direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Herziening Hoogveld Woningen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0907.BP15050HOOGVHEI-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op 17 juni 2013 heeft de gemeenteraad van Gennep het bestemmingsplan Bedrijventerrein Hoogveld - De Groote Heeze 2012 vastgesteld. Tegen dit bestemmingsplan is beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS). De ABRS heeft op 14 mei 2014 uitspraak gedaan (ABRS 14-05-2014, ECLI:NL:RVS:2014:1745). In haar uitspraak heeft de ABRS het bestemmingsplan Bedrijventerrein Hoogveld - De Grootte Heeze 2012 vernietigd voorzover het betreft:

  • 1. het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" voor de percelen Hoogveld 20 en Hoogveld 21;
  • 2. de plandelen met de bestemming "Wonen - 1" en de gebiedsaanduiding "woon- en leefklimaat".

Met het voorliggende bestemmingsplan wordt, met inachtneming van de uitspraak van de ABRS, een nieuw bestemmingsplan vastgesteld voor de hierboven genoemde percelen.

1.2 Uitspraak van de ABRS

In deze paragraaf wordt ingegaan op de uitspraak van de ABRS.

Ad 1

Hoogveld 20 en Hoogveld 21

Volgens de ABRS is in het bestemmingsplan onvoldoende rechtszeker geregeld welke voorwaarden gelden voor de buitenopslag.

Verwerking in bestemmingsplan Herziening Hoogveld woningen

Voor de percelen Hoogveld 20 en 21 wordt de bestaande buitenopslag toegestaan zoals weergegeven in de bijlage bij de regels. Deze bijlage is afkomstig van de aanvraag om vergunning voor het inwerking hebben van een inrichting.

Hoogveld 21

Het bouwvlak zoals dat vergund is, is niet op een juiste wijze opgenomen op de verbeelding.

Verwerking in bestemmingsplan Herziening Hoogveld woningen

Het bouwvlak is in onderhavig bestemmingsplan ruimer ingetekend zodat het vergunde gebouw binnen de grenzen van het bouwvlak valt.

Ad 2

Percelen met bestemming Wonen - 1 en aanduiding "woon- en leefomgeving"

In het bestemmingsplan hebben negen woningen (6 aan de Hoofdstraat en 3 aan de Boxmeerseweg) de bestemming Wonen - 1 gekregen met de aanduiding 'woon- en leefklimaat'. Zie onderstaande afbeelding:

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.BP15050HOOGVHEI-VA01_0001.png"

Afbeelding vigerend bestemmingsplan Bedrijventerrein Hoogveld - De Groote Heeze 2012 met rood omkaderd de locaties van de woonpercelen waar de uitspraak betrekking op heeft.

Deze woningen werden met deze bestemming positief bestemd. Met betrekking tot deze plandelen merkt de ABRS op dat gebleken is dat er geen onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het bestemmingsplan voor het woon- en leefklimaat voor de bewoners van de desbetreffende woningen, noch naar de gevolgen van de bestemming als burgerwoning voor de bedrijven. De aanduiding 'woon- en leefklimaat' waar in de regels het volgende over is bepaald:

Ter plaatse van de aanduiding 'Woon- en leefklimaat' zijn burgerwoningen op een bedrijventerrein gevestigd. Voor deze woningen kan, in verband met de in de directe nabijheid van die woningen aanwezige bedrijven, niet gegarandeerd worden dat het woon- en leefklimaat vergelijkbaar is met woningen in een woonwijk of kern.

kon volgens de ABRS het hiervoor bedoelde onderzoek niet vervangen.

Verwerking in bestemmingsplan Herziening Hoogveld woningen

Er is onderzoek gedaan naar de gevolgen van het positief bestemmen van de burgerwoningen. In de hoofdstukken hierna wordt daar verslag van gedaan.

1.3 Voorgeschiedenis woningen

1.3.1 Inleiding

In het kader van de vraag of het in ruimtelijke zin aanvaardbaar is om de in de vorige paragraaf genoemde woningen een woonbestemming te geven, is het relevant om vast te stellen wat de huidige juridisch-planologische status van deze woningen is. Om dit na te kunnen gaan is op de eerste plaats vastgesteld welke gegevens bij de gemeente bekend zijn.

nr   Adres   Datum vergunning   Omschrijving in vergunning  
1   Boxmeerseweg 2   14 september 1949   Herbouw boerderij  
2   Boxmeerseweg 14   28 april 1952   Herbouwen woonhuis met bergplaats  
3   Boxmeerseweg 16   6 mei 1981   Bouwen van een woonhuis  
4   Hoofdstraat 10   21 april 1966   Woonhuis verbouwen [bestaande woning dateert uit jaren '30]  
5   Hoofdstraat 12   24 mei 1968   Woning verbouwen [bestaande woning dateert uit jaren '30]  
6   Hoofdstraat 14   zie nummer 12   [Woning is tweekapper en is gelijktijdig gerealiseerd met nr. 12]  
7   Hoofdstraat 18   20 oktober 1925 [aanvraag]   Bouwen woonhuis  
8   Hoofdstraat 22   1937 [bouwtekening]   Bouwen woonhuis  
9   Hoofdstraat 24
[voorheen ook Boxmeerseweg 2]  
22 augustus 1972   Bedrijfsruimte behorende bij Boxmeerseweg 2, verbouwen tot woning  

Voor de in de tabel genoemde woningen zijn in het verleden verschillende juridisch-planologische regimes van toepassing geweest. Hieronder volgt een korte opsomming van deze regimes met als conclusie de huidige juridisch-planologische status van deze woningen.

Het eerste juridisch-planologische regime dat op de in de tabel genoemde woningen (met uitzondering van de woningen nummer 3 en 9) van toepassing was, waren de stedenbouwkundige bepalingen uit de Bouwverordening van de gemeente Gennep. De bepalingen in deze bouwverordening stonden niet in de weg aan het ter plaatse realiseren van burgerwoningen.

Voor het plangebied waarin de betrokken woningen zijn gelegen, is sedert 1962 het uitbreidingsplan in hoofdzaken, 1962 gaan gelden. Vanwege dit uitbreidingsplan gold ter plaatse van de woningen de bestemming Industrieterrein met de mogelijkheid om binnen deze bestemming bedrijfswoningen te realiseren. Voor bestaande gebouwen die afweken van het uitbreidingsplan was een overgangsrechtelijke bepaling opgenomen. De betrokken woningen (met uitzondering van de woningen nummer 3 en 9) kwamen met de inwerkingtreding van dit uitbreidingsplan onder de overgangsrechtelijke bepaling te vallen.

De partiele herziening burgerwoningen uit 1992, waarmee werd beoogd om de betreffende woningen een woonbestemming te geven, is door de ABRS vernietigd zodat dit bestemmingsplan verder geen relevantie heeft voor het bepalen van de huidige juridisch-planologische status.

In 1998 is vervolgens het bestemmingsplan Hoogveld vastgesteld. In dit bestemmingsplan werden de genoemde woningen bestemd als Bedrijventerrein met de aanduiding burgerwoning. Deze aanduiding burgerwoning is niet goedgekeurd door de provincie (de onderliggende bestemming Bedrijventerrein is wel goedgekeurd). De woningen kwamen daarmee, voor zover ze bestaand waren (de overgangsrechtelijke bepaling van dit bestemmingsplan sloot het bestaande doch illegale gebruik niet uit van het overgangsrecht) en dat geldt gelet op bovenstaande tabel voor alle betrokken woningen, onder het overgangsrecht van dit bestemmingsplan te vallen. Voor de meeste woningen (nummers 3 en 9 uitgezonderd) werd hiermee het juridisch-planologische regime van het uitbreidingsplan 1962 voortgezet.

Op 17 juni 2013 heeft de gemeenteraad van Gennep het bestemmingsplan Bedrijventerrein Hoogveld - De Groote Heeze 2012 vastgesteld. De betrokken woningen zijn in dit plan bestemd als Wonen. Deze bestemming is echter vernietigd door de ABRS.

1.3.2 Conclusie

Op basis van voorgaande schets van de juridisch-planologische geschiedenis van de betrokken woningen kan de conclusie worden getrokken dat de woningen, zonder uitzondering, vallen onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan Hoogveld uit 1998. Verder is uit de voorgeschiedenis van de betrokken woningen op te maken dat deze woningen al geruime tijd bestaan en dat het gebruik nooit anders is geweest dan burgerbewoning. De meeste woningen zijn zelfs in overeenstemming met het destijds geldende planologisch-juridische kader (de bouwverordening) gebouwd.

1.3.3 Gevolgen conclusie

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het niet toegestaan om bestaand gebruik dat onder het overgangsrecht van het vorige geldende bestemmingsplan valt, ten tweede male onder het overgangsrecht te brengen. Deze regel leidt uitzondering indien kan worden aangetoond dat het bestaande gebruik ditmaal wel binnen de planperiode van tien jaar wordt beeindigd.

Aangezien de gemeenteraad niet van plan is om het bestaande gebruik van de woningen te laten eindigen (door onteigening of het opkopen van de woningen), is het derhalve niet toegestaan om het bestaande gebruik in voorliggend bestemmingsplan (ten tweede male) onder het overgangsrecht te brengen. De overwegingen die hieraan ten grondslag liggen, zijn gelegen in het gegeven dat het om een reeds sedert lange tijd bestaande situatie gaat, de woningen die voor 1962 zijn gebouwd als burgerwoning ook daadwerkelijk legaal als burgerwoning gebouwd konden worden en de woningen voor een deel reeds sedert 1962 (en de nummers 3 en 9 sinds 1998) onder een overgangsrechtelijk regime vallen.

Gelet op de overwegingen zoals die hiervoor zijn opgenomen, is de gemeenteraad daarnaast van oordeel dat in verband met de rechtszekerheid van de bewoners van de betrokken woningen, in onderhavige situatie in alle redelijkheid niet gekozen zou kunnen worden voor het opnemen van een persoons gebonden overgangsrecht. Dit wordt bevestigd in een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 16 februari 2005 (200405603/1).

Uit deze uitspraak volgt dat bestaand gebruik voorzover dat onder het overgangsrecht van een bestemmingsplan valt (vanwege gevestigde rechten en belangen), moet worden aangemerkt als legaal gebruik. Omdat bestaand legaal gebruik in principe positief bestemd moet worden, en gebruik dat onder het overgangsrecht van het voorheen geldende bestemmingsplan valt niet opnieuw onder het overgangsrecht van een nieuw bestemmingsplan mag worden gebracht, mag bestaand legaal gebruik ook niet onder het persoonsgebonden overgangsrecht worden gebracht. Een degelijke aantasting van gevestigde rechten en belangen gaat immers nog verder dan een aantasting door algemeen - niet persoonsgebonden - overgangsrecht.

De gemeenteraad is op basis van bovenstaande conclusies en overwegingen van oordeel dat het de voorkeur geniet om de betrokken woningen positief te bestemmen. Indien echter uit onderzoek blijkt dat een goed woon- en leefklimaat niet kan worden gegarandeerd of indien moet worden geconcludeerd dat de omliggende bedrijven onevenredig in hun exploitatiemogelijkheden worden beperkt door een positieve bestemming, dan zal gekozen moeten worden voor een uitsterfregeling. In het navolgende hoofdstuk wordt verslag gedaan van de onderzoeken en overwegingen die in genoemd kader zijn verricht en gemaakt.

Hoofdstuk 2 Milieu

2.1 Inleiding

Gevolgen positieve bestemming burgerwoningen voor bedrijven.

In het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' is het van belang of de positieve bestemming van de burgerwoningen gevolgen heeft voor de uitbreidingsmogelijkheden van omliggende bedrijven (hetgeen ook in de uitspraak van de ABRS wordt aangegeven).

Bij deze overweging hecht de gemeenteraad er een groot belang aan dat de feitelijke situatie reeds lange tijd bestaat, dat de woningen zijn gelegen op een bedrijventerrein en er bij de gemeente geen klachten over de hinder van de naburige bedrijvigheid bekend zijn. Daarnaast zijn de burgerwoningen legaal gebouwd en/of vallen ze reeds geruime tijd onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan.

Hieronder wordt voor de relevante milieu/hinderaspecten overwogen of een positieve bestemming beperkend werkt voor de exploitatiemogelijkheden van de bestaande bedrijven:

Om te kunnen beoordelen of het positief bestemmen van de burgerwoningen gevolgen heeft voor de exploitatiemogelijkheden van omliggende bedrijven, is aan de hand van de verleende vergunningen voor het inwerking hebben van een inrichting, een analyse uitgevoerd. Uit deze analyse volgt dat het aspect geluid in deze maatgevend is. Voor de aspecten geur, stof, externe veiligheid, overige hinderaspecten en geluid geldt het volgende:

Geur

Aan de hand van de verleende milieu/omgevingsvergunningen en de van toepassing zijnde algemene regels van het Activiteitenbesluit is een analyse van het aspect geurhinder gemaakt. Uit de verleende vergunningen (en de in dat kader uitgevoerde geuronderzoeken) volgt dat de woningen die nu positief worden bestemd in de beoordeling van de aanvragen van de bedrijven zijn betrokken. De geurhinder van de aanwezige bedrijven op de nu positief bestemde woningen vormt op geen enkele wijze een beperking voor de door de bedrijven gewenste (en dus aangevraagde) exploitatiemogelijkheden (er wordt ruimschoots voldaan aan de normeringen zoals die op grond van de Nederlandse Emissierichtlijn gelden).

In dit kader is voorts van belang dat in de directe nabijheid van de in dit bestemmingsplan positief bestemde burgerwoningen en bedrijfswoningen van derden aanwezig zijn. Bedrijfswoningen van derden worden in het kader van geurhinder ook beschouwd als gevoelige objecten.

Stof

Aan de hand van de verleende milieu/omgevingsvergunningen en de van toepassing zijnde algemene regels van het Activiteitenbesluit is een analyse van het aspect stofhinder gemaakt. Uit de verleende vergunningen (en de in dat kader uitgevoerde onderzoeken) volgt dat de woningen die nu positief worden bestemd in de beoordeling van de aanvragen van de bedrijven zijn betrokken. De hinder van de aanwezige bedrijven op de nu positief bestemde woningen vormt op geen enkele wijze een beperking voor de door de bedrijven gewenste (en dus aangevraagde) exploitatiemogelijkheden (er wordt ruimschoots voldaan aan de normeringen zoals die op grond van de Nederlandse Emissierichtlijn gelden). Daarnaast worden in de verleende vergunningen afzuigtechnieken voorgeschreven en is een voorschrift opgenomen dat stof niet buiten de inrichting mag geraken.

In dit kader is voorts van belang dat in de directe nabijheid van de in dit bestemmingsplan positief bestemde burgerwoningen en bedrijfswoningen van derden aanwezig zijn. Bedrijfswoningen van derden worden in het kader van stofhinder ook beschouwd als gevoelige objecten.

Externe veiligheid

Op grond van het vigerende bestemmingsplan zijn inrichtingen die onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen vallen, niet toegestaan. Door het positief bestemmen van de burgerwoningen worden de bestaande bedrijven dan ook niet in hun exploitatiemogelijkheden beperkt.

Voor de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen en in het kader van de brandbestrijding zijn daarnaast ook voorschriften gesteld in de aan de bedrijven verleende vergunningen.

Luchtkwaliteit

Aan de hand van de verleende milieu/omgevingsvergunningen en de van toepassing zijnde algemene regels van het Activiteitenbesluit is een analyse van het aspect geurhinder gemaakt. Uit de verleende vergunningen (en de in dat kader uitgevoerde onderzoeken) volgt dat de woningen die nu positief worden bestemd in de beoordeling van de aanvragen van de bedrijven zijn betrokken. De hinder van de aanwezige bedrijven op de nu positief bestemde woningen vormt op geen enkele wijze een beperking voor de door de bedrijven gewenste (en dus aangevaagde) exploitatiemogelijkheden (er wordt ruimschoots voldaan aan de normeringen van de Wet milieubeheer.

In dit kader is voorts van belang dat in de directe nabijheid van de in dit bestemmingsplan positief bestemde burgerwoningen en bedrijfswoningen van derden aanwezig zijn. Bedrijfswoningen van derden worden in het kader van luchtkwaliteit ook beschouwd als gevoelige objecten.

Trillinghinder

In de verleende vergunningen en op deze plaats wordt daarbij aangesloten, wordt opgemerkt dat de afstand van de bestaande woningen tot de bedrijven zodanig groot is dat hinder door trillingen niet te verwachten is.

In dit kader is voorts van belang dat in de directe nabijheid van de in dit bestemmingsplan positief bestemde burgerwoningen en bedrijfswoningen van derden aanwezig zijn. Bedrijfswoningen van derden worden in het kader van trillinghinder ook beschouwd als gevoelige objecten.

Geluid

Ook voor het aspect geluid (het meest maatgevende milieu-/hinderaspect) is een analyse van de verleende vergunningen (van toepassing zijnde regels) verricht. Op de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de betrokken woningen allen in de verleende vergunningen zijn betrokken. De geluidhinder van de aanwezige bedrijven op de nu positief bestemde woningen vormt op geen enkele wijze een beperking voor de door de bedrijven gewenste (en dus aangevraagde) exploitatiemogelijkheden (er wordt ruimschoots voldaan aan de normeringen zoals die onder meer op grond van de Wet geluidhinder gelden). Verder is van belang dat de bedrijven zijn gelegen op een voor geluid gezoneerd industrieterrein. Uit het zonebewakingsmodel van het industrieterrein blijkt dat er nagenoeg geen akoestische ruimte meer beschikbaar is. Tot slot blijkt uit een analyse van de verleende vergunningen (van toepassing zijnde regels) dat er vanwege de piekgeluiden (maximale geluidsniveaus LAMAX) geen belemmering is voor de exploitatiemogelijkheden van de bedrijven.

Naast het genoemde onder de specifieke hinderaspecten is van belang dat het geldende bestemmingsplan bepaalt dat bedrijven die onder de bijlage C en D van het Besluit m.e.r. 1994 vallen niet zijn toegestaan.

Op grond van het vorenstaande kan de conclusie worden getrokken dat de bestaande bedrijven door de positieve bestemming van de burgerwoningen niet onevenredig in hun exploitatiemogelijkheden worden beperkt.

Naar aanleiding van de zienswijzen is naast bovenstaande analyse een specifiek onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van een positieve bestemming van de woningen voor de exploitatiemogelijkheden van de bedrijven ForFarmers en Teunessen. Van dit onderzoek is verslag gedaan in een brief van De Roever Omgevingsadvies welke als bijlage bij deze toelichting is opgenomen. Uit dit onderzoek volgt dat ForFarmers en Teunessen niet door voorliggend bestemmingsplan in hun exploitatiemogelijkheden worden beperkt.

Kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd?

Naast de vraag of de positieve bestemming voor de burgerwoningen gevolgen heeft voor de exploitatiemogelijkheden van de omliggende bedrijven, is in het kader van een goede ruimtelijke ordening de vraag relevant of ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

Bij deze overweging hecht de gemeenteraad er een groot belang aan dat de feitelijke situatie reeds lange tijd bestaat, dat de woningen zijn gelegen op een bedrijventerrein en bij de gemeente geen klachten over de hinder van de naburige bedrijvigheid bekend is. Daarnaast zijn de burgerwoningen legaal gebouwd en/of vallen ze reeds geruime tijd onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan.

Aangezien geluidhinder het maatgevende milieu-/hinderaspect is, is in dit kader is met name relevant of ter plaatse van de woningen voldaan kan worden aan de geluidnormeringen zoals die in de Wet geluidhinder zijn opgenomen. Om dit te beoordelen zijn diverse akoestische onderzoeken uitgevoerd. Hierna worden de conclusies van dit onderzoek (kort) weergegeven. De rapportage van de uitgevoerde onderzoeken is opgenomen in de bijlage bij deze toelichting.

Voor de overige milieu-/hinderaspecten kan worden verwezen naar het gestelde onder 'gevolgen positieve bestemming burgerwoningen voor bedrijven'. Daarbij kan nog gesteld worden dat in de diverse vergunningen en op grond van de van toepassing zijnde milieuregels allerlei voorschriften zijn opgenomen (zo worden in de vergunningen afzuigtechnieken voorgeschreven en is een voorschrift opgenomen dat stof niet buiten de inrichting mag geraken) die moeten waarborgen dat de woningen ook in de toekomst gevrijwaard blijven van onevenredige milieuhinder, waarbij wel vermeld moet worden dat bij het woord 'onevenredig' meeweegt dat het gaat om woningen op een industrieterrein.

2.2 Onderzoek

Door De Roever Omgevingsadvies is een rapportage (met nummer 20141432/D01/SB) akoestisch onderzoek opgesteld waarin de aspecten Wegverkeerslawaai, industrielawaai, cumulatieve effecten, beoordeling woon- en leefklimaat en binnenniveaus zijn onderzocht. Deze rapportage is opgenomen in de bijlage bij dit bestemmingsplan. Hieronder wordt een korte weergave van de conclusies gegeven.

Wegverkeerslawaai (en binnenniveau)

Uit het onderzoek blijkt dat vanwege het wegverkeerslawaai alleen een hogere waarde procedure hoeft te worden gevolgd voor de woningen Hoofdstraat 10, 12, 14 en 18.

De geluidbelasting bedraagt op deze woningen 56-57 dB. De maximaal te ontheffen grenswaarde van 68 dB wordt niet overschreden. (zie hoofdstuk 2.6).

Voor deze woningen geldt als aanvullende eis dat het binnenniveau niet meer mag bedragen dan 43 dB. Aan deze eis wordt volledig voldaan voor de woningen Hoofdstraat 12 en 14. (zie hoofdstuk 6 van het akoestisch rapport).

Voor de woningen Hoofdstraat 10 en 18 geldt dat met geringe aanpassingen aan de vensters aan deze binnenwaarde kan worden voldaan. Deze werkzaamheden zijn eenvoudig uit te voeren en brengen geen hoge kosten met zich mee.

Op grond van bovenstaande is er geen belemmering om de woningen positief te bestemmen binnen de geluidzone van de Hoofdstraat op grond van de toetsing aan de Wet geluidhinder indien bij twee woningen enkele aanpassingen aan de vensters en kozijnen plaatsvinden.

Industrielawaai (en binnenniveau)

Uit onderzoek blijkt dat bij alle 9 woningen de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt overschreden. De maximaal te ontheffen grenswaarde van 60 dB(A) wordt niet overschreden, zodat voor elk van de 9 woningen een hogere waarde kan worden verleend.

Voor deze woningen geldt als aanvullende eis dat het binnenniveau niet meer mag bedragen dan

  • 40 dB(A) bij een geluidbelasting van meer dan 55 dB(A)
  • 35 dB(A) in overige gevallen.

Aan deze eis wordt volledig voldaan bij de woningen Hoofdstraat 12, 14, 22 en 24 en Boxmeerseweg 2 en 16. Bij de woningen Hoofdstraat 10, Hoofdstraat 18 en Boxmeerseweg 14 wordt de eis licht, met 1-2 dB, overschreden.

De binnenwaarde op alle slaapkamers bij deze 3 woningen zijn eenvoudig te verlagen door het aanbrengen van een deugdelijke kierdichting in de vensters en een goede tochtstrip bij de balkondeur. Deze werkzaamheden zijn eenvoudig uit te voeren en brengen geen hoge kosten met zich mee.

Uit de berekeningen in hoofdstuk 6 van het akoestisch rapport volgt dat binnen alle woningen een of meerdere slaapkamers aanwezig zijn die voldoen aan de strengste eis voor het binnenniveau, namelijk 35 dB(A).

Op grond van bovenstaande is er op grond van toetsing aan de wettelijke eisen vanuit de Wet geluidhinder geen belemmering op de woningen positief te bestemmen binnen de geluidzone van het industrieterrein Hoogeind, mits de maatregelen uit hoofdstuk 7 van het akoestisch rapport worden uitgevoerd.

Cumulatie van geluid

De cumulatieve waarde Lcum is bepaald. Voor 4 woningen betreft dit een cumulatie van de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai en industrielawaai. Dit betreft de woningen aan de Hoofdstraat waarvoor geldt dat niet wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde vanwege wegverkeerslawaai. Voor de overige woningen is geen sprake van meerdere relevante geluidbronnen.

Uit de beoordeling van de cumulatieve waarde (LVL,cum) blijkt dat deze bij de 4 woningen waarbij de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai wordt overschreden, na afronding tot 63 dB bedraagt. Zie hoofdstuk 4. De cumulatieve geluidbelasting blijkt bij deze woningen nauwelijks beïnvloed te worden door het industrielawaai. Er wordt ruim voldaan aan de maximaal te ontheffen grenswaarde van 68 dB zodat op grond van de systematiek uit het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (hoofdstuk 2 van bijlage 1) sprake is van een aanvaardbare cumulatieve geluidbelasting.

Bij de overige 5 woningen hoeft niet te worden gecumuleerd omdat geen sprake is van een relevante blootstelling aan wegverkeerslawaai. De geluidbelasting vanwege het industrielawaai bedraagt minder dan de grenswaarde van 60 dB(A) zodat op grond van de systematiek uit het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (hoofdstuk 2 van bijlage 1) sprake is van een aanvaardbare cumulatieve geluidbelasting.

Beoordeling woon- en leefklimaat

De woningen zijn gelegen binnen de invloedssfeer van een industrieterrein en van meerdere wegen. De cumulatieve geluidbelasting is bepaald volgens de methode Miedema. Uit het onderzoek blijkt dat de Milieu Kwaliteits Maat MKMden varieert per woning en per beoordelingshoogte.

De classificering van de Milieu Kwaliteits Maat varieert per woning en is weergegeven in hoofdstuk 5 van hde akoestische rapportage. Het blijkt dat de waardering op de begane grond over het algemeen iets positiever is dan op de 1e verdieping.

Bij alle woningen is sprake van minimaal 1 zijde van de woning op de begane grond waarbij de geluidsniveaus als “redelijk tot goed” te kwalificeren zijn. Dit geeft tevens aan dat er redelijk tot goed buiten kan worden verbleven in de tuin. Bij de berekeningen is de nachtperiode vanwege het wegverkeerslawaai en het industrielawaai bepalend. Dit betekent dat in werkelijkheid het woon- en leefklimaat in de dag- en avondperiode op de begane grondhoogte gunstiger is dan uit genoemd hoofdstuk blijkt. Dit is de periode dat in de praktijk gebruik gemaakt zal worden van de tuin.

Bij de 4 woningen waarbij sprake is van een “tamelijk slecht” leefklimaat wordt dit niet veroorzaakt door het industrieterrein maar door de ligging aan de Hoofdstraat. Het leefklimaat vanwege het industrieterrein krijgt over het algemeen de classificering “redelijk tot matig”.

Op de eerste verdieping is sprake van een hoge geluidbelasting vanwege de Hoofdstraat, waardoor het leefklimaat met “tamelijk slecht” wordt gekarakteriseerd. Aangezien hier niet buiten wordt verbleven is voor de beoordeling van de akoestische kwaliteit primair het binnenniveau van belang. Uit het onderzoek blijkt dat met relatief eenvoudige aanpassingen in alle ruimten voldaan kan worden aan de wettelijke eis voor binnenniveaus.

Bij de overweging of sprake is van een goed woon- en leefklimaat hecht de gemeenteraad er een groot belang aan dat de feitelijke situatie reeds lange tijd bestaat, dat de woningen zijn gelegen op een bedrijventerrein en bij de gemeente geen klachten over de hinder van de naburige bedrijvigheid bekend is. Daarnaast zijn de burgerwoningen legaal gebouwd en/of vallen ze reeds geruime tijd onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan.

Op basis van bovenstaande overwegingen is de gemeenteraad van oordeel dat sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat.

2.3 Conclusie

Gelet op de belangen van de gebruikers van de burgerwoningen, het feit dat de omliggende bedrijven niet onevenredig in hun exploitatiemogelijkheden worden aangetast en er ter plaatse van de burgerwoningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, is de gemeenteraad van oordeel dat er in het kader van een goede ruimtelijke ordening geen beletsel bestaat om de betreffende burgerwoningen postief te bestemmen met voorliggend bestemmingsplan.

Hoofdstuk 3 Regeling

De bestemmingen zoals die in voorliggend bestemmingsplan zijn opgenomen, komen overeen met de bestemmingen zoals die waren opgenomen in het bestemmingsplan Bedrijventerrein Hoogveld - De Groote Heeze 2012. In paragraaf 1.2 is reeds ingegaan op de aanpassingen van de bestemmingsregelingen zoals die gemaakt zijn naar aanleiding van de daar genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Hoofdstuk 4 Procedureel

4.1 Vooroverleg

Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerp bestemmingsplan voorgelegd aan het waterschap en de provincie Limburg. Het waterschap en de provincie hebben aangegeven geen opmerkingen te hebben.

4.2 Zienswijzen

Op grond van het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening heeft het ontwerp bestemmingsplan gedurende een termijn van zes weken, van 19 maart 2015 tot en met 29 april 2015, ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn heeft een ieder de mogelijkheid gehad om zienswijzen in te dienen. In de bijlage bij deze toelichting is een zienswijzenrapport opgenomen met de ingediende zienswijzen alsmede de reactie van de gemeenteraad hierop.

Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen is het akoestische rapport op enkele (ondergeschikte) punten aangepast en is een specifiek onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van dit bestemmingsplan voor de exploitatiemogelijkheden van de bedrijven ForFarmers en Teunessen. In de bijlage bij deze toelichting is een brief opgenomen van De Roever Omgevingsadvies waarin verslag wordt gedaan van deze aanpassingen en dit onderzoek.

Naar aanleiding van de zienswijzen is daarnaast ook een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan opgenomen. Deze voorwaardelijke verplichting ziet op de maatregelen die volgens het akoestische onderzoek nodig zijn om ter plaatse van de woningen Hoofdstraat 10, Hoofdstraat 18 en Boxmeersweg 14 te voldoen aan de normeringen zoals die gelden voor de binnenniveaus. De maatregelen zijn beschreven in bijlage 3 bij de regels en in het akoestisch rapport zoals dit is opgenomen in de bijlagen bij de toelichting. De voorwaardelijke verplichting komt erop neer dat gebruik van deze woningen ten behoeve van (burger)bewoning pas is toegestaan nadat de maatregelen zijn getroffen.