsvilla's voor stedelijke, vaak jongere, leefstijlen. Dat betekent wel een omslag ten opzichte van de huidige vergrijsde bevolkingsopbouw van het Centrum.
Bij de woonmilieus op afstand van het centrum kiest de gemeente juist voor 'verdunnen' en 'vergroenen' van wijken, zodat hier aantrekkelijke woonmilieus ontstaan. Het parkachtige wonen in de verschillende stadsdelen dat hiermee versterkt wordt, biedt kansen om kenniswerkers, nieuwe economische clusters en studenten uit Aachen aan te trekken. Voor deze groepen wil Heerlen aantrekkelijke woonconcepten bieden.
Naast economische structuurversterking en de functie van wonen hierbij geven we tegelijkertijd aandacht aan het woonklimaat voor andere inwoners, ook die met een kleine beurs. De wijkenaanpak heeft hierin een belangrijke rol. Heerlen heeft een traditie om via de wijkenaanpak samen met maatschappelijke partners de woonkwaliteit van stadsdelen en woonwijken te verbeteren. De gemeente kiest hierbij een twee-sporenaanpak, waarbij zij voor wijken met een opstapeling van problemen kiest voor een actieve begeleiding van de ontwikkeling van de wijken, volgens de wijkenaanpak. Voor andere wijken kiest de gemeente voor een ondersteunende benadering, waarbij zij initiatieven vanuit de wijk ondersteunt. De wijkenaanpak richt zich bewust op zowel de fysieke als sociale verbetering van wijken. Corporaties, zorg- en welzijnsaanbieders zijn net als de bewoners belangrijke partners bij de wijkenaanpak.
Conclusie
De woonstrategie bevat geen concrete uitgangspunten voor het bestemmingsplan Buitengebied, omdat geen onbenutte woningtitels worden geschrapt.
Vanuit het gestelde kader in de regionale woonstrategie heeft de Parkstadraad op 11 december 2013 de regionale woningmarktprogrammering voor de periode 2013-2016 vastgesteld. Met deze regionale woningmarktprogrammering spreken de gemeenten in Parkstad Limburg uit, rekening te houden met elkaars belangen en te streven naar een evenwichtige woningmarkt. De regionale woningmarktprogrammering koppelt kwaliteit aan kwantiteit en is daarmee een belangrijk instrument voor de regiogemeenten. De gemeenten geven met deze regionale woningmarktprogrammering aan welke woningbouwprojecten het best aansluiten bij de huidige marktomstandigheden en hoe in de toekomst met nieuw toe te voegen woningbouwprojecten wordt omgegaan. Hiermee beogen we van de regio Parkstad een aantrekkelijke woonregio te maken.
In de regionale woningmarktprogrammering is een onderscheid gemaakt tussen bestaande en nieuwe projecten. In beide gevallen geldt dat er zowel kwantitatieve als kwalitatieve toetsing plaats heeft gevonden. De kwantitatieve toets is voor beiden gelijk, de kwalitatieve toets verschilt.
De bestaande projecten zijn vanuit een markttechnisch perspectief getoetst op de locatie van het woningbouwproject en de productmarktcombinatie. Dit heeft erin geresulteerd dat de bestaande woningbouwprojecten kunnen worden verdeeld in de volgende categorieën:
Bij de vraag of een nieuw initiatief kan worden opgenomen in de regionale woningmarktprogrammering, wordt getoetst aan de transformatieopgave voor het betreffende woongebied waarin dat plan is gelegen. Een nieuw initiatief kan worden toegevoegd aan de regionale woningmarktprogrammering, indien het aantal toe te voegen woningen kleiner dan of gelijk is aan nul (bijvoorbeeld bij een herstructureringsgebied met sloop en vervangende nieuwbouw) óf indien het een project betreft in een woongebied met een verdichtingsopgave met woningen waarin de programmering nog niet voorziet.
Conclusie
Van de bestaande woningbouwprojecten die zijn opgenomen in de regionale woningmarktprogrammering is geen enkel project gelegen binnen het plangebied van het bestemmingsplan Buitengebied.
In december 2009 heeft het Parkstadbestuur de "Herstructureringsvisie voor de woningvoorraad Parkstad Limburg 2008-2020" vastgesteld, die in januari 2010 door de raden van de Parkstadgemeenten is bekrachtigd. De Herstructureringsvisie geeft inzicht in de gebieden waar in Parkstad Limburg transformatie van de woningvoorraad nodig is, in het licht van de teruglopende en veranderende woningbehoefte, om te komen tot een duurzame ruimtelijke structuur. Per gemeente en voor geheel Parkstad is de transformatie-opgave tot en met 2020 geformuleerd in de vorm van een ‘envelop’. Deze enveloppen bestaan uit een kwantitatieve en een kwalitatieve transformatieopgave (onttrekkingen ten gevolge van bevolkingsdaling en bouwplannen en vervangingsopgave), zodat de partners gestimuleerd worden om afwegingen te maken: soms kan het verstandiger zijn een ‘papieren plan’ te stoppen dan een daadwerkelijke woning te slopen. Met overzichtskaarten is aangegeven waar de herstructureringsopgave gaat 'landen', waarbij onderscheid is gemaakt in drie typen gebieden:
Beheergebieden
In deze gebieden vindt, buiten de eventuele realisatie van ABC-plannen, geen herstructurering van de woningvoorraad plaats. Binnen beheergebieden kunnen wel overige ontwikkelingen plaatsvinden, niet zijnde woningbouwherstructurering.
Verdunningsgebieden
In verdunningsgebieden zal de verdunningsopgave landen. Dit zijn gebieden waar een kwaliteitsslag kan worden gemaakt door verdunning, voor wat betreft o.a. het wonen, het verminderen van druk op het openbaar gebied, vergroening en verbetering van leefbaarheid in het algemeen. Hierbij kan gedacht worden aan sloop en nieuwbouw, maar ook aan bijvoorbeeld samenvoeging en aanpassing van woningen.
Ontwikkelingsgebieden
Dit zijn gebieden waar door de gemeenten (en partners), in het kader van de krimp, reeds integrale plannen zijn opgesteld die structuur- en functieverandering omvatten en die bekend zijn in de gemeente. Naast ontwikkelingsgebieden in het kader van de krimp, kunnen ook nog andere (grootschalige) ontwikkelingen binnen de gemeenten gepland of in uitvoering zijn die losstaan van de krimpopgave. Tevens kan in een aantal ontwikkelingsgebieden een deel van de verdunningsopgave landen.
Het plangebied van het bestemmingsplan Buitengebied heeft een landelijk karakter. Verspreid komen woningen voor, maar de meeste hiervan zijn in de herstructureringsvisie niet aangeduid met een specifiek gebiedstype. Deze vallen daarmee buiten de reikwijdte van de visie. Twee grotere bebouwingsclusters zijn wel aangeduid als verdunningsgebied. Het betreft de lintbebouwing aan de Heerenweg in deelgebied Oost en het buurtschap Benzenrade in deelgebied West.
Conclusie
Voor het bestemmingsplan Buitengebied, dat een conserverend karakter heeft, heeft de aanwijzing van de bebouwingsclusters als verdunningsgebied geen directe consequenties. Bestaande woningen blijven behouden. Toekomstige ontwikkelingen kunnen plaatsvinden binnen het planologisch kader dat met dit bestemmingsplan wordt gevormd, of via een aparte procedure indien een ontwikkeling niet past binnen dit kader.
Op 31 oktober 2011 heeft het Parkstadbestuur een structuurvisiebesluit genomen, dat in gaat op het thema wonen. Zoals geschetst in het regionale woonbeleid (o.a. Herstructureringsvisie voor de woningvoorraad, Parkstad Limburg) is het, mede uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gezien de voorziene ontwikkelingen van het aantal huishoudens in Parkstad Limburg, niet gewenst om de regionale woningvoorraad verder te laten toenemen om het (toekomstige) overschot aan woningen niet nog verder te laten toenemen. Wel blijft de noodzaak aanwezig om de samenstelling van de woningvoorraad aan te passen aan de veranderende woonwensen. Daarvoor zullen nieuwe woningen moeten worden gerealiseerd die dienen als vervanging van bestaande voorraad.
Geen verdere toename van de omvang van de regionale woningvoorraad betekent dat het wenselijk is dat nog beschikbare vigerende plancapaciteiten die leiden tot een toename van de regionale woningvoorraad niet per definitie moeten worden gerealiseerd en dat in voorbereiding zijnde uitbreidingen van de regionale woningvoorraad niet altijd worden omgezet in daadwerkelijke additionele plancapaciteit.
Beleidsbesluit
In haar regionaal woonbeleid, gepubliceerd als eigen beleid door de Parkstadgemeenten, geeft de Stadsregio aan wat de opgave in de regionale woningvoorraad t/m 2020 is (regionale kaders). Uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening dient de woningvoorraad binnen de gemeenten in Parkstad Limburg zich te bewegen binnen deze gestelde kaders.
Vigerende bestemmingen woningbouw, waarvan op 1 januari 2013 nog geen gebruik is gemaakt, zullen daartoe bij actualisatie van het bestemmingsplan worden herzien tenzij de locatie is opgenomen / past binnen de regionale afsprakenkaders (o.a. woningbouwprogrammering).
Zoals al in paragraaf 2.3.3 is geconcludeerd, is er momenteel binnen het plangebied geen sprake van een woningbouwproject dat is opgenomen in de regionale woningmarktprogrammering. Dit betekent dat alle bestaande, maar niet benutte, planologische bouwtitels met de vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied komen te vervallen.
Conclusie
Na een uitgebreide inventarisatie blijkt dat er in het plangebied sprake is van drie locaties waar sprake is van onbenutte planologische bouwtitels voor woningen:
In het bestemmingsplan Buitengebied wordt de bouw van woningen op deze locaties niet langer toegestaan.
In 2014 is het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL) vastgesteld. Daarin wordt geconstateerd dat Limburg in toenemende mate 'van alles te veel' heeft: te veel winkels, te veel kantoren, te veelplannen in de pijplijn. De economische markt vraagt minder fysieke ruimte c.q. panden dan voorhanden zijn. Kortom, er is sprake van een fors overaanbod aan commerciële panden, zichtbaar in de hoge leegstand, vooral in de winkel- en kantorenmarkt. Daarnaast is ook de kwaliteit niet overal goed afgestemd op de behoefte van vandaag en dekomende decennia. Bij winkels spelen vooral ontwikkelingen als het internetwinkelen, maar ook 'blurring' (winkelconcepten vermengd met andere functies, zoals horeca en leisure, etc.) een belangrijke rol. Bij kantoren moet gedacht worden aan 'het nieuwe werken' en de behoefte aan kleinere eenheden en een andere inrichting. Dit heeft op dit moment op sommige locaties een hoge leegstand als gevolg. De ongewenste neveneffecten van leegstand uiten zich in het onder druk komen te staan van de leefbaarheid van (kleine) kernen, het ondernemers- en vestigingsklimaat en de vastgoedwaarde.
In het POL 2014 zijn daarom voor het thema Ruimtelijke Economie (te weten: detailhandel, bedrijventerreinen en kantoren) een aantal uitgangspunten geformuleerd, waaronder dynamisch voorraadbeheer en 'meer stad, meer land'. Om verdere leegstand en daarmee de beschreven ongewenste neveneffecten te voorkomen, moeten gemeenten kiezen voor de toekomstbestendige locaties. Zo verbetert de verhouding tussen vraag en aanbod in de beschreven thema's van ruimtelijke economie, de kwaliteit van deze gebieden en het toekomstperspectief voorondernemers. Dit betekent niet dat daarmee de leegstand zal worden opgelost. Wel zal de leegstand zoveel mogelijk ontstaan buiten de toekomstbestendige locaties, waar de neveneffecten zo min mogelijk 'kwaad' doen.
De POL-uitgangspunten zijn door de 18 Zuid-Limburgse gemeenten gedurende een zorgvuldig proces samen uitgewerkt in een intergemeentelijke Structuurvisie Ruimtelijke EconomieZuid-Limburg (SVREZL). De gemeenteraad heeft op 20 december 2017 de SVREZL vastgesteld. De SVREZL heeft een vijfledig doel:
1. behoud van de leefbaarheid en versterking van de economische hoofdstructuur wat betreft
winkels, kantoren en bedrijventerreinen,
2. verdunnen van de bestaande vastgoedvoorraad tot een gezonde marktspanning,
3. stap voor stap terugdringen van ongewenste bestemmingsplanvoorraad buiten de
hoofdstructuur,
4. faciliteren van kwalitatieve toevoegingen die passen binnen de uitgangspunten,
5. door herbestemming bijdragen aan verbetering van het gebruik van een bestaande locatie.
Deze doelstelling betekent in de praktijk dat gemeenten hebben moeten kiezen voor de sterkste locaties voor winkels, kantoren en bedrijventerreinen en dat niet alle bestaande capaciteit in combinatie met de beoogde plannen kan blijven bestaan. Vergroten van de marktspanning in deruimtelijke economie is nodig om zo te komen tot gezonde vraag/aanbod-verhoudingen.
De in de SVREZL aangewezen toekomstbestendige locaties vormen samen de ruimtelijk-economische hoofdstructuur. Deze bestaat uit concentratie- en balansgebieden, die zijn aangegeven op de kaarten voor detailhandel- en kantoorgebieden. De concentratiegebieden zijn de dragers van de hoofdstructuur. In deze gebieden kan kwalitatieve verbetering plaatsvinden, eventueel gecombineerd met een kwantitatieve uitbreiding. Voor balansgebieden is 'kwalitatieve versterking' de strategie. Hierbij valt te denken aan versterking dan wel uitbreiding van het aanbod zonder een uitbreiding van het aantal m². Ook de bedrijventerreinen zijn op kaart aangegeven; omdat de hier nauwelijks overaanbod is, zijn de bestaande bedrijventerreinen op kaart aangegevenzonder verschil in concentratie- of balansgebieden. Voor alle thema's geldt, dat al het overige gebied(dat niet op kaart staat) valt buiten de hoofdstructuur en transitiegebied wordt genoemd.
Transitiegebied houdt in, dat de winkel-, kantoor- en/of bedrijvenbestemming in zo'n gebied op termijn mogelijk kan worden onttrokken. Er wordt per subregio, in dit geval dus op de schaal van Parkstad Limburg, een uitwerking gemaakt van prioritering van locaties. Het kan hierbij gaan om actieve én passieve sturing.
Op 31 oktober 2011 heeft het Parkstadbestuur een structuurvisiebesluit genomen, dat ingaat op het thema retail. Zoals geschetst in het regionale retailbeleid (Retailstructuurvisie 2010-2020, Parkstad Limburg) is het, mede uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gezien de voorziene ontwikkelingen van het aantal huishoudens in Parkstad Limburg en de daarmee samenhangende afname van het bestedingspotentieel, niet gewenst om de regionale retailvoorraad nu verder te laten toenemen om het (toekomstige) overschot aan winkelvloeroppervlak niet nog verder te laten toenemen. Echter, ondanks het teruglopen van het omzetpotentieel dient er wel ruimte geboden te worden aan uitbreiding van winkelaanbod op bepaalde locaties. Door deze structuurbepalende gebieden als uitgangspunt te nemen, wordt uitval aan de onderkant van de markt in werking gezet en ontstaat er zodoende schaarste die noodzakelijk is om wenselijke ontwikkelingen ook op wenselijke locaties te laten plaatsvinden.
Geen verdere toename van de omvang van de regionale retailvoorraad betekent dat het wenselijk is dat nog beschikbare vigerende plancapaciteiten die leiden tot een toename van de regionale retailvoorraad niet per definitie moeten worden gerealiseerd en dat in voorbereiding zijnde uitbreidingen van de regionale retailvoorraad niet altijd worden omgezet in daadwerkelijke additionele plancapaciteit.
Beleidsbesluit
In haar regionaal retailbeleid, gepubliceerd als eigen beleid door de Parkstadgemeenten, geeft de Stadsregio aan wat de opgave in de regionale winkelvoorraad t/m 2020 is (regionale kaders). Uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening dient de winkelvoorraad binnen de gemeenten in Parkstad Limburg zich te bewegen binnen deze gestelde kaders. Vigerende bestemmingen detailhandel, waarvan op 1 januari 2013 nog geen gebruik is gemaakt, zullen daartoe bij actualisatie van het bestemmingsplan worden herzien tenzij de locatie is opgenomen / past binnen de regionale afsprakenkaders (o.a. beslisboom).
In het plangebied van bestemmingsplan Buitengebied is geen sprake van een locatie met een detailhandelsconcentratie met een groot verzorgingsgebied, zoals benoemd in de Retailstructuurvisie. Zoals al in voorgaande paragraaf 2.3.6 is aangegeven, is er momenteel sprake van slechts twee detailhandelsvestigingen in het plangebied.
In lijn met het regionaal retailbeleid wordt in bestemmingsplan Buitengebied de mogelijkheid van vestiging van detailhandel in panden waar ten tijde van het opstellen van het bestemmingsplan géén detailhandel was gevestigd, uitgesloten.
Conclusie
Na een uitgebreide inventarisatie blijkt dat er in het plangebied sprake is van vier locaties waar een onbenutte planologische titel voor detailhandel aanwezig is:
Het pand aan de Heerenweg 240 is gesloopt en het stuk grond ligt momenteel braak. De locaties in Ten Esschen zijn in de huidige situatie bebouwd, maar er is geen detailhandel meer gevestigd. In het bestemmingsplan Buitengebied wordt de vestiging van detailhandel op al deze locaties niet langer toegestaan.
In september 2008 heeft de Parkstadraad de Strategische Visie op het toerisme in Parkstad vastgesteld. Voor een betere positie en een hoger rendement dient Parkstad zich in de toekomst meer te ontwikkelen als verblijfsdestinatie (met een groter marktbereik en hogere bestedingen per persoon per dag). Parkstad moet zich daarbij qua invulling onderscheiden van het Heuvelland en Maastricht. Het klassieke Zuid-Limburgse landschap is in de regio ruim aanwezig. Het benutten hiervan is belangrijk voor de beeldvorming, terwijl dit relatief geringe investeringen vergt. Daarnaast moet Parkstad ook zijn eigen rijke cultuur en cultuurhistorische verleden durven in te zetten. Ook voor de agrarische sector zijn kansen aanwezig in de toeristische sector en vooral in het verblijfstoerisme. Met name shortbreaks met een groter marktbereik en hogere bestedingen per persoon per dag.
De Strategische Visie is gebaseerd op de Parkstad Ring en circa 20 daaraan gekoppelde toeristische attracties en gebieden, respectievelijk rode en groene clusters genoemd. Binnen het plangebied van bestemmingsplan Buitengebied wordt de Brunssummerheide als belangrijke toeristische trekker benoemd. Op dit moment bevinden zich op diverse plekken binnen het plangebied al toeristisch-recreatieve voorzieningen (zie paragraaf 3.4.3)
Op 7 juli 2015 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie Heerlen 2035 vastgesteld. Met dit planologisch instrument kan de gemeente de ruimtelijke sturing beter afstemmen op de ruimtelijke opgaven van de toekomst.
De structuurvisie is opgesteld op basis van een belangrijk kantelpunt in de historie van ruimtelijke ontwikkeling in Nederland. De grenzen van de groei zijn bereikt. Er is een eind gekomen aan een onafgebroken periode van vraag naar ruimte en vastgoed.
Nieuwe ontwikkelvraagstukken hebben nu vooral te maken met de vraag hoe om te gaan met bestaand vastgoed en vrijkomende ruimte. De ruimtelijke opgaven voor de toekomst hebben veel vaker betrekking op bestaand vastgoed in plaats van nieuwbouw en zullen gekenmerkt worden door termen als: flexibel, tijdelijk, duurzaam en kleinschalig. Ook de rol van de gemeente verandert. Heerlen moet de slag maken van een toetsende naar een faciliterende overheid. Niet alles zelf herontwikkelen, maar vooral ook initiatieven van ondernemers, marktpartijen en inwoners mogelijk maken, met de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen in deze structuurvisie als uitgangspunt.
Deze transitieopgaven lopen als een rode draad door de structuurvisie. In de structuurvisie staan vier thema’s centraal: Vitale stad, Centrale stad, Innovatieve stad en Verrassende stad.
Vitale stad
In het thema Vitale stad wordt een beeld geschetst van woonwijken in 2035. Aan de ene kant willen we inzetten op minder woningen, maar vooral ook op woningen met meer kwaliteit en variatie. Dus geen grootschalige uitbreidingsnieuwbouw meer, maar inzetten op het doorbreken van de eentonigheid van sommige woonbuurten. Aan de andere kant willen we goede voorzieningen blijven aanbieden. Dat kan soms betekenen dat een voorziening uit de buurt verdwijnt als het verzorgingsgebied voor die voorziening te klein wordt. In die gevallen zetten we in op het vormen van sterke voorzieningenclusters in buurten en stadsdelen.
Binnen het plangebied van bestemmingsplan Buitengebied komt het woonmilieu 'landelijk wonen' voor in de buurtschappen Ten Esschen en Benzenrade. Hier is van oorsprong agrarische bebouwing aanwezig. De buurtschappen zijn solitair gelegen in het landschap. Het gaat om boerderijen en grondgebonden koopwoningen in zeer lage woningdichtheden. Kansen zijn er voor het behoud van het vaak historische karakter van de bebouwing, bijvoorbeeld door het op beperkte schaal toestaan van woningbouw in karakteristieke boerderijen. Het realiseren van gestapelde woningen doet afbreuk aan de kwaliteit van dit woonmilieu en is daarom ongewenst. Kansrijke doelgroepen zijn gezinnen en senioren met een bovenmodaal inkomen.
Centrale stad
In het thema Centrale stad beschrijven we hoe we de rol van Heerlen als centrumgemeente in de regio kunnen versterken. Belangrijke speerpunten daarbij zijn een compact kernwinkelgebied met een compleet en gevarieerd winkelaanbod, het realiseren van een Smart Services Campus en het versterken van het stedelijk woonmilieu. Cultuur in al zijn facetten is daarbij een belangrijke bindende factor.
Dit thema heeft geen directe relatie met het plangebied van het bestemmingsplan Buitengebied.
Innovatieve stad
In het thema Innovatieve stad geven we aan hoe we anders kunnen omgaan met stedelijke ontwikkelopgaven bij veranderende omstandigheden. Het hergebruiken van bestaand vastgoed en het vrijkomen van ruimte na sloop spelen daarbij een belangrijke rol. Bovendien willen we mondiale duurzaamheidsvraagstukken verbinden met lokale transitieopgaven. Heerlen heeft de ambitie om in 2040 een energie-neutrale stad te zijn. Dat is een stad waarin processen rond wonen, werken en leven niet op negatieve wijze bijdragen aan klimaatverandering.
Om de energie-neutrale status te bereiken is een energietransitie noodzakelijk. Behalve door het beperken van het energiegebruik kan deze ambitie ook worden bereikt door hernieuwbare energie op te wekken. Mogelijke bronnen voor het opwekken van hernieuwbare energie zijn windenergie, waterkracht, biomassa, geothermie, bodemenergie en zonne-energie. Met name deze laatste energiebron kan goed worden toegepast in het buitengebied, aangezien akkers in technisch opzicht prima te benutten zijn als zonneakkers. Omdat akkers echter ook nodig zijn voor voedselproductie zal niet iedere akker hiervoor geschikt kunnen worden gemaakt. In potentie zijn er mogelijkheden voor ondiepe geothermie langs de noordwest-zuidoost gelegen geologische breuken. Voor windenergie komt het plangebied van bestemmingsplan Buitengebied niet in aanmerking, omdat het gebied ligt binnen het Nationaal Landschap Zuid-Limburg.
Verrassende stad
In het thema Verrassende stad wordt beschreven hoe we bestaande cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten beter zichtbaar en tastbaar kunnen maken in de stad. Door het behoud van deze waarden te integreren in de lokale transitieopgaven, krijgen plekken en panden waarmee mensen zich verbonden voelen nieuwe betekenis. Het resultaat van deze transitie is een verrassende stad, waarin het “Verhaal van Heerlen” tot uitdrukking komt.
Visiekaart Verrassende Stad
Typerend voor het buitengebied van Heerlen is de aanwezigheid van verschillende landschapstypen: in het noordoosten ligt het heidelandschap met karakteristieke zandgronden, in het zuidwesten ligt het plateaulandschap dat zo karakteristiek is voor het Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Beide landschapstypen worden op een natuurlijke wijze “gescheiden” door de twee beekdalen van de Geleenbeek en de Caumerbeek, die van zuid naar noord door Heerlen stromen. De Geleenbeek en de Caumerbeek zijn de twee belangrijkste groene structuurelementen in de stad. De ligging van beide beken is bepalend geweest voor de plek waar de Romeinen 2000 jaar geleden de stad Coriovallum hebben gesticht.
Een belangrijke strategie om het vestigingsklimaat van de stad te versterken is om de potentie van de beekdalen als groene structuurdragers beter te benutten. De ambitie is om de beekdalen als groene lopers door de stad uit te rollen. De beekdalen kunnen daarnaast een functie vervullen bij het verbinden van het heidelandschap en het plateaulandschap.
Conclusie
Het bestemmingsplan Buitengebied heeft een conserverend karakter en betreft een voortzetting van de bestaande planologische situatie. Voor zover de structuurvisie leidt tot ontwikkelingen die passen binnen het planologisch kader van het bestemmingsplan Buitengebied, kunnen deze worden uitgevoerd. Indien deze buiten dit kader vallen zal te zijner tijd een aparte planologische procedure moeten worden doorlopen. Wel is een aantal ontheffingsmogelijkheden opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied.
Op 10 januari 2012 heeft de gemeenteraad de stadsdeelvisie "Òs Gebrook" vastgesteld. In deze visie zijn diverse eerder opgestelde beleidsdocumenten en programma's geïntegreerd, zoals het Masterplan Hoensbroek (2009), Strategisch Masterplan Hoensbroek 2025 en het Woningbouwprogramma Hoensbroek. De visie is in samenwerking met de woningbouwcorporaties De Voorzorg en Woonpunt, Stadsregio Parkstad Limburg en de Provincie Limburg tot stand gekomen.
Aanleiding voor de visie vormt een aantal samenhangende problemen waar het stadsdeel Hoensbroek mee kampt. Het betreft hierbij problemen op fysiek, sociaal en economisch gebied, alsook veiligheid. Deze problemen zetten de leefbaarheid onder druk.
Daarnaast ervaart de gehele regio Parkstad Limburg, en met name de gemeente Heerlen, op diverse plaatsen de gevolgen van de krimp. Al jaren wordt samengewerkt om de gevolgen daarvan om te buigen tot kansen en via herstructurering te zorgen voor vitale stadsdelen met toekomst, integraal ontwikkeld vanuit de fysieke, sociale en economische pijlers in de gemeente. De stadsdeelvisie "Òs Gebrook" gaat in op die kansen en benoemt enkele concrete projecten waar op korte termijn mee gestart kan worden. De stadsdeelvisie is het integrale kader voor de fysieke, sociale en economische structuurversterking van Hoensbroek voor de periode tot 2025.
De visie vormt een perspectief en tegelijkertijd een sturingsinstrument om de leefbaarheid in Hoensbroek duurzaam te verbeteren (people, planet en profit). Uiteindelijk is de doelstelling om het stadsdeel Hoensbroek zodanig duurzaam her in te richten en te transformeren door middel van een gebiedsontwikkeling, dat:
Voor Hoensbroek is de volgende ambitie geformuleerd: "Een vitaal duurzaam Hoensbroek, waar het goed en prettig leven is in een groene, dorpse omgeving." Om deze hoofdambitie concreet te maken zijn binnen verschillende thema's subambities en doelen benoemd. Deze komen voort uit een uitgebreide analyse. De doelen zijn gewenste effecten die betrokken partijen de komende jaren gezamenlijk in Hoensbroek willen bereiken. Vervolgens zijn per thema strategische keuzes gemaakt.
De meeste keuzes hebben betrekking op het bestaand stedelijk gebied van Hoensbroek en vallen daarmee buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan Buitengebied. Wel wordt een relatie gelegd tussen het stedelijk gebied en het buitengebied. Door het verbinden van het omliggende landschap en de gebouwde omgeving van Hoensbroek ontstaan kansen voor bijvoorbeeld toerisme en versterking van de economische structuur. Er wordt hierbij ingezet op een sterkere verbinding tussen ‘de trekkers’ van Hoensbroek: specifiek op een sterkere relatie tussen Kasteel Hoensbroek en het centrumgebied. Niet alleen fysiek (recreatieve fiets- en wandelroutes), maar ook vanuit activiteiten en arrangementen. Daarnaast kan kasteel Hoensbroek gepositioneerd worden als toeristisch knooppunt op de groene assen Corioglana/Caumerbeek en Brunsummerheide.
Gebrookerbos
Het gehele gebied tussen kasteel Hoensbroek en de Brunssummerheide was van oudsher een decor van de mijnbouw. Door het wegvallen van deze delfstoffenwinning en de demografische ontwikkelingen vallen er open ruimtes in het landschap. Die plekken die er nu ‘verloren’ bij liggen kunnen een grote impuls betekenen voor de kwaliteit en vitaliteit van de regio en de omliggende wijken in het bijzonder.
De ontwikkelstrategie voor dit gebied is neergelegd in de methodiek 'Gebrookerbos'. Uitgangspunt voor deze aanpak is niet het vormen (of bouwen) van iets nieuws op een lege plek, maar het omvormen van een bestaande plek tot iets nieuws. Een belangrijke succesfactor hierbij is een bottom-up aanpak: het betrekken, en activeren van bewoners en ondernemers die zich betrokken voelen bij deze plekken en er zelf mee aan de slag gaan. Dit gebeurt aan de hand van de thema's wildernis, stadslandbouw en toeristisch/recreatief netwerk.
Sportvelden Maria-Gewanden
Eén van de initiatieven die is ontstaan binnen de methode 'Gebrookerbos' is het realiseren van een nieuwe invulling van de voormalige sportvelden Maria-Gewanden. Dit initiatief is gestart door de Stichting Buurtbeheer Maria-Gewanden (SBMG) samen met buurtbewoners. Zij willen een derde deel inrichten als levensloopbos, een derde deel wordt aangeplant als een natuurlijk bos dat aansluit aan het bestaande Jeugrubbebos en een derde deel zal een activiteitenterrein worden.
Een boom in het levensloopbos is een stuk van de gemeenschap, van mensen uit de buurt, samen creëren ze een nieuw bos, een stukje van hunzelf. Geïnteresseerden kunnen een boom kopen en plaatsen ter herinnering aan een belangrijke gebeurtenis in hun leven. Het activiteitenterrein is bedoeld voor buitenactiviteiten van de naastgelegen scoutingvereniging De Stutters, zoals o.a. kamp, kampvuur, sport en spel etc.
Inrichtingstekening sportvelden Maria-Gewanden
Dierenpark Kasteel Hoensbroeklaan
Ook op deze locatie is sprake van een bewonersinitiatief binnen de methode 'Gebrookerbos'. Op korte termijn is de aanleg van een moestuin voorzien. Op lange termijn is een aanpak van het gehele dierenpark gewenst, waarbij meer direct contact tussen mensen en dieren plaats zou moeten vinden.
Conclusie
Het bestemmingsplan Buitengebied heeft een conserverend karakter en vormt daarmee in hoofdzaak een voortzetting van de bestaande planologische situatie. Voor zover de stadsdeelvisie "Òs Gebrook" leidt tot ontwikkelingen die passen binnen dit kader, kunnen ze te zijner tijd op basis van het voorliggende bestemmingsplan worden gerealiseerd. Voor ontwikkelingen die buiten dit kader vallen, zal een aparte procedure moeten worden doorlopen.
Met betrekking tot het huidige lopende initiatief voor de voormalige sportvelden Maria-Gewanden kan worden vermeld dat met het toekennen van de bestemming aan dit gebied reeds is ingespeeld op de gewenste omvorming van de sportvelden. Dit mede vanuit het oogpunt dat dit sportcomplex conform huidig beleid niet langer meer zal worden gebruikt (zie ook paragraaf 2.4.7).
Het gemeentelijk Groenbeleidsplan is op 14 mei 2013 vastgesteld en vormt sindsdien het gemeentelijk groenbeleid. In dit plan is het vorige groenstructuurplan geïntegreerd.
Het Groenbeleidsplan geeft een middellange termijnvisie (2010-2025) op de gewenste ontwikkeling van het (semi-)openbare groen van de gemeente Heerlen. Behalve een visie op de gemeentelijke groenstructuur bevat het Groenbeleidsplan ook een kader voor het groenbeheer en is er tevens een uitvoeringsprogramma aan gekoppeld. Het Groenbeleidsplan heeft als hoofddoelstelling een integrale, samenhangende en tevens duurzame groenstructuur te realiseren, die recht doet aan de identiteit en eigenheid van Heerlen als onderdeel van Parkstad Limburg en voldoende robuust van karakter is waar het gaat om behoud en verbetering van leefbaarheid en groene kwaliteit.
In de visie op de groenstructuur van de gemeente Heerlen is uitgegaan van de volgende integraal samenhangende componenten:
De hoofdgroenstructuur van Heerlen kadert de ligging van de verschillende stadsdelen in. Om een goede aansluiting te vormen op de gemeentelijke hoofdgroenstructuur is per stadsdeel de gewenste ontwikkeling van de hoofdgroenstructuur verder uitgewerkt.
Vervolgens is nog verder ingezoomd en is de gewenste groenstructuur in de buurten en buurtschappen beschreven. Hierbij is onderscheid gemaakt in verschillende buurttypen. De visies voor de verschillende buurttypen zijn vertaald in een gereedschapskist voor de groenstructuur per buurttype, waarin de karakteristieken en functies van de hoofd- en subgroenstructuur van een buurttype zijn vastgelegd. Onderscheid wordt gemaakt in structuurgroen en snippergroen, waarbij het uitgangspunt geldt dat snippergroen kan worden afgestoten zonder dat er afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van de openbare ruimte.
Op basis van bovenstaande zes componenten is de gewenste hoofdgroenstructuur van Heerlen verder uitgewerkt. Hierna zijn de belangrijkste elementen voor bestemmingsplan Buitengebied weergegeven, om te beginnen met het landschappelijk kader.
|
Heidenatuurlandschap
• De realisatie van instandhoudings- en ontwikkelingsdoelstellingen Natura2000 en EHS op de Schrieversheide in samenhang met het creëren van een duurzame balans tussen natuur en recreatie. • Het versterken van de representatieve groenstructuur en herkenbaarheid toegang tot het bezoekerscentrum van Natuurmonumenten en het eXplorion. • De duurzame landschappelijke inbedding van de bebouwingsranden langs de Heerenweg en de Heksenberg. • Opheffen van het sportterrein Heksenberg. Indien mogelijk dit terrein toevoegen aan de Brunssummerheide. • In de groenstructuur het herkenbaar maken van het tracé Landgraaf en het uitwerken van de potenties voor het beleefbaar maken van de historie van de Landgraaf, bijvoorbeeld bij de Heksenberg en de kruising tussen de Landgraaf en de middeleeuwse handelsweg Maastricht-Geilenkirchen. • Behouden en herstellen structuur van de laanbeplantingen Grote Heiweg, Heihoven en Kamperheideweg. • Het creëren van een duurzame ecologische verbinding voor kleine zoogdieren, amfibieën en reptielen tussen de Brunssummerheide, de Beaujeangroeve en het Heidserpark. |
|
|
Plateaulandschap: Terschuren en Jeugrubbe • Het versterken van de inbedding buurtschappen Terschuren en Schurenberg in het landschap door het stimuleren van de aanplant van erfbeplanting en hoogstamfruit. • Behoud van het agrarisch cultuurlandschap tussen de buurtschappen Terschuren, Schurenberg en de Naanhof. • Het op duurzame wijze inpassen van de Buitenring in agrarisch cultuurlandschap tussen Hoensbroek en Vaesrade. • Het omvormen en uitbreiden van het bosgebied Jeugrubbe tot parkbos. Beide voetbalcomplexen worden op termijn opgeheven en toegevoegd aan de parkstructuur. De begraafplaats wordt hierin geïntegreerd. Dit gebied wordt ontwikkeld tot het recreatief uitloopgebied van Hoensbroek zodra de doorgaande verkeersfunctie van de Randweg komt te vervallen als gevolg van de aanleg van de Buitenring. Eventueel kunnen groene woonconcepten worden geïntegreerd in de parkstructuur. |
|
|
Beekdalenlandschap: Laar
• Het renatureren van de Geleenbeek tussen Brommelen en Kathagen, gecombineerd met het herstel van de oude beekloop en het aangrenzende broekgebied. • Het versterken van het industriële karakter van het mijnspoor als tegenhanger van het natuurlijke Geleenbeekdal, door hier in de groenstructuur voor een met het beekdal contrasterende, ‘industriële’ beplanting te kiezen van bijvoorbeeld Italiaanse populieren. • Het herstellen van de recreatieve verbinding met Nuth via het voormalige mijnspoor. • Kleinschalig grondgebruik in het broekgebied op basis van weide of hooilandbeheer toestaan. |
|
|
Beekdalenlandschap: Terworm, Ten Esschen
• Het behouden van de balans tussen natuurontwikkeling en cultuurhistorie door het op duurzame wijze toepassen van agrarisch natuurbeheer en het behoud van de mogelijkheid om cultuurhistorische reconstructies van bebouwing en tuinaanleg uit te voeren. • De realisatie van de instandhoudings- en ontwikkelingsdoelstellingen Natura2000 en EHS in het deelgebied in samenhang met het creëren van een duurzame balans tussen natuur, cultuurhistorie en recreatie. • Het versterken van de landschappelijke inbedding van Ten Esschen door het stimuleren van aanplant hagen, hoogstamfruit en bijvoorbeeld de toepassing van knot-Essen in de hagen. • Hobbymatig grondgebruik in Ten Esschen is mogelijk, mits dit niet tot verrommeling leidt en in samenhang gebeurt met de versterking van de landschappelijke inbedding van de buurtschap. • Het creëren van een representatieve toegang tot het gebied Terworm door integrale herinrichting van het weggedeelte Parallelweg tussen het hotel en de rotonde Parallelweg – In de Cramer. • De duurzame ecologische ontwikkeling en instandhouding van het natuurlijke watersysteem van de Geleenbeek. • Het behouden en verbeteren van de uitwisselingsmogelijkheden fauna tussen de stadsecologische verbindingszone op de Autoboulevard, Ten Esschen, Terworm, het Welterpark en het buitengebied van de gemeente Voerendaal bij de Heerlerweg, Cortenbach en Steenenis. • De duurzame landschappelijke inpassing van het bedrijventerrein Geleendal-Eyckholt (Coriopolis) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie. |
|
|
Beekdalenlandschap: Benzenrade
• Het behouden en het versterken van het landelijk karakter agrarische enclave Benzenrade door het behoud (extensief) van het agrarisch grondgebruik. • Hobbymatig grondgebruik in Benzenrade is mogelijk, mits dit niet leidt tot verrommeling en in samenhang gebeurt met de versterking van de landschappelijke inbedding van het buurtschap. • Het versterken van de landschappelijke inbedding van Benzenrade door het stimuleren van aanplant hagen, hoogstamfruit en bijvoorbeeld de toepassing van knot-Essen in de hagen. • De realisatie van de instandhoudings- en ontwikkelingsdoelstellingen Natura2000 en EHS in het Imstenraderbos in samenhang met het creëren van een duurzame balans tussen natuur en recreatie. • De duurzame ontwikkeling en de instandhouding kleine landschapselementen in het agrarische gebied. • De duurzame ecologische ontwikkeling en de instandhouding van het natuurlijke watersysteem van de Geleenbeek. • Het verbeteren van de uitwisselingsmogelijkheden van flora en fauna tussen de Hooghees, het Imstenraderbos, de Kunderberg en het Welterpark. • Het opheffen van de barrière tussen de John F. Kennedylaan door verwijderen van de dijk en het creëren van een zichtrelatie met de Zorgboulevard (met name richting de Rousch). Dit dient te worden gecombineerd met het verbeteren van de ecologische en de recreatieve verbinding tussen Benzenrade en de Zorgboulevard. |
|
|
Plateaulandschap: Imstenrade
• Het behouden en versterken van het landelijk karakter agrarische enclaves Imstenrade en Hondsrug door het behoud van het agrarisch grondgebruik. • Het voorkomen van verrommeling door het hobbymatig grondgebruik in de vorm van bijvoorbeeld kleinschalige paardenweides en volkstuinen. • Het versterken van de landschappelijke inbedding van bebouwing door het stimuleren van aanplant erfbeplanting en hoogstamfruit. • De realisatie van instandhoudings- en ontwikkelingsdoelstellingen uit het Natura2000 en EHS in het Imstenraderbos in samenhang met het creëren van een duurzame balans tussen natuur en recreatie. • De realisatie van een recreatief startpunt bij de voormalige Diligence. |
|
|
Plateaulandschap: brongebied Sourethbeek
• Het herstellenvan het brongebied van de Sourethbeek in samenhang met de buffering/infiltratie van hemelwater afkomstig van het bedrijventerrein De Beitel. • Het herstel van de dalvorm van de Sourethbeek door het opheffen van het gedeelte Nijverheidsweg tussen de Sourethweg en de Beitel. •Het voorkomen van verrommeling door het hobbymatig grondgebruik in de vorm van bijvoorbeeld kleinschalige paardenweides en volkstuinen. •De duurzame ontwikkeling en de instandhouding van kleine landschapselementen in het agrarische buitengebied. • De aanleg van een faunapassage voor kleine zoogdieren en amfibieën onder A76 als verbinding tussen het brongebied van de Sourethbeek en het buitengebied van de gemeente Simpelveld. • De duurzame landschappelijke inbedding van de bebouwingsrand Beitel en Baaks-Soureth. |
|
Behalve het landschappelijk kader zijn nog enkele in het Groenbeleidsplan benoemde schakels tussen Heerlen en het Euregionale landschap relevant voor het bestemmingsplan Buitengebied:
Voor de historische kernen en bebouwingslinten is het uitgangspunt dat een harmonieus samenhangend geheel ontstaat tussen de bebouwing, de inrichting van de openbare ruimte en de particuliere groenstructuur. Dit laatste speelt met name in de buurtschappen waarin de particuliere groenstructuur een wezenlijk onderdeel uitmaakt van het straatbeeld.
Conclusie
Hoewel het bestemmingsplan Buitengebied een conserverend karakter heeft, kunnen diverse opgaven die voortkomen uit het Groenbeleidsplan al binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan worden gerealiseerd. Dit was namelijk ook toegestaan in het reeds bestaande juridisch-planologisch kader. Voor zover een ontwikkeling niet past binnen dit kader, zal te zijner tijd een aparte planologische procedure moeten worden doorlopen.
In Heerlen ontspringen vier beken. Twee daarvan, de Geleenbeek en de Caumerbeek, vormen samen bijna 20 kilometer beekdal in de stad. Deze beekdalen spelen een belangrijke rol in de stedenbouwkundige opbouw van de stad, ze leveren een belangrijke bijdrage aan de identiteit van de stad en de buurten en wijken, ze hebben een interessante natuur- en landschapswaarde en een belangrijke functie voor het bergen en afvoeren van water.
Op 2 november 2004 heeft de gemeenteraad de Inrichtingsvisie beken vastgesteld. Primair uitgangspunt van de visie is de beekdalen als een robuuste structuur in het stedelijk weefsel herkenbaar te maken en waar mogelijk te accentueren. Daarmee kunnen de beken weer hun oorspronkelijke functie van dragers van de ruimtelijke structuur krijgen. Er zijn drie hoofdlijnen van ingrepen om dit doel te bereiken:
Corio Glana
Een groot deel van deelgebied West bestaat uit het beekdal van de Geleenbeek. Het gehele beekdal van deze beek, vanaf de bron in Benzenrade tot aan de Muldersplas in Schinnen, zal een kwaliteitsverbetering ondergaan. De ontwikkeling van dit traject van de Geleenbeek vindt plaats onder de titel 'Corio Glana'. De voor dit project opgestelde ontwikkelingsvisie (Grontmij, 2009) bevat het gewenste eindbeeld van de beek, haar oevers en de omgeving en geeft een overzicht van de noodzakelijke maatregelen om de visie te realiseren.
Belangrijke opgaven voor de herinrichting van het Geleenbeekdal op dit traject zijn:
Voor het ‘smalle’ beekdal staat herstel van de Geleenbeek en natuurontwikkeling op de oevergronden centraal. In het recente verleden is de Geleenbeek van de bron tot Kasteel Terworm heringericht. Behoudens enkele knelpunten is de beek op dit deeltraject op orde. Vanaf Kasteel Terworm krijgt de beek weer een meanderend verloop. Hierbij is gekozen voor de ligging van de beek zoals deze is terug te vinden op oude kaarten van rond 1900.
De bron van de Geleenbeek ligt op het erf van de Benzenraderhof in een cultuurhistorisch waardevol gebied. De visie voorziet hier in een versterking van dit kleinschalige landschap door graften opnieuw in planten, nieuwe boomgaarden rond het gehucht Benzenrade te ontwikkelen en het gebied beter te ontsluiten voor recreanten.
Ten noorden van de weg Nieuw Eyckholt stroomt de beek door het 'landschap van hoeves en kastelen'. De Geleenbeek wordt hier gevoed door een aantal bronbeekjes. Om deze zo veel mogelijk te vrijwaren van landbouwkundige invloeden zijn deze consequent voorzien van een bosrijke rand. Om de landschappelijke en recreatieve waarde van dit gebied te verhogen, is een belangrijke rol weggelegd voor extensieve landbouw. Ter verbetering van de landschappelijke kwaliteit wordt gestreefd naar een kleinschaliger landschap door de aanleg van landschapselementen (singels, hagen e.d.) en dooradering met wandel- en fietspaden.
Bij Kasteel Hoensbroek is de aanleg van een stadsmoeras voorzien. Het gebied wordt omspannen door de Caumerbeek en de Auvermoer die uitmonden in de Geleenbeek. Door de ontwikkeling van het stadsmoeras komt het kasteel weer in haar natuurlijke omgeving te liggen. Het kasteel wordt weer beleefbaar als een krachtig bouwwerk dat opdoemt uit een moeras. In het stadsmoeras wordt veel aandacht geschonken aan wandel- en fietsmogelijkheden door verbindingen aan te brengen met de bestaande routes in het achterland. Hierdoor kunnen ‘achtjes’ worden gemaakt rond de beek.
Door herstel van de Geleenbeek, verbetering van de natuurlijke en landschappelijke kwaliteit en de aanleg van doorgaande recreatieve routes, wordt een hoogwaardig landschap gecreëerd voor bewoners en recreanten van elders.
Conclusie
In het bestemmingsplan Buitengebied is het beekdal van de Geleenbeek op een passende wijze bestemd. Voor de gehele uitvoering van het project 'Corio Glana' binnen het plangebied zijn reeds omgevingsvergunningen verleend en is de nieuwe situatie al gerealiseerd, zodat de toekenning van bestemmingen op de nieuwe beekloop is gebaseerd.
Op 12 maart 2003 heeft de gemeenteraad het horecabeleid vastgesteld, beschreven in de visie 'Heerlen heeft 't!'. Belangrijk uitgangspunt voor de visie is dat Heerlen de hoofdkern is in Parkstad Limburg en dat deze functie verder moet worden uitgebouwd. Binnen de gemeente is het centrum van Heerlen het gebied waar horeca met een bovenlokale functie is gesitueerd. In de stadsdelen en buurten heeft de horeca een buurtfunctie, is ondersteunend aan andere voorzieningen en wordt optimaal gefaciliteerd.
Horecabedrijven in de (woon)buurten hebben naast een horecafunctie vaak ook een maatschappelijke functie (ontmoetingsfunctie, verenigingsleven). Omdat deze horeca belangrijk is voor de bewoners van Heerlen, dient deze te worden gekoesterd en zoveel mogelijk te worden gefaciliteerd.
Voor wat betreft de ontwikkelingsmogelijkheden voor de horeca in de buurten buiten het centrum geldt dat er in principe geen uitbreiding van het aantal horecazaken wordt toegestaan. Voor de leefbaarheid is het belangrijk het huidige aanbod te behouden. Voor het buitengebied bevat de structuurvisie geen specifieke uitspraken.
Conclusie
Op grond van het horecabeleid kan voor het bestemmingsplan Buitengebied worden geconcludeerd dat de bestaande horecagelegenheden in het plangebied gehandhaafd kunnen blijven. Een uitgebreide inventarisatie heeft uitgewezen dat binnen het plangebied twee locaties zijn waar sprake is van een onbenutte planologische titel voor de vestiging van horeca. Het betreft ten eerste het pand Ten Esschen 1. Aangezien(kleinschalige) horeca in het buitengebied wordt gestimuleerd (zie ook paragraaf 2.3.8), zal de vestiging van horeca op dit adres mogelijk blijven.
Ditzelfde geldt voor het adres Dreesch 1 (Hoeve Den Driesch). Voor dit pand en omliggend terrein is tevens een herontwikkelingsplan in de maak. Omdat dit plan afwijkt van het huidige bestemmingsplan, is de keuze gemaakt voor deze ontwikkeling een aparte procedure te doorlopen. In het bestemmingsplan Buitengebied is voor deze locatie daarom de bestaande planologische situatie (die eveneens voorzag in een herontwikkeling, zij het in een andere vorm) overgenomen.
Op 20 april 2016 heeft de gemeenteraad van Heerlen de parkeernota Heerlen _Visie en Ambitiedocument vasthesteld. Het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad hebben de wens uitggesproken om het bestaande parkeerbeleid te herrijken. Zowel in het coalitieakkoord 2014-2018 als in het addendum is aangegeven dat er behoefte bestaat is aan een nieuwe parkeernota waarin de diverse parkeersystemenen integraal worden meegenomen. darnaast id de positie van de gemeente op de parkeermarkt veranderd na de verkoop van haar parkeervastgoed. de gemeente is nu slechts een speler op de markt van straatparkeren. Ook is haar rol op publiekrechtelijk gebied constant in ontwikkeling. Op hoofdlijnen dient het nieuwe parkeerbeleid te zoirgen voor een betere afstemming tussen de vraag naar en het aanbod van parkeren, zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid en de kwaliteit van de openbare buitenruimte. Het anticiperen op nieuwe ontwikkelingen en het bieden van een gastvrij en klantviriendelijk parkeersysteem maken hier onderdeel van uit.
Aan de hand van de huidige situatie en een aantal toekomstige ontwikkelingen is een beeld geschtetst van de verwachtingen ten aanzien van het parkeren in Heerlen de komende jaren. Hierbij is onder andere aandacht besteed aan ontwikkelingen op het gebied van mobiliteit, technologie en maatschappij.
Uit de sessies met de klankbordgroep zijn drie ambities afgeleid: Togankelijkheid, leefbaar en prakitisch passend. Deze ambities vormen de rode draad bij de verdere invulling van de beleidsuitgangspunten en uit te werken acties cq maatregelen. Enkele in het oog sprigende beleidskeuzes zijn per deelgebied:
-betaald parkeergebied: parkeerders parkeren in het gebied waarvor ze hun bestemming hebben en er wordt gezorgd voor een leefbaar woongebied met een goede verhouding tussen groen, auto's en beton;
-vergunning gebied: bewoners kunnen ongelimiteerd parkeren aan de hand van hun vergunning en er zal een eenduidig digitaal vergunningensysteem worden ingevoerd;
-blauwe zone gebied: de huidigeblauwe zones worden op termijn vervangen voor een eenduidg digitaal systeem.
Daarnaast worden de acht actuele thema's die niet direct gerealateerd zijn aan een van de drie gebiede, kort uitgewerkt. Per doelgroep wrden beleidspunten weergegeven, wederom per geografisch deelgebied. Enkele in het oog springende punten zijn:
- werknemers parkeren in eerste instantie op eigen terrein;
-beschikbare restcapiciteit in het deelgebied zelf of in een aangrenzend deelgebied wordt zo optimaal mogelijk ingezet voor meerdere doelgroepen;
-per doelgroep en per deelgebied wordt nagegaan tegen welke tarieven deze kunnen parkeren. De parkeerbalans is in deze gevallen leidend en bepaald de mogelijkheden om een tekort aan capaciteit in te vullen tegen een passend tarief.
Tot slot wordt een aantal concrete acties beschreven die op korte termijn dienen te worden uitgevoerd, zoals een een bezoekersregeling bewoners, de tariefdifferentiatie en de toegangscontrole centrum. Ook een zestal acties voor de lange termijn wordt kort aangehaald. In tegenstelling tot het eerdere document in 2010 is ervoor gekozen om de beleidsnota in twee delen op te knippen en wel: de "Parkeervisie & ambitie"en de "parkeermaatregelen".
In het eerste deel "Parkeervisie & Ambitie" wordt de parkeervisie van de gemeente Heerlen uiteengezet op basis van haar ambitie in de stad, de relaties naar de ruimtelijk en economische ontwikkeling in de stand en de beleidskaders die hierbij passend zijn. In het tweede deel "Parkeermaatregelen"worden de verschillende beleidsinstrumenten (maatregelen) uitgewerkt.
De parkeernota is de visie op parkeren geldt als "rode draad"voor het totale parkeerbeleid en geeft richtlijnen voor de verder uit te werken maatregelen en deelnota's. de juridische en beleidsmatige verankering is vastgelegd in het visiedocument, de uitwerking van deze visie in de praktijk vindt in diverse deelnota's, die de maatregelen bevatten plaats. De status van deze nota is derhalve richtinggevend voor deelnota's. een en ander is in het onderstaande schema weergegeven. de onderhavige Parkeernota zal ondergeschikt zijn aan de nog op te stellen Verkeersvisie Heerlen. Uiteindelijk zal de Verkeersvisie Heerlen als kapstok doemem voor de diverse thematische nota's, zoals de Parkeernota. Onder de Parkeernota hangen vervolgens de verschillende uitvoeringsnota's, zoals de "Nota Parkeernormen"en de "Nota digitalisering
Ten behoeve van het economisch goed parkeren van een winkelgebied dan wel binnenstad alsook het faciliteren van verschillende doelgroepen, zowel in garages als op straat, wordt het parkeren in Heerlen gereguleerd. In Heerlen kunnen er immers verschillende parkeerreguleringsgebieden worden teruggevonden:
-betaald parkeergebieden;
-vergunninggebieden;
-parkeerschijfzones;
-vrije parkeergebieden.
Totdat deel 2 van de Parkeernota -met name "Parkeernormen" door de gemeenteraad van Heerlen is vastgesteld, gelden de parkeernormen uit de Parkeernota Heerlen 2010.
Conclusie
Het bestemmingsplan Buitengebied heeft een conserverend karakter. Bij toekomstige ontwikkelingen in het plangebied zal ook moeten worden getoetst aan de parkeernormen, zoals vastgelegd in de Parkeernota. Deze eis is in deze algemene regels van het bestemmingsplan vastgelegd.
De gemeente Heerlen is eigenaar van de buitensportcomplexen voor de sporttakken atletiek, voetbal, hockey, korfbal, cricket en honk- en softbal. De praktijk voor voetbal is dat bijna elke voetbalvereniging momenteel als alleengebruiker op een buitensportcomplex opereert. De velden worden op zeer beperkte schaal door scholen gebruikt voor schoolsportactiviteiten. Er is daardoor sprake van overcapaciteit van de velden. Tevens ontbreekt een evenwichtige spreiding van de buitensportcomplexen over de stad. Daarnaast is sprake van een groeiende behoefte aan multifunctionele voorzieningenclusters die financieel gezond geëxploiteerd worden.
De gemeenteraad heeft vanuit deze achtergrond in oktober 2010 besloten het overschot aan voetbalvelden in Heerlen te reduceren en te komen tot een geringer aantal buitensportcomplexen op strategische locaties in de stad. Met de nota 'Herstructurering buitensportcomplexen' (vastgesteld door het college in juni 2011) wordt een globaal voorstel gedaan voor het herstructureringsontwerp voor de buitensportcomplexen in Heerlen, met daarbij de focus op het veldvoetbal.
De visie van de gemeente op de toekomstige situatie van de buitensportcomplexen is in eerste instantie dat de complexen beschikbaar en geschikt zijn voor alle burgers van de gemeente Heerlen om te sporten en te bewegen. De accommodaties dienen goed bereikbaar, toegankelijk en veilig te zijn. Daarnaast zijn ze kwalitatief hoogwaardig, duurzaam, toekomstbestendig en daar waar mogelijk multifunctioneel met plek voor sport- en culturele evenementen. Ook zijn andere maatschappelijke functies/voorzieningen actief op de complexen. De vaste gebruikers van de buitensportcomplexen zijn vitale sportverenigingen.
In het deelgebied West van het bestemmingsplan Buitengebied liggen twee buitensportcomplexen: Schurenberg (sportvelden Maria-Gewanden aan de Randweg in Hoensbroek) en Imstenrade (Zandweg).
Schurenberg
Het complex Schurenberg is in de nota rood gemarkeerd. De rode complexen in de gemeente zijn de complexen die afgestoten zullen worden. Deze complexen missen de potentie van een multifunctioneel kwaliteitssportcomplex op stadsdeelniveau dat voor de inwoners van dat stadsdeel goed bereikbaar is. Ook hebben deze complexen vanuit stedenbouwkundig oogpunt een minder gunstige ligging om te handhaven dan wel uit te breiden als sportcomplex. Beoogd is dat de huidige gebruikers van deze complexen en dan met name van de voetbalvelden hun activiteiten voortzetten op de complexen die zullen blijven bestaan.
Inmiddels zijn de verenigingen die actief waren op het complex verhuisd en is het complex niet langer in gebruik. Er bestaat zelfs al een initiatief voor herinrichting van de voormalige sportvelden. Hierop is reeds ingegaan in paragraaf 2.4.2.
Imstenrade
Het complex Imstenrade is in de nota 'Herstructurering buitensportcomplexen' groen gemarkeerd. De groen gemarkeerde buitensportcomplexen zijn de complexen die ook in de toekomst blijven.
Conclusie
In het bestemmingsplan Buitengebied is met de bestemmingsregeling voor het complex Schurenberg ingespeeld op de voorgenomen herinrichting. Hiertoe is de bestemming 'Groen' met de functieaanduiding 'maatschappelijk' toegekend. Om een gebruik van het terrein voor sportactiviteiten niet meteen helemaal uit te sluiten is tevens de aanduiding 'sport' opgenomen.
Voor het complex Imstenrade worden in het bestemmingsplan de huidige gebruiksmogelijkheden voortgezet.
Duurzaamheid betreft een integrale afweging van belangen voor de korte en de lange termijn, voor alle relevante stakeholders in het gebied en binnen de tijdshorizon. Uitgaande van de 'Triple PPP'-benadering (people-planet-prosperity) betekent duurzaamheid voor gebiedsinrichting en herstructurering dat de gebiedsinrichting zelf en het gebruik van het gebied toekomstbestendig moeten zijn. Daarbij dient de balans van voorraadgebruik (materiaal, energie) en belasting van de omgeving (lokaal, klimaat) waarde toe te voegen aan één of meer duurzaamheidsbelangen, rekening houdend met alle relevante stakeholders.
De belangrijkste duurzaamheidsbelangen zijn:
Er zijn geen normen vastgelegd voor het begrip duurzaamheid. Op enkele genoemde belangen, zoals leefomgeving en duurzaam bouwen, is sectorale wet- en regelgeving van toepassing. Hierin zijn kaders geformuleerd voor de toepassing van het duurzaamheidsprincipe.
Energietransitie
Het gemeentelijk Klimaatbeleidsplan 2010-2020 gaat in op klimaatmitigatie en bevat naast een algemene ambitie een aanpak voor de thema's gemeentelijke organisatie, wonen, mobiliteit en bedrijven. De algemene ambitie voor 2020 bestaat uit het:
Het Parkstad Limburg Energietransitie ambitiedokument (PALET 1.0 en Palet 2.0) geeft een vooruitblik op de kansen en mogelijkheden voor een energieneutrale regio in 2040. Vanuit ruimtelijk oogpunt worden er gebieden benoemd die potentieel geschikt zouden kunnen zijn voor de opwekking van zonne- en windenergie en gebruik van bodemenergie.
Mijnwater
Het mijnwaterproject is een alternatief duurzaam energieconcept, gebaseerd op aardwarmte in combinatie met de bestaande mijngangen. Het is ontwikkeld als experiment onder beheer van de gemeente Heerlen en met steun van de Europese Unie. Het mijnwaternetwerk zal steeds verder worden uitgebreid, waarbij onder andere voor de gemeentelijke gebouwen zal worden onderzocht of de aansluiting op het netwerk mogelijk en haalbaar is. Het mijnwaterproject is beoogd als aanjager en hefboom voor een grootschalige energietransitie in Heerlen.
Doorwerking plangebied
Hoewel het bestemmingsplan Buitengebied een conserverend karakter heeft, bieden de regels voldoende flexibiliteit om rekening te houden met duurzaamheidsaspecten. De bestaande bestemmingen hebben geen beperkende werking ten aanzien van duurzaam gebruik en bouwen. Ook zijn er voldoende mogelijkheden om hiertoe benodigde ondersteunende, infrastructurele en/of watertechnische werken aan te leggen.
Voor mijnwater, bodemenergie en geothermie zijn in het plangebied momenteel geen toepassingsmogelijkheden voorzien. Mogelijk dat er wel gebieden binnen het bestemmingsplan zijn waar de benodigde toekomstige infrastructuur door zou kunnen lopen om distributienetwerken met elkaar te verbinden Ook hiervoor geldt dat het bestemmingsplan voldoende flexibiliteitsbepalingen bevat op basis waarvan een eventuele toekomstige aanleg van leidingen, putten en andere infrastructurele werken mogelijk is.
Voor de RWZI Hoensbroek is het op termijn de bedoeling dat deze energieneutraal wordt. Hierbij kan gedacht worden aan de toepassing van zonnepanelen, middelgrote windturbines, biomassa/slib verbranding en/of een koppeling met mijnwater.
Voor het opstellen van een bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangssituatie, de bestaande situatie in het plangebied, goed in beeld wordt gebracht. Het plangebied van bestemmingsplan Buitengebied leent zich goed voor een gebiedsanalyse aan de hand van de 'lagenbenadering'. Voor de inhoud van dit hoofdstuk is onder meer gebruik gemaakt van de uitgebreide analyse die is opgenomen in het gemeentelijk Groenbeleidsplan.
De lagenbenadering
De verschijningsvorm maakt een verdeling van de bestaande bebouwde omgeving is te verklaren aan de hand van de lagenstructuur. Deze maakt een verdeling van de omgeving in een laag 'ondergrond', een laag 'netwerken' en een laag 'occupatie' (gebruik).
De ondergrond kan worden beschreven met behulp van gegevens over geomorfologie (vorm van de ondergrond), bodem (samenstelling van de ondergrond), waterhuishouding, natuur, landschap en cultuurhistorie. De netwerken zijn opgebouwd uit de infrastructuur van verschillende typen wegen en leidingen. Het ruimtegebruik in de laag 'occupatie' is op te splitsen in ruimtelijk gebruik, zoals de ruimtelijke opbouw, type bebouwing en beeldkwaliteit en functioneel gebruik zoals wonen, werken en recreëren, met de daarbij noodzakelijke voorzieningen.
De waarden en kwaliteiten die in de onderste laag worden benoemd zijn sturend voor ontwikkelingen in de middelste (infrastructuur) en bovenste laag (occupatie). Het grote belang van de onderste laag komt voort uit de onvervangbaarheid van deze waarden.
,
De lagenbenadering
(bron: http://www.ruimtexmilieu.nl/lagenbenadering)
De onderste laag in de Lagenbenadering is de ondergrond. Deze laag betreft de bodem en het bodemleven, maar ook het (grond)water. De voormalige steenkoolmijnen, de geologische opbouw (ouderdom, vast gesteente, delfstoffen, breuken), de geomorfologische opbouw (reliëf), de hydrologische situatie en het voorkomen van delfstoffen zijn de specifieke kenmerken van Heerlen.
De geologische ontstaanswijze en de opbouw van de bodem in de gemeente Heerlen is bijzonder complex. Tot aan het Tertiaire tijdperk (tot 2,5 miljoen jaar geleden) stroomde de Maas oostelijk van Heerlen. In deze perioden zijn organische afzettingen (bruinkool) en mariene afzettingen (kalksteen, zilverzand) ontstaan. Door een sterke opheffing in het Quartair is de Maas naar het westen verplaatst en heeft zich steeds dieper in het landschap ingesneden. Hierdoor zijn Maasterrassen ontstaan. Door de lokale beken, zoals de Geul, de Gulp en de Geleenbeek, is het daar gelegen landschap van Maasterrassen versneden tot een dalenlandschap.
In het tijdperk van het Carboon zijn door tektoniek breuken ontstaan. Heerlen en omgeving worden gekenmerkt door een grote mate van tectoniek. In de regio liggen meerdere zuidoost-noordwest verlopende breuken, waarvan de Kunradebreuk, de Benzenraderbreuk, de Heerlerheidebreuk en de Feldbiss de belangrijkste zijn. De Feldbiss is de meest noordelijke van deze breuken en vormt de scheiding tussen Zuid-Limburg en de Roerdalslenk.
De gemeente Heerlen vormt het meest zuidelijke deel van Nederland waar tijdens de laatste IJstijd (circa 10.000 jaar geleden) dekzand is afgezet. Dit dekzand is binnen de gemeente alleen aanwezig op de Brunssummerheide. Tussen de Brunssummerheide en het Caumerbeekdal bevindt zich het overgangsgebied van dekzandafzettingen naar lössafzettingen.
Onder invloed van erosie zijn in het Holoceen diepe dalen uit het oorspronkelijke plateau van Zuid-Limburg gesleten. Dit heeft geresulteerd in een netwerk van droogdalen en beekdalen. Het 'eiland van Ubachsberg', ten westen van Benzenrade, is nog een overblijfsel van het oorspronkelijke plateau.
Tegelijkertijd heeft een ongelijkmatige opheffing van de aardschollen plaatsgevonden, met als gevolg dat zeer oude gesteenten uit het Carboon (steenkool en kalksteen, 270 mln. jaar geleden) en het Krijt (mergel, 66 mln. jaar geleden) aan of nabij de oppervlakte kwamen te liggen. Bovenaan steilranden zijn vaak grindrijke Maasterrasafzettingen waar te nemen, terwijl aan de voet een opeenhoping van vruchtbare löss werd afgezet.
Door de omvang van het plangebied is er sprake van specifieke kenmerken per deelgebied, zoals hierna beschreven.
Schrieversheide
Ter plaatse van het heidegebied ontbreekt de sedimentatie van de Maasterrassen en komt het mioceen en plioceen zand aan de oppervlakte. In het noorden, waar de Rode beek ontspringt, ligt het diepste punt van de Schrieversheide. De maaiveldhoogte is hier ongeveer 82 meter +NAP. De Rode beek heeft door erosie een aantal zijdalen gevormd, waardoor een zeer afwisselend beeld van erosiedalen en heuvels is ontstaan. In het zuiden zijn twee heuvels met een hoogte van ca. 120 meter +NAP aanwezig, de zuidelijke van deze twee is de Heksenberg.
De bodem ter plaatse van de Schrieversheide en de aangrenzende Brunssummerheide is benoemd als Brunssummerheidegronden. Het betreft een samengestelde eenheid, waarbij verschillende bodemtypen elkaar afwisselen in een kleinschalig patroon. Voornamelijk podzolgronden (zand) worden aangetroffen, maar ook klei en grind. In kwelgebieden aan de oorsprong van de Rode beek worden ook kleine oppervlakten veen aangetroffen.
Geleenbeekdal
Door verdere insnijdingen van de Geleenbeek en haar zijbeken en de daarop volgende erosie zijn oude landoppervlakken verdwenen en zijn alleen de verkiezelingen over gebleven. Het sterk gelobde karakter van de rand benadrukt dat het bekken is samengesteld uit tal van afzonderlijke zijdalen en hellingdalen. Het bekken kan worden beschouwd als een grootschalig geheel van de afzonderlijke dalletjes, dit zijn de lepelvormige laagten die aan het eind van de afzonderlijke (droog) dalen zijn gevormd.
De dalbodem van de Geleenbeek bestaat uit diverse soorten jonge rivierklei dat wordt gerekend tot de Poldervaaggronden. Deze gronden bestaan voornamelijk uit verspoelde löss en zijn kalkloos. De kleigronden hebben een dikke donker grijze tot zwarte bovenlaag die is ontstaan door overstromingen. Deze bovenlaag bestaat uit materiaal dat afkomstig is uit de voormalige Limburgse mijnen.
Op de beekdalbodem komt een grondwatertrap voor. In de winter komt het grondwater tot aan het maaiveld in de zomer zakt het grondwater diep weg. De natste plekken, bronnen en beekjes, zijn van nature met moerasbossen begroeid (de zogenoemde Elzenbroekbosjes).
Het dal van de Geleenbeek is asymmetrisch, de noordoostelijke helling is steiler dan de zuidwestelijke helling. Op de steile helling komen glauconiethoudend zand en zwavel aan de oppervlakte, plaatselijk afgedekt met secundair löss. Secundair löss is löss dat na afzetting is getransporteerd, de dikte van deze laag kan variëren van 80 cm tot 2 meter. Door grondbewerkingen is van gelaagdheid in het profiel weinig over.
Benzenrade
Het gebied bij Benzenrade ligt op het scheidingsvlak van westelijk gelegen krijtafzettingen en de naar het oosten toe liggende tertiaire afzettingen. In het meest westelijk deel is dicht aan het oppervlak Kunrader kalksteen aanwezig. Lokaal komen grof zand en grindrijke bodems voor. Verder komt in het gebied glauconiethoudend zand en klei voor. Het overgrote deel van het gebied is echter bedekt met lössleemgronden in helling- en dalfases. Grofweg kan worden gesteld dat langs de bovenrand van de hellingen meer zandig en grindrijk materiaal aanwezig is. Door het afspoelen van de lösslaag bevindt deze zich meer in dalen. Hier zijn de omstandigheden vochtiger en voedselrijker. In de richting van Benzenrade helt het terrein af, hier ontspringt de Geleenbeek. Lokaal komen kwelsituaties voor en de bodem is er meer moerassig.
Kaart geomorfologie
Heerlen ligt in een groot keteldal, waardoor zowel de Caumerbeek als de Geleenbeek stromen. Beide beken ontspringen op het grondgebied van de gemeente. De meanderende beken zijn in de Middenterrastijd ontstaan en daarna uitgeslepen in het vroeger hier aanwezig hoogterras van de Maas. Beide beken zijn voor de economische geschiedenis altijd al van groot belang geweest. Ze zorgden voor de watervoorziening van de Heerlenaren van Prehistorie en Romeinse Tijd tot ver in de twintigste eeuw.
Geleenbeek
De Geleenbeek ontspringt aan de voet van het plateau van Ubachsberg in de kelder van de Benzenraderhof. Ernaast ligt een grote bronvijver. Tussen Benzenrade en kasteel Terworm en tussen kasteel Terworm en Ten Esschen liggen diverse bronnen waarvan het water, al dan niet via een zijbeekje, door de Geleenbeek wordt afgevoerd. Het water van de beek is zeer kalkrijk.
Plaatselijk varieert de breedte van de dalbodem van 50 tot 200 meter. Hier doorheen stroomt de soms enkele meters diep ingesneden Geleenbeek. Tot ongeveer de jaren 50 van de 20e eeuw zijn er tussen het Geleenhof en kasteel Terworm twee stromen geweest. De één stroomde langs de Eikendermolen en langs het kasteel, de huidige Geleenbeek, de ander liep oostelijker langs de kasteeltuin en kwam uit in de kasteelgracht.
Ter hoogte van Terworm komen op diverse plaatsen nog open waterpartijen voor. Dit zijn restanten van visvijvers, drinkpoelen, zijbeekjes, kasteelgrachten en molenvijvers. Zo duiden natte plekken in het zijdal ten noorden van het Kasteel Terworm de plaatsen aan van vroegere visvijvers. Ook aan de zuidwestzijde van het kasteel zijn vroeger visvijvers aangelegd, hiervan resteert het voormalige zwembad nog.
Ter hoogte van Kasteel Hoensbroek mondt de Caumerbeek uit in de Geleenbeek. Rondom het kasteel ligt een slotgracht en ten westen van het kasteel, aan de overzijde van de Klinkertstraat, ligt de Droomvijver. Verder ligt er nog een vijver ten zuiden van het kasteel langs de Caumerbeek.
Voor het gehele beekdal van de Geleenbeek, vanaf de bron in Benzenrade tot aan de Muldersplas in Schinnen, is met het project 'Corio Glana' een kwaliteitsverbetering voorzien. Voor een groot deel is deze al uitgevoerd. Meer informatie over dit project is opgenomen in paragraaf 2.4.4.
|
|
| Heringerichte Geleenbeek bij Hoensbroek | Droomvijver |
Bronnengebied en dal van de Rode Beek
De Rode Beek ontspringt vlak bij de noordgrens van de Schrieversheide, net ten zuiden van de gemeentegrens Heerlen - Brunssum. De Rode Beek stroomt in noordelijke richting af, zodat de beekgebonden natuurwaarden voor het merendeel buiten het plangebied zijn gelegen.
In het noordwestelijk deel van Schrieversheide ligt een aantal vennen, waarvan er twee in de gemeente Heerlen en één in de gemeente Brunssum liggen. De vennen gaan via een lange smalle slenk ('stroet') langzaam in elkaar over. De slenk is noordelijk van het Onderste Schrieversheideven onderbroken door een, inmiddels beboste, grondwal van menselijke oorsprong. De slenk komt van oorsprong uit in het dal van de Rode Beek.
Sourethbeek
In het zuiden van deelgebied West liggen de primaire watergangen Sourethbeek, met haar zijtakken, en de Beitellossing. De watergangen vallen periodiek droog, zoals van een bovenloop kan worden verwacht. De Sourethbeek stroomt met tussenkomst van retentiebergingen in zuidelijke richting en komt in de gemeente Simpelveld uit in de Eyserbeek.
Heerlen ligt op het snijvlak van een drietal landschapstypen. Aan de oostzijde ligt als onderdeel van het heidenatuurlandschap het Natura2000-gebied Brunssummerheide, een uniek natuurgebied in Nederland met een kenmerkende zandgrond. Aan de westzijde is het Geleenbeekdal gelegen. Dit is eveneens een Natura2000-gebied, waarin tevens bijzondere cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Dit beekdal, waar kalkrijke kwel de beek voedt, maakt onderdeel uit van het geomorfologisch uitzonderlijke 'erosiebekken van Heerlen'. Dit 'erosiebekken' onderscheidt zich van het omringende en voor het Nationaal Landschap Zuid-Limburg karakteristieke plateaulandschap op basis van de aanwezige glooiingen en de hoge dichtheid aan beken, watermolens, kastelen en herenboerderijen. Dit gebied kan zodoende worden gekarakteriseerd als beekdalenlandschap. Het plateaulandschap reikt aan de noord- en zuidzijde van Heerlen tot in het stedelijke weefsel en bepaalt daarmee tevens de ligging van de hoogste delen van de gemeente.
Landschapstypen Heerlen
Schrieversheide
De Schrieversheide maakt deel uit van het groter natuurgebied de Brunssummerheide, dat behalve in de gemeente Heerlen deels ook gelegen is in de gemeenten Brunssum en Landgraaf. Het gebied is in eigendom en beheer bij de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten. De Schrieversheide bestaat al lange tijd uit bos en heidegebied. Het heidegebied is waarschijnlijk in de Middeleeuwen ontstaan, toen de bewoners het bos kapten om hier landbouwgrond van te maken. De bodem raakte echter uitgeput en was op een gegeven moment alleen nog geschikt voor het weiden van schapen, waardoor de heide ontstond. In de eerste decennia van de 20e eeuw zijn grote delen van de heidegebieden in Limburg bebost ten behoeve van de mijnbouw.
De heidevelden van de Schrieversheide bestaan voor het grootste deel uit struikheide op droge bodem. Op sommige hellingen langs de noordgrens van het plangebied komt vochtige heide met veenmossen voor, op plaatsen waar grondwater dicht aan de oppervlakte komt. In de Schrieversheide en Brunssummerheide komt een aantal vennen voor. Enkele, waaronder de Koffiepoel, liggen noordelijk van de gemeentegrens in de gemeente Brunssum. De bossen op de Schrieversheide bestaan voornamelijk uit de boomsoort grove den.
|
|
| Schrieversheide |
Geleenbeekdal
De grootte van het Geleenbeekdal duidt er op dat de beek vroeger veel breder is geweest, nu nog zijn enkele landschappelijke elementen daarvan zichtbaar, zoals terrasafscheidingen. Naast de beek zijn nog diverse bronnen, moerassen en kwelgebiedjes te vinden. De beek heeft als hoofdfunctie het afvoeren van water, daarbij is het een duidelijke drager van de ecologische hoofdstructuur van het beekdal.
De beek en de bronnen worden voor een groot gedeelte begeleid door bos. De plateaus bestaan voornamelijk uit landbouwgronden. Gezamenlijk vormt dit een natuurgebied met een gevarieerde flora en fauna. Het is een belangrijk gebied voor onder anderen dassen, vleermuizen, amfibieën en diverse soorten vogels. De landbouwgronden zijn daarbij voornamelijk van belang als buffer en als foerageergebied. Binnen deze natuurlijke omgeving zijn kleine landschapselementen uit vroegere tijden behouden. Met kleine landschapselementen wordt onder meer bedoeld: heggen, grote solitaire bomen, graften, hoogstamboomgaarden, holle wegen en drinkpoelen, zij vormen samen de beeldbepalende elementen in het gebied.
De omgeving van kasteel Hoensbroek is van oorsprong een broekland, waarin het kasteel gebouwd werd als waterburcht. Aan de noord-, oost- en zuidzijde van het kasteel liggen weilanden. De Geleenbeek en Caumerbeek komen ten westen van het kasteel samen en vormen met de slotgracht en de Droomvijver een belangrijk broedgebied, pleisterplaats en overwinteringskwartier voor vele soorten watervogels.
Benzenrade
Het gebied bij Benzenrade ligt op de overgang tussen het beekdalenlandschap en het plateaulandschap. Tussen het plateau en de bron van de Geleenbeek zit een hoogteverschil van circa 50 meter. De belangrijkste landschappelijke patronen worden gevormd door de bosrand van het Imstenraderbos, het graftenlandschap in het noordwesten en de droogdalen. Doordat de uitlopers van het Imstenraderbos met name op de randen van de droogdalen staan wordt dit microreliëf (oost-west snede) extra geaccentueerd.
In het voedselrijke beekdal en op het plateau bevinden zich hoogstamboomgaarden. In het westen is een graftenlandschap aanwezig. Graften zijn een vorm van terrassering en zijn het resultaat van een bereikt evenwicht dat ontstaan is tussen het gebruik van de gronden voor landbouw en de afspoeling van de gronden door onder andere neerslag. Behalve graften komen hier ook holle wegen voor. De hoogteverschillen in het terrein zijn duidelijk waarneembaar, ze worden zelfs versterkt door de evenwijdig aan de hoogtelijnen lopende graften. De holle wegen met opgaande beplanting aan beide zijden zorgen voor beslotenheid, ze lopen loodrecht op de hoogtelijnen.
Aan de overzijde van de N281 ligt het bos Vroedvrouwenschool. Dit oude hellingbos is van grote betekenis voor wat betreft vegetatie en flora. Het bos bestaat uit een ouder deel ten zuiden van de Buldersweg, en een nog relatief jong deel ten noorden hiervan. Het oudste deel bestaat uit naaldbos (grove den), het jonge deel voornamelijk uit loofbos (eik, es, esdoorn, wilde kers). Ook vanuit landschappelijk oogpunt is het bos waardevol door de onaangetaste staat waarin het bos verkeert en door de aanwezigheid van kenmerkende landschapselementen als holle wegen en het reliëf.
|
|
| Geleenbeekdal bij Ten Esschen | Bos bij Kleekampsweg (bij de voormalige Vroedvrouwenschool) |
De directe nabijheid van open water (Geleenbeek en Caumerbeek) was zowel in prehistorische als historische tijden een belangrijke vestigingsfactor. Uit archeologisch onderzoek blijkt dat de beekdalen onverwacht goed geconserveerde archeologische resten kunnen bevatten. In de onderstaande tekst wordt ingegaan op enkele specifieke kenmerken van het plangebied. In paragraaf 5.10 en 5.11 wordt verder ingegaan op de aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden en de betekenis daarvan voor het bestemmingsplan.
Schrieversheide
In het gebied zijn resten van bewoning gevonden, waaronder een Germaans grafveld en prehistorische resten. Tevens is aan de zuidzijde nog een gedeelte van de Middeleeuwse Landweer herkenbaar. Deze dubbele ringwal is in de Late Middeleeuwen aangelegd als reactie op de langdurige twisten die in de Late Middeleeuwen tussen de Landen van Overmaas onder Brabant aan de ene zijde en Gullik en Gelre aan de andere zijde plaats hadden. Gevolg was dat men overging tot het versterken van de grenzen en daarmee het verhinderen van veeroof. Op de wal stond hiertoe meestal een dicht en ondoordringbaar struikgewas.
Terworm
Het uitgestrekte parkachtige landschap bij Terworm werd in het verleden bewust gespaard. Er is nu sprake van een voor Zuid-Limburg unieke combinatie waar diverse archeologische en monumentale overblijfselen te zien zijn van de zes kastelen die er ooit gestaan hebben.
De hellingen bij Terworm werden al in de Romeinse tijd vamwege hun vruchtbare gronden gebruikt voor hooiland, veeteelt en visteelt (visvijvers). De hogere plateaus aan de zuidwestkant van het gebied, met de diverse hoge bronniveaus, waren prima vestigingsplaatsen voor solitaire hoeves en kasteelachtige boerderijen. Aan de noordoostzijde werden de hoeves aan de voet van de helling gebouwd omdat hier het water op lager gelegen gebieden omhoog kwam, zodoende was water altijd in de buurt. Het gebied werd vanaf de late middeleeuwen gekarakteriseerd door een verbrokkeld adellijk grondbezit.
In de 18e en 19e eeuw hebben verschillende eigenaren aangrenzende boerderijen en adellijke huizen opgekocht. Het landgoed Terworm groeide hierdoor uit van een verbrokkeld adellijk grondbezit tot een centrum van grootgrondbezit. Het landgoed strekte zich uit van de Valkenburgerweg tot Ten Esschen en tussen de huidige twee snelwegen in het dal van de Geleenbeek. Sinds 1900 is in het gebied geen boerderij en/of burgerwoning meer gebouwd. In 1917 zijn de gronden door de O.N. mijnen opgekocht van de Franse baron De Loë.
Overzichtskaart (oorspronkelijke) bebouwing landgoed Terworm
|
|
| Woning Prikkenis 1 | Tuin met orangerie bij Kasteel Terworm |
Benzenrade
Omstreeks 1850 lagen er in het gebied bij Benzenrade enkele grote hoeves. Deze herenboerderijen zorgden voor de voedselvoorziening van de snel groeiende bevolking. Nabij Benzenrade (en Kunrade) liggen diverse kalkovens/kalkbranderijen. Hier brandde men Kunraderkalksteen tot kluitkalk. Deze werd gebruikt voor metselkalk, ruw stucadoorswerk en kalkmeststof. In de Romeinse tijd werd al kalk gebrand, evenals in de Middeleeuwen. De laatste kalkoven werd in 1967 gesloten.
Midden in het gebied ligt, op de plek waar materiaal uit de formatie van Kunrade aan de oppervlakte komt, een voormalige dagbouwgroeve. Deze groeve kent twee (en wellicht zelfs een derde) ingangen. Deze ingangen waren omstreeks 1988 nog toegankelijk. Door overwoekering en dichtgestorte ingangen is de groeve in het huidige terrein niet meer te zien.
De naam Imstenrade stamt uit de hoge Middeleeuwen (1000-1300) toen grote delen van Zuid-Limburg ontbost en ontgonnen zijn. Het achtervoegsel '-rade' duidt op rooien. Alleen de gronden die voor landbouw onrendabel bleken te zijn, zijn niet in cultuur gebracht. Het Imstenraderbos is hiervan een duidelijk en mooi voorbeeld. In de hellingen van het Imstenraderbos is in het verleden op meerdere plekken kalk, leem en grind gewonnen. Deze groeves (dagbouw) zijn in het bos als gaten en steilwanden herkenbaar. Verder zijn in het bos drie grensstenen aanwezig die herinneren aan de 17e eeuwse eigenaar van het bos en de hoeve: Graaf de Loë.
In de middelste laag staan de netwerken centraal. Onder netwerken worden wegen, spoorlijnen, waterwegen en kabels en leidingen verstaan.
Door het plangebied van het bestemmingsplan Buitengebied loopt een aantal hoofdontsluitingswegen van de gemeente Heerlen. In deelgebied West loopt de A76 parallel aan de gehele westelijke gemeentegrens. Deze snelweg zorgt voor een directe verbinding met Sittard/Eindhoven in noordelijke richting en Aken in zuidelijke richting. Ter hoogte van het knooppunt Kunderberg takt de A79 aan, die de verbinding vormt naar Valkenburg/Maastricht.
De 'stadsautoweg' N281 (Antwerpseweg/Keulseweg) loopt vanaf knooppunt Ten Esschen in het noorden tot aan knooppunt Bocholtz in het zuiden van de gemeente en zorgt via meerdere op- en afritten voor een directe ontsluiting van de stad. De weg loopt op een afstand van ongeveer een kilometer parallel aan de A76 en is door middel van de Welterlaan direct verbonden met knooppunt Kunderberg. De weg is tevens verbonden met de Binnenring (van de regio) Parkstad. Deze takt in het noorden aan met de Beersdalweg en in het zuiden met de Imstenraderweg/Euregioweg.
De nieuwe Buitenring van Parkstad is momenteel in aanleg. Deze doorsnijdt tussen Hoensbroek en Vaesrade de noordelijke punt van het plangebied. De Buitenring Parkstad Limburg zal de Randweg (N298) in Hoensbroek in de toekomst ontlasten.
Behalve de hoofdontsluitingswegen lopen in deelgebied West ook diverse wegen die voor een ontsluiting op lokaal niveau zorgen. Bij Hoensbroek zijn dit bijvoorbeeld de Terschurenweg en de Klinkertstraat. De Esschenweg en de weg Ten Esschen zorgen voor de ontsluiting voor de woningen van het gelijknamige buurtschap, dat ter hoogte van de Beersdalweg ingesloten ligt tussen de A76 en de N281. In het zuiden wordt buurtschap Benzenrade ontsloten door de gelijknamige weg.
Landgoed Terworm wordt ontsloten door de weg Terworm, die het gebied in oost-westrichting in een rechte lijn doorsnijdt en in het oosten direct verbonden is met de N281. In het zuiden is de Zandweg, lopend vanaf de John F. Kennedylaan tot aan de Imstenraderweg, nog een mooi voorbeeld van een typische historische ontsluitingsroute van Heerlen. De weg is met de aanleg van de N281 doorsneden. Het oorspronkelijke verloop van de weg is van bovenaf nog goed terug te zien.
Langs de grens van deelgebied Oost tenslotte loopt een belangrijke ontsluitingsweg voor het stadsdeel Heerlerheide; de Heerenweg. Deze vormt een directe verbinding met Brunssum. De Schaapskooiweg zorgt voor de ontsluiting met het bezoekerscentrum en het natuurgebied Brunssummerheide. Tevens bevindt zich aan deze weg een parkeerterrein.
|
|
| N281 (viaduct Zandweg) | Vogel perspectief van het knooppunt Kunderberg |
Evenwijdig aan de A76 komt aan de noordzijde van deelgebied West de spoorlijn Heerlen-Sittard het plangebied binnen. Deze spoorlijn leidt verder in zuidelijke richting, voorbij het station Heerlen, naar Kerkrade en Aachen. Ter hoogte van de Woonboulevard takt de spoorlijn Heerlen-Maastricht aan. Deze loopt dwars door Terworm richting Voerendaal.
Helemaal in het zuiden van het plangebied is bij het bedrijventerrein de Beitel nog sprake van een derde spoorlijn. Het betreft het zogenaamde 'Miljoenenlijntje' tussen Kerkrade en Valkenburg, dat nu nog enkel in gebruik is als museumspoorlijn.
In de gemeente Heerlen zijn geen watergangen aanwezig die in gebruik zijn als vaarwegen.
Door het plangebied loopt een uitgebreid netwerk van kabels en leidingen voor nutsvoorzieningen. Behalve de diverse huisaansluitingen en leidingen met een beperkte omvang, zijn ook een leidingen planologisch belang aanwezig. Zo lopen in deelgebied Oost en in (het uiterste zuiden van) deelgebied West hogedruk aardgasleidingen in beheer van de Gasunie. Ook loopt er in deelgebied Oost langs de oostelijke gemeentegrens een hoogspanningsleiding, wat eveneens het geval is in het zuiden van deelgebied West langs de Imstenraderweg.
Voor een meer gedetailleerde beschrijving van de verschillende kabels en leidingen, inclusief de inpassing in het bestemmingsplan Buitengebied, wordt verwezen naar paragraaf 5.7 en 5.8.
De bovenste laag is de occupatielaag, ook wel de gebruikerslaag genoemd. Dit betreft de bebouwing en functies die voorkomen uit menselijk gebruik. Hierin is ruimte voor wonen, werken en recreëren.
Romeinse tijd
Heerlen (Coriovallum) is rond het begin van de jaartelling ontstaan op de kruising van de Romeinse weg van Keulen naar Boulogne-sur-Mer en de Romeinse weg van Trier naar Xanten. Heerlen was een burgerlijke nederzetting, maar kende ook een militaire aanwezigheid. De stad was organisch gegroeid; een duidelijk en systematisch nederzettingsplan zoals bij Romeinse (legioens)kampen ontbrak. Heerlen beleefde zijn bloei als handelsplaats in de 2e eeuw na Chr. De nederzetting was deels nog bewoond tot rond 400 na Chr.
Agrarische periode
Vanaf de vijfde eeuw tot ver in de negentiende eeuw kende het gebied rond Heerlen een agrarische samenleving, bestaande uit enkele dorpen, gehuchten, landgoederen, kastelen, agrarische en woeste gronden. Veel elementen, ontstaan in deze periode, zijn nog in het stedelijke gebied te herkennen en hebben een rol gespeeld bij de wijze van verstedelijking. Tot het eind van de 19e eeuw was Heerlen een groot dorp met circa 7.000 inwoners.
Industrialisatie
In 1896 werd er een treinstation gebouwd. Hierna begon het inwoneraantal van Heerlen te groeien. De industriële ontwikkeling (vanaf begin 20e eeuw) als gevolg van de ontdekking van exploiteerbare hoeveelheden steenkool in Heerlen en omgeving zorgde voor een explosieve toename van de bevolking. In de buurt van de mijnzetels werden nieuwe arbeiderswijken gebouwd en bestaande dorpen groeiden uit tot steden. Op deze wijze ontstond een uiteengelegde stedelijke structuur. Heerlen werd door de mijnbouw, die ook na de oorlog nog groeide, in economisch opzicht de belangrijkste plaats in Zuid-Limburg.
In de jaren zestig en zeventig van de 20e eeuw sluiten alle mijnen en verandert de economische structuur. Nieuwe bedrijventerreinen worden aangelegd langs de nieuwe autowegen A76 en de N281.
De belangrijkste karakteristiek van het buitengebied van Heerlen is dat dit niet alleen als een schil rond de stad ligt, maar ook uitlopers heeft in het stedelijk gebied. Heerlen wordt wel gekarakteriseerd als een 'gefragmenteerde', groene stad. Een stad die bestaat uit bebouwingskernen, omgeven door onbebouwde, groene ruimten. Deze liggen voor een groot deel binnen het plangebied van bestemmingsplan Buitengebied.
Het stedelijk weefsel van Heerlen is in de loop van de tijd aan elkaar gegroeid vanuit een aantal dorpskernen, buurtschappen en mijnkoloniën. Het buitengebied van de gemeente Heerlen kent relatief weinig bebouwing. Binnen het plangebied is sprake van de aanwezigheid van een enkel kleiner buurtschap en verspreide lintbebouwing langs enkele uitlopers van buurtschappen, zoals Terschuren, Ten Esschen en Benzenrade. De bebouwing bestaat hoofdzakelijk uit woonbebouwing, op enkele plaatsen afgewisseld door agrarische bebouwing.
De historische bebouwingslinten bestaan in het algemeen uit een reeks van los staande gebouwen en onbebouwde terreinen en zijn in de loop der tijd langs de oudere hoofd- en uitvalswegen ontstaan. Ze hebben een duidelijke functionele en visuele relatie met de route waarlangs deze zijn ontstaan. Vaak sluiten deze wegen aan op de oude kern of maken er deel van uit. Afhankelijk van de situatie maakt het landschap en de erfbeplanting, via doorzichten tussen de bebouwing, wezenlijk onderdeel uit van de belevingswaarde van deze linten.
Buurtschappen en bebouwing in plangebied
Deelgebied Oost
Dit deelgebied ligt in de noordoostpunt van de gemeente en bestaat grotendeels uit de Schrieversheide. Dit heidegebied maakt onderdeel uit van de Brunssummerheide, dat is aangewezen als Natura2000-gebied. De Brunssummerheide is het meest zuidelijk gelegen heidegebied van Nederland. Het is een uniek natuur-(heide)gebied, met de bronnen van de Roode Beek. Het gebied beslaat een oppervlakte van 552 hectare. Aan de zuidzijde vormt de Heksenberg (relict mijnbouwperiode) met een hoogte van ruim 238 meter boven NAP het hoogste punt. Ten zuiden liggen enkele zandgroeven, die nog deels in gebruik zijn. Binnen de Schrieversheide zelf zijn geen afgravingen toegestaan.
Het heidegebied heeft een belangrijke functie als stedelijk uitloopgebied. Dit geldt voornamelijk voor de bewoners van de woonwijken De Stack, Vrieheide, de Maria Christinawijk, grenzend aan de westzijde van de Heerenweg. Het is erg prettig dat het gebied een goed functionerend en samenhangend netwerk van toeristisch-recreatieve routes heeft. De functie van stedelijk uitloopgebied maakt dit prachtige heidegebied meer dan alleen gebied waar, op plaatsen zijn natuur en recreatie intensief met elkaar verweven er wordt druk gewandeld, gefietst en paard gereden.
Ook is er een bezoekerscentrum voor de Brunssummerheide, dat samen met de sterrenwacht is ontsloten via de Schaapskooiweg. De bebouwing ligt enigszins verscholen in het groen achter het bebouwingslint van de Heerenweg.
|
|
| Toegang Brunssummerheide | Sterrenwacht |
Deelgebied West
Dit langgerekte gebied strekt zich uit langs de gemeentegrens, beginnend in het noorden vanaf het buitengebied bij Hoensbroek tot aan het 'Miljoenenlijntje' bij de Beitel.
Binnen dit deelgebied valt het Geleenbeekdal, met onder andere landgoed Terworm en het buurtschap Benzenrade.
Terschuren
De Schurenberg vormt een fraaie overgang van Hoensbroek naar het buitengebied. Binnen het gebied is sprake van een bijzonder landschap met natuurlijke waarden en grote hoogteverschillen, de Geleenbeek speelt hierbij een belangrijke rol. Aan de Terschurenweg zijn nog enkele karakteristieke vakwerkhuisjes te vinden. Deze weg wordt aan de westzijde voor het overgrote deel geflankeerd door akkers. Langs de Wingerdweg en de Schurenbergsweg liggen ook nog enkele gebouwen die getuigen van het oorspronkelijk agrarisch karakter, het zijn evenals de bebouwing langs de Terschurenweg relicten van historische linten.
Het gebied tussen de Slot Harenlaan en de Wingerdweg is een bebost gebied. Ten zuiden hiervan stroomt de Geleenbeek, die hier de gemeentegrens markeert. Door het zuidoostelijk gedeelte loopt het voormalige mijnspoor, dat tegenwoordig -deels- in gebruik is als fiets- en wandelpad.
|
|
| Schurenbergsvoetpad | Terschuren |
Kasteel Hoensbroek
Eerder in deze paragraaf is Heerlen al gekarakteriseerd als een 'gefragmenteerde', groene stad. Een stad die bestaat uit bebouwingskernen, omgeven door onbebouwde, groene ruimten. Het onderhavige gebied is zo'n 'onbebouwde', groene ruimte. Gelegen aan de rand van de stad vormt het gebied een groene lob die de stad binnendringt.
De groene lob is grofweg onder te verdelen in drie deelgebieden met een eigen ruimtelijke uitstraling. Deze verdeling kan in belangrijke mate worden gekoppeld aan de ligging van de Klinkertstraat en het beekdal van de Caumerbeek, die het gebied respectievelijk in noordzuid-richting en oostwest-richting 'doorsnijden'.
Omgeving kasteel
De gedeelten aan weerszijden van de Klinkertstraat, ten noorden van het (Caumer)beekdal, vormen tezamen één representatieve ruimte. Deze ruimte wordt ruimtelijk en stedenbouwkundig gedomineerd door kasteel Hoensbroek. De aangrenzende weilanden en de vijver aan de overzijde van de weg hebben een zekere openheid tot gevolg waarbinnen het kasteel fraai tot uitdrukking komt.
Kasteel Hoensbroek dateert hoofdzakelijk uit de jaren na 1640 en is gebouwd naar een ontwerp van architect Matthieu Dosin uit Visé (België). Het kasteel is zeer verwant met de Maaslandse Renaissance stijl. De ronde toren is in de 14e eeuw gebouwd. In de 17e eeuw werd het kasteel fors uitgebreid. Uit deze periode stammen de beide ophaalbruggen. In de 18e eeuw werd een luxueus woongedeelte toegevoegd. Dit kwam in de plaats van het in 1717 ingestorte middeleeuwse slotgedeelte waarvan de ronde toren is overgebleven. De drie bouwfasen zijn nog altijd te onderscheiden. Restanten van de nog oudere vesting welke is afgebroken in 1643 liggen onder en rondom de binnenplaats van het huidige hoofdgebouw. Tussen 1930 en 1940 is het kasteel grondig gerestaureerd. Momenteel verkeert het in goede staat van onderhoud. Sinds 1968 is het kasteel ingericht als museum.
Woningen Klinkertstraat - Terlindenweg
De tweede te onderscheiden ruimte ligt aan de zuidzijde van de Caumerbeek. Deze ruimte wordt gekarakteriseerd door oude fragmenten van een bebouwingslint, die worden afgewisseld met opgaand groen en open velden. In combinatie met het reliëf levert dit deel van het gebied een typisch Limburgs plaatje op.
Omgeving zuiveringsinstallatie
De resterende ruimte wordt omsloten door de hiervoor beschreven gebieden en de infrastructuur, bestaande uit de spoorweg en de snelweg A76, aan de zuidwestzijde van het gebied. Deze ruimte, waarbinnen een grote zuiveringsinstallatie van Waterschapsbedrijf Limburg ligt, is aan alle zijden afgeschermd met groen. Het overgrote deel van het gebied vormt een fraaie, groene ruimte binnen het bebouwde gebied van Heerlen. Vooral in ruimtelijk c.q. visueel opzicht is het gebied erg aantrekkelijk. Het kasteel is echter alleen vanuit de directe omgeving waarneembaar en het gebied is niet overal even goed toegankelijk.
|
|
| Kasteel Hoensbroek | Klinkertstraat |
Ten Esschen
Buurtschap Ten Esschen heeft nog de typische uitstraling van een voormalige plattelandskern. Ofschoon er sprake is van een stadsrandzone is er in het gebied nog veel van het oorspronkelijk karakter bewaard. De grootschalige sporthal in dit gedeelte contrasteert met de omgeving. Het noordelijk van de Beersdalweg gelegen gebied, rondom de Esschenweg, is relatief onbebouwd en heeft nog een typisch agrarisch karakter. Langs de Esschenweg komt verspreide lintbebouwing voor. De structuur van de openbare ruimte en groenvoorzieningen is in onderdelen zeer divers. In het buurtschap is de invloed van de nabije ligging van het buitengebied merkbaar, zodat, ondanks enkele versteende plekken, een groene indruk overheerst.
|
|
| Esschenweg | Ten Esschen |
Terworm
Van het karakter van het oorspronkelijke landgoed Terworm is in de huidige situatie nog veel in stand gebleven, zoals reeds in paragraaf 3.2.4 is beschreven. Er bevindt zich in het gebied weinig bebouwing; enkele oude en bijzonder fraaie boerderijen, een kasteel (Kasteel Terworm), hotel van der Valk en de (voormalige) rioolwaterzuiveringsinstallatie zijn de enige bouwwerken. Kasteel Terworm en omgeving vormen een cultuurhistorisch waardevol ensemble. Het gebied kent geen doorgaande wegen. Wel vormt de op een dijk gelegen spoorlijn (Heerlen-Maastricht) die het gebied doorsnijdt, een visuele barriére in het landschap. Het gebied heeft veel kleine landschapselementen, zoals heggen, grote solitaire bomen, graften, hoogstamboomgaarden, holle wegen en drinkpoelen. Zij vormen samen de beeldbepalende elementen in het gebied.
De combinatie van natuur en cultuur in het gebied zorgt niet alleen voor een hoge belevingswaarde, ook het contrast van het open plateau en het beboste dal zorgt voor een grote cultuurhistorische waarde. Het gebied heeft een belangrijke recreatieve functie voor Heerlen en omgeving.
|
|
| Hoeve Gitsbach | Akkers met op de achtergrond Kasteel Terworm |
Tussen Terworm en het verder in zuidelijke richting gelegen Benzenrade bestaat het plangebied uit een langgerekte strook parallel aan de gemeentegrens. Binnen deze strook ligt de A76, inclusief het knooppunt Kunderberg, waar de A76 is verbonden met de A79. Recent is op het grondgebied van de gemeente Heerlen aan dit knooppunt een zuidelijke lus toegevoegd, zodat komende vanaf de A79 direct de A76 in noordelijke richting op gereden kan worden.
Het gebied gelegen tussen de A76 en de John F. Kennedylaan is ingericht als park en bevat ook enkele paardenweilanden. Ook zijn er volkstuinen gelegen.
Benzenrade
Buurtschap Benzenrade ligt nog als karakteristiek Zuid-Limburgs buurtschap in het landschap. Het buurtschap is ontstaan rond de bron van de Geleenbeek. Deze bron van de Geleenbeek ontspringt in de hoog gelegen kelders van de Benzenraderhof. Het water wordt naar een, naast de hoeve gelegen, vijver geleid.
De stedenbouwkundige structuur bestaat uit lintbebouwing die de lijnen van het landschap volgt. Dat is enerzijds de Geleenbeek aan de oostzijde en het talud van een heuvelrug aan de westzijde. Tussen de beide bebouwingslinten is nog een open ruimte aanwezig die nog gedeeltelijk in gebruik is als weidegebied. Door deze groene ruimte stroomt de Geleenbeek. De ruimte draagt in belangrijke mate bij aan het ruimtelijke karakter van het buurtschap. Waar beide wegen van het buurtschap samenkomen staat een kapel.
Het buurtschap bestaat van oorsprong uit agrarische bebouwing, meestal uit één of anderhalve bouwlaag, afgedekt met zadeldaken. In de loop der jaren heeft er op een aantal plaatsen in het bebouwingslint nieuwbouw en vervangende nieuwbouw plaatsgevonden. De oorspronkelijke bebouwing toont nog steeds duidelijke agrarische trekken: een forse massa, die evenwijdig aan en vaak dicht op de weg is geplaatst. De ruimte daartussen is geleidelijk aan opgevuld met vrijstaande woningen uit de periode 1880-1950. Deze woningen staan op enige afstand van de weg en zijn meestal voorzien van een voortuin. Het straatbeeld is wisselend vanwege de verschillen in (oorspronkelijke) functie, de individuele plaatsing van panden en de optredende verschillen in bouwstijl.
Om Benzenrade heen liggen enkele huisweiden die omheind zijn door hagen en voorzien zijn van hoogstamfruit. Ook zijn gronden in agrarisch gebruik als akkerland of als grasland. Het gehele gebied rondom het buurtschap is landschappelijk van grote waarde. De belevingswaarde van de kleinschalige en afwisselende structuur van Benzenrade in samenhang met het bos van Imstenrade zorgen voor een sterk contrast met de achtergrond: de snelwegen, de skyline van Heerlen en de nabijheid van het stedelijk centrum van de stad.
|
|
| Benzenrade | Centrale groenzone rondom Geleenbeek |
Ten oosten van Benzenrade, direct achter de N281, ligt het gehucht De Euren. De bebouwing ligt verscholen in het landschap en wordt naast enkele weilanden voornamelijk omsloten door bos. Het bos loopt in oostelijke richting door tot aan de percelen aan de Zandweg, onder andere Parc Imstenrade (de voormalige Vroedvrouwenschool). De Zandweg vormt tevens de plangrens van het bestemmingsplan Buitengebied. Met uitzondering van Parc Imstenrade, en enkele andere percelen aan de Zandweg (waaronder de paardenweide) liggen de overige percelen binnen het plangebied. Hier bevindt zich verspreide historische lintbebouwing, die al dan niet gekenmerkt wordt door vroeger agrarisch gebruik.
Imstenrade
De historische route Zandweg loopt ten zuiden van de N281 langs het Imstenraderbos. Het bos wordt vanuit een natuuroogpunt beheerd, de gebruiksmogelijkheden voor andere doeleinden zijn minimaal. Door de natuurlijke overgangen van het licht golvend plateau via de helling met droogdalen naar het beekdal bij Benzenrade is er een grote ruimtelijke afwisseling. De vergezichten vanaf de plateaurand zorgen voor oriëntatie en ruimtelijke beleving. Het Imstenraderbos en het noordwestelijk hiervan gelegen graftenlandschap zorgen voor een grote mate van herkenbaarheid van het natuurlijke en cultuurlandschap. De wandelpadenstructuur draagt op een plezierige manier bij aan de interne beleving van het (bos)gebied. Vanuit Benzenrade wordt de rand van het Imstenraderbos als een groene wand ervaren. Het achterliggende plateau is van hieruit niet herkenbaar.
De begraafplaats, het asielzoekerscentrum en de villa Imstenrade, allen gelegen aan de Imstenraderweg (tevens plangrens), zorgen voor een halfopen overgangsgebied tussen het bos en het aan de zuidzijde van de weg gelegen bedrijventerrein De Beitel. De overige bebouwing in dit deelgebied bevindt zich aan de weg Imstenrade (agrarische bebouwing) en aan de Zandweg (cluster met recreatieve voorzieningen ter hoogte van het viaduct over de N281).
|
|
| Boerderij Imstenrade | Villa Imstenrade |
Groengebied Beitel
Ten zuiden van de Imstenraderweg bestaat het plangebied van het bestemmingsplan Buitengebied uit het groene gebied gelegen tussen de A76 en de bebouwing van het bedrijventerrein, dat doorloopt tot aan het 'Miljoenenlijntje'. In het gebied is onder meer het brongebied van de Sourethbeek gelegen. Vanaf de Imstenraderweg loopt de weg Hondsrug door het gebied, waarop de aanwezige lintbebouwing wordt ontsloten. Aan de zuidkant van de weg Beitel ligt een grootschalig agrarisch bedrijf.. Voor het overige kent het gebied een groene invulling bestaande uit akkers en weilanden, doorkruist door enkele fiets- en voetpaden. Door de groene invulling kan deze groene zone worden gekarakteriseerd als groene buffer en contramal van het bedrijventerrein. Ten westen van het gebied, aan de overzijde van de A76, ligt op korte afstand het dorp Simpelveld.
|
|
| Hondsrug | Agrarisch bedrijf Beitel/Rolduckerweg |
Het buitengebied van Heerlen kenmerkt zich door de relatief beperkte aanwezigheid van agrarische bedrijvigheid. Veel oorspronkelijk aanwezige agrarische bedrijven zijn niet meer actief en onder meer omgevormd naar woningen. Momenteel bevinden zich nog de volgende actieve bedrijven in het plangebied (allen gelegen in deelgebied West, opgesomd van noord naar zuid):
| Terschurenweg 60 | fokken en houden van graasdieren |
| Klinkertstraat 27 | glastuinbouw/bloemisterij |
| Terworm 6 | akkerbouwbedrijf |
| Benzenrade 32 A | akker- en/of tuinbouw in combinatie met het fokken en houden van dieren |
| Bremersweg 11 | akker- en/of tuinbouw in combinatie met het fokken en houden van dieren (Benzenraderhof) |
| Imstenrade 1 | akkerbouwbedrijf |
| Imstenrade 1A | paardenstalling |
| Imstenrade 2 | akkerbouwbedrijf |
| Hondsrug 3 | agrarisch bedrijf (geen gegevens bekend) |
| Beitel 100 | akker- en/of tuinbouw in combinatie met het fokken en houden van dieren |
| Rolduckerweg 62 | pluimvee- en veeteeltbedrijf (intensieve veehouderij) |
Hoewel het buitengebied van Heerlen qua omvang relatief beperkt is ten opzichte van het oppervlak aan stedelijk gebied, is juist wel sprake van hoge natuurwaarden. Twee op Europees niveau beschermde Natura2000-gebieden liggen namelijk binnen de plangrenzen van bestemmingsplan Buitengebied: de Brunssummerheide en het Geleenbeekdal. Ook het eeuwenoude Imstenraderbos heeft een hoge natuurwaarde.
Ten behoeve van het beheer van de Brunssummerheide zijn aan de Kamperheideweg 11-13 een werkschuur en schaapskooi gerealiseerd.
Het buitengebied vervult een belangrijke recreatieve functie (recreatief medegebruik). Het gebied wordt doorkruist door diverse wandel-, fiets- en ruiterpaden, met de daarbij behorende ondersteunende voorzieningen als bewegwijzering, rustplaatsen en informatieborden. Behalve deze kleinschalige voorzieningen zijn er ook enkele grotere recreatieve voorzieningen in het plangebied aanwezig. In deelgebied Oost is dit het Bezoekerscentrum Brunssummerheide aan de Schaapskooiweg 99, inclusief restaurant Schrieversheide.
In deelgebied West liggen verspreid verschillende volkstuincomplexen: aan de Randweg, Klinkertstraat en aan de John F. Kennedylaan. Aan de Kasteel Hoensbroeklaan bevindt zich het Dierenpark Hoensbroek. Bij de Droomvijver is een hengelsportvereniging actief, die beschikt over een gebouwtje aan de Klinkertstraat 99.
In het zuiden van deelgebied West ligt de binnenspeeltuin Avonturenland aan de Zandweg 179-181, inclusief restaurant.
Verder bevindt zich een aantal voorzieningen voor verblijfsrecreatie binnen het plangebied. Het betreft de hotels (met restaurant) Van der Valk (Terworm 10) en het nabijgelegen Kasteel Terworm (Terworm 5). Ook is op vier adressen een bed & breakfast gevestigd:
|
|
| Dierenpark Hoensbroek | Kasteel Terworm |
Verspreid in het plangebied is horeca gevestigd. Behalve de horecagelegenheden die gevestigd zijn bij de hiervoor genoemde recreatieve voorzieningen, betreft het ook een snackbar aan de Heerenweg 280, restaurant Bergrust aan de Schuureikenweg 115 (nabij de Randweg) en eetcafé 't Koffiehuuske aan Benzenrade 2.
Een bijzondere combinatie van cultuur en recreatie, en tegelijkertijd een landelijk bekende toeristische attractie, is het Kasteel Hoensbroek. In dit middeleeuwse kasteel is een kasteelmuseum gevestigd, waarbij meer dan veertig ingerichte kasteelvertrekken zijn te bezichtigen. Rondom het kasteelthema worden diverse in - en outdooractiviteiten georganiseerd, zoals bijvoorbeeld workshops boogschieten en middeleeuwse riddertoernooien. Het kasteel richt zich zowel op toeristen als groepsuitjes.
Als onderdeel van het kasteelcomplex is tevens een museumcafé en een winkeltje aanwezig.
Binnen het plangebied zijn twee vestigingen van detailhandel aanwezig: het betreft een winkel in kachels aan de Heerenweg 244 en een tuincentrum aan de Esschenweg 70.
In deelgebied Oost bevindt zich aan de rand van de Brunssummerheide de Sterrenwacht Limburg (Schaapskooiweg 95). De sterrenwacht herbergt enkele antieke telescopen die nog steeds in gebruik zijn. De sterrenwacht wordt beheerd door een stichting en is op beperkte tijden geopend voor het publiek.
Aan de Heerenweg 332 is op een langgerekt perceel een woongroep en ontmoetingsruimte voor een religieuze organisatie gevestigd. Op het achterste gedeelte van het perceel Heerenweg 274 is een dans- en balletschool gevestigd.
In het buurtschap Benzenrade bevindt zich op nummer 2A een praktijk voor ostheopathie. Verderop staat op een driesprong in het buurtschap een grote kapel. Een kleinere kapel staat in het nabij gelegen buurtschap De Euren, op de kruising Bremersweg-Buldersweg-Kleekampsweg-de Euren.
Twee grootschalige maatschappelijke voorzieningen bevinden zich naast elkaar aan de Imstenraderweg. Het betreft begraafplaats Imstenrade (met crematorium) en het asielzoekerscentrum, waarvan het bakstenen gebouw vroeger in gebruik was als klooster.
Aan Ten Esschen 100 is een sportschool gevestigd. Aan de Zandweg 193 bevindt zich het voetbalcomplex van vereniging RKHBS. Verder ligt aan de Randweg in Hoensbroek het niet meer in gebruik zijnde sportcomplex Schurenberg.
|
|
| Sporthal Ten Esschen |
De woonfunctie komt verspreid in het plangebied voor. Meestal in de vorm van burgerwoningen, maar op enkele plekken ook als (voormalige) bedrijfswoning bij een (agrarisch) bedrijf. Bij de woningen kan sprake zijn van een kleinschalig beroep aan huis. Het bijbehorend erf is vaak ingericht als (sier)tuin, al dan niet als overgang naar het aangrenzende open landschap. Op een aantal grotere percelen worden hobbymatig paarden gehouden.
Behalve de agrarische bedrijven, zoals genoemd in paragraaf 3.4.3.1, komt verspreid in het plangebied nog meer bedrijvigheid voor. De bedrijven liggen solitair, waarbij een aantal bedrijven vlakbij elkaar is gevestigd in het historische bebouwingslint aan de Heerenweg.
| Heerenweg 242 | Elektrobedrijf |
| Heerenweg 248 | Gevelreiniging-/Straalbedrijf |
| Heerenweg 284 | Autobedrijf |
| Esschenweg 70 | Tuincentrum |
| Ten Esschen 15 | Vervaardiging brandhout |
| Antwerpseweg 1 en 50 (N281) | Tankstations |
| Zandweg 158 | Autobedrijf |
| Hondsrug 10 | Hoveniersbedrijf |
Behalve de vele kleinschalige schakelkastjes en transformatorhuisjes, liggen in het buitengebied ook enkele grotere nutsvoorzieningen. In deelgebied Oost betreft het een gasdrukmeet- en regelstation van de Gasunie aan de Schaapskooiweg 52-54.
Globaal tussen Kasteel Hoensbroek en de A76 ligt het uitgestrekte terrein van de rioolwaterzuiveringsinstallatie Hoensbroek. Deze is in beheer bij het Waterschapsbedrijf Limburg. Hier wordt het afvalwater van geheel Heerlen verwerkt. Tot voor kort werd een gedeelte hiervan ook verwerkt door de rioolwaterzuiveringsinstallatie Heerlen aan de Eikendermolenweg 100, echter deze is niet meer in bedrijf.
Nabij Parc Imstenrade staat aan de Kleekampsweg 80 nog een installatie voor drinkwater. Deze is in beheer bij Waterleiding Maatschappij Limburg.
|
|
| Voormalige rioolwaterzuiveringsinstallatie Heerlen |
Binnen het plangebied van bestemmingsplan Buitengebied zijn enkele specifieke aandachtspunten te benoemen, die in dit hoofdstuk zijn beschreven.
Het zandgroevengebied is een bijzonder gebied. Een deel van dat bijzonder karakter is te danken aan de zandwinning. Hierdoor is een spectaculair landschap ontstaan met zandmeren, steile helingen en natuurlike bosgebieden.
De zandwinning in dit gebied zal de komende jaren worden afgebouwd en er ontstaan mogelijkheden dit gebied in te richten tot een natuur- en parkzone met bijzondere functies voor Heerlen en Parkstad. In 2009 heeft de gemeenteraad hiervoor het Masterplan Zandgroeves vastgesteld, dat ziet op een herontwikkeling van het totale gebied na beeindiging van de zandwinning. Het Masterplan biedt zicht op een optimaal ingericht gebied waar ruimte is voor cultuur, natuur landschap, waterrecreatie, woningen en voorzieningen.
| Groeve | Vergunning verleend op | Geldig tot |
| Beaujean Heerenweg-West | 6 juni 2009 | 2020 |
| Beaujean Heerenweg-Oost | 6 januari 2011 | 2021 |
| Sibelco | 10 april 2001 | 2020 |
overzicht huidge ontgrondingsvergunningen
De herontwikkeling van het zandgroevengebied is niet mogelijk op basis van het huidig geldend planologisch regime. dit betreft de recent vastgestelde beheersverordening Snipperlocaties (2014), waarin alleen de huidige situatie is geregeld.
Heerenweg-Oost en Heerenweg-West
Op dit moment bestaan slechts globale plannen voor de herontwikkeling van de groeves. De uitvoerbaarheid van deze plannen is op dit moment nog niet uitgekristaliseerd. Als in het onderhavig bestemmingsplan deze globale plannen zouden worden opgenomen, zou geen sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Teneinde de inpasbaarheid van deze plannen te kunnen bepalen zal allereerst een concreet voornemen bekend moeten zijn. Vervolgens kan worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Er kan worden gekozen voor twee scenario's:
1. In het bestemmingsplan Buitengebied de bestaande planologisch situatie conserverend vastleggen, waarmee de huidge bedrijfsactiviteiten kunnen worden voortgezet. In de toekomst zal dan een afzonderlijke planologische procedure moeten worden doorlopen om de herontwikkeling mogelijk te maken.
2. De desbetreffende groeves buiten het plangebied houden. Ter plaatse geldt een recent planologisch regime, dat de huidige bedrijfsactiviteiten mogeliijk maakt. In de toekomst zal dan een afzonderlijk planologische procedure moeten worden doorlopen om de herontwikkeling van de groeves mogelijk te maken.
Sibelco
In maart 2015 heeft de Provincie Limburg een intentieovereenkomst getekend met het bedrijf Sibelco over de toekomstige irichting van de zilverzandgroeve in Heerlen en Landgraaf. De overeenkomst gaat over het zogeheten Plan van Transformatie Sibelco-gebied. Hierin staat de Sibelco nog twintig jaar zilverzand mag winnen in het gebied. Dat is vijftien jaar langer dan de hudige vergunning, die in 2020 afloopt. Sibelco wil de winning voortzetten omdat er veel vraag bestaat naar zilverzand voor de productie van hoogwaardig glas.
Mochten de plannen van Sibelco geen doorgang vinden, zal in de toekomst een afzonderlijke juridisch-planologische procedure moeten worden doorlopen om de herontwikkeling van de groeves mogelijk te maken.
Begrenzing groeves
Conclusie
Uitgaande van de twee geschetste scenario's voor de groeves Heerenweg-Oost en Heerenweg-West heeft het tweede scenario de voorkeur: de betreffende groeves buiten het plangebied houden. Dit scenario is ook wenselijk voor de groeve Sibelco. Voor het gehele groevegebied geldt een recent planologisch regime in de vorm van de beheersverordening Snipperlocaties (2014), waarvan de wettelijke bepaalde termijn van 10 jaar langer is dan de looptijd van de huidige consessies.
Aangezien buiten de groeves slechts een beperkt gebied aan de westrand overblijft, dat vooral landschappelijk is en waar bovendien ook de recente beheersverordening Snipperlocaties geldt, zal dit gebied eveneens buiten het plangebied van het bestemmingplan Buitengebied worden gehouden.
Om de ontsluiting van de Brunssummerheide te verbeteren, ofwel de huidige Schaapskooiweg met kruising op de Heerenweg te ontlasten, bestaan er plannen om een nieuwe toegangsweg aan te leggen. Deze is voorzien ter hoogte van de nieuwe rotonde in het verlengde van de Unolaan. De plannen liggen er al langer, echter de gronden zouden nog moeten worden aangekocht. Op dit moment wordt de aanleg van de weg niet voorzien binnen de eerstvolgende 10 jaar, ofwel de wettelijke termijn dat een bestemmingsplan geldig is. De aanleg van de weg hangt samen met de herinrichting van het groevegebied na beëindiging van de zandwinning.
Er is daarom voor gekozen om in bestemmingsplan Buitengebied geen rekening te houden met de aanleg van de weg en ter plaatse alleen de geldende planologische situatie over te nemen. Bij een concreet en haalbaar plan voor de weg kan in de toekomst altijd een aparte planologische procedure worden doorlopen.
De plangrenzen van het provinciale inpassingsplan Buitenring zijn niet altijd afgestemd op de gemeentegrenzen. Hierdoor is sprake van enkele losliggende restgebieden. Deze worden in het plangebied van het bestemmingsplan Buitengebied meegenomen.
|
|
|
|
Naanhofsweg 74
- tuin met tennisbaan - particulier eigendom, hoort bij woning Naanhofsweg 74 (gemeente Nuth) |
Naanhofsweg
- verhard - openbaar gebied - particulier eigendom |
|
|
||
|
Schuureikenweg 115 en aangrenzend terrein
- Restaurant Bergrust - Grotendeels particulier eigendom, noordwestpunt eigendom van provincie - Ligt geheel omsloten door het inpassingsplan buitenring. |
||
Op 21 mei 2015 is door de provincie Limburg aan Waterschapsbedrijf Limburg de omgevingsvergunning verleend voor de aanleg van een buffer bij de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) Hoensbroek. De buffer dient voor extra opvangcapaciteit en wordt uitgevoerd in de vorm van een modulair systeem van slibzakken. De realisatie van de buffer heeft plaats gevondenin nauwe samenhang met het project Corio Glana.
Aangezien de uitbreiding van de rwzi plaatsvindt binnen een gebied met de bestemming 'Natuur' in het vigerend bestemmingsplan 'Kasteel Hoensbroek', is afgesproken dat een natuurcompensatie zal plaatsvinden. Deze is gerealiseerd tussen de rwzi en de Droomvijver. De betreffende gronden hebben derhalve in het bestemmingsplan Buitengebied de bestemming 'Natuur' gekregen.
Zowel de uitbreiding van de rwzi als de natuurcompensatie zijn in het bestemmingsplan Buitengebied opgenomen.
Aangewezen gronden natuurcompensatie vanwege uitbreiding rwzi
Ter plaatse van de Esschenweg ontbreekt op dit moment voor meerdere percelen een geldend planologisch regime, aangezien het voorheen geldend Hoofdzakenplan Hoensbroek per 1 juli 2013 van rechtswege is komen te vervallen. Bij het toekennen van bestemmingen zal worden uitgegaan van de feitelijke, legale situatie, waarbij rekening wordt gehouden met verleende vergunningen of lopende aanvragen voor omgevingsvergunningen. Op dit moment lopen er twee aanvragen voor een omgevingsvergunning op de desbetreffende percelen
De rioolwaterzuiveringsinstallatie Heerlen is sinds kort buiten bedrijf gesteld. Recentelijk is een nieuwe rioolwaterleiding aangelegd om de afvoer van rioolwater door te zetten naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie Hoensbroek. Voor de rioolwaterzuiveringsinstallatie Heerlen is in het kader van IBA een aanvraag ingediend om een nieuwe functie aan de bouwwerken toe te kennen. Dit plan wordt op dit moment verder uitgewerkt en op haalbaarheid onderzocht. Ook zijn er vanuit de gemeente Heerlen plannen voor het aanleggen van een bergbezinkbassin.
Aangezien de transformatieplannen van het terrein op dit moment nog dermate onduidelijk zijn, is in het bestemmingsplan Buitengebied de bestaande planologische situatie gehandhaafd.
In samenhang met het project Corio Glana (zie paragraaf 2.4.4) is in opdracht van de gemeente Heerlen door Heusschen Copier de Landschapsvisie Imstenrade opgesteld. In deze visie wordt onderscheid gemaakt in vier pijlers, namelijk:
Om tot realisatie van de visie te komen zijn de volgende zes concrete deelprojecten opgesteld:
In het projectplan dat een beschrijving van deze projecten bevat (Heusschen Copier, oktober 2010) is reeds onderzocht of de uitvoering van deze deelprojecten planologische belemmeringen zou kunnen ondervinden. Dit blijkt bij geen van de projecten het geval.
Bestemmingsplan Buitengebied betreft een voortzetting van de bestaande planologische situatie en belemmert daarmee eveneens niet de realisatie van de deelprojecten als onderdeel van de gebiedsontwikkeling Imstenrade.
Landschapsvisie Imstenrade (Heusschen Copier)
In het najaar van 2015 is een tijdelijke vergunning verleend voor een uitbreiding van het asielzoekerscentrum aan de Imstenraderweg. De vergunde situatie heeft als uitgangspunt gediend voor de bestemmingsregeling van het complex.
Nieuwe situatie asielzoekerscentrum (toevoeging gebouw A1, A2 en B)
In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt aangegeven hoe deze in het bestemmingsplan zijn ingepast.
Voor plannen en besluiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben, kan een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden opgesteld. Het instrument van de milieueffectrapportage is geregeld in de Wet milieubeheer en in de uitvoeringswetgeving, in de vorm van een algemene maatregel van bestuur (het Besluit milieueffectrapportage).
Het Besluit milieueffectrapportage maakt onderscheid naar activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage verplicht is (onderdeel C van de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage) en activiteiten, plannen en besluiten ten aanzien waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapportage moet worden gemaakt (onderdeel D van de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage).
Per 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd. Met deze wijziging kan niet langer worden volstaan met toetsing van m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten aan de drempelwaarden. Indien een activiteit onder de drempelwaarde ligt zal alsnog moeten worden getoetst aan de Europese richtlijn.
Binnen het plangebied is sprake van enkele verspreid liggende agrarische bedrijven waar dieren worden gehouden. Slechts één daarvan, het pluimveebedrijf aan de Rolduckerweg 62, kan aangemerkt worden als een intensieve veehouderij die relevant is in het kader van het Besluit milieueffectrapportage. Verder ligt er de rioolwaterzuiveringsinstallatie bij kasteel Hoensbroek, eveneens een installatie die is opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage.
Het bestemmingsplan Buitengebied betreft een conserverend plan. De bestaande activiteiten zijn reeds in het verleden toegestaan en blijven gehandhaafd. Het plan bevat geen planologische mogelijkheden voor wijziging of uitbreiding van de activiteiten, die de drempelwaarden van de in het Besluit milieueffectrapportage (onderdeel C en onderdeel D) opgenomen gevallen benaderen.
Conclusie
Aangezien bestemmingsplan Buitengebied een conserverend karakter heeft en geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt die betrekking hebben op één van de categorieën van gevallen zoals opgenomen in onderdeel C en D van het Besluit milieueffectrapportage, is een m.e.r. niet noodzakelijk.
De Wet geluidhinder bepaalt dat bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek moet plaatsvinden naar de geluidsbelasting van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen vanwege de invloed van wegverkeerslawaai. Tevens dient daarbij onderzoek te worden gedaan naar de doeltreffendheid van verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat eventueel optredende geluidsbelasting vanwege het wegverkeerslawaai de wettelijke waarden te boven gaat. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten immers de ten hoogst toelaatbare waarden voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen vanwege het wegverkeerslawaai in acht worden genomen (artikel 76, eerste lid, Wet geluidhinder).
Indien echter - zo bepaalt artikel 76, derde lid - op het tijdstip van de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan een weg reeds aanwezig of in aanleg is dan behoeven die waarden niet in acht te worden genomen voor in de zone van een weg gelegen woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, die op dat tijdstip reeds aanwezig of in aanbouw zijn.
Dit betekent dat bij een beheerplan, zoals bestemmingsplan Buitengebied, dat niet in nieuwe ontwikkelingen voorziet zoals de aanleg van een nieuwe weg of het bouwen van nieuwe woningen, maar betrekking heeft op bestaande wegen en bestaande woningen en andere geluidgevoelige gebouwen/terreinen, die waarden niet in acht behoeven te worden genomen. In een zodanige situatie behoeft evenmin een akoestisch onderzoek naar de invloed van wegverkeerslawaai plaats te vinden.
Bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 4.1 van het Besluit geluidhinder (Bgh) iedere spoorlijn in beschouwing te worden genomen ter bepaling van de geluidsbelasting. Deze wettelijke regeling ten aanzien van spoorweglawaai is echter niet van toepassing op de aanwezige woningen langs een aanwezige spoorweg op het moment van inwerkingtreding van de regeling. Het in de Wet geluidhinder en Besluit geluidhinder spoorwegen vermelde ten aanzien van spoorweglawaai is dan ook in dit geval niet aan de orde.
Elk industrieterrein, waar gronden worden of zijn beschikbaar gesteld voor 'grote lawaaimakers' moet voorzien zijn van een geluidszone: een gebied rondom het industrieterrein waar de etmaalwaarde van het gemiddelde geluidsniveau ten gevolge van alle bedrijven op dat terrein niet hoger mag zijn dan 50 dB(A) (artikel 40 Wet geluidhinder).
De zone is dus in feite een planologisch aandachtsgebied, waarbinnen regels van kracht zijn, die aan zowel industriële activiteiten als aan woningbouw beperkingen opleggen. Indien woningbouw buiten het industrieterrein, maar binnen de wettelijke zone, wordt geprojecteerd, dient er een verzoek Hogere Waarde te worden ingediend. De maximale ontheffingswaarde voor nieuwe woningen bedraagt 55 dB(A).
De rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) Hoensbroek is een inrichting als bedoeld in artikel 41 juncto artikel 2.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, voorheen een zogenaamde A-inrichting in de zin van de Wet geluidhinder. Ten behoeve van deze rwzi is bij besluit van de Kroon d.d. 26 april 1990 (nr. 90007663) een geluidszone vastgesteld rond het terrein "RWZI Hoensbroek". De betreffende zone is destijds ontworpen met inachtneming van de verleende vergunning krachtens de Wet milieubeheer en de daaraan verbonden voorschriften als bedoeld in artikel 54 van de Wet geluidhinder.
Over het zuidelijk deel van het deelgebied West valt de wettelijk vastgestelde geluidzone van industrieterrein Beitel. Op het industrieterrein kunnen zich bedrijven vestigen die worden genoemd in artikel 41 van de Wet geluidhinder en artikel 2.1.3. Besluit omgevingsrecht. Ook valt over de zuidoostpunt van het plangebied een klein deel van de geluidzone van het nabijgelegen industrieterrein Spekholzerheide te Kerkrade. Ook hiervoor geldt het voorgaande.
Bestemmingsplan Buitengebied maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, zodat geen belemmeringen zijn vanuit industrielawaai. Om voor toekomstige ontwikkelingen in de nabijheid van de bedrijventerreinen een goed woon- en leefklimaat te waarborgen, is voor de geluidzones de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie' opgenomen.
Geconcludeerd kan worden dat geen sprake is van akoestische belemmeringen die in de weg staan aan de vaststelling van dit bestemmingsplan Buitengebied.
In het kader van de Watertoets moet elk bestemmingsplan een waterparagraaf bevatten, waarin wordt aangegeven hoe in het bestemmingsplan wordt omgegaan met water. In deze paragraaf is dit beschreven. Voordat wordt ingegaan op de locatiespecifieke kenmerken van het plangebied, is eerst het relevant beleid samengevat.
Kaderrichtlijn Water
De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de kwaliteit van de Europese wateren te verbeteren ("goede toestand") en die kwaliteit goed te houden. Het belangrijkste middel om dit doel te bereiken is het stroomgebiedbeheersplan (SGBP). In een dergelijk plan worden de waterkwaliteitsdoelen en de daarvoor benodigde maatregelen beschreven om deze goede toestand te bereiken. Nederland maakt deel uit van vier internationale stroomgebieden, waarbij de gemeente Heerlen in het stroomgebied van de Maas is gelegen.
Het stroomgebiedbeheersplan Maas 2016-2021 is op 22 december 2015 in werking getreden en heeft een loptijd tot 22 december 20121. Een belangrijk onderdeel van het SGBP is een maatregelenprogramma. Het maatregelenprogramma bestaat enerzijds uit maatregelen die worden genomen in het kader van reeds bestaande nationale en/of Europese wetgeving (bijv. Europese Nitraatrichtlijn) en anderzijds een groot aantal regionale en locatiegebonden maatregelen.
Waterwet
De Waterwet (december 2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteem-benadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening. Met de Waterwet is de gemeente beter uitgerust om onder andere wateroverlast tegen te gaan.
Specifiek voor wat betreft de omgang met hemelwater is de perceeleigenaar primair verantwoordelijk gesteld voor de verwerking van het op zijn perceel gevallen hemelwater. Alleen in uitzonderingsgevallen kan rechtstreeks geloosd worden.
Wet ruimtelijke ordening en de Watertoets
De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening). De watertoets betekent dat ruimtelijke plannen die vanaf deze datum ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer worden overlegd met de waterbeheerder.
In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant. In geval van locatiekeuzes en bij herinrichting van bestaand bebouwd gebied geeft de initiatiefnemer expliciet aan welke rol de kosten en risico's van verdroging, verzilting, overstroming en overlast hebben gespeeld bij de besluitvorming. De waterparagraaf grijpt zichtbaar terug op de afsprakennotitie en het wateradvies van de waterbeheerder.
Nationaal Waterplan 2016-2021
Het nationaal Waterplan 2016-20121 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervang dit plan en de partiele herzieningen hiervan. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspeceten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer strategische doelen voor het waterbeheer vast. Rijkswaterstaat (RWS) neemt in het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kaderstellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen.
Waterbeleid 21e eeuw: anders omgaan met water
Door de opgetreden wateroverlast heeft de regering de commissie Waterbeheer 21e eeuw in het leven geroepen. De commissie geeft advies over de problemen en hoe die in de toekomst te voorkómen zijn. Op 31 augustus 2000 bracht de commissie het advies Waterbeleid voor de 21e eeuw "Geef water de ruimte en de aandacht die het verdient" uit. De commissie concludeerde dat de manier waarop wij nu met water omgaan niet voldoende is voor de verwachte klimaatsveranderingen. De bevindingen van de commissie zijn verwoord in de hedendaagse wetgeving en beleidsnota's. In grote lijnen ligt de nadruk op de kwantiteitstrits vasthouden-bergen-afvoeren en de kwaliteitstrits schoonhouden-scheiden-schoonmaken.
Nationaal Bestuursakkoord Water
Met het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) (2011) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord.
Het NBW is een uitwerking van het waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de KRW. De belangrijkste doelen en taken zijn:
Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021
Het Provinciaal Waterplan Limburg bevat de ambities, opgaven en op hoofdlijnen de maatregelen die de komende 6 jaar worden uitgevoerd, op gebied van de hoogwaterbescherming in de Maasvallei, de aanpak van regionale wateroverlast en watertekort, mede in het licht van de klimaatverandering en het Nationale Deltaprogramma, de inrichting van de beken en waterrijke natuurgebieden als ook de verbetering van de ecologische en chemische waterkwaliteit, en de drinkwatervoorziening en het grondwaterbeheer, mede als opdracht vanuit de Kaderrichtlijn Water.
Waterbeheerplan 2016-2021 Limburgse waterschappen
Het Waterbeheersplan 2016-2021 is een gezamenlijke visie van de fuserende waterschappen op het Limburgse waterbeheer voor 2020. Met dit Waterbeheerplan zetten de waterschappen de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe ze invulling willen geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water.
Beleidsplan verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Heerlen 2016-2020
Vanuit de Wet milieubeheer zijn gemeenten wettelijk verplicht een vigerend rioleringsplan te hebben. Het verbreed gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) Heerlen 2016-2020 van de gemeente Heerlen is daar het gevolg van en heeft een looptijd van 2016 tot en met 2020. Het vGRP is de opvolger van het Beleidsplan Stedelijk Watermanagement 2011-2015.
Het vGRP heeft een strategisch en beleidsmatig karakter, en vormt de basis voor het bestuur bij besluiten over de aanpak van aanleg en beheer van het stedelijk watermanagement binnen de planperiode.
Hoofddoelstelling van het vGRP is invulling geven aan de gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, overtollig hemelwater en overtollig grondwater. Het vGRP geeft inzicht in:
De gemeente Heerlen valt onder het beheergebied van Waterschap Roer en Overmaas. In bestemmingsplan Buitengebied worden de waterbelangen gerespecteerd. Uitgangspunt is dat de huidige waterhuishoudkundige situatie van het plangebied ook in het nieuwe bestemmingsplan in stand kan blijven en wordt beschermd tegen ontwikkelingen met een negatief effect.
Waterlopen
Door het plangebied lopen en er ontspringen verschillende beken. Zo ontspringt in deelgebied Oost op de Brunssummerheide de Rode Beek, die in noordelijke richting de gemeente uit stroomt. Ook ontspringt in de zilverzandgroeve de Oude Beek, die in zuidelijke richting onder de Euregioweg door loopt en uitmondt in de Caumerbeek.
In deelgebied West vormt de Geleenbeek de landschappelijke structuurdrager voor het gehele deelgebied. De bron van deze beek ligt bij het buurtschap Benzenrade. De beek stroomt in noordelijke richting en ter hoogte van Terworm takken meerdere zijbeken aan op de Geleenbeek. Ter hoogte van kasteel Hoensbroek mondt de Caumerbeek uit in de Geleenbeek. Het gebied rond kasteel Hoensbroek is een zeer nat gebied. De kasteelgracht/vijver loost op de Droomvijver die weer loost op de Caumerbeek.
Bij Benzenrade, waar de Bremersweg onder de N281 door gaat, ontspringt ook nog de Eurensbeek. De Eurensbeek wordt voor een deel gevoed door het regenwater van de stadsautoweg. De beek mondt aan de noordzijde van Benzenrade uit in de Geleenbeek. Helemaal in het zuiden van deelgebied West, bij bedrijventerrein de Beitel, ontspringt nog een beek: de Sourethbeek. Deze stroomt in zuidwestelijke richting onder de A76 door naar de gemeente Simpelveld.
Waterberging
Binnen het plangebied zijn diverse voorzieningen voor waterberging aanwezig. In deelgebied Oost betreft het twee infiltratie-/retentiebuffers bij de Euregioweg: bij de onderdoorgang van de Oude Beek en bij de rotonde met de Kapelweg.
In deelgebied West zijn van noord naar zuid de volgende voorzieningen voor waterberging te onderscheiden:
Riolering
In deelgebied Oost ligt onder de Heerenweg een gemengd riool. Hierop loost de bebouwing aan deze weg het vuilwater. Ook de bebouwing aan de Schaapskooiweg loost (via een gemaal) op dit riool. In het zuidelijk deel van de Heerenweg ligt een regenwaterafvoerriool dat in zuidelijke richting loost op de Caumerbeek.
In deelgebied West beschikt een deel van de verspreid liggende bebouwing over een eigen installatie voor de afvoer van vuilwater, onder andere door middel van een Individuele Behandeling van Afvalwater (IBA)-systeem. Verder vindt de afvoer van vuilwater en hemelwater op de volgende manieren plaats:
Rioolwaterzuiveringsinstallatie
Binnen het plangebied is de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) Hoensbroek aanwezig, gelegen tussen kasteel Hoensbroek en de A76. Hier wordt het afvalwater van geheel Heerlen verwerkt en uiteindelijk schoon afgevoerd op de Geleenbeek. Tot voor kort was ook de rwzi Terworm aan de Eikendermolenweg nog in bedrijf. Echter hiervoor in de plaats is door het Waterschapsbedrijf Limburg een droogweerafvoer (dwa) rioolwater transportleiding Heerlen- Ten Esschen aangelegd, zodat ook het vuile water van het zuidelijk deel van Heerlen direct naar de rwzi Hoensbroek wordt afgevoerd. Tevens liggen binnen het plangebied diverse rioolwatertransportleidingen. Op de plankaart zijn deze rioolwatertransportleidingen weergegeven met een beschermingszone (2 keer 2,5 meter aan de weerszijde van de leiding, gemetenn vanuit het hart van de leidingen).
De diverse watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen zijn in bestemmingsplan Buitengebied van een passende bestemmingsregeling voorzien. Tevens biedt het bestemmingsplan de ruimte voor de aanleg van nieuwe voorzieningen in de toekomst. Het bestemmingsplan biedt zodoende voldoende ruimte voor een goed functioneren van de waterhuishoudkundige situatie.
Algemeen
Bij een bestemmingsplanprocedure moet het bevoegde gezag Wet bodembescherming voldoende inzicht hebben om de vraag te kunnen beantwoorden of de bodem geschikt is voor de in het bestemmingsplan toe te kennen functie.
Bodembeleidsplan
Voor de gemeente Heerlen is sinds 28 september 2016 het bodembeleidsplan Heerlen van toepassing. In dit bodembeleidsplan wordt het gemeentelijk bodembeleid beschreven en het beleidsplan is derhalve het richtinggevend kader (uiteraard naast de wettelijke regelingen) voor zowel bodembescherming als bodemsanering. Bij het actualiseren van bestemmingsplannen wordt de bestaande functie veelal gehandhaafd. Dan vindt geen grondverzet plaats en worden geen saneringen opgestart. Bij de actualisatie van een bestemmingsplan, zoals in onderhavige procedure, vinden geen functiewijzigingen plaats. Hierbij kan volstaan worden met een globale toets, bijvoorbeeld middels de bodemkwaliteitskaart. Bij latere ontwikkelingen in deze gebieden zal in het kader van bouwactiviteit mogelijk een bodemonderzoek moeten plaatsvinden. Als toelichting hierop wordt nog vermeld dat bij geconstateerde knelpunten in een actualiserend bestemmingsplan aangegeven moet worden hoe hiermee om te gaan, niet alle knelpunten hoeven dus uitputtend vermeld te zijn.
Besluit bodemkwaliteit
Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft invulling aan het op duurzaamheid gerichte bodembeleid. De nota bodembeheer beschrijft hoe de gemeente Heerlen invulling geeft aan het Bbk. In het bodembeleidsplan is de nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart gemeente Heerlen opgenomen. De bodem in de gemeente Heerlen is beschreven in een bodemkwaliteitskaart die conform de Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten is vervaardigd. Er kan worden geconcludeerd dat de lokale bodemkwaliteit over het algemeen voldoende wordt beschreven door de bodemkwaliteitskaart voor alle zones.
Homogene deelgebiedenkaart
| Deelgebied | |
| 1 Agrarisch en natuur | |
| 2 Woonwijken | |
| 3 Industrie | |
| 4 Mijnsteengebieden | |
| AW | = Achtergrondwaarde |
| Wonen | = Maximale waarde klasse Wonen |
| Industrie | = Maximale waarde klasse Industrie |
| Bovengrond | Ondergrond |
| <AW | <AW |
| <AW | Industrie |
| <AW | <AW |
| Wonen | Wonen |
Plangebied
Knelpunten
Knelpunten zijn in dit kader gedefinieerd als locaties waar sprake is van een voormalige stortplaats of van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Een uitgevoerde globale inventarisatie naar deze knelpunten heeft opgeleverd.
1. Stortplaatscluster Brunssummerheide (locatiecode HL09174852)
2. Parc Imstenrade - vml. Vroedvrouwenschol (locatiecode HL09170056)
3. Bedrijventerrein Avantis (locatiecode HL091700478)
4. Terworm 7 (locatiecode HL09170489)
5. Beitel 114 (locatiecode HL09170575)
6. Imstenraderweg 1 (locatiecode HL09170839)
Op bovengenoemde locaties zijn graafwerkzaamheden alleen toegestaan met toestemming van bevoegd gezag Wbb van de gemeente Heerlen.
Conclusie
Voor wat betreft bodemaspecten zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen actualisering. Voorwaarde hierbij is dat rekening gehouden wordt met de voorwaarden die bij de knelpunten zijn vermeld.
Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. daarin zijn de Wet natuurbescherming 1998, de Flora- en Faunaweg en de Boswet samengebracht. een van de doelstellingen van de wet is om directer aan te sluiten bij de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn.
De bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen wordt via de Wnb geregeld. de regels die toezien op bescherming van Natura 2000 gebieden (voorheen Nbwet) zijn opgenomen in hoofdstuk 2 Natura 2000 gebieden. De verbodsbepalingen ten aanzien van beschermende soorten zijn opgenomen in hoofdstuk 3 Soorten en beschreven per beschermingsregime (zie hieronder). De regels voor houtopstanden (voorheen Boswet) zijn beschreven in hoofdstuk 4 van de wet.
De gebiedsbescherming op grond van de Wnb richt zich in hoofdzaak op de grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen en aan te wijzen Natura-2000 gebieden. De in de Wnb opgenomen regelgeving ten aanzien van de bescherming van Natura-2000 gebieden werkt bij bestemmingsplannen primair door via de verplichting om een plan bij mogelijke significante effecten op deze gebieden te voorzien van een passende beoordeling (artikel 2.7 juncto 2.8 Wnb). Uit artikel 2.7 volgt dat een plan dat mogelijke signifancte effecten heeft op Natura-2000 gebieden, uitsluitend mag worden vastgesteld indien wordt voldaan aan de eisen die artikel 2.8 Wnb stelt voor de beoordeling van plannen en projecten.
Er is een vergunning nodig van GS voor projecten of andere handelingen die de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een signifcant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. De bevoegdheid ten aanzien van de vergunningverlening ligt bij GS van de provincie waarin het project wordt uitgevoerd.
Er geldt een uitzondering op de verguningenprocedure op grond van de Wet natuurbescherming: als via een andere wettelijke bepaling verplicht is (bijvoorbeeld op grond van de Tracewet of de Spoedwet wegverbreding) voor de besluitvorming.
Artikel 2.9 Geen vergunning is nodig:
Bij de bestemmingsplanwijziging moet rekening worden gehouden met het huidge voorkomen van beschermende soorten planten en dieren in het plangebied. Als de voorgenomen ingreep ledit tot het overtreden van verbodsbeplaingen betreffende beschermende soorten, zal moeten worden nagegaan of een vrijstelling geldt of dat een ontheffing moet worden verkregen.
De Wnb onderscheidt bij de bescherming van soorten drie beschermingregimes:
Ontheffingen en vrijstellingen
Het college van gedeputeerde staten kunnen een ontheffing verlenen van vrboden die gelden voor beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.3 Wnb), beschermingsregime andere soorten (artikel 3.10, tweede lid Wnb). Provinciale staten en de minister kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden (artikel 3.3 Wnb en artikel 3.8 Wnb). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
Houtopstanden
Hoofdstuk 4 van de Wnb regelt de bescherming van houtopstanden.
Binnen het bestemmingsplan Buitengebied liggen twee Natura2000-gebieden. In deelgebied Oost is dit de Brunssummerheide en in deelgebied West het Geleenbeekdal. Daarnaast grenst het Natura2000-gebied Kunderberg (gelegen binnen gemeente Voerendaal) aan deelgebied West.
Brunssummerheide
Dit Natura2000-gebied is het meest zuidelijk gelegen heidegebied van Nederland. Het gebied beslaat circa 552 hectare. In het brongebied van de Roode Beek komt hoogveen voor. In het dal van de Roode Beek zijn vochtige heiden, heischrale graslanden en hoogveenbossen aanwezig. Op de droge delen zijn droge heiden en zandverstuivingen te vinden, gelegen op het uiterst voedselarme zilverzand (Mioceen zand). De Brunssummerheide is eco-hydrologisch een zeer waardevol gebied vanwege de gevarieerde bodemopbouw, aardbreuken, bijzondere waterhuishouding en zeldzame en bedreigde plant- en diersoorten.
Samen met de Teverenerheide en het Natuur- en Landschaftspark Rodebach-Roode Beek vormt de Brunssummerheide het "Heidenatuurpark". Daarmee vormt de Brunssummerheide het zuidelijke uiteinde van de Robuuste ecologische verbinding Schinveld-Mook, een ecologische verbinding die niet alleen functioneert voor klein wild, maar ook voor soorten als het Edelhert.
Vanuit de Habitatrichtlijn is een aantal habitattypen en doelsoorten aangewezen voor de Brunssummerheide, te weten zandverstuiving, zure vennen, vochtige heide, droge heide, heischrale graslanden, actief hoogveen, pioniervegetaties met snavelbiezen, veenbossen, spaanse vlag en kamsalamander.
Geleenbeekdal
De Geleenbeek ontspringt bij Benzenrade aan de voet van het Imstenraderbos. Vanuit de bron stroomt de beek langs de N281 en de A76 via de plaatsen Heerlen, Voerendaal, Nuth en Schinnen naar Geleen.
Het Imstenraderbos ligt ten zuidoosten van de bron bij Benzenrade. Het bos bestaat uit oude beuken-eikenbossen en eiken-haagbeukenbossen en is in ieder geval al sinds de 18de eeuw bebost (Van den Broek, 1997). Het bos ten oosten van de N281, de Hooghees, sluit direct aan op het Imstenraderbos. De N281 vormt hier een ecologische barrière.
Tot aan Terworm ligt de beek min of meer te midden van de bebouwing, waarbij het dal deel uitmaakt van een recreatieve groenzone. De beekbegeleidende graslanden worden er onder meer gekenmerkt door vochtige Kamgrasweiden en Glanshaverhooilanden. Tussen Terworm en Ten Esschen liggen langs de Geleenbeek vochthoudende, basenminnende loofbos- en bronbosvegetaties. De Geleenbeek is hier echter floristisch slecht ontwikkeld en de oevers zijn verruigd.
De Geleenbeek vormt de verbinding tussen verschillende natuurgebieden. Een grote diversiteit aan kleine zoogdieren, vogels, amfibieën en vissen maakt gebruik van het Geleenbeekdal als verbindend element. De aanwezigheid van de A76, de A79 en enkele straten beperkt de migratiemogelijkheden van deze soortgroepen.
Vanuit de Habitatrichtlijn is een aantal habitattypen en doelsoorten aangewezen voor het Geleenbeekdal, te weten kalkmoerassen, beuken-eikenbossen met hulst, eiken-haagbeukenbossen, vochtige alluviale bossen, de Nauwe korfslak, de Zeggekorfslak en het Vliegend hert.
In het bestemmingsplan Buitengebied worden de natuurwaarden van de Natura2000-gebieden Brunssummerheide en het Geleenbeekdal gerespecteerd door het toekennen van de bestemmingen 'Natuur' en 'Agrarisch met waarden'. Deze bestemmingen bevatten een aanlegvergunningenstelsel, zodat voor alle werkzaamheden altijd een omgevingsvergunning is vereist.
Aangezien het plan een conserverend karakter heeft, is er geen sprake van negatieve effecten op de Natura2000-gebieden. Tevens is er geen sprake van een aantasting van in de Flora- en Faunawet beschermde soorten.
In de Wet milieubeheer (Wm) zijn in hoofdstuk 5 onder titel 2 eisen ten aanzien van luchtkwaliteit opgenomen (ook 'Wet luchtkwaliteit' genoemd). Daarmee samen hangen de volgende besluiten en regelingen:
Deze wet- en regelgeving omvat maatregelen om aan de ene kant de uitstoot van schadelijke stoffen te beperken en aan de andere kant te voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging.
Conform artikel 5.16a van de 'Wet luchtkwaliteit' kunnen bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) nadere regels worden gesteld om te voorkomen dat bij een (dreigende) overschrijding van één of meerdere grenswaarden projecten doorgang vinden die er toe leiden dat het aantal blootgestelden met een verhoogde gevoeligheid toeneemt. In dit kader is het Besluit gevoelige bestemmingen opgesteld. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen uit te voeren in overschrijdingssituaties voor zogenaamde 'gevoelige bestemmingen'. Tot die gevoelige bestemmingen worden scholen, kinderopvang en bejaarden-, verpleeg- of verzorgingshuizen gerekend. In het Besluit is aangegeven dat moet worden onderzocht of op een locatie sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden, indien de locatie is gelegen binnen 300 meter vanaf Rijkswegen of binnen 50 meter vanaf provinciale wegen.
Het bestemmingsplan Buitengebied heeft een conserverend karakter en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Het Besluit gevoelige bestemmingen is daarmee niet relevant voor dit plan.
In de Algemene Maatregel van Bestuur 'Niet in betekenende mate' en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die binnen de getalsmatige grenzen vallen en daardoor niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Dit moet gemotiveerd worden door het bevoegd gezag (gemeente).
Het bestemmingsplan Buitengebied heeft een conserverend karakter en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Er is daarmee geen sprake van een noodzakelijke toetsing aan de grenswaarden.
Op grond van artikel 5.16 lid 1 onder b sub 1 van de Wet Milieubeheer zijn er ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen om dit bestemmingsplan vast te stellen.
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing.
In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:
Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens tegenwoordig ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen.
De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Afhankelijk van de ruimtelijke ontwikkeling en de beschikbare gegevens is deze verantwoording beperkt of ruim van opzet.
Plaatsgebonden risico (PR)
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het PR kan op de kaart van een gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Via het PR wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Groepsrisico (GR)
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Bij het GR wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het GR geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico.
Verantwoordingsplicht groepsrisico
Voor het bevoegd gezag geldt een verantwoordingsplicht, wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten via het bestemmingsplan worden toegelaten. Dit betreft ook de al bestaande (beperkt) kwetsbare objecten, zoals al gebouwde woningen.
Een risicobron is bijvoorbeeld een buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Met het invloedsgebied wordt gedoeld op het gebied waarbinnen minimaal 1% van de aanwezige personen overlijdt als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen ter plaatse van de risicobron. Het invloedsgebied van een risicobron is soms vastgelegd in de wet. In de andere gevallen kan het worden berekend aan de hand van vastgelegde rekenregels.
De verantwoording van het groepsrisico is één van de onderdelen van een goede ruimtelijke ordening. De omvang en diepgang van de verantwoording is daarbij afhankelijk van de gevolgen voor het groepsrisico. Dit wordt per ruimtelijk plan beoordeeld.
Externe veiligheid inrichtingen
Het huidige beleid voor inrichtingen (bedrijven) is opgenomen in het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi). Ter uitvoering van het Bevi geldt de 'Regeling externe veiligheid inrichtingen' (Revi). Hierin zijn aan te houden afstanden opgenomen voor zogenaamde categoriale inrichtingen. Daarnaast zijn in het Revi regels opgenomen voor de berekening van de aan te houden afstanden voor de niet-categoriale inrichtingen.
Externe veiligheid buisleidingen
Voor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). De aanwijzing van buisleidingen, de risicoafstanden en de aanwijzing van de rekenmethodiek zijn opgenomen in de 'Regeling externe veiligheid buisleidingen' (Revi). De toetsingssystematiek uit het Bevi wordt ook toegepast bij buisleidingen.
Externe veiligheid transport
Het beleid voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, via het spoor en via het water staat beschreven in de 'Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen' (cRnvgs). Deze circulaire is de voorloper van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).
In het Bevt wordt het 'Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' verankerd. Het primaire doel van dit basisnet is het creëren van een plafond voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over rijkswegen, hoofdvaarwegen en spoorwegen. Aan de hand van deze maximale vervoerstromen van gevaarlijke stoffen kunnen de externe veiligheidsrisico's worden bepaald.
Externe veiligheid en vuurwerk
Het Vuurwerkbesluit reguleert handelingen met vuurwerk. Dit betreft de vervaardiging/assemblage, verhandeling, in- en uitvoer, opslag, bewerken en afsteken van zowel professioneel als consumentenvuurwerk. Doel hiervan is een betere waarborging voor de bescherming van mens en milieu tegen de mogelijke effecten die deze handelingen met vuurwerk kunnen veroorzaken. De afstanden tot kwetsbare objecten zijn gebaseerd op de te verwachten effecten bij een calamiteit. Dit zijn vaste afstanden. Dit wijkt af van de risicobenadering bij de omgang met andere gevaarlijke stoffen.
Externe veiligheid en windturbines
In het 'Handboek Risicozonering Windturbines' is de risicozonering ten aanzien van windturbines omschreven. Ten aanzien van windturbines speelt geen gevaar in relatie tot gevaarlijke stoffen. Mogelijke risico's rond een windmolen zijn daarentegen een mastbreuk, het afbreken van een wiek of het in de winter afglijden van ijs van de wieken (ijsworp). Met betrekking tot windturbines wordt uitgegaan van het PR en het GR.
Ontplofbare stoffen civiel gebruik
Via de 'Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik' zijn regels geformuleerd voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Dit betreft onder meer de opslag van ontplofbare stoffen die worden gebruikt voor het slopen van gebouwen en fundaties, het uitvoeren van seismisch onderzoek en vergelijkbaar gebruik. Ook zwart buskruit - soms aanwezig bij wapenhandelaren - valt onder het begrip ontplofbare stof voor civiel gebruik. Rond iedere opslagplaats dient voor ontplofbare stoffen een veiligheidsafstand te worden aangehouden tot kwetsbare objecten zoals woningen, kantoren en winkels. De afstanden tot kwetsbare objecten zijn gebaseerd op de te verwachten effecten bij een calamiteit. Dit wijkt af van de risicobenadering bij de omgang met andere gevaarlijke stoffen.
In de nota 'Beleid externe veiligheid 2011-2015' heeft de gemeente Heerlen het beleid voor externe veiligheid geformuleerd. Dit beleid is op 1 november 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. Het doel van het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Heerlen is het behouden van een verantwoord en aanvaardbaar veiligheidsniveau. Het beleid in deze nota leidt tot een gebiedsgerichte aanpak van externe veiligheid en het beperken van de risico's van de bronnen waar dat nodig is. Dit beleid kan worden doorgevoerd in de gemeentelijke structuurvisie en bestemmingsplannen.
Het gevolg van dit beleid is dat bepaalde bedrijven, die zijn gevestigd op locaties waar dat op grond van dit beleid ongewenst is, zullen worden beperkt in hun mogelijkheden. Ook zal de ontwikkeling van bepaalde gebieden anders moet worden beoordeeld vanwege de aanwezige risico's. Dit beleid zal ertoe leiden dat op de langere termijn in Heerlen de risico's door het gebruik en de toepassing van gevaarlijke stoffen binnen aanvaardbare grenzen kunnen blijven. Het beleid is niet bedoeld als een keurslijf. Het biedt een afwegingskader om optimaal met externe veiligheid in samenspel met andere belangen en andere instanties rekening te houden.
In 2014 is in opdracht van de provincie Limburg door Adviesgroep AVIV in beeld gebracht welke risicobronnen in de gemeente Heerlen aanwezig zijn en welke risico's deze voor de omgeving kunnen opleveren. De invloedsgebieden van de risicobronnen zijn op kaarten weergegeven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de rapportage van dit onderzoek: 'Externe veiligheid: invloedsgebiedenkaart gemeente Heerlen voor de ruimtelijke ordening, Adviesgroep AVIV, 26 november 2014'. In het vervolg van voorliggende paragraaf is gebruik gemaakt van de informatie uit dit onderzoek.
Aan de hand van de invloedsgebiedenkaart en de risicokaart (zie: www.risicokaart.nl) zijn de plaatsgebonden externe veiligheidsrisico's beoordeeld. Deze toets heeft uitgewezen dat binnen het plangebied meerdere risicobronnen aanwezig zijn, zowel in de vorm van risicovolle inrichtingen, buisleidingen als transport van gevaarlijke stoffen.
Risicovolle inrichtingen
Binnen het bestemmingsplan Buitengebied zijn vijf risicovolle inrichtingen gelegen, zoals weergegeven in de lxonderstaande tabel.
| RRGS_ID | Naam inrichting | Adres | Type |
| 6544 | Lukoil Terworm | Antwerpseweg (N281) 1 | LPG-tankstation |
| 6545 | Shell Ten Esschen | Antwerpseweg (N281) 50 | LPG-tankstation |
| 18804 | Avonturenland | Zandweg 179 | Propaantank |
| 22720 | Gasontvangststation Z373 (Gasunie) | Koolkoelenweg 40 | Gasdrukregel- en meetstations |
| 22721 | Gasontvangststation Z095 (Gasunie) | Schaapskooiweg 52-54 | Gasdrukregel- en meetstations |
Van deze risicovolle inrichtingen hebben alleen beide LPG-tankstations een PR-contour die buiten de terreingrenzen valt. Binnen de risicocontour van de risicovolle inrichtingen bevinden zich geen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.
Overzichtskaart risicovolle inrichtingen in gemeente Heerlen
Buisleidingen
Door het plangebied lopen hogedruk aardgasleidingen in beheer van de Gasunie. Deze bevinden zich in deelgebied Oost en in (het uiterste zuiden van) deelgebied West. Ook liggen er enkele leidingen in de directe nabijheid van het plangebied.
| Leidingnr. | Diameter (Inch) | Druk (Bar) |
100% Letaliteit (m) |
1% Letaliteit (m) |
|
| A-578 | 36 | 66 | 180 | 430 | |
| A-645 | 36 | 66 | 180 | 430 | |
| Z-502-01 | 6 | 40 | 50 | 70 | |
| Z-503-01 | 14 | 40 | 80 | 150 | |
| Z-503-01 | 16 | 40 | 80 | 170 | |
| Z-503-15 | 10 | 40 | 60 | 120 | |
| Z-503-17 | 4 | 40 | 30 | 45 | |
| Z-504-01 | 12 | 40 | 70 | 140 | |
| Z-504-04 | 4 | 40 | 30 | 45 | |
| Z-504-04 | 8 | 40 | 50 | 95 | |
| Z-504-07 | 6 | 40 | 50 | 70 | |
Overzichtskaart hogedruk aardgasleidingen in gemeente Heerlen
Leiding A-645 (gelegen in gemeente Simpelveld) heeft een PR-contour die buiten de leiding valt en tot binnen het plangebied van bestemmingsplan Buitengebied reikt. Binnen de contour zijn geen kwetsbare objecten gelegen. Bij de overige leidingen valt de PR-contour op de leiding zelf.
Vervoer gevaarlijke stoffen
Binnen (of in de nabijheid van) het plangebied vindt over de A76, A79, N281 en de Binnenring Parkstad vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Daarnaast is de John F. Kennedylaan aangewezen als bevoorradingsroute LPG. Op basis van de transportintensiteiten over deze wegen is het plaatsgebonden risico berekend. De berekeningen voor de wegen hebben nergens geleid tot een 10-6 plaatsgebonden risicocontour.
Ook over het spoor vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats op het traject Sittard-Herzogenrath (D). Over het baanvak vindt enkel transport van brandbaar gas plaats. Er is geen sprake van een PR-contour.
De hoogte van het groepsrisico is voor alle aanwezige risicobronnen in het plangebied nergens hoger dan de oriëntatiewaarde. Bij alle hogedruk aardgasleidingen blijkt uit berekeningen zelfs dat sprake is van een groepsrisico dat kleiner is dan 0.1 x de oriëntatiewaarde.
Dit bestemmingsplan leidt ten opzichte van het voorgaande vigerende planologische regime niet tot een wezenlijke toename van het aantal aanwezige personen. Van een wezenlijke wijziging ten opzichte van het bestaande groepsrisico is daarom geen sprake. Een nieuwe berekening en nadere verantwoording van het groepsrisico is daarom niet noodzakelijk.
Bij de totstandkoming van bestemmingsplan Buitengebied is op voldoende wijze rekening gehouden met de externe veiligheid. De vaststelling van dit bestemmingsplan wordt niet belemmerd door externe veiligheidsaspecten.
Voor de waarborging van de externe veiligheid is in dit bestemmingsplan een aantal beschermende regelingen opgenomen:
Behalve de in paragraaf 5.3 Water en paragraaf 5.7 Externe veiligheid beschreven technische infrastructuur, zijn er in het plangebied van bestemmingsplan Buitengebied nog enkele andere technische infrastructurele voorzieningen die van planologisch belang zijn.
Straalpaden
Door de gemeente Heerlen lopen drie straalpaden van en naar de NAVO-basis in Brunssum, die ten noordwesten van de Brunssummerheide ligt. Straalpaden dienen om analoog of digitaal verkeer tussen een zender en een ontvanger, in een rechte lijn, tot stand te kunnen brengen. Eén straalpad loopt door de uiterste noordoostpunt van deelgebied Oost. De twee andere straalpaden lopen in zuidwestelijke richting en doorsnijden daarmee deelgebied West.
Ten behoeve van een goede werking van het radiotelecommunicatieverkeer dienen deze paden vrij te blijven van verstorende elementen. Aan weerszijden van de hartlijn van het straalpad ligt een attentiezone van 100 meter breed. Bepaald is dat binnen de attentiezone geen bouwwerken hoger dan 20 meter mogen worden gerealiseerd, tenzij er toestemming is van de beheerder van het straalpad. In bestemmingsplan Buitengebied is dan ook voor de attentiezone van elk straalpad de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - straalpad' toegekend, inclusief beschermende regeling.
Hoogspanningsleidingen
In deelgebied Oost loopt een hoogspanningsleiding langs de oostelijke gemeentegrens. Ook in het zuiden van deelgebied West loopt langs de Imstenraderweg een hoogspanningsleiding. Aan weerszijden van de hartlijn van de leidingen geldt een veiligheidszone voor een breedte van 20 meter. Binnen deze zone mogen geen gebouwen worden gerealiseerd. Ter bescherming van de zone is de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' opgenomen.
Riool
Recent is vanaf de voormalige rwzi Heerlen een nieuwe rioolwatertransportleiding (Heerlen- Ten Esschen (51.62) aangelegd, zodat de afvoer van rioolwater wordt doorgezet naar de rwzi Hoensbroek. Gezien het grote belang van deze leiding, is een strook (2,5 m. aan weerszijden van de leiding, gemeten vanuit hart leiding) rondom deze leiding beschermd door middel van de dubbelbestemming 'veiligheidszone leiding'.
Verspreid in het plangebied van bestemmingsplan Buitengebied komt bedrijvigheid voor. Deze varieert van enkele kleinschalige niet-agrarische bedrijven gelegen tussen woonpercelen in lintbebouwing, tot een aantal nog actieve agrarische bedrijven.
Uitgangspunt voor het bestemmingsplan Buitengebied is dat de bestaande bedrijven hun reeds toegestane activiteiten kunnen blijven voortzetten. Aan de andere kant moet rekening worden gehouden met een goed woon- en leefklimaat voor in de nabijheid gelegen woningen, zodat moet worden voorkomen dat een verandering van bedrijfsactiviteiten hinder gaat opleveren.
Bedrijven
Vanuit het oogpunt van een goed woon- en leefklimaat is het wenselijk de bedrijfsactiviteiten op alle huidige niet-agrarische bedrijfspercelen in het plangebied te beperken tot milieucategorie 2 (conform de categorie-indeling in de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering'). Bedrijfsactiviteiten tot deze categorie worden conform de actuele inzichten algemeen aanvaardbaar geacht in de directe nabijheid van woningen. Bedrijven van categorie 3.1 en hoger horen thuis op de grotere bedrijventerreinen in de gemeente. Waar momenteel binnen het plangebied bedrijvigheid van deze zwaardere categorieën is gevestigd, is deze in het bestemmingsplan Buitengebied per perceel specifiek toegestaan.
De rioolwaterzuiveringsinstallatie Hoensbroek veroorzaakt geurhinder voor de omgeving. Hiervoor is in de vergunning een stankcirkel vastgelegd, die de directe omgeving buiten de terreingrenzen beslaat. Binnen deze cirkel zijn geurgevoelige objecten (woningen) aanwezig, daarom is de cirkel één-op-één overgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied door middel van de gebiedsaanduiding 'milieuzone - geurzone'. Bij toekomstige ontwikkelingen binnen deze cirkel moet rekening worden gehouden met de geurhinder, nieuwe bestemmingen in de geurzone zijn uitgesloten.
Agrarische bedrijven
Voor de enkele agrarische bedrijven die in het plangebied aanwezig zijn, wordt in het bestemmingsplan Buitengebied een voortzetting van de huidige bedrijfsactiviteiten mogelijk gemaakt. Bij de intensieve veehouderij aan de Rolduckerweg 62 is sprake van een stankcirkel. Aangezien er zich binnen deze cirkel geen geurgevoelige objecten bevinden is het opnemen van een geurcirkel niet noodzakelijk.
Bedrijven bij woningen
Bedrijvigheid als ondergeschikte functie bij een woning is onder voorwaarden mogelijk. Hiervoor is de gemeentelijke beleidsregel 'Beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving') vastgesteld. Belangrijk criterium is dat de bedrijvigheid qua aard en omvang ondergeschikt aan de woonfunctie blijft. Alle betreffende voorwaarden zijn als afwijkingsmogelijkheid opgenomen binnen de bestemming 'Wonen'.
Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valetta tot stand gekomen. Het Verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. In 1992 ondertekende Nederland het 'Verdrag van Malta' van de Raad voor Europa. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologisch erfgoed geregeld. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer en sedert september 2007 is de archeologische monumentenzorg geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988, die nu is opgvolgd door de Erfgoedwet. De essentie is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Op 1 september 2017 is de Monumentenwet 1988 samen met 5 andere wetten en regeling op het gebied van cultureel erfgoed, vervangen door de Erfgoedwet.
Volgens de wettelijke verplichting wordt in bestemmingsplannen rekening gehouden met bekende en verwachte archeologische waarden. In het overgangsrecht van e Erfgoedwet wordt een vrijstellingsgrens van 100 m2 aangehouden. De gemeenteraad kan en hiervan afwijkende oppervlakte vaststellen. Om dit gemotiveerd te kunnen doen, is allereerst kennis van de aanwezige waarden en verwachtingen nodig. Vervolgens kan de gemeente ervoor kiezen om in het beleid vrijstellingsgrenzen (oppervlakte en diepte) te bepalen. Deze vrijstellingsgrenzen moeten zich op ene zinvolle wijze verhouden tot de bekende en te verwachten archeologie, maar ook bijvoorbeeld tot de gemeentelijke bestemmingsplansystematiek.
Voor geheel Parkstad Limburg is een archeologische waarden- en verwachtingenkaart opgesteld, de archeologische beleidskaart. Deze kaart is gebaseerd op uitgevoerd inventariserend archeologisch onderzoek. Voor de gemeente Heerlen en de overige Parkstadgemeenten is door archeologisch adviesbureau RAAP een uitgebreid onderzoek uitgevoerd. Het RAAP-rapport betreft een bureauonderzoek naar de archeologische verwachtingen waarbij een inventarisatie heeft plaatsgevonden van de bekende archeologische vindplaatsen binnen de Parkstadgemeenten en van landschappelijke (geologische en geomorfologische) en bodemkundige gegevens van het grondgebied. Daarnaast zijn de uitgevoerde archeologische onderzoeken geïnventariseerd, waarbij rekening is gehouden met vergraven of ontgronde gebieden, en heeft een literatuuronderzoek plaatsgevonden. In dit verband is onder andere ook het Actueel Hoogtebestand Nederland bestudeerd. Op basis van de genoemde inventarisaties is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld, dat haar neerslag heeft gevonden in een geactualiseerde archeologische verwachtingenkaart die door de gemeenteraad van Heerlen is vastgesteld op 1 oktober 2013.
Het doel van de archeologische verwachtingenkaart is het zichtbaar maken waar archeologische waarden aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, en het daaraan koppelen van een onderzoeksplicht. Hiermee wordt tevens duidelijk bij welke werkzaamheden wel en bij welke geen archeologisch onderzoek noodzakelijk zal zijn.
In de kaart worden de volgende zes categorieën onderscheiden.
Categorie 1: beschermde Rijksmonumenten
Voor werkzaamheden is hier altijd een vergunning volgens de Monumentenwet 1988 vereist.
Categorie 2: gebieden van zeer hoge waarde en de historische dorpskernen
Voor deze gebieden is voor de oppervlakte het wettelijk minimum van 100 m2 genomen. Projecten die over een groter oppervlak de bodem verstoren zijn onderzoeksplichtig. De monumentenwet geeft geen minimum voor de diepte van verstoring. Voor de gemeente Heerlen is voorgesteld geen onderzoeksplicht op te leggen voor werkzaamheden minder dan 40 cm diep.
Categorie 3 en 4: gebieden met een hoge en middelhoge verwachtingswaarde
Voor deze gebieden zijn de ondergrenzen nog verder verruimd (respectievelijk 250 m2 en 2500 m2 oppervlakte, bij meer dan 40 cm diepte). Hierdoor zijn alleen de grotere projecten onderzoeksplichtig en geldt voor de meeste kleinere (particuliere) vergunningaanvragen geen onderzoeksplicht.
Categorie 5: gebieden met een lage verwachtingswaarde
In gebieden met een lage trefkans, geldt alleen voor grotere projecten (10.000 m2 en meer dan 40 cm diepte) een onderzoeksplicht.
Categorie 6: gebieden zonder verwachtingswaarde
In deze gebieden geldt geen onderzoeksplicht.
In het algemeen geldt dat een ontheffing van de onderzoeksplicht mogelijk is wanneer blijkt (na archeologisch advies van een gekwalificeerde archeoloog) dat het project een gering risico vormt voor het "bodemarchief".
In het plangebied van het bestemmingsplan Buitengebied komen alle verschillende archeologische waarden voor. Er is zelfs een archeologisch beschermd rijksmonument aanwezig: de motte (kasteelheuvel) bij Ten Esschen. Een kasteelheuvel is een in de Volle Middeleeuwen kunstmatig opgeworpen heuvel omgeven door een gracht. Op de heuvel stond waarschijnlijk (want wetenschappelijk nog niet aangetoond) een donjon, een middeleeuwse verdedigbare woontoren. Het was de voorloper van de later verdwenen kasteelboerderij van Ten Esschen waarvan de carréboerderij De Struyver de opvolger werd. Andere hoge archeologische waarden in het plangebied zijn vooral te vinden rondom het beekdal van de Geleenbeek en bij kasteel Hoensbroek.
Op dit moment is een procedure lopende bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed om de Landweer op de Schrieversheide (zie paragraaf 3.2.5), voor zover gelegen op Heerlens grondgebied, aan te wijzen als archeologisch beschermd rijksmonument. Indien deze status wordt toegewezen, is deze archeologische waarde wettelijk beschermd.
|
|
| Motte bij Ten Esschen |
In het bestemmingsplan Buitengebied zijn de verschillende voorkomende archeologische waarden vertaald in een beschermende regeling. Dit is gedaan door voor elke categorie een overeenkomstige dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' op te nemen. De dubbelbestemmingen verschillen onderling in de ondergrenzen voor de onderzoeksplicht die geldt bij toekomstige ontwikkelingen.
Overigens wordt met het bestemmingsplan Buitengebied de bestaande situatie vastgelegd en zijn geen nieuwe ontwikkelingen voorzien die tot bodemingrepen leiden. Archeologisch onderzoek voor dit bestemmingsplan is dan ook niet noodzakelijk.
Mochten tijdens graafwerkzaamheden archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet hiervan volgens artikel 5.1 van de Erfgoedwet terstond melding worden gemaakt bij de gemeente Heerlen of de regioarcheoloog.
Als gevolg van de rijke historie van het plangebied, die op een aantal plekken teruggaat tot de tijd van de Romeinen, komen er verschillende cultuurhistorische waarden voor. Deze dienen op een passende wijze te worden beschermd in bestemmingsplan Buitengebied.
Binnen het plangebied van bestemmingsplan Buitengebied is geen sprake van een rijksbeschermd stadsgezicht.
Wel is het buurtschap Benzenrade opgenomen in de gemeentelijke inventarisatie en selectie van stadsgezichten (Buro 4, 2011). Benzenrade is het enige Heerlense buurtschap dat zijn oorspronkelijke dorpskarakter heeft weten te behouden. Dit maakt het bebouwingscluster voor Heerlense begrippen uniek. De stedenbouwkundige structuur bestaat uit lintbebouwing die de lijnen van het landschap volgt. Dat is enerzijds de Geleenbeek aan de oostzijde en het talud van een heuvelrug aan de westzijde. De historisch ruimtelijke structuur zoals deze op de eerste topografische kaart uit 1842 is aangegeven is nagenoeg volledig intact. In de loop der jaren heeft er op een aantal plaatsen in het bebouwingslint nieuwbouw en vervangende nieuwbouw plaatsgevonden. Desondanks is het agrarische dorpse karakter van het gebied behouden gebleven.
Op 28 augustus 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten dat de in de inventarisatie aangegeven cultuurhistorische waarden van het buurtschap in een nieuw bestemmingsplan moeten worden beschermd. In het bestemmingsplan Buitengebied is daarom ingezet op behoud van de stedenbouwkundige structuur en omvang van de bestaande woningen. De afmetingen van de bestaande woningen zijn strak vastgelegd, door middel van bouwvlakken strak om de gevels en een maximale goot- en bouwhoogte die overeenkomt met de bestaande stedenbouwkundige hoofdmassa van de woning. Daarnaast is voor het buurtschap de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' opgenomen, zodat bij de toetsing van toekomstige aanvragen voor omgevingsvergunningen het behoud van de cultuurhistorische waarde voorop staat.
|
|
| Kapel Benzenrade | Benzenrade met op achtergrond hoogbouw ziekenhuis |
Er zijn binnen het plangebied verschillende panden aangewezen als Rijksmonument, allemaal gelegen binnen deelgebied West:
| Douvenrader Allee 2 | Middelste Douvenrade (ruïne) | |
| Dreesch 1 | Hoeve Op den Driesch | |
| Eikendermolenweg 4 | Woonhuis Eikendermolen en Kasteel Eyckholt (ruïne) | |
| Esschenweg 1 | Wegkapelletje cenotaaf | |
| Esschenweg 111 | Hoeve van baksteen 1854 | |
| Esschenweg 119 | Hoeve van baksteen 1751 | |
| Klinkertstraat 110 | Kasteel Hoensbroek | |
| Imstenrade 2,3,4 | Boerderij bij villa Imstenrade | |
| Imstenrade 5 | Villa Imstenrade + tuin | |
| Ten Esschen 26 | Hoeve met binnenplaats XIX | |
| Ten Esschen 80 | Hoeve de Struyver | |
| Terworm 5 | Kasteel Terworm | |
| Terworm 6 | Hoeve Gitzbach | |
| Zandweg 122 | Villa “Van Slobbe” met tuin | |
Overzicht Rijksmonumenten binnen plangebied
De Rijksmonumenten zijn reeds beschermd door de Erfgoedwet. Zodoende hoeft er in bestemmingsplan Buitengebied geen beschermende regeling te worden opgenomen.
Tot slot zijn er in het plangebied geen gemeentelijke monumenten aanwezig.
Dit hoofdstuk beschrijft de juridische opzet van het bestemmingsplan Buitengebied.
Het bestemmingsplan Buitengebied bestaat uit een verbeelding met bijbehorende regels, vergezeld van voorliggende toelichting. De verbeelding en regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in het plangebied weergegeven. De verbeelding is getekend op een actuele digitale ondergrond, samengesteld uit de Grootschalige Basiskaart Nederland (landmeetkundig ingemeten topografie; GBKN) en kadastrale begrenzingen.
De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels.
Bij het opstellen van het bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening, het Besluit ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geformuleerde uitgangspunten. Het bestemmingsplan voldoet aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012).
Voor de opzet en inhoud van de regels is aansluiting gezocht bij het sjabloon regels dat onderdeel uit maakt van het Handboek ruimtelijke plannen van de gemeente Heerlen
De regels van dit bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
In de begrippen worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels én die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven over hoe gemeten moet worden.
De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het bouwen heeft verleend welke dient te voldoen aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening.
De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit:
Hierna volgt per bestemmingsonderdeel een korte toelichting.
Bestemmingsomschrijving
De bestemmingsomschrijving bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals wonen, bedrijven, detailhandel, recreatie, horeca etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies.
De hoofdfuncties worden als eerste genoemd. Indien van toepassing worden ook de aan de hoofdfuncties ondergeschikte functies mogelijk gemaakt. Tevens wordt aangegeven welke functies bij de bestemming behoren door middel van de zin 'met daarbij behorende'. Het betreft hier meestal functies als paden, groen, erven, etc. De bestemmingsomschrijving is niet alleen functioneel, maar bevat ook inrichtingsaspecten.
Bouwregels
In de bouwregels wordt aangegeven welke bebouwingsmogelijkheden er op een perceel bestaan. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Afwijken van de bouwregels
Door het opnemen van een afwijkingsregeling bestaat de mogelijkheid af te wijken van de algemeen toegestane bouwregelingen. Voor elke afwijking wordt aangegeven waarvan afgeweken wordt, de maximale afwijking die met de afwijking kan worden toegestaan en eventueel de situaties of voorwaarden waaronder vrijstelling wordt verleend.
Het gaat hier om afwijkingbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Als afwijkingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben, zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 (de algemene regels).
Specifieke gebruiksregels
In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Hierin worden niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de bestemmingsomschrijving.
Afwijken van de gebruiksregels
Een afwijking van een gebruiksregel mag niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Dat wil zeggen dat wel afwijking kan worden verleend ten behoeve van functies, die inherent zijn aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies. Via afwijking kunnen geen 'nieuwe' functies worden toegestaan. Met andere woorden: de afwijkingsregeling kan worden opgenomen voor kleinere, planologisch minder ingrijpende, onderwerpen.
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en van
werkzaamheden
Specifieke inrichtingsactiviteiten, niet bestaande uit bouwen, dienen soms aan een omgevingsvergunning gebonden te worden.
Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat wanneer bepaalde gebouwen en
bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Algemene bouwregels
Met de algemene bouwregels wordt de bouw van bepaalde bouwwerken geregeld, die zijn toegestaan (of uitgesloten) binnen alle bestemmingen, voor zover daar per bestemming geen specifieke bouwregels voor zijn opgesteld.
Algemene gebruiksregels
In deze bepaling wordt aangegeven wat in ieder geval onder strijdig gebruik wordt verstaan. De specifieke gebruiksregel, zoals deze kan worden opgenomen in de afzonderlijke bestemmingen, is aanvullend op de algemene gebruiksregel van het bestemmingsplan. Daarnaast is in dit artikel geregeld dat bij het bouwen voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid.
Algemene aanduidingsregels
In dit artikel zijn gebiedsaanduidingen opgenomen. Deze vallen samen met diverse bestemmingen, maar zijn niet aan te merken als dubbelbestemming.
Algemene afwijkingsregels
In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om met een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde in het bestemmingsplan geregelde onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsbepalingen die gelden voor meerdere dan wel alle bestemmingen in het plan.
Specifieke, op de bestemmingen gerichte, afwijkingen zijn reeds opgenomen onder de betreffende bestemming.
De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, worden aangegeven.
Algemene wijzigingsregels
In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om een gedeelte van het plan te wijzigen ten behoeve van (geringe) wijziging van bestemmingsgrenzen op perceelsniveau of de vestiging van een seksinrichting. Per wijziging zijn voorwaarden opgenomen waaraan de wijziging moet voldoen.
Overige regels
Dit sublid geeft aan hoe andere wettelijke bepalingen, waarnaar is verwezen in de regels, dienen te worden geïnterpreteerd
Overgangsbepalingen
In deze bepalingen wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht.
Slotregel
Als laatste wordt de slotregel opgenomen. Deze bepaling bevat de titel van het bestemmingsplan.
Deze paragraaf beschijft hoe de verschillende bestemmingen in het plangebied zijn toegekend.
Een groot aantal percelen binnen het plangbied worden gebruikt voor agrarische activiteiten. Derhalve hebben deze percelen de bestemming "Agrarisch".
De gronden met de bestemming Agrarisch met waarden zijn onder andere bestemd voor agrarisch bedrijfsmatig gebruik en het behoud en de ontwikkeling van aanwezige waarden.
Op deze gronden zijn gebouwen niet toegestaan, behoudens de reeds aanwezige schuilgelegenheden. Om de bestaande waarden te beschermen is een vergunningenstelsel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden opgenomen.
een onderneming waarbij het accent ligt op het vervaardigen, bewerken, installeren, inzamelen en verhandelen van goederen, uitgezonderd detailhandel;
De bestemming "Bedrijf-Nutsvoorziening" is van toepassing voor de grotere nutsvoorzieningen binnen het plangebied.
Kasteel Hoensbroek en de romdom gelegen gronden hebben de bestemming "Cultuur en ontspanning" gekregen.. Deze gronden zijn bestemd voor het verrichten van activiteiten gericht op cultuur, spel, vermaak en ontspanning.
Voor de groenvoorzieningen binnen het plangebied is de bestemming "Groen" opgenomen.
De bestemming "Horeca" is opgenomen voor de zelfstandige horecavestigingen binnen het plangebied.
De maatschappelijke voorzieningen in het plangebied hebben de bestemming "Maatschappelijk" gekregen. Het asielzoekerscentrum, begraafplaats en crematorium gelegen aan de Imstenraderweg en Sterrenwacht Limburg zijn de belangrijkste maatschappelijke voorzieningen in het plangebied.
De gronden met natuurwaarden hebben de bestemming "Natuur". De bestemming is gericht op het behoud en/of herstel van de voorkomende waarden, de ontwikkeling van landschappelijke waarden en extensieve dagrecreatieve waarden. Binnen de bestemming is de bouw van bouwwerken, geen gebouw zijnde slechts in beperkte mate toegestaan.
De in het plangebied gelegen (binnen) speeltuinen, volkstuinen, camping, verenigingsgebouw en dierenpark hebben de bestemming "Recreatie" gekregen inclusief een bijpassende functie aanduiding. Indien van toepassing zijn de aanwezige gebouwen op de plankaart voorzien van een bouwvlak.
Het perceel gelegen aan Ten Esschen 100 heeft de bestemming "Sport" gekregen vanwege de aldaar gelegen sportschool en fitnesscentrum.
Voor de in de plangebied gelegen woningen is de bestemming "Tuin" opgenomen.
De bestemming "Verkeer-Railverkeer" geldt voor de spoorweg met de bijbehorende voorzieningen.
Voor de binnenwegen en de aangrenzende parkeerplaatsen binnen het plangebied is de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied' opgenomen.
De bestemming "Verkeer-Wegverkeer" is opgenomen voor de doorgaande wegen binnen het plangebied.
Binnen het plangebied gelegen waterpartijen hebben de bestemming "Water" gekregen.
Aan alle woningen in het plangebied is de bestemming ' Wonen ' toegekend. De gronden binnen deze bestemming zijn bedoeld voor woondoeleinden en tuin. Daarnaast zijn voor een aantal percelen functieaanduidingen opgenomen, om bestaande aanwezige afwijkende functies op de begane grond te regelen.
De gemeente Heerlen hecht er belang aan dat inwoners van de gemeente zoveel mogelijk dezelfde rechten krijgen. Om die reden hanteren wij een standaard-woonbestemming.
In de standaard-woonbestemming wordt uitgegaan van een bouwvlak per woning of totaal aaneengesloten woningen, waarbij met een bouwaanduiding het woningtype wordt bepaald. De bouwmogelijkheden hangen af van het woningtype. Zo wordt bij elk woningtype uitbreiding van een woning op de begane grond direct mogelijk gemaakt. Voor de woningtypes rijwoning, half vrijstaande woning en vrijstaande woning wordt een standaard bouwdiepte voor de hoofdmassa (maximaal twee lagen met kap) gehanteerd: respectievelijk 10 meter, 12 meter en 15 meter. Voorwaarde hierbij is dat de afstand tussen achtergevel en achterste perceelsgrens altijd minimaal 5 meter bedraagt.
Ondanks de ruime directe bouwmogelijkheden kunnen bewoners behoefte hebben aan uitbreiding over twee lagen aan de zijkant van hun woning óf hun woning willen slopen en op een andere plek op het perceel herbouwen. Voor deze twee gevallen zijn binnen de standaard-woonbestemming afwijkingsbevoegdheden opgenomen, zodat (indien voldaan wordt aan de bijbehorende voorwaarden) via een versnelde procedure een omgevingsvergunning kan worden verkregen.
Verder is in de standaard-woonbestemming een standaard maximale goot- en bouwhoogte (7 meter respectievelijk 12 meter) opgenomen, gebaseerd op een woning van twee lagen met kap.
Bepaalde woningen kunnen door hun specifieke situering en/of bebouwingskenmerken voor maatwerk in aanmerking komen. In dat geval kan de toegestane diepte van het bouwvlak en/of de hoogte van de woning afwijkend zijn. Dit is op de verbeelding weergegeven door de grootte van het ingetekende bouwvlak respectievelijk een maatvoeringsaanduiding die de maximum goot- en bouwhoogte aangeeft.
Door het plangebied loopt een gasleiding. Teneinde de belangen van de gasleiding te beschermen is de dubbelbestemming "Leiding Gas" opgenomen.
De dubbelbestemming "Leiding Hoogspanningsverbinding" beschermt de aanwezige hoogspanningsleiding in het plangebied door middel van het uitsluiten van bebouwing onder de leiding.
Door het plangebied loopt een riool. Teneinde de belangen van de rioolleiding te beschermen is de dubbelbestemming "Leiding Riool" opgenomen.
Voor de verschillende aanwezige archeologische verwachtingswaarden in het plangebied is per waarde een aparte dubbelbestemming "Waarde- Archeologie" opgenomen. dit is toegelicht in paragraaf 5.10.
De dubbelbestemming "Waarde-Cultuurhistorie" is opgenomen voor de cultuurhistorische buurtschap Benzenrade, waarmee de cultuurhistorische waarden in de toekomst beschermd blijven. Zie ook paragraaf 5.11.
De dubbelbestemming "Waterstaat-Waterlopen met een waterhuishoudkundig en/of waterstaatkundige functie" is opgenomen voor de primaire watergang, ter plaatse van de watergang zelf en de aangrenzende zone die in de legger van het waterschap is aangeduid.
Het komt regelmatig voor dat mensen bij de gemeente een verzoek indienen om een beroeps- of bedrijfsmatige activiteit te mogen uitoefenen in hun woning. De gemeente staat hier niet onwelwillend tegenover, mits dit binnen bepaalde kaders plaatsvindt. Een belangrijk criterium is dat de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft. Voor een eenduidige beoordeling van dergelijke verzoeken is de beleidsregel 'beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving' op 25 februari 2014 vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders.
In de beleidsregel wordt bedrijvigheid in de woonomgeving in een tweetal subcategorieën onderverdeeld:
Aan huis gebonden beroepen
Onder de aan huis gebonden beroepen worden in ieder geval begrepen: architect, advocaat, acupuncturist, beeldhouwer, belastingadviseur, fysiotherapeut, grafisch ontwerper / desktop publisher, huisarts, hypotheekadviseur, juridisch adviseur, kunstschilder, makelaar, notaris, psycholoog, tandarts, verloskundige, dierenarts (kleine huisdieren), zakelijke dienstverlener, logopedist.
Aan huis gebonden beroepen worden van oudsher geacht binnen de woonbestemming te passen. In de regels van dit bestemmingsplan zijn aan huis gebonden beroepen binnen de bestemming Wonen dan ook rechtstreeks toegestaan.
Consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten
Onder consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten wordt dienstverlenende of ambachtelijke bedrijvigheid gericht op consumentverzorging verstaan. Dergelijke activiteiten wijken qua aard, karakter en hinder niet wezenlijk af van aan huis gebonden beroepen en kunnen dus eveneens plaatsvinden in de woonomgeving. Wel gelden hiervoor specifieke randvoorwaarden, die zijn vastgelegd in de beleidsregel.
Tot consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten worden onder meer de volgende activiteiten/beroepen gerekend: fotograaf/videograaf, autorijschool (geen theorielessen aan huis), bloemschikker, decorateur, fietsenreparateur, goud- en zilversmid, hoedenmaker, hondentrimmer, pottenbakker, instrumentenmaker, kaarsenmaker, klompenmaker, lijstenmaker, loodgieter, meubelmaker, computerservice (o.a. systeembouw/-analyse), schoonheidsspecialist, kapsalon, traiteur, muziekinstrumentenmaker, zadelmaker, nagelstudio, reisorganisatie (kleinschalig), koeriersdienst (zonder afhalen aan huis), prothesemaker, reparatie van kleine consumentenartikelen (smartphones, radio's, tv's, horloges, antiek, etc.), glazenwasser, webshop (administratie, opslag, logistiek, zonder afhalen aan huis).
In de bestemming 'Wonen' van dit bestemmingsplan is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen, waarmee de uitoefening van consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten mogelijk wordt gemaakt. Wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden, zoals die ook in de beleidsregel zijn opgenomen, kan de omgevingsvergunning worden verleend.
Door het verdwijnen van het algemeen bordeelverbod uit het Wetboek van Strafrecht kan de vestiging van een bordeel niet meer verboden worden. Het is derhalve noodzakelijk om middels beleid en een adequate planologische regeling de vestiging van prostitutiebedrijven te reguleren. De planologische regeling heeft betrekking op de bestemmingen die - volgens de jurisprudentie - het gebruik ten behoeve van prostitutie niet geheel uitsluiten. Gedoeld wordt op de bestemmingen die wonen, horeca, dienstverlening en bedrijven toelaten.
De gemeenten in Parkstad Limburg hebben een gezamenlijk regionale visie met betrekking tot het prostitutiebeleid ontwikkeld. Het opstellen van de “Parkstadnota regionale visie prostitutiebeleid” werd noodzakelijk geacht omdat een zeer stringent lokaal beleid kan leiden tot verplaatsing van de in de gemeenten aanwezige prostitutiebedrijven naar omringende gemeenten, die een minder stringent beleid voeren. Door regionaal beleid wordt voorkomen dat ongewenste bewegingen ontstaan in de vestiging van prostitutiebedrijven en kunnen gemeenten beargumenteerd bepaalde vormen van prostitutiebedrijven uitsluiten.
In de “Beleidsnota Seksinrichtingen, sekswinkels en escortbedrijven Heerlen” (oktober 2000) is het gemeentelijk beleid neergelegd. In deze nota is ruimtelijk beleid geïntegreerd in het totale beleid. Eén van de zes hoofddoelstellingen die ten grondslag lagen bij de opheffing van het algemeen bordeelverbod was: de beheersing en regulering van exploitatie van prostitutie.
In de huidige situatie liggen er 9 locaties voor seksinrichtingen verspreid over het gemeentelijk grondgebied. Voor deze locaties is een parapluplan opgesteld, bestemmingsplan prostitutie (onherroepelijk per 24 april 2007).
Binnen het plangebied van het bestemmingsplan Buitengebied is op dit moment geen seksinrichting aanwezig.
De bij dit bestemmingsplan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten is gebaseerd op de categorale indeling van bedrijfstypen uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Bij deze indeling is de Standaard Bedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek gevolgd en kent elk bedrijfstype een eigen SBI-code.
Naast een omschrijving van de bedrijfstypen is per type aangegeven welke richtafstanden gelden voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Dit is een indicatie van de minimale afstand die in beginsel, vanuit een bedrijf tot een rustige woonwijk, aangehouden dient te worden. De grootste afstand is bepalend voor de indeling van een bedrijfstype in een milieucategorie.
Zo gelden voor de lichtere milieucategorieën 1, 2 en 3 de volgende afstanden:
| Milieucategorie 1 | 10 meter |
| Milieucategorie 2 | 30 meter |
| Milieucategorie 3.1 | 50 meter |
| Milieucategorie 3.2 | 100 meter |
In de Staat van Bedrijfsactiviteiten van dit bestemmingsplan zijn alleen de bedrijfstypen opgenomen die vanwege de aard en omvang van hun activiteiten passen in de woonomgeving, dan wel passen bij de specifieke situatie van het plangebied. Een verandering van bedrijfstype op een perceel wordt, wanneer zich dat voordoet, getoetst aan de hand van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Dit betekent dat deze lijst een planologisch middel vormt om te toetsen, maar dat de werkelijke toelaatbaarheid van een bedrijf te allen tijde ook nog de toetsing aan de milieuwetgeving moet doorlopen.
Het bestemmingsplan heeft verscheidene functies. De belangrijkste functie betreft wellicht de normerende functie.
Het bestemmingsplan geeft bindende regels voor het gebruik van de in het betreffende plan opgenomen gronden. Dit betreft gebruik in ruime zin. Niet enkel het feitelijke gebruik, maar ook de bebouwing van deze gronden en het gebruik van opstallen worden door het bestemmingsplan gereguleerd. Om recht te doen aan deze functie, is tijdens het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan ruime aandacht besteed aan de handhaafbaarheid van de opgestelde regels.
Er is sprake van een inzichtelijke en realistische juridische regeling. Dat wil zeggen, dat het plan niet onnodig beperkend of inflexibel is. De regels dienen niet meer, maar ook niet minder te regelen dan noodzakelijk is. Daarnaast is er sprake van een ondubbelzinnige en juridisch juiste regeling, die voor eenieder duidelijk is en weinig procesrisico kent.
Binnen de gemeente Heerlen vormt de handhaving van bestemmingsplannen een expliciet onderdeel van het handhavingsbeleid en is opgenomen in de beleidsnota
"Handhaving bouw- en ruimtelijke regelgeving". In deze nota wordt onder meer aandacht besteed aan de wijze, waarop handhaving zal plaatsvinden. Uitgangspunt is dat tegen iedere overtreding wordt opgetreden. Verder wordt in deze nota de wijze van prioritering weergegeven. Op basis van jaarlijks vast te stellen uitvoeringsprogramma's vindt vervolgens het uitvoeren van toezicht en daadwerkelijke handhaving plaats.
Bij het overtreden van de regels van het bestemmingsplan kan het college de volgende sanctionerende maatregelen toepassen: bestuursrechtelijk handhaven (last onder bestuursdwang of last onder dwangsom) of strafrechtelijk handhaven (economisch delict).
Ingevolge het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting van een bestemmingsplan inzicht te worden gegeven over de uitvoerbaarheid van het plan. Hiermee wordt mede de financiële uitvoerbaarheid bedoeld.
Het bestemmingsplan Buitengebied betreft een beheerplan, waarin enkel de bestaande situatie en het geldende recht is overgenomen. Er zijn geen nieuwe ontwikkelingen in dit plan opgenomen die aan te merken zijn als bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het bestemmingsplan heeft derhalve geen financiële gevolgen. Het is daarom ook niet nodig een exploitatieplan vast te stellen.
In dit hoofdstuk is de procedure van het bestemmingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in het algemeen in een bestemmingsplanprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen stappen in de procedure van bestemmingsplan Buitengebied weergegeven.
Een bestemmingsplan kent de volgende procedurestappen:
Een voorontwerp bestemmingsplan ligt op grond van de Inspraakverordening van de gemeente Heerlen gedurende zes weken voor eenieder ter inzage. Gedurende deze termijn kan men een inspraakreactie indienen bij het college van burgemeester en wethouders. Tevens wordt het voorontwerpbestemmingsplan in verband met het vooroverleg naar diverse instanties gestuurd.
De ingediende inspraakreacties worden verwerkt, wat eventueel kan leiden tot aanpassing van het bestemmingsplan. Het ontwerp bestemmingsplan wordt behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Een ontwerp bestemmingsplan ligt vervolgens gedurende zes weken ter inzage met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen bij de gemeenteraad.
De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vast. De ingediende zienswijzen kunnen leiden tot een gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp.
Nadat de raad het bestemmingsplan heeft vastgesteld, wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Daarna bestaat nog de mogelijkheid tot het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Het voorontwerpbestemmingsplan Buitengebied is in verband met het vooroverleg naar diverse instanties gestuurd en heeft met ingang van 9 juni 2016 gedurende zes weken in het kader van de inspraak ter inzage gelegen.
In totaliteit zijn drie inspraak- en vijf vooroverlegreacties binnengekomen. Daarnaast zijn tijdens de georganiseerde inloopavonden zijn drie reactiekaarten ingevuld. Alle ingediende reacties zijn samengevat en opgenomen in bijlage inspraak en vooroverleg. Daarbij is ook het standpunt van het college van burgemeester en wethouders opgenomen.